Test

Misdaad en Handel

Liber Confessiones Delictorum 1560-1638

(Rechterlijk Archief Kampen, inv. nr. 232)

Bewerkt door Kees Schilder

Kamper Historische en Genealogische Bronnen deel 32a

Uitgegeven met medewerking van het Archief van de gemeente Kampen

Kampen, november 2011

[ ]

Blanco
[ ]
 

Inhoudsopgave
a Inleiding
1 Bekentenissen van misdadigers en de aan hen opgelegde straffen
80 Oerveden en civiele zaken en Scheepvaart langs Kampen
158 Alfabetisch register op persoonsnamen
172 Alfabetisch register op topografische namen
177 Gebouwen, straten en zaken in Kampen
179 Alfabetisch register op beroepen
181 Lijst van munten
182 Bijzondere zaken
183 Goederenvervoer langs Kampen in de periode 24 december 1573 tot 29 april 1575

 
[ ]

Blanco
[ ]

______↓______


|pag. a|

Inleiding

De bewerking van inventaris nr. 232 van het Rechterlijk Archief Kampen kan worden beschouwd als een vervolg op het eerder door mij bewerkte inventaris nr. 1 van genoemd archief, dat wil zeggen van het deel dat ik heb gepubliceerd onder de titel Moord en Doodslag en Justitie.1 [1. Moord en Doodslag en Justitie heb ik in eigen beheer uitgegeven in oktober 2011 in een oplage van 70 exemplaren.
Van inventaris nr. 1 wil ik over enige tijd het vervolg, te weten de akten over ballingen, oerveden, schadeloos en jaarkeuren, publiceren.]

De titel op de omslag van inv. nr. 232 is waarschijnlijk al aangebracht toen het register werd aangelegd en luidt Liber Confessiones Delictorum, dus Register van Bekentenissen van Delicten.
Hier dekt de vlag niet de gehele lading, want er werden in het register ook compleet andere zaken genoteerd, zoals oerveden in zaken die een politiek karakter hadden en verklaringen onder ede die schippers en kooplieden moesten afleggen om met hun handelswaren langs Kampen te kunnen varen. Ik heb daarom het register verdeeld in twee delen. In het eerste deel worden de criminele zaken beschreven en in het tweede deel de politieke en civiele zaken, maar wel beide delen in één band.

Eerste gedeelte

Criminele zaken

In het Liber Confessiones Delictorum staan bekentenissen van misdadigers uit de periode 1560-1638. Het register begint met de bekentenissen van twee jonge vrouwen en twee jongemannen, die uitgebreid vertellen over hun overval op een herberg in de buurt van Zutphen. Zij geven elk hun eigen versie van de overval. Ook bekennen zij een aantal misdrijven die zij al eerder hadden bedreven. Alle vier werden zij ter dood veroordeeld. Twee van hen werden opgehangen, een werd geradbraakt en een van de vrouwen werd verdronken.
De volgende inschrijving is ook bijzonder. De nog maar 18 jaar oude Joest Jansz uit Fijnaart bij ’s-Hertogenbosch bekende 86 misdrijven, die door de secretaris punt voor punt werden beschreven en van een nummer voorzien. Nummer 86 betreft de overval op een schipper, die in de IJssel bij Deventer met zijn schip voor anker lag. Joest en zijn maten, die hij met name noemt, voeren met een bootje naar het schip, knevelden de schipper en stalen zijn geld.
Daarna werd de schipper vermoord. Op 12 september 1569 werd Joest onthoofd. Zijn lichaam werd op een rad gelegd en zijn hoofd op een staak gestoken.
Iets geheel anders betreft de zaak van Herman Stevensz. Deze man was geen crimineel, maar hij pleegde een doodslag, welke begon omstreeks Palmpasen 1570 als een ordinaire scheldpartij op de beugelbaan aan de overzijde van de IJssel bij de brug. Minstens zes personen hadden het drama van nabij gevolgd en deden daar uitgebreid verslag over. Hoewel Herman zich beriep op zelfverdediging sprak het gerecht toch de doodstraf uit. Hij werd op 22 november 1571 op de Koommarkt onthoofd.
Matthijs Ross, de beul of scherprechter van de stad Kampen, exploiteerde een hoerenkast, zoals de beulen gewoonlijk deden. In september 1574 klopte een soldaat van het regiment van de overste Von Polwijler, die in de stad als bezettingsmacht gelegerd was, aan de deur van het huis waar de beul verbleef en zei dat hij zich wilde vermaken met een hoer. De beul zei dat hij hem een hoer zou bezorgen en liep weg. De wachtende soldaat en zijn maten werden echter door een trawant van de regimentsprovoost weggestuurd. De beul die waarschijnlijk een

______↓______


|pag. b|

vrouw voor de soldaat geregeld had, zag deze verdwijnen en riep hem achterna met een geweer in de hand. Hij riep “he, jij kerel met de grijze hoed, sta stil“. De soldaat, die Kresche werd genoemd, probeerde het geweer te grijpen, maar de beul schoot hem dood. Zeven Hoogduitse soldaten van het regiment Polwijler getuigden over de ruzie. Enkelen verklaarden dat zij de beul na zijn daad zo in het nauw dreven dat deze in de Burgel sprong om te ontkomen.
De beul werd voor zijn misdaad ter dood veroordeeld en op 23 september 1574 op de Koommarkt onthoofd. De naam van de beul die de beul onthoofde wordt in de bron niet genoemd.
In 1580 werden enkele Kamper burgers, die op weg waren naar Zwolle, door Mastenbroeker boeren nabij de Stouwdijk tussen Wilsum en Zwolle overvallen en vermoord. Een van de daders werd gepakt en deed uit de doeken wat er precies gebeurd was en wie er bij aanwezig waren. Voor zijn aandeel in de overval werd hij op 11 juli 1580 op de Koommarkt onthoofd.
Verder staan in het register nog bekentenissen van een groot aantal, soms ver uiteenlopende misdrijven, zoals diefstallen, roofmoorden, kindermoord, brandstichting, overvallen op zee, valsemunterij en andere zaken.
De straffen die de misdadigers kregen, waren evenals in vroegere jaren, niet mis. Onthoofden, verbranden, ophangen, radbraken en wurgen waren straffen, die naast geselen tot bloedens toe regelmatig werden opgelegd.
Zelfmoordenaars werden nadat zij zich om het leven hadden gebracht, nog veroordeeld omaan de galg te worden gehangen of om symbolisch te worden verbrand.
Tussen moord en doodslag werd hoegenaamd geen verschil gemaakt. De meeste doodslagers werden, ook al waren het verder eerzame burgers, ter dood veroordeeld.
De straf die de in Schotland geboren Thomas Michiels kreeg voor de misdaden die hij tussen zijn 20ste en 30ste jaar had gepleegd, was gruwelijk en curieus. Na zijn executie, op 3 juli 1613, werden aan het rad waarop zijn verminkte lichaam werd gelegd acht knuppels gehangen.
De door de delinquenten gepleegde misdaden werden voor het grootste deel buiten Kampen gepleegd. Als zij voor soms kleine vergrijpen in Kampen werden gepakt, werden zij onder pijniging verhoord. Meestal bekenden zij dan alle misdrijven die zij zich konden herinneren.
Heel vaak noemden zij de streken, steden, huizen, kerken en herbergen waar zij gemoord of gestolen hadden.
Jacob Douwesz, die door zijn verwanten al op twaalfjarige leeftijd naar het tuchthuis in Leeuwarden werd gebracht en daar enkele keren uit wist te ontsnappen, werd later soldaat.
Ook dat hield hij niet vol, want hij deserteerde uit de compagnieën waarbij hij had aangemonsterd. Omdat hij een onverbeterlijk persoon was, werd hij tot heilzame werking vande justitie en tot afschrik voor anderen op 2 juli 1612 opgehangen.
Treurig was ook het lot van het echtpaar Arent Stegger en Janneken Hoelmans. Zij kwamen in 1595 in contact met een Engelsman die hen leerde om vals geld te maken. Arent maakte een instrument dat moest helpen bij het gieten van valse rijksdaalders. Dat lukte maar ten dele.
Toen er ruzie ontstond tussen de Engelsman en Janneke, vertrok het echtpaar naar Amsterdam, waar zij bij een kistenmaker een nieuw instrument lieten maken. Daarmee vervaardigden zij een hoeveelheid valse munten, die zij in meerdere plaatsen uitgaven. Zij werden helaas voor hen in 1599 in Kampen ontmaskerd en ter dood veroordeeld. Aan de paal waaraan Arent werd gewurgd werden de bij hem aangetroffen valse munten gespijkerd. Het ook bij hem aangetroffen instrument werd verbrand. Janneken Hoelmans onderging hetzelfde lot als haar man.

______↓______


|pag. c|

Misdadigers vertelden aan hun ondervragers ook dikwijls dat zij elders al eens waren veroordeeld tot verbanning, geseling of plaatsing op galeien. Dat was erg in hun nadeel, want het gerecht beschouwde hen dan als onverbeterlijke misdadigers die van hun straffen niets geleerd hadden.
Vanaf het begin van de 17de eeuw werden er minder doodstraffen opgelegd. Geseling en levenslange verbanning uit de stad worden vaker aangetroffen dan in voorgaande eeuwen.

Gevangenissen en plaatsen waar de justitie werd voltrokken

Hoewel de Hagenpoort en de Wiltfanck nog dienst deden als gevangenis voor gearresteerde delinquenten, komt vanaf het begin van de 17de eeuw ook een gevangenis onder het raadhuisof onder de schepenkamer voor. Misschien is deze gevangenis wel dezelfde als de zogenaamde suikerkamer, die al wordt genoemd in een aantekening uit 1587.
Als de Raad van de stad Kampen, die tevens de Hoge Bank vormde, dus de hoge rechtspraak uitoefende, het vonnis had bepaald, werd de misdadiger uit zijn gevangenis gehaald en voorhet raadhuis, onder de schepenkamer, aan de ijzers gezet. Daar werd hem of haar in de openlucht, in aanwezigheid van omstanders, het vonnis voorgelezen. Onmiddellijk daarna werd dat vonnis voltrokken.
Geseling tot bloedens toe gebeurde door de misdadiger aan de kaak te binden en met roeden te slaan. Zonder uitzondering werden zij daarna door de scherprechter de stad uitgeleid, meestal via de IJsselbrug.
Onthoofdingen vonden plaats op de Koommarkt of op de executieplaats achter het waakhuis, dicht bij het raadhuis. Voor het ophangen van misdadigers gebruikte men de galg van het drostambt IJsselmuiden, die bij de Nateers stond, of de galg buiten de Venepoort, nabij de Koeburgerschans.
Attributen die symbolen van de gepleegde misdrijven voorstelden, werden aan de palen of aande galg gespijkerd of gehangen. Zo werd een paardendief voor de geseling een paardenhuid voor de borst gebonden en werden bij vrouwen wel spinrokken gehangen. Bij valsemunters spijkerde met de valse munten aan de palen.
Zelfmoordenaars werden na de postuum aan hen opgelegde straf door de beul onder of bij de galg begraven. Een enkele keer werd het de nabestaanden vergund om hun verwant te laten begraven op het kerkhof van het Heilige-Geestgasthuis.
De laatste vermelding in het criminele gedeelte van inventaris nummer 232 is van 20 juni 1638, toen Janneken Nuchten, oud 20 jaar, geboren in Norwich in Engeland, werd verbannen uit de stad. Zij had op de vismarkt van de vrouw van een luitenant een buidel met enig geld uit de tas gehaald. De Raad liet haar niet geselen, nam haar jeugdige leeftijd in acht en hoopte dat zij haar leven zou beteren.

______↓______


|pag. d|

Tweede gedeelte

Handel en scheepvaart langs Kampen

In het tweede gedeelte van inv. nr. 232 van het Rechterlijk Archief Kampen staan zaken van uiteenlopende aard.
Het begint met een voorbeeld van een oervede en een aantekening dat men in criminele zaken moest handelen zoals werd beschreven in het “reisboek” van het jaar 1569. Het reisboek was steeds een onderdeel van de stedelijke rekeningen. Helaas ontbreekt in de lange reeks van bewaard gebleven stedelijke rekeningen de rekening van het jaar 1569. Misschien omdat de procesgang bij criminele zaken in dat register was genoteerd, is het mogelijk verdwenen omdat het van zijn plaats is gehaald en elders in het raadhuis werd opgeslagen en gebruikt.

De eerste inschrijving in dit tweede deel is van 24 maart 1568 Het waren eerst nog zaken van criminele aard die geregistreerd werden, maar zware misdrijven komen niet voor. Na het doen van de oervede werden de plegers van die misdrijven in de regel ontslagen uit hun gevangenschap en uit de stad verbannen. Enkelen werden onschuldig bevonden maar moesten wel de oervede doen.
Sommige inschrijvingen houden verband met verboden handel met de vijand. Mensen die ervan werden verdacht zich hieraan schuldig te hebben gemaakt, werden gevangengezet maar weer losgelaten na het doen van de oervede en het stellen van borgen.
De inschrijvingen werden niet geheel chronologisch gedaan. Op de folio’s 133-164v (blz. 97-117) staan aantekeningen over oerveden en borgtochten uit de periode 5 juni 1574 – 24 juli 1605.

In augustus 1572 werd de stad belegerd door graaf Willem van den Berg, een zwager van Willem van Oranje. Na enkele dagen gaf de stad zich over en trok graaf Willem met zijn troepen de stad binnen. De graaf ontsloeg het stadsbestuurders en koos anderen in hun plaats.
Zijn troepen plunderden kerken en kloosters.
Het bewind van de geuzen, zoals de graaf en zijn troepen werden genoemd, duurde tot november 1572, toen de Spanjaarden onder de hertog van Alva de stad Zutphen veroverden en dreigden ook naar Deventer, Zwolle en Kampen op te rukken. Graaf Willem van den Berg koos met zijn troepen het hazenpad toen de berichten over de moordpartij en plundering die Zutphen waren ten deel gevallen Kampen bereikten en er ook nog werd gemeld dat de Spanjaarden op komst waren.
Kamper stadsbestuurders die naar Zutphen trokken en een knieval voor de Spaanse bevelhebber Don Frederik maakten, verklaarden daar dat de stad Kampen altijd trouw was gebleven aan de koning van Spanje en dat in de toekomst ook zou blijven. Don Frederik vergaf hen dat zij zich aan de graaf Van den Berg hadden overgegeven, maar eiste wel dat de stad akkoord ging met de legering van troepen in dienst van de koning. Daar stemden het stadsbestuur noodgedwongen in toe.
Op 26 november 1572 trok de overste Nicolaas van Polwijler met drie vendels Hoogduitse soldaten de stad binnen. Pas in 1578 zouden de moffen, zoals zij ook toen al genoemd werden, de stad weer verlaten.

______↓______


|pag. e|

Omdat de Spaanse overheid de opstand in de Nederlanden, begonnen in 1568 in de westelijke provincies, probeerde in te dammen, werden maatregelen genomen om de handel met steden die niet langer trouw waren aan de koning, te verbieden. Een van deze maatregelen, die de handel erg trof, was het instellen van controlepunten langs de vaarwegen van en naar de Zuiderzee en de Noordzee. Kampen was een van deze centra.
Al het scheepvaartverkeer langs Kampen werd aangehouden en gecontroleerd door de bezettende macht. Het stadsbestuur moest hieraan meewerken door stedelijke ambtenaren, zoals de stadssecretarissen, akten te laten opstellen.
Van aangehouden schepen werd de lading gecontroleerd en de waarde van de ingescheepte goederen vastgesteld. De eigenaren van die ladingen of de schippers van de schepen waarmee die vervoerd werden, moesten zweren dat zij de handelswaren niet hadden gekocht in steden die in handen van de opstandelingen waren en andersom dat zij die ook niet naar deze steden zouden vervoeren. Om te verzekeren dat dit niet zou gebeuren moesten borgen worden gesteld die aan de Spaanse overheid de getaxeerde waarde van de goederen moesten betalen als later bleek dat ze toch in handen van de rebellen waren gevallen.
Van de schippers en kooplieden werd ook geëist dat zij na verloop van enige tijd een bewijs moesten tonen van de stad die zij als bestemming hadden opgegeven, dat de goederen daar waren ontscheept. Afhankelijk van de afstand die de schepen moesten afleggen, werd de termijn gesteld op enkele weken tot wel drie manden.
Als het bewijs getoond was, werd de borgtocht opgeheven.
Soms kregen de schippers opdracht om tot een bepaalde plaats in konvooi te varen. Uiteraard altijd naar het noorden, want stroomopwaarts van Kampen waren na de val van Zutphen geen steden meer die de koning ontrouw waren geworden. Enkhuizen werd dikwijls genoemd als een stad die ontrouw was geworden aan de koning. Vanuit die stad opereerden geuzen, die schepen aanvielen die over de Zuiderzee naar hun plaats van bestemming voeren.

De lading van de schepen

Het is mogelijk dat kort nadat de stad Kampen weer trouw werd aan de koning, werd begonnen met het controleren van de handelsvaart. Misschien werden in de begintijd de resultaten van die controles op losse vellen of katernen geschreven. Daar is echter tot nu toe niets over gevonden.
De wel genoteerde controles begonnen op 24 december 1573 en duurden tot 29 april 1575. In die zestien maanden passeerden ongeveer 250 schepen de stad. Van niet alle schepen werd de lading gecontroleerd, maar wel werden de namen van de schippers opgeschreven.
Het duurste product, dat altijd vanuit het zuiden langs Kampen kwam, was wijn.
Tienduizenden liters, met een geschatte waarde van ongeveer 30000 gulden gingen via Kampen naar Friesland, Groningen, Hamburg en Bremen. Ook werd veel wijn verscheept naar de hoven van vorsten in het noorden van Duitsland. Wijn zonder nadere aanduiding, maar ook Rijnse wijn werd verscheept (zie de aantekeningen op bladzijden 183 en 184)2 [2. De nummers achter de aantekeningen op de bladzijden 183-191 verwijzen naar de bladzijden waar de complete hertaalde akten zijn te vinden.]
Bier was een product dat zowel stroomafwaarts als stroomopwaarts werd verscheept.
Jopenbier, stuiversbier, Hamburgerbier, Lübeckerbier en Bremerbier worden genoemd (zie blz. 185).
Houtproducten, zoals planken, scheepshout, kromhout, twijg, eek en gerede producten, werden altijd stroomafwaarts verscheept. Leeuwarden, Groningen, Harlingen, Dokkum,

______↓______


|pag. f|

Staveren, IJlst, Muiden en Kuinre worden genoemd als eindbestemmingen (zie blz. 185 en 186).
Metaal uit het zuiden werd in gerede producten of als staven vervoerd naar Emden, Leeuwarden, Groningen en Staveren (zie blz. 187).
Smidskolen werden verkocht per “hoet” die omgerekend een inhoud hadden van ongeveer 1170 liter. Alle smidskolen gingen naar Groningen, Friesland en Emden (zie blz. 187).
Voedsel als gerst, rogge, kaas, boter, appelen, noten passeerde de stad in beide richtingen (zie blz. 188).
Vis kwam in grote hoeveelheden uit Bergen in Noorwegen, van enkele waddeneilanden en van andere plaatsen in het noorden. Heel veel vis, vooral uit Bergen, ging naar Deventer (zie blz. 188 en 189).
Zout uit diverse plaatsen langs de Zuiderzee, Harlingen en Emden, werd stroomopwaarts langs Kampen gevoerd. In Harlingen gezoden zout wordt genoemd (zie bl. 191).
Verder werden nog verscheept vlas, verf, hop, glas, potaarde, huiden, laken, touw, Deventerkoek, turf, brandewijn, wijnedik (azijn), papier, leer en teer (zie blz. 190).

De bezetters

Van de vier vendels Hoogduitse soldaten die in 1572 in de stad werden gelegerd vertrokken er na enige tijd twee naar elders. Ook de regimentscommandant, de overste Nicolaas von Polwijler, vertrok. Hij vestigde zijn hoofdkwartier misschien in Deventer. Zijn zoon Constantijn von Polwijler und Wijlenthal werd plaatsvervangend commandant van de overgebleven troepen. De schippers en kooplieden deden de eed aan hem. Soms werden als bevelhebbers de vendelcommandanten hopman Hans Caspar van Phor/Par en hopman Hans Caspar van Schoenouw genoemd.
In april 1575 stuurde heer Constantijn van Polwijler zijn trasant [dienaar] met een schip mee naar Deventer. Daar moest hij er op toezien dat onder de lading vis geen andere goederenwaren verstopt.

Kees Schilder
Kampen, november 2011

Noten

______↓______


|pag. g|

[afbeelding 1]

De twee vendels Hoogduitse soldaten van het regiment Von Polwijler verlaten de stads via de Vispoort en de IJsselbrug. De troepen van de graaf van Rennenberg, onder leiding van hopman.
De Ville, trekken de stad via de Hagenpoort binnen. 20 juli 1578

[afbeelding 2]

Akte van 9 april 1575, waarin Herman Vetthe zich borg stelt voor Laurens Severyn uit Duitsland, dienaar van Johan Albert, hertog van Mecklenburg, die een lading wijn ter waarde van 2172 gulden vervoert. Binnen de tijd van twee maanden zal Laurens een bewijs tonen dat de wijn aan het hof van voornoemde hertog is afgeleverd.
In de linkermarge staat dat het bewijs binnen de vastgesteld termijn is vertoond. Daarvoor tekende hopman Hans Caspar von Phoer, wiens enigszins vage handtekening onder de akte te zien is.

[ ]

Blanco

[ ]

______↓______


|pag. 1|

Liber confessionesdelictorum 1560-1638

(Bekentenissen van misdadigers)

Rechterlijk Archief Kampen inv. nr. 232

Fol. 1
9 februari 1560,
Griethe van den Busch, oud 21 jaar, bekent onder rigoureuze examinatie(marteling) het volgende.
Een dag of twee voor Lichtmis was zij met vier anderen in Zutphen in de Voorstad in een herberg genaamd Inden Zwarten Haen, waar zij twee nachten verbleven.
Reijner, een van haar metgezellen, kocht in Zutphen nieuwe touwen en zwavelstokken. Idtgen, de andere vrouw in hun gezelschap, kocht een kaars. Met deze spullen vertrokken zij op Lichtmisavond uit Zutphen naar een herberg genaamd Upte Lucht, waar zij zich verborgen hielden in een droge sloot tot het donker werd. Zij hadden een plan gemaakt om de waard te overvallen en te beroven van zijn geld.
Toen het donker was is de jongste in hun gezelschap twee keer naar het huis gegaan om te zien of de bewoners al naar bed waren. Tegen tien uur in de avond gingen zij op het huis af, waarna Reijnar met een mes de deur open kreeg. Allen gingen naar binnen. Reijnar ging naar het vuur en stak met een zwavelstok de kaars aan. Daarmee gingen zij naar een kamer waar de waard en zijn vrouw in bed lagen. Reijnar en Peter bonden hen de handen en voeten vast met de meegebrachte touwen. De jongen lichte hen met kaars bij. Griethe verklaart dat zij niet in de slaapkamer is geweest.
Reijnar en Peter hebben even later de man weer los gemaakt en lieten hem enige kleren aantrekken. Daarna zetten zij hem met geweld op een van stro gevlochten stoel, waarna de jongen daaronder met stro een vuur maakte. Toen de man de hitte aan zijn achterste voelde, vroegen zij hem waar zijn geld was. De man zei “lieve broeders, ik heb geen geld, maar neem maar een koe mee”. Wij willen geen koe, maar geld. Toen zij de man even alleen lieten, deed deze een poging om door de deur te ontsnappen, maar de drie manspersonen grepen hem en sloegen en trapten hem. Peter en de jongen sloegen hem ook nog met knevelstaven, er niet oplettende waar zij hem raakten. Daarna wilden zij hem opnieuw met vuur tot spreken dwingen, maar dat was niet meer nodig omdat de man, of zijn vrouw, toen aanwees waar het geld verborgen was. Het geld zat in twee buidels. Hoeveel het was, weet getuige niet, maar haar gezellen zeiden tegen haar dat het samen ongeveer de waarde van een kroon had.
De beide grote gezellen waren gewapend met een knevelstaf, de jonge gezel was niet gewapend. De vrouwen hielden de wacht en hielpen met zoeken en bijlichten.
Toen zij de vrouw van de waard dreigden met vuur, zei deze dat zij een arme pelgrim was. Daarop trokken zei alle kisten en kasten open en haalden alles er uit.
Zij stalen een mantel, hemden, bedlakens, een zwarte rok (die Griethe nu nog aanheeft), een wambuis, een broek en een paltrok, die zij in Wilsum verkochten. Het

______↓______


|pag. 2|

meeste van de goederen die zij stalen, werd hen door soldaten weer afgenomen nabij Hulsbergen. Het gezelschap bleef drie of drie en een half uur in de herberg en heeft daar gegeten en gedronken. Het meisje dat in het huis was, werd door Peter en de jongen ook vastgebonden. Toen zij zich van de touwen had bevrijd, greep de jongen haar en bond haar opnieuw vast. Hij wilde haar verkrachten, maar de anderen hebben dat verhinderd.
Voordat zij vertrokken bonden zij de waard, zijn vrouw en het meisje vast en duwden hen een prop in de mond. Zij vertrokken met de gestolen spullen in een schuit die bij het huis in het water lag in de richting van Deventer. Zij voeren de rivier af tot de oever tegenover Olst.
Griethe is ongeveer twaalf dagen met genoemde gezellen opgetrokken. Tevoren werkte zij hier en daar in een bordeel en trok wel op met soldaten.
Toen Griethe nogmaals zwaar onder druk werd gezet om te vertellen wat zij wist van de knevelaars uit Zutphen en de moordbranders uit Deventer, verklaarde zij dat zij daar niets van wist en daar ook geen part of deel aan had gehad.
Griethe werd op 17 februari 1560 in een zak genaaid en verdronken.

Fol. 2
Idtgen Entgens dochter, geboortig van Kollum, oud 23 jaar, bekent het volgende onder rigoureuze examinatie (marteling).
Zij kwam ongeveer 14 dagen geleden nabij Sibculo in het gezelschap van Reijner, wiens echte naam is Meijnert die Giest. Zij kwamen ongeveer 10 dagen geleden in Wilsum bijeen met andere gezellen en trokken toen naar Zutphen waar zij twee nachten logeerden in de herberg Inden Zwarten Haen. Daar beraamden zij een aanslag op de herberg Upte Lucht. Op Lichtmisavond vertrokken zij uit Zutphen.
In een droge sloot hebben zij gewacht tot het donker werd. Tijdens de aanslag, door Griethe al beschreven, hebben beide vrouwen de achterdeur bewaakt. Zij zijn niet in de slaapkamer geweest.
Idtgen bekent verder dat zij omstreeks kermis met drie gezellen bij Xanten en Berck verbleef. Een van hen was Melchior, die ook Siepoege werd genoemd. Hij is een korte, stevig gebouwde man, afkomstig uit Keulen. Melchior droeg een groene hemdrok, een zwarte leren ringkraag, een rode broek en een hoge zwarte hoed. Hij is 32, 33 of 34 jaar oud en heeft geen baard.
De tweede gezel was een kleine jonge man, genaamd Tijsken van Diemen. Hij heeft ook geen baard, draagt een zwarte rok, een witte linnen broek en een zwarte hoed.
De derde was Jan van Keisersweert, een lange jongeman, die gekleed was in een zwart bombazijnen wambuis en had een zwarte doorsneden halskraag.
Er was ook nog een jong gezel bij die Johan van Sonsbeke werd genoemd. Deze droeg een zwart bombazijnen wambuis en een zwarte linnen broek. Het waren allen dieven en knevelaars, gewapend met knevelstaven, die stalen en roofden nabij Xanten in Cleefsland.
Idtgen was niet bij al die dieven maar wel bij Melchior, Jan van Keijsersweert en Peter, die nu ook hier gevangen zit, met welke zij kort voor Kerstmis heeft geholpen om uit een spiker allerlei vrouwen- en mannenkleren te stelen, zoals drie vrouwenrokken, rode, zwarte en grijze hemden, lakens, broeken en hemdrokken.
Melchior was binnen en reikte hen de spullen vanuit een venster aan. Geld vonden

______↓______


|pag. 3|

zij niet want zij konden de kisten niet open krijgen. De kleren verkochten zij in Berck, behalve een rode rok, die Idtgen in Zutphen verkocht.
Idtgen bekent verder nog dat zij met Reijner alias Meijnert en met Jan van Emden, die is opgehangen bij Schagen in Holland, allerhande kleren en 20 daalders heeft gestolen. Er was ook iemand bij die Roemen Jan heette, welke is doodgestoken.
Zij en Reijner wisten te ontkomen. In een ander huis stalen zij twee rokken en een pond groot. Zij hield tijdens die diefstallen de wacht, waarvoor zij een aandeel van de buit kreeg. Deze feiten zijn binnen het afgelopen jaar gebeurd.
Idtgen heeft een jaar of drie gezworven en misdaden gepleegd. De buit konden zij altijd verkopen aan de moeder van het gasthuis in Genemuiden.
Reijner voornoemd heeft met stamelende Henrick, nog een andere Henrick, een zekere Frans, die in Zwolle is terechtgesteld, en een kleine gezel die Schaeps Schott werd genoemd, in Genemuiden het plan voor een aanslag en moord op Kamperveen beraamd. Dit plan werd uitgevoerd, maar Idtgen bleef in Genemuiden en wachtte hen daar ’s nachts op toen zij terugkeerden. De moeder van het gasthuis in Genemuiden wist er van, zij zag dat zij touwen en andere dingen in orde maakten en zij at en dronk met hen toen zij terugkeerden.
Meinert alias Reyner en stamelende Henrick gebruiken een teken dat zij hier en daar op zetten als zij bijeen willen komen en waaraan zij elkaar kunnen herkennen. Meestal kwamen zij in Genemuiden bijeen.

[Afbeelding]

Idtgen kent ook een zekere Johan van Meppel. Het is een korte jongezel met een wit gezicht, goed gekleed in een roede broek. Soms droeg hij een blauwe “casiacke”, die hij aan de moeder van het gasthuis in Genemuiden heeft gegeven, die hem als haar eigen kind beschouwt. Hij behoort ook tot de dieven, maar werkt alleen.
Meer kan Idtgen niet verklaren.
Zij werd veroordeeld om te worden opgehangen, hetgeen is geschied op 17 februari 1560.

Fol. 3v
10 februari 1560
Mein Haiensz van Jewerden uit Vrouwkens land, oud ongeveer 20 jaar, verklaart het volgende.
Hij wordt wel Reijnar Petersz genoemd en ook wel Meijnart die Giest. Hij heeft eens kleren gestolen in Holland nabij Hoorn, slechts gekleed in zijn hemd. De man van wie hij de kleren stal, zag hem aan voor een geest, waaraan hij zijn bijnaam had te danken.
Hij bekent dat hij de beroving van de waard Up die Lucht met anderen heeft beraamd toen zij in het gasthuis in Wilsum zaten. Zij zijn te voet naar Zutphen gegaan, waar zij twee nachten verbleven in de herberg Inden Zwarten Haen. Op de avond voor Lichtmis gingen zij van Zutphen naar het huis van een joffer die buiten Zutphen woonde, waar zijn gezel Jan bij gediend had. De waard Inden

______↓______


|pag. 4|

Zwarten Haen was hier onkundig van. Zij wilden de joffer, waarvan hij de naam niet kent, de handen en voeten vastbinden en haar dan beroven van alles wat zij zouden kunnen gebruiken, maar deze overval werd hen afgeraden door iemand die zei dat de joffer afwezig was. Omstreeks middernacht kwamen zij bij het huis van de waard Up die Lucht, waar zij hebben gewacht in een droge sloot. Toen zij bij het huis kwamen, bleek de deur gesloten te zijn. Hij heeft die deur geopend en ging als eerste naar binnen, waar hij een kaars aan stak met een uit Zutphen meegebrachte zwavelstok. Hij en Peter bonden de waard en zijn vrouw vast met een nieuwe meerlijn, die zij in Zutphen daarvoor hadden gekocht. De jonge bond het meisje. Zij hebben toen de man vastgehouden op een strostoel waarna de jongen een vuur onder de stoel maakte. Zij martelden de waard om te zeggen waar zijn geld was, maar uiteindelijk kregen zij maar ongeveer de waarde van een kroon aan geld te pakken, dat in twee of drie buideltjes zat. De waardin moest alle kisten en kasten openen, waaruit zij kleren stalen, zoals hoykens, hemden, lakens, een broek, een palsrok en een rok welke een van de twee hoeren aantrok, alles gelijk ook beide hoeren bekenden. Toen de waard probeerde te ontsnappen, grepen zij hem met zijn drieën vast en sloegen hem met knevelstaven. Peter sloeg maar raak. De beide hoeren hielden de wacht. Hun gezel Jan wilde het meisje verkrachten, maar zij hebben dat verhinderd. Toen het meisje probeerde te ontsnappen, greep Johan haar vast en bond haar. Toen zij wilden vertrekken bonden zij hun slachtoffers aan handen en voeten en stopten hen een lap in de mond, maar zij bleven in de herberg nog een tijd en aten en dronken er. Daarna hebben zij hun gestolen spullen in een boot geladen en voeren weg naar Olst.
Verder verhaalt hij zoals de beide vrouwen gedaan hebben.
Hij bekent ook dat hij in het gasthuis te Genemuiden met vijf anderen een plan beraamde om op Kamperveen iemand te beroven en te vermoorden. In zijn gezelschap waren toen stamelende Henrick, een andere Henrick alias Muijlert, Frans die in Zwolle is geëxecuteerd, Willem die Vrese en een kleine jongen uit Brabant, die hij niet kende. Het hoertje Idtgen wist er niets van. Zij bleef in Genemuiden tot zij in de nacht terugkeerden. Stamelende Henrick heeft op Kamperveen de knecht met een lange dolk doodgestoken en hij bracht de zoon van de boer met een bijl een wond aan zijn hoofd toe. Mulert stak de zoon met een knevelstaf in zijn gezicht. Zij kregen echter geen buit te pakken omdat zij verjaagd werden.
Hij bekent ook dat hij in Groningen met drie anderen nabij het klooster Witte Wiringen een boer zijn handen en voeten heeft gebonden en hem beroofd van 30 daalders, een wambuis, twee hemden, een rok en andere spullen. Zijn gezellen waren Willem die Vriese, een lange jongeman zonder baard, een man die genoemd werd Cloppenborch, welke door de drost van Salland ter dood is veroordeeld, en een lange jongeman uit Vriesland, genaamd Blijvernieth, die een klein zwart baardje heeft.
In Drenthe heeft hij met Willem die Vriese nabij Dickninge een boer beroofd van zilverwerk ter waarde van zeven karelsguldens, welk goed hij heeft verkocht in Genemuiden voor twee gouden realen aan de vrouw van een burgemeester, waarvan hij de naam niet kent.

______↓______


|pag. 5|

Nabij Schagen in Holland heeft hij met Jan van Embden en Frans, die geëxecuteerd is, van iemand kleren gestolen en van een andere man 20 daalders.
Daar was het kleine hoertje niet bij, maar hij heeft het haar wel verteld.
Nabij Dickninge stal hij met Willem die Vrese van een boer acht daalders en kleren. Zij hadden toen een kleine jonggezel bij zich die Thijs heette. De boer hebben zij eerst aan handen en voeten gebonden.
In de herfst heeft hij aan de Kuinderdijk 60 ellen laken gestolen. Daar waren zijn gezellen kleine Rijken, die nu op een galei zit, en een zekere Kaertz Top, die in Holland is geëxecuteerd.
In Brabant heeft hij een man waarmee hij ruzie had, met een dolk doodgestoken.
Mein Haiensz is door middel van radbraken ter dood gebracht op 17 februari 1560.

Fol. 4v
12 februari 1560.
Johan Cuiper, oud ongeveer 17 of 18 jaar, geboortig van Lembeke in Munsterland, bekent na rigoureuze examinatie (marteling) het volgende.
Hij kwam ongeveer 14 dagen geleden in Kampen bij een zekere Peter Joerisz, die hij al eerde kende. Met deze ging hij van Kampen naar het gasthuis in Wilsum, waar zij Meijnart die Giest alias Reijnar hebben ontmoet. Daar beraamden zij de het plan om naar Zutphen te gaan en een aanslag te plegen in de herberg Up die Lucht. Zij hebben een nacht in het gasthuis in Wilsum doorgebracht. Zij hebben met twee lichte vrouwen, Grethe en Idtgen, overnacht in de Voorstad van Zutphen in een herberg Inden Zwarten Haen. Daar spraken zij af om op donderdag, wezende op Lichtmisavond, de nabij Zutphen wonende joffer van Eek te beroven, na haar eerst aan handen en voeten te binden. Dat ging niet door omdat de joffer op reis was gegaan.
Verder bekent hij aangaande de beroving Up die Lucht hetzelfde als wat Meijnart die Giest heeft verklaard.
Ook bekent hij dat hij met Peter Joerisz en Henrick die Overlander op Sint-Johansdag laatstleden voorbij Emmerich heeft gestolen twee vrouwenrokken, drie hemden, een broek, voor 14 stuivers brabants aan realen (drie plakkenstukken) en een zilveren gordel. Zij verkochten het goed in Wesel. Voor de gordel ontvingen zij een keizersgulden.
Tussen Barrick [Berck?] en Buirinck stalen zij uit een boerderij twee stukken linnen van elk 17 ellen. Het ene stuk verkochten zij voor twee philipsdaalders aan een waard nabij de Rijn en het andere in Nuis bij Keulen. Hoeveel zij voor dat stuk ontvingen, weet hij niet meer.
Op Sint-Johansdag laatstleden stalen zij uit een boerderij in Boksbergen bij Deventer tien bedlakens en voor de waarde van een knapkoek aan geld.
Even na Sint-Johansdag stalen zij uit een boerderij voor Deventer een bruine roken een zwarte rok. Van de bruine liet hij een palsrok maken en de zwarte gaf hij aan een gezel die Coert werd genoemd. Deze liet er een “kaysegack” van maken.
Samen met een gezel die Thijs Cock werd genoemd, stal hij tussen Sibculo en Ommen een grove witte broek, die Jan nog aan heeft.

______↓______


|pag. 6|

Met Peter Joerysz stal hij aan de Gelderse zijde uit een boerenhuis een grijze vrouwenrok, waarvan Peter een mantel liet maken, en nog een knevelstaf en een zwaard. Dat was tussen Sint-Johansdag en Pinksteren laatstleden.
Met Jan van Antwerpen, een gezel met een gemiddeld postuur en een dik gezicht, gekleed in een leren wambuis en een witte broek met zwarten hozen, stal hij voor Sint-Michielsdag laatstleden nabij Ommen in de buurtschap Mander uit een boerenhuis een vrouwenrok en een mans palsrok.
Met een gezel genaamd Herman, die een schram boven zijn neus had, stal hij in het land van Kempen een hoeveelheid vlas, vier of vijf ponden garen en een deken. Zij verkochten dit aan een waardin in Barrick [Berck ?] voor drie Keulse guldens.
Onlangs hebben hij en vijf gezellen voor Barrick in de nacht een herberg overvallen, Zij wilden de daarin wonende vrouw aan handen en voeten binden, maar de vrouw sprong van boven uit het venster en ontkwam. Johan van Nymwegen stal daar een paar hozen en een paar schoenen. De andere gezellen waren Henrick van Munster, een smal persoon met een wit gezicht, vol sproeten.
Hij droeg een zwarten colver, een witte linnen broek en witte neerhozen. Hij woonde in Arnhem [of] Nijmegen en hij heeft een vrouw die Zeijger heet en die in Winterswijk is geboren.
Dan waren er nog bij Aleff Moergeboudt, een korte dikke man met een rood gezicht, gekleed in een grijze rok, een zwarte linnen broek en witte neerhozen, Melchior Siepoege, die op het huis te Bentheim gevangen zit, en Johan van Nymwegen, een gezel van middelmatige dikte, met een wit gezicht en een wit vooruitspringend baardje. Hij was gekleed in een grijze wambuis met witte wollen mouwen, een zwarte opgelapte mantel en een gewone zwarte broek. De laatstegezel heette Abraham. Hij was snijder van beroep, woonde in Cleef, hij had een sproetig gezicht en was geheel in het zwart gekleed met een zwarte wollen hoed met een zwart lint op zijn hoofd. Zijn vrouw was een dochter van de moeder van het gasthuis in Cleef.
Johan Cuiper stal in Drenthe een vrouwenrok en een halve daalder, samen met Dyrck Caelbeen, die in Coevorden is geëxecuteerd.
Met de eerder genoemd Peter stal hij bij Zwolle uit een boerenhuis drie vrouwenrokken.
Ook stal hij bij Zwolle, samen met twee anderen, uit een boerderij een vrouwenrok, een halve el Engels laken en een halve el Zwolse puijck. Zijn gezellen waren toen Jan Meppell en Caelbeen voornoemd.
Samen met drie anderen stal hij bij Ommen een stuk grof linnen zakkendoek. Zijn gezellen waren toen Thijs Cock, Henrick die Overlander en Peter voornoemd.
Ook met drie anderen stal hij nabij Deventer een vrouwenrok en mannenkleren, maar die lieten zij daar achter. Zijn gezellen waren Coert, Peter en Henrick die Overlander.
In het begin van verleden zomer stal hij met Caelbeen nabij Bathmen uit een boerenhuis een daalder en een aantal stuivers. Ook stal hij met Caelbeen nabij Zutphen uit het huis van joffer van Eck twee vrouwenrokken en een kindermanteltje.
Voor al deze misdaden werd hij op 17 februari 1560 opgehangen.

______↓______


|pag. 7|

Fol. 7
11 juli 1569,
Bekentenis van Joest Jansz uit Fijnaart bij ‘s-Hertogenbosch.

  1. Joest Jansz van der Fynart bij ’s-Hertogenbosch, oud ongeveer 18 jaar, van beroep messenmaker, bekent dat hij nabij Grafhorst meegedaan heeft bij het stelenvan een vrouwenrok.
  2. Te Amsterdam op de Nieuwe Brug stal hij een paar schoenen van een bank.
  3. In het gasthuis alhier stal hij 13 stuivers uit de tas van een man.
  4. Bij Sint-Johanskamp stal hij samen met een ander een linnen wambuis.
  5. Bij Barspijk stal hij samen met iemand anders een mannenhemd.
  6. Bij de Cruijshoep stal hij vier vrouwenhemden.
    In de marge staat dat hij dit ontkende.
    Bij de bovenstaande bekentenis waren aanwezig de stokmeesters Henrick Kistemaker en Arent toe Bocop.
    Op 16 juli 1569 bekende hij ten overstaan van de stokmeesters Arent Brant en Arent to Bocop het volgende.
  7. Joest Jansz heeft vrijwillig bekent dat hij ongeveer een maand geleden een zilveren vijftich [paternoster] heeft gestolen uit een huis bij de kerk alhier alwaar men vette waren verkocht. Hij verkocht dit voorwerp aan een goudsmid, die in een hoekhuis nabij de kerk woont, voor een koningsdaalder.
  8. In Amsterdam stal hij bij de Nieuwe Brug een hoyke uit een korf. Hij verkocht die aan een oude-klerenkoper voor een koningsdaalder.
  9. Tussen Zwolle en Deventer stal hij twee lakens uit een boerenwoning welke hij verkocht aan een boer voor acht stuivers.
  10. Aan deze zijde van Zwolle stal hij uit een huis aan de dijk een blauwe mansrok welke hij verkocht in het gasthuis te Brunnepe voor zes stuivers aan een vrouw die dicht bij het gasthuis woont.
  11. In Hasselt sneed hij een buidel waarin twee vingerhoeden zaten en twee Nijmeegse munten ter waarde van anderhalve Claaskens.
  12. In Groningen sneed hij van een vrouw een buidel waarin zilvergeld ter waarde van een kroon zat.
  13. In Dokkum stal hij een hoyke welke hij verkocht aan een oude-klerenkoper voor een kroon.

______↓______


|pag. 8|

  1. In Steenwijk sneed hij een buidel waarin ter waarde van een halve koningsdaalder aan klein geld zat.
  2. Tegenover de Mandemakerswaard stal hij uit het huis waaruit hij ook de vrouwenrok stal nog een zwarte vrouwenrok met een platte trijpen boord, en nog een slecht hemd. De rok verkocht hij aan twee vrouwen, de ene genoemd Lijs ende ander Peterken van de Langstraat, die een zwarte rok droeg met een brede trijpen boord.
  3. Bij Diepenveen stal hij een wambuis welke hij in Deventer in het gasthuis verkocht voor vijf stuivers.
  4. Nabij Groningen, in de tijd dat de graaf van Aremberg sneuvelde, stal hij een paltsrok welke hij verkocht voor een halve daalder.
  5. Nabij Vianen stal hij een “kaesyack” welke hem door de Spanjaarden weer werd afgenomen.
  6. Tussen Zwolle en Kampen, achter de Sonnenberch, stal hij overdag in een huis een zwarte rok van een bed, die hij over zijn naakte lichaam aantrok. Hij verkochtde rok in het gasthuis in Zwolle aan een vrouw.
  7. Halverwege Deventer, in de eerste herberg, stal hij in de avond een “rinckroer” waarvoor men hem in zijn slaapverblijf in Zwolle voor vijf stuivers aan bier tapte.
  8. Tussen Deventer en Zwolle stal hij een paar lakens welke hij in het gasthuis in Zwolle verkocht voor 24 stuivers.
  9. Tussen Campen en Zwolle stal hij een paar zwarte mans nederhozen welke hij alhier in het gasthuis verkocht voor vier stuivers.
  10. Uit een kleine herberg voor de Kamper IJsselbrug stal hij een paar lakense mansmouwen welke hij verkocht alhier in het gasthuis aan een vreemde vrouw voor een halve reaal. Zijn metgezel die Pelser werd genoemd, stal aldaar een “kaesyack”, maar die werd hem weer ontnomen.
  11. Tussen Kampen en Zwolle stal hij een broek waarvan hij een kaesyack maakte.
  12. Op de Vismarkt alhier sneed hij een buidel waarin vijf of zes stuivers zaten.
  13. Op de Vismarkt alhier sneed hij nog een buidel waarin twee realen zaten.
  14. in Leeuwarden sneed hij een buidel waarin een halve daalder zat.
  15. In Zwolle op de Vismarkt sneed hij een buidel waarin voor een kroon aan klein geld zat. Dit werd hem door een aantal kremers in het gasthuis aldaar ontnomen.
    Bij de kremers was een vrouw die genoemd werd Peterken van Workum,
    ______↓______


    |pag. 9|

    geboortig van Oesterwijck, welke zei dat zij in Kampen in de gevangenis had gezeten.

  16. In Zwolle stal hij bij avond uit het huis van een kleermaker tegenover het gasthuis een hoyke welke hij verkocht aan een vrouw voor een koningsdaalder.
  17. Van een vrouwenklooster in Zwolle stal hij uit het venster een paar oude vrouwenhozen welke hij verkocht voor vier stuivers.
  18. Uit het huis van een schoenmaker alhier stal hij een paar hoge schoenen.
  19. Hij was erbij toen zijn metgezel Jasper in een huis in Wilsum inbrak en daaruit allerlei zaken stal. Joest kreeg daarvan een broek.
  20. Zijn metgezellen braken in in een huis in Mastenbroek waarbij hij op wachtstond. Zij stalen kleren en gaven hem daar niet meer van mee dan voor een halve koningsdaalder.
    In de marge staat dat hij dit ontkende.
  21. Hij heeft ingebroken in een huis in Mastenbroek en daaruit de kist gestolen. De kleren die er in zaten, hebben zij in Zwolle verkocht. Hun vrouwelijke metgezellen bleven wachten in een hooiberg. De vrouwen verkochten de gestolen kleren.
  22. Hij heeft zijn arm door het venster van een herberg aan de dijk gestoken om een rinckroer te pakken, doch de waardin zag het, waarop hij het rinckroer weer liet vallen. Zijn metgezellen daar waren Witvoet en Pelser.
  23. Samen met twee anderen stal hij bij Diepenveen tussen Zwolle en Deventer uit een huis aan de dijk bij nacht twee kleine webben doek, welke werden verkocht in hun slaapstede te Zwolle voor vier stuivers per el. Elk webbe had een lengte van 15 ellen. Daar waren zijn gezellen Hans van Utrecht en Jan van Geervliet.
  24. Met twee andere gezellen, Geerloff en Lucas van Amstelredam, stal hij tussen Kampen en Zwolle een vrouwenrok, een wambuis en een broek.
  25. Met twee gezellen stal hij nabij Dokkum vier vrouwenrokken, waarvan hij er twee verkocht voor drie en een halve goudguldens en twee voor drie goudguldens.
    In de marge staat dat hij dit ontkent.
  26. Samen met Jorgen Brabander stal hij nabij Leeuwarden een rok en een hoyke, welke zij door een vrouw lieten verkopen voor drie guldens.
  27. In Zwolle stal hij een mantel, welke hij verkocht voor een halve koningsdaalder.
  28. Zijn metgezel, Hennegat genoemd, heeft alhier een mantel gestolen die met fluweel was bezet en waar ook zilver aan zat. Hier was Joest bij en nog twee
    ______↓______


    |pag. 10|

    anderen, te weten Jan van Alewijck en een kleine jongen die Jantje heette. De mantel hebben zij alhier bij het gericht in het riet verstopt waarna zij de stad weer binnen gingen om te slapen. De volgende dag haalden zij de mantel weer op en gingen naar Amersfoort, waar zij hem verkochten voor zeven gulden. Daarvan beurde Joest drie geldstukken van zeven stuivers per stuk. Zij hadden vier vrouwen bij zich, te weten Grete Waelinne, Lijs, Peterken van de Langstrate eneen klein vrouwtje uit Utrecht.

  29. Bij Harderwijk stal hij een stuk doek van 20 ellen, die door Engele Barburs werd verkocht in Zwolle voor vier stuivers per el. Hij heeft er echter maar 28 stuivers van meegekregen.
  30. Hij stal in Brunnepe een oude mantel, die hij vermaakte en verkocht voor vier stuivers.
  31. Hij heeft met drie anderen nabij Wilsum vier vrouwenrokken gestolen. Zij verkochten die in hun slaapstede te Zwolle voor 21 stuivers per stuk.
    In de marge staat dat hij dit heeft ontkend.
    Na rigoureuze examinatie bekende hij meer feiten.
  32. Hij heeft met twee anderen, namelijk met Pelser en met de man die nu gevangen zit te Werkeren, ingebroken in een huis op de Wetering tussen Deventeren Zwolle. Daar stalen zij drie munten van zeven stuivers per stuk, twee rocken, twee hoycken en een mantel. In hun slaapstede te Zwolle verkochten zij de rocken voor vier gulden en de hoycken voor drie gulden.
  33. Met voornoemde gevangene stal hij bij Winshem twee vrouwenrokken en een hoycke.
  34. Met dezelfde gevangene stal hij een vrouwenlijfje, een schurte en andere zaken.
    Op 23 juli 1569 werd het bovenstaande aan Joest voorgelezen. Hij bekende alles, behalve punt 33.
    Op 6 september zijn hem de punten opnieuw voorgelezen, maar nu ontkende hij de punten 6, 33, 38, 44 en 45.
    Toen hij daarna rigoureuselijk werd geëxamineerd, bekend hij nog het volgende.
  35. Tussen Kampen en Zwolle uit een huis met een stenen gevel, aan de dijk, vier vrouwenrokken gestolen, welke werden verkocht te Zwolle voor vier koningsdaalders. Zijn metgezel was Pelser.
  36. In de Warmoesstraat in Amsterdam stal hij twee hoycken, die een man genoemd Suijckerbusch heeft verkocht voor een kroon.
  37. In Zwolle stal hij een mantel.

______↓______


|pag. 11|

  1. Nabij Leeuwarden stal hij een broek, die verkocht hij voor een halve daalder.
  2. Op een avond stal hij binnen Leeuwarden een mantel die hij heeft verkocht in het huis van een kleermaker aldaar voor een daalder.
  3. Tussen Dokkum en Leeuwarden stal hij uit een boerenwoning twee vrouwenrokken die hij in Leeuwarden verkocht voor een daalder per stuk. Zijn metgezel was toen Hubert van Groeningen.
  4. In een dorp op twee mijlen afstand van Sneek, waar een stompe toren staat, stal hij een mantel welke hij verkocht aan een vrouw in het gasthuis in Steenwijk voor een daalder.
  5. In Mastenbroek, nabij de kerk, stal hij een paar hozen welke hij verkocht voor zeven stuivers.
  6. Nabij Steenwijk stal hij een hoed die hij alhier ruilde voor een hemd.
  7. Tussen Deventer en hier stal hij een mannenbroek.
  8. Tussen Deventer en Zwolle, op een plek waar vier huizen staan, stal hij een vrouwenrock welke hij in een wevershuis in Zwolle heeft verkocht voor 20 stuivers.
  9. In ’s-Hertogenbosch stal hij een mantel welke hij verkocht in het huis van een klerenkoopster voor een keizersgulden.
  10. Samen met de man die op Werkeren gevangen zit, heeft hij nabij Zwolle een rock gestolen uit een herberg.
  11. Te Hees bij ’s-Hertogenbosch stal hij een halve broek.
  12. Ook stal hij nog een mansbroek.
  13. Nabij Tiel stal hij een hoycke welke hij verkocht aan de vrouw van een Spanjaard voor drie munten van zeven stuivers per stuk.
  14. Hij heeft een blauwe mantel van een Spanjaard gestolen en die weer verkocht aan een andere Spanjaard voor een gulden.
  15. In Groningen sneed hij een buidel waarin voor een waarde van een karelsgulden aan zilvergeld zat.
  16. Tussen Groningen en Leeuwarden stal hij een vrouwenrock die hij in Leeuwarden verkocht voor 20 stuivers aan een oude-klerenkoopster.
    ______↓______


    |pag. 12|

  1. Samen met iemand anders stal hij nabij Steenwijk een stuk doek van 20 of 25 ellen. Hij liet het verkopen door een bedelaarsvrouw ten huize van Jaspar Jansz voor drie stuivers per el. De vrouw van Jaspar Jansz wist er van.
  2. Toen hij bij de Spanjaarden was, stal hij een mannenrock met verzette mouwen.
  3. Tussen Bommel en ’s-Hertogenbosch stal hij een vrouwenrook, een kleed en een paar wollen hozen. Het kleed verkocht hij voor 23 stuivers, de rock voor een karelsgulden en de hozen voor 7 stuivers. Ook heeft hij daar op die dag uit een kist vier munten gestolen die elk een waarde van zeven stuivers hadden.
  4. Tussen Tiel en Bommel stal hij twee vrouwenrokken welke hij in Tiel verkocht voor drie goudguldens aan een oude-klerenkoopster
  5. In ’s-Hertogenbosch sneed hij een buidel waarin een koningsdaalder aan zilvergeld zat.
  6. Tussen Waalwijk en ’s-Hertogenbosch stal hij twee vrouwenrokken, die hij verkocht in het gasthuis in Waalwijk. Verder stal hij daar een mannenhemd en twee vrouwenhemden.
  7. Tussen Oisterwijk en ’s-Hertogenbosch stal hij twee hemden, een hoycke en een paar kousen, welke zaken hij verkocht voor drie gulden. Zijn metgezel was Hugo van den Bussch.
  8. Daar stal hij uit een tuin ook nog een mannenrock.
  9. Ook stal hij daar van een bleek drie hemden, maar die werden hem door het volk weer afgenomen.
  10. In Tilburg stal hij een stuk doek van 30 ellen. Dat werd in Den Bosch verkocht door lange Maye voor een stoter per el.
  11. Tussen Gorcum en Waalwijk stal hij twee lakens, welke hij verkocht aan de moeder in het gasthuis aldaar voor een karelsgulden.
  12. In ’s-Hertogenbosch sneed hij een buidel waarin een halve daalder aan zilvergeld zat. Dit was zijn eerste misdaad.
  13. In Groningen stal hij een paar “guese boxen” die hij verkocht voor een karelsgulden.
  14. Omstreeks Pasen laatstleden heeft hij met zes anderen tussen Hees en ’s-Hertogenbosch in de nacht een boerenwoning overvallen. De in bed liggende bewoners, drie mannen en twee vrouwen, hebben zij met stukgetrokken bedlakens vastgebonden. Zij stalen honderd munten van zeven stuivers per stuk en drie
    ______↓______


    |pag. 13|

    vrouwenrokken. Zijn metgezellen waren Hugo van den Bussche, Snyder van Swoll, Snyder van Tiel, Hubert van den Oldenbussch, Henrick van Hoichstratenen iemand die Jasper heette.

  15. Ook heeft hij met zeven andere in Bael mensen gekneveld. Zij stalen 10 koningsdaalders en drie rokken: een zwarte, een taneyten en een bouwinck. Zijn met gezellen waren Krom, Smit van Groeningen, Hanne van Reden, Wever, Hugo van Zevenbergen en twee anderen die hij niet kende.
  16. Tussen Loon en Tilburg heeft hij met vijf anderen in een boerenwoning drie mannen, twee vrouwen en een jongen gekneveld. Zij stalen daar drie koningsdaalders, twee vrouwenrokken en een mantel. De rocken en de mantel verkochten zij in Geertruidenberg. Hij genoot daarvan een koningsdaalder. Zijn metgezellen waren Hans van Breda, Cuyper van Haarlem, Hanne van Reden, Smit van Groeningen en Smit van Antwerpen.
  17. Met vijf anderen heeft hij tussen den Grave en Nijmegen, op de heide bij de Vijf Raderen, twee vrouwen en drie mannen gekneveld. Zij stalen daar vijf koningsdaalders en kleren. Hij kreeg van de kleren een cappe. Zijn metgezellen waren dezelfde als hiervoor vermeld is.
  18. In Amsterdam stal hij een mantel die hij verkocht voor een koningsdaalder.
  19. Ook stal hij in Amsterdam een vrouwenrock die hij verkocht voor 20 stuivers.
    Op 7 september is Joest voornoemd met riemen strak vastgebonden. Daardoor werd hij zo bang dat hij nog het volgende bekende.
  20. Hij en zijn metgezellen, te weten Johan van Aelwyck, Hennegat en Jantken, waarvan hij de toenaam niet kent, met twee vrouwen, genaamd Lijs en Peterken van Waelwyck, waren in Deventer in het gasthuis van de Heilige Geest en beraamden daar een aanslag op een schipper die met zijn schip in de IJssel bij Deventer lag. Zij pakten een schuit en voeren in de nacht naar het schip. Zij hadden drie roeren bij zich. De knecht van de schipper sprong over boord en zwom weg. De schipper werd de handen gebonden, in de schuit gesleurd en aanland gebracht. Zij vroegen waar zijn geld was. Joest voornoemd bleef wachten in de schuit. Zijn metgezellen hebben toen de schipper vermoord en in de IJssel gegooid. Wie de schipper vermoorde, weet hij niet. Daarna voeren zij terug naar het schip en pakten een leren zakje met voor 24 gulden aan munten. Het zakje zat in de broek van de schipper. Het geld hebben zij ten huize van Jaspar Jansz verdronken. Joest genoot van het gestolen geld een koningsdaalder. Terwijl de gezellen tegen elkaar over hun daden roemden, liep Jaspar af en aan, maar of hij de feiten ook hoorde kan Joest niet zeggen, maar zijn gezellen kon het niet schelen of hij het hoorde of niet.
    De dieven kwamen vaak bij Jaspar samen. Jasper heeft ook wel gehoord dat Joest de gestolen rock met de platte trijpen boord aan de vrouw van Hennegat heeft verkocht.

______↓______


|pag. 14|

Al deze feiten zijn aan Joest Jansz in aanwezigheid van de schout en de stokmeesters onder de blauwe hemel voorgelezen. Hij bekende alle feiten, uitgezonderd de punten 6, 33, 38 en 44.
Hij werd veroordeeld om onthoofd te worden. Zijn lichaam moest op een rad worden gelegd en zijn hoofd op een staak gestoken. Het vonnis werd voltrokken op 12 september 1569.
Stokmeesters waren Arent Brant en Arent to Bocop.

Fol. 10v
Bekentenis van Jaspar Jansz (van Waelwyck of van de Langestrate), gedaan op 13 oktober 1569.
Hij hoorde in zijn eigen huis dat Pier van Emmerick en Barbyrer tegen elkaar zeiden dat zij nabij Hattem twee stukken doek hadden gestolen, die in zijn huis door twee arme vrouwen werden verkocht.
Trijne Bals kocht het ene stuk voor drie stuivers per el en bracht dit direct naar de lombart. Wie het andere stuk doek kocht, weet Jaspar niet. Het geld zou ten huize van Trine Bals verdronken zijn.
Hij bekent dat vier gezellen, te weten Jan van Aelwyck, Hennegat, Jantken of Jorgen van Embden en Joest Jansz, die bij Deventer een schipper vermoord hebben, een nacht in zijn huis hebben geslapen. Zij schonken hem een halve daalder omdat hij de wacht had gehouden om te zien of er geen stadsdienaars aankwamen. De wijven die de gezellen bij zich hadden, schonken aan zijn vrouw een blauwe schurteldoeck en zeven stuivers.
De gezellen voornoemd hadden het er de volgende dag over dat zij de schipper, die hen vroeger had bedrogen, bij Deventer te pakken hadden genomen. Het was maar goed dat zij een schuit bij de hand hadden om weg te komen nadat zij de schipper over boord hadden gegooid.
Op de derde dag ontbeten de gezellen met elkaar. Toen kregen zij onderling onenigheid over hun daden. Een van de gezellen pochte er over dat zij de schipper zoveel messteken hadden toegebracht. Terwijl zij daarover ruzie maakten, kwam onverwachts burgemeester Van Breda voor de deur. Jasper waarschuwde toen de gezellen om zich rustig te houden want anders konden zij de stadsdienaars verwachten.
Jasper haalde voor de gezellen bier en dronk daar zelf van mee. Hij heeft hen horen zeggen dat zij de schipper wel 22 of 23 guldens afhandig hadden gemaakt.
De nicht van de schout van Ens had voor Jaspers deur luid geklaagd over de jammerlijke dood van de schipper die bij Deventer was omgebracht. Maar dat was al een dag vóór de gezellen bij hem in huis kwamen.
Jasper heeft gezien dat Barbirer een stuk zwart laken bij zich had, dat hij liet zien aan Pier van Emmerick, zeggende dat hij het uit een venster had gestolen. Toen Pier zei dat hij dat niet had mogen doen, zei Barbirer dat zij er elk wel een paar boxen voor konden laten maken. Daarop deelden zij het laken. Pier verkocht zijn deel aan een paar Walen en Barbirer ging met zijn deel naar de zolder en maakte er een paar boxen van.

______↓______


|pag. 15|

Toen er aan de deur naar de gezellen en het laken gevraagd werd, lag Jasper reeds in bed. Jaspers vrouw, die bij de buren op de stoep stond, riep dat er geen gezellen bij hen thuis waren.
Jasper bekent verder dat een gezel die Pelser werd genoemd een paar zwarte lange boxen, die hij had gestolen zo hij zei, verkocht aan Rijsinck, de bastaardzoon van de drost van Memerlick, die ten huize van Anna Bastiaens verbleef. Jaspar verkocht aan Pelser toen een paar oude boxen, die hij nooit betaald heeft.
Joest Jansz heeft tegen Jasper gezegd dat hij 13 stuivers had gestolen in het gasthuis alhier uit de tas van een man. Jonge Jan van Swolle, die bij hem sliep, heeft op Kamperveen een stuk doek gestolen. Van de opbrengst werd ten huize van Balleken 13 stuivers verteerd. Toen de eigenares van dit doek bij Balleken kwam klagen, gaf hij haar het doek weer terug, maar de 13 stuivers was hij kwijt.
Jasper heeft gezien dat Joest Jansz een gestolen zwarte vrouwenrok in zijn huis mee naar binnen nam. Zijn vrouw verborg die rok onder een stapel bezems. Hij was er bij toen Joest die rok aan de vrouw van Hennegat verkocht voor een karelsgulden. Zijn (Jasper) vrouw haalde voor die karelsgulden bier, waarvan hij heeft meegedronken.
Jasper bekent verder dat een zekere Blauwrock en Pier van Emmerick het er over hadden toen zij bij hem vertrokken dat zij van een boer een knuppeldoek met geld hadden gestolen en dat zij elders een buidel hadden gesneden. Deze twee schonken aan zijn vrouw een munt ter waarde van zeven stuivers.
Hij heeft van een gezel die Cruepel Vrese werd genoemd een paar oude korte boxen gekregen, niet wetende hoe Cruepel er aan gekomen was. Hij heeft die boxen niet kunnen dragen omdat ze geheel versleten waren.
Trijne van Staveren heeft aan zijn vrouw een vrouwenrok zonder lijfje geschonken, die zij onmiddellijk naar de lombart bracht voor 14 of 15 stuivers. De rok ligt nog steeds bij de lombart. Trijne kreeg een andere rok van ene Anna, die in Amsterdam wel met vis op de markt staat. Trijne van Dockum, die haar kind in Kamper achterliet, heeft ook een nacht in zijn huis geslapen. Hij weet niet waar zijheen gegaan is.
Dit alles heeft Jaspar bekent onder de blauwe hemel voor de schout en voor de stokmeesters Claes Kruse en Arent Brant op 4 november 1569. Hij werd op 8 november veroordeeld om te worden gegeseld, dat ook gedaan werd.
Daarop werd hij uit de stad en de stadsvrijheid verbannen om daar nooit weer in terug te keren. Hij moest voor hij werd losgelaten aan de stad een oervede doen.

Fol. 12
6 juni 1570, Bekentenis van Herman Stevensz.
Herman Stevensz, geboren bij de Drie Bruggen, bekent dat hij enige tijd geleden had zitten drinken onder de wijnstok voor het huis op de Wede over de IJssel met Henrick Joestz en wijlen Adriaen van der Schellingen. Daar schold Adriaen Henrick uit voor schelm, waar Herman iets van zei. Daarop sprong Adriaen met in dolk in de hand op de beugelbaan en viel Herman aan. Herman verdedigde zich met zijn eigen dolk en stak Adriaen in de schouder. Aan die verwonding is Adriaen gestorven.

______↓______


|pag. 16|

Herman zegt dat hij met de verwanten van Adriaen verzoend is, maar dat de drost van IJsselmuiden hem nog geen vrijgeleide wil geven maar wil wachten tot de stadhouder terug is uit Holland. Nu meende Herman dat als hij week uit het gebied van de drost van IJsselmuiden, waar de vechtpartij had plaatsgehad, hij niet zou worden opgepakt.
Zelf heeft Herman een steek in de borst opgelopen op zondag, nu acht dagen geleden, welke steek hem werd toegebracht door Peter Herberts Laurensz, zijn stiefzoon, kind van zijn eerste vrouw, waarmee hij onenigheid had.
Herman heeft een broeder die speldenmaker is bij Jonge Dirck, een zuster die getrouwd is met Jan Vene in Grafhorst en een halve zuster Claes[je] die woont in de vergadering bij de moeder van Jan Laurensz.
14 juni 1570, Herman Stevensz zegt dat Herman van Calcar op de dag voor de nacht waarin hij verdronk dronken in zijn huis kwam. Zelf lag Herman toen ziek in bed. Zijn vrouw heeft Herman van Calcar toen door de baan geleid waar de jongens aan het touwspinnen waren. Herman van Calcar wilde zijn gelag betalen maar of hij dat ook heeft gedaan, weet Herman Stevensz niet.
28 juli 1570, Toen Herman Stevensz werd gevraagd wat hij wist van het uitbreken van Thijs Henricksz de visser, zei hij dat de gezel die bij hem in de stok [gevangenis] zat tegen hem heeft gezegd dat Thijs hem had gezegd dat als hij wist dat hij zou worden gepijnigd, hij zijn best zou doen om uit te breken. Zelf heeft Thijs niets tegen Herman gezegd over zijn uitbreken. Thijs brak uit de gevangenis omstreeks tien uur in de avond. Herman hoorde wel lawaai en gebreek, maar kan niet zeggen of Thijs hulp heeft gehad.
28 juli 1570, Herman Stevensz bekent dat hij op een namiddag in de Vasten laatsteden met Johan Vene, Mauris Schroer, Joest Backer, Henrick Joestsz en wijlen Adriaen van der Schelling heeft zitten drinken over de IJssel in het huis van Johan Luyckensz. Zij zaten onder de wijnstok. Daar kregen Adriaen en Henrick met elkaar woorden. Adriaen schold Henrick uit voor schelm, dief, kerkenschender en dubbele geus. Zij sloegen met hun vuisten op elkaar in terwijl zij aan de tafel zaten. Daar sprong Herman Stevensz tussen en haalde hen uit elkaar. Herman zei daarna tegen Henrick Joestz, waar Adriaen bij was, dat hij het niet zou hebben genomen als er zulke woorden tegen hem zouden worden gesproken, want het ging om eer en faam. Deze beschuldigingen moesten worden waargemaakt of hij wilde met de man niet eten of drinken. Met Adriaen zelf sprak Herman niet.
Henrick Joestsz ging naar huis, maar Herman Stevensz bleef nog enige tijd zitten drinken onder de wijnstok bij de beugelbaan, waar een aantal mensen beugelde.
Hij werd geroepen op de baan te komen om naar het spel te kijken. Toen kwam Adriaen geheel onverwacht naar Herman toelopen en bedreigde hem met zijn broodmes. Wat doe je, sprak Herman, en terwijl hij Adriaan afweerde, sloeg hij zijn linkerhand in diens mes. Daarop trok Herman ook zijn mes en stak Adriaen in de schouder. Aan deze verwonding is Adriaen vijf of zes dagen later gestorven.
Adriaen heeft Herman echter vergiffenis geschonken. Er werd een zoenbrief geschreven die nu berust bij de vrouw van Adriaen. Aan Herman werd verteld dat Adriaen op de dag dat zijn wond werd verbonden wel een take wijn had gedronken ten huize van mr. Jan Huff. Daarna ging Adriaen naar het huis van

______↓______


|pag. 17|

Florens en vervolgens naar de Picksack, waar hij ook bleef zitten drinken. Hij ging pas om middernacht naar huis.
Dit verklaarde Herman Stevensz ten overstaan van de stokmeesters Conraedt van der Vecht en Gerbert ten Bussch.
Op 4 oktober 1570 zijn aan Herman Stevensz de getuigenissen over de vechtpartij, gedaan voor de schout van IJsselmuiden en ook voor de schepenen van Kampen, voorgelezen.

Op 1 augustus 1570 getuigen Johan Veene, Harmen Gerssen en Johan Luyckensz, waard te IJsselmuiden, na gedane eed, dat zij omstreeks Palmdag laatstleden zaten te drinken bij Johan Luyckensz voornoemd onder de wijnstok voor zijn deur. Daar waren ook bij Joest Backer, Hendryck Joessen, Harmen Stevensz en Aergaen van der Schyllynck. Arygaen van der Schyllynck begon daar ruzie te maken met Hendryck Joessen en schold deze uit voor dubbele geus en kerkenschender.
Hendryck ging weg maar zei nog tegen Argaen dat hij het gezegde zou onthouden.
Daarna begonnen Joest Backer en Johan Veene met een spelletje beugelen.
Herman Stevensz zei toen tegen Argaen van de Schyllynck dat als deze dergelijke woorden tegen hem had gebezigd, hij wel anders was opgetreden. Daar begon de ruzie tussen beiden mee.
Argaen zei echter even later dat zij naar het beugelspel moesten gaan kijken om te zien of het wel eerlijk zou verlopen. Even na Argaen ging ook Herman naar de beugelbaan. Op de baan ging echter de ruzie verder, maar wat er gezegd werd, hoorden getuigen niet. Herman sloeg Argaen met de vuist tegen de borst. De weerd stond toen op en voerde Herman naar binnen waar deze op de bank ging zitten. Even later stond hij echter weer op en ging opnieuw naar de beugelbaan, waar hij zijn mes trok tegen Argaen en deze stak. De waard greep Hermans arm om hem tegen te houden, maar deze stak Argaen met geweld.
Richter Jacob Joncker en keurnoten Seent Stevens en Johan Dircksz Swartken.

Op 15 september 1570 getuigt mr. Johan Huff, gedaagd door het gerecht, het volgende.
Op de namiddag van de dag dat hij gestoken was, kwam (wijlen) Aerys van der Scelling vergezeld door Herman Pelser in zijn huis om zich te laten verbinden.
Aerys was erg dronken. Toen hij verbonden was, liet hij een quarte westerse wijnhalen, die hij met Herman Pelser op dronk. Zij bleven een uur bij hem en gaven zijn knecht ook iets van de wijn.
De wond die Aerys had opgelopen was door en door en had de rugwervelsgeraakt. Het was een dodelijke verwonding.
Getuige had gehoord dat Aerys later nog in het huis van Floeren was gegaan om haring te eten en wijn te drinken. Hij had beter in de warmte kunnen blijven, zegt getuige. De drank, een medicijn, die getuige de volgende dag aan de gekwetste gaf, kon deze niet binnenhouden.
Niet op de eerste dag, maar pas de volgende dag gaf Aerys bloed op. De wond zelf bloedde niet erg.
Coram schepenen Kaerle Knoppert en Gheert van Endoven.

______↓______


|pag. 18|

Getuigenis van Flore, de weduwe van Swarte Wynolt, ook gedaagd door het gerecht.
Op de dag dat Aerys van der Schelling door Herman Stevensz was verwond en zijn wond al was verbonden, kwam hij met Herman Pelser laat op de dag, toen de kaarsen al waren aangestoken, in haar huis. Hij liet daar een mengelen bier tappen.
Beiden dronken van het bier maar maakten het niet geheel op. Aerys zei dat hij van achteren werd gekrabd, bedoelende zijn verwonding. Hij zei ook dat Herman Stevensz hem als een dief en schelm de wond had toegebracht, hoewel hij met de oorspronkelijke kwestie niets van doen had. Aerys zei dat hij bij de omheining stond te plassen toen Herman Stevensz hem van achteren belaagde en hem stak.
Aerys vroeg nog aan getuige om hem een zoute gebraden haring te brengen, maar dat werd hem ontraden. Toen zijn vrouw binnenkwam, liet hij de haring onaangeroerd en ging naar huis. Aerys is nog geen vierde deel van een half uur in haar huis geweest.
Coram schepenen Kaerle Knoppert en mr. Gasper Schepelar.

Getuigenis van Arent Henricksz, mede gedaagd door het gerecht.
Hij verklaart dat op de avond van de dag dat Aerys door Herman Stevensz was gestoken, de zoon van Aerys bij hem kwam en zei dat zijn vader zwaar gewond was. Even later, tussen acht en negen uur, kwam Aerys ook binnen, vergezeld door Herman Pelser, en liet een mengelen bier tappen, doch hij dronk er niets van.
Aerys zei daar dat Herman Stevensz, de dief en schelm, hem van achteren in zijn rug had gestoken. Nadat Aerys minder dan een half uur bij hem op de stoel gezeten had, heeft hij hem samen met Herman Pelser naar huis gebracht, waarbij zij Aerys half moesten dragen. Getuige weet echter niet of dat door de verwonding kwam of door de drank. Eerder heeft getuige de dronken Aerys ook wel naar diens huis begeleid, maar hij kon altijd wel op eigen benen staan.
Voor negen uur in de avond was Aerys al weer thuis.
Coram schepenen Kaerle Knoppert en Jorgen van Haersolte.
Uit het boek van getuigenissen van de stad Kampen.

Nadat Herman Stevensz de getuigenissen had horen lezen, verklaarde hij dat hij een bloedzweer op de schouder had. Toen Aerys hem daaraan raakte, drukte hij deze van zich af, waarop Aerys een mes trok en Herman tussen de vingers stak.
Toen Herman ook zijn dolk trok heeft hij Aerys in het draaien in de schouder gestoken.
Toen Herman werd gevraagd naar de bedreiging waar hij Johan Maler op de brug mee beangstigd had, zei hij dat hij Johan Maler, die in gezelschap van een ander was, had gevraagd waar hij heen ging. Maler gaf hem daar op ten antwoord dat hem dat niets aanging: ga maar naar je eigen varkenshok. Maler trok zijn ponjaard en Herman zette de melk die hij droeg op de grond en trok ook zijn mes. Hij stak echter niet naar Maler. Hij heeft niet aan Maler gevraagd of deze naar de overkant van de brug ging om te kijken wie daar in het gelag zaten.
Coram Kaerle Knoppert en Jasper van Breda, stokmeesters.

______↓______


|pag. 19|

Fol. 14v
Op 19 november 1571 werden aan Herman Stevensz de bekentenissen voorgelezen die hij had gedaan op 6 juni, 28 juli en 4 oktober 1570, alsmede de getuigenissen die werden afgelegd ten overstaan van de schout van IJsselmuidenen de schepenen alhier. Dit gebeurde onder de blauwe hemel in aanwezigheid van de schout en de stokmeesters.
Herman zei nog tot zijn verontschuldiging dat hij van zijn leven geen twist had gehad met Adriaen van der Schelling maar hem wel vaak uit de drek had gehaald als hij dronken was en hem naar huis had begeleid. Adriaen had zelfs na de misdaad nog voor hem (Herman Stevensz) gepleit. De steekpartij was onvermijdelijk geweest, want Adriaen stond met zijn mes zo dicht bij hem dat hij zich wel moest verdedigen.
De schout vroeg hem of hij dat wat hij zei ook kon bewijzen, maar dat kon hij niet. Wat hij verklaard had, was de waarheid en daarop wilde hij leven en sterven.
Toen de schout hem voorhield dat als iemand alhier een doodslag had begaan en uitweek naar IJsselmuiden, deze van de drost van IJsselmuiden een vrijgeleide moest zien te krijgen en omgekeerd als iemand te IJsselmuiden een doodslag had begaan en uitweek naar Kampen, moest die aan de schepenen een vrijgeleide vragen. Daar gaf Herman als antwoord op dat hij dat niet had geweten.
Op dezelfde dag, na de middag, vroegen de stokmeesters aan Herman waarom hij een scherpe vijl in zijn boxen had genaaid. Herman zei eerst dat hij die bij zich had om pijlpunten mee te vijlen, maar later zei hij dat zijn vrouw hem die afgelopen winter op zijn verzoek had gebracht. Hij wilde deze vijl graag hebben omdat Willem Dircksz Kinnegilde, een wever, die met hem gevangen zat en ookeen vijl had, hem dat gevraagd had om samen “tempeltjes” te maken. Hij had niet het plan opgevat om met de vijl een poging te doen tot ontsnappen. Het stuk elandshuis om de vijl, was een stuk van zijn wambuis, zei Herman. De stokmeesters vroegen aan Willem waar deze zijn vijl gelaten had, waarop deze zei dat hij die een maand geleden in het privaat had gegooid. Herman had een slechte vijl gehad en die van hem deugde ook niet.
Willem had tegen mr. Florys en Willem in de Stal gezegd dat hij de vijl al lang in zijn bezit had en niet meer wist hoe hij er aan gekomen was.

Op 22 november 1571 is aan Herman Stevensz voor het venster van het raadhuis in het openbaar zijn vonnis voorgelezen. Hij had bekend dat hij Adriaen van der Schellinge met zijn dolk een wond had toegebracht waaraan deze helaas was gestorven.
Hij werd veroordeeld om op de Koornmarkt onthoofd te worden. Het vonnis werd op dezelfde dag voltrokken.

Stokmeesters waren Bartolt van Wilsem en Henrick Kistemaker.

______↓______


|pag. 20|

Fol. 15
Mathijs Ros de scherprechter heeft met zijn roer een soldaat doorschoten, zoals blijkt uit getuigenissen die van de zaak werden gegeven en staan opgetekend in het register van criminele getuigenissen in dato 13 september 1574.
Er zijn ook getuigenissen van de zaak gegeven door militairen van de welgeboren vrijheer von Polwijler, overste van een regiment van zijne majesteit de koning, in de stad Kampen in garnizoen liggende.

Hans Simler von Kupenberch verklaart na gedane eed dat hij op donderdag met zijn gezellen door de straat liep langs de hoerenhuizen toen er nabij een deur met stenen werd gegooid, maar welke deur dat was, weet hij niet meer. Van het schot vernam hij niets. Dat was gevallen voor zij daar voorbij kwamen.

Hans Blenck von Ungersheim verklaart dat hij met de dienaar van de provoost bij Hans Karsten op de “Kindteuff” zat te drinken, welk huis nabij de kerk staat, niet ver verwijderd van het huis van de scherprichter. Hij heeft een aantal personen gezien die aanklopten aan het huis waarin de hoeren waren. Hij gebood hen om weg te gaan. Ook het latere slachtoffer kwam er bij. Getuige gebood hem ook omweg te gaan. Toen kwam de scherprechter uit een huis, echter niet zijn eigen huis, want dat was gesloten, met een geladen roer. Getuige vroeg de scherprechter wat hij van plan was. Maar deze liep haastig achter het slachtoffer aan en schoot op hem. Het slachtoffer liep nog achter de scherprechter aan, maar is voor diens deur gevallen.

Hans Lienhaert von Strasburg, de dienaar van de provoost, verklaart dat hij met Hans Blancken in het huis van Hans Karsten op de “Kindtteuff” zat. Hij ging met Hans Blancken naar de Burgel om te wateren. Toen hij bij de kerk kwam, hoorde hij kloppen. Hij zag de knechten [soldaten] die klopten. Hij zag ook dat de scherprechter op twee steenworpen afstand met een gespannen bus [geweer] een van hen achterna rende. Getuige heeft de scherprechter teruggehouden en is weer bij Karsten naar binnen gegaan. Kort daarop hoorde hij een schot vallen.

Conraet Zobell von Wische verklaart dat hij op donderdagavond het latere slachtoffer en Asmus Jecken op straat tegenkwam en hen vroeg waar zij naar toegingen. Zij wilden zich vermaken, zeiden zij: zij gingen naar een hoerenhuis. Een van hen klopte op de deur van de beul. Deze vroeg wat zij kwamen doen, waarop het slachtoffer zei dat ze een hoer wilden hebben. De beul zei dat hij hen een hoer zou bezorgen en liep toen weg. Toen zij stonden te wachten kwam de trawant van de provoost en ried hen aan om weg te gaan. Toen zij op een ruime steenworp afstand van het huis waren, kwam de beul hen achterna met een geweer en zei “he, jij kerel met de grijze hoed”, bedoelende Kresche, “sta stil”. Daarop wendde zich Kresche naar de beul en greep het geweer. Wat er verder gebeurde, weet getuige niet omdat hij met de trawant van de provoost weg is gelopen. Hij hoorde wel het schot.

______↓______


|pag. 21|

Michael Strauss von Alschheusen verklaart hetzelfde als Conraet Zobell, maar hij heeft wel gezien dat het slachtoffer de beul achterna rende tot aan de brug. Daarna viel een schot en is het slachtoffer gevallen.

Asmus Jeck von Rotteyll verklaart hetzelfde als de twee vorige getuigen.

Hans Reb von Rust verklaart dat hij wandelde naar de rosmolen. Toen hij bij het huis van de beul kwam, zag hij dat Asmus Jecken met een steen op de deur klopte.
Toen zij weggingen tot op een geruime afstand, kwam de beul uit een andere deur en rende de man die geklopt had achterna. Toen greep Peter Kress het geweer vast, waarop de beul terugweek tot zijn huis. Toen Kress een aanval op de beul deed, schoot de beul op hem. Daarop hebben de andere soldaten de beul zo in het nauw gedreven dat deze in de Burgel sprong en zo weer in zijn huis kwam.

Op 16 september 1574 hebben mr. Gaspar Schepelar en Herman ter Brugge, stokmeesters, bovenstaande getuigenissen aan de scherprechter laten voorlezen.
Deze wist niets tot zijn verdediging aan te voeren.
Op dezelfde dag, voor de middag, werden deze getuigenissen in aanwezigheid van de schout en de stokmeester onder de blauwe hemel opnieuw voorgelezen. Toende schout hem vroeg of hij het schot gelost had, gaf hij dat toe.

Op 23 september 1574 is de scherprechter voor het raadhuis voorgelezen dat hij bekend had een manspersoon te hebben doorschoten met een roer, waardoor de man was gestorven.
Op dezelfde dag is de scherprechter op de Koornmarkt onthoofd.

Stockmeesters waren mr. Gaspar Schepelar en Herman ter Brugge.

Fol. 16v
Bekentenis van Henrick Berentsz uit Deventer. Hij werd aan een staakgebonden en verbrand op 29 november 1578.
Zie het oude boek van oerveden op folio 214.

Fol. 16v
Bekentenis van Rotgher Noet uit Vecaten
Hij verklaart dat hij op de dag dat de burgers van Kampen werden aangevallen tussen Zwolle en Wilsum, als daghuurder heeft staan graven aan de gracht van Glauwe bij de Harstenhorst met Mensen Henrick en Aerent Martensz.
Toen kwamen Poorten Henrick en Cluckebuijck, die op de dijk heen en weer gingen, hen aangeroepen om zich bij de verzamelde boeren aan te sluiten.
Het is waar dat de Mastenbroekers de mensen uit Wilsum en Vecaten om hulpvroegen bij brand. Zij moesten dan komen op straffe van “de hals” of van tien tonnen bier.
Rutgher wilde niet veroordeeld worden door de boeren en gaf gevolg aan het verzoek. Hij kreeg nabij het huis van Baers een korte vederstaaf in de handgedrukt.

______↓______


|pag. 22|

Komende nabij Costverloren zag hij dat de boeren een burger van Kampen te pakken hadden. Deze werd doodgeslagen door Poorten Henrick, Dirck (die kremer te Wilsum is geweest en die ook Ruijter Dirck werd genoemd), Coop Lefferts (jongen op Harstenhorst) en Cluckebuijck. Poorten Henrick doorstak de man meteen “varjagher”.
Poorten Henrick sloeg Rotgher Noet met de “varjagher” op de schouder en zei dat hij er ook op los moest slaan. Daarop sloeg Rotgher met zijn vederstaaf een of twee keer op de al halfdode burger.
Hij zag en hoorde dat Jan de hoofdmeester riep dat men de burger om het leven moest brengen, maar de hoofdmeester stak of sloeg zelf niet.
Rutgher zag ook dat Willem Remmelsz uit ’s-Heerenbroek, Roloff Noefghen, de twee zonen van Jan Berentsz, met namen Hendrick en Dirck, verder de knecht van Thewes Aerentsz en de knecht van Baers ook bij de verzamelde boeren waren, maar hij heeft niet gezien dat zij geweld gebruikten.
Dirck de cremer trok de burger zijn broek uit.
Mensen Henrick smeet hem (Rutgher) de gordel van de burger toe. Hij behield die gordel, welke bij zijn aanhouding ontdekt werd.
Hij heeft gezien dat Gosen Remmeltsz en Steven Engbertsz de vaandrig Henrick Geertsz pakten en in de Hogenbeen opsloten.
Lubbert Mast en Wemer Baers reden te paard van het ene veer naar het andere en brachten in de avond de boeren het bericht dat de soldaten al in Zwolle waren. Zij konden nu wel naar huis gaan.
De oorzaak van het bijeenkomen van de boeren lag gelegen in het feit dat zij geen schatting wilden betalen.
De zonen van Jan Berentsz beroemden zich er de volgende dag op dat zij Johan van Olst hadden dood geslagen.
Er werd, aldus Rutgher, verhaald dat Egbert van Rijssen wijlen Arent Frese de broek had uitgetrokken.
Rutgher verklaart verder dat hij op de dag van de aanslag met Peter Frericx omstreeks de middag naar de Stouwdijk is gegaan met een “varjager”. Toen de burger bij Costverloren werd doodgeslagen was Peter Frericx naar het Zalkerveer gegaan, maar waar hij verder bleef, weet hij niet.
Hij heeft Jan Claesz, de knecht van de schout van IJsselmuiden, noch de knecht van de drost, daar niet gezien en hij heeft ook niet gehoord dat zij er bij waren.
Coram Arent Brant en licentiaat Niclaes van Haersolte, stokmeesters.

Rutger heeft het bovenstaande onder de blauwe hemel bekend ten overstaan van de substituutschout en de stokmeesters op 8 juli 1580.
Hij werd op 11 juli 1580 op de Koornmarkt onthoofd.

______↓______


|pag. 23|

Category(s): Niet gecategoriseerd

Comments are closed.