Het dijkregister van Wijhe van 1601

|pag. 1|

HET DIJKREGISTER VAN WIJHE

van 1601.

     Den 4en Juni 1308, gaf bisschop Guy van Utrecht op Spoolderberg zijn dijkrecht van Salland.
     Hij deed dit, zooals de aanhef dit vermeldt: »bij Rade eens crachtigen mans die wijsheit an hem hadde, heeren Ghysberts Ridder wth der Goye Burchgreve van Utrecht (1 [1. Ghysbrecht wth den Goye komt voor in 1248, 1252, 1258, 1259, 1278, 1283, 1285. Wouter zoon van Ghijsbert in 1271. Giselbertus zoon van Wouter 1285, 1290, 1292, 1294. Ghysbert zoon van Giselbertus 1295.]) ende by anderen gueden luyden«.
     Het is een dijkrecht, dat èn om zijn ouderdom en om zijn hoogst belangrijken inhoud ten volle eene uitgave waard is.
     Des te opmerkelijker is het, dat ooze Vereeniging, die zeker niet in de laatste plaats de uitgave der oude dijkrechten beoogt, verschillende minder belangrijke dijkrechten uitgaf, maar het allerbelangrijkste tot nu toe liet rusten.
     Het beginsel dat in dit dijkrecht voorzit is, dat de aangrenzende gronden tot het onderhoud van den dijk zijn gehouden volgens de bepalingen in het dijkrecht vervat.
     Werd een dijk schaar, zoo bepaalde men later, in 1494, dat wil zeggen, verdween het buitenland voor den dijk tot op drie roeden van den top des dijks, dan zouden daarvoor hoofden worden gelegd.
     Het kerspel, waarin de schaar was gelegen, zou het geld voor de hoofden voorschieten, de landsheer zou de eene helft der kosten moeten restitueeren, de pachter de andere helft.
     Vooral in 1530 werden er onder Olst en Wijhe verschillende hoofden in den IJssel aangelegd, terwijl toen en in 1532 het onderhoud dier hoofden werd geregeld.

|pag. 2|

     Omtrent de verdeeling van het onderhoud van dijk en hoofden zijn ons uit den vroegeren tijd weinige gegevens bekend.
     Het zij mij daarom vergund enkele oogenblikken uwe aandacht te vragen voor een document dat den omslag van het onderhoud van beide voor Wijhe regelt.

Dijck Register // van Wye // voer die // lofflick stadt

Deventer // Anno Domini // 1601.

     Aldus luidt het opschrift op het schutblad van een HS. op perkament in smal folio op het archief der gemeente Deventer no. 244.

     Daarna volgt op de volgende bladzijde, zonder eenig hoofd of opschrift, het volgende:

     »Alsoe durch desen lanckwiligen inlandischen krijch, verloep ende versterff der huisluden opten Wijer dyck verscheiden enden end plaetsen ongemaecket end voer byster binnen blyven liggen tot groeten nadeel ende schaede der geerffden. Oick mede hoewal bij sommige Erffgen. noch enige Registeren onder sich alsoe seer verscheidenen ende discrepirende, oick mede ghien van allen authentiek, gevonden dat men uth die selve ghiene ware end perfecte onderricht end informatie hefft konnen bevinden, hebben derhalven die gemeine Erffgen. der kerspels van Wye voersz. voer guet gevonden ende met ten anderen eendrechtelick averkommen end besloten, dat men den gehelen dijck van nieuws solde avermeten ende eenen jegelick synen toeslach daervan geven.
     Tot welcken ende de gemeine erffgen. met kerckenspraeck daer toe verdaget, gedeputert hebben uth haren getal neffens den schulten van Wye viere van den ingesetenen des kerspels van Wye, twie uth die stadt van Deventer end twie uth Swolle, tweten die Edelen Erentfesten Diederich van Voerst, Herman van der Beecke, Henrick van Ittersum ende Wychman van Camphuis, residerende in Wyer kerspel, D. Hermannus Agneus van der Cranenley, Pater in Mr. Geerdts Cloester end Johan van Hemerden in Deventer end Johan van der Marsch met Burgemeester Lubbert Vlijger in de stadt van Swolle, die

|pag. 3|

welcke alle gelijck end coniunctim in naem der gemeiner Erffgen. voersz. den gehelen dyck na de beste end bestendichste informatie, soe sie uth olde Registeren, olde huisluden, offte levendige konden mochten bekommen, solden meten, end daervan een seeckere anteikeninge upte landerijen ende besitters offte eigenars der selven stellen, daer by een jegelick na desen dage end tot allen tyden sal schuldich wesen toe blijven ende synen dyck daerna te onderholden end tmaken.
     Voerbeholden nochtannich dat soe jemandt int priveel durch geholdene maechgescheiden offte andere contracten hoere dijcken onder sich selves anders affgedeilt hebben mochten, als in den navolgenden Register verhaelt wort, dat den dese anteikinge niet praeiudiciabel sal wesen. Ende is dese voersz. metinge by den voersz. gedeputerden aldus gedaen end geschiet op ten 24ten, 25ten end 26ten Junij des jaers 1601, end by den gemeinen erffgen. binnen Wye na luidt der kerckenspraeck hier by gevoeget, verdaget, tegenwoerdich synde op ten vierden Julij by die meeste stemme omgevraecht wesende, geratifieert ende geapprobiert, ende mits desen alle vorige Registeren ende anteickingen, soe by enige van den Erffgen. mochten bevonden worden, gecassiert ende annulirt. Ende wijders besloten, dat hiervan sullen wesen drie anthentijcke Registeren, gelyckes inholts, waervan dat ierste sal rusten end bewaert worden by den Eersamen Rhaedt der stadt Deventer. End het anderde by den Eersamen Raedt der stadt Swolle. End het durde by dat gerichte ende schultampt van Wye. Totten welcken een jegelick soe duck ende mennichmael enige misverstant offte questie solde mogen vallen syn recurs ende toevlucht mach nemen, ende sich na jnholdt derselven reguleren. Voerts sal desen dyck voersz. gemeten worden met een roede van sesthien voeten, die voeten van die lengte als hier na in margine deses Registers gestelt binnen, na die welcke men die roede tot allen tyden mach formeren ende bewaren.
     Oerconde aller puncten voersz. hebben die gedeputerden voersz, metten anwesenden erffgen. dit Register met haer eigen handen ende namen onderteickent ende geratificeert. Actum Anno et die quibus supra.

|pag. 4|

     Daaronder volgt:

Copia der Kerckenspraeck.

     Die gedeputeerden Erffgen. vande metinge van de Wyer dycken, nevents den Schulten van Wye, laten hier mede allen meyer luden weten, dat alle die ghene die dycken hebben in Wyer kerspel, haren lantheren sollen anseggen, dat sie erschynen toe Wye in der kercken, eenen toekommenden Saterdach, wesende den 4den Julij aenstaender maent, omme an toe horen hoe die dyckmetinge geschiet is, end waer een jederen synen dyck hefft liggen. Welcke meyerman synen lantheren sulx niet an en sede, ende die lantheer niet en queme ende die meyer daer ghien guet schrifftelick bescheidt van brachte, sal die meyer verbeurt hebben eenen olden schilt, ende den lantheer sal verloren hebben syne stemme. Ende die huisluden die dycken hebben, sollen soe wal erschynen als die eigenars, by die pene van een olden schilt.

     Toe publiceren op Sondach den 28ten Junij Ao 1601.

               Deventer.
     Dese jegenwoordige kerckenspraecke is toe Deventer op dach voersz. affgelesen end hefft geaffigert gewest opter kerckdoren recht tegen het Raethuis.

     Hierna volgt het eigenlijke Register, beginnende met »dat eerste Bluck het welcke bestaet daer Olster dyck eindiget«.
     Daarna volgen de tweede, derde, vierde en vijfde blucken, waarvan het laatste eindigt »an Winsemer offte gemeine weiden hecke »

     Op het eerste blad van het eerste blok vindt men aan de zijde van de bladzijde: Dit is die lengte van een voeth, daer men die roede van dit ierste bluck na sal maecken, die roede lanck sesthien voeth.
     De lengte van die voetmaat is 27.4 c.m.
     Maar wat merkwaardig is, ter zijde van het register van het tweede bluck leest men: Dit is die lengte van een voeth, daer men die roede van de volgende blucken na sal maecken, die roede lanck sesthien voeth.

|pag. 5|

     De lengte van de daar aangegeven voetmaat is anders nl. 28.8 c.m. Van waar dit onderscheid? Was het eerste misschien Deventer maat, en het tweede Sallandsche maat?
     Tot het eerste blok behoorden enkele landen ouder Buerdam en Buerlekamp, en dan volgden de gene, die moesten gelden tot het onderhoud der Wijher hoofden.
     Deze hoofden schijnen in de rivier gelegen te hebben ongeveer van af Olst tot bij Windesheim.
     Ze schijnen reeds vroeg bestaan te hebben, want in ’t judiciaal van Frederik van Baden komt op 15 Juni 1504 reeds voor eene panding van zekere Juffrouw Sticke wegens hoofdgeld en kribbegeld voor de hoofden te Wijhe. (2 [2. Reg. Prov. Archief, dl. V, blz. 193.])
     De juiste grenzen der verschillende blokken kan alleen bepaald worden door hem, die voldoende bekend is met de plaatselijke gesteldheid en de namen van goederen en plaatsjes.
     Ze schijnen doorgeloopen te hebben van af Olst tot aan Windesheimer of het gemeene weidenhek, doch vermelden natuurlijk alleen de goederen aan den Overijsselschen kant gelegen.
     Voor de kennis der goederen over deze strook langs den IJssel gelegen, de oude namen en toestanden en de eigenaren daarvan, kan dit register belangrijke gegevens verschaffen.
     Vooral als zoodanig meen ik op dit register de aandacht te mogen vestigen.
     Om een denkbeeld te geven van den rijkdom van plaatsnamen over deze streek in het register voorkomende, moge de citatie van enkele namen van goederen, gehouden tot het onderhoud der hoofden, volstaan:
     Burick, Swakenborch, Wengevelde, Groet Wengele, Ranckenborch, Beurlekamp, Buerlo, de Bildt, Buerdam, Klein Wengele of Burick, Avest, Genewijck, Hengeveldt, Wesenbarch, Amelvelde, Avermarsch, Swiervelt, Vorwerden, Echterhuis, Clippenshuis, die Crappe, Strytvene, Voerthuis, Wyermarsch, Cattenwinckel, Hacht, Westerholte, de hofstede an de Gelder, de Hof toe Wye, de Krytenbarch, Rovelt.
     Het register is behalve door de commissie voor de meting

|pag. 6|

door achtentwintig geërfden geteekend, waaronder Gerhard van Utrecht, pater te Diepenveen, Theodorus Anckerschmidt, pater van Brantsklooster te Deventer, Diederick Heyinck als rentmeester der geestelijke goederen te Deventer, Johan Aelberts van wege het Fraterhuis te Deventer, Henrick van Lymbergen als Provisor van het Voorster Gasthuis te Deventer, Ewold Buser als Provisor van het Heilige Geest Gasthuis te Deventer.
     In het besluit werd bepaald, dat er drie anthentieke exemplaren van het Register zouden worden gemaakt, waarvan een door den Raad van Deventer, een door den Raad van Zwolle, en een door het gerecht en Schoutambt van Wijhe zou bewaard worden.
     Het exemplaar in het Deventer archief is echter geen origineel maar eene anthentieke copie van 11 November 1603, geteekend door den Deventer secretaris Johan Condewijn.
     Onder No. 251 berust in het Deventer archief een 18e eeuwsch afschrift genomen naar eene copie die indertijd in 1601 voor Roelf Alberts van Vilsteren schijnt vervaardigd te zijn.
     De afschrijver heeft, blijkens een inliggend briefje, het onderschrift, behelzende de collatie, geschreven door den Deventer secretaris Condewijn, niet kunnen lezen. Deze komt dan ook onder dit afschrift niet voor.

                                                                                          Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.

═══════════

Category(s): Wijhe
Tags: ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *