De Bedijking van den IJssel en zijne monden

DE BEDIJKING VAN DEN IJSSEL EN ZIJNE MONDEN.

 

In 1308 gaf bisschop Guy op Spoolderberg den bekenden dijkbrief van Salland, later veelal als Guyen-dijkbrief aan­gehaald. [1]) Het in dien brief vervatte dijkrecht gold voor de dijken van den IJssel aan de zijde van Deventer van ter Hunnepe [2]) tot aan de zee. De brief bevat geene concessie tot het aanleggen van dijken, doch eene regeling om bestaande maar verwaarloosde dijken beter aan hun doel te doen beantwoorden. Uit het stuk volgt dan ook, dat in 1308 de rechter IJsseldijk bestond.
In gissingen omtrent den tijd, waarin de eerste dijken in deze streken zijn aangelegd, zal ik mij niet verdiepen. Ik volsta met te wijzen op eenige feiten, die het bestaan van dijken voor 1308 bewijzen.
In de reeds aangehaalde oorkonde van 1240 wordt de Randerzijl genoemd. Waar zich een sluis bevindt, moeten waterkeeringen zijn, zoodat in 1240 langs den IJssel in de marken van Rande en Hengforden een dijk of althans eene kade moet hebben bestaan. In de kroniek van Toe Boecop wordt op het jaar 1222 gesproken van eenen veldslag, die geleverd werd op den dijk bij Herkulo. [3]) In dat jaar bestond dus tusschen Wijhe en Zwolle een IJsseldijk. In eene oorkonde

[pag. 2]

van het jaar 1170 [4]) ontmoet men eenen dijk langs eene nieuwe wetering. Over de vraag, waar deze wetering gezocht moet worden, kan men van meening verschillen [5]), doch in ieder geval lag zij in Salland en wanneer men in dat jaar reeds dijken langs gegraven waterleidingen moest leggen, mag men veilig aannemen, dat zij ook langs de groote stroomen hebben bestaan.
Groote oppervlakten gronds zouden thans zonder dijken aan geregelde overstroomingen blootstaan en daardoor on­bewoonbaar zijn. Toch mag men hieruit niet afleiden, dat de dijken reeds door de oudste bewoners dezer streken moeten zijn aangelegd. Dergelijke gronden behooren niet tot die, welke het eerst in cultuur zijn gebracht [6]) en bovendien kwamen nimmer zulke hooge waterstanden voor als later. Zoolang er geen dijken waren had de IJssel bij grooten waterafvoer eene bedding ter breedte van eenige Kilometers te zijner beschikking. Daardoor werden alleen de lagere broek- en oeverlanden geïnundeerd. De eenigszins hooger gelegen gronden bleven watervrij en juist op deze vindt men de oude nederzettingen en verspreid liggende hoeven.
Wanneer nu deze oude nederzettingen voor overstrooming gevrijwaard waren, waarom is men dan begonnen met het aanleggen van dijken ? Het antwoord op deze vraag is gemakkelijk te geven. De toeneming der bevolking maakte dijken noodzakelijk. De hoogere gronden werden, omdat de

[pag. 3]

lagere daarvoor niet geschikt waren, als bouwland gebruikt. Voor het bestaan van een gezin was eene bepaalde hoeveel­heid bouwland noodig. Deze hoeveelheid vormde de hoeve, een oppervlakte van 16 morgen. Voor het weiden van het vee en voor andere doeleinden maakten de bewoners gebruik van de om- en tusschengelegen broek- en oeverlanden, die onverdeeld waren. Het is duidelijk, dat het aantal morgens hoogere, voor bouwland geschikte gronden gedeeld door 16, het aantal gezinnen bepaalde, dat in eene bepaalde streek zijn bestaan kon vinden.
Was dit getal bereikt, dan moesten nieuwe gezinnen trachten elders een bestaan te vinden of zich vestigen op lagere gronden. Het bedrijf op deze lagere gronden was zeer riskant. Door eene overstrooming in den zomer kon de oogst geheel vernietigd of althans voor een groot gedeelte bedorven worden. Men zon op middelen om dit risico te beperken. Het middel, dat het eerst werd beproefd, is ongetwijfeld geweest het bekaden van de afzonderlijke perceelen door ieder gezin afzonderlijk. Men zal echter al spoedig hebben ingezien, dat het eenvoudiger en minder kostbaar was de hoogere gronden dicht aan de rivier onderling door kaden te verbinden.
Hoewel aanzienlijk verminderd, was het gevaar voor over­strooming hierdoor nog niet geheel afgewend. De kaden konden overvloeien of doorbreken. Om in dat geval de schade zoo gering mogelijk te maken, zocht men naar midde­len om het ingevloeide water snel te doen afvloeien. Men begon de laagste gedeelten in de broeklanden, waar vroeger na eene overstrooming het water het langst bleef staan, met elkander in verbinding te brengen en ze te kanaliseeren, waaruit het stelsel der Sallandsche weteringen is ontstaan.
De kaden, die de hoogere oevergronden onderling ver­bonden, veroorzaakten hoogere waterstanden in den IJssel. Gronden, die te voren watervrij waren, werden daardoor aan overstrooming blootgesteld. Ook deze moesten door

[pag. 4]

kaden worden beschermd. Uit deze kaden is langzamerhand eene aaneengesloten bedijking langs den IJssel ontstaan. Uit de oorkonden, waarbij over nieuwe tienden wordt beschikt [7]) en waaruit dus blijkt, dat nieuwe gronden in cultuur werden gebracht, kan worden afgeleid, dat deze bedijking omstreeks 1200 heeft bestaan. Het onderhoud liet echter al spoedig, te wenschen over, zoodat de dijken in 1308 „krank’’ waren. Om ze beter aan hun doel te doen beantwoorden, werd de dijkbrief door bisschop Guy gegeven. [8])
De dijken begonnen aan de Hunnepe of Schipbeek. Of er in dien tijd verder stroomopwaarts reeds dijken bestonden, laat ik in het midden. Van eenig belang voor de Sallandsche dijken konden zij niet zijn, omdat de Schipbeek in open gemeenschap met den IJssel stond.
Door de bedijking aan de Sallandsche zijde, spoedig ge­volgd door een dergelijke bedijking aan de Veluwsche zijde, [9]) was de winterbedding van den IJssel tot minder dan ‘/10 van hare oorspronkelijke breedte versmald. Het gevolg hier­van was, dat het water veel en veel hooger steeg dan vroeger. Boven Deventer vloeide het de Schipbeek in en bereikte achter Deventer langs weder de vroegere bedding in de broeklanden van Salland. Ook hiertegen moesten

[pag. 5]

maatregelen genomen worden. Men deed dit door het aan­leggen van eenen dijk van Deventer in Oostelijke richting tot aan de hooge gronden, de z.g. Douwelerdijk. [10]) Wanneer deze dijk is aangelegd, is niet bekend, doch hij bestond voor 1358, omdat hij in dat jaar „van nijwes geleghet’’ werd. [11]) Dit geschiedde door het „gemene lant’’ van Salland, wat begrijpelijk is, daar geheel Salland bij het bestaan van dien dijk het grootste belang had. De onderhoudsplicht werd echter ten laste van de marken van het kerspel van Deven­ter gebracht „hoeve hoeve gelijc, ware ware gelijc, diet schaden ende baten mach ende die ghenen geslaegen dijc bij der IJssel en hebben’’. [12])
Deze Douwelerdijk heeft aanleiding gegeven tot schier eindelooze geschillen tusschen Deventer en het overige deel van Salland, zoowel over de vraag, wie den dijk moesten onderhouden, als over de vraag, tot welke hoogte men hem zou onderhouden. Hoe hooger de dijk, hoe meer overlast Deventer ondervond van het water in de stad en hare om­geving, terwijl Salland juist bij eenen hoogen dijk belang had.
In 1610 werd de Douwelerdijk opgegeven en vervangen door eenen nieuwen dijk meer zuidelijk gelegen, den z.g. Snippelings dijk. [13]) Ook deze dijk bleef een moeilijk punt in de bedijking van Salland. Het aantal doorbraken is groot. De vraag hoe hoog hij moest zijn, was moeilijk te beant­woorden. Een hooge dijk vrijwaarde Salland wel langer tegen overstrooming, doch veroorzaakte anderzijds hoogere

[pag. 6]

standen in de rivier, waardoor de dijken aan zwaarderen druk werden bloot gesteld en het gevaar voor doorbraken werd vergroot. In 1658 werd eene commissie benoemd om na te gaan „of niet een peyl soude konnen worden beraemt, waerover men het Isselwater bij excessive vloeden tot preservatie der dijcken ende landen soude konnen doen over­vallen’’. [14]) Welke plannen deze commissie heeft uitgewerkt, bleek mij niet, doch later was de Snippeling eene overlaat, waardoor Salland van tijd tot tijd werd geinundeerd ook zonder dat de IJsseldijken doorbraken. [15])
Volgens den Guyen-dijkbrief liep de Sallandsche dijk tot de zee. Geheel juist is dit niet. De dijk eindigde even beneden Wilsum in de buurschap Uiterwijk, die ook in 1308 geens­zins gezegd kon worden aan zee te liggen. Toe Boecop zegt hiervan: „Eer dat lant van Mastebroek beslaegen ende bedicket was, ghenghen dije Sallansche dicken van boven net verder dan beneden Wilsum, soe ver dije Sallansche scowe ghet, [16]) alsoe de IJselle, als sij dair beneden quam, hadde sij oeren vrien ganck’’ [17]).
Deze mededeeling vatte men vooral niet te ruim op. Zij gaat zeker niet op voor de Kamper zijde van den Ijssel, waar tusschen Hattem en Kampen in 1308 reeds IJsseldijken bestonden. Doch ook voor de Mastenbroeker zijde kan zij slechts betrekking hebben op een betrekkelijk smalle strook. De dijken eindigden te Uiterwijk, doch niet de bescherming tegen overstrooming. Dit blijkt reeds uit den dijkbrief zelf, die Oosterholt, IJsselmuiden, Asschet, Veenrijt, Waterstein en zelfs aan de andere zijde van het Zwartewater ge-

[pag. 7]

legen plaatsen noemt als onderhoudplichtig aan den IJsseldijk. Deze plaatsen konden geen belang hebben bij eenen dijk, die te Uiterwijk eindigde, wanneer beneden dat punt het water niet werd gekeerd.
Hier werd de taak van den IJsseldijk vervuld door de IJsselduinen, [18]) die van Uiterwijk tot Grafhorst liepen. Te Grafhorst was het gebied, waarover de IJssel zijn water kon verspreiden zoo breed, [19]) dat eene aanmerkelijke verhooging van den waterstand uitgesloten was en dijken derhalve niet noodig waren.
Deze duinenrij tusschen Uiterwijk en Grafhorst was geen volkomen geheel. Zij werd op twee plaatsen doorsneden door riviertjes, die in de broeklanden van Mastenbroek hunnen oorsprong vonden. Het eene, de Zeneke, brak in de nabijheid van den Manenberg door de duinen en stortte zich halfweg tusschen Kampen en Uiterwijk in den IJssel. Het was de grens tusschen de marken van Oosterholt en Wilsum en vormt thans nog de gemeentegrens van IJsselmuiden en Wilsum. De naam leeft nog voort in den Zendijker Hagen. [20]) Het andere riviertje doorsneed de duinen in de nabijheid van Meerzicht en liep langs de westzijde der hoogten van IJsselmuiden naar het Ganzediep. Het was vrij breed, zoodat het den naam Meer ontving, waaronder het

[pag. 8]

thans nog bekend is. [21]) Of de openingen in de duinenrij van zooveel belang waren, dat zij bij hoog water moesten worden afgesloten, is niet met zekerheid uit te maken. Eene aan­wijzing dat dit wel het geval was, is het bestaan van een „Stenen brugge’’ tusschen IJsselmuiden en Oosterholt in den Oosterholtschen weg. In die tijden werden gewone bruggen nog niet van steen gemaakt en de gevolgtrekking ligt dan ook voor de hand, dat hier steen gebruikt is, om bij hoog water schotbalken te kunnen inlaten. [22]).
De plaats bij Toe Boecop moeten wij dus zoo opvatten, dat de IJssel alleen in het gebied tusschen de duinenrij en de zomerbedding zijnen vrijen gang had. De gronden daar behoorden tot de marken van IJsselmuiden, Oosterholt en Wilsum. Zij waren in het begin der 14e eeuw reeds ver­kaveld, [23]) doch van geringe waarde, omdat zij voortdurend aan overstrooming waren blootgesteld. Wegen waren er blijkbaar niet. [24])

[pag. 9]

Om meer genot van deze gronden te hebben was bedijking noodig. Deze is in de eerste helft der 14e eeuw door of althans onder leiding van Kampen ondernomen. De stad kwam hier­door in moeilijkheden met den bisschop [25]), doch dit ver­hinderde haar niet het eens begonnen werk voort te zetten. In 1334 verwachtte men het werk binnen 6 jaren gereed te zullen hebben. [26]) In 1339 verkreeg men ook de goedkeuring van den bisschop [27]) en omstreeks 1340 was de dijk gereed. [28]) Hij begon bij Uiterwijk en liep dicht langs de zomerbedding tot de hoogten bij de Plas, de z.g. Zeven heuvels. Of toen ook de dijk van deze heuvels tot Grafhorst, de z.g. Branderdijk is aangelegd, bleek mij niet. Deze bestond echter in 1390, daar hij in het in dat jaar vastgestelde dijkrecht van Mastenbroek voorkomt.
De dijk, geheel afzonderlijk aangelegd, stond buiten de bedijking van Mastenbroek, doch is later onder de Mastenbroeker schouw opgenomen. De gronden [29]) tusschen den dijk en de duinenrij werden later eveneens gerekend tot Masten­broek te behooren.
De aanleg van dezen dijk had voordeelen, [30]) doch ook nadeelen. De winterbedding werd er zoozeer door versmald, dat de dijken boven Kampen een veel grooteren druk moesten weerstaan, zoodat zij bij herhaling verzwaard en versterkt moesten worden.

[pag. 10]

In de dijkverdeeling van 1390 komt tusschen Wilsum en Grafhorst slechts eene sluis voor. Hieruit volgt, dat men zoowel de Zeneke als het Meer eenvoudig heeft doorgedijkt. Toen de Trekvaart bestond, konden beide door deze hun water op den IJssel afvoeren. Hoe de afwatering plaats vond voor de Trekvaart gereed was, is niet geheel duidelijk. Ver­moedelijk diende daarvoor eene wetering, loopende aan de oostzijde van IJsselmuiden, die even beneden Grafhorst in het Ganzediep uitmondde [31]). Men kon het water niet zonder meer in Mastenbroek laten vloeien, omdat aan de Mastenbroeker zijde van Oosterholt en IJsselmuiden reeds voor 1364 eene afzonderlijke bedijking aanwezig was. Deze werd gevormd door de nog bestaande Koekoekssteeg en Oudendijk. [32]) Haar bestaan blijkt uit meerdere oude bescheiden. Zoo leest men in een stuk van 1479 : „Dese 5½ morgen myt den anderen 4 morgen bij den Zonnenberge hebben oer Mastebroecksdijke …. mer sie en hebben giene weteringe in Mastebroyck noch wegen, want die vors. morghen myt den anderen lande daarbij gelegen, eer dat Mastebroeck bedijket wert, myt eenen dijke van Graffhorst toe den Zonnenberge bedijket weren’’. [33]) Eene andere aanteekening uit de 15e eeuw luidt: „Want wij underwijst sijn van den scepenen ende raedt onsz stadt van Campen ende een deel der erffgenaemen, die geërffet synt tusschen Isselmuydingher berch ende den Olden Broeckdijck ende haven van den Wythagen [34]) nederwert te Grafferst an Mastebroycksdijck, dat dair te gaene plach van

[pag. 11]

oldes een weterynge . . . .’’ [35]). Ook in processtukken betref­fende geschillen over nieuwe tienden tusschen den proost en het kapittel van Deventer van omstreeks 1350 worden gronden genoemd, gelegen tusschen het oude bouwland van IJsselmuiden en het eigenlijke Mastenbroek. [36]) Toen de ringdijken van Mastenbroek gereed waren, is deze bedrijking in verval geraakt. Als weg is zij echter tot den huidigen dag blijven bestaan. [37])
Deze bedijking aan de oostzijde van IJsselmuiden en Oosterholt kan geen ander doel hebben gehad dan de gronden tegen zeewater te beschermen. Daar in de zoo juist genoemde processtukken gezegd werd, dat de gronden sedert een tiental jaren in cultuur waren gebracht, moet men den aanleg van dezen dijk stellen op omstreeks 1335. Dat hij werd aangelegd, toont aan, dat omstreeks dien tijd zeestanden begonnen voor te komen, die bedijking noodzakelijk maakten. Dit wordt ook van elders bevestigd. Tusschen 1320 en 1340 deed Kampen meerdere dijken aan de noord­zijde der stad aanleggen. In 1356 werd concessie verleend tot het leggen van eenen dijk langs de Arkemheen in de buurt van Nijkerk, [38]) in 1357 voor eenen dijk van Elburg in noordelijke richting langs Oosterwolde. [39])
Deze hooger wordende zeestanden maakten het noodzake­lijk ook Mastenbroek te bedijken. Wanneer de ringdijken

[pag. 12]

hier zijn aangelegd is niet bekend. Wel weten ons de kro­niekschrijvers te vertellen, dat de verdeeling en bedijking in 1364 hebben plaats gevonden, [40]) doch het is duidelijk, dat een zoo omvangrijk werk niet in één jaar is tot stand ge­komen. In 1364 zal de verdeeling op papier zijn gereed gemaakt, terwijl in de volgende jaren de werkelijke afschei­ding der perceelen, het graven van weteringen en het aan­leggen van wegen en dijken geleidelijk zal zijn voortgezet. Daar het dijkrecht in 1390 werd vastgesteld, zullen de dijken wel niet veel vroeger gereed zijn geweest.
De dijk begon bij Grafhorst en liep als zeedijk door tot Genemuiden. Vandaar liep de westelijke Zwartewatersdijk tot Frankhuis. De dijk, die Frankhuis met den Sallandschen dijk verbond, de z.g. Stouwdijk bestond reeds vroeger. Het onderhoud van den Stouwdijk was in 1390 ten laste van Mastenbroek. Hieruit zou men de gevolgtrekking kunnen maken, dat hij ook door Mastenbroek is aangelegd, doch waartegen moest deze dijk Mastenbroek beschermen? Tegen IJsselwater was hij niet noodig, want dat werd door den Sallandschen dijk gekeerd. Ook tegen het door de Sallandsche weteringen aangevoerde water kon hij geen bescherming verleenen, zoolang de westelijke Zwartewatersdijk nog niet bestond. Men moet dan ook aannemen, dat deze dijk is gelegd door de marken van het kerspel Zwolle om haar te beveiligen tegen overstrooming door zeewater, dat Mastenbroek vrij kon binnendringen. [41]) De dijk sloot aan aan de

[pag. 13]

Hoogstraat tusschen Frankhuis en Zwolle en stond verder door eene kade om de stadsgracht [42]) met de kaden der Sallandsche weteringen in verbinding. Ook de aanleg van den dijk wijst op deze bestemming. Hij is gelegd met gebruikmaking van be­staande hoogten en wel aan de Mastenbroeker zijde van die hoogten. Ook de doorbraakkolken, die alle aan de van Mastenbroek afgekeerde zijde gelegen zijn, wijzen er op, dat de vloeden, die deze veroorzaakt hebben, uit Mastenbroek zijn gekomen. [43])
Behalve kleine veranderingen ten gevolge van ontelbare doorbraken, is in de bedijking van Mastenbroek slechts ééne belangrijke wijziging gekomen. Kort na 1825 is een groot gedeelte van den zeedijk tusschen Grafhorst en Genemuiden meer buitenwaarts verlegd, waardoor bijna de geheele bur­gerweide van Grafhorst, de Halingen, en een groot gedeelte van de Oostermaat binnendijks zijn gekomen. De nieuwe dijk, aanvankelijk als overlaat aangelegd, werd in 1857 tot bandijk verhoogd. [44]) De oude dijk is als weg blijven bestaan.
Hiervoor deelde ik reeds mede, dat bedijking tegen zee­water in de eerste helft der 14e eeuw noodzakelijk werd. Toen althans werden dijken aangelegd, die tegen zeewater

[pag. 14]

bescherming moesten verleenen. Men zou kunnen meenen, dat de zee ook voor dien tijd de toen bedijkte gronden wel geregeld onder water zette en dat men eerst in het begin der 14e eeuw aan de ontginning dier gronden is begonnen. Deze opvatting is echter niet juist. Wel zal de zee zoo nu en dan wel eens eene overstrooming hebben veroorzaakt, doch aan geregelde overstrooming hebben die gronden zeer zeker niet bloot gestaan. In 1308, dus geruimen tijd voor de dijk van Grafhorst naar Genemuiden bestond, waren Asschet, Veenrijt en Waterstein bewoonde buurten. [45]) De bewoners waren wel in hoofdzaak visschers, [46]) doch men kan veilig aannemen, dat zij zich niet hebben gevestigd op plaatsen, die geregeld aan overstrooming bloot stonden. Hoog gelegen waren hunne woonplaatsen ook niet, want in dat geval zouden zij niet aan overstrooming door IJsselwater zijn blootgesteld geweest, wat wel het geval was blijkens hunnen onderhoudsplicht aan den IJsseldijk.
Men moet dus tot de gevolgtrekking komen, dat nog omstreeks 1300 de zeekusten zonder bedijking bewoonbaar waren. [47]) Daarna begonnen hoogere zeestanden voor te komen. In het begin der 14e eeuw werd het noodzakelijk de gronden te bedijken. Tegen het midden der 17e eeuw begonnen de vloeden hooger te stijgen, zoodat algemeen de dijken verhoogd moesten worden [48]). In het laatst dier

[pag. 15]

eeuw en in het begin der 17e herhaalde zich dit verschijnsel. [49]) Toen moesten zelfs nieuwe werken en dijken worden aangelegd. [50])
Dit hooger worden der zeevloeden schreef men toe aan het wijder worden der zeegaten tusschen de waddeneilanden. Zoo leest men in eene resolutie van den Kamper magistraat van 1655 : „Alsoe durch het verwijden van de gaten, de wateren bij eenige stormen extraordinaris hooge comen te vloyen . . . .’’ [51]), in eene andere van 1700: „Terwijl men bevindt, doordien de zeegaten dagelijx groter worden….’’ [52]). Uitvoerig vindt men dit onderwerp behandeld in eene me­morie van 1804, afgedrukt in het Dijkrecht van Vollenhove. [53])
Zooals reeds is opgemerkt, was de aaneengesloten bedijking

[pag. 16]

aan de Veluwsche zijde van den IJssel jonger dan die aan de Sallandsche. Blijkens het dijkrecht bestond zij in 1370. Dit dijkrecht heeft echter alleen betrekking op den Veluw­schen dijk, die eindigde bij Hulsbergen, even ten noorden van Wapenveld, [54]) en geeft ons geen antwoord op de vraag, of er verder stroomafwaarts ook reeds dijken bestonden. Dit moet dus nader onderzocht worden.
In 1302 bestonden in de buurt van Kampen IJsseldijken, wat ons later nog zal blijken. Tusschen Kampen en Hattem liggen slechts enkele hoogere gronden — Zalk, de Zande, — die noch onderling, noch met de Veluwsche hoogten door hoogere ruggen verbonden zijn. Wanneer nu in 1302 bij Kampen een IJsseldijk bestond, moet deze dijk ook verderop bestaan hebben, daar hij anders geen doel zou hebben gehad. Het IJsselwater toch zou tusschen Hattem en Zalk en tus­schen Zalk en de Zande de lagere streken hebben kunnen bereiken. In 1302 moet dan ook tusschen Hattem en Kampen een IJsseldijk hebben bestaan.
Volgens deze redeneering zou echter ook tusschen Huls­bergen en Hattem een dijk gelegen moeten hebben, omdat anders het water door die opening kon binnendringen. Toch was dit niet het geval en noodzakelijk was dit ook niet, omdat Hattem gelegen is op een uitlooper der Veluwsche hoogten, die hoog genoeg was om te verhinderen, dat het IJsselwater de lage gronden van Hattemerbroek, Zalk en Kamperveen bereikte.
Later, waarschijnlijk omdat door het tot stand komen van den Veluwschen bandijk de IJsselstanden hooger waren ge­worden, was deze hooge rug niet meer voldoende. Het water bereikte eene inzinking tusschen twee heuvelen, den Gaasberg en den Zwijnenberg en spoelde in het losse zand een langwerpige, vrij diepe kolk, de nog bestaande Waal of Wade. Ook later gebeurde het wel, dat de IJssel zoo hoog

[pag. 17]

steeg, dat hij dezen kolk bereikte en in 1572 was Kampen dan ook genoodzaakt aan Hattem te verzoeken zorg te dragen voor het bedijken van deze „waade ofte kolke’’, op dat „die erffgenaemen van Camperveen ende Sallicker marke dairdurch niet beschadigt worden’’. [55])
Mijne voorstelling omtrent het ontstaan van dit water wijkt geheel af van die van den heer Hoefer, die er een over­blijfsel van eenen ouden IJsselarm in ziet. [56]) Ik kan diens opvatting niet deelen, omdat ten noorden van dit water ieder spoor van eene oude rivierbedding ontbreekt en ook de betrekkelijk hooge ligging van de gronden aan de zuidzijde toont aan, dat hier geene voortdurende verbinding met den IJssel kan hebben bestaan. Die verbinding bestond alleen tijdelijk bij zeer hooge rivierstanden. Die Waal of Wade is naar mijne meening dan ook van betrekkelijk jongen oor­sprong. De heer Hoefer vond den naam het eerst in 1395. Daar het water eerst na de tot standkoming van den Veluwschen bandijk kan zijn ontstaan, kan men aannemen, dat het tusschen 1370 en 1395 is gevormd.
Daar de Veluwsche bandijk bij Hulsbergen eindigde, werden de gronden ten zuiden van Hattem bij hoog water over­stroomd. Ter bescherming van deze gronden is door de stad Hattem een dijk gelegd van Hulsbergen tot de stadsmuur, voor welken dijk in 1415 een dijkbrief werd gegeven door hertog Reinald. [57]) De dijk, de z.g. Gatendijk, is gelegd door natuurlijke hoogten onderling door einden dijk te verbinden. In verband met dezen dijk moeten de uitmondingen van de Veluwsche weteringen door sluizen zijn afgesloten. Voor dezen dijk traden de schout en de schepenen van Hattem als dijkgraaf en heemraden op. Naast dit dijkbestuur kende

[pag. 18]

men nog eenen dijkgraaf en heemraden van Hattem. Dit college was belast met het toezicht op den IJsseldijk beneden Hattem. [58]) Een dijkbrief, waarbij dit dijkbestuur werd inge­steld, is niet bekend. Wel is er eene regeling van 1512, [59]) doch deze is door de erfgenamen zelve vastgesteld. Dijkgraaf en heemraden komen er als bestaande autoriteiten in voor en omtrent hunne benoeming wordt niets bepaald.
Met mijne opvatting, dat de IJsseldijk tusschen Hattem en Kampen reeds in 1302 bestond, is schijnbaar in strijd eene oorkonde van het jaar 1340. Dit stuk heeft volgens den heer Hoefer betrekking op den IJsseldijk tusschen Hattem en Zalk. [60]). Die dijk dan zou volgens de oorkonde geheel ten laste zijn gekomen van de erfgenamen van Zalk. Dit is reeds vreemd, omdat de erfgenamen van Hattemerbroek bij het bestaan van den IJsseldijk een even groot belang hadden als die van Zalk. Bovendien blijkt uit het Dijkboek van Hattem, dat de dijk tusschen Hattem en Zalk ten laste was van de erfgenamen van Hattemerbroek.
De oorkonde van 1340 kan dan ook geen betrekking hebben op den IJsseldijk. Op welken dijk dan wel zal ons duidelijk worden, wanneer wij weten, waar de Bukhorster dijk, waaraan hij aansloot, gelegen was. In een transport van 1516 betreffende een slag land in de Hollander akkers worden als begrenzingen genoemd aan de oostzijde het Bukhorsterbroek en aan de westzijde de Bukhorsterdijk. [61]) In de Hollander akkers loopen de slagen van oost naar west. De Bukhorsterdijk moet dus geweest zijn de kade, die de Hollander akkers scheidde van het Oosterbroek, op de tegen­woordige kaarten aangegeven als De Schoorsteen. [62]) Dit wordt

[pag. 19]

bevestigd door eene aanteekening van 1478, luidende : „1478, prima Septembris heeft die stat (Kampen) den Raedijck, gelegen neffens Buckhorsterdijc, streckende van den Isselvenendijc doer Hollanderhuysen ende acker nae die Veluwe op der stat kosten doen maken opdat men eenen wech toe beth moege hebben winterdages aen der stat te komen’’. [63]) Die Raa- of Roodijk is het tegenwoordige Janboerswegje, dat evenwijdig aan de Koppelkade loopt.
In de oorkonde van 1340 kan dus slechts bedoeld zijn een dijk of kade, die van Zalk naar de Koppelkade liep, dus de stouwe op de grens van Zalk en Hattem. Deze stouwe was noodig, omdat Zalk er over begon te denken de broekgronden te verdeelen. [64]) Het kon echter niet weigeren het Hattemer water te ontvangen. Aan Hattem werd daarom vergunning verleend tot het graven van eene wetering door de Zalkermarke tot in de Riete. [65]) Dat die stouwe geheel ten laste van Zalk kwam is duidelijk. De Hattemers hadden er niet het minste belang bij.
Op de dijken van Hattemerbroek volgden de Zalkerdijken tot de grens van Kamperveen. In 1302 moeten zij hebben bestaan, doch vermoedelijk zijn zij aanmerkelijk ouder. In eene oorkonde van 1277 toch word reeds melding gemaakt van dijken, zelfs van oude dijken. Het is echter niet zeker, dat hiermede IJsseldijken zijn bedoeld. Het kunnen ook dijken van kleinere poldertjes zijn geweest. [66]) Een dijkbrief van de Zalkerdijken van 1431 is bekend, [67]) doch deze is zeker niet de oudste. Het onderhoud der dijken heeft in latere jaren

[pag. 20]

in Zalk veel te wenschen overgelaten, zoodat in de tweede helft der 15e eeuw de marke 21 jaren onbedijkt heeft gelegen. [68]) Op initiatief van Kampen is toen de bedijking opnieuw ter hand genomen en eene nieuwe regeling van den onderhouds­plicht vastgesteld. Deze is later nog meermalen herzien. Kampen ontving het dijkgraafschap van Zalk. De functie werd door een der leden van het stadsbestuur uitgeoefend. [69])
Omtrent de Kamperveensche IJsseldijken is weinig bekend. Een dijkbrief is niet meer aanwezig. In het dijkrecht, dat in 1582 werd verzameld, [70]) worden de IJsseldijken zomerdijken genoemd. Dat de Kamperveensche IJsseldijk, meer bekend als Veenendijk, eerst in 1511 zou zijn aangelegd, zooals Mr. Nanninga Uiterdijk in een opstel over Kamperveen mede­deelt, [71]) berust op een misverstand. Het stuk van 1511, waaruit dit zou blijken, heeft geen betrekking op den Veenen­dijk, doch op eene kade, die den Veenendijk — in het stuk voorkomende als „den dijc’’, — met den Hoogenweg moest verbinden. In een later opstel over den polder Dronthen neemt Mr. Nanninga Uiterdijk trouwens ook aan, dat de Veenendijk in 1345 bestond. [72])
Zooals ik reeds opmerkte, worden de IJsseldijken in het dijkrecht van Kamperveen zomerdijken genoemd. Hieruit volgt, dat deze IJsseldijken niet de oudste bedijking tegen IJsselwater hebben gevormd. Deze, de winterdijk, bestond uit den Hoogeweg met aan de zuidzijde eene ombuiging in oostelijke richting, de z.g. Zuidwende en aan de noordzijde eene ombuiging in westelijke richting, de z.g. Noordwendinge.

[pag. 21]

Deze dijk moet zeer oud zijn. Hoewel de schrijvers het over het tijdstip van de kolonisatie van Kamperveen niet eens zijn, mag men aannemen, dat deze omstreeks 1170 heeft plaats gevonden. [73]) Kamperveen was een laag, broekig land. [74]) Zonder bemaling zou het thans voor het grootste gedeelte voortdurend onder water staan. Wel had men in de 12e en 13e eeuw nog geen overlast van zeewater, doch dat het daar toen „nog zeer veilig wonen was’’, zooals Mr. Nanninga Uiterdijk ons wil doen gelooven, [75]) zou ik niet gaarne onder­schrijven. De IJssel was er ook en al was diens waterstand in gewone tijden niet zoo hoog als thans, toch overstroomde hij van tijd tot tijd de lage broeklanden, wat blijkt uit de laag rivierklei, die men op het veen aantreft.
De eerste bewoners hebben zich dan ook tegen IJsselwater moeten beschermen, wat geschied is door het aanleggen van den Hoogenweg met zijn beide ombuigingen. [76]) Daardoor dragen de gronden binnen dien winterdijk, d. w. z. aan de westzijde ervan, nog steeds den naam van Binnenlanden, die aan de oostzijde van Buitenlanden. Door het leggen van den IJsseldijk tusschen Zalk en Kampen verloor de winterdijk zijn taak als IJsseldijk. Hij moest evenwel als dijk blijven bestaan om Kamperveen, of beter gezegd de binnenlanden van Kamperveen, te beschermen tegen de langzamerhand hooger wordende zeevloeden. Het zeewater toch kon door eenen ouden IJsselarm, die zich ter hoogte van de hoeve

[pag. 22]

Eimbrink [77]) van den hoofdstroom afscheidde en door de nog bestaande kolken en de Kamperveensche Reve [78]) naar zee liep, de buitenlanden van Kamperveen bereiken en wanneer er geen dijk tusschen buiten- en binnenlanden geweest was, ook de binnenlanden. [79])
Deze oude arm, de Enk genaamd, [80]) was door het leggen van den Veenendijk van den hoofdstroom afgesloten, doch in open gemeenschap met de zee gebleven. Zijne aanwezig­heid was oorzaak, dat de bedijkingen tegen zeevloeden van Kamperveen en Kampen van elkander gescheiden bleven. Omstreeks 1400 was de toestand aldus. De gronden ten noorden van de hooge gronden der Veluwe en ten westen van den IJssel waren door den IJsseldijk van Hattem naar Kampen tegen rivierwater beveiligd. Aan de hooge Veluwsche gronden was een ver naar het noorden zich uitstrekkend schiereiland verbonden, door den Oosterwolder zeedijk, den Drontherdijk, Noordwendinge, Hoogeweg, Zuidwende en Bukhorsterdijk beveiligd tegen overstrooming door zeewater. Verder noordelijk, als een uitwas aan den IJsseldijk, vond men de bedijking der marke van Kampen. De buitenlanden van Kamperveen en de marken van Zalk en Hattem konden door de zee bereikt worden. Enkele kaden, die daar aan­wezig waren, waren onvoldoende om hooge vloeden te keeren.
Deze toestand bracht groote bezwaren mede. Kamperveen moest zijnen Hoogenweg als zeedijk blijven onderhouden. Kampen zijnen Slaperdijk. Om Elburg over land te bereiken

[pag. 23]

moest een veer of brug over den Enk worden onderhouden. [81]) Eene afdoende verbetering kon alleen worden verkregen door de beide bedijkingen met elkander te verbinden. Hier­voor moest echter een dijk gelegd worden door een breed en diep water, [82]) juist dwars op het Noordwesten, uit welken hoek de zwaarste stormen kwamen. Toch heeft men het werk aangedurfd. In eene aanteekening in het dijkrecht van Kamperveen leest men: „Die stadt van Campen ende die erffgenaemen van Camperveen dijckten den Enckdijck doer den kolck; ende die stadt bekostede die helffte ende die erffgenaemen van Campervene die ander helffte’’. [83]) Deze aanteekening bevat geene dagteekening, doch uit eene oude kroniek blijkt, dat de dijk in 1478 is gelegd. [84])
Een dijk door een breed en diep water is moeilijk te houden. Ook deze dijk had voortdurend van doorbraken te lijden. Hij bestond nog in 1489, want in dat jaar werd hij opnieuw verdeeld tusschen Kampen en Kamperveen. [85]) Veel vertrou­wen in zijne duurzaamheid had men toen al niet, want de verdeeling zou slechts duren tot de volgende doorbraak. In 1498 was hij zoo grondig vernield, dat men niet meer aan herstel dacht. Om nu toch het buitenland van Kamperveen tegen overstrooming te beveiligen, bedacht men een nieuw

[pag. 24]

plan. Men wilde eene kade leggen ten zuiden van den Enk tusschen Veenendijk en Hoogenweg. De hiervoor benoodigde gronden werden gekocht en nog in hetzelfde jaar werd met de uitvoering begonnen. [86]) Daar Kampen bij het bestaan van deze kade weinig of geen belang had, droeg het niet bij in de kosten.
Ook deze kade was moeilijk te houden. [87]) Vrijwel ieder jaar sloeg zij geheel of gedeeltelijk weg en zij is dan ook al spoedig opgegeven. In 1550 besloot Kamperveen haar opnieuw te leggen doch in eene eenigszins andere richting. [88]) Er werden toen gronden van de Huisarmenstichting te Kampen aangekocht. Op het erf van de Armenkamer zijn thans nog overblijfselen van deze kade te bespeuren. Daardoor kan men vaststellen, dat zij is gelegd over het eerste z.g. door­gaande erf van Kamperveen. [89])
Daar er slechts eene kade was, was de bedijking geens­zins afdoende. Kamperveen moest dan ook zijnen Hoogenweg als zeewering blijven onderhouden. [90]) Deze weg was lang en het eischte groote offers hem op voldoende hoogte en sterkte te houden. Het behoeft ons dan ook niet te ver­wonderen, dat men weder aan het leggen van eenen dijk door den Enk, van de Noordwendige tot den Zwartendijk begon te denken.
In den zomer van 1638 werd het besluit tot het leggen

[pag. 25]

van dien dijk genomen. [91]) Het werk werd in het najaar aanbesteed en in April 1639 door de aannemers opgeleverd. [92]) Kampen droeg een belangrijk deel der kosten, doch wilde zich niet verbinden tot betaling der helft, hoewel de erfge­namen van Kamperveen getracht hebben, met een beroep op hetgeen in 1478 was geschied, de stad hiertoe te bewegen.
Ook deze Enkdijk, de Nieuwe Enkdijk en bij verkorting gewoonlijk „den nijen dieck’’ genaamd, onder welken naam hij nog thans bekend is, heeft in den loop der jaren groote bedragen aan onderhoud gekost. Bijna geen jaar gaat voorbij, of de notulen der erfgenamen maken melding van grootere of kleinere herstellingen. Er zijn tijden geweest, dat men hem aan zijn lot overliet, [93]) doch in verband met klachten van Geldersche zijde, moest dan weder aan het herstel begonnen worden. [94])
Door den vloed van 1825 is hij vrijwel geheel wegge­slagen. Als dijk is hij toen niet weder hersteld, omdat hij in de nieuwe plannen voor eene bedijking langs de zee niet noodig was. Hij is echter als weg blijven bestaan, terwijl later het waterschap Kamperveen er eene kade van geringe hoogte langs heeft gelegd tot wering van zomerstormen. [95])
Door den onvoldoenden toestand, waarin de Enkdijk veelal

[pag. 26]

verkeerde, kon men den Hoogenweg niet als waterkeering missen. Men is er echter niet in geslaagd de verhooging en verzwaring van dezen dijk gelijken tred te doen houden met het hooger worden der zeevloeden. Het gevolg hiervan was, dat, wanneer de Enkdijk niet in orde was of bezweek, niet slechts het Buitenland van Kamperveen, doch ook de Binnen­landen werden geinundeerd. De kaden tegen Zalk en Hattem, tegen Oldebroek en langs de Geldersche gracht [96]) konden slechts weinig water keeren, zoodat ook Oosterwolde, Olde­broek, Zalk en Hattem werden overstroomd tot de hoogere

[pag. 27]

Veluwsche gronden. Het gevolg hiervan is geweest, dat de bewoners hunne terpen, die geen voldoende beveiliging meer boden, moesten verlaten. [97]) Die van Oosterwolde vestigden zich op enkele uitzonderingen na [98]) op de hoogere streken aan den Zandweg en op het Noordeinde, waardoor hier het gehucht Kamper-Nieuwstad ontstond. Die van Kamperveen gedeeltelijk op het Zuideinde, gedeeltelijk op hoogere terpen achter den Hoogenweg [99]), terwijl de z.g. Hollanderhuizen geheel verlaten werden.
Voor ik van de bedijking van Kamperveen kan afstappen, moet ik nog een oogenblik stilstaan bij eene kade, wier bestemming niet terstond duidelijk is. Ik bedoel den Spijkerboersdijk, die door Kamperveen werd onderhouden. Deze kade begint thans aan den straatweg van Kampen naar Wezep ter hoogte van de boerderij het Grevenrid, loopt langs de westzijde van de Riete tot de Zuidwendinge en sluit daar aan aan de z.g. Koppelkade. Voor de straatweg er was [100]), begon de Spijkerboer aan den IJsseldijk bij de herberg de Koelucht.
De Spijkerboerskade beschermt thans Zalk en Hattemerbroek dikwijls tegen niet te hooge vloeden. Het is echter duidelijk, dat zij niet met dat doel kan zijn aangelegd, daar

[pag. 28]

zij niet aan de Zalkerzijde van de Riete ligt, doch aan de Kamperveensche. Bovendien zijn niet Zalk en Hattemerbroek met haar onderhoud belast, doch het waterschap Kamperveen.
De Spijkerboer was de gewone weg van Kampen naar de Veluwe. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat hij oorspronke­lijk is aangelegd als weg en dat later Kamperveen er eene waterkeering van heeft gemaakt. De weg loopt dan ook niet over de kade, doch de kade ligt langs den weg. De weg op zich zelf was voldoende om te beletten, dat het water uit het hooger gelegen Hattemerbroek en Zalkerbroek naar Kamperveen vloeide, wanneer de IJsselstand te hoog was om de Riete te laten afstroomen. Er was echter een tijd, dat de marke van Zalk onbedijkt lag. Vermoedelijk heeft toen Kamperveen om het IJsselwater uit zijne buiten­landen te houden langs den weg nog eene kade gelegd.
Dit schijnt tegen den wil van Zalk en Hattem geschied te zijn. Wanneer bij eene overstrooming door zeewater ook Hattem en Zalk geinundeerd waren, verhinderde de Spijkerboer het snel afvloeien van het water, zoodra dit gedaald was beneden de kruin dier kade. Alles moest dan door de sluis van de Riete en door die van den Uitvliet naar den IJssel afgevoerd worden. Meermalen staken de belangheb­benden uit Zalk en Hattem de kade door, [101]) doch de gaten werden terstond door Kamperveen weder gedicht, omdat dit anders zooveel langer geinundeerd bleef. Om de voort­durende geschillen en vechtpartijen tusschen de bewoners te voorkomen, werd in 1530 eene overeenkomst tusschen Hattem en Kamperveen gesloten [102]), waarbij werd bepaald, dat wanneer Hattem en Zalk geinundeerd waren door water, dat „door den kadijck van den Enck over den Spijckerboersdijck’’ was

[pag. 29]

gekomen, Kamperveen de gaten in dien dijk niet mocht dichten tusschen Martini en Petri – dus in de wintermaan­den – voor al het water weder was weggevloeid, terwijl in de zomermaanden de gaten gedurende drie weken na de overstrooming niet mochten gedicht worden. Daar in deze overeenkomst alleen aan Kamperveen verplichtingen worden opgelegd, moet men tot de gevolgtrekking komen, dat de kade door Kamperveen is aangelegd in strijd met de belangen van Hattem en Zalk. [103])
Omtrent den tijd, waarin de eerste dijken der Kamper marke zijn aangelegd, verkeeren wij in het onzekere. Het eerste jaartal dat hier vaststaat is 1302. In dat jaar kende men in Kampen dijken, die door de stad werden onderhou­den. [104]) Naast deze dijken bestonden er blijkens tal van stukken dijken, die door particulieren moesten worden onder­houden, of die, zooals men het gewoonlijk uitdrukte, op huizen of landerijen lagen. [105]) Dit kan geen gevolg zijn van de toepassing van het in 1302 vastgestelde beginsel. Ware dit wel het geval, dan zouden wij tot de gevolgtrekking moeten komen, dat de groote meerderheid der burgers niet in de stad had gewoond en dan zouden alle dijkvakken juist een roede lang moeten zijn geweest. Dit is echter geenszins het geval. De op huizen en landerijen liggende stukken dijk wisselen van enkele voeten tot meerdere roeden. Onder de

[pag. 30]

dijkplichtiqgen komen ook personen voor, die geen burgers waren, zooals de bisschop van Utrecht. [106])
Wij moeten daarom tot de gevolgtrekking komen, dat er naast de dijken der stad andere dijken bestonden, die door particulieren werden onderhouden, terwijl de omvang van den dijkplicht werd bepaald door hun grondbezit. Uit de dijkbeschrijvingen blijkt, dat de stad den Zwartendijk, den Wilgenweg en een ge­deelte van den St. Nicolaasdijk te onderhouden had, terwijl de IJsseldijk van den Enk tot aan de stadsmuur – de stad zelve lag op eene hoogte – en verder beneden de stad tot een niet meer juist te bepalen punt in onderhoud was bij particulieren.
Hiervoor werd reeds meermalen opgemerkt, dat bedijking tegen rivierwater vroeger noodig was dan tegen zeewater. Ook in de omgeving van Kampen is dit ongetwijfeld het geval geweest. Daar de zeedijken – Zwartendijk, Wilgenweg en St. Nicolaasdijk – in 1302 bestonden, moeten de rivier­dijken aanmerkelijk ouder zijn en daar zij ten laste van particulieren kwamen, moeten zij zijn aangelegd, toen er nog geen stad Kampen bestond. Het zijn door de markgenooten aangelegde dijken, wier onderhoudsplicht bij de verdeeling der markegronden over de eigenaren der perceelen is ver­deeld. Daardoor had de bisschop van Utrecht, die als lands­heer bij de verdeeling eener marke eenen voorslag ontving, stukken IJsseldijk te onderhouden, terwijl ook de stad later als eigenaresse van eenige maten een aantal roeden van den IJsseldijk te haren laste had. [107])
De Kamperveensche IJsseldijk, gewoonlijk de Veenendijk genoemd, eindigde bij den ouden IJsselarm, den Enk. Daar begon echter niet de dijk der Kampermarke. Van den Enk tot den Wilgenweg liep de IJsseldijk der Veenemaden, [108])

[pag. 31]

in onderhoud bij de eigenaren van de buurschap Oene. Deze buurschap heeft in de 14e eeuw hare zelfstandigheid verloren door het leggen van den z.g. Slaperdijk door Kampen. Het gedeelte ten zuiden van dezen Slaperdijk kwam onder Kamperveen, dat ten noorden ervan onder Kampen. In den onderhoudsplicht van den IJsseldijk kwam hierdoor geene verandering [109]), wel in het dijkbestuur. De schouw over het dijkgedeelte tusschen Enk en Slaper werd onder Kamperveen gebracht, die over het verdere gedeelte onder Kampen.
Zooals reeds werd gezegd, eindigde de IJsseldijk bij de eigenlijke stad, die op eenen hoogeren grondslag gelegen was. Beneden de stad, bij de tegenwoordige Botervatsteeg, [110]) begon de dijk opnieuw en liep verder langs den meest zuidelijken arm met een boog in westelijke richting [111]) tot een punt, waar het opnamegebied van het IJsselwater zoo uit­gestrekt was, dat geene aanmerkelijke verhoogingen konden voorkomen.
Toen de zeevloeden begonnen te stijgen, heeft de stad getracht zich hiertegen te beveiligen door de beide einden van den Kamper IJsseldijk onderling door dijken te verbinden. De St. Nicolaasdijk werd verlengd en met een boog als Zwartendijk doorgetrokken tot de grens van Kampen en Oene. Vandaar werd eene verbinding met den IJsseldijk verkregen door het leggen van den Wilgenweg [112]). Deze

[pag. 32]

bedijking was in 1302 gereed. De Zwartendijk is niet verder zuidwaarts doorgetrokken tot den Enk, omdat Oene buiten het stadsgebied gelegen was. Later, toen de stad machtiger geworden was, is zij hiertoe overgegaan. De hoogten in Oene, waarop de huizen stonden, bergen genoemd [113]), werden onderling door stukken dijk verbonden [114]) en bij de meest zui­delijk gelegen hoogte een nieuwe verbindingsdijk met den IJsseldijk gemaakt, de latere Slaper. Uit eenige aanteekeningen in den Oudsten Foliant blijkt, dat deze bedijking omstreeks 1345 gereed was.[115]) Door dezen nieuwen dijk kon de Wilgenweg vervallen. [116]) Hij werd sedert dien door de stad verpacht als hooi- of weiland en is in de eerste helft der 19e eeuw aan een particulier verkocht.
Zoolang Kampen nog geen grachten had, kon men met den IJsseldijk en de zeedijken volstaan. Het graven der gracht, die aan beide uiteinden in verbinding stond met den IJssel, veroorzaakte twee coupures in den IJsseldijk. Liever dan deze door sluizen af te sluiten, waardoor eene blijvende

[pag. 33]

verbinding tusschen stad en land zou zijn ontstaan, heeft men de beide einden van den IJsseldijk boven en beneden de stad door eenen dijk, den z.g. Vloeddijk, onderling ver­bonden. Deze vloeddijk diende dan ook volstrekt niet, zooals Mr. Nanninga Uiterdijk aanneemt, [117]) om de stad tegen zeevloeden te beschermen. Hij lag daarvoor aan den ver­keerden kant der gracht en bovendien was hij overbodig, daar de stad door hare wallen voldoende beveiligd werd. In of kort na 1335, toen de stad met de Hagen werd uitge­breid, is ook de Vloeddijk verder doorgetrokken. Zijn taak was de ten westen van de stad gelegen gronden tegen IJsselwater te beschermen.
Ook na de uitbreiding der stad in de 15e eeuw bleef de Vloeddijk nog zijne bestemming behouden. De stad zelve was toen echter, doordat de oude wallen langs den Burgel, de Burgwallen, waren opgeruimd, niet meer voldoende tegen overstrooming beveiligd. In de 17e eeuw en in het begin der 18e werd door de gezworen gemeente bij herhaling aangedrongen op het watervrij maken van de stad in den Burgel. Eindelijk in 1715 werden aan beide einden aan het Oorgat en bij de Buitenhaven sluizen aangebracht. [118]) Daar­door verloor ook de Vloeddijk zijne bestemming.
In den Vloeddijk lag eene sluis, die de verbinding tusschen den Burgel en de z.g. Reve, de tegenwoordige Celleswetering afsloot. Deze wetering, blijkens haren rechten loop een gegraven water, was een belangrijke verkeersweg. [119]) Nog

[pag. 34]

in de 17e en 18e eeuw werd het als vaarwater gebruikt, [120]) doch langzamerhand geraakte het in verval. In 1825 bezweek de sluis in den Vloeddijk, [121]) waardoor de stad geinundeerd werd. Voor zoover in de stad gelegen, werd het water later gedempt.
Behalve de IJsseldijk doen de ringdijken der Kamper marke thans zoo goed als geen dienst meer.
De St. Nicolaas- en Zwartendijk bestaan nog, doch zijn onvoldoende hoog. De verbinding tusschen beide, de z.g. Zanddijk keert slechts 1 M. water. De Slaper kan geen dijk meer worden genoemd. Deze dijken hebben hun taak als waterkeeringen verloren na het aanleggen van de bedijking langs Dronthen na den vloed van 1825. Deze bedijking keert echter niet meer dan 2 M. water, zoodat bij herhaling overstroomingen plaats vinden.
Een zwak punt in de bedijking van Kampen is steeds de dijk bij het z.g. Herkenhoofd geweest. Reeds in de 15e eeuw moest men den dijk daar ter plaatse, daar er geen voorland was, door kribben en hoofden beveiligen. [122]) De kaart doet ons zien, dat de IJsseldijk hier eenen vrij zonderlingen loop heeft en zich zoover van de rivier verwijdert, dat tusschen den dijk en het water een afzonderlijke polder aanwezig is. Deze polder, het z.g. Onderdijks, wordt door den IJsseldijk beschermd tegen zeewater [123]) en door eene kade langs den

[pag. 35]

straatweg, die in het Noorden en het Zuiden aan den IJsseldijk aansluit, tegen IJsselwater. De kade is voldoende hoog en stevig, zoodat de polder niet aan overstrooming bloot staat.
De zonderlinge loop van den IJsseldijk in deze buurt is geen toeval. Men heeft den dijk van de buurschap de Zande tot Kampen niet anders kunnen leggen, omdat de rivier zelve toen een andere bedding had, waarvan op meerdere plaatsen de overblijfselen nog aanwezig zijn [124]) Deze oude bedding verklaart tevens, dat het Onderdijks thans nog grootendeels tot de gemeente Wilsum behoort. [125]) Het tijdstip, waarop de rivier hare bedding heeft verlegd, is niet met juistheid aan te geven. Het moet hebben plaats gevonden voor de IJssel­dijk tusschen de Zande en Kampen werd aangelegd, daar men anders dezen dijk wel eene andere richting zou hebben gegeven. Wanneer deze dijk gelegd is, is echter niet bekend, zoodat wij ons moeten tevreden stellen met de wetenschap, dat de verlegging van de bedding heeft plaats gevonden voor 1302, het jaar, waarin deze IJsseldijk zeker bestond. [126])
De oorzaken der verandering in den loop der rivier zijn nog op te sporen. Het is een bekend verschijnsel, dat eene rivier, zoolang zij niet kunstmatig in een vaste bedding ge­houden wordt, de neiging heeft in bochten de buitenzijde der bocht steeds verder uit te schuren en aan de binnenzijde aanwassen te vormen. Toe Boecop deelt ons mede, dat in oude tijden de IJssel dicht langs de kerk van Zalk heeft geloopen. [127]) De bocht, die de rivier bij Zalk maakte, is lang­zamerhand grooter geworden. Aan de Mastenbroeker zijde werden de oevers voortdurend uitgeschuurd, [128]) terwijl aan

[pag. 36]

de Zalkerzijde belangrijke aanwassen werden gevormd. Later werden deze aanwassen nog door belanghebbenden door het aanleggen van kribben bevorderd. [129])
De rivier, uit de bocht bij Zalk komende, stortte zich op den Kamperveenschen oever in de buurschap de Zande. Deze werd langzamerhand uitgeschuurd, zoodat zelfs de IJsseldijk hier moest worden verlegd, [130]) terwijl aan de overzijde door zand- en kleiafzettingen de Wilsumer- of Koppelerwaard werd gevormd.
Denken wij ons de jongere aanwasen weg, dan kunnen wij ons voorstellen, dat de IJssel aanvankelijk in eene onge­veer rechte lijn heeft gestroomd van Zalk vlak langs de hoogere gronden van Wilsum in de richting van het erf Klein-Oever [131]) en van daar naar den Engmer, waar hij zich in twee armen splitste. De een liep als Enk in westelijke richting naar zee, de andere liep eerst in oostelijke richting en verder door de tegenwoordige bedding langs Kampen naar zee. [132])
Hoe dieper de bocht bij de Zande werd, hoe meer de stroom zich uit deze bocht komende op den tegenoverliggenden oever stortte. De duinen tusschen Wilsum en Uiterwijk

[pag. 37]

werden aangetast [133]) en zijn op een zeker oogenblik bezweken. De rivier scheurde de Scherenwelle en het Keulenzand los van Wilsum en vormde tusschen Wilsum en Uiterwijk eene nieuwe bedding, die beneden Uiterwijk weder de oude bedding bereikte. De oorspronkelijke bedding zal bij hoog water nog wel dienst gedaan hebben, doch is langzamerhand grootendeels dichtgeslibt. Uit de bocht tusschen Wilsum en Uiterwijk komende, stroomde de rivier in bijna loodrechte rich­ting op het Herkenhoofd aan. De dijk hier kreeg het zwaar te verantwoorden. Gevaarlijker nog werd de toestand, toen de dijk van Uiterwijk naar Grafhorst dicht langs de zomerbedding was gelegd. Daardoor werd de winterbedding ongeveer 2/3 smaller, zoodat de druk op de dijken aanzienlijk verzwaard werd. [134]) Om het gevaar af te wenden, heeft Kampen de bocht, die de rivier sedert de verlegging harer bedding maakte, afgesneden door het graven van een kanaal. Aanteekeningen omtrent dit werk zijn niet bewaard gebleven, doch dat het uitgevoerd is, blijkt uit eene oorkonde van het jaar 1390, waarin uitspraak wordt gedaan in een geschil over vischrechten. Wij lezen daar: „Die scepen van den drien steden segghen vor recht tusschen dien erffghenaemen van Elsbruke, van den Coelvoet ende van den Zandeken, want dor den graven, dien de van Campen hebben doen graven dor Elsbroec, daer de IJsel dor ghaet, een thoem geworden is’’ enz. [135]) Er was door Kampen dus een gracht gegraven, waar

[pag. 38]

toen de IJssel doorstroomde. Ongetwijfeld is dit de tegen­woordige zomerbedding geweest. [136])
Behalve de gracht zal Kampen nog wel andere werken hebben moeten maken, als kribben om de rivier te dwingen door dezen gracht haren loop te nemen, doch hieromtrent is niets bekend.
Bezien wij den toestand, zooals deze thans is, dan zijn wij geneigd te zeggen, dat Kampen slechts half werk heeft gedaan. Nog steeds staat de stroom met een hoek van ongeveer 45° op den dijk bij het Herkenhoofd. Toch is dit verwijt onbillijk. Kampen kon de rivier wel dwingen door de gracht te stroomen, doch haar niet de neiging om den oostelijken oever uit te schuren ontnemen. Dit uitschuringsproces is blijven doorgaan en langzamerhand heeft de rivier hare bedding weder in oostelijke richting verlegd, aan de westzijde op de uiterwaarden aanwassen vormende [137]). De oorspronkelijke bedding der gracht heeft dicht langs den tegenwoordigen straatweg geloopen en is bij hoog water nog duidelijk te herkennen. [138])
Wanneer de gracht is gegraven, is niet bekend. Daar het gevaar eerst dreigend werd, toen de dijk tusschen Uiterwijk en Grafhorst gereed was, na 1345 en in verband met de uitspraak over het vischrecht voor 1390.
Hoe verder de IJssel zich weder naar het oosten verplaatste, hoe meer de dijk bij het Herkenhoofd weder bedreigd werd. Kampen waakte dan ook angstvallig tegen het leggen van kribben in de rivier boven Wilsum om te beletten, dat zij

[pag. 39]

hare bedding nog meer zou verleggen [139]). Het Herkenhoofd bleef echter een zwak punt in de bedijking, dat voortdurend versterkt moest worden. [140])
Aan de noordzijde der stad zijn in de eerste helft der 14e eeuw door Kampen meerdere dijken aangelegd [141]). De aanteekeningen zijn echter te vaag om uit te maken, welke dijken bedoeld worden. Wel kan men er uit opmaken, dat het dijken waren, die aan den bestaanden ringdijk aansloten, zoodat er halfronde en hoefijzervormige inpolderingen ont­stonden. Dit inpolderingsproces is steeds doorgegaan. Platen en banken worden door het poten van rijs en biezen verhoogd, kreken en kleinere riviermonden werden afgedamd en de afzonderlijke indijkingen werden met elkander in verbinding gebracht. De grens der inpoldering werd gevormd door het Zuiderdiep, dat ongeveer evenwijdig aan de dijken van het Haatland eerst noordwaarts, daarna westwaarts en verder in zuidelijke richting liep en ter hoogte van de Kardoezen de zee bereikte.

[pag. 40]

De afdamming van dit diep in 1479 maakte nieuwe indijkingen mogelijk [142]). De kaarten toonen nog duidelijk aan, dat de nieuwe gronden door indijkingen, ongeveer evenwijdig aan de bestaande, werden aangewonnen. Op deze wijze zijn de Zuiderwaard, de Stikketoomsrug, Vossewaard, Mr. Hen­drikswaard en de Zandjes gevormd. Geleidelijk zijn de afzon­derlijke bedijkingen met elkander verbonden en is eene aan­eengesloten bedijking, beginnende in Brunnepe en loopende langs den IJssel tot de Ketel en vandaar in zuidelijke richting langs de zee tot de Dronther dijken, ontstaan. Zij werd in 1870 voltooid [143]).
In 1364 ontving Kampen voor zijn aandeel in Mastenbroek 30 hoeven gronds met het recht van aanwas op de eilanden bij de stad [144]). In dat jaar worden 14 eilandjes genoemd [145]), die niet meer dan 430 morgen grond, die een half voet boven dagelijksch water gelegen was, bevatten. Langzamerhand werd door het door den IJssel aangevoerde zand en slib de bodem hooger. Platen werden eilandjes, nieuwe platen werden gevormd, kreken slibden dicht. Dit alles werd door de stad bevorderd door het poten van rijswaarden en het leggen van kadijken.
In de met het jaar 1430 beginnende pachtboeken kan men de voortdurende groei der eilanden gemakkelijk volgen. De gewone gang van zaken was, dat een nieuw gevormde plaat of aanwas door de pachters van de nabijgelegen erven

[pag. 41]

gemeenschappelijk werd gebruikt tot zij hoog genoeg was om eene afzonderlijke hoeve te worden [146]). De kaden, die de afzonderlijke eilanden of hoeven omgaven, werden langzamer­hand met elkander verbonden, zoodat grootere bedijkingen ontstonden. Nadat in 1837 en 1838 het Noorderdiep was afgedamd, zijn er drie bedijkingen gevormd, die van de Kattenwaard, het eigenlijke eiland en de Mandjeswaard.
Aan de westzijde der stad buiten den Zwartendijk is in den loop der eeuwen een aanzienlijke aanwas ontstaan, gegedeeltelijk eigendom van de stad, gedeeltelijk van particu­lieren. In dit z.g. Dronthen vond men oudtijds hoeven met bouwland. [147]) Door het hooger worden der zeevloeden moesten deze hoeven verlaten worden en werden de gronden als hooiland gebruikt.
In het laatst der 16e eeuw begonnen de vloeden zoo veelvuldig te worden, dat de hooioogst gevaar liep. Men begon dan ook aan het bedijken te denken. In 1596 waren de pachters „van onser stadts hoylanden buyten dijks in Dronthen gelegen’’ met elkander overeengekomen voor geza­menlijke rekening eene kade te leggen. Deze kade moest aansluiten aan den Zwartendijk en daarom sloot de stad met den eigenaar van een stuk land langs de Reve, de Voorhoeve, eene overeenkomst, waarbij deze toestemming verleende tot het leggen der kade over zijn land. [148])
Deze bedijking betrof niet, zooals Mr. Nanninga Uiterdijk

[pag. 42]

aanneemt, de gronden, die thans den polder van Dronthen vormen, doch het tegenwoordige Buitendijks, dat mede tot Dronthen werd gerekend. Duidelijk blijkt dit hieruit, dat alleen de pachters der stadshooilanden het werk ondernamen, terwijl de stad in het latere Dronthen geene bezittingen had. [149]) Verder dan de Reve kon men de kade niet doortrekken, daar dit vaarwater niet dichtgedijkt mocht worden. De kade liep dus langs dit water naar den Zwartendijk. (Noordelijke vleugeldijk).
In 1597 begonnen ook de eigenaren der landerijen ten zuiden van de Reve met het leggen eener kade. De kade begon aan den Zwartendijk, liep langs de Reve in westelijke richting – Zuidelijke vleugeldijk – tot ongeveer het tegen­woordige erf No. 82 en vandaar zuidwaarts evenwijdig aan den Zwartendijk tot de hoogere gronden langs den Enk. (Kranenberg). [150])
De eigenaren moesten de kade op het eind hunner slagen zelf maken en onderhouden; alleen de kade langs de Reve en twee duikers, een in de Kleine Reve [151]) en een bij Jacob Geerts huis, [152]) zouden voor gezamenlijke rekening gelegd en onderhouden worden. De toen gelegde dijk, bekend als Oude Dronther dijk, is in de meeste slagen nog aanwezig.
Omstreeks 1600 had men buiten den Zwartendijk dus twee bedijkingen, door de Reve van elkander gescheiden. Door een sluis in den Zwartendijk stond de Reve in verbinding met de Celleswetering. [153]) Toen in 1641 bleek, dat deze sluis in slechten staat was, werd besloten haar niet te herstellen doch een nieuwe te leggen in de Reve ter hoogte van de

[pag. 43]

kaden langs de zee. [154]) Daardoor werden beide bedijkingen met elkander verbonden en behoefden de Noordelijke en Zuidelijke vleugeldijken niet meer onderhouden te worden. De Noordelijke werd in 1652 opgeruimd. [155])
De bedijking der buitenlanden had naast groote voordeelen ook hare nadeelige gevolgen. Het slib, waaraan de gronden hunne vruchtbaarheid dankten, bleef weg. Om aan dit bezwaar tegemoet te komen, werd een stuk der kade in de nabijheid van de Revesluis afgegraven en door eenen z.g. planken dijk, die in het voorjaar werd gesteld en in het najaar werd weggenomen, vervangen. [156]) Hierdoor werd echter weder een sluis in den Zwartendijk noodig.
Ook na 1600 bleef de aanwas doorgaan. In het laatst der 18e eeuw was weder nieuw land gevormd, ongeveer half zoo breed als het in 1600 ingedijkte. In 1778 werd het eerste stuk hiervan ingedijkt en wel op dezelfde wijze als in 1597 door twee kaden, beginnende aan den bestaanden Drontherdijk, dicht aan zee door eene dwarskade te verbinden. Deze inpoldering, die der 13 slagen, lag ten zuiden van de Reve en liep tot de Kamperveensche Reve. [157])
In 1801 en 1802 waren de Kamper ringdijken door storm­vloeden zwaar geteisterd. Voor de stad tot herstel overging stelde zij aan de erfgenamen van Dronthen voor den (ouden) Drontherdijk te verhoogen en te verzwaren tot „een capitalen ringdijk’’. Dronthen, dat in dit plan weinig heil zag, daar dan het vruchtbare slip geheel zou wegblijven, sloeg het voorstel af [158]). De Zwartendijk bleef de zeedijk van Kampen.
In 1804 werd een tweede partieele indijking ondernomen.

[pag. 44]

Zij betrof de aanwassen aan de overzijde der Kamperveensche Reve, die, hoewel zij aan den vasten wal van Kamperveen en Oosterwolde verbonden waren, onder Kampen werden gerekend [159]). Hier moesten kaden aan drie zijden gelegd worden. Aan de noordzijde langs de Kamperveensche Reve, aan de westzijde langs de zee en aan de zuidzijde langs de grens van Gelderland. Aan de oostzijde waren de oevers van den ouden Enk voldoende hoog [160]).
De aanwassen achter het Buitendijks werden in 1807 bedijkt door eene kade, die begon bij het erve het Bosch (No. 76) en door een sluis in de Reve in verbinding werd gebracht met de kade der 13 slagen.
De watervloed van 1825 vernielde een groot gedeelte der Kamper- en Kamperveensche zeedijken. Zij werden niet weder hersteld, doch in plaats daarvan werden de kaden langs de zee verhoogd en verzwaard en onderling verbonden. Deze dijk keert slechts 2 M. water, zoodat de achtergelegen gronden gedurig overstroomd worden. Om hieraan een einde te maken werd de zeedijk tusschen 1870 en 1876 belangrijk verhoogd, doch reeds in 1877 sloeg de verhooging vrijwel geheel weg. Sedert dien is wel meermalen over eene nieuwe verhooging gesproken, doch verder is men nog niet gekomen. De begonnen afsluiting van de Zuiderzee zal deze plannen vermoedelijk wel geheel naar den achtergrond brengen. ?[161]
Ter verduidelijking van het medegedeelde zijn een tweetal kaartjes bijgevoegd, op mijn verzoek vervaardigd door den heer H. J. Moerman te Kampen, wien ik hiervoor gaarne dank zeg.

v. E. v. d. V.

 

Uit: Verslagen en Mededelingen Overijssels Recht en Geschiedenis. 41 stuk, 2e reeks, 17e stuk; N.V. Deventer Boek- en Steendrukkerij Vroeger Firma J. de Lange 1924; p.1-44.

[1] Uitgegeven bij Dumbar, Analecta II, blz. 234 en vlg.

[2] Ter Hunnepe de naam van een klooster aan of op de Hunnepe, de oude benaming van de Schipbeek. Salland in dezen dijkbrief omvat dus zoowel het oude Salland, dat blijkens eene oorkonde van het jaar 1240 (Lindeborn, blz. 73) bij de Randerzijl begon, als het schoutambt Colmschate of Land van Deventer.

[3] Toe Boecop, blz. 163. De uitgevers lazen ten onrechte Borculo. Het handschrift heeft Herculo.

[4]Lindeborn. blz. 70 „inter aggerem novi fossati et inter.. .’’

[5] Het is niet noodig om „novum fossatum’’, te vertalen door „De Nieuwe wetering’’. Doet men dit, dan is men geneigd „Vosterbruc’’ als Broekland te beschouwen. Men houdt dan echter te weinig rekening met de benaming „Vosterbruc’’, waarvoor in eene perkamenten rol met de privilegiën van het Deventer kapittel (Rijksarchief Zwolle) gelezen wordt „Voersterbroeck’’. Men zal dit broek moeten zoeken in de nabijheid van het kasteel Voorst en er Mastenbroek of de broeklanden van Voorst en Westenholte onder moeten verstaan.

[6] In oude stukken zijn „olthovige’’ gronden synoniem met hoogere gronden, terwijl lage gronden synoniem zijn met nieuwe gronden.

[7] In 1170 werd beschikt over nieuwe tienden in de marken van Zwolle, Ittersum en Wijtmen, in 1227 over die in de marke van Fortmond, in 1240 over die in geheel Salland.

[8] Blijkbaar als een gevolg van de verbetering der dijken in en kort na 1308 begon men weer nieuwe gronden te ontginnen. In verband hiermede werden in 1312 gronden in de kerspelen Olst en Wijhe verdeeld. (Mr. S. Muller Fz. Registers en Rekeningen van het Bisdom Utrecht, deel II, blz. 571 en vlg.)

[9] De bedijking langs de Veluwsche zijde is blijkbaar van jongeren datum dan die aan de Sallandsche zijde. In den landbrief van Nieuwbroek van 1328 wordt geen melding gemaakt van dijken. Daar het dijkrecht voor dezen dijk in 1370 werd gegeven, moet men den aanleg stellen tusschen 1328 en 1370. Ook aan de Veluwsche zijde vindt men een stelsel van weteringen, die alle ongeveer evenwijdig aan den IJssel loopen.

[10] De dijk was geen aaneengesloten geheel. Hij bestond uit meerdere stukken, die hoogere gronden aan elkander verbonden. Een deel er van, de z.g. Schapendijk, behoorde tot het erve Bannink in Essen. (Privilegeboek Zwolle, fol. 7).

[11] Privilegeboek Zwolle, fol. 7. Dit stuk is eene uitspraak van scheidslieden in een geschil tusschen Salland en Deventer.

[12] Blijkbaar waren de hoogere gronden, die ook zonder dijken watervrij waren, niet met onderhoudsplicht bezwaard.

[13] Ridderschap en Steden 15 Maart 1610.

[14] Ridderschap en Steden 26 April 1658.

[15] Dit was o.a. nog het geval in 1838. (Overijsselsche Almanak 1840, blz. 204 en 205.

[16] De Sallandsche schouw eindigde bij den kolk van Uiterwijk, waar de Mastenbroeker schouw begon.

[17] Kroniek, blz. 309.

[18] Deze zandhoogten liggen op het veen. Het grootste gedeelte ervan is in den loop der jaren vergraven. Sommige hoogten werden bergen ge­noemd. Bekend zijn nog de Zonnenberg, de Manenberg en de Zandberg Vroeger kende men ook den Uiterwijkerberg en de IJsselmudinger- en Grafhorsterbergen.

[19] De Kampereilanden bestonden gedeeltelijk nog niet en waren, voor zoover zij wel bestonden, weinig meer dan slikken en platen. De IJsseldijk aan de overzijde boog terstond beneden Kampen scherp in westelijke richting om.

[20] De naam Zeneke komt in meerdere oude stukken voor. Midden voor de uitmonding in den IJssel begon het vischrecht van Kampen (Boek van Plebischieten fol. 70).

[21] Beide riviertjes zijn later gedeeltelijk gebruikt voor het aanleggen van de trekvaart op Hasselt. Deze loopt van Hasselt recht op den Zonnenberg aan en volgt dan aan de oostzijde van de duinen de oude bedding van de Zeneke. Waar Zeneke en Meer elkander het dichtst naderden, werd eene verbinding gegraven. De vaart loopt dan een eindweegs door het Meer tot waar dit het dichtst den IJssel nadert. Daar werd de verbinding met den IJssel gegraven.

[22] Eene dergelijke „stenen brugge’’ wordt ook vermeld in de dijkrechten van Kamperveen. Deze lag in de kade, die Kamperveen van Oldebroek scheidde, over de Geldersche gracht en diende ook voor afsluiting van deze gracht.

[23] In 1319 werden hier perceelen overgedragen, wier grootte in morgens wordt aangegeven. (Oudste Foliant, fol. 5 v. o.) Het in deze oorkonde bedoelde Zwijnsleger is niet het tegenwoordige Zwijnsleger, dat bij de Koekoek behoort. Het oude Zwijnsleger lag tusschen Oosterholt en IJssel, Meer en Zeneke.

[24] De verbinding met Wilsum werd onderhouden door een veer van de Korenmarktspoort naar den Uiterwijkerberg. Hoe de verbinding met IJssel­muiden was, bleek mij tot nu toe niet. Zoowel de Nieuweweg als de Baan zijn van veel jongeren oorsprong.

[25]Muller t.a.p. I, blz. 322. Onder de grieven, die de bisschop tegen Kampen had, komt voor: „Campenses injuriaverunt domino in aggeribus”.

[26] Blijkens de verpachtingsacte van het veer op Uiterwijk van 1334. (O.F. fol. 259).

[27] Charter No. 84 van het Kamper archief.

[28] Zie de dijkverdeeling in het Boeck van Regte, fol. 54 en vlg. Deze Verslagen deel 39 blz. 1 en vlg.

[29] Voor 1381. In dat jaar had Kampen toestemming noodig van de erfgenamen van Mastenbroek om eene opening in den dijk te maken voor de Trekvaart. Racer O.G. VII, blz. 240.

[30] Het veerschip kon thans de rivier recht oversteken. De tegenwoordige boerderij de Hoogeboomen was het oude veerhuis.

[31] In het dijkrecht van Mastenbroek wordt in het vak „van Grafhorst aff nederwers’’ gezegd: „hyrin ligt die zijll toe Grafhorst’’. De wetering wordt genoemd in eene aanteekening van omstreeks 1370. (Collectorium fol. 19).

[32] Van daar de breede aanleg van de Koekoekssteeg, veel breeder dan die der andere wegen in Mastenbroek.

[33] Dr. M. Schoengen. Jacobus Trajecti. Bijlage 96.

[34] De Withagen is nog bekend. Dien naam dragen de gronden ten oosten van het Zwaantje.

[35] In een handschrift Dijkrecht Mastenbroek op het rijksarchief te Zwolle, afkomstig uit het parochiearchief van Putten. Het behoorde oorspronkelijk aan het klooster te Brunnepe, dat het als ligger zijner eigendommen gebruikte.

[36] Dumbar. Kerkelijk en Wereldlijk Deventer I, blz. 351.

[37] Daar de dijk nog geruimen tijd eene waterscheiding tusschen Mastenbroek en IJsselmuiden is gebleven, moest ook de wetering worden onderhouden. In 1438 kreeg Kampen vergunning twee heemraden over deze wetering te benoemen. (Regesten van het archief der bisschoppen van Utrecht No. 3035). In 1452 bepaalde Kampen: „den Olden dijc sullen sie liggen laten voir een gemene wech, als hie duslange gelegen heeft’’. (Digestum vetus fol. 53).

[38] Placaatboek van Gelderland. Appendix blz. 158.

[39] Bijdragen en Mededeelingen van Gelre, deel XXIV, blz. 71 en vlg.

[40] Het is opmerkelijk, dat in de talrijke stukken, die op de geschillen over de verdeeling van Mastenbroek betrekking hebben, uitsluitend over het verdeelen, doch nimmer van het bedijken wordt gesproken.

[41] Dat een dijk, aangelegd door de marken van het kerspel Zwolle, later ten laste van Mastenbroek is gekomen, is gemakkelijk te verklaren, wanneer men bedenkt, dat deze marken alle in Mastenbroek gewaard waren. De onderhoudsplicht is eenvoudig van de oorspronkelijke hoeven op de toeslagen dier hoeven in Mastenbroek overgebracht. Geheel in overeen­stemming hiermede is, dat de onderhoudsplicht niet, zooals die van de zee- en Zwartewatersdijken, op alle gronden rustte, doch op bepaalde perceelen.

[42] Thans het Weezenland. Dit doet ook thans nog als waterkeering dienst. Zwolle zelf was toen evenmin als thans voldoende tegen over­strooming beveiligd.

[43] Ook later moest hij nog dienen om uit Mastenbroek komend water te keeren. In eene resolutie van Ridderschap en Steden van 22 Maart 1557 leest men: „Toe gedencken den Stoudijck alsoe te hoegen, datter ghiene overloep van water in den winter geschije, soe Dovelderdijck to is ende derhalven wel schaden geschien mochten’’. De Douwelerdijk was dus ge­dicht. Vandaar kon geen water worden verwacht, doch wel van de andere zijde uit Mastenbroek.

[44] J. Swets Az. De Zuiderzee en de Kampereilanden ca. van voorheen en thans. Dit werk is uitstekend voor den tijd, dien de heer Swets als directeur der gemeentewerken te Kampen heeft doorgebracht. Het histo­rische gedeelte is vol onjuistheden.

[45] Guyen-dijkbrief. Genemuiden wordt daarin niet genoemd, doch bestond reeds lang, daar het in 1275 reeds stadrecht had verkregen (Racer. O. G. deel VI blz. 54).

[46] Kampen huurde o.a. in 1490 (Oudste pachtboek fol. 9 v. o.) eene bisschoppelijke visscherij, de z.g. Koxkenstoem, om deze weder in kleinere perceelen aan de visschers van Asschet te verhuren. Voorwaarde was, dat zij al hun visch in Kampen ter markt zouden brengen. Zie over de visscherij aan de zeekust Racer. O. G. deel VI. bijl. 4 f.

[47] Dit wordt ook bewezen door het bestaan der nederzetting Kamperveen sedert omstreeks 1170. Eerst door het aanleggen van den Oosterwolder zeedijk na 1357 kreeg men hier eene bescherming tegen het zeewater.

[48] Kampen besloot in 1655 ,,deser stadtz dijken 2 voten (te) doen ver hoogen’’. In 1656 werd dit besloten voor den Haatlanderdijk, in 1658 voor den dijk van Seveningen. (Raadsresolutien 21 Februari 1655, 21 Februari 1656 en 2 Maart 1658.) In 1655 waren plannen in bewerking om den zeedijk van Kuinre naar Zwartsluis te verhoogen en te verzwaren. (Notulen Ridderschap Vollenhove 16 Juni 1655). De verhooging bedroeg twee voet. (Ridderschap en Steden 2 April 1661). Ook de Mastenbroeker dijken waren twee voet verhoogd. (Ridd. en Steden 29 April 1671.)

[49] Tusschen de jaren 1698 en 1710 leest men in de notulen van Ridder­schap en Steden en in die van den Kamper magistraat voortdurend van het verhoogen en verzwaren van de zee- en Zwartewatersdijken. De zee­dijken zouden worden verbeterd volgens het profiel der Friesche zeedijken.

[50] In 1698 (Ridd. en Steden 24 Maart) keurden de Staten van Overijssel een besluit van de erfgenamen van IJsselham om hunne buitenlanden langs de Linde, die door voortdurende overstroomingen in de laatste jaren geen hooi hadden opgeleverd, te bedijken goed. In 1699 (Ridd. en Steden 21 April) werd toestemming verleend om de Kuinrestroom door een sluis af te sluiten. In 1715 werd in Kampen de Burgel, die tot dien tijd in open gemeenschap met den IJssel had gestaan, aan beide einden door sluizen afgesloten om de stad watervrij te maken. (Raadsresolutie 2 September 1715). Reeds in 1662, 1668 en 1669 was door de gezworen gemeente hierop aangedrongen. Dan hoort men er een reeks jaren niet meer van. In 1700, 1702 en 1705 dringt de gemeente opnieuw op het maken der sluizen aan.

[51] Raadsresolutie 14 Augustus 1655.

[52] Raadsresolutie 14 Februari 1700.

[53] Overijsselsche Stad-, Dijk- en Markeregten, IIe deel, 1e stuk, blz. 82 en vlg.

[54] De dijk begon bij Mudingeshecke, ergens in Terwolde, doch verder onbekend.

[55] F.A. Hoefer. Aanteekeningen betreffende de kerk van Hattem, I, blz 4 noot 1.

[56] F. A. Hoefer. Mededeelingen omtrent den ouden waterstaatstoestand van Hattem. Bijdragen en Mededeelingen van Gelre, deel V.

[57] Hoefer t. a. p. bijlage II.

[58] Beide colleges worden wel eens verward. Hoefer tap blz. 173.

[59] Hoefer t.a.p. bijlage III

[60] Hoefer t.a.p. blz. 171.

[61] Charterverzameling Overijsselsch Regt en Geschiedenis No 601.

[62] Onder deze benaming is de kade bij de bewoners onbekend Gewoon­lijk wordt zij de Koppel genoemd.

[63] Digestum novum. fol 28 v.o.

[64] Dit blijkt uit eene oorkonde van 1345 (Racer O G deel II, bijlage 4).

[65] De Riete of ’s-Grevenrijt – de naam is nog over in die van de boerderij Het Grevenrid – was een riviertje, dat van de Veluwe kwam en de grens vormde tusschen Zalk en Kamperveen.

[66] Racer, O. G. deel II, bijlage 3. De vermelding van een perceel „cum situ aggerum in circuitu’’ wijst op het bestaan van op zich zelf staande bedijkingen.

[67] Dijkregt van Zalk, blz. 24. Overijsselsche Dijkregten, 5e stuk.

[68] Dijkregt van Zalk, blz. 24.

[69] O.a. in 1489, 1502 en 1573.

[70] Het dijkrecht van Kamperveen van 1582 is in het bezit van het waterschap Kamperveen. Het is in bewaring op het rijksarchief te Zwolle.

[71] Een en ander over Kamperveen en zijne oude privileges. Bijdragen tot de Geschiedenis van Overijssel, deel VII, blz. 247 en vlg.

[72] Aanteekeningen betreffende de geschiedenis van den polder van Dron­then. Zelfde Bijdragen deel IX, blz. 196.

[73] Zie mijn opstel over het Goor in de Bijdragen van Gelre, deel 25, blz. 35 en vlg.

[74] Dit zeggen de privilegiebrieven. Zie het opstel van Mr. Nanninga Uiterdijk.

[75] Dit zeggen de privilegiebrieven. Zie het opstel van Mr. Nanninga Uiterdijk.

[76] De Zuidwende sloot aan aan de Koppelkade, ongetwijfeld door de eveneens in 1170 ontstane nederzetting Oldebroek opgeworpen om hare broeklanden tegen overstrooming te beveiligen. De Noordwendinge verliep aanvankelijk in de hoogere gronden van het z.g. Noordeinde — later Kamper Nieuwstad, — waar ook de Oosterwolder zeedijk eindigde. In het laatst der 14e eeuw zijn beide dijken door den z.g. Drontherdijk met elkander verbonden.

[77] De Eimbrink komt in 15e en 16e eeuwsche stukken voor als Engmar of Engmer. De naam der hoeve is dus ontleend aan dien van het water, waaraan zij gelegen was.

[78] De door den IJssel aan beide zijden van dezen arm gevormde zandhoogten zijn nog aanwezig en wijzen duidelijk de oude bedding, thans grootendeels dichtgegroeid en dichtgeslibt, aan.

[79] Voor het aanleggen van den Oosterwolder zeedijk, kon het zeewater van het westen uit de binnenlanden bereiken.

[80] Enk zal in verband met de gewoonte der Overijsselaren om de h weg te laten wel hetzelfde zijn als henk of hank.

[81] Voor 1478 was er een veer. Toen de dijk was weggeslagen in 1498, werd dit weder in werking gesteld. In 1502 was er een brug. Toen deze door een storm vernield was, kwam er weer een veer. In 1559 besloot Kampen weder een brug te leggen. Deze werd in 1570 vernield. Van dit aar tot de nieuwe dijk in 1638 er was, deed het veer weder dienst.

[82] De breedte was volgens latere dijkverdeelingen 124 roeden of ongeveer 500 M.

[83] De Dezelfde aanteekening ook in Liber Diversorum C, fol. 92.

[84] De Annalibus quaedam nota, blz. 26. „In denselven jare (d. i. 1478) wort die dijck over den Eng doer die kolken gemaekt van den Swartendijc thent aen den Hogenwech’’.

[85] Dijkrecht van Kamperveen. De verdeeling betrof den onderhoudsplicht. Beide kregen stukken in het moeilijkst te houden gedeelte en in het minder bedreigde.

[86] De koopbrieven in afschrift in het dijkrecht van Kamperveen.

[87] Op deze kade heeft ook betrekking de oorkonde van 1511, hiervoor reeds genoemd, waarvan Mr. Nanninga Uiterdijk meende, dat zij op den Veenendijk sloeg.

[88] Dijkrecht Kamperveen. „Van die olde kae nijes vervatet.’’

[89] Doorgaande erven waren die, welke liepen van de Geldersche of Broekluiden gracht tot den Veenendijk, of, zooals men toen gewoonlijk zeide, tot Wilsumer oever.

[90] De erfgenamen van Kamperveen besloten o.a. in 1602 (21 Juni) den Hoogenweg op zijne oude hoogte en breedte te brengen. 3 Maart 1611 werd een dergelijk besluit genomen.

[91] Resolutien erfgenamen Kamperveen en Raadsresolutien van Kampen over 1638.

[92] Blijkens Raadsresolutie van Kampen van 6 April 1639 werd het werk door den Kamper magistraat goedgekeurd.

[93] Dit zijn de jaren, waarin in Kampen wordt aangedrongen op verhooging en verzwaring van den Slaper.

[94] In de Statenvergadering van Overijssel van 1718 werd o.a. eene klacht van Geldersche zijde behandeld. (Notulen Ridderschap en Steden 4 en 14 April 1718).

[95] De weg wordt onderhouden door Kampen, de kade door Kamperveen, dat eigenaar van den grond is. Deze regeling berust op eene overeenkomst van 1469, luidende: „Die erffgenaemen van Camperveen haer landt bedijcken sullen; die stadt van Campen sal haer weghen selver maecken’’. (Dijkrecht Kamperveen.)

[96] De Geldersche gracht – vroeger ook Broekluidengraft – voert het water van Oldebroek af naar zee. In 1425 had Oldebroek van de erfgenamen van Oosterwolde toestemming gekregen tot het graven dezer gracht langs de grens van Kamperveen. – In 1377 was door bisschop Arend van Hoorne slechts een scheidsloot op de grens van Kamperveen en Oosterwolde gegraven, geen afwateringskanaal. (Nanninga Uiterdijk t.a.p. blz. 259). – Dit werd in 1425 door den hertog van Gelre bevestigd. De bevestiging was noodig, omdat Oldebroek daardoor buiten zijn rechtsgebied zekere bevoegdheden verkreeg.
De gracht begon bij de „Reenkulen’’ bij den Eekterberg. Het onderhoud kwam ten laste van Oldebroek, dat aan de Oosterwolderzijde een wang of kade moest leggen. Verder moest het aan het begin der gracht en in de Noordwendinge sluizen leggen en een brug in den weg van Kampen naar Elburg, de z.g. Naalde.
Eene kade aan de Kamperveensche zijde wordt niet voorgeschreven, vermoedelijk omdat de gracht geheel op het gebied van Oosterwolde lag. Kamperveen was echter genoodzaakt ook zulk eene kade te leggen, daar het Oosterbroek aanmerkelijk hooger ligt dan Kamperveen, zoodat het water in de gracht, wanneer hooge zeestanden den afvoer belemmerden, Kamper­veen zou overstroomd hebben. De kade of wang aan de Oosterwolder zijde wordt thans nog onderhouden door en behoort aan het waterschap Olde­broek, terwijl die aan de Kamperveensche zijde door de aangrenzende eigenaren wordt onderhouden.
Later is eene regeling gemaakt, waarbij bepaald werd, dat de sluis bij de Reenkulen, d.w.z. de sluis in de kade, die het Oosterbroek van Oosterwolde scheidt, gesloten moest worden, wanneer het water in de gracht eene zekere hoogte had bereikt. De afwatering van Oldebroek was hierdoor niet ten allen tijde verzekerd. Om hierin verbetering te brengen is voor eenige jaren een gemaal aan den zeedijk gebouwd, dat de gracht kan bemalen.

[97] De oude hoeven in dit gebied lagen in drie ongeveer Noord-Zuid loopende rijen. De meest westelijke in Oosterwolde lag langs den z.g. Woldweg. De middelste, het eigenlijke Kamperveen, lag aan de oostzijde van den Leidijk van de Fokheuvels tot het Zuideinde. De Hollanderhuizen lagen buiten het tegenwoordige waterschap Kamperveen in het verlengde van den Voskuilendijk.
De kerk van Kamperveen, gelegen in de lijn der oude hoeven, was geheel alleen komen te liggen. Zij werd in 1714 door een storm vernield en is aan den Hoogenweg weder opgebouwd.

[98] Aan den Woldweg liggen nog enkele hoeven op hooge terpen, o.a. bij de oude kerk.

[99] Enkele van deze terpen zijn in 1825 verlaten.

[100] De straatweg is in 1830 door Kampen aangelegd, waarbij gedeeltelijk van den bestaanden weg is gebruik gemaakt.

[101] Zie b.v. Liber Causarum op het Kamper archief, waarin op 1509 gelezen wordt, dat Johan van Buckhorst „die doirgesteken dijke op ’t Vene’’ niet weder gedicht had. De dijkgraaf van Kamperveen – een lid van den Kamper magistraat – kreeg toen opdracht den dijk te doen herstellen.

[102] Dijkrecht Kamperveen.

[103] Ook na 1530 kwamen nog wel geschillen voor. De overeenkomst toch zegt niet uitdrukkelijk, dat alleen door overstrooming veroorzaakte gaten bedoeld zijn. In 1655 schreef Hattem aan Kampen, dat de Kamper-veeners de gaten in strijd met de overeenkomst te vroeg hadden gedicht. Kampen antwoordde, dat de kade telkens werd doorgestoken en dat alleen deze gaten gedicht -waren. (Dijkrecht Kamperveen).

[104] Opschrift Burgerboek, waarin: „quivis oppidanus non faciens mansionem infra muros, acceptare rodam aggeris de aggeribus civitatis, quam suis debet expensis custodire’’. (O. R. en G. Verslagen en Mededeelingen 18e stuk, blz. 24).

[105] Zie tal van transporten in den Oudsten Foliant (b.v. fol. 24 van 1329: „partem prati, quod dicitur madelandes, et cum aggere pertinente ad allud’’).

[106] ) Zie o a. eene dijkbeschrijving uit de eerste helft der 14e eeuw in het Boeck van Rechte.

[107] Zie de dijkverdeelingen.

[108] De Veenemaden worden ook wel Oostermaden genoemd, oostelijk gelegen van de buurschap Oene.

[109] Er bleven dan ook perceelen uit het Kamperveensche deel van Oene belast met stukken dijk onder Kampen en omgekeerd. Aan den dijk vindt men nog tal van steenen palen, die de grenzen der vakken, door de ver­schillende eigenaren te onderhouden, aanwijzen.

[110] Buiten de Botervatsteeg lag de voorstad de Hagen, die later – omstreeks 1335 – bij de stad is aangetrokken. In den Oudsten Foliant komt een lijst van onderhoudsplichtigen van den IJsseldijk in dit nieuwe gedeelte der stad voor.

[111] Van dezen arm, die dicht langs den tegenwoordigen St. Nicolaasdijk heeft geloopen, zijn op meerdere plaatsen nog overblijfselen te vinden.

[112] Dat de Wilgenweg een dijk is geweest blijkt uit meerdere oude dijkbeschrijvingen. Op twee plaatsen zijn de sporen van doorbraakkolken nog aanwezig.

[113] In den Oudsten foliant worden vermeld een St. Nicolaasberg, een Oestinghwoldingerberg en een Cleneberg. Uit andere stukken zijn nog bekend de Kranenberg en de Vossenbergen.

[114] Dit blijkt uit een dijkboek van het jaar 1471. Telkens heeft de stad een stuk dijk te onderhouden tusschen stukken van particulieren. Deze laatste stukken zijn de oude bergen, die door hunne eigenaren als dijk onderhouden moesten worden. In een andere aanteekening (Oudste Foliant fol. 95) wordt gezegd: „item die stat heft 36 roeden berghes; item binoerden des berghes den dijc ongeslaghen’’. De beteekenis is, dat de stad in de streek der bergen 36 roeden dijks te onderhouden heeft en verder noord­waarts voorbij de bergen den geheelen dijk.

[115] In Maart 1347 droeg Kampen aan de „veenlude’’ op het onderhoud van den nieuwen dijk, waarbij bepaald werd, dat de aarde gehaald moest worden „binnen dijkes in Ondincger broec’’ (Oudste foliant fol. 261). Daar het Oenerbroek toen binnendijks lag, moet de Slaper in dat jaar hebben bestaan.

[116] Tevens moest het blokhuis, dat de toegang tot de stad afsloot, de z.g. Koeborg, staande op het snijpunt van IJsseldijk en Wilgenweg, worden ver­plaatst. De nieuwe Koeborg stond op het ontmoetingspunt van IJsseldijk en Slaper.

[117] Aanteekeningen betreffende de Geschiedenis van den polder Dronthen, blz. 193.

[118] Op oudere platte gronden komen aan de uiteinden van den Burgel afsluitingen voor, en is er een soort windas geteekend. Dit zijn hekken geweest, waarmede men den toegang voor vreemde schepen en vaartuigen afsloot.

[119] In 1420 trachtte zelfs een vijandelijke vloot langs dezen weg de stad te bereiken. (Bijdragen Geschiedenis Overijssel, deel IX, blz. 199).

[120] Blijkens raadsresolutie van 28 Juli 1640 moest de in de Reve buiten den Zwartendijk te leggen sluis zoo lang en zoo breed zijn, „dat een Harderwijcker ofte Elburger veerschuite daerinne sal connen geschuttet worden.’’ Blijkens raadsresolutie van 21 Februari 1704 moest deze sluis „ter continuatie der Geldersche commercie’’ bruikbaar worden gemaakt.

[121] De sluis werd in de 18e eeuw hoofdzakelijk gebruikt om in den winter de Broeken en Maten met dik IJsselwater te inundeeren.

[122] Het hoofd te Buer wordt o.a. in oude stukken meermalen genoemd. Buer was een daar ter plaatse gelegen gehucht.

[123] Dit klinkt eenigszins vreemd, doch is niettemin juist. De IJssel- of Veenendijk, in onderhoud bij het waterschap Kamperveen, is door de aan­wezigheid van de kade langs den straatweg als IJsseldijk een slaper geworden. Hij keert echter met zijn binnenberm het zeewater uit het Onderdijks.

[124] Ook draagt een gedeelte van het water nog den naam Ouden IJssel.

[125] Niet geheel. Het erf de Keulvoet behoort onder Kampen.

[126] Ook staat vast, dat de verlegging voor 1308 heeft plaats gevonden. In dat jaar toch liep de Sallandsche dijk tot Uiterwijk, waaruit volgt, dat de aaneengesloten duinenreeks, die ongetwijfeld tusschen Wilsum en Uiterwijk aanwezig is geweest, niet meer bestond.

[127] Toe Boecop, blz. 309.

[128] De dijk moest hier bij herhaling worden ingelegd. Tal van resolutien der Staten handelen hierover. Uit een bundel processtukken over de hoofden te Veecaten (Verzameling O. R. en G. No. 606) blijkt, dat hier meer dan 4 hoeven waren weggeslagen.

[129] Zie de in de vorige noot genoemde stukken. In deze aanwassen, die het z.g. Zalkerbosch vormen, zijn nog sporen van oude rivierbeddingen te vinden.

[130] Hoewel ik omtrent deze inlage geen stukken heb gevonden, is zij ter plaatse duidelijk waar te nemen. De inlage begon hij het erf Westera en liep tot de Vaarsloot. Op het eilandje de Welle zijn overblijfselen van den vroeg eren dijk aanwezig.

[131] Bij dit erf zijn aan beide zijden van den straatweg nog kolken, blijk­baar overblijfselen der vroegere bedding, aanwezig.

[132] Tusschen Enk en Buur scheidde zich nog een derde arm af, die onge­veer in noordelijke richting achter Kampen langs heeft geloopen. Deze arm bestaat nog als een bochtige sloot, die op meerdere plaatsen de grens vormt tusschen de Broeken en de Maten. Hier en daar vindt men nog zandafzettingen langs de oevers.

[133] Volgens eene overlevering liep de IJssel eens zoo dicht langs de toren van Wilsum, dat deze gevaar liep ondermijnd te worden. Het spreekt van zelf, dat de Wilsutners hun kerk en toren niet vlak aan het water hebben gezet, zoodat de bedding der rivier hier veranderd moet zijn.

[134] Even beneden Wilsum was de winterbedding ongeveer 2 K.M. breed. Voor de dijk van Uiterwijk naar Grafhorst bestond, was de winterbedding beneden Uiterwijk even breed. Door het leggen van dezen dijk werd de winterbedding over een afstand van nog geen 1½ K.M. van 2 K.M. tot ongeveer ½ K.M. versmald.

[135] Kamper archief, Collectorium, fol. 132 v.o, Thoem was het gebruikelijke woord voor een vischplaats.

[136] Als nader bewijs hiervoor wijs ik op de omstandigheid, dat, terwijl de Schere aan den westelijken oever ligt, de Scherenwelle aan de overzijde gelegen is. De gronden waren in de 16e, 17e en 18e eeuw nog eigendom van den zelfden persoon. Ook het erf de Keulvoet bezat gronden aan de overzijde. Verder behoort het vischrecht in de tegenwoordige bedding aan den eigenaar van de Schere, terwijl dat in de z.g. Hank van Uiterwijk aan het domein behoort.

[137] Hoofdzakelijk zand. De lage duinen zijn nog aanwezig.

[138] De gemeentekaart van Wilsum van Kuiper heeft ter plaatse nog een langgerekt water.

[139] In 1478 stelde Kampen den erfgenamen van Zalk den eisch een door hen gelegd hoofd op te ruimen. Daar hieraan geen gevolg werd gegeven, deed de stad het zelf. (Liber causarum, fol. 8 v.o.) In 1494 werd van Zalk de opruiming van een hoofd bij de Zalkersluis geëischt. (Aldaar fol. 39 v. o.)

[140] Zie o.a. Raadsresolutie 21 Februari 1660. „En alsoo aen de conser­vatie en verseeckeringe van het Herckenhooft de stadt bovenmaten is gele­gen …. maer aldewijl den dijk aldaar seer is wechgesoncken …. is goetgevonden om in het begin van de somer een quantiteyt cley op het hoofd bijeen te brengen’’.

[141] Oudste Foliant fol. 273 (1318 – 1320) „Illi de Veno posuerunt fide jussores, quod aggerem juxta paludem Sancti Nicolai et juxta Wedehagen ita bonos faciant, ut scabini noverunt faciendos’’. Aldaar fol. 136 op 1324: „Scabini dederunt illis de Bronepe, qui aggerem paraverunt, 9 libras’’. Aldaar fol. 137 op 1324: „Scabini dederunt Nannoni 6 libras, quod ipse parabit aggerem extra Bronepe juxta paludem sancti Nicolai: et extra circumponit cum terra de Grent’’. (Hij zal hem aan de buitenzijde bekleeden met klei van de Greente).
Het Palus Sancti Nicolai lag in de buurt van erf 76, thans genaamd Het Bosch vroeger St. Nicolaasbosch. De Wedehagen, thans de Wee, was het lage land langs den St. Nicolaasdijk.

[142] De Annalibus quaedam nota meldt: „int jaer ons Heren 1479 wort dat Suderdiep te Broenepe togedijckt, dat over 2 vademen diepe was ende 24 rode wijt. Oic worde toegedijckt dat gat tusschen den Grient ende den weert daerentendes liggende’’.
Toen dit diep dicht was, ging men het volgende meer noordelijk gelegen diep het Zuiderdiep noemen.

[143] Zie het reeds aangehaalde werk van Swets, blz 61 Het laatste stuk dijk, dat gelegd werd, was de Kardoezendijk.

[144] Kamper archief, charter No 148

[145] Oudste Foliant, fol 244 De Greente, thans vast aan den westelijken oever, behoorde tot deze eilanden.

[146] Raadsresolutie 17 April 1679, Voorgedragen werd toen „hoedat van het Meeuwensant bequamelijck souden connen worden gemaeckt twe erven’’. Blijkens de pachtboeken werd in 1558 de Cunretorfsweert, tot toen in gebruik bij de pachters der vier Heultjes erven, een afzonderlijk erf.

[147] De hoeven lagen niet, zooals Mr Nanninga Uiterdijk in zijne geschie­denis van den polder Dronthen mededeelt, achter den Zwartendijk, doch ver buitenwaarts, dicht bij de zee. De oude huissteden zijn thans nog bekend. Blijkens eene verpachtingsacte van het Kerkenerf van 1601 was de 7e kamp van den Zwartendijk „die huysstede met het saykampken, streckende tot an de zee’’. Het huis stond toen nog doch zou worden afgebroken.

[148] Raadsresolutie 7 Maart 1596.

[149] Wel de z.g. Geestelijkheid.

[150] Raadsresolutie 24 Februari 1597.

[151] De Kleine Reve bestaat nog. Vroeger diende zij als afwatering van Broeken en Maten, waarvoor een sluis in den Zwartendijk aanwezig was.

[152] Niet meer bekend.

[153] Deze sluis werd wel eens de Dronther Sluis genoemd. Daar de sluis in 1510 onder deze benaming voorkomt, kwam Swets tot de onjuiste ge­volgtrekking, dat er in 1510 reeds eene bedijking van Dronthen zou hebben bestaan.

[154] Raadsresolutien 20 Februari en 20 April 1641.

[155] Raadsresolutie 22 November 1652. De wegruiming geschiedde niet zeer grondig, want de kade is thans nog duidelijk te zien.

[156] Zie over dezen planken dijk uitvoeriger het opstel van Mr. Nanninga Uiterdijk.

[157] Resolutien der erfgenamen der 13 slagen op het Kamper archief.

[158] Resolutie der erfgenamen van Dronthen 8 Februari 1802.

[159] Resolutie van de erfgenamen der zuidelijke Overreefsche slagen.

[160] De kade, die thans langs de Reve ligt, is eerst na 1825 aangelegd. Zij ligt in de oude rivierbedding, die gekanalizeerd is en dient tot afwate­ring van Kamperveen. De gronden tusschen deze kade en den ouden hoogen oever worden nog aanwassen genoemd.

[161] Swets t. a. p. blz. 63

Category(s): Geen categorie
Tags: ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *