Geschiedkundige herinneringen van Giethoorn


|pag. 67|

Geschiedkundige herinneringen

van

GIETHOORN.

________
 

     Dit dorp komt in de oude schriften voor onder den naam van Gethorn, Gijthorn, Geithoorn, en wordt in de gemeene wandeling Gieteren genoemd.
     Deze landstreek heeft zeker een gedeelte uitgemaakt van de bosschen en wildernissen, in welke het, volgens den brief van Koning OTTO DEN GROOTEN, van de tiende eeuw,(1 [1. Te vinden bij HEDA p. 83.]) aan den Utrechtschen Kerkvoogd BALDERIK vergund werd, te mogen jagen Ofschoon dit oord reeds eenigzins bevolkt was, zal zulks niet zoo algemeen moeten verstaan worden, of een groot gedeelte was nog onbewoond en voor de jagt meer dan elders bij uitnemendheid geschikt. Tot bewijs hiervan de giftbrief zelf, die aan ieder verbiedt, buiten toestemming van den Bisschop, te jagen op herten, beeren, wilde geiten, wilde zwijnen,

|pag. 68|

en daarenboven op die dieren, welke in de Duitsche taal Elo of Schelo genoemd worden.
     Ruim twee eeuwen daarna (1170) veranderde hier alles van gedaante. Een ontzettende watervloed, in den herfst van dat jaar, rigtte alhier eene groote verwoesting aan; een aantal menschen en vee verloor jammerlijk het leven; de overgeblevenen werden tot de diepste armoede gebragt, de uitgestrekte bosschaadje omver geworpen en alles een prooi der zee(2 [2. BRUMANUS, Res Trans. in DUMBAR’S Anal. II p. 75,76.]). Op deze ramp volgde, weinige jaren daarna, een allervreesselijkste hongersnood, door misgewas veroorzaakt, waardoor de ellende tot eene ontzettende hoogte steeg. Doch deze tijden van nood werden vervangen door jaren van eene buitengewone vruchtbaarheid, welke zich niet alleen tot het plantenrijk, maar zelfs tot het dierenrijk en het menschelijke geslacht uitstrekten, waardoor tegen het einde der 13de eeuw de bevolking zoo zeer was aangegroeid, dat er geene plaats genoeg meer was, om alle ingezetenen te voeden.
Een gedeelte van de armsten, die verhuisden, om elders onderhoud te zoeken, zoude zich naar eenzame plaatsen, en wel naar het oord, waar Giethoorn ligt, begeven hebben, alwaar zij, op aanbeveling van den Prefekt van Vollenhove, door den Bisschop, op de voorwaarden, die wij nader zullen vermelden, werden toegelaten,(3 [3. BRUMANUS p. 117.])
     Volgens anderen zoude de eerste bevolking van

|pag. 69|

deze plaats behoord hebben tot de toen ter tijd zoo veel gerucht makende sekte der Flagellanten of Geeselaars, die, in Italië ontstaan zijnde, zich ras in Frankrijk en Duitschland verspreidde,(4 [4. Deze sekte wordt het eerst gemeld op het jaar 1260. Zie van HAMELSVELD Kerk. Gesch. XVIII. bl. 305. v. H. en v. R. Kerk Oudheden VI D. bl. 567 enz.])
Zie hier, wat NAGGE in zijne onuitgegevene Historie van Overijssel daaromtrent verhaalt.
     « Omtrent den jare 1312(5 [5. Daar Bisschop JAN VAN ZIJRICK, die aan deze menschen de straks te vermelden privilegiën gaf, in 1288 verkoren en in 1296 verplaatst is naar Toul, zoo is het jaar dezer aankomst veel vroeger te stellen dan 1312. Dit is ook opgemerkt bij DUMBAR Anal. II. 248.]) waren er op
« het land Vollenhove nog vele wildernissen en
« kwamen er omtrent dien tijd in het land eene
« verzameling van volk, die men niet wist van
« waar zij hene kwamen. Zij droegen op hun-
« ne klederen van voren en agteren kruizen,
« op sommige tijden sloegen zij haar zelfs en
« zongen Godes woord. Deeze hebben de voor-
« schreven onlanden en wildernissen met zeer
« grooten arbeid ten lande gemaakt. De kastelein
« van Vollenhove, WOLKS SNELLE, broeder van den
« Domdeker van Utrecht, was goed arms, zoo-
« dat zij den eigendom van sommigen van die
« landen kregen, waarvoor zij den Bisschop
« jaarlijks zekere schatting zouden geven en zij
« maakten zich voor haar en hare erven den
« Bisschop eigen, waarom zij ook st. martens
« luiden wierden genoemd, latende hunne na-

|pag. 70|

« men ten dien einde opteekenen: daar werden
« haar ook wetten en ordonnantiën gegeven,
« die nog hedendaags onderhouden worden. De
« landen, die hun van de kastelein werden toe-
« gestaan zijn gelegen te Giethoorn, Onna,
« Steemwijk, Oostwijk en de westwijk. Zij heb-
« ben eerst in deze landen de brand der tur-
« ven gevonden.
     Elders vinden wij, dat de Prefect van Vollenhove, WOLTERUS SNELLE geheeten, zelf medelijdend met arme menschen, eene vrouw had, die ook de sekte dezer geeselaars toegedaan werd en zich heimelijk kastijdde. Hij bewerkte, dat deze menschen, die zich zeer arbeidzaam toonden in deze woeste landstreek, en turf groeven, vaste woonplaatsen verkregen,(6 [6. Overijsselsche Chronijcke in DUMBARS Anal. II. p. 248.])
     De naam wordt afgeleid van de menigvuldige hoornen van wilde geiten, die zij, bij het ontginnen van dezen grond, vonden; terwijl Onna dus genoemd werd van de eenzaamheid. Het wapen van Giethoorn bestaat nog in een schild van goud, beladen met een zilveren kruis, met ijzer omvat.
Onder dit kruis bevindt zich de kruin eener wilde geit, voorzien van hare horens in de natuurlijke kleur.(7 [7. Mij medegedeeld door den Heer F.C.T. KAEMPFF Burgemeester en Notaris te Giethoorn, met andere berigten, alhier opgenomen.])
     Voorts wordt gemeld, dat de eerste poging tot ontginning van den grond niet naar wensch

|pag. 71|

geslaagd zoude zijn, dewijl dezelve, uit eene hooge dorre laag bestaande, voor geene bebouwing vatbaar was; dat zij, de bovenste laag af gegraven hebbende, niet alleen bevonden, dat dezelve eene brandbare stoffe opleverde, maar ook dat de ondergrond, na die afgraving een welig gras aanbood tot voedsel voor het vee.
     De Bisschop, de nijverheid dezer lieden willende aanmoedigen en tevens zijn eigen voordeel behartigen, breidde de gift dezer woeste gronden verder uit, onder voorwaarde, dat de inwoners eene soort van lijfeigenschap zouden op zich nemen, die hij hun dan ook dadelijk opleide, noemende hen St. Maartens-mannen. Hij schreef hun eenige dienstbare pligten voor en schonk hun daarentegen eenige voorregten, welke bevat zijn in een zeker boekje, getiteld: St. Martens-rechten voor die van Giethoorn, Onna, Oostwijck en Westwijck.(8 [8. Bij RACER, Overijss. Gedenkst. IV D. bl. 217.])
     Deze regten bestonden onder andere daarin, dat zij eenen eigenen schout en regtbank hadden van 12 St. Maartenslieden, als 8 uit Giethoorn en 4 uit Westwijck en Onna (Art. 22). In het geestelijke waren zij onderworpen aan des Bisschops Kastelein of Ambtman te Vollenhove op of in den Oldenhoff. (Art. 1) Hunne hooriglieid verpligtte hen, om onder elkander te trouwen, opdat de hoorigheid konde voortduren. — ende sullen geheeten wesen sunte martensluijden om haer sonderlinge privilegien ende rechten, die wij hen

|pag. 72|

gegeven hebben, ende omdat sij St. martens goed besitten ende bewoonen, ende voor van wildernissen t’ land gemaeckt hebben, ende oock niemant bewoonen off behijlicken sal dan onder hen selven te hijlicken, daeromme dattet in den rechten van St. martens blijven sal, in voorwerden hier naebeschreven. (Art. 5.) Item neemt een vrij man off knecht een St. Martensvrouwe dat hij dat weet, so vro als hij bij haer te bedde is, so is hij St. mertens ende en wist hij dat niet, dat sij St. martens was, soo mach hij daer aff gaen, sonder meer te bekennen ende nemen een ander wijff.
(Art. 7.) Item haer jaerlix tijns sullen sij betaelen op haer dach als haer dat geset is, als coorn, haever, schaepen, swijnen ende hoender enz. (Art. 27.)
     Dit St. Maartensregt is later nog geapprobeerd door DAVID van Bourgondië, bij openen brief, gegeven op het Slot te Duurstede den 9 Oct. 1463. En de dienstbaarheid heeft voortgeduurd tot het jaar 1624, wanneer dezelve bij Resolutie van Ridderschap en Steden van 21 April van dat jaar is afgeschaft tegen afkoop in geld of betaling van uitgangen van boter of koorn(9 [9. Geschiedk. verhand, over Vollenhove en deszelfs omstreken (van J.A. de VOS VAN STEENWIJK) bl. 28.]).
     Wij vinden boven de eerste vermelding van het gebruik van turf tot brandstof; en met grond kan men dit gebruik niet wel vroeger stellen in onze streeken (10 [10. Dat elders het gebruik van turf vroeger voorkomt, vindt men bij v. H. en v. R. Kerk. Oudh. III D. bl. 115.]), daar het brandhout vroeger in

|pag. 73|

grooten overvloed te bekomen was. Het blijkt tevens, dat de grond uit hoog veen heeft bestaan, en deze turf dus niets anders was, dan zoo genoemde lange turf; terwijl de huizen, volgens oude overlevering, op graauwen turfgrond gestaan hebben en wel vijf voeten boven den gewonen grond. Ook zegt dezelfde overlevering, dat de veenen achter Zuidveen naar den kant van Giethoorn zoo hoog zijn geweest, dat het heideveld tusschen Steenwijk en Zuidveen, dat thans wel tien voeten hooger ligt, toen moeras was.
Ook pleit hiervoor, dat in oude reglementen van destijds gegraven vaarten aldaar melding wordt gemaakt van schutten, om het afloopen van het water te beletten, ten einde de turf te kunnen afgraven; en nog heden wordt altijd gezegd, wanneer iemand oostwaarts opgaat: hij gaat naar boven. Het gebruik van bagger- of sponturf is van veel later dagteekening en behoort eerst tot de 15de eeuw. En van dien tijd af aan — ofschoon reeds bij de ontginning der woeste landstreek vaarten en kanalen zullen gegraven zijn tot afvoer van turf van de hooge gronden, welke natuurlijk door de ingezetenen niet konden verbruikt worden, maar naar elders vervoerd werden, — begint dan ook eigenlijk de herschepping van land in water; en zal waarschijnlijk ook de gift van het Giethoornsche meer door den Bisschop aan de ingezetenen (Art. 26 van voorn. St. martensrechten)(11 [11. Door Bisschop RUDOLPH VAN DIEPHOLT is dit regt ook veranderd Art. 39—41. en wel 4 Junij 1428.]) tot dien tijd behooren.

|pag. 74|

     Met de eigenlijke lange-turfgraving heeft men vol gehouden tot in de 17de eeuw, wanneer, de ontginning en graverij in de Pekel-A beginnende en de voorraad van hooge gronden aanmerkelijk verminderende, eene groote volksverhuizing derwaarts heeft plaats gevonden, zoo als naar Veendam, blijkens de eerste opkomst van die plaats, door den Weleerw. Heer SANNES uitgegeven. Bij de vervolgingen der weerlooze Doopsgezinden in Vlaanderen en elders, schijnt te Giethoorn eene tweede volkplanting te hebben plaats genomen, waarvan beneden nader zal worden gesproken.
     Giethoorn heeft in verschillende tijden rijkelijk in oorlogsrampen gedeeld. Het lag aan de grenzen der Stellingwervers of Stellingwerver-Friezen, en kon dus niet vrij blijven van de herhaalde invallen, welke deze op het gebied der Utrechtsche Bisschoppen deden, al waren deze invallen, gelijk men meent, ook niets anders dan verdedigingen der aanvallen op hunne eigendommen en vrijheden. Onder Bisschop GUIDO, in het jaar 1311, belegerden zij het kasteel van Vollenhove(12 [12. Het verhaal van deze merkwaardige belegering is te vinden bij UBBO EMMIUS L. XIII. Chron. Auctius JOH. DE BEKA IN MATTHEI Analecta Tom. III p. 203.]) en plunderden het nabij gelegene Giethoorn. De Bisschop, juist op eene Kerkvergadering te Vienne in Frankrijk zijnde, keerde ijlings op deze mare terug, ontzette het kasteel, en dwong de Stellingwervers, onder andere voorwaarden van vrede, om ook de schade, die zij

|pag. 75|

aangerigt hadden, te herstellen(13 [13. Chr. Auctius JOH. DE BEKA p. 206. De Bisschop eischte eene genoegzame schadevergoeding voor de belegering van Vollenhove, het brandstichten en rooven, het vernielen van boomen, in het land van Vollenhove gedaan.]). Er is geen twijfel aan, of de plaats zal ook in volgende twisten veel te lijden gehad hebben, met name
bij de gedurige invallen van KAREL, Hertog van Gelre, in het begin den 16de eeuw, onder het verzwakte bestuur der Utrechtsche Bisschoppen.
Onder de twee eerste Stadhouders van het Bourgondische huis, SCHENCK van Toutenborg en MAXIMILIAAN van Egmond, Graaf van Buren, genoot deze omtrek diepe rust; onder den derden, JOHAN DE LIGNIJ, Grave van Aremberg, ontstonden de beroerten om den Godsdienst, wier gevolgen ook hier somtijds zeer drukkend werden, bijzonder gedurende de belegering van Steenwijk in het jaar 1580 en 1581. De Veldoverste NORRITS, gekomen om de stad te ontzetten, zond van Zwartsluis eenige honderd uitgelezene manschappen naar Giethoorn, daar hij vernomen had, dat Hopman OTTO VAN SANT, gewezen Drost van Harderwijk, met zijn nieuw gemaakt Koninklijk Vaandel en sommige paarden lag. Zij verrasten hem en namen hem gevangen, sloegen zijnen zoon en anderen dood, en verstrooiden de overigen. Het dorp werd huis voor huis in den brand gestoken. Dit gebeurde den 15 Dec. 1580.(14 [14. FRESINGA Memoriën in DUMBAR’S Analecta. III D. bl. 352, HOOFT. Nederl. Hist. 17de B. bl. 724.])
Dezelfde Veldoverste legerde zich in den avond van

|pag. 76|

8 jan. 1581, van Meppel komende, te Giethoorn (15 [15. FRESINGA bl. 377.]) en bleef aldaar eenige dagen tot den 18den. Hij deed niets meer, schrijft HOOFT (16 [16. Nederl. Hist. 18de B. bl. 766.]) omdat hij nog eenige hulp verwachtte en geld, om den kwalijk betaalden soldaat wat williger te maken. Den genoemden dag, vroeg in den morgenstond, trok het leger op, geene tweeduizend man sterk, van Giethoorn naar Steenwijkerwold. (17 [17. FRESINGA bl. 395. HOOFT ald.])
Acht dagen later brandden de ruiters van SCHENK, na eenen uitval uit Steenwyk, in wanorde terug trekkende, af, hetgeen er van het dorp nog was staande gebleven, opdat de vijanden daar niet legeren zouden (18 [18. FRESINGA bl. 415. HOOFT bl. 768.]). Toen het tooneel des krijgs zich meer van hier verwijderde, herstelde de tijd deze rampen.
     De Kerk van Giethoorn was oudtijds aan den H. MARTINUS toegewijd, welke ook als Patroon van de geheele streek werd geëerbiedigd. De begeving der priesterlijke bediening geschiedde door eigene kerkmeesters en gemeente, die ook het regt hadden, de bedienaars der vicarijen te benoemen (19 [19. LINDEBORN. C. V. § 7.]). Van het jaar 1615 af komt alhier een predikant der Hervormde Gemeente voor.
Bij de Remonstrantsche twisten was er ENGELBERTUS PODT, niet zonder tegenstand, als verdacht van Sociniaansche gevoelens, predikant, of had zich ingedrongen, gelijk men zulks noemde;

|pag. 77|

doch hij werd ontzet, in weerwil van zijne schuldbelijdenis (20 [20. Bij REVIUS p. 604—608, 615, 616, 618, 628 kan men zien, wat met hem gebeurd is.]). De beroeping van den predikant geschiedt door den kerkeraad. De thans bestaande kerk is eerst in 1664 ter vervanging der oude Roomsche kapel gesticht.
     Behalve de Hervormde gemeente bestaan te Giethoorn nog twee Doopsgezinde gemeenten, waarvan de eene ongeveer vijfhonderd zielen telt, en in wier dienst voorzien wordt door eenen gestudeerden predikant. Deze wordt bij afwezigheid vervangen door twee van de vroeger bestaan hebbende ongestudeerde predikers. De tweede gemeente is die der oude Vlamingers, welke aan het verminderen is. In de 18de eeuw maakte zij wel de helft der bevolking uit. Thans telt zij omtrent twee honderd zielen. Deze wordt bediend door vier zoogenoemde liefdepredikers, daartoe uit de bekwaamste leden gekozen, en welke hiervoor volstrekt geene belooning ontvangen.
De belijders dezer gezindte hebben bijzondere instellingen, als de voetwassching, die echter sedert eenige jaren is afgeschaft, het verbod van buiten de gezindte te trouwen en het houden van gemeenschap met andere gezindten.
     In vroeger tijd was te Giethoorn een Heerenhuis of Slot, het Daalhof geheeten, dat in het begin der 17de eeuw moet zijn afgebroken. Het moet van groote uitgebreidheid geweest zijn, zoo als de fondamenten onlangs bij de verveening van

|pag. 78|

den grond hebben aangeduid. De laatste Heeren waren Tan het geslacht der RENOIJ’S. Van de laatste bezitters, Jonkheeren WILLEM en AART HENDRIK VAN RENOIJ, die in eenen ongehuwden staat leefden, zoude de een den anderen, bij het ontstaan van erge twisten over eene der vrouwelijke dienstboden hebben doodgeschoten, en de overgeblevene zich door de vlugt gered hebben.
     Het geslacht van RENOIJ is eene bekende familie. Aan dezelve behoorde ook de heerlijkheid Spijk in Zuid-Holland toe. In de 11de generatie van het geslacht van VAN DER DUSSEN komt voor KORNELIA geb. 1622, huwde aan AART JAN VAN RENOIJ. Zij stierf 1661. In het geslacht BRONKHORST wordt vermeld EWALDA, die tot man had SERVAAS VAN RENOIJ, broeder van Mr GERRIT VAN RENOIJ, rekenmeester te ’s Hage, overleden omtrent 1600 zonder kinderen.
Uit eene der vrouwelijke lijnen zijn te Giethoorn nog afstammelingen over, die meest de voornamen van AART en WILLEM, en, voor de vrouwen, MACHTELD voeren. MACHTELD SLOET VAN RENOIJ staat vermeld op den kelk, dien zij bij de bediening van het Avondmaal in de Gereformeerde kerk gegeven heeft. Deze vrouwelijke afstammelingen zijn nog in het bezit van eene bank, die bij het gemelde Slot Daalhof behoord heeft, en eigenaren van eenen grafkelder, in deze kerk aanwezig, waarin velen van het geslacht RENOIJ, of de bezitters van het genoemde Slot begraven liggen.

F.A. EBBINGE WUBBEN.

_________
Ebbinge Wubben, F.A. (1836) Geschiedkundige herinneringen van Giethoorn. OAvOeL, 2, 67-78.

Category(s): Giethoorn
Tags:

Comments are closed.