Terechtstelling van eenige Melchiorieten te Kampen

[pag. 57]

TERECHTSTELLING VAN EENIGE MEL-

CHIORIETEN TE KAMPEN.

_______

     Onder de voorstanders van den doop op belijdenis (Melchiorieten, naar hun leeraar MELCHIOR HOFFMAN geheeten, schoon zij zelven zich ’t liefst Bondgenooten noemden), werd te midden der hevigste vervolging plotseling, niemand wist hoe of vanwaar, in duizenden afschriften een noodiging verspreid, om zich den 24en Maart 1534 naar het klooster van S. Agnietenberg bij Zwolle in Overijsel te begeven, ten einde van daar uit gezamenlijk naar Munster te trekken, dat hun als de eenige plaats der behoudenis, als het Nieuwe Jeruzalem, als het oord der wederkomst van Christus werd voorgesteld.
     Terwijl gevangenis en foltering, terwijl de ontzettendste dood de armen bedreigde, terwijl zij in gevaar stonden ieder oogenblik al het hunne te verliezen, terwijl zij hunne godsdienstige overtuiging in geenerlei opzicht vrij mochten volgen en de geesten door gestadige onrust en vrees overprikkeld waren, - was ’t niet vreemd dat velen, zelfs de anders gematigden, de stille

[pag. 58]

vromen onder hen, de uitnoodiging als een stem des hemels wilden volgen.
     Alleen uit den omtrek van Amsterdam, scheepten er zich 3000,mannen, vrouwen en kinderen in, omde Zuiderzee over te steken. Maar ook de overheid wist het en kende het doel van den tocht. ’t Hof van Holland had de regeering van Kampen gewaarschuwd en bevolen de vluchtelingen aan te houden, wanneerde schepelingen Genemuiden zouden bereiken. Dit bevel werd nauwkeurig uitgevoerd. BURCHARD VAN WESTERHOLT en OTTO VAN RECHTEREN, de eerste drost van Vollenhove, de laatste schout van Genemuiden, hielden de reizigers te Genemuiden aan, terwijl de stad Kampen vier raadsleden, GERARD LOESE, TYMEN VAN DEN VENE, CLAES CROESER en JOHAN VAN DER VECHT derwaarts zond.
     De stad Kampen zond oogenblikkelijk den 25en Maart van het gebeurde bericht aan den raad des Konings in Holland, tevens vragende, hoe met de gevangenen, die zij wegens hunne «onnoozelheid» voorsprak, gehandeld moest worden, en ontving van dezen een schrijven terug van den 27en Maart, dat o.a. de volgende bijzonderheden bevat: «Eedele wyse, voorsichtige, gunstige, lieve heeren. Wy gebieden ons zeer tot uwer lieffden, gevende deselve te verstaen, hoe wy up huyden uwe scriften up gisteren gescreven, dairby v belieft heeft ons te aduerteren dat tot Genemuyden eerst zesse schepen ende nae noch een en twintich scepen vol volcx, mans, wyffs ende kinderen mit vyfftien hondert spiessen, veel haeckbussen (1 [1. Een soort schietgeweer]), slachzwaerden, hellebaerden ende alderhande geweer ende mit vier vaengens (2 [2. Vaandels]) ende trommen

[pag. 59]

doer onse scriften (3 [3. Sic: maar ’t zal wel schrijffout voor scuyten zijn.]) ende anders aengehaelt, ontfangen hebben ende dairby vernoemen, hoe huere scepen ontroert, zeyloes (4 [4. Van roer en zeilen beroofd.]) gemaect ende die scuyten van huere scepen met oick alle huer geweer voorsz. hen benoemen is, zoe dat zy nergent heen comen kunnen, waer om wy uwer E. L. zoe wy meest kunnen ende mogen bedancken ende dencken te verschulden ende bekennen (5 [5. Met wederdienst beantwoorden en dankbaar erkennen.]).» De raad geeft vervolgens een verslag, hoe er gehandeld is met de Wederdoopers, die in zeven schepen te Spaarndam waren aangehouden o.a. met: ,,seuen principaels leeraers ende insetters deser secte Melchiorite, die welcke wy op gisteren bynnen der stadt Haerlem hebben doen rechten mitten zweerde ende haere lyven op raiden ende staken doen stellen (6 [6. Register Kamper Archief no. 1861.]).» Kampen kon daaraan dus een voorbeeld nemen, hoe men met dergelijke personen had te handelen. Intusschen schijnt de regeering dezer stad meer met medelijden dan met wraakzucht deze personen beschouwd te hebben. Althans de vrouwen en kinderen liet men bijna allen terstond ongestoord vertrekken, terwijl alleen eenige hoofden weggevoerd werden, deels naar Zwolle, deels naar Kampen, om daar terecht te staan.
     Zij, die te Kampen in hechtenis kwamen, werden dikwijls verhoord, en eindelijk in Februari 1535 terecht gesteld. Hun aantal bedroeg vier, en hunne namen waren GHELE HAME, HILGUNDT, de moei van dezen, WARNER TUTE en MICHIELL die boeckvercoeper van Leyden. Omtrent hunne bekentenissen vond ik in het Oervedenboek fol. 297 het volgende aangeteekend:

[pag. 60]

GHELE HAME.

     Soe hefft GHELE HAME friese, bekent dat hy omtrent xiiii dagen voer Kersmisse een jair verleeden wedergedoept is, ende dat hem sulcx noch niet leet, dan daer jnne volhardich js ende niet salich solde moegen worden, ten waere dat hy andermaell verdoept ware.
     Item geloefft oick niet dat onder die gedaente des broets by den priester jn den misse geconsacreert, waerafftich vleys ende bloet Jhesu Christi js, dan secht sulcx alleene is een gehoechnisse (7 [7. Geheugnisse, gedachtenis, aandenken.]) offt memorie onsz heren.
     Item geloefft oick niet dat Christus Jhesus eedtwets der mynschelicheit (8 [8. Iets van de menschelijkheid.]) van Maria syne gebenedider moeder ontfangen hefft, dan alleene ontfangen is van den hilgen ghiest ende geboeren van Maria.
     Item heftt oick van den constitutien (9 [9. Inzettingen.]) der hilligen kercken niet geholden, dan op vridagen gelicx op anderen daegen vleisch gegeten wanneer tselve hem wordt voergeset.
     Item om GHELEN voersz. myt scriftte te onderrichten synen tot iiii diverse tyde die geleerste die men heeft konnen becoemen, van bynnen ende buyten de stadt tot vi, vii toe by hem geschickt, om hem van den voersz. dwalinge toe brengen, dan is onbatelyk (10 [10. Zonder baat, vruchteloos.]) gewest ende totten tydt van x weken in der gevancknisse sittende, in den voersz. dwalinge gepersisteert, hebben oick syn broeder ende neue by hem gewest, ende van syn dwalinge niet konnen brengen.
     Item nae den tydt van thien weken syndt die broeder ende neue voersz. mytten pastoer van Franeker al-

[pag. 61]

hier gecoemen ende begeert bij GHELEN voersz. te wesen, dat hem vergunt is, ende soelange geinformiert, dat hy ten laesten becant heft int artikel! der wederdoepe gedwaelt thebben, ende dat hem leet is, dat hy andermael gedoept is, dan is in der dwalinge ende ketterie des sacraments tot die tyet volhaerdich gebleven.
     Item des anderen dages syndt iiii van den Raide myt die voersz. iii bloetsverwanten van GHELEN voersz. ende onse pastoer ende capellaen weder by hem gecoemen, daer diverse scriftuere voergebrocht syn, om hem van den voersz. ketterie te brengen, dat onbatelick is geweest, dan int wtgaen van de gevanckenisse hefft hy die geschickte (11 [11. Afgezondenen]) van den Raede weder begeert te spreken, ende gesacht, dat hy kent int voersz. artikel des sacraments gedwaelt te hebben, ende geloeft doer informatie hem gedaen, dat daer waerafftich vleisch ende bloet Jhesu Christi is.

HILGUNDT, GHELEN moye.

     Item HILGUNDT GHELEN voersz. moye bekent dat se oick xiiii dage voer Kersmisse over een jaer in Vries-landt tot Arum in hoers selues huys van PETER HOLTSAGERS wedergedoept is, ende tot Genemuyden gewest ende mede angehaelt, dan ghien loffnisse gedaen, oick niet anders dan hoer gelt van hoer geeyschet, ende sulcx hebn gesecht dat se well reysen mochte.
     Item hefft oick ’t gevoelen van allen articulen voersz. gelicx GHELE hoer neue ende persistiert daerby.
     Item synnen oick diuerse geleerde by haer geschickt woe voer geroert, ende is alleenlich gebrocht tot leetwe-

[pag. 62]

sen der wederdoepe, ende toe der tydt in alle anderen dwalingen volhardich gebleuen. Dan is omtrent iii dagen daer nae tot kentnisse gecoemen, gesacht ende bekent, in alle voersz. articulen gedwaelt te hebben.

WARNER TUTE.

     WARNER TUTE beliede dat hy bynnen Deuenter bynnen thien daegen then huyse van eenre genant TRUYDE CREUERS, woenende by den Noerenbarger poerte wedergedoept is, van eenen genoempt HENRICK KISTEMAECKER van Zuytphen, (12 [12. Deze hield zich destijds in Overijsel op en wordt in een bekentenis van Wederdoopers te Deventer van 1531 «een principaal doeper» genoemd. Overijss. Alman. 1839, bl. 150.]) ende worde aldaer gebracht van JOHAN WEUERS huysfrou. Ende dat JOHAN hoer man hem angelanget hadde offt hy myt hem toe velde wolde, hy hadde een harnas gecofft, dair solde cortelick eene vergaderinge geschien, dan waer ter plaetsen waere hem onbewust, die Vader hadde die plaetse versien, ende alsdan solden die basunen wtten hemel blaesen ende alsdan solde een ylyck oick bereyt wesen. Ende ALBERT VAN COETEN, JAN CLAESZ ende JOHAN TAEDE synen syn fautores gewest.

MICHIELL die boeckvercoeper van Leyden.

     MICHIELL beliet dat hy op Sincte Cathrinendach (25 Nov.) toe Deventer in JACOB VAN WILSUMS (13 [13. Ten huize van Jacob van WIJNSSEN, van 1528-1534 schepen van Deventer, hadden menigvuldige vergaderingen der Wederdoopers plaats. Zie a.w. bl. 157 vgl. DE HOOP SCHEFFER, Gesch. der Herv. bl. 471.]) huys verdoept is van den seluen HENRICK KISTENMAECKER ende dat hy aldaer dorch verscheyden wegen van HANS-

[pag. 63]

KEN LUKENER (14 [14. HANSKEN LUKENER is zeker dezelfde als HANSKEN VAN GELEN. Hij was een Deventer burger en vroeger een ervaren hopman geweest. In 1534 nam hij deel aan de Munstersche buitensporigheden, van de inneming van ’t klooster te Bolsward en stond aan ’t hoofd der Amsterdamsche samenzwering, waarbij hij ’t leven inschoot.]) gebrocht is. Ende MICHIELL voersz en geloeuet oick niet van ’t sacrament, ende holt oick niet van den constitutie ende insettinge der hilger kercken, noch van Maria die moeder Godes, dat Godt die Heere die mynschelickheyt van Maria ontfangen hefft.

     Den 15en Februarij soe synnen GHELE, WARNER ende MICHIELL voersz. mytten sweerde gerichtet, ende HILGUNT is in eenen sack gesteken ende in ’t water geworpen.

| TYMEN VAN DER VENE.
Stockmeysters |
| CLAES KROESER.

     Ze werden dus alle vier ter dood gebracht, de mannen onthalsd, en de vrouw HILGUNT in een zak gestoken en in ’t water geworpen.
     In de stedelijke rekeningen van dit jaar vindt men omtrent deze executie nog het volgende opgeteekend: «Item betaelt TYMEN VAN DEN VENE ende CLAES CROESER alse stockmeisters, van den vier wedergedoepten als GIELE, HILGUNT, MICHIELL ende WARNER TUTE, ter pine ende ter justitie gestalt, daer oick by was CLAES KRUSE ende ERNST VAN IJSSELMUYDEN, fac. 21 h. q vj st. br. ii pl.» (15 [15. Zie de door mij uitgegevene Kameraars- en Rentmeestersrekeningen van Kampen van 1515-1540, bl. 74.])
     Merkwaardig is de ijver der regeering die in deze verhooren doorstraalt, om de gevangenen tot den Katholieken godsdienst terug te brengen. Immers, waartoe anders de geleerdste personen bij elkander gezocht, om toch deze eenvoudige lieden te overtuigen, dat ze in dwaling verkeerden?

[pag. 64]

     Ondoordacht was intusschen deze maatregel der regeering niet. Immers den indruk, die het naar buiten maakte, indien ze in den schoot der Kerk terugkeerden, zou voor de Kerk veel gunstiger zijn, dan wanneer ze stierven als martelaars voor eene der Katholieke Kerk vijandige godsdienstige richting. Daarbij kwam nog, dat de overheid, die de hardnekkige ketters volgens de plakkaten tot den brandstapel had moeten veroordeelen, nu volstaan kon met een lichtere doodstraf.
     Bij de geëxecuteerden werd nog bevonden een som van honderd en vijfentwintig karelsguldens aan geld, waarover eenig geschil ontstond. De schout van Kampen, CLAES WITTE, beweerde dat dit geld aan den raad der stad behoorde, daar de schout met de misdadigers niets uit te staan had, dan dat hij er bij geroepen wordt, wanneer men ze ter dood veroordeelt; de stadhouder GEORGE SCHENK daarentegen hield vol, dat dit geld aan den keizer vervallen was, als behoorende aan hem de hooge justitie. Het gevoelen van den schout schijnt gezegevierd te hebben. (16 [16. Register op ’t Kamper-Archief No. 1866.])
     Den 28en Januari van dat jaar ontving Kampen een brief van Deventer, waarin de regeering dezer stad berichtte, dat ze sommige burgers in de gevangenis had doen zetten omdat ze behebt waren: «mitter erroer ende dwalinghe der Anabaptistarum off Wederdoepers ende oick eyne, die nyet en geloeuet dat onder die figuer ende gedaentenisse des broeds van den priester in der missen consecriert, begrepen ende beholden sy waerachtich vleyss ende bloet Christi Jesu, myt voel meer andere wangeloeven.» Ze heeft het voornemen deze personen ter dood te doen brengen, doch daar ze vernomen had, dat er te Kampen personen in hechtenis zijn, met dezelfde dwalingen besmet,

[pag. 65]

rekent zij het van belang, dat de drie steden op gelijke wijze tegen dergelijke ketters maatregelen nemen, en dat de eene stad ze niet strenger straffe dan de andere. Ze noodigt derhalve Kampen uit, om op den 1en Februari te Windesheim eene vergadering bij te wonen, waartoe ze Zwolle ook heeft aangeschreven, teneinde aldaar de zaak te bespreken; zij verzoekt die van Kampen zich vooraf over dit punt te verstaan «mit enigen grontgeleerden mannen geestelicken off wertlycken.» (17 [17. Register op ’t Kamper-Archief No. 1865. Vgl. hierover den aangeh. Overijs. Alm. 1839, bl. 144-146.]) Wat er op die samenkomst werd besloten is mij onbekend; in de dagvaartboeken van het Kamper-archief wordt dienaangaande niets gevonden.
     Het schijnt wel, dat sedert dien tijd te Kampen weinig acht meer op de Wederdoopers werd geslagen, of dat ze zich in deze stad en in haren omtrek niet meer ophielden; althans het eerste bericht, dat ik sedert dien tijd in het archief vond, is de volgende veroordeeling van een wederdooper in 1540, mede in bovenvermeld oervedenboek voorkomende, van den volgenden inhoud:

Anno xl den xiiii Junij.

     PETER JANSS geboeren wten BLANCKENHAM heft bekent dat hy omtrent vier jaeren verleden te Oldersom in Oistvrieslant anderwerue gedoopt is van eenen priester genoempt Mynno, die bij die gelegentheit (18 [18. Hier is zeker iets uitgelaten, men zal waarschijnlijk moeten aanvullen: «sachte dat he.»]) eertijds pastoer gewest hadde. Desse PETER voersz. is ’t hoeft affgehouwen ende op eene staeke gesath.

| ELART CROMME.
Stockmeysters |
| JAN VAN VROK.

[pag. 66]

     Merkwaardig is deze veroordeeling vooral omdat de persoon daaringenoemd verklaart, voor vier jaren, dus in 1536, te Oldersum in Oostfriesland gedoopt te zijn door zekeren MYNNO, die vroeger priester was geweest. Zouden we niet mogen gissen, dat deze gewezen priester niemand anders is geweest dan MENNO SIMONS? Is dit het geval, dan is het eene kleine bijdrage tot de kennis van dat tijdperk van MENNO’S leven waarvan CRAMER zegt: (19 [19. Leven van MENNO SIMONS, bl. 64.]) «Van af 1536 is ons van MENNO’S huiselijk leven of bijzondere omstandigheden bijna niets bekend, men weet soms in lange tijden niet waar hij zich opgehouden hebbe.»
     Sedert vond ik omtrent hen niets meer dan een brief van MARIA van Hongarije, regentes der Nederlanden, den 31 Mei 1544 aan den Kamper magistraat gericht, waarin ze, naar aanleiding van het vatten van eenige Wederdoopers te Utrecht, van wier aanhangers en medeplichtigen door den schout dier stad aan Kampen de namen waren medegedeeld, de overheid uitnoodigt, om alle wederdoopers of volgelingen van BATENBURG of DAVID JORIS, die zich onder hun gebied mochten vertoonen, te vatten en terecht te stellen. Ze dringt er verder op aan, dat men zich daarin zoo ijverig betoone, als men voor God en den keizer kan verantwoorden, daar bij traagheid of onverschilligheid in dezen, het kwaad bij den dag zal toenemen. (20 [20. Register op ’t Kamper- Archief. No, 1964.])

     Kampen.                                             Mr. J.Nanninga Uitterdijk.

Category(s): Kampen
Tags: , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *