De strijd der school 1902 - 1942

[pag. 109]

Ds J. VAN RAALTE

DE STRIJD DER SCHOOL 1902-1942

     Het begin van de periode in de geschiedenis van de Theologische School, over welke wij in dit hoofdstuk enkele opmerkingen willen maken, ligt vlak voor een Jubileum der School.
     Een jubileum is gewoonlijk een hoogtepunt, maar van dit jubileum kan dat nauwelijks worden gezegd.
     Het is waar - de School leefde nog.
     Zij begon zelfs weer iets op te leven, doordat twee nieuwe professoren waren benoemd, hetgeen een bewijs was, dat de tegenstanders van de School de strijd tegen haar aanvankelijk hadden verloren, maar over dit gouden jubileum van de eigen inrichting der Kerken vielen nog de slagschaduwen van de donkere tijd, waarin het scheen, alsof aan dit werk des HEEREN een ontijdig einde zou worden gemaakt.
     De School, opgekomen uit de behoefte der Kerken, was in het geloof begonnen; thans zou de tactiek haar doen verdwijnen.
     De aanslag was mislukt, maar de vraag bleef nog altijd: Zullen de krachten, die gepoogd hebben om aan de eigen opleiding der Kerken een einde te maken, uiteindelijk hun doel toch nog niet bereiken?
     Want behalve vier professoren had de School ook studenten nodig, en hun aantal was tot op bijna de helft geslonken, terwijl er onder de blijvenden ook waren, voor wie het motief om niet naar Amsterdam te gaan was geweest, dat zij vlak voor hun candidaats-examen stonden.
     Maar zou straks de grote stroom zich niet naar Amsterdam wenden, waar een paar eminente     leerkrachten     waren - Bavinck en Kuyper – en waar men universitair(!) onderwijs gaf, terwijl de school in Kampen slechts     een ,,seminarie’’ was. . . .?
     Het ging inderdaad in de afdalende lijn: begonnen met 28 studenten na de uittocht, waren er in 1905 nog slechts 17.
     Dat was echter ook het dieptepunt.
     Wel was er nog even een gerucht van een nieuwe uittocht van 10 Kamper studenten naar Amsterdam, maar dat kon goeddeels verhinderd worden, en van

[pag. 110]

dat jaar af begon het aantal weer te groeien: in 1906 waren er 21, en dat getal was in 1909 opgeklommen tot 31.
     Op die hoogte is het toen enige jaren blijven staan.
     Maar de grote stroom ging naar Amsterdam, waar de Theologische faculteit bijna het dubbele aantal leerlingen van de School had: rekent men de voor doctoraal-studie ingeschrevenen er bij, dan waren er bijna 3 keer zoveel als in Kampen.

     Enkele factoren hebben er toe meegewerkt, dat het aantal studenten te Kampen niet nog kleiner is geworden.
     Daartoe behoort allereerst het werk van De Wachterbond, die werd opgericht 2 October 1902.
     Die heeft niet alleen haar doel, om de School te steunen, nagestreefd door zijn blad De Wachter, maar ging ook over tot het in leven roepen van comité’s, later verenigingen voor Schoolhulp, die gelden verzamelden voor het financiëel steunen van studenten (1 [1. Hoe die comité’s precies ontstaan zijn is niet meer na te gaan. De Notulen van De Wachterbond noemen ze voor het eerst op 24 April 1906, maar toen waren er reeds 13 plaatselijke comité's.]).
     Daarnaast was er ook nog het ,,Studiefonds’’.
     Dit was in het leven geroepen door de Synode van Assen 1888, maar het kindje wou niet groeien door gebrek aan voeding, totdat men in 1904 bij gelegenheid van het jubileum er opeens aan dacht dat het nog leefde en op de gedachte kwam er een ,,feestgave” voor te vragen! Toen kwam er groei in!
     Tot die tijd had het Studiefonds een ledige kas, maar die collecte bracht er ineens ƒ 21.955.305 in! Er werd een reglement voor opgesteld, de professoren zouden het beheren en verantwoording doen aan de curatoren, terwijl een der professoren penningmeester zou zijn. Dit is professor Honig geworden.
     Van die tijd af kwamen er regelmatig giften voor binnen. Er zijn jaren geweest, dat de uitgaven geheel of bijna geheel door die giften werden gedekt. Het aantal gesteunden was aanvankelijk niet zo groot; het eerste jaar 12 gymnasiasten en studenten tot een bedrag van ƒ 1729.10; in latere jaren zijn beide getallen ongeveer verdubbeld (2 [2. Men zie daarvoor de Handelingen der Curatoren.]).

     Met het jaar 1917 begon het studentental opmerkelijk toe te nemen. In een zestal jaren klom het van ongeveer 30 tot 100!
     Het is erg moeilijk om vast te stellen, waaraan die groei te danken is geweest.
     Feit is, dat bij een deel van het Gereformeerde volk een zeker wantrouwen tegen ,,Amsterdam’’ begon te komen. Daartoe heeft meegewerkt de ,,doorbraak’’ van de N.C.S.V. (Nederlandse Christen Studenten Vereniging), die aan de Vrije Universiteit veel leden kreeg, terwijl haar aanval op Kampen vrijwel mislukte. Ook het opvoeren van het toneelstuk ,,Saul en David’’ door de studenten     van de Vrije Universiteit joeg heel wat stof op in de kerkelijke pers.
     Intussen zijn er ook wel pogingen aangewend om de     groei van het aantal studenten te Kampen tegen te houden, zij het niet officiëel.

[pag. 111]

     Maar aan de inrichtingen voor christelijk middelbaar onderwijs, welker aantal gestadig toenam, werkten veel leerkrachten, die hun opleiding in Amsterdam hadden genoten. Onder dezen zijn er geweest, die hebben getracht om de afgestudeerden van die scholen, voorzover zij het voornemen hadden om zich voor te bereiden voor het ambt van Dienaar des Woords in een Gereformeerde Kerk, te bewegen niet naar Kampen, doch naar Amsterdam te gaan. Het onderwijs stond daar op veel hoger peil dan in Kampen; ook was in die grote plaats veel meer gelegenheid voor een brede ontwikkeling dan in de plaats waar de Theologische School stond en waar alles ,,bekrompen’’ was!

     Was het onderwijs in Amsterdam werkelijk ,,beter’’ dan in Kampen?
Een tijdlang misschien wel, namelijk zolang als de professoren Bavinck en Kuyper daar nog in hun kracht waren.
     Daarna zeker niet meer.
     Bovendien heeft het onderwijs te Kampen niet op een laag peil gestaan, al bezaten de docenten voor een deel geen doctorstitels. Ik denk b.v. aan professor M. Noordtzij, wiens werk niet ten achter stond bij dat van professoren, die wel een doctorale graad bezaten. En wat later is er een tijd geweest, dat de exameneisen in Kampen zwaarder waren dan in Amsterdam. Ook toen waren er, die de wetenschap van de V.U. hoog roemden boven die aan het ,,se-mi-na-rie’’.

     Hoe was het onderwijs in Kampen dan?
     In het algemeen kan er veel goeds van gezegd worden, en achteraf ziet men dat zoveel beter, al was er ook wel wat bij, waar wij nu een vraagteken bij plaatsen. Als voorbeeld denk ik aan hetgeen professor Bouwman blijkens een dictaat van de cursus 1920/21 doceerde over de pluriformiteit der Kerk, welke hij daarin ,,een schandelijke zonde’’ noemt, ,,die niet anders dan onder protest mag worden aanvaard’’, hoewel zij ,,in de kerken der wereld niet geheel te vermijden is en een goede kant bevat’’.
     Dat laatste hebben wij in die dagen zonder veel tegenspraak geslikt, zoals wij wel met meer dingen hebben gedaan, die men niet bepaald Gereformeerd kan noemen. Verschillende van de bekende ideeën van dr A. Kuyper werden somtijds in een enigszins gematigde vorm gedoceerd, hoewel ook wel weer werd gewezen op de bezwaren van de Kuyperiaanse scholastiek. Vooral de professoren Bouwman en Greijdanus hebben dat gedaan. De laatste stond scherper tegenover de Kuyperiaanse opvattingen dan de eerste, maar Bouwman heeft er meermalen uitdrukkelijk tegen gewaarschuwd, terwijl Greijdanus de naam van Kuyper nimmer heeft genoemd, als hij diens ideeën soms afwees: die doceerde zijn vak, de exegese in dit geval, en liet daarbij zien wat er in de tekst stond.
     Uit wetenschappelijk oogpunt gezien stond het onderwijs op een goed peil en deed het in niets onder voor hetgeen elders werd gedoceerd.
     Wel is er een leemte in geweest: het was te veel ,,wetenschap’’ en te weinig

[pag. 112]

afgestemd op de practijk, zoals dat trouwens ook met de meeste Bijbelverklaringen het geval is. Dat moet anders, en dat kan ook anders!

     Wij keren nu weer even terug naar het jubileum van 1904.
     Dat is de aanleiding geworden voor de latere jaarlijkse Schooldagen.
     Veel bezoekers van het jubileum kwamen op de gedachte, dat het gewenst zou zijn om jaarlijks, zo mogelijk op ,,de geboortedag van de School’’, een Schooldag te hebben (3 [3. Daarmee bedoelde men de datum, waarop de Synode van Zwolle 1854 tot de oprichting van de Theologische School besloot. Dat was op 15 Juni. Zie de Handelingen van deze Synode, 12de Sessie, art. 3 (blz. 39).]). Ds J. Kok, ds H. Meijering en dr A. Noordtzij dienden dat jaar bij de curatoren een desbetreffend verzoek in, dat mede ondertekend was door 33 predikanten. De curatoren beschikten er gunstig over, voteerden voor het organiseren van zo’n dag ƒ 50 en bepaalden als datum de Dinsdag van de eerste volle week van Juli.
     Door gebrek aan goede organisatie is wel eens een jaar geen Schooldag gehouden, maar later is er meer regelmaat in gekomen.

     In zijn werk ,,Onder veilige hoede’’ deelt professor Bouwman mee, dat de belangstelling voor het gouden jubileum buitengewoon groot was.
     De omstandigheden in aanmerking genomen mag men dat misschien zeggen, maar als men het aantal bezoekers eens vergelijkt met het aantal kerkleden, valt het erg tegen. In 1880 waren er omstreeks 140.000 zielen (4 [4. Zie De Vrije Kerk 1881, blz. 84.]). Gerekend met een jaarlijkse groei van 1500 mag men aannemen, dat het zielental in 1904 rond 175.000 bedroeg (5 [5. Uit de verschillende jaargangen van De Vrije Kerk blijkt, dat een jaarlijkse groei van 1500 zielen niet hoog is.]) plus een ongeveer gelijk aantal, dat uit de Doleantie was voortgekomen. Wat zegt U dan van de ruim 1500 jubileum-bezoekers op 350.000 kerkleden? Zie, nu het er zo hachelijk had voorgestaan en er nog voorstond met de School, hadden er op zijn minst 5000 behoren te zijn! Men had door persoonlijke verschijning wel eens mogen laten zien, dat men de School wilde behouden. Daarvoor was de jubileum-gift voor het Studiefonds en nog een feestcollecte van bijna ƒ 6700 niet voldoende.

     Want er waren nog altijd veel tegenstanders van de School, zelfs onder de curatoren.
     Toen professor Lindeboom in een ,,voorwoord’’ voor het curatorenverslag van 1904 daarop nog al breed inging en daarin zijn teleurstelling uitsprak over het feit, dat er kerkeraden en predikanten waren geweest, die het Schooljubileum niet hadden willen meevieren, en dat er geweest waren die publiek hadden uitgesproken dat de School ,,eerlang wel kan heengaan’’, besloot het curatorium, dat er geen ,,voorwoord’’ meer in het Curatorenverslag mocht verschijnen (6 [6. Curatorenverslag van 11 Nov. 1904.]).
     Professor Lindeboom gaf toen in een der kerkelijke bladen het advies, dat men naar de Synode geen mannen zou afvaardigen die openlijke tegenstanders van de School waren, en dat men ook bij de verkiezing van kerkeraadsleden daarmee rekening zou houden.
     Nadat het curatorium daarover een besloten zitting had gehouden, deelde het

[pag. 113]

mee, dat deze raadgevingen ,,van Z.H.G. afkeuring verdienen en dat het (curatorium) mitsdien Z.H.G. vermaant zich voortaan daarvan te onthouden (7 [7. id. 6 Juli 1905.]). In het exemplaar van de Handelingen der Curatoren, waarin ik dit besluit las, heeft iemand met blauw potlood aangetekend: ,,Men mag dus een Nederlander niet meer aanraden om de belangen der Nederlanders te behartigen’’.
     Ik geloof, dat het juist getypeerd is.
     Waarom kreeg de curator ds B. van Schelven geen reprimande van het curatorium, nadat hij op de Synode van Amsterdam 1908 het voorstel gedaan had om aan de curatoren op te dragen samen met de Hoogleraren te overwegen of het wenselijk en doenlijk is, de Theol. School te brengen ter plaatse waar de Vrije Universiteit gevestigd is? (8 [8. Dr H. Bouwman: Onder Veilige Hoede, blz. 99/100.])
     Hoewel er onder de curatoren voorstanders van dit voorstel waren, is het op de vergadering, waarin daarover werd gesproken, niet in stemming gekomen en werd besloten met 13 tegen 2 stemmen: ,,Curatoren en Hoogleeraren zijn van oordeel, dat verplaatsing van de Theol. School naar de plaats waar de Vrije Universiteit is, bij het licht, dat zij thans over dit punt hebben, wenschelijk noch doenlijk is’’. (9 [9. Curatorenverslag 28 Jan. 1909.])
     In 1900 had de School vijf hoogleraren, maar nu zij ,,aan de minderheid was cadeau gegeven’’ werden in 1902 in de drie vacatures slechts 2 nieuwe benoemd. Gingen later soms stemmen op, dat het toch behoorlijk was, dat de vijfde professor er weer bij kwam, dan werkte het curatorium met het argument, dat er niet voldoende geld voor was (10 [10. Handelingen der Curatoren 3 Juli 1911, art. 20, 28; 14 Aug. 1911, art. 9, 11!]), maar het stak nimmer een vinger uit om te proberen, dat de nodige gelden er kwamen.
     Professor M. Noordtzij diende in 1912 zijn aanvraag om ontslag in. Toen werd eindelijk ernst gemaakt met de benoeming van een vijfde hoogleraar, waartoe in principe de Generale Synode van Zwolle 1911 ondanks het afwijzend advies van de curatoren had besloten. Na dit besluit namen de inkomsten van de School zo toe, dat het curatorium na het ontslag van professor M. Noordtzij adviseerde om 2 nieuwe hoogleraren te benoemen, hetgeen toen ook is geschied door de Generale Synode van ’s-Gravenhage.
     Bij de opening van deze Synode verklaarde de voorzitter van de Kerkeraad van Den Haag, dr J. C. de Moor, dat de Kerkeraad hem uitdrukkelijk opdracht had verleend om uiting te geven van zijn droefheid, dat nog een tweeërlei opleiding bestond, en dat deze droefheid de vreugde van het mogen ontvangen van de Synode in Den Haag temperde, al liet de Kerkeraad er bij verklaren, dat de tijd nog niet rijp is om tot een principiële oplossing van dit vraagstuk te komen (11 [11. Acta dezer Synode, blz. 6.]).
     De man, die deze verklaring uitsprak, werd gekozen met dr G. Ch. Aalders, maar beiden bedankten: daarop viel de keuze op dr J. Ridderbos en dr B. Wielenga; na het bedanken van de laatste koos de Synode dr T. Hoekstra. Deze benoemingen hadden plaats door de Generale Synode.
     Sinds 1882 was het regel geweest, dat de curatoren met enkele synodale deputaten de professoren benoemden; thans ging men weer in het oude spoor, dat

[pag. 114]

ongetwijfeld beter was dan het tussentijds gevolgde, daar zo veel meer uitkomt, dat de benoeming een zaak van de Kerken is.
     De beide nieuw benoemde hoogleraren aanvaardden hun taak 16 Januari 1913. Twee dagen later overleed iemand, die ook eens docent aan de School was geweest: ds A. Steketee.

     De onwelwillende houding jegens de School is ook telkens uitgekomen, als het er om ging haar het promotierecht te verlenen. Daarover zal afzonderlijk gehandeld worden, zodat wij daarnaar verwijzen.

     Zo is de School op allerlei wijze tegengewerkt.
     Het is misschien voor een tegenstander van de Theologische School erg moeilijk om zich geheel in de gedachtengang van iemand, die uitsluitend de Vrije Universiteit als opleidingsschool wilde hebben, in te leven, zodat de tegenwerking van die zijde mogelijk niet altijd goed is begrepen. Maar ik wil toch even twee zaken tegenover elkaar stellen: de voorstanders van de V.U. hebben telkens geprobeerd om de School weg te krijgen, terwijl van de andere zijde nooit een poging is gedaan om de V.U. te laten verdwijnen.
     Daarbij had moeten worden bedacht, dat in 1892 een belofte werd afgelegd, namelijk dat de Theologische School zou blijven bestaan, maar zij, die deze belofte deden, hebben reeds een jaar daarna een poging in het werk gesteld tot opheffing van de School, en dat is maar doorgegaan, onophoudelijk doorgegaan.
     Iemand van hen zal mogelijk tegenwerpen: Ja, maar met legale middelen!
     Jawel! ,,Legaal’’, wanneer dat zeggen wil: het ging ,,in de kerkelijke weg’’!
     Maar wat heeft men zo gedaan met die belofte van 1892? Of was die met de vereniging automatisch van de baan, zoals wel eens gezegd is? Als men met zulke voornemens een kerkelijke vereniging zou aangaan, behoeven er ook geen ,,bedingen’’ gemaakt te worden!

De tegenstand tegen de School is geleidelijk minder geworden, hoewel nimmer geheel uitgestorven.
     Op verzoek van de Generale Synode van ’s Gravenhage 1914 besloot de Senaat van de V.U. op 11 December van dat jaar, dat de examens van de Theol. School aan de V.U. zouden worden erkend.
     De gelijke van de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit mocht zij echter niet worden. Zij moest de mindere blijven.
     Dat is met name gebleken, toen de School in de laatste jaren meer invloed kreeg, dan zij voorheen had bezeten, na de benoeming van dr K. Schilder tot opvolger van professor Honig.
     Professor Schilder ging, gezien in die tijd, nieuwe wegen: hij maakte zich geleidelijk los van allerlei constructies, die de laatste jaren als ongeveer Goddelijke waarheden hadden gegolden. Voorzichtig begon hij bezwaren in te brengen tegen

[pag. 115]

de ,,algemene-genade-theorie’’; tegen de leer van de ,,souvereinitei-in-eigen-kring’’ zoals die zich vooral ná dr A. Kuyper ging ontwikkelen; tegen de bijna algemeen aanvaarde ,,pluriformiteit der Kerk’’; zijn verbondsopvatting sloot meer aan bij die van de als ,,Biblicist’’ gedoodverfde professor Hel. de Cock dan die van dr A. Kuyper. Het oude ,,A-standpunt’’ kwam weer naar voren met nieuwe argumenten versterkt en dieper doordacht dan voorheen.
     Ook een tweetal niet-theologische professoren van de V.U. bracht critiek uit op de leringen van dr A. Kuyper.
     De hoofdpersoon was echter professor Schilder.
     De grote betekenis van zijn werk vond in brede kring erkenning, en menselijk gezien was het maar een kwestie van tijd meer, of de invloed van Kampen was even groot geweest als die van Amsterdam.

     Toen zijn de ,,epigonen’’ van dr Kuyper, waaronder speciaal prof. dr V. Hepp en prof. dr H. H. Kuyper, in het geweer gekomen en begon de eerste te schrijven over Dreigende Deformatie, terwijl de zaak acuut is geworden door het aan de orde stellen van de zogenaamde leergeschillen ter Generale Synode van Amsterdam 1936 (12 [12. Acta, art. 152.]).
     Van uitstel wilde men niet weten, want men begreep aan de zijde van de ,,Dreigende Deformatie’’-roepers heel goed, dat tijdverlies voor hen meer zou betekenen dan enkel uitstel. Toen is de zaak doorgedreven met de bekende middelen en gevolgen.
     Een apart stukje geschiedenis van de School vormen de financiën. Die zijn van het begin af het ,,zorgenkind’ der Kerken geweest!
     Stel je voor! Er zou - zo was het Synodebesluit van 1849 - een School komen met 3 professoren, die elk twaalfhonderd gulden zouden moeten verdienen! Daar kwamen dan nog enkele honderden guldens bij voor rente en aflossing en zo meer! Hoe zouden zestigduizend zielen die vier tot vijf duizend gulden per jaar opbrengen...?
     Dat was het ,,geloof’’, waarmee de Kerken zouden beginnen...!
     Het is begrijpelijk, dat er toen niets van kwam.

     Ook in de tijd, over welke wij schrijven, is de School voor veel Kerkleden niet voldoende ’n geloofszaak geweest, ondanks de strijd voor haar voortbestaan. Immers, als het daarmee goed had gestaan, zou er beter zijn gezorgd voor haar financiën.
     De jubileum-gift en de feestcollecte waren goed geweest, maar de daarop onmiddellijk volgende jaren hebben de penningmeester van de School, dr H. Franssen te Zwolle, niet weinig kopzorgen gegeven.
     Het schijnt, dat hij reeds met de desertie van de professoren Bavinck en Biesterveld de moed verloren had, want hij vroeg eervol ontslag als penningmeester, indien de curatoren nieuwe professoren zouden benoemen (13 [13. Curatorenverslag 30 Oct. 1902, art. 44.]). Er zou dan ook een tekort zijn van maar even ƒ 7400!

[pag. 116]

     Hij is echter gebleven, maar in een van zijn financiële rapporten klaagt hij er over, dat het met het afdragen van de gelden der Kerken voor de School gaat als in het leger van Prins Maurits, waar ,,ieder liep en zich kleedde en wapende gelijk het hem in de zin kwam’’... (14 [14. id. 7 Juli 1903, blz. 24/25.]).
     Telkens moet hij meedelen, dat de twee voorgeschreven collecten voor de School door lang niet alle Kerken worden gehouden; veel Kerken zonden maar één collecte of twee keer een halve, sommige helemaal geen, ,,waaronder... oude hopeloze(?) recidivisten!’’ Dat gebeurde zelfs door Kerken, ,,waar de liefde voor de Theologische School met (dus blijkbaar goedkooper) woorden luid uitgeroepen wordt!’’ (15 [15. id. 2 Juli 1906, blz. 19.]).
     Tot zijn leedwezen moest hij in 1906 ontslag aanvragen als penningmeester en werd toen opgevolgd door ds A. M. Donner te Amersfoort, die in 1937 werd opgevolgd door de heer G. Ph.     Wielenga te Wassenaar.
     Een omkeer ten gunste van de     financiën der School trad in omstreeks     1914: toen gingen de inkomsten de uitgaven overtreffen.

     Met de jaren waren de uitgaven heel wat in de hoogte gegaan. Het salaris van de professoren, begonnen met ƒ 1200, bedroeg in de tijd van het jubileum reeds ƒ 3000, en de gezamenlijke uitgaven - de gymnasiale opleiding inbegrepen - bedroegen meer dan ƒ 42000. In het laatste jaar van het penningmeesterschap van ds Donner - 1937 - bedroeg de som van de uitgaven, waartoe sinds 1907 de kosten van het gymnasium niet meer behoorden, ruim ƒ 63700.

     In 1907 kwam, nadat er lang en breed over gehandeld was,     de      definitieve
scheiding van de School en het Gymnasium. Toen het laatste na de gelijkstelling van het onderwijs van 1920 in 1922 een gedeelte van het stedelijke gymnasium als schoolgebouw toegewezen kreeg, kwam er ook schot in de sinds enige jaren bestaande plannen voor uitbreiding van het gebouw van de School. De Synode van Rotterdam 1917 gaf aan de curatoren reeds machtiging tot verbouwing van het oudste gedeelte; 3 jaar later was er een voorlopig ontwerp van een verbouwing, die op ƒ 150000 werd geschat. Een in de Kerken gehouden collecte bracht ongeveer ƒ 94500 op, maar de eigenlijke bouwkosten kwamen tenslotte wel iets boven de raming uit: het werd ƒ 209300!! De verbouwing begon in 1923 en 17 September 1924 kon het vernieuwde schoolgebouw in gebruik worden genomen. Het nieuwe gebouw was inderdaad een grote verbetering.

     In 1917 nam professor L. Lindeboom afscheid als actief hoogleraar en werd opgevolgd door dr S. Greijdanus; de oude kampvechter voor de School overleed 4 Januari 1933.
     In de zomer van het jaar daarvoor vroegen de professoren Bouwman en Honig ontslag wegens het bereiken van de 70-jarige leeftijd. De eerste is reeds spoedig daarop overleden: 8 Februari 1933.

[pag. 117]

     In hun plaats benoemde de Synode van Middelburg 1933 mr dr G. M. den Hartogh en dr K. Schilder; zij besloot tevens het lectoraat af te schaffen. Het laatste besluit is door de Synode van Amsterdam 1936 in feite weer teruggenomen.
     Daar 20 Januari 1936 prof. dr T. Hoekstra stierf, moest deze Synode ook een opvolger voor hem benoemen. Gekozen werd dr K. Dijk. Ds A. Groenewegen, em. pred. van Woudsend, zond een schrijven aan deze Synode met verzoek om de Theol. School te sluiten...!
     Tegen het einde van het in dit gedeelte behandelde tijdperk komen nog enkele zaken van betekenis voor in het leven der School: de ambtsaanvaarding van de zendingshoogleraar dr J. H. Bavinck op 12 October 1939; de verlening van het praedicaat ,,Hoogeschool’’ aan de School der Kerken door de Synode van Sneek; het overlijden van prof. dr A. G. Honig in 1940 en de ontslagaanvrage van prof. dr S. Greijdanus in het volgende jaar wegens het bereiken van de 70-jarige leeftijd. De ,,synode’’ van 1942 benoemde zijn opvolger, midden in de bezettingstijd en midden in de Kerkstrijd.

     Er is in onze tijd vooral één professor geweest, die een onvergetelijke indruk op de studenten heeft nagelaten: professor Greijdanus. Een van de herinneringen aan hem wil ik hier meedelen.
     Toen hij bezig was met de exegese van de tweede brief van Petrus, waarin de Apostel zich een ,,doulos’’, d.i. een ,,slaaf’’ van Jezus Christus noemt, hield de professor na de exegetische opmerkingen daarover even op met doceren en zei zo ongeveer: ,,Mijne heren, de Apostel noemt zich hier een ,,doulos Ièsou Christou’’ en dat zullen de heren later ook moeten zijn; er zijn er onder de heren die dat niet willen; het is beter dat die maar wéggaan, want dan zijn zij ongeschikt’’. Het werd doodstil in de zaal; na het college werd er druk over gesproken, wie en wat de professor wel mocht hebben bedoeld.
     Daarover heeft Greijdanus nooit gesproken, maar wel door zijn eigen leven en werken laten zien, hoe hij dat ,,doulos Ièsou Christou’’ opvatte! Later is deze professor door een zich Gereformeerde synode noemende vergadering geschorst wegens ,,zonde tegen het vijfde en negende gebod’’...!
     Zeker, Greijdanus was ook een zondaar, maar een die geschorst is om zijn eerlijkheid; omdat hij ook in die dagen alleen ,,doulos Ièsou Christou’’ wilde zijn en geen slaaf van een onwettig zich noemende Gereformeerde synode.
     Ook van de andere professoren heb ik wel herinneringen, die het meedelen waard zijn. De ruimte laat niet toe daarop in te gaan. Maar ik moet er toch één noemen, daar zij van betekenis is met het oog op de situatie in de Gereformeerde wereld van die dagen.
     Het gebeurde eens op een college, dat de toen docerende professor de opmerking maakte, dat men na het voortreffelijke werk van de professoren dr H. Bavinck en dr A. Kuyper Sr niet moest verwachten, dat er nog een wezenlijk element aan de Gereformeerde Theologie zou worden toegevoegd. Het systeem was áf!

[pag. 118]

     Dat zulks niet alleen de gedachte van die ene professor was, is wel gebleken door het aan de orde stellen van de behandeling der ,,meningsverschillen’’ en de daarover vervolgens genomen besluiten in 1942! Dat was iets anders, dan enkel ,,doulos Ièsou Christou’’ willen zijn!

Ten slotte nog enkele datums uit deze periode (16 [16. Ontleend aan de Acta der Generale Synodes en de Handelingen der Curatoren.]).

28 Maart 1902 Prof. D.K. Wielenga overleden.
27 Aug. 1902 De Synode van Arnhem besluit tot opheffing der School.
27 Aug. 1902 De verklaring der ,,vijftien’’.
27 Aug. 1902 Besluit om het besluit tot opheffing der school niet uit te voeren.
2 Oct. 1902 Oprichting van de Wachtersbond.
30 Oct. 1902 Prof. dr H. Bavinck en Prof. dr P. Biesterveld vragen ontslag als hoogleraar.
12 Dec. 1902 Het eerste nummer van ,,De Wachter’’.
11 Febr. 1903 Inauguratie van Prof. dr. H. Bouwman.
8 April 1903 Inauguratie van Prof. dr A.G. Honig.
15 Juni 1903 50-jarig jubileum der School.
11 Nov. 1903 De Curatoren verbieden de professoren het schrijven van een ,,voorwoord’’ voorin het ,,Curatorenverslag’’.
[pag. 119]
6 Juli 1905 Prof. L. Lindeboom krijgt een reprimande van de Curatoren wegens zijn raadgevingen inzake de verkiezing van ambtsdragers en afvaardiging naar de meerdere vergaderingen.
2 Juli 1906 Dr H. Franssen ontvangt ontslag als penningmeester.
3 Juli 1906 Ds A. M. Donner tot penningmeester benoemd.
7 Nov. 1907 Het gymnasium wordt overgedragen aan de ,,Nationale Vereeniging’’.
7 Juli 1908 De Curatoren verwerpen een voorstel van het College van Hoogleraren om aan de e.k. Gen. Synode voor te stellen aan de School het promotierecht te verlenen.
7 Juli 1908 De Curatoren verwerpen een voorstel van het College van Hoogleraren om de e.k. Synode te adviseren om een vijfde hoogleraar te benoemen.
2 Sept. 1908 De Generale Synode van Amsterdam besluit om de School het promotierecht niet te verlenen en geen vijfde hoogleraar te benoemen.
3 Sept. 1908 De Generale Synode van Amsterdam aanvaardt een voorstel van Ds B. van Schelven (curator der School) om te onderzoeken of de School niet kan worden gebracht ter plaatse waar de Vrije Universiteit gevestigd is.
28 Jan. 1909 Curatoren en Hoogleraren besluiten met 13 tegen 2 stemmen, dat verplaatsing van de Theol. School naar de plaats waar de Vrije Universiteit is, bij het licht dat zij thans over dit punt hebben, wenselijk noch doenlijk is.
4 Juli 1910 Het Curatorium benoemt een commissie van advies voor het voorstel van het College van Hoogleraren om aan de School het recht van ,,Doctoraat’’ toe te kennen.
14 Aug. 1910 Curatoren verwerpen het voorstel van het College van Hoogleraren tot het benoemen van een vijfde Hoogleraar aan de School met 6—6 stemmen.
15 Aug. 1910 De Curatoren besluiten met 8 tegen 4 stemmen het verzoek van de Hoogleraren betreffende het promotierecht niet te ondersteunen.
31 Aug. 1911 De Generale Synode van Zwolle besluit in principe tot het benoemen van een vijfde Hoogleraar.
16 Juli 1912 Prof. M. Noordtzij ontvangt emeritaat op de Synode van ’s Gravenhage, welke dr G. Ch. Aalders tot zijn opvolger benoemt, en dr J. C. de Moor als vijfde Hoogleraar kiest.
10 Sept. 1912 Na het bedanken van beide benoemden kiest de Synode dr J. Ridderbos als opvolger van professor Noordtzij en dr B. Wielenga tot vijfde hoogleraar.
17 Oct. 1912 Na het bedanken van dr B. Wielenga wordt dr T. Hoekstra tot vijfde Hoogleraar gekozen, die de benoeming aanvaardt.
[pag. 120]
16 Jan. 1913 Prof. dr T. Hoekstra en Prof. dr J. Ridderbos treden in functie.
18 Jan. 1913 De Oud-Docent der School A. Steketee sterft (de voorgeschiedenis valt buiten deze periode).
3 Nov. 1914 De Generale Synode van ’s-Gravenhage spreekt uit, dat de Theologische School als eigen opleiding der Kerken geen aanspraak heeft op het promotierecht.
9 Febr. 1915 Overlijden van professor M. Noordtzij, emeritus-hoogleraar.
5 Juli 1915 De Curatoren nemen kennis van het bericht van de senaat van de V.U., dat de examens te Kampen afgelegd, door hen erkend zullen worden.
30 Aug. 1917 De Generale Synode van Rotterdam verleent op diens verzoek emeritaat aan professor L. Lindeboom en benoemt in diens plaats dr S. Greijdanus.
30 Aug. 1917 Voornoemde Synode machtigt het Curatorium tot het doen verbouwen van het oudste gedeelte van het Schoolgebouw.
19 Dec. 1917 Professor L. Lindeboom neemt afscheid als actief Hoogleraar en wordt opgevolgd door Prof. dr S. Greijdanus.
30 Juni 1919 Het College van Hoogleraren deelt mee aan het Curatorium, dat het besloten heeft in verband met verschijnselen, die zich voordeden in de N.C.S.V., dat voortaan in het gebouw van de Theologische School alleen Gereformeerde sprekers mogen optreden.
1 Juli 1919 De Curatoren benoemen een Bouwcommissie.
5 Juli 1921 De Curatoren benoemen een Financiële Commissie voor Schoolbouw.
16 Sept. 1922 Het Gymnasium verlaat het gebouw van de Theologische School.
16 Mei 1923 Aanbesteding van de verbouwing en uitbreiding van het Schoolgebouw. De laagste inschrijver is W. van Genderen te Amersfoort voor ƒ 125.890.
31 Jan. 1924 Ingebruikneming van het Hospitium.
30 Juni 1924 De penningmeester deelt mee dat de bouwkosten voor de School in haar geheel beraamd worden op ƒ 175.000.
17 Sept. 1924 Ingebruikneming van het vernieuwde Schoolgebouw.
6 Juli 1925 Ingekomen aan collecten en giften voor de verbouwing ƒ 94589.36; de verbouwing kostte ƒ 209323.51.
6 Juli 1926 Curatoren verklaren, dat zij met belangstelling hebben kennisgenomen van een motie van het Studentencorps, waarin de wenselijkheid wordt uitgesproken dat de Theol. School het Promotierecht ontvangt, maar dat het niet op hun weg ligt om zich daarover uit te spreken.
[pag. 121]
24 Aug. 1927 De Generale Synode van Groningen draagt de Curatoren op om de zaak van het ,,Doctoraat’’ te onderzoeken en daarover een weloverwogen advies aan de Kerken aan te bieden.
8 Maart 1928 Het Curatorium benoemt daarvoor een ,,Commissie van praeadvies’’.
20 Juni 1929 Herdenking van het 75-jarige bestaan van de Theologische School; er zijn rond 3500 bezoekers; prof. dr H. Bouwman houdt de feestrede over het onderwerp: <em>Van ’s Heeren Wegen</em>. Een feestgave van ruim ƒ 7000 voor het bibliotheek-fonds en verdere toerusting der aula is bijeengebracht.
2 Juli 1929 Het Curatorium besluit het admissie-examen af te schaffen. Ook benoemen zij een Commissie van Advies inzake een verzoek van de studenten om vermindering van de eisen van het candidaats-examen.
3 Sept. 1929 Curatoren besluiten met meerderheid van stemmen de voorstellen tot toekenning van het promotierecht aan de Theologische School af te wijzen; de minderheidsrapporten zullen in het advies aan de Synode worden opgenomen.
1 Juli 1930 Curatoren nemen er kennis van, dat de Hoogleraren aan de wensen van de studenten inzake vermindering van de exameneisen zijn tegemoet gekomen.
1930 De Generale Synode van Arnhem besluit het recht van promotie niet te verlenen aan de Theologische School en een Zendings-hoogleraar te benoemen.
5 Juli 1932 Professor dr H. Bouwman en Prof. dr A. G. Honig vragen het Curatorium ontslag als Hoogleraar wegens het bereiken van de 70-jarige leeftijd.
4 Jan. 1933 Professor L. Lindeboom overleden.
8 Febr. 1933 Professor dr H. Bouwman overleden.
23 Aug. 1933 Curatoren stellen de Generale Synode te Middelburg voor het lectoraat aan de Theol. School af te schaffen.
23 Aug. 1933 De Generale Synode te Middelburg benoemt tot professoren aan de School mr G. M. den Hartogh en dr K. Schilder, en besluit het lectoraat af te schaffen, en niet over te gaan tot de benoeming van een Zendingshoogleraar, daar men het nog niet eens is over een geschikte persoon en de vermeerdering van kosten het niet toelaat.
17 Jan. 1934 Afscheid van Prof. dr A. G. Honig en ambtsaanvaarding van Prof. dr K. Schilder en Prof. mr G. M. den Hartogh.
20 Jan. 1936 Prof. dr T. Hoekstra overleden.
30 Juni 1936 Ter Curatorenvergadering wordt gesproken over ,,ongewenste persdebatten’’, na een rapport van een ter zake benoemde Commissie.
[pag. 122]
20 Aug. 1936 Voortzetting van deze bespreking met de Hoogleraren. ,,Eenparigheid van oordeel wordt niet bereikt’’.
1 Sept. 1936 De Generale Synode van Amsterdam besluit in beginsel, dat de naam van de School zal zijn ,,De Theologische Hoogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland’’, met de bepaling, dat deze naamsverandering ,,niets prejudicieert ten opzichte van de kwestie van het promotierecht’’, en dat de naamsverandering zal ingaan, nadat de Curatoren aan de volgende Generale Synode een bevredigend rapport hebben uitgebracht betreffende financiële consequenties, die uit de naamsverandering zouden kunnen voortvloeien.
2 Sept. 1936 De Generale Synode van Amsterdam benoemt in de vacature van Prof. dr T. Hoekstra dr K. Dijk tot Hoogleraar. Dezelfde Synode besluit niet in te gaan op het voorstel van ds A. Groenewegen, emer. pred. van Woudsend, om de School te sluiten.
3 Sept. 1936 Dezelfde Synode benoemt (tijdelijk) weer een lector (zie Aug. 1933!), en draagt de curatoren op bij de eerstvolgende Generale Synode voorstellen te doen betreffende het al of niet benoemen van een zesde Hoogleraar.
29 Oct. 1936 Het Curatorium benoemt dr R. J. Dam tot lector per 1 Jan. 1937.
29 Jan. 1937 Dr K. Dijk aanvaardt het professoraat.
6 Juli 1937 Het Curatorium besluit, dat bij lezingen voor het studenten-corps alleen Gereformeerde sprekers in het Schoolgebouw mogen optreden.
13 Oct. 1937 Curatoren besluiten aan de e.k. Generale Synode te adviseren dr J. H. Bavinck tot Zendingshoogleraar te benoemen.
12 Oct. 1939 Dr J. H. Bavinck aanvaardt het Zendingsprofessoraat (in combinatie met de Vrije Universiteit).
1939 De Generale Synode van Sneek besluit, dat de School van nu aan zal heten: <em>De Theologische Hoogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland</em>.
8 Juni 1940 De Curatoren houden hun honderdste Vergadering.
11 Dec. 1940 Prof. dr A. G. Honig overleden.
1 Juli 1941 Het Curatorium verzoekt Prof. dr S. Greijdanus, die 70 jaar is, tenminste tot 17 Dec. 1942 zijn werk te willen voortzetten, waarin deze toestemt.
7 Juli 1942 Het Curatorium stelt een tweetal vast, waaruit de e.k. Generale Synode een keuze zal doen in de vacature van Prof. dr S. Greijdanus.

[pag. 123]

Category(s): Kampen
Tags: , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *