VI. Het kloostercomplex

VI. Het kloostercomplex

     Behalve op de kaart van Jacob van Deventer uit circa 1560 zijn op de zestiende- en

|pag. 27|

_______________↑_______________


|pag. 28|

_______________↑_______________

Copia van Agneten

Copia
     Mijn heeren etc.

     Gheven oetmoedich toe kennen die twee leste
ende overblijvende conventualen van het Agnieten-
     cloester alhier dat sie beyde durch den pest,
daer sie lange aen gelegen, in verloep van schulden
     sijn gecoemen dat sie die tijt hoers kranckheyts
niet hebben kunnen gewinnen; ende mijn heeren wel
     bewust is die cleyne alimentatie die sie hebben
ende sie beyde olde persoenen binnen, dat sie niet
     offte seer weynich daeronder kunnen gewinnen
ende U E(delen) anders nymandts hebben van hoer
convents guideren te onderholden dan alleene
dese twee olde persoenen, soe versoecken sie oet-
     moedich dat mijn heeren gelieven willen hoere
     alimentatie wat toe verbeteren, sulcx dat sie in
desen hoeren hoegen olderdoem ghien gebreck moegen
     lijden ende oock, alsoe sie beyde soeveel huyre
geven, hoer noettrufft hebben moegen. Dat
doende etc.

Appoinctement
Schepenen ende Raedt accordieren dese twee suppli-
antinnen jaerlix elck hondert Carelsgulden,
soe voer alimentatie als voer huyshuyre,
diewelcke haer op vier termijnen betaelt sullen
worden, waervan het ierste termijn op Kersmise
naestcoemende verschijnen sall. Actum den XX
decembris 1600.

(Oud-archief Kampen, inv. nr 23, fol. 115)


|pag. 29|

_______________↑_______________

zeventiende-eeuwse stadsplattegronden van Kampen de kerk en de andere panden van het Sint-Agnesklooster te onderscheiden. Onderlinge verschillen maken het echter onmogelijk om aan de hand van deze afbeeldingen de werkelijke situatie te bepalen. Zo tonen Braun en Hogenberg in 1581 de kerk met een rechte koorsluiting en aan de noordkant daarvan bebouwing die de voor kloosters gebruikelijke trant, samenhangende gebouwen rond een hof, suggereert. Het forse huis aan de Groenestraat, parallel aan deze straat gelegen, laten zij weg. Paul Utenwael beeldde in 1598 de kloosterkerk juist af, namelijk met een meerzijdig koor; de bebouwing aan de noordzijde komt op zijn plattegrond niet voor terwijl hij het huis langs de Groenestraat wèl laat zien. Halverwege de zeventiende eeuw tekent Joan Blaeu dit laatste ook, maar geeft de kerk, evenals Braun en Hogenberg een rechte koorsluiting en volgt ten aanzien van de kloostergebouwen ten noorden van de kerk eveneens hun voorbeeld. Om een indruk te krijgen van het kloostercomplex zijn we gelukkig niet uitsluitend op de oude plattegronden aangewezen. Zoals gezegd, ook posten aangaande de huur- of verkoopprijzen en de vele uitgaven voor onderhoud en verbetering der panden in de rekeningen van de geestelijke goederen geven meermalen bruikbare details prijs.
     Gedurende een aantal jaren was het grote huis aan de Groenestraat met een deel van de bijbehorende open ruimte verhuurd aan meester Claes, die de stadsuurwerken onderhield.
Deze gebruikte het “dwarshuys” echter niet zelf, maar huurde het voor een niet nader genoemde neef 1 [1. O.A. 1483, “Renthen ende incompsten van Agnetenconvent, Huyrhuysen”]. Het “melckhuys” werd aanvankelijk gebruikt door een vrouw, een zekere Gese Carels 2 [2. O.A. 1482, “Renthen ende imcompsten van Agnetenconvent, Huyrhuysen”]. Claes Worst beschikte over een huis dat hij met de “berch ende een eynde van de schuyre” huurde voor 23 herenpond per jaar. Een deel van dezelfde schuur was als woning in gebruik bij Eerlandt Henrickx 3 [3. O.A. 1483, “Renthen ende incompsten van Agnetenconvent, Huyrhuysen”]. Ook andere vrouwen vonden onderdak in het voormalige convent. Grietken van Lochem – zij zou de gewezen zuster Grete van Lochem kunnen zijn – bewoonde er een “camerken” waarvoor zij vijf herenpond per jaar betaalde. Lijsken Hubinx woonde voor acht herenpond vermoedelijk iets rianter in een “huysken”4 [4. O.A. 1484, “Renthen en incompsten van Agnetenconvent, Huyrhuysen” ]. In 1595 verhuurde de Geestelijke Kamer voor 40 herenpond per jaar een grotere ruimte aan een zekere Hans Valckenburg 5 [5. O.A. 1485, “Renthen ende incompsten van Agnetenconvent, Huyrhuysen”]. Een paar jaar later huurde Lambert Driesz. het “bouhuys met de (hooi-)berch ende woeninge” voor niet minder dan 45 herenpond per jaar 6 [6. O.A. 1488, “Renthen ende incompsten van Agnetenconvent, Huyrhuysen”]. Het bouwhuis bleef tot 1627 zijn vermoedelijk agrarische bestemming behouden. In dat jaar werd het gekocht door Wolter Wissinck, een der eigenaren van de volmolen 7 [7. O.A. 1518, “Incomsten Agnieten, Huisen binnen Campen”]. In 1603 kregen “huysingen, schuyren mit den armenhuysen in Agnieten” een onderhoudsbeurt 8 [8. O.A. 1493, “Timmeringe ende reparatie van huysen, bergen mit de materialen daertoe noedich”].

|pag. 30|

_______________↑_______________

Detail van de plattegrond van Kampen van P. Utenwael uit 1598;
met in het midden de kapel van het Agnietenklooster.


|pag. 31|

_______________↑_______________

Detail van de plattegrond van Joannes Blaeu uit ca. 1650;
met in het midden (bij 4) de kapel van het Agnietenklooster.


|pag. 32|

_______________↑_______________

     De op het kloosterterrein afgepaalde tuinen vonden gretig aftrek bij vooraanstaande kopers.
De schepenen Johan Witte en Jacob Maler verwierven zich een hof; Johan Sloet, de drost van Vollenhove, kocht er zelfs twee. Andere eigenaars waren Heyman Kerstkens en Henrick Heymans 9 [9. O.A. 1482, “Renthen ende incompsten van Agnetenconvent” In de tweede helft van de zeventiende eeuw waren enige van deze tuinen in gebruik bij ambachtslieden zoals een mandemaker en Claes Andriesz. “cum suis”, schoenmakers, die er hun “schoecuypen”, de wegens stankoverlast uit de binnenstad geweerde looikuipen, plaatsten (O.A. 1560, fol. 23).]. Over dit bezit bleven de nieuwe eigenaars rente betalen aan de Geestelijke Kamer. Vóór de verkoop was het open terrein vermoedelijk al in gebruik als plaats om er droogramen voor laken, duffel en andere textielproducten te zetten 10 [10. O.A. 1498, “Agneten, Renthen uuit die hoven van de stadz olde raemsteden in de Groenestraete op Paeschen”]. De droogramen waren wellicht bereikbaar via het “Raemsteechgen”, waarvan in 1616 sprake is 11 [11. O.A. 24, fol. 69v]. Geleidelijk werden gebouwen en open ruimte nu steeds vaker gebruikt ten behoeve van de textielvervaardiging, een vorm van nijverheid die in deze jaren door het stadsbestuur enorm gestimuleerd werd 12 [12. Om de welvaart in de stad te bevorderen lokte de magistraat vele textielbewerkers, die in de jaren na de val van Antwerpen de Zuidelijke Nederlanden verlaten hadden, met het aanbieden van vele faciliteiten naar Kampen. Zij waren o.a. vrijgesteld van het betalen van huishuur (O.A. 470, “Uthgevent van allerley onseeckere parcelen”) en het stadsbestuur sloofde zich uit om voor hen geschikte bedrijfsruimte te creëren. Zo trok bijvoorbeeld in 1594 een gezelschap van schepenen en dienaren door de stad om de “cloesteren voer den drapeniers toe besichtigen (O.A. 467, “Reysen”). Ook werd op de kloosterterreinen gezocht naar ruimte om woningen voor de arbeiders van de drapeniers te bouwen (O.A. 468, “Reysen”). De droogramen voor de draperie werden zelfs op stadskosten door de stadstimmerman vervaardigd (O.A. 469, “Timmerluyden”). Bovendien bemiddelde het stadsbestuur bij gerezen “Differentiën tussen drapeniers, kooplieden en ververs (O.A. 469, “Reysen”).].
In 1592 vond een aantal verbouwingen plaats. Zo werd het “lange huys in Agnetenconvent” dat verhuurd was aan een bombazijnwever, door twee tussenwanden verdeeld in een aantal vertrekken waarin men schoorstenen aanbracht. Ook werd er een nieuwe zolder ingetimmerd en een “middenschoth met een spijsekamer”. Andere werkzaamheden in “Agnetenreventer” maken aannemelijk dat de bombazijnwever de refter gebruikte. In “Agnetenbrouwhuys” legde men eveneens een zolder; bovendien werd de voormalige brouwerij van vensters voorzien die door een metselaar in de gevel “an de straete”, de Vloeddijk, werden uitgehouwen 13 [13. O.A. 1482, “Uuitgaven van allerhande tymmerage ende van de materialen daertoe geëmployeert”]. Later, in 1604, was Jan de Latre huurder van een vrij riant gebouw; de huurprijs bedroeg 32 herenpond per jaar 14 [14. O.A. 1494, Agnieten, huurhuizen te Kampen]. Als Johan de Latre komt deze man voor op een lijst van personen die zich in verband met de “nye draperie” in Kampen gevestigd hadden 15 [15. Van der Pol, p. 434]. Hij oefende het ambacht van “trijpier” of trijpmaker uit. Voor verbeteringen aan het door hem gebruikte pand getroostte de Geestelijke Kamer zich een groot aantal onkosten 16 [16. O.A. 1494, “Uthgave van timmeringe ende reparatie van huysen binnen ende buyten Campen”]. Voor belangrijke huurders liet men zelfs op gezette tijden de beerput leegscheppen. Zo werd in 1614 het naast de volmolen en bij het huis van Jan de Marees aan de Vloeddijk gelegen “secreet” gereinigd.
Men betaalde de putjesschepper niet alleen voor het ledigen van de beerput, maar ook voor een “gadt aldaer in den hoff tho graven ende die materie daerinne tho dragen”17 [17. O.A. 1504, “Extraordinaris ende alderley uuitgave”]. Het huis was ook al bewoond geweest door de rector van de Latijnse School 18 [18. O.A. 1505, Agnieten, “Renthen uuit die hoven enz.”]. Ook een textielverver kreeg een werkplek op het voormalige kloosterterrein. In 1596 ging de magistraat, na veel gezoek elders, ertoe over er een plaats af te meten “daer die nye verwerie sall staen”19 [19. O.A. 469, “Reysen”]. Deze keer werden de herstelwerkzaamheden aan het huis aan de Vloeddijk – mogelijk weer de oude brouwerij – ten behoeve van de “carmosijnverwer” uit de stadskas betaald 20 [20. O.A. 469, “Allerley onsekere parcelen”]. In 1598 kwam het stadsbestuur “Bulteels huys” bezichtigen 21 [21. O.A. 471, “Reysen”]. Hoewel zijn naam slechts deze ene keer

|pag. 33|

_______________↑_______________

genoemd wordt, lijkt het plausibel dat deze verver Jacques Bulteaux, ook Jacob Bulteel genoemd, geweest is. In april 1606 stond de magistraat diens weduwe Clara de Colenaer toe, “aldien sie in ’t verwen continueren werdt”, nog enige jaren gebruik te blijven maken van het huis waarin zij haar bedrijf uitoefende. Zij diende het pand dan wel op eigen kosten te laten onderhouden 22 [22. O.A. 23, fol 150]. Pas in 1611 werd haar het gratis gebruik van het “huys op den Vloetdijck” opgezegd 23 [23. O.A. 23, fol. 202]. Ten behoeve van de ververij 24 [24. Zie ook Van Vliet 1991, p. 88] liet de Geestelijke Kamer in 1617 een vlot in de Burgel leggen 25 [25. O.A. 1507, “Tymmeraige enz.”]. Enige jaren later onderhandelde Clara de Colenaer met het stadsbestuur over de aankoop van het huis De Rode Engel, ook voormalig kloosterbezit, gelegen aan de Groenestraat aan de achterzijde van het terrein. Men was genegen haar het huis te verkopen tot “beneficie van de neringe ende renomee van de verwerije”. Als voorwaarde stelde Clara dat haar schoonzoon Evert Rijnvisch na haar dood het recht kreeg het huis voor de ververij te blijven gebruiken 26 [26. O.A. 24, fol. 172v]. Men werd het eens over een koopsom van 1.400 goudgulden 27 [27. O.A. 1514, “Uuitgaeve van reysepensiën”]. Clara betaalde een deel contant en bleef van de rest jarenlang een rente betalen van 42 Carolusgulden per jaar 28 [28. O.A. 1516, “Agnietencloister, Huisen binnen Campen”
Vanaf 1621 gebruikte men te Kampen niet langer het herenpond van 14 stuiver als rekeneenheid. Vanaf genoemd jaar werden bedragen genoteerd in Carolusgulden van 20 stuiver (Van Vliet 1984, p. 25)]
. Het onderhoud van de voorzieningen op het kloosterterrein vond meestal plaats op kosten van de Geestelijke Kamer. Toen in 1618 de put, die de zusters van het Sint-Agnesklooster van water voorzien had, instortte, liet men de schacht door drie mannen opnieuw uitgraven. Vervolgens werd er een groot wijnvat in geplaatst. Dit vat, een “wijnpijpe”, kocht men bij de wijnhandelaar, kunstschilder en herbergier Gerrit van der Horst 29 [29. O.A. 1508, “Timmeringe enz.”]. In 1624 ontstond er onder de gebruikers van de diverse panden onenigheid over de toegang tot de gemeenschappelijke put. De Geestelijke Kamer loste de moeilijkheden op door gescheiden toegangen te laten maken 30 [30. O.A. 1515, “Reisepensiën”].
     In 1625 kreeg een zekere Ariaan Geertsen toestemming het huisje op het kloosterterrein te betrekken “daer broer Peter celmonnick plachte te wonen”31 [31. O.A. 1489, “Van tymmerage enz.”]. Teneinde terrein en gebouwen goed bereikbaar te houden, diende de overheid te zorgen dat Vloeddijk en Groenestraat begaanbaar waren. Al in 1599 verdiende stratemaker Peter Willemsz. meer dan 33 herenpond met werk aan de “straete bij Agneten opten Vloetdijck”32 [32. O.A. 24, fol. 69v
O.A. 1506, “Timmeringe enz.”
O.A. 1507, “Timmeraige enz.”]
. De Groenestraat was in het begin van de zeventiende eeuw waarschijnlijk nog niet eens geheel verhard. Men ondervond er dan ook veel wateroverlast. In de jaren 1616 en 1617 werd het overtollige water afgevoerd en de weg geplaveid met “keeselingen”, veldkeien die de Geestelijke Kamer aanschafte in onder andere De Blesse en Vollenhove 33 [33. O.A. 1506, “Timmeringe enz.”]. Ook liet men een nieuwe muur metselen als afscheiding tussen het gewezen kloosterterrein en de Groenestraat 34.

|pag. 34|

_______________↑_______________

 
– Vliet, E.G. van (1994). Het terrein van het Agnietenklooster tussen Vloeddijk en Groenestraat. Kampen: Gemeentearchief.

Category(s): Kampen

Comments are closed.