Slotbeschouwing


Slotbeschouwing

Het doel van deze studie was een antwoord te vinden op de vraag hoe de tweede religieuze vrouwenbeweging in de Noordelijke Nederlanden na 1380 verklaard kan worden. Hiertoe is een systematische vergelijking gemaakt van de vrouwenconventen en -kloosters die in het kader van de tweede religieuze vrouwenbeweging in Zwolle en Leiden ontstonden. Met behulp van institutioneel en prosopografisch onderzoek is enerzijds gekeken naar het ontstaan en het functioneren van de gemeenschappen, anderzijds naar de relaties met de omgeving. De belangrijkste deelvragen van het onderzoek richtten zich, in vergelijkend perspectief, op de totstandkoming en het functioneren van de huizen, de activiteiten van de zusters, de economische situatie van de gemeenschappen, de institutionele ontwikkeling, de achtergrond van de zusters en ten slotte de relaties met de stedelijke omgeving. De achterliggende gedachte van de vergelijking was de in de literatuur geformuleerde ‘oost-west-hypothese’ dat de vrouwenhuizen in het IJsseldal een andere institutionele ontwikkeling doormaakten dan die in Holland.
     De tweede religieuze vrouwenbeweging was na 1380 duidelijk zichtbaar in Zwolle en Leiden. Deze steden maakten in de veertiende eeuw een proces van urbanisatie door.
In Zwolle kwamen binnen een aantal decennia zeven religieuze vrouwengemeenschappen tot stand, in Leiden 21. De precieze gang van zaken bij de stichting van de huizen kon niet altijd achterhaald worden. Wel is duidelijk dat er twee typen stichters waren: enerzijds vrouwen of priesters die een groepje devote vrouwen bijeenbrachten en anderzijds leken die kapitaal of een woning beschikbaar stelden, waardoor een groep devote vrouwen in staat gesteld werd om samen een religieus leven te gaan leiden, of om hun bestaande religieuze leefwijze voort te zetten. Zorg voor het zielenheil was een belangrijk motief tot de stichting van een religieuze gemeenschap. Daarnaast speelden aardse zaken zoals prestige en familiepolitiek een rol. In beide steden is de invloed van de Moderne Devotie op de totstandkoming van de vrouwenhuizen onmiskenbaar. De opvatting dat de tweede religieuze vrouwenbeweging direct voortkwam uit de Moderne Devotie moet echter genuanceerd worden; het is eerder zo dat de moderne devoten richting gaven aan de nieuwe religieuze gevoelens die hun oorsprong hadden in de grote sociaal-maatschappelijke veranderingen van de veertiende eeuw.
     Een belangrijk kenmerk van de vrouwenhuizen die na 1380 in Zwolle en Leiden ontstonden, is de institutionele diversiteit. De 28 Zwolse en Leidse gemeenschappen kunnen onderverdeeld worden in een begijnhuis, devote gemeenschappen, zusterhuizen van het gemene leven, tertiarissenconventen, reguliere kanunnikessenkloosters, een convent van de derde orde van Sint-Dominicus en ten slotte een klooster van de tweede orde van Sint-Dominicus. Om de tweede religieuze vrouwenbeweging te kunnen karakteriseren, is het maken van een onderscheid tussen gemeenschappen met een verschillende signatuur van groot belang. In de praktijk is dit soms lastig, vanwege de inconsistente terminologie in de bronnen en het feit dat gemeenschappen in de

|pag. 297|

_______________↑_______________

loop van hun bestaan van leefwijze veranderden. De veronderstelling dat religieuze vrouwengemeenschappen zonder kerkelijk erkende regel zusterhuizen van het gemene leven zijn, is onjuist. Uit onderzoek naar de vroege fase van de gemeenschappen blijkt dat een dergelijke karakterisering voorbarig is, aangezien talloze gemeenschappen (aanvankelijk) aantoonbaar geen gemeenschappelijk leven kenden. Qua signatuur vertonen de Zwolse gemeenschappen enerzijds en de Leidse anderzijds overigens aanzienlijke verschillen. Zwolle telde een begijnhuis, devote gemeenschappen, zusterhuizen van het gemene leven en uiteindelijk ook twee kloosters van reguliere kanunnikessen. De Leidse gemeenschappen waren devote gemeenschappen, zusterhuizen van het gemene leven, tertiarissenconventen, reguliere kanunnikessenkloosters, een convent van de derde orde van Sint-Dominicus en ten slotte een dominicanessenklooster. Uiteindelijk werden uit het totale huizenbestand zeven Zwolse en 16 Leidse vrouwengemeenschappen van verschillende signatuur voor het onderzoek geselecteerd.
     Een vrouwenconvent of -klooster bestond uit een groep vrouwen die binnen de gemeenschap verschillende posities bekleedden. Begijnhuizen, devote gemeenschappen en zusterhuizen van het gemene leven telden zusters. Conventen van de derde orde van Sint-Franciscus bestonden uit postulanten, novicen en zusters. Kloosters die de regel van Sint-Augustinus volgden, telden postulanten, novicen, monialen en lekenzusters. De leiding van een vrouwengemeenschap bestond uit een mater of priorin, een ondermater of subpriorin, een procuratrix en ten slotte een rector (de biechtvader). De tertiarissenconventen van het Kapittel van Utrecht kenden geen ondermater of subpriorin. Om een gemeenschap draaiende te houden, waren er tevens niet-bestuurlijke ambten die door bepaalde zusters vervuld werden. Het totale aantal zusters dat in de gemeenschappen leefde, is in de literatuur veelal onderschat. Over het algemeen telden de Leidse huizen meer zusters dan de Zwolse. In de meeste gemeenschappen doorliepen nieuwe zusters eerst de stadia van postulante en novice. Na de proeftijd van een novice kon de professie afgelegd worden. De professieformule was afhankelijk van de signatuur van de betreffende gemeenschap. In kloostergemeenschappen bevatte de formule de drie geloften van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid. In de derde-ordeconventen werd aanvankelijk slechts kuisheid beloofd. In de loop van de vijftiende eeuw werden ook in tertiarissenconventen de drie geloften afgelegd. Uit de bronnen blijkt dat het bij gemeenschappen van verschillende signatuur niet verplicht, maar wel gebruikelijk was om een medegave in te brengen bij intrede. Vooral het voorkomen van medegaven in zusterhuizen van het gemene leven en derde-ordeconventen kan verrassend genoemd worden, omdat deze bevinding ingaat tegen uitspraken die totnogtoe in de literatuur gedaan zijn. De medegaven hadden in de door ons onderzochte huizen over het algemeen een kleinere omvang dan die in traditionele kloostergemeenschappen.
     Ondanks de institutionele diversiteit is er bij alle onderzochte gemeenschappen sprake van een leefwijze die in essentie kloosterlijk is. Uit het onderzoek komen slechts kleine verschillen in de devote oefeningen naar voren. Het feit dat statuten van verschillende congregaties van elkaar afgeleid zijn, speelt hier een belangrijke rol in.
Dat de zusters eerder een contemplatief dan een actief leven leidden, blijkt uit het feit dat ze zich amper bezighielden met maatschappelijke taken, zoals ziekenzorg.
Wanneer we het geheel van devote oefeningen overzien, blijkt dat de vrouwenhuizen

|pag. 298|

_______________↑_______________

dezelfde vorm van ascese in de praktijk brachten, waarbij slechts de mate van strengheid varieerde. In gemeenschappen die een kloosterregel volgden, was de ascese het meest streng, in gemeenschappen zonder kerkelijk erkende regel het minst. Ook wat de spiritualiteit betreft, vertonen de verschillende gemeenschappen grote overeenkomsten. Boekencollecties overschrijden moeiteloos de grenzen van de verschillende leefwijzen. Geestelijke lectuur diende als middel tot hervorming van het innerlijk leven.
Het uiteindelijke doel van de devote oefeningen was de vereniging met de hemelse bruidegom. De onderzochte gemeenschappen behoorden spiritueel gezien tot de beweging van de Moderne Devotie (met als uitzondering wellicht het Leidse Witte-Nonnenklooster).
     Alle vrouwenhuizen begonnen klein en bescheiden in een woonhuis, ongeacht hun signatuur. In de loop van de vijftiende eeuw ontstonden grotere convents- en kloostercomplexen. In Leiden oefende de pastoor invloed uit op de omvang van de terreinen in zijn parochie. In Zwolle was het de magistraat die de ontwikkeling daarvan beïnvloedde. Het stadsbestuur bepaalde welke huizen de gemeenschappen ten behoeve van hun woongebied mochten verwerven. Sommige vrouwengemeenschappen verhuisden in de loop van hun bestaan naar een andere locatie. De reden voor een verhuizing was veelal de groei van het aantal zusters, waardoor de aanvankelijke vestigingsplaats te klein werd. Zowel voor de Leidse als de Zwolse gemeenschappen is er geen relatie tussen een verplaatsing en een verandering van leefwijze aantoonbaar. In het onderzoek naar de financiële positie van de vrouwenhuizen was een volledige reconstructie van de bezittingen, inkomsten en uitgaven niet mogelijk, vanwege het fragmentarische karakter van het bronnenmateriaal. Het is wel gebleken dat de gemeenschappen zeer diverse bronnen van inkomsten en uitgaven hadden. De Zwolse gemeenschappen verwierven als gevolg van een restrictief stedelijk beleid amper onroerende goederen. Ondanks alle beperkingen van het bronnenmateriaal kunnen we stellen dat er geen directe relatie is tussen de signatuur en de rijkdom van een gemeenschap. Het is niet zo dat regularissenkloosters over het algemeen rijker waren dan tertiarissenconventen. In Leiden is eerder het tegendeel het geval: de vier meest gegoede vrouwenhuizen behoorden tot de derde orde van Sint-Franciscus (waarbij de onderlinge verschillen tussen deze conventen overigens aanzienlijk waren). In de zestiende eeuw zien we een algemeen proces van verarming van de gemeenschappen optreden.
     De meeste gemeenschappen volgden aanvankelijk geen kerkelijk erkende regel. In de loop van de vijftiende eeuw vond een proces van institutionalisering plaats: de ontwikkeling van een samenlevingsvorm zonder kerkelijk erkende regel naar de uiteindelijke vorming van een klooster. Hiermee samen hing een verandering in de kerkrechtelijke status van de zusters van leken naar religieuzen die de kerkelijke vrijheden genoten. Het verkloosteringsproces vertoont belangrijke regionale verschillen.
In de literatuur is al vaker gesignaleerd dat de gemeenschappen in Holland snel en massaal verkloosterden, terwijl de huizen in het IJsseldal lang vasthielden aan hun niet-kloosterlijke status. De eerste fase in het verkloosteringsproces, de losmaking van vrouwenhuizen uit het parochieverband, begon in Leiden al aan het eind van de veertiende eeuw. In Zwolle vond de losmaking in verschillende fasen en na langdurige geschillen plaats. De verklaring hiervoor ligt niet in een wezenlijk verschil tussen Holland en het IJsseldal, maar in de verschillende organisatievorm van de parochies. In Zwolle waren de parochierechten in handen van het kapittel van de Deventer Sint-

|pag. 299|

_______________↑_______________

Lebuïnuskerk, dat daarmee beschikte over een monopoliepositie. In en om Leiden bestonden verschillende parochies, die elkaar beschouwden als concurrenten en daardoor toeschietelijker waren. De tweede fase in het verkloosteringsproces betreft de invoering van de clausuur. Of er sprake was van besluiting of niet, hangt samen met de specifieke leefwijze van een gemeenschap. Kloostergemeenschappen waren altijd besloten. Derde-ordeconventen voerden veelal in de loop van de vijftiende eeuw de clausuur in. Begijnhuizen, devote gemeenschappen en zusterhuizen van het gemene leven kenden geen clausuur, maar hier werd door middel van statuten het contact met de buitenwereld beperkt. Dit gebeurde ook in de tertiarissenconventen die niet besloten waren. Vrijwel alle onderzochte gemeenschappen voerden in de loop van hun bestaan een strengere leefwijze in, hetgeen beschouwd kan worden als de derde fase in het verkloosteringsproces. De Zwolse gemeenschappen begonnen, in tegenstelling tot hetgeen in de literatuur aangenomen werd, over het algemeen niet als zusterhuis van het gemene leven, maar als devote gemeenschap. Ze voerden pas in de loop van de vijftiende eeuw een gemeenschappelijk leven in. Twee zusterhuizen namen in het laatste kwart van de vijftiende eeuw de regel van Sint-Augustinus aan. In Leiden zien we devote gemeenschappen en zusterhuizen van het gemene leven die de derde regel van Sint-Franciscus of de regel van Sint-Augustinus aannamen. Daarnaast waren er tertiarissenconventen die overgingen naar de orde van Sint-Augustinus.
     Een belangrijke vraag is die naar de praktische gevolgen van een strengere leefwijze of regelaanname. Ondanks veranderingen in de dagindeling was er in grote lijnen toch vooral sprake van continuïteit, bijvoorbeeld op het gebied van de zielzorg. De aanname van een kloosterregel, gepaard gaand met de clausuur en het afleggen van de drie kloostergeloften, was het meest ingrijpend. Er zal in deze gevallen een overgangsfase geweest zijn waarin bekeken kon worden of de gemeenschap de zwaardere financiële lasten kon dragen en waarin de zusters zich konden voorbereiden op de verzwaring van hun liturgische taken (het koorgebed). De primaire bronnen maken vooral melding van spirituele motieven voor verkloostering, hetzij bij de zusters, hetzij bij hun zielzorgers. Een strengere leefwijze garandeerde in hun ogen een beter geestelijk leven. Om het verkloosteringsproces te kunnen verklaren, moet echter niet alleen gekeken worden naar de interne dynamiek van de tweede religieuze vrouwenbeweging, maar ook naar omgevingsfactoren. Zo is de rol die de stedelijke magistraat speelde in het al dan niet aannemen van een regel onderbelicht gebleven in de historiografie. In Zwolle werkte de stedelijke magistraat de overgang van de huizen naar een andere leefwijze tegen, omdat de gemeenschappen aanvankelijk wereldlijke vergaderingen waren die makkelijker te controleren waren dan kloosters, aangezien ze niet onder het canonieke recht vielen. Het is belangrijk te beseffen dat de regionale verschillen in het verkloosteringsproces niet verklaard kunnen worden vanuit een verschil in spiritualiteit tussen het IJsseldal en Holland. We moeten eerder denken aan lokale factoren zoals medewerking (of in ieder geval geen tegenwerking) van de pastoor en het stadsbestuur. Zij hadden bijvoorbeeld in Zwolle een remmende invloed op het verkloosteringsproces. Daarnaast speelde in dat proces de invloed van bepaalde personen en netwerken een grote rol. In Holland bevonden zich in de eerste helft van de vijftiende eeuw specifieke personen die zich op bovenlokaal niveau inzetten voor verkloostering.
     Met behulp van de prosopografische methode is onderzoek verricht naar de zusters in de Leidse en Zwolse gemeenschappen. De populatie van 1017 Leidse en 397 Zwolse

|pag. 300|

_______________↑_______________

zusters is verre van compleet. De identificatie van de zusters, te verstaan als het achterhalen van familieleden in de wereld, hangt nauw samen met de naamsvorm in de bronnen. Vooral van zusters met een familienaam werden familieleden bekend. Er was sprake van nauwe familiebanden binnen en tussen de huizen. Veel Leidse zusters waren afkomstig van het platteland om de stad, hetgeen verklaart waarom hun familiale en sociale achtergrond niet achterhaald kon worden. De Zwolse gemeenschappen rekruteerden vaker dan de Leidse uit de stad zelf. Het kleine aantal zusters waarvan de sociale achtergrond achterhaald kon worden, bleek een diverse herkomst te hebben. De zusters waren vaker afkomstig uit het stedelijk patriciaat dan uit de adel. Adellijke zusters kunnen gerekend worden tot de lage adel. Er bleek een correlatie te bestaan tussen de identificeerbaarheid van de zusters en de mogelijkheid tot het achterhalen van hun sociale achtergrond: van relatief veel zusters van wie familieleden in de wereld bekend zijn, werd de sociale achtergrond achterhaald. Gezien het algemeen verbreide gebruik van familienamen binnen de Leidse elite is het niet aannemelijk dat de zusters zonder familienaam uit diezelfde elite afkomstig waren. Er is geen relatie geconstateerd tussen de leefwijze van een gemeenschap en de sociale achtergrond van haar inwoonsters. De zusters die een bestuurlijk ambt in een gemeenschap vervulden, hadden dezelfde sociale achtergrond als de andere zusters. Uit een analyse van de minimale verblijfsduur van de zusters in de vrouwenhuizen blijkt dat zo’n 30 tot 40% van hen bij intrede niet volwassen was. Opvallend is het vrijwel ontbreken van weduwen in de huizen.
     De vrouwenhuizen die na 1380 in de Noordelijke Nederlanden ontstonden, functioneerden in een stedelijke context. De aanwezigheid van de talloze religieuze gemeenschappen in de stad werd enerzijds positief beoordeeld vanwege de voorbedefunctie voor de omringende samenleving. Anderzijds had die aanwezigheid bepaalde gevolgen die voor de lokale bevolking ongunstig waren. De relatie tussen de huizen en de stedelijke omgeving was dan ook ambivalent. Enerzijds was er sprake van begunstiging van de gemeenschappen (bijvoorbeeld in de vorm van schenkingen), anderzijds waren er spanningen die konden uitmonden in conflicten. Het is in de literatuur totnogtoe te weinig gesignaleerd dat de moderne devoten naast aanhangers ook tegenstanders hadden, die niets van de nieuwe religieuze idealen moesten hebben. Concrete geschillen tussen de inwoners van de stad en de vrouwenhuizen draaiden veelal om alledaagse, praktische zaken. Uit de bronnen spreekt echter ook onbegrip voor de idealen van de religieuze vrouwen, evenals een dieperliggende vijandigheid vanwege de concurrerende activiteiten van de zusters in de textielnijverheid.
     De houding van het wereldlijk gezag ten opzichte van de vrouwenconventen verschilde nogal in de onderzochte steden. In Zwolle nam de magistraat al vanaf het eind van de veertiende eeuw maatregelen die de autonomie van de vergaderingen beperkten. Het tegenwerken van de gemeenschappen vond een hoogtepunt in het gildenregime dat van 1415 tot 1416 in Zwolle heerste. De Leidse magistraat stond aanvankelijk positiever tegenover de vrouwenhuizen. Die houding veranderde pas na het ontstaan van concrete problemen en klachten daarover van de wereldlijke bevolking. De verschillende houding van de stedelijke magistraten in Zwolle en Leiden kan verklaard worden uit het feit dat in Zwolle zowel de zittende magistraat als de ‘aspiring class’ zich direct bedreigd voelden door de opkomst van de gemeenschappen. Die trachtten namelijk onroerend goed te verwerven, terwijl grondbezit een belangrijke

|pag. 301|

_______________↑_______________

voorwaarde was voor een plaats in de magistraat. In Leiden speelde dit niet, omdat deze voorwaarde niet bestond en omdat de meeste gemeenschappen pas tot stand kwamen na de afsluiting van het patriciaat. De Leidse magistraat maakte zich in de vijftiende eeuw vooral druk om het spanningsveld rond de betaling van accijns en hoofdgeld door de vrouwenhuizen. De kwestie van de amortisatie, die nauw samenhing met het bezit en erfrecht, speelde vooral in Holland en amper in het Oversticht. Amortisatie houdt in dat de wereldlijke overheid toestemming verleent aan kloosters en conventen om goederen in de dode hand te brengen, in ruil voor een schadeloosstelling in de vorm van een geldbedrag. Op aandrang van de steden kwam in Holland na 1439 de eerste landsheerlijke amortisatiewetgeving tot stand. In het oosten van de Noordelijke Nederlanden bleven dergelijke landsheerlijke maatregelen uit. Dit wezenlijke verschil tussen oost en west kan verklaard worden vanuit de aard van het landsheerlijk gezag. In Zwolle was de bisschop van Utrecht zowel geestelijk als wereldlijk heer. Zijn landsheerlijk gezag was gedurende de Late Middeleeuwen zwak, waardoor de steden in het gebied zelfstandig konden opereren. De steden in het Oversticht waren dan ook prima in staat om de kwestie rond het bezit en erfrecht van religieuze gemeenschappen zelf op te lossen. De graaf van Holland had een sterkere machtspositie, waar de steden rekening mee moesten houden. Een laatste spanningsveld tussen de gemeenschappen en het wereldlijk gezag betrof de nijverheid. De vrouwenhuizen hielden zich bezig met textielnijverheid, voor eigen gebruik en voor de markt, waardoor concurrentie met de gilden ontstond. Deze kwestie speelde vooral in Leiden, waar de textielnijverheid van centraal belang was voor de stedelijke economie.
     De Leidse en de Zwolse zusters reageerden zeer verschillend op de maatregelen die de stedelijke overheid op het terrein van de verschillende spanningsvelden nam. In Leiden was er sprake van vasthoudend verzet tegen beperkende maatregelen. In Zwolle daarentegen namen de zusters over het algemeen een lijdzame houding aan. Dit verschil kan verklaard worden vanuit een aantal factoren. In de eerste plaats was de houding van de Zwolse magistraat al zeer vroeg repressief, terwijl het Leidse stadsbestuur de vrouwenhuizen aanvankelijk begunstigde. Een wijziging in het stedelijk beleid leidt eerder tot verzet dan repressie vanaf het begin. In de tweede plaats was er sprake van nauwe familiebanden tussen de Zwolse zusters en de magistraat, hetgeen verzet tegenhield. In Leiden was de overgrote meerderheid van de zusters niet uit patriciaatskringen afkomstig. In de derde plaats hadden de Leidse gemeenschappen een sterkere positie dan de Zwolse, doordat ze stevig ingebed waren in gecentraliseerde, overkoepelende verbanden die privileges verwierven en de belangen van de aangesloten gemeenschappen beschermden.
     De vrouwenhuizen functioneerden niet alleen in de stedelijke samenleving, ze maakten ook deel uit van een netwerk van geestelijke instellingen. Er was sprake van contacten met kerkelijke waardigheidsbekleders en andere geestelijke instellingen van zowel vrouwen als mannen. De contacten tussen de vrouwenhuizen onderling waren talrijk, maar meestal niet structureel van aard. De relaties met mannenconventen en -kloosters hadden wel weer een structureel karakter, vanwege de zielzorg. Vaak was er sprake van aansluiting van de vrouwenhuizen bij een groter organisatorisch verband, in de vorm van incorporatie of de lossere band van affiliatie. Contacten tussen de vrouwenhuizen en mannenkloosters buiten het kader van de zielzorg waren incidenteel.
     Aan het bestaan van de vrouwengemeenschappen kwam in de laatste decennia van

|pag. 302|

_______________↑_______________

de zestiende eeuw een einde, na de politiek-religieuze omwenteling. De zestiende eeuw was een tijd van crisis voor de gemeenschappen. Hun verval kan gerelateerd worden aan de algemene sociaal-economische crisis die de Noordelijke Nederlanden vanaf 1520 teisterde en die samenviel met de opkomst van nieuwe religieuze ideeën. In Holland vond de omwenteling in de jaren 1570 plaats. In het Oversticht kwamen de veranderingen wat later. Aan het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw werden de vrouwenconventen en -kloosters definitief opgeheven en kregen de gebouwen een nieuwe bestemming. De voormalige conventualen ontvingen alimentatie.
     Het is de bestudering van de hierboven geschetste deelaspecten die uiteindelijk leidt tot een antwoord op de hoofdvraag van deze studie: de verklaring van de tweede religieuze vrouwenbeweging. Om de massale toeloop van vrouwen naar religieuze gemeenschappen te kunnen verklaren, is gekeken naar de relatie tussen de intrede van de vrouwen en hun situatie in de wereld. Het is gebleken dat de tweede religieuze vrouwenbeweging geplaatst moet worden in de context van de grote maatschappelijke veranderingen in de Noordelijke Nederlanden vanaf de veertiende eeuw. Zowel in Holland als in het Oversticht vond langzaam een overgang plaats van een agrarische naar een stedelijke samenleving, waarin sprake was van opkomende handel, stedelijke nijverheid, visserij, scheepsbouw en commerciële landbouw. De ontginningen, waarbij het veen omgezet werd in cultuurland dat geschikt was voor akkerbouw en veeteelt, veroorzaakten een inklinking van de bodem. Dit leidde tot structurele veranderingen in de landbouw. Als gevolg van de verzakking van de bodem steeg het grondwaterpeil, waardoor grootschalige akkerbouw niet meer mogelijk was. Boeren schakelden over op extensieve veeteelt, waardoor er een uitstoot van arbeidskrachten plaatsvond. Deze ontwikkeling had in de Noordelijke Nederlanden een langdurig migratieproces van het platteland naar de stad tot gevolg, waaraan vrouwen in belangrijke mate deelnamen. We hebben inderdaad gezien dat veel Leidse zusters van het platteland om Leiden afkomstig waren. In Zwolle was dit percentage lager. De migratiebeweging zorgde waarschijnlijk voor de vorming van een stedelijk vrouwenoverschot. Voor alleenstaande vrouwen, die vermoedelijk niet tot de meest welgestelde groepen behoorden, was de intrede in een religieuze gemeenschap aantrekkelijk, vanwege de bescherming en zekerheid die ze bood. Ook voor rijkere dames was een religieus leven een respectabele levensvervulling, die voor de familie financieel aantrekkelijker was dan uithuwelijking. De vrouwenconventen en -kloosters die na 1380 ontstonden, waren toegankelijk voor vrouwen uit zeer verschillende sociale groepen. Naast de puur religieuze motieven voor intrede, die overigens onvermeld blijven in de Leidse en Zwolse bronnen, mogen we aardse motieven niet uit het oog verliezen. Het is gebleken dat de intrede van veel meisjes de wens van hun familie weerspiegelde, vooral als ze nog jong waren.
Daarnaast is een min of meer direct verband tussen de grote maatschappelijke veranderingen en de golf van religieuze inkeer aannemelijk. In de literatuur is al vaker gewezen op de ‘ontworteling’ die velen gevoeld moeten hebben als gevolg van de destabiliserende werking van de toegenomen rijkdom, de snelle urbanisatie en de regelmatige pestuitbraken. De explosie van uitingen van devotie werd gekanaliseerd door de beweging van de Moderne Devotie. In deze context moet de tweede religieuze vrouwenbeweging overigens niet beschouwd worden als een autonoom verschijnsel, maar eerder als onderdeel van een breder religieus reveil. Het feit dat het vooral vrouwen waren die intraden in een convent of klooster kan verklaard worden uit de verschillende positie

|pag. 303|

_______________↑_______________

van mannen en vrouwen binnen de Kerk. Mannen beschikten in tegenstelling tot vrouwen over een scala aan mogelijkheden, omdat ze konden toetreden tot de geestelijke stand.
     Terugkerend naar de uitgangspunten van deze studie kan gesteld worden dat het religieuze leven in de laatmiddeleeuwse Noordelijke Nederlanden gekenmerkt wordt door een opvallende diversiteit en institutionele veranderlijkheid. Wanneer we de verschillende leefwijzen op een rij zetten, komen overeenkomsten en verschillen naar voren, bijvoorbeeld op het gebied van het afleggen van de drie geloften, de invoering van de clausuur, het houden van het koorgebed en het toestaan van privébezit. Er was sprake van diversiteit tussen, maar ook binnen verschillende leefwijzen. Zo waren er tertiarissenconventen waarin wel of niet de drie geloften afgelegd werden en die wel of niet besloten waren.
     In Zwolle en Leiden kunnen we drie huizen aan wijzen die een uitzonderingspositie bekleedden. Het Zwolse Oldeconvent was de enige vrouwengemeenschap in de stad die nooit betrokken was bij de ruzies met het stadsbestuur en de pastoor. De verklaring hiervoor ligt in het feit dat het Oldeconvent een begijnhuis was. De leefwijze van de zusters riep na de hervorming door pastoor en stadsbestuur geen weerstand meer op bij de omgeving. In Leiden nam het Witte-Nonnenklooster een bijzondere positie in. Er was vrijwel altijd sprake van een goede relatie met het wereldlijk gezag, zowel op stedelijk als op landsheerlijk niveau. Ook deze uitzonderingspositie kan verklaard worden vanuit de signatuur van de gemeenschap, die behoorde tot de observante richting van de dominicaner orde. Een van de belangrijkste grieven van het wereldlijk gezag tegen de talloze religieuze gemeenschappen, de kwestie rond de verwerving van bezit, had geen betrekking op bedelordekloosters vanwege hun gemeenschappelijke en persoonlijke armoede. De laatste gemeenschap die zich sterk onderscheidde van de anderen was het Elfduizend-Maagdenconvent te Warmond. De indruk die we op basis van de literatuur kregen, dat dit tertiarissenconvent een buitenbeentje was, bleek juist te zijn.
Het convent werd gesticht door een edelman, was gevestigd op het platteland, was vanaf de stichting reeds besloten en rekruteerde meer dan de andere gemeenschappen uit adellijke en patriciaatskringen.
     Ter afsluiting van deze studie zullen we nog ingaan op de relatie tussen de eerste en de tweede religieuze vrouwenbeweging in de Nederlanden. Hebben we hier te maken met twee manifestaties van een zelfde fenomeen, of zijn de bewegingen structureel gelijkaardig maar conjunctureel verschillend? Zoals Scheepsma al constateerde, lijkt de tweede religieuze vrouwenbeweging in veel opzichten op de eerste, maar ze vloeit daar zeker niet direct uit voort. Er is sprake van een beweging met een eigen karakteristiek.
Was de eerste religieuze vrouwenbeweging vooral zichtbaar in de steden en op het platteland van de Zuidelijke Nederlanden, de tweede was geconcentreerd in de steden van de Noordelijke Nederlanden. Dit geografische verschil is van groot belang. De determinerende factor in dit verband is de stadsontwikkeling in de Nederlanden. De Zuidelijke Nederlanden behoorden tot de vroeg geürbaniseerde regio’s van Europa. De zuidelijke steden werden dan ook al vroeg van de nodige kloosters voorzien. In het noorden kwam het urbanisatieproces veel later op gang, waardoor de meeste jonge steden aanvankelijk geen kloosters telden. Naast het geografische verschil is er sprake van een onderscheid in uitingsvormen. Tijdens de eerste religieuze vrouwenbeweging kwamen vooral vrouwenkloosters van de premonstratenzer- en cisterciënzerorde en begijnho-

|pag. 304|

_______________↑_______________

ven en -huizen tot stand. De tweede religieuze vrouwenbeweging uitte zich in de stichting van begijnhuizen, devote gemeenschappen, zusterhuizen van het gemene leven, tertiarissenconventen en vrouwenkloosters van de orde van Sint-Augustinus. Tot slot is er sprake van een verschil in spirituele inbedding. De eerste religieuze vrouwenbeweging past in het kader van de oudere kloosterorden en de bedelorden, de tweede moet geplaatst worden binnen het kader van de Moderne Devotie.
     Met deze studie is het laatste woord over de tweede religieuze vrouwenbeweging nog niet gezegd. Elk onderzoek roept tenslotte nieuwe vragen op, die hopelijk in de toekomst beantwoord zullen worden. Zo is lokaal onderzoek naar de vroegste bestaansfase van de gemeenschappen van groot belang, bij voorkeur in vergelijkend perspectief. Hierbij moet in ieder geval aandacht besteed worden aan de vaststelling van de specifieke signatuur van de gemeenschappen. We kunnen niet langer voetstoots aannemen dat het vooral zusterhuizen van het gemene leven betrof. In het algemeen kan wat de gehanteerde methode aangaat zowel institutioneel als prosopografisch onderzoek van harte worden aanbevolen. Het is juist die combinatie geweest die in deze studie een gezicht heeft gegeven aan de vele duizenden vrouwen die vanaf het eind van de veertiende eeuw als bruiden van Christus wensten te leven.

|pag. 305|

_______________↑_______________

[blanco]

|pag. 306|

_______________↑_______________

Summary

     Brides of Christ

     The Second Religious Women’s Movement in Leyden and Zwolle 1380-1580

The purpose of this study was finding an explanation for the Second Religious Women’s Movement in the Northern Netherlands after 1380. Several aspects of the movement were investigated by means of a systematic comparison of the female communities that were founded in the cities of Leyden and Zwolle. Through institutional and prosopographical research, we have studied the way the communities came into existence and functioned, as well as their relations with the outside world. The main questions of this study dealt with the founding of the communities, the way they functioned, the activities performed by the sisters, the economic position of the houses, their institutional development, the background of the sisters and finally the relations with the urban environment. The idea behind the comparison between Zwolle and Leyden was triggered by the in historiography formulated ‘east-west-hypothesis’ which observes a significant difference in the development of the communities in the region of the river IJssel and those in the county of Holland.
     The Second Religious Women’s Movement was clearly visible in Zwolle and Leyden after 1380. These cities both went through a process of urbanisation in the fourteenth century. In Zwolle, 7 religious houses for women were founded within a few decades, in Leyden no less than 21. Because of a lack of sources, the actual course of things in founding the communities could not always be reconstructed. However, it became clear that there were two types of founders. First, there were priests who gathered the devout women. Second, there were lay people who donated capital or a house which enabled devout women to start a religious life together, or allowed them to continue their already existing way of life in a small community. Care of the afterlife was an important motivation for the foundation of a religious house. However, worldly considerations such as prestige and family politics also played a role. In both Leyden and Zwolle, the influence of the reform movement of the Modern Devotion on the foundation of the communities is unmistakable. The idea that the Second Religious Women’s Movement directly originated from the Modern Devotion should not however be taken for granted. Nonetheless, this reform movement channelled new religious feelings that originated in the changes that society went through in the fourteenth century.
     An important characteristic of the female communities that were founded in Zwolle and Leyden after 1380 is their institutional diversity. The houses can be classified as follows:

  • Beguine house: a community of devout women who live together without following a monastic rule, without enclosure and without taking the three vows of chastity, poverty and obedience. The women buy a room in the house and keep their private possessions and income.
  • Devout community: an informal community of devout women who live together but do not follow a monastic rule, are not enclosed, and do not take the three vows.

    |pag. 307|
    _______________↑_______________

    They do not have communal property. The women do not buy a room in the house.
    They donate their income from labour to the community.

  • Sisterhouse of the Common Life: a community of devout women who lead a communal life without following a monastic rule, without taking the three vows and without enclosure, who donate their private possessions to the community.
  • Convent of the third order of Saint Francis (Tertiary convents): a community belonging to the third order of Saint Francis, following the rule of 1289.
  • Convent of the third order of Saint Dominic: a community of devout women belonging to the order of Saint Dominic, without the three vows and enclosure.
  • Monastery of the second order of Saint Dominic: a community of the order of Saint Dominic following the rule of Saint Augustine, with the three vows, enclosure and the canonical hours.
  • Monastery of regular canonesses: a community of the order and rule of Saint Augustine, with the three vows, enclosure and the canonical hours.
  • Convent of converses of Saint Augustine: a community of devout women who follow the rule of Saint Augustine, are enclosed and take the three vows, but do not perform the canonical hours.

Zwolle counted a beguine house, devout communities, Sisterhouses of the Common Life and eventually also two monasteries of regular canonesses. The Leyden houses can be classified as devout communities, Sisterhouses of the Common Life, convents of the third order of Saint Francis, monasteries of regular canonesses, a convent of the third order of Saint Dominic and a monastery of the second order of Saint Dominic. Making a distinction between the different ways of life of the houses is important. However, this is extremely difficult because of the inconsistent terminology in the sources, as well as the fact that most communities changed their way of life in the course of their existence. In this study, 7 Zwolle and 16 Leyden communities were selected for further research.
     A female convent or monastery consisted of a group of women who held different positions within the community. Beguine houses, devout communities and Sisterhouses of the Common Life only counted sisters. Convents of the third order of Saint Francis consisted of postulants, novices and sisters. Monasteries that followed the rule of Saint Augustine counted postulants, novices, choir sisters and lay sisters. In general, the communities were governed by a mater or priorin, an ondermater or subpriorin, a procuratrix and a rector (the confessor). The sisters also took on nonadministrative functions such as baking bread and doing the laundry. The total number of sisters living in the communities was much larger than is usually stated in the literature. In general, the Leyden houses counted more sisters than those in Zwolle. In most communities new sisters passed through the stages of postulant and novice. After the noviciate a profession ceremony took place. The specific profession formula depended on the way of life of the community. In monasteries, it contained the three vows of chastity, poverty and obedience. In third order convents, the sisters initially only pledged chastity. From the end of the fifteenth century the three vows were also taken in Tertiary convents. The sources show that the gift of a dowry was customary, but not obligatory in the different communities.
Dowries also occurred in Sisterhouses of the Common Life and third order convents, which is surprising in the light of the existing literature on the subject. However, the

|pag. 308|

_______________↑_______________

dowries in the houses of the Second Religious Women’s Movement were smaller than those in traditional female monasteries (for example those of the Cistercians).
     Despite the institutional diversity, all communities had a monastic way of life. The devout practices differed only slightly. This is partly due to the statutes of the congregations being interdependent. The way of life of the sisters was mostly contemplative. For example, they were hardly active in social work such as taking care of the sick. An overview of the devout exercises shows that all female communities practised the same type of asceticism, and that only the severity varied. In communities following a monastic rule, the asceticism was most severe, while it was less strict in houses without a rule approved by the church. The communities also show large similarities in the field of their spirituality. Book collections easily crossed the boundaries of different ways of life.
Spiritual reading served as a way of reforming the inner life. The final aim of the devout practices was the union with the heavenly groom. The communities spiritually belonged to the reform movement of the Modern Devotion (possibly with the exception of the Leyden Witte-Nonnenklooster).
     All communities had a modest start in a single house. In the course of the fifteenth century, larger complexes with several buildings emerged. In Leyden, the parish priest influenced the size of the religious complexes in his parish. In Zwolle, the magistracy determined which houses the communities were allowed to buy or rent. Some communities were moved to another location in the course of time. The most obvious reason for a relocation was a growing number of sisters, which made the original place of settlement too small. For both Leyden and Zwolle, no relation exists between a relocation and a change in the way of life of a community. Because of the fragmentary source material, a complete reconstruction of the property of the houses, their income and expenses, was not feasible. However, it is clear that the convents and monasteries had many different sources of income and expenditure at their disposal. As a result of magistracy policy, the Zwolle communities hardly obtained any real estate. Despite the restrictions of the source material it is clear that the way of life of a community is not directly related to its wealth. For example, monasteries of regular canonesses were not necessarily richer than Tertiary convents. In Leyden, the opposite actually seems to be the case: the four most well to do communities belonged to the third order of Saint Francis (although it must be said that the differences between those communities were considerable). During the sixteenth century, a process of economic impoverishment is clearly visible.
     Most communities originally did not follow a rule approved by the church. In the course of the fifteenth century, a process of institutionalisation took place. This meant a development from a worldly community without a monastic rule to the eventual formation of a monastery. It was coupled to a change in the canonical status of the sisters from laywomen to religious women who enjoyed the ecclesiastical liberties. This process of verkloostering shows important regional differences. In historical literature, it has already been stated that the communities in the western part of the Northern Netherlands, the county of Holland, quickly went through this institutional development, while the houses in the east, the IJssel-valley, held on to their nonmonastic status for a long time. The process of institutionalisation counted three phases. The first was the detachment of communities from the parish. In Leyden, this started at the end of the fourteenth century. In Zwolle, detachment was only accomplished after protracted disputes.

|pag. 309|

_______________↑_______________

However, this discrepancy should not be interpreted as a regional difference between west and east. The explanation lies in the specific organisation of the parish. In Zwolle, the parochial rights were in the hands of only one institution, the chapter of Saint Lebuin of nearby Deventer, which therefore had a monopoly. Leyden counted several parishes that looked upon each other as competitors and thus were more accommodating. The second phase in the process concerns the introduction of enclosure. Whether enclosure was introduced or not depended on the way of life of a community. Monasteries were always enclosed. Tertiary convents generally introduced enclosure in the course of the fifteenth century (in 1521 it became obligatory). Beguine houses, devout communities and Sisterhouses of the Common Life were never enclosed. In these communities, contacts with the outside world were limited through statutes. This was also the case in nonenclosed Tertiary convents. Almost all communities adopted a stricter way of life in the course of their existence, which can be regarded as the third phase in the process of institutionalisation. Contrary to statements in historiography, the Zwolle communities did not start as Sisterhouses of the Common Life, but as devout communities. Only later in the fifteenth century did they adopt a communal life. Two Sisterhouses eventually adopted the rule of Saint Augustine. Leyden counted devout communities and Sisterhouses of the Common Life that took on the third rule of Saint Francis or that of Saint Augustine. Also, some Tertiary convents adopted the rule of Saint Augustine.
     An important question is how the introduction of a stricter way of life influenced the daily life of the sisters. Despite changes in their division of the day, there was mostly continuity, for example in the field of pastoral care (meaning the communities kept their confessor). The adoption of a monastic rule, coupled to the introduction of enclosure and the taking of the three vows, was the most far-reaching. In these cases, the houses probably went through a period of transition, during which it was investigated whether the communities could carry the heavier financial burden and whether the sisters were up to their new liturgical duties (such as the canonical hours). The primary sources mostly mention spiritual motives for the process of institutionalisation, either from the sisters or from their confessors. A stricter way of life guaranteed a better spiritual life. To explain this process, we have to look beyond the internal dynamics of the Second Religious Women’s Movement; we should also regard external factors. In this context, the role of the magistracy has been underexposed in historiography so far. In Zwolle, the city council actively opposed the adoption of a stricter way of life by the communities. Reason being that the houses were worldly associations that were easier to control than monasteries that fell under canon law. It is important to note that the regional differences in the process of institutionalisation cannot be explained by a difference in spirituality between Holland and the IJssel-valley. Instead, the explanation lies in local factors. First, the co-operation (or: lack of opposition) of the parish priest and the magistracy. These two had a restrictive influence in different phases of the process in Zwolle. Second, the influence of specific persons played an important role. In the first half of the fifteenth century, Holland counted several individuals who actively stimulated the process beyond a local level.
     The inhabitants of the communities were studied through prosopographical research. The population of 1017 Leyden and 397 Zwolle sisters is far from complete. The possibility of identifying the sisters, which means finding relatives in the world outside

|pag. 310|

_______________↑_______________

the communities, strongly depends on the name material in the sources. Sisters with a family name were easier to identify. Strong family ties existed within and between the houses. Many Leyden sisters came from the countryside surrounding the city, which explains why their familial and social background could not be reconstructed. The Zwolle communities recruited from within the city more often than the Leyden houses did. The small number of sisters whose social background was found, turned out to have a diverse social standing. More often, they came from magistracy circles than from the (lower) nobility. The identifiability of the sisters is directly related to the possibility of finding their social background. In other words: the social background was recovered mainly for sisters with a family name. Taking into account the widespread use of family names within the Leyden elite, it is not very likely that sisters without a family name came from the same elite. No relation could be established between the way of life of a community and the social background of its inhabitants. Finally, analyzing the minimal years of residence in a community shows that 30 to 40 percent of the sisters was not yet adult when entering. Furthermore, the absence of widows in the houses is striking.
     The female convents and monasteries that arose in the Northern Netherlands after 1380 functioned in an urban context. On the one hand, the presence of multiple religious communities was judged positively because of the prayer function of the communities for their surroundings. On the other hand, that presence had profound negative consequences for the urban population. Therefore, the relationship between the communities and the urban environment was ambivalent. The sources contain numerous examples of patronage of the communities by the people of Leyden and Zwolle. However, tension also existed that could erupt into conflict. The fact that the movement of the Modern Devotion not only had allies but also opponents has been underexposed in historiography so far. Numerous people did not want to be associated with the new religious ideals. Concrete disputes between the communities and the inhabitants of Leyden and Zwolle usually revolved around daily, practical issues. However, the sources also contain examples of an incomprehension of the ideals of the sisters, as well as a deeper hostility, partly because of the competing activities of the sisters in the textile industry.
     The contacts between the female communities and the secular authorities differed in Zwolle and Leyden. In Zwolle, the magistracy took measures that restricted the autonomy of the houses from the end of the fourteenth century. The opposition reached a climax during the guild regime of 1415/16. The Leyden magistracy was originally more sympathetic towards the communities. That attitude only changed after the emergence of concrete problems and complaints from the urban population. This difference between Zwolle and Leyden can be explained by the fact that in Zwolle both the ruling and the aspiring class felt threatened by the existence of the religious houses. The communities tried to obtain real estate, the possession of which was an important condition for obtaining a position in the magistracy. Such a condition did not exist in Leyden. In addition, most female communities in this city arose only after the patriciate had closed its ranks. Therefore, an aspiring class was lacking at that time. In the fifteenth century, the Leyden magistracy occupied itself mostly with the payment of excise by the communities. The question of amortisation was especially apparent in the county of Holland, not in the IJssel-valley. Amortisation means that the secular authorities give permission to religious communities for acquiring real estate, in exchange for a financial compensation. After 1439, the count of Holland took several measures in this context, at the insist-

|pag. 311|

_______________↑_______________

ence of the cities in the county. No similar measures were taken in the eastern part of the Northern Netherlands. This essential difference between east and west can be explained by the nature of the power of the sovereign lord. In Zwolle, the bishop of Utrecht was both ecclesiastical and secular ruler. However, his secular power was weak, which gave the cities in his territory the opportunity to act quite independently. Therefore, the eastern cities were very well capable of solving the question of the possessions and right of inheritance of the religious communities themselves. The position of power of the count of Holland was much stronger, and the western cities had to take this into account. The last area of tension between the communities and the secular authorities concerned the industry. The sisters were active in the textile industry: they produced for themselves and for the market, which led to competition with the guilds. This question mainly arose in Leyden, because the textile industry was of great importance to the local urban economy.
     The sisters in Leyden and Zwolle reacted quite differently to the measures taken by the city councils in the several areas of tension. In Leyden, we see tenacious opposition against restricting measures. In contrast, the Zwolle sisters generally took on a meek attitude. The difference can be explained by several factors. First, the attitude of the Zwolle magistracy had been repressive from the start, whereas that of the Leyden city council was originally positive. It is clear that a change in urban policy sooner leads to resistance than repression from early on. Second, the close family ties between the Zwolle sisters and the magistracy counteracted opposition. In Leyden, the majority of the sisters did not come from magistracy circles. Third, the Leyden communities were better able to protest, because generally they were members of a centralised structure, which acquired privileges and protected the interests of the communities.
     The female houses not only functioned in an urban context; they were also part of a network of religious institutions. Contacts existed with ecclesiastical dignitaries and other religious houses of both men and women. The sources show numerous mutual contacts between the female communities, but these did not have a structural nature.
The relations with male convents and monasteries were structural, because of the pastoral care. Often, the female houses were members of an organisation, in which they were either incorporated or which they were affiliated with. Relations with male communities outside the context of pastoral care were only incidental.
     The female religious communities were abolished after the Revolt, the political and religious upheaval that took place in the Northern Netherlands in the last decades of the sixteenth century. The sixteenth century was a period of crisis for the houses. Their decline can be related to the general socio-economic crisis that hit the Northern Netherlands from 1520 onwards, and which coincided with the rise of new religious ideas. In the county of Holland, the changes took place in the 1570s. In the east, the changes came about somewhat later. After the communities had been abolished, their buildings were given new purposes and the sisters received alimony from the city council.

Taking into account all the aforementioned aspects leads to an answer to the main question of this study: the explanation of the Second Religious Women’s Movement. To understand the massive flocking of women to religious communities, we have to look at the relationship between the entrance of the women and their situation in the world. It is clear that the Second Religious Women’s Movement has to be placed in the context of

|pag. 312|

_______________↑_______________

the enormous societal changes in the Northern Netherlands that started in the fourteenth century. Both in the west and in the east, a slow transition occurred from an agricultural to an urban society, which was characterised by trade, urban industry, fishery, shipbuilding and commercial agriculture. During the land reclamations, peat bog was transformed into arable land suited for farming and cattle breeding. However, these reclamations caused the soil to settle, eventually leading to structural changes in agriculture. Because of this bedding down, the ground water level rose, making large-scale, labour-intensive crop growing impossible. As a result, farmers switched to extensive cattle breeding, causing a surplus of workmen. This development initiated a long-term migration process from the countryside to the towns, in which especially women participated. We have seen indeed that many Leyden sisters came from the countryside surrounding the city. In Zwolle this percentage was lower. The migration movement probably caused the formation of an urban surplus of women. For single women, who most likely did not belong to the well-to-do groups, a life in a religious community was attractive because of the protection and security it offered. For rich ladies, a religious life was respectable and financially much more attractive for their families than marrying them off. The female convents and monasteries that were founded after 1380 were open to women from very different social backgrounds. Besides worldly explanations for a religious life, we cannot dismiss the existence of purely religious motivations although these are never mentioned in the sources. A more or less direct relation between the societal changes and the wave of religious repentance is plausible. In recent research, attention has already been paid to the uprootedness that many people must have felt as a result of the destabilising effect of the increased wealth, the fast urbanisation and the regular outbreaks of the plague. The explosion of expressions of devotion was channelled by the religious movement of the Modern Devotion. In this context, the Second Religious Women’s Movement cannot be seen as an autonomous phenomenon, but has to be considered as part of a broader religious revival. The fact that so much more women than men entered convents and monasteries is related to the different positions that men and women held within the church. In contrast to women, men who wanted to lead a religious life had a wider range of options, such as becoming members of the secular clergy.

Returning to the starting points of this study, it can be concluded that late-medieval religious life in the Northern Netherlands was characterised by a striking diversity as well as an ability to take on different institutional forms in the course of time. Regarding the various ways of life of the Second Religious Women’s Movement, we see several differences and similarities, for example in the field of the three vows, enclosure, canonical hours, and existence of private property. It is important to realise that diversity existed not only between, but also within certain ways of life. For example, Tertiary convents existed in which the three vows were or were not taken. In addition, some third order convents were enclosed and some were not.
     Several communities held a privileged position. In Zwolle, this was the case for the Oldeconvent, the only female community in town that never took part in the quarrels with the city council and the parish priest. This is due to the fact that the Oldeconvent was a beguine house; the way of life of these women did not lead to hostility from the urban environment. In Leyden, the Witte-Nonnenklooster held a similar position. It al-

|pag. 313|

_______________↑_______________

ways kept a good relationship with the secular authorities, both on the level of the city and that of the sovereign lord. This privileged position too can be explained by the way of life of the community, which belonged to the observant Dominicans. One of the most important grievances of the secular power, the growth of church possessions, did not relate to the mendicant orders, because of their vow of both communal and personal poverty. The last community that distinguished itself is the Elfduizend-Maagdenconvent in Warmond. The impression in historiography that this convent was a maverick, proved to be right. Atypically, it was founded by a nobleman, situated in the countryside, enclosed from the date of foundation and finally, it recruited sisters from noble and magistracy circles more than the other communities.
     At the end of this study, we will look into the differences between the First and the Second Religious Women’s Movement. Are we dealing with two manifestations of the same phenomenon or are the movements equal in structure but different in conjuncture? The Second Religious Women’s Movement closely resembles the first, but does not directly result from it. The Second Movement has its own character. The First Movement took place in the cities and the countryside of the Southern Netherlands, while the Second Movement was concentrated in the cities of the Northern Netherlands. This difference in geography is of great importance. The decisive factor is the urban development in the Netherlands. The Southern Netherlands were urbanised early. The southern cities were therefore already provided with religious communities in the twelfth and thirteenth centuries. In the north, urbanisation came much later, so the growing cities were initially devoid of convents and monasteries. Besides the difference in geography there is a distinction in the way the movements expressed themselves. During the First Movement, female communities of the Premonstratensian and Cistercian order were founded, as well as beguine communities. The Second Movement led to the foundation of beguine communities, devout communities, Sisterhouses of the Common Life, convents of the third order of Saint Francis and monasteries of the order of Saint Augustine. Finally, there is a difference in spiritual context. The First Movement can be situated within the older monastic orders and the mendicant orders, while the Second Movement must be seen in the context of the Modern Devotion.
     It is clear that the last word on the Second Religious Women’s Movement has not yet been said. Every study leads to new questions, which hopefully will be answered in the future. Local research into the early phases of the communities is of paramount importance, preferably in comparative perspective. Attention should be paid to determining the specific way of life of the houses. Based on the conclusions of this study, we can no longer assume that most communities were Sisterhouses of the Common Life. In general, a combination of the methods of institutional and prosopographical research can be recommended. It is exactly this combination which gave us insight into the lives of the many thousands of women who wanted to live as brides of Christ from the end of the fourteenth century onwards.

|pag. 314|

_______________↑_______________

Noten

De noten op pag. 315 t/m 367 zijn in de tekst opgenomen als zijnoten.
 
– Luijk, M.D. van (2003). Bruiden van Christus: De tweede religieuze vrouwenbeweging in Leiden en Zwolle, 1380-1580. (proefschrift). Vrije Universiteit Amsterdam: Amsterdam.

Category(s): Zwolle
Tags: , ,

Comments are closed.