Albert Lieffertsz, Boekdrukker te Kampen

 

[pag. 287]

ALBERT LIEFFERTSZ, BOEKDRUKKER TE KAMPEN.

___________

Toen ik in de eerste aflevering van dezen jaargang van dit tijdschrift eene korte geschiedenis van het St. Lucasgilde te Kampen mededeelde, gaf ik te kennen dat ik omtrent den boekdrukker Albert Lieffertsz of Lephertsz, die in 1610 gildemeester van dat gilde was, nog eenige nadere mededeelingen dacht te doen; daaraan geef ik bij dezen gevolg.
Albert Lieffertsz dan oefende sedert 1610 te Kampen het boekdrukken uit. Hij had minstens een broeder, Henrick, ik zeg minstens, omdat dit zeker is, doch waarschijnlijk was Bartelt Lieffertsz, een speldemaker, die in 1611 in ’t Sententieboek voorkomt, ook een broeder van hem. Bovendien had hij twee zusters, nl. Jennegen, gehuwd met Mr. Willem Andries organist en sedert 23 Febr. 1614 voor de tweede maal met Egbert Roelofsz van Kampen, en Anna, vermoedelijk ge­huwd met Willem Geertsz, korvenmaker te Kampen. Mis­schien echter is ook Gijesken Lieffersz van Kampen, die 12 Maart 1616 huwt met Roelof Hermsen van Kampen eene zuster van hem geweest.
Wie de vrouw van Albert Lieffertsz is geweest, bleef mij onbekend.
Van zijne pers draagt het eerste werk dat daarvan bekend is het jaartal 1612.
Het schijnt dat Lieffertsz de partij der remonstranten was toegedaan, of althans Remonstrantsche vlugschriften drukte.
Dit had tengevolge dat zij in 1613 werd gevangen geno-

[pag. 286]

men en op de Hagenpoort gezet, terwijl hij eindelijk in dat zelfde jaar uit de stad werd verbannen. Het vonnis waarbij dit geschiedde luidt aldus:

Albert Lephertss.

Alsoe hij sich tegens het verboth eens Erb. Raedes heeft laeten gelusten eenige godtzlasterlicke ende tegens het algemeene Christendom strijdende boecken te drucken, dezelue te diuulgieren ende te vercoepen, waerauer Schepenen ende Raedt wel gevuecht solden wesen anders tegen hem te procedieren, soe willen nochtans haer E. opte voerbede zijner huijsfrouwe ende andere gueden burgeren voor hem gedaen, ende oock om andere erhefflicke redenen ende geude consideratien sulcx gratieuselick ouersien, ende bannen hem demnae vuit deze stadt, stadsvrijheit ende haere veerschepen’ mitz doende behoorlicke oervhede.

Dit is Albart Lephersz op de Hagenpoorte voirgelezen ende is volgents nae gedaene
oervhede zijner gevanckenisse gerelaxeert ende entlediget. Actum A° xvicxiii.

 

|Christopher Henricksz.

Coram |

|Casper ter Barchorst.

 

Welke de boeken waren wegens wier uitgave dit strenge vonnis tegen hem werd geveld, is mij niet bekend. Leffertsz verliet tengevolge hiervan Kampen en begaf zich naar Am­sterdam. Intusschen echter kwamen de verschillende crediteuren en eischten van hem betaling waardoor hij in droevige omstandigheden geraakte en zijn boedel desolaat, of in staat van faillissement werd verklaard. Johan Evertsz. Cloppenburg bekend boekdrukker te Amsterdam, had aan Lieffertsz papier gezonden om daarop voor hem testamenten en psalmboeken te drukken; deze vorderde dit papier uit den boedel terug, daar hij het hem niet verkocht had, maar alleen tot dat doel had

[pag. 287]

gezonden. Bij vonnis van 18 Maart 1613 werd hem zijne eisch daartoe strekkende door ’t gericht te Kampen toegewezen.
Den 12en Augustus 1613 ordonneerden schepenen en raad dat al de crediteuren die op hem geprocedeerd hadden, tusschen dien en den naasten rechtdag zouden komen voor Engbert Claess en Christopher Henricksz, de curatoren, mede­brengende al hun bewijs ter zake dienende. Den 29en Januari des volgenden jaars vonnisden daarop schepenen en raad, dat preferentie zouden genieten: Jacob van Alkemade voor 82 ggl., Jacob van Berch voor 159 g., zal. Roerick van Harderwijck’s erfgenamen voor 265 gl., Roelof Frericksz voor 389 gl., Johan Symonsz voor 409 gl., Willem Geertsz voor 100 gl. Johan Wijntgens voor 42 gl., Geesgen Wessels voor 159 gl., de wed. Femmigje voor 100 gl, Geesgen Wijchers voor 52 gl., Dirck Hoesebeen voor 100 gl. en Anna Jacobs voor 159 gl. Terwijl naar rato hunner schulden, welke zij voor de hoofdlieden zouden moeten verifieeren, zouden concurreeren: Isebrand Hermansz, Ferdinandus Sabé, Wycher Backer, Derick Egbertsz, Coop Jans Schnijder, Geert Cannegieter, Berent Helmichsz en Egbert Roelofsz.
Onderscheidene procedures werden er verder nog gevoerd door en tegen de curatoren in zijn faillissement tot 22 Maart 1615.
Het schijnt echter wel dat deze zaak door de crediteuren niet altoos even onpartijdig en in ’t belang van hen zelve en den failliet werd doorgedreven, althans daarover beklaagt Lieffertsz zich ten zeerste in een brief van 7 Sept. 1614 door hem uit Amsterdam aan zijn zwager Willem Geertsz te Kampen geschreven, die ik straks laat volgen.
Dit en zijne verbanning schijnt hem zelfs aanleiding gege­ven te hebben om zich met een verzoekschrift tot Prins Maurits te wenden, om hierin ten zijnen bate tusschen beide te treden.

[pag. 288]

In Februari 1620 scheef immers de magistraat van Kampen aan den Prins die kort te voren, den 14en Februari, zoo ’t schijnt reeds een tweede klaagschrift tegen de regeering van Kampen bij hem ingekomen, aan haar had toegezonden, dat ze ,,ongeern heeft gesien’’ dat zijne Excellentie ,,nu wederomme op ’t nieuwe durch Albert Lephersen geweezene boekdrucker ende burger alhier’’ is gemoeid geworden. De suppliant was immers volgens den raad van Kampen zich zeer wel bewust: ,,dat teegens hem niet anders als nae rechte ende merite zijner delicten is geprocedeert geworden,’’ gelijk de Prins ook zou kunnen zien uit een vorig schrijven van hen van 19 November 1618, waarin ze de geheele zaak hadden medegedeeld. Lieffertsz zocht niet anders volgens hen dan om bij den Prins, de magistraat en justitie der stad verdacht te maken en te calumnieeren, waarom ze den prins verzoeken om voor zooverre hij den prins in ’t vervolg nog meer met zijne onbehoorlijke pretentien zoude moeien, om aan zijne mededelingen geen geloof te slaan, en hem te gebieden de magistraat te Kampen wegens de aan hem gepleegde justitie niet meer lastig te vallen: ,,want wij verclaeren dat wij met goet geweten ende goeder conscientien in des gemelten Albert Lephersens saecke niet anders nae rechte kunnen doen ofte disponeren, als voor desen daer in gedaen is.’’
Hoe het verder met deze zaak is afgeloopen vond ik niet gemeld. Hoogstwaarschijnlijk heeft Lieffertsz daarna gezwegen en is hij in Amsterdam blijven wonen. Aangaande een ver­blijf en vestiging van hem te Kampen nà, zijne verbanning in 1613 vond ik geen spoor.
Indien dit juist is dan kan ook de opgave dat hij in 1622 nog te Kampen zoude gedrukt hebben, onmogelijk juist zijn, zoodat een nader onderzoek hieromtrent niet geheel overbodig mag gerekend

[pag. 289]

Volge thans de brief van Lieffertsz aan zijn zwager waar van ik zoo even gewag maakte.

Den 7 September A° 1614.
Gunstige zwager Willem Geertsz naer groetenisse ende wenschinge alles goets dient desen tot antwoort op u. l. missyve waerin u. l. mij advijserende was, dat mijn credi­teuren in presentie van de E. E. burgermeesteren Alaerdt Clandt ende Engelbert Claesz bij malcanderen geweest hebben ende geconsulteert van wegen de druckerije te vercopen; wanneer ghij haer alsdoen beloofden aen mij te schrijven dat soo ick borge voor de penningen, die ick beloven mocht, soude connen setten, dat sij mij alsdan die wel vercopen wilden. Oversulcx ghij haer mijn bescheijt ende antwoort in handen belooft hebt te stellen. Ende om sulcx te volbrengen soo laet ik haer bij desen weten, dat nadien ick haer ’t voorleden jaer goede vaste borgen gecregen hadde, gelijck blijckt in den brief geschreven van Jan Evertsz Cloppenburch aen Jan Sael ende Mr Gerrit waerin hij mij authoriserende was de druckerij te copen, waervoor hij beloofde ende instondt, ende alst vereijste ofte begeert wierde so wilde hij noch binnen Campen burge setten. Ende alhoewel de crediteuren mij belooft hadden dat wanneer ick haer sulcke vastichheijt soude connen setten, dat sij mij die dan dadelijcken vercopen wil­den: Tegen welcke beloften sij mij die dan noch niet heb­ben vercopen willen, onaengesien sij wel wisten dat ick hier daer op al een huis gehuert hadde, soo hebben sij mij noch­tans daer so lang laeten gaen wachten, tot dat ick daer gedetineert worde, waertoe sommige van haer genoechsaem gearbeijdt hebben, ende hebbe eijndelijck daer door de stadt verloren, want hadden sij mij nae haer beloften voortgeholpen, het soude daertoe niet gecomen hebben. Ende ick van de detentie ontlast wesende, hebbe ick haer den 14 Maij des

[pag. 290]

selven jaers 1613 van Amsterdam geschreven, haer aenbiedende als vooren, welcke brief u. l. de voorspraken in han­den gegeven heeft, maer daer is geen bescheijt noch antwoort op gevolcht, soodat ick de saeck met de boeckvercoperen ten laetsten niet langer dilaijeren oft uijtstellen conde, overmits het werk dat ick hadde, daer ick het pampier toe mede van Campen nam, niet langer konde behouden. Ende doordien de crediteuren aldaer mij so lieten nalopen, socht Jan Evertsz. Cloppenburch oock van wegen de beloofde burchtaal ontslagen te wesen. Maer ick hebbe de boeckvercoperen doen ter tijt gebeden noch so lang patiente te willen hebben tot dat ick noch eens aen mijn crediteuren tot Campen schrijven mocht; so hebbe ick den 9 Junij des selven jaers wederom aen de crediteuren geschreven waervan ’t opschrift ende beginsel was aen de voorspraken Mr Gerrit end Jan Sael, ende omdat den selven brief de crediteuren in handen comen mocht, so hebbe ick haer den selven door u. l. ende Gerrit Vriese in handen laten geven, waervan ick u. l. oock een copie sandt, tot dien eijnde ghij die mocht laten lezen tot eenige crediteuren ende daer ’t te passe comen mocht. Ende overmits mij daer oock geen antwoort op geschreven is, so dencke ick dat die voorsz brieven den crediteuren niet geremonstreert en zijn, maer door mijn swaerste partijen vermockelt ende verstommelt tot mij­ner ende der gemener crediteuren grote schade ende nadeel. Ende dewijl ick niet en twijvel oft de copie is noch bij u. l. voorhanden, so begeere ick dat u.l. desen brief beneffens die voorsz. copie de E. E. heeren voorsz ende den Crediteuren wil laten lesen, wanneer sij nu tsamen bij malcanderen co­men sullen, opdat sij bedencken mogen wat groter schaden sij mij ende haer selven aengedaen hebben. Oock en can ick niet weten waerom sij mij de druckerij, tegen haer beloften, niet hebben willen vercopen, oft waeraen het gebroken heeft,

[pag. 291]

anders als alleen mij te bederven tot haer eijgen schaede; ’t heeft haer immers aen borge niet ontbroken. Dan mij is indachtich, dat omtrent den 10en April 1613, wanneer ick Jan Evertsz schrijven vanwege borge voor mij te worden, aen de voorspraken overgelevert hadde, dat de voorsz voorspraken mij opt Stadt-huijs op de Sael ontboden, in schijn dat de gemene crediteuren verbodet waren; ende ick daer comende en waren daer van den crediteuren geen meer als twee, namelijck Griet Jans op Sovelingen ende Jan Jacobsz van wegen zijn moeder Anne Jacobs, beneffens den secretaris Hoechstraeten ende Jaques de dienaer; alwaer mij tot dier tijt in de name van de gemene crediteuren worde aengeseijt, dat sij niet gesint en waren mij de druckerije te vercopen, voor ende aleer ick sodanige perseelkens, nodich tot ons nootdruftich onderhout om ons lichamen te decken, als ick op een sedulken gestelt hadde, ende op den crediteuren wel 4 weken te voren versocht, ende daernae als d’inboedel vercocht was ende den crediteuren meest in ’t boelhuijs bij malcanderen comende om ander oorsaeken, ende ick aenhoudende dat de crediteuren resolveren mochten oft ick die uijtgeleijde perseelkens hebben soude oft niet, so antwoorde Jan Sael als volmachtiger ende procurator van de meeste crediteuren: ,,ghij hebt het emmers’’, waer op ick antwoorde: ,,so nemen wij het na ons;’’ ende daer en worde daer van geen van de crediteuren meer op gesproken — so wilden sij hebben ick soude haer eerst die perseelkens wederom in ’t boelhuijs le­veren, welcke cleijnheijt wij doen al voort in den bedroef­den couden harden winter over Harderwijck tot Amsterdam namen. Welcke onredelicheijt ick door request aen schepen ende raedt geclaecht ende te kennen hadde gegeven.
Maer ick kan niet anders geloven oft dees voorsz. vermeijnde oorsaeck is maer een deckmantel geweest, om also haer bitter-

[pag. 292]

heijt tegen mij uijt te schieten waermede de voorspraken met die twee crediteuren tegen mij ingenomen waren, ’twelck ontsproten is mijns achtens als ick hier na cortelijck verhalen sal. Namelijck overmits ick Mr Gerrit zijn nabeschreven mishandelinge tegen mij so voorgehouden hadde ende mede omdat ick Jan Sael al de crediteuren toebrachte ende t’zijnen huijse verbodede. Ende de oorsaeck van de partijschap van Mr Jan Sael is, omdat ick hem in ’t boelhuijs tegenstondt, doordien hij Anna Jacobs dat vercochte nieuwe bedde wilde toeeijgenen ’twelck de baeckster wettelijck gecocht hadde, maer hadde ick hen de handen cunnen smeren met geschencken, als sommige der voorsz. crediteuren gedaen hebben, ick gelove vastelijck die partijschap soude so groot niet geweest hebben Exempel: hadden de geschencken niet te wege gebracht, zij souden Willem Dircks van Dommelen die gouden en silveren clenodien, oft sijn verschoten gelt, uijt zijn handen niet soecken te brengen, die welcke sij beijde voorspraecken met secretaris Hoochstraten in presentie van Jaques de dienaar ende mij, met hanttastinge belooft hadden, hem zijn ver­schoten penningen waermede hij ’t uijt de lombaert tot Hattem (van ons aldaer geset) gelost hadde, hem wederom te geven, ofte so sij geen voordeel in de clenodien en sagen, ’t welck tot vermindering van mijn schult strecken mochte, so souden sij hem die clenodien wederom te handen stellen welcke beloften sij als onredelijcke lieden niet en houden ende hem getrouwe man ’t zijne ongerechtelijck soecken te ontfoeren. Ende overmits ick Anna Jacobs dat voorsz. bedde niet wilde helpen toestemmen, worde zij tegen mij te meer met quaetheijt ontsteken, mij scheldende, street ick voor mijn eer. Gelijckerwijs mij Griet Jans oock met scheltwoorden bezwaerde end ick zulcx niet cunnende verdragen is daerdoor haer partijschap mede ontstaen, in welck ick oock tegen haer

[pag. 293]

al te samen niet boven de waerheijt gehandelt hebbe. Dit zelve als boven verhaelt hebben zij op mij zoo ’t schijnt niet subtijlder cunnen wreken oft sij hebben ’t een ander deckmantel moeten geven, dit is de rechte oorsaek en de spijcker op ’t hooft geslagen. Ende hebben also daerdoor haer boosheijt tegen mij te wege gebracht, waerdoor mij deze navol­gende schaeden ende verdervingen ontstaen zijn. Namelijck ten eersten hebbe ick op haer woort dat zij mij de druckerije vercopen wilden als ick haer burge soude connen setten een huijs gehuert gehadt, waerop ick wederom te Campen quam om de druckerije te copen, ende mij door haere moetwille, als boven geseijt, is mij door dat ophouden mijne detentie ontstaen, ende hebbe de stadt verloren ende wat daeraen dependeert, waer uijt voort volchde dat den eijgenaer van wien ick ’t huijs gehuert hadde, verstaende dat mijn vrouwe we­derom na Campen getrocken was, (om mij in mijn gevangenisse te versoecken) heeft hij mijn jonge die ’t huijs be­waren soude daer uijt gestoten, ende ons goetken dat wij noch hadden ende de crediteuren ons toegestemt hadden, als boven gezeijt is, voor de huijshuer behouden, so dat ick hem naer veel moeijten een half jaer huijshuer 90 gulden hebbe moeten beloven, waervoor ick hem ons goetken te pande hebbe moeten setten, oft anders zoude hij ’t vercocht hebben. Met welcke questie ick het meeste van den somer hebbe moeten verquisten ende lang in een herberge tot groote costen moe­ten wesen, overmits ick geen ander woonplaets hebbe gehadt, maer door ’t lange vertrecken met de questie hebbe ick een camer gehuert gehadt, waerbij een grote solder was om de druckerije op te setten; alsoock dat ick mij door dat te leur stellen tot gene saecken hebbe connen schicken; soodat ick door dese voorsz. aengedaene schaden ende schanden veel meerder ben geinteresseert geworden, als door ’t procederen

[pag. 294]

ende ’t vercopen van de goederen ende en zijn niet machtich mijn verlies oft schade mij te versetten. Doch ick gelove wel dat sommige der crediteuren ende der voorsz. E. E. heeren hier eensdeels niet van weten, dat dit alles so tusschen der voorsz. voorspraeken ende genoemde crediteuren geschiet is, ende dat ik zes hondert carolus guldens voor de druckerije geboden hadde waervoor Cloppenburch borge wesen soude, ende dat ick vier hondert gulden voor de boecken hadde ge­boden, was t’samen duysent gulden, te betalen met 100 daelers ’s jaars, beneffens belofte wat schult daer dan noch niet van betaelt soude cunnen worden, die selve hier namaals te voldoen tot den laetsten penninck toe. Maer ’t blijckt in aller manieren dat die voorsz. genoemde crediteuren ende voorspraken door haere bitterheijt so verblent zijn geweest, dat sij niet hebben bemercken kunnen de schaeden die sij haer selven hierdoor aengedaen hebben, veel minder die sij de andere (deses niet wetende) hebben aengedaen, als sij mij maer slechts in de wortel mochten uijtroeijen. Ick weet wel dat de schuit deughdelijck is, ende dat het een ijegelijck swaer sou vallen het sijne te missen hetwelck met moeijten gewonnen is, so sij dan den Alderhoochsten mijn getuijge, dat ick noijt gesocht en hebbe ijemandt het sijne te ontfoeren oft te vercorten; dat de middelen eensdeels vermindert waren door sekere oorsaecken, die mij bekent sijn, soo was daer nochtans apparentie genoech, om metter tijdt (doch eer langh) een ijegelijck te betalen, had men met mij de patientie een weijnich willen hebben, als ick tot verscheijden reijsen schrif­telijck ende mondelijck op hen begeert hebbe, maer sij heb­ben mij niet willen hooren maer alle gelijcke het datelijcken van mij hebben. Waer heeft men oijt met een burger so sien te wercke gaen ? al had ick al drie mael so veel middelen gehadt so soude men dat qualijck hebben cunnen gedaen.

[pag. 295]

Ende t’is gelooflijck soude men so met alle burgeren te werck gaen, daer souden al vele uijtgesettet worden die nu haer hoeft al hoge droegen, so dat men ’t op de straet bemercken soude.
De Heere ist bekent dat mijn hert ende wille goet van betalinge is, wat niet geschiet is dat heeft mij aen mijn macht ontbroken. Doch mijn hoop is tot den Heer die mij macht geven sal op dat afgebrokene wederomme te timmeren ende dat ick den laster tot sijns naems eer van mijnen hals smij­ten mach, daer ick rigeureuselijck sonder bermhertichheijt door nijdicheijt in geworpen ben.
Ende nadien Mr Gerrit door dat bedriegelijck procederen de E. E. heeren van Campen ende mij bedroegen hadde door dien hij mijn vrouwe dede citeren die welcke nadat sij d’eerste boodschap ontfangen hadde (ende ick van huijs wesende in ander affairen) is datelijck na mij getrocken om te halen, soo heeft hij Albert de dienaar noch op Sondagen gesonden, ende heeft de boodschap alevenwel tot mijn arbeijdts volck gedaen, ende ik den derden dach naer mijn vrouwen uijttocht weder te huijs comende, ben ick bij hem gegaen, niet wetende dat hij so met mij gehandelt hadde, versocht ick noch weinich tijts om sijnen meester te voldoen. Ende ick noijt mijn leven voor eenich heeren gerecht aengesproken wesende, so hebbe ick mij te minder voor sodanige bedriegelijcke trecken cunnen wachten, door dien hij mij in schijn van vrientschap radende best te wezen dat ick mij verwinnen liet, ’t welck stillekens soude toegaen, anders soude mijn naem daer voor ’t gerecht groot opgeroepen worden. Ick van hem aftredende om te overleggen wat mij best oversulcx te doene stonde is hij na ’t stadthuijs gegaen ende heeft mij binnen een half uijr tijt sonder mijn weten op sulcker manier verwonnen, het welck ick hem oock t’sijnen huijse in pre­sentie van secretaris Hoochstraten so voorgehouden hebbe.

[pag. 296]

Door dit selve bose stuck is eylaes mijnen bedroefden staet ingegaen, sodat daerdoor eenige van mijn Crediteuren begosten te spreken ende dewijl ick die oversulcx doch niet stillen en conde, so hebbe ick doen al mijn andere crediteuren, des niet wetende, te samen selfs verbodet tot Jan Sael te comen, alwaer ick haer mijn saeck geremonstreert hebbe, dat het sommige mijnder crediteuren so met mij in den sin hadden ende mij so hardt vielen, op dat zij tsamen te gelijck haer nuttichst d’een als d’ander doen mochten, ende niemant hem door onwetenheyt soude versuymen ende also gelijck mochten staen met degene die mij al hadden laten aenspreken, hetwelck oock also mijns achtens wel hade cunnen geschieden, hadde met de saeck oprecht ende getrou gehandelt geweest. So hebbe ick daerom oock niemant in ’t gerecht willen tegenstaen opdat ick also te beter mocht comen tot accordatie van delaeij ende uytstel van betalinge.
Tot welcken eynde ick mijn crediteuren oock al te samen in ’t boelhuys ontboden hadde om te besien oft sulcx beraemt conde worden, ende overmits ick in mijn naringe sittende (ick niet denckende dat sy ’t so met mij in den sin hadden) vercochte ick boecken aen eenige burgeren ende versondt briefwerck aen die voor wien ick arbeijdende was. So ist geschiet dat ick in ’t procederen een pacxken briefwerck, toebehorende eenen Cornelis van der Plasse, voor wien ick het gemaeckt hadde, door mijn maecht in ’t veerschip dede bestellen, tot welcken tijde Jan Jacobsz ende Willem Glauwe bij ’t veer­schip hadden gaen wandelen (so mij de maecht seijde) die welcke hebben mij soo ’t schijnt bij burgermeesteren voort gaen verclagen, dat ick mijn goet wech sandt ende dat ick ’t boel­huys socht te beroven, so dat sij dat voorsz. pacxken door die logenachtige clachte door een dienaer wederom uijt ’t veer­schip op ’t stadthuijs lieten halen ende de boeckvercoperen

[pag. 297]

van Amsterdam voor de heeren deden ondersoecken, oft ick oock bij die eenich goet vermonckelt oft verstommelt hadde.
Soodat de heeren op haer versoeck hen ’t geriehte vergunt hebben, dat sij de goederen door versegelinge tot haer souden nemen ende ons bloot op de straet toe setten, onaengesien dat ick een borger was en haer recht oock so verre niet gedreven dat sij sulcx doen mochten, want het was geen vierthien daegen geleden dat sij eerst op mij begosten te procedeeren. Ende ick eylaes niet wetende dat alsulcke lagen na mij geleijt wor­den, verwachte ick mijn crediteuren in ’t boelhuijs ten gesetten selven dage ende ure. Maer och armen, haer comen is mij een sware last geweest, dat in plaetse ick haer ont­boden hadde om te besien oft ick eenich uytstel van betalinge van haer verwerven mochte, ende mij in mijn naringe laten sitten, dewijl daer apparentie genoech was om mettertijt te betaelen, quamen sij te gelijcke in ’t huys stormen met het gerechte, bij haer hebbende heeren dienaers om de goederen an te vaerden ende over hoop te smijten. Tot welcken tijde sij mij mijn staet van schult ende onschult beneffens d’inven-tarii van de goederen afnamen, ende hebben mij geheellyck ontdeckt, ontbloot ende ontfoeght, dienaers in ’t boelhuys stellende nachten ende dagen, dat wij niet reppen noch roeren souden; daar ick doch de goederen in aller getrouwicheijt niet hebbe vermindert, noch niet en hebbe willen gedogen dat daer eenen pennincks waerde soude uijtgedraegen worden, anders als de crediteuren ons toegestemt hadden ende selfs wel wisten, gelijck ick voor den alderhoochsten ende mijn conscientie ver­antwoorden can. Dit alles hebbe ick verhaelt opdat haer indachtich mach worden hoe sij met mij gehandelt hebben ende op mij geloert als een gleede op een kiecken, ende bedencken mogen oft sij wilden dat so bij haer gedaen worde, ende eens van sulcken wesen mochten afstaen ende mij eijndelijck mijn

[pag. 298]

gereetschap daer ick mijn broot mede sal winnen niet uijt den handen brengen. Soo is dan eijndelijck mijn schrijvens ende begeerte noch aen de E.E. heeren ende crediteuren voorsz. dat mij de druckerije mach geworden. Ick sal noch mijn bodt staen oft 100 gl. meer als yemandt daer voor geuen wil, maer sij lieden moesten mij die op mijn crediet laeten volgen dewijl ick haer nu geen borge setten can ende sij haer selven in de wege geweest hebben; ick hebt haer genoech geschreven, nae welcke brieven ick mij regulieren sal indien mij de druc­kerije niet en gewort. Oock dat het eens tot een eynde mach comen, want het lang genoech gestaen heeft; het was haer al te veel dat sij met mij in rente ende hooftsomme een wey­nich gedult hadden ende een jaer laeten zitten, dat ick haer de rente afstaen soude ende de hoeftsomme altemet opbrengen, maer sij ontsien hen niet nu sij ’t mij uijt den handen ge­nomen hebben, dat het te niete loopt ende nu bij twee jaeren daer vruchteloos is blijven liggen, hadden se toen mij de druckerije vercocht daer hadde Meije lestleden al 100 daelders verschenen geweest ende de gecochte gelden met de wisse schulden die haer in mijn staet overgegeuen ende aengewesen hebbe, ingemaent, ende een eijgelijck pro quota het haere ontfangen so dat de crediteuren weynich soude gerest hebben t’eijnde van de betaelinge van de druckerije ende boecken. Ende dus doende doen se haer selven schade ende mij schade ende schande ende den laster door haere moetwille blijft mij op den hals leggen, maer ick hope tot den Heere die het haest anders schicken sal ende mij in mijn lijden uijtcomst.
So is mijn bidden aen de E.E. heeren voorsz. selfs de saecke bij de handt willen nemen ende helpen tot profijt der credi­teuren dat de druckerije mach vercocht werden (ist mogelijck mij mach geworden) ende wat daer meer onvercocht is, opdat ick eens weten mach hoeverre die gecochte penningen tegen

[pag. 299]

de schult strecken mogen ende waernae ick mij hebbe te re­gulieren, want ick niet en begere dat de onschuldige in mijn bederffenisse, der schuldigen misdaet draegen sullen, sal ick tot sijnen tijt tot opbouwinge mijns naems doen ’t geene mij mogelijcken wesen sal. Indien dan nu de E.E. heeren ende crediteuren insien willen hebben ten regarde van die mij aengedane schaeden ende haer eijgen plicht, ende laten mij de druckerije op mijn credijt volgen, mits so veele versekeringe als mij mogelijcken sal wesen haer daer voor te doen, sal haer selven profijtelijck ende mij aengenaem wesen, ende ist dat dat also geschieden mocht, so is mijn begeerte dat mij door advijs van de E.E. heeren voorsz. geschreven mocht worden opdat ick selven daer quame ende die ontfinck.
Dit hebbe ik U gunstige zwager willen beschrijven opdat u. l. dezen brief met den voorgaenden eal behandigen aen de E.E. heeren voorsz. opdat se die lesen mogen ende sij E.E. die den crediteuren remonstreren. Dit doende sal u. l. mij vrientschap doen.
Hiermede desen eijndigende u. l. in de genade des Alderhoochsten bevelende met u familie ende huysgesin, groet ons alle bekende vrienden. Wt Amsterdam datum als boven met haest.

 

V. L. Zwager
Albert Lieffhertsz.

 

               Opschrift:
An den Eersamen Vromen Willem
Geertsz korvemaker op de olde straet
tot
Campen

 

C ito.
ito.

 

Loont brenger.                                       N.U.

Category(s): Kampen
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *