Een studie naar de uitingsvormen en de oorzaken van de maatschappelijke onrust te Kampen in de jaren 1785 tot 1810

Een studie naar de uitingsvormen en
de oorzaken van de maatschappelijke
onrust te Kampen in de jaren
1785 tot 1810

Eindscriptie eerstegraads geschiedenis

Augustus 2006

Theo Mulder


Inhoudsopgave

Inhoudsopgave 1
Inleiding 2
1. Nederland in de Franse Tijd 4
1.1 De politieke situatie 4
1.2 De sociaal-economische situatie 7
2. Kampen in de Franse Tijd 12
2.1 Politieke situatie 12
2.2 Sociaal-economische situatie 16
3. Maatschappelijke onrust te Kampen gedurende de Franse Tijd 27
3.1 Maatschappelijke onrust in ontwikkeling 27
Begripsbepaling en bronnen 27
Onkosten scherprechter en gevangeniskosten 27
Zware criminaliteit: lijfstraf, verbanning of tuchthuis 29
Veelvoorkomende criminaliteit: boetestraf, kortdurende vrijheidsstraf en ontheffing uit functie 34
Toename of afname van de maatschappelijke onrust? 37
3.2 Uitingsvormen van maatschappelijke onrust 39
Categorie één: politieke agitatie 39
Categorie twee: burgertwisten 45
Categorie drie: overlast door militairen 46
Categorie vier: vermogensdelicten 51
Categorie vijf: sociaal wangedrag en drankoverlast 53
Categorie zes: overlast door vreemdelingen 57
3.3 Samenhang maatschappelijke onrust en politieke constellatie 60
3.4 Samenhang maatschappelijke onrust en economische constellatie 64
3.5 Slotconclusies 67
Noten 69
Geraadpleegde literatuur 73
Bijlagen 74

 

|pag. 1|

Inleiding

Naar goed gebruik wordt de opleiding voor eerstegraads docent geschiedenis afgesloten met een eindscriptie gebaseerd op primair bronmateriaal. Immers, om de geschiedenis op evenwichtige wijze door te kunnen geven, is het onontbeerlijk te ervaren hoe die geschiedenis gereconstrueerd wordt. Meer dan een reconstructie is het toch eigenlijk niet. De vraag ‘wie es eigentlich gewesen ist’, moet node onbeantwoord blijven, vanwege het simpele feit dat de geschiedenis eenmalig en niet herhaalbaar is. In dat opzicht onderscheidt zich de geschiedeniswetenschap fundamenteel van de exacte natuurwetenschappen. Al worstelend met het bronmateriaal blijkt bovenstaande bewaarheid te worden. Bronnenstudie is als het maken van een puzzel, waarvan op cruciale momenten wezenlijke puzzelstukjes ontbreken. Zonder voorbeeld is het dan ondoenlijk exact te zeggen hoe dat deel van de puzzel eruit hoort te zien. Ons voorstellings- en interpretatievermogen zal de leemtes in zulke gevallen moeten opvullen. Dat er ongetwijfeld misinterpretaties voor kunnen komen en andere interpretaties even valide kunnen zijn, is niet nodig hier te betogen. Vandaar dat de geschiedenisstudie ook wel een discussie zonder eind is genoemd. Al deze theoretische uitspraken krijgen praktische waarde tijdens het bestuderen van de bronnen. Ja toch, alles is minder zeker waar, dan dat het zeker waar was.

Na een stevige zoektocht besloot ik de Franse Tijd tot studieobject te nemen, deels vanuit persoonlijke interesse, maar meer nog vanuit de optiek dat diverse terreinen in de periode onontgonnen bleken. Althans voor de oude hanzestad Kampen dan.
Door in te zoomen op de Franse Tijd binnen de stedelijke gemeenschap van Kampen lagen gelijk enkele grensafbakeningen voor de hand, zowel in tijd als in plaats. Na wat grasduinen door de archiefinventarissen en de beschikbare secundaire literatuur werd ik geboeid door de thematiek van voorkomende criminaliteit in onderhavige periode. In de algemene literatuur valt te lezen, dat er in de Franse Tijd, met name in de laatste jaren ervan, een duidelijke toename geweest zou zijn van de fenomenen diefstal, landloperij en georganiseerde misdaad. Bij mij rees de vraag of deze algemene constatering ook opgang deed voor het betrekkelijk kleine gebied van de Kamper jurisdictie. Daarnaast was ik benieuwd in hoeverre er in Kampen maatschappelijke beroeringen hadden plaatsgevonden voortkomend uit de politieke verhoudingen van die tijd. Het bestaande patriotse imago van Kampen deed eigenlijk op voorhand vermoeden dat deze vorm van maatschappelijke onrust beperkt zou zijn. Toch wilde ik bezien of dit vermoeden zou zijn te staven met concrete gegevens.

Echter alvorens te kunnen bepalen of de criminaliteitsvormen een kwantitatieve stijging lieten zien, moest eerst een beginsituatie vastgesteld worden, waartegen de ontwikkeling zou kunnen worden afgemeten. Deze als ijklijn fungerende beginsituatie heb ik proberen te verkrijgen door eveneens de tienjarige periode 1785 tot 1794 vanuit dezelfde optiek te bestuderen. Uiteraard is het discutabel of deze ‘ijklijn’ wel een afdoend lange periode beslaat en daarmee een representatief beeld van de Kamper situatie geeft, temeer omdat in datzelfde tijdsbestek ons volk in een

|pag. 2|

heftige factiestrijd verwikkeld was. Toch heb ik om twee redenen gemeend de grens hier te kunnen stellen. Allereerst omdat ik bijzonder wilde kijken naar de impact van de Franse bezetting, waarvan de gevolgen pas merkbaar zouden zijn na 1795 wat dan voldoende zou moeten afsteken bij de tienjarige periode ervoor. In de tweede plaats vanwege het feit dat de criminaliteitsproblematiek zich volgens de literatuur vooral zou voordoen in de laatste jaren van de Franse Tijd, na 1806 dus. Echter om toch iets aan het genoemde bezwaar tegemoet te komen, heb ik bij één bepaalde bron – die van de gemaakte onkosten voor gevangenen en scherprechter – tien jaar dieper gekeken, namelijk tot 1775. Zodoende heb ik toch gemeend een redelijk oordeel te kunnen vellen over voornoemde onderzoeksterreinen.

Dit alles onderzocht hebbend, zou echter steeds één vraag open blijven staan: als er dan al sprake is van een toename van voornoemde criminaliteitsgebieden, hoe valt dat dan te verklaren? Ter beantwoording van deze complexe vraag was het vooraf nodig om de politieke en sociaal-economische gesteldheid van Kampen in de tijd vàn en voorafgaand aan onze onderzoeksperiode onder de loep te nemen. Hiervoor heb ik veel gesteund op secundaire literatuur, maar eveneens veel leemtes weten op te vullen met behulp van de aanwezige archiefstukken. Tenslotte heb ik het onderzoek willen doen voorafgaan door een zeer beknopte samenvatting van de tijdsperiode op landelijk niveau. Dat creëert de mogelijkheid om het lokale onderzoek in breder perspectief te trekken.

Samenvattend luidt mijn eigenlijke probleemstelling als volgt:

In hoeverre is er sprake van toenemende sociale en maatschappelijke onrust gedurende de Franse Tijd in Kampen en wat zijn de mogelijke oorzaken daarvan?

|pag. 3|

1. Nederland in de Franse Tijd

1.1 De politieke situatie
Fluwelen revolutie

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was nog maar pas begonnen aan de derde eeuw van haar bestaan, toen ze na verschillende aanvallen uiteindelijk toch stuiptrekkend aan haar einde kwam en overging in de Bataafse Republiek. Een jarenlange strijd lag achter met wisselende krijgskansen tussen prinsgezinden en patriotten. Uiteindelijk kregen de patriotten in het najaar van 1794 de wind in de zeilen toen een Franse troepenmacht de balans in hun voordeel deed doorslaan.
Stadhouder Willem V vluchtte vanuit Scheveningen naar Engeland. De zogenaamde fluwelen revolutie kon plaats vinden. Overal werden stedelijke magistraten vriendelijk verzocht het veld te ruimen voor door het volk gekozen Provisionele Representanten van het Volk. Slechts in enkele gevallen was er sprake van verzet en vrij algemeen kwam een deel van de oude magistraat terug in de nieuw geschapen bestuursorganen. Nu was het wachten op de landelijke vertaalslag van dit hele gebeuren, wat nog heel wat voeten in aarde zou hebben. Met de uitschakeling van de rivaliserende groep van prinsgezinden kwamen de verschillen in het patriotse kamp openbaar. Unitarissen en federalisten – partijnamen die over het algemeen inwisselbaar bleken voor de aanduiding democraten en aristocraten – gingen al snel als kemphanen tegenover elkaar staan. Dit werd vooral duidelijk nadat de eerste Nationale Vergadering op 1 maart 1796 bijeenkwam. Deze door het volk gekozen instantie werd belast met de totstandbrenging van een grondwet. Toen die op 8 augustus 1797 werd voorgelegd aan de grondvergaderingen, werd ze met meerderheid verworpen. Velen vonden haar te federalistisch van karakter en wilden verdergaande voorstellen richting een eenheidsstaat. Het hele verhaal begon opnieuw en op 1 september 1797 kwam de tweede Nationale Vergadering bijeen met dezelfde doelstelling.

Democratisch intermezzo
Één en ander kwam in een stroomversnelling toen een machtswisseling in Frankrijk consequenties kreeg voor haar zusterrepubliek. Met ruggesteun vanuit Frankrijk pleegden de democraten een staatsgreep en schakelden hun opponenten in de Nationale Vergadering uit. De grondwet van 23 april 1798 betekende een flinke impuls in de richting van centralisatie: gemeenten en departementen verloren veel van hun soevereiniteit. Weliswaar zaten de democraten door een nieuwe staatsgreep van luitenant-generaal Daendels slechts kort op het pluche, de door hen vervaardigde grondwet bleek een langer leven beschoren.

Toen Napoleon in 1799 in Frankrijk de macht greep had dat opnieuw gevolgen voor de Bataafse Republiek. In zekere zin betekende het een restauratie van oude machtsverhoudingen. De rol van de democraten leek uitgespeeld. De zogenaamde democratische stemmingen voor een nieuwe grondwet bleken een aanfluiting. Steeds meer raakte namelijk de methode in zwang om thuisblijvers als voorstemmers aan te merken. Het jaar 1801 staat dan ook te boek als het jaar van de verzoening tussen

|pag. 4|

patriotse en prinsgezinde regentengeslachten. ‘De wording van een Nederlandse natie stokte, de oudhollandse herleefde’1 [1. C.H.E. de Wit, “De Noordelijke Nederlanden in de Bataafse en de Franse Tijd 1795-1813”, in: AGN, Bussum 1983, deel 11, p. 177]. Deze herleving was echter van korte duur.
De orangistische regenten waren als vanouds georiënteerd op Engeland. Uiteindelijk werd dit aangegrepen om de teruggekeerde orangisten ten val te brengen. De vrede van Amiens tussen Engeland en Frankrijk bleek namelijk erg tijdelijk. Toen in 1803 de strijd tussen beide landen herleefde, creëerde dit een vruchtbare voedingsbodem om de orangisten opnieuw langs de zijlijn te plaatsen. Napoleon gaf de gematigde J.R. Schimmelpenninck – ambassadeur in Parijs en reeds jaren politiek actief – hoogstpersoonlijk opdracht om een machtswisseling voor te bereiden en uit te voeren.

Periode Schimmelpenninck
De op last van Napoleon geïnstigeerde machtswisseling resulteerde half februari 1805 in de benoeming van Schimmelpenninck tot raadspensionaris. Daarbij verving hij het meerhoofdige Uitvoerend Bewind. Bij Schimmelpennincks benoeming had Napoleon afgedwongen dat de gewestelijke en plaatselijke soevereiniteit definitief de doodsteek kreeg; bovendien eiste Napoleon dat er overgegaan zou worden tot centralisering en uniformering van belastingen.

Schimmelpennincks invloed en macht was aanzienlijk. In feite liep het Wetgevend Lichaam aan zijn leiband: de positie van haar leden was volledig afhankelijk van de raadspensionaris. Het beschikte ook nauwelijks over instrumenten om haar taak naar behoren uit te voeren. In de praktijk kon het niet veel meer dan Schimmelpennicks besluiten goedkeuren. Het democratisch ideaal lag zo wel heel diep begraven.
Volgens critici is hij de beschermer gebleven van de oude oligarchie.2 [2. S. Schama, Patriotten en bevrijders, Amsterdam 1989, p. 550] Schimmelpennick liet zich assisteren door een Staatsraad bestaande uit vijf secretariaten: van Oorlog, Marine, Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken en Financiën. De raadspensionaris benoemde zelf de secretarissen.

Schimmelpenninck ging voortvarend te werk. De financiële situatie van de Republiek was echter dermate penibel dat hij niet naar volle tevredenheid van Napoleon kon functioneren. Met name de enorme oorlogslasten waren daar debet aan: tachtig procent van de Nederlandse inkomsten werden besteed aan het onderhoud van 25.000 Franse militairen. De Republiek werd steeds meer uitgezogen door haar grote zus. Schimmelpenninck, die lichamelijk ook steeds zwakker werd, moest al in 1806 het veld ruimen.

De Republiek ten onder
In de plaats van Schimmelpenninck schoof Napoleon zijn negen jaar jongere broer Lodewijk Napoleon naar voren. Hiermee hoopte hij zijn grip op de Republiek te verstevigen en haar zodoende steeds meer aan de belangen van het keizerrijk ondergeschikt te maken. Staatsrechtelijk had deze machtswisseling ook consequenties: Nederland kreeg met Lodewijk Napoleon weer een koning sinds de afzwering van Filips II. De officiële naam werd Koninkrijk Holland.

Napoleon vergiste zich echter terdege in de plooibaarheid van zijn jongere broer.
Lodewijk Napoleon ontpopte zich als voorvechter van het Nederlandse belang; hij

|pag. 5|

weigerde het op te offeren ten dienste van het Franse belang. Al snel wist de nieuwe koning een groot deel van het Nederlandse volk voor zich te winnen. Beleidsmatig opereerde Lodewijk Napoleon in de lijn van zijn voorganger Schimmelpenninck. De secretariaten, nu ministeries geheten, werden uitgebreid met twee nieuwkomers: ministerie van Justitie en ministerie van Waterstaat.
Één gevaar bleef echter latent aanwezig: annexatie. Voortdurend hing het als Damocles’ zwaard boven Hollands hoofd. En uiteindelijk viel het zwaard. De keizer begon namelijk in toenemende mate te beseffen dat de regering van zijn jongere broer niet opleverde wat hij had beoogd. Het bracht hem ertoe om de laatste stap te zetten. Lodewijk Napoleon moest terugtreden en Holland verloor haar soevereiniteit op 18 oktober 1810. Holland was nu officieel een onderdeel van het Franse keizerrijk met alle implicaties van dien. Vanaf dat moment gold de Franse wet ook op Hollandse bodem. De lage landen aan de zee waren verworden tot een provincietje van het ‘grande empire’. Deze situatie zou tot 1813 duren.

|pag. 6|

1.2 De sociaal-economische situatie

Genuanceerde stagnatie
Decennia lang heeft het beeld bestaan dat de 18e eeuw er één was van voortdurende economische stagnatie en achteruitgang. Dit beeld is vooral ingegeven geweest door pessimisme voortkomende uit de gestage inkrimping van handel, scheepvaart en industrie, eerst relatief en later absoluut. De eens zo in het oog springende ‘nationale’ trots kreeg te maken met groeiende concurrentie van haar buurlanden die haar tenslotte voorbijstreefden. De luid bejubelde gouden eeuw als decor maakte het beeld nog donkerder. Diverse onderzoeken hebben echter uitgewezen dat nuancering op zijn plaats is. Niet voor alle sectoren gold hetzelfde patroon.
Integendeel, de agrarische en financiële sector bleken juist progressie geboekt te hebben. Daarnaast schijnt de achteruitgang van handel en scheepvaart behoorlijk overschat te zijn; in de 18e eeuw was de Republiek nog terdege een handelsland van betekenis. Voor de industriële sector gaat het beeld wel op: de eens zo machtige zeventiende eeuwse industrie verloor gestaag aan betekenis en beleefde in het eerste decennium van de negentiende eeuw een dieptepunt.

Impact van de Franse bezetting
Toch kan zonder overdrijven gezegd worden dat de Nederlandse economie in de tweede helft van de 18e eeuw over het algemeen kwijnende was. De Franse bezetting van de Republiek in 1795 versterkte dat proces alleen maar. Middels het Tractaat van 16 mei 1795 werd de Bataafse Republiek als dank voor haar bevrijding verplicht tot het betalen van enorme schadeloosstellingen. De ‘bevrijder’ incasseerde daarvoor het aanzienlijke bedrag van honderd miljoen gulden. Bovendien diende de kleine zusterrepubliek haar aandeel te leveren in de oorlogsinspanningen van grote zus, beide ter land en ter zee. Daarnaast werd het belast met het onderhoud van 25.000 man Franse troepen 3 [3. F.N. Sickenga, Geschiedenis der Nederlandsche belastingen, Amsterdam 1865, p. 18, 19.]. Deze financiële belasting – tot 1804 al bijna 230 miljoen gulden 4 [4. M.G. Buist, “Geld, bankwezen en handel in de Noordelijke Nederlanden 1795-1844”, in: AGN, Bussum 1981 (4e druk), deel 10, p. 289] – bleek teveel gevraagd. Van meet af aan had de Bataafse Republiek te maken met flinke begrotingstekorten en oplopende staatsschuld, ondanks de herhaaldelijke buitengewone heffingen op bezittingen en inkomsten. Door het telkens aangaan van nieuwe leningen steeg de staatsschuld van 787 miljoen in 1795 tot 1.126 miljoen in 1805 5 [5. Sickenga, Nederlandsche belastingen, p. 84.]. Dit had tot resultaat dat de jaarlijkse rentelast opliep van 24 miljoen tot 34 miljoen gulden 6 [6. M.G. Buist, “Geld, bankwezen en handel in de Noordelijke Nederlanden 1795-1844”, in: AGN, Bussum 1981 (4e druk), deel 10, p. 290].

De politieke veranderingen misten daarbij hun uitwerking op de sociaal-economische omstandigheden niet. Onder het oude bestel had het gewest Holland binnen de Republiek steevast de zwaarste lasten gedragen: ongeveer zestig procent van het totaal. Weliswaar was hun rijkdom en welvaart navenant geweest, toch nam dit niet weg dat Holland door de jaren heen een flinke staatsschuld had gegenereerd.
Logischerwijze wilde Holland die staatsschuld zo spoedig mogelijk delen met de andere gewesten. Die stonden daar op hun beurt afwijzend tegenover, want dat zou onvermijdelijk consequenties krijgen voor de belastingdruk van haar onderdanen.
Niet voor niets betaalden de Hollanders, Zeelanders en Utrechtenaren per hoofd gemiddeld tussen de f 21,50 en f 25,50 aan belasting tegenover de Overijsselaars en

|pag. 7|

Geldersen tussen de f 4,80 en 8,00 7 [7. idem, p. 289]. Uiteindelijk was de samensmelting van schulden niet meer tegen te houden: in 1798 werd het een feit.

Een ander heikel punt bleek de invoering van een algemeen belastingstelsel. Het oude systeem van belastinginning was buitengewoon versnipperd en gecompliceerd; door haar inefficiëntie ging daarom onnodig veel geld verloren. Bijkomstig maar beslist niet onbelangrijk nadeel was, dat het belastingsysteem relatief zwaar drukte op de zogenaamd minvermogenden door de vele indirecte belastingen op primaire levensbehoeften. Ondanks serieuze pogingen om over te gaan naar een algemeen stelsel, kwam er aanvankelijk weinig van de grond. Sterker nog, in het jaar 1801, het jaar van de omwenteling, werden de gewestelijke belastingen opnieuw bekrachtigd; bovendien werd geprobeerd ze veilig te stellen tegen dreigende acties van bovenaf. Het duurde nog tot 1806 toen er eindelijk een algemeen belastingstelsel van kracht werd. Het aandeel van Holland in het totaal daalde tot iets meer dan de helft 8 [8. idem, p. 292].
Verder daalde het aantal indirecte belastingen op primaire levensbehoeften om de armere bevolkingsgroepen te ontlasten. Zwaartepunt moest liggen op belastingen bedoeld voor welgestelde personen, onder andere door indirecte heffingen op luxeartikelen. Helaas was het positieve effect voor armlastigen gering, omdat het door Gogel ontworpen belastingstelsel tevens diende te zorgen voor stijgende staatsinkomsten.

Om verder een scherp beeld te krijgen van de sociaal-economische omstandigheden gedurende de Franse overheersing, is het nuttig om te differentiëren in drie verschillende beroepssectoren, namelijk achtereenvolgens landbouw, handel en industrie, en nijverheid. Daarna verdient het sociale aspect aandacht vanuit de vraag welke consequenties deze economische ontwikkelingen behelsden voor het leven van de Nederlanders.

Landbouw
Eerherstel ondergeschoven kind
De landbouw mocht zich aan de vooravond van de Franse Tijd meer en meer verheugen in stijgende belangstelling en waardering van niet-agrarischen, wat feitelijk al veel eerder had moeten gebeuren gezien de importantie van deze branche.
Al te lang had het in de schaduw gestaan van handel en industrie. Een bewijs van die toenemende interesse was de oprichting van de Maatschappij ter Bevordering van den Landbouw in 1776. Deze ontwikkeling zette gedurende de Franse bezetting door, mede namens het streven van de patriotse beweging om de landbouw in Nederland op hoger peil te tillen. Verbetering van landbouwtechnieken als gevolg van een verbeterd ‘landbouwonderwijs’, was een veel bediscussieerd onderwerp, hoewel van deze kant uiteindelijk de innovatie niet kwam. De groeiende aandacht voor de agrarische sector resulteerde erin, dat de staatsregeling van 1798 de Agent van Nationale Oeconomie speciaal belastte met staatszorg inzake de landbouw. In 1800 werd daarvoor nota bene een aparte persoon aangesteld – een zogenaamde Commissaris tot de Zaken van den Landbouw – ressorterend onder voornoemde agent. Agent Goldberg van nationale Oeconomie en ondergeschikte meneer Kops ondernamen in datzelfde jaar gezamenlijk een ‘Oeconomische reis’ met als doel de

|pag. 8|

agrarische sector in kaart te brengen onder andere via een door Kops georganiseerde landbouwenquête. In dit verband mag zeker niet onvermeld blijven, dat in 1799 een Veefonds werd opgericht ter bestrijding van runderpest en haar gevolgen. Dit Veefonds werd in 1805 uitgebouwd tot een heus landbouwfonds, die getuige de naam breder opereerde dan haar voorganger.

Gunstige ontwikkelingen
De toenemende interesse in landbouwzaken gedurende de laatste decennia van de 18e eeuw kan goed geïllustreerd worden met het stijgende aantal kapitaalbeleggingen in deze sector. Steeds meer rijke burgers, maar ook stedelijke besturen, besteedden hun geld aan projecten tot landaanwinning. De rendementen vielen echter dikwijls tegen en zodoende besloot men te wachten met verkoop van de nieuwgewonnen grond totdat de grondprijzen gingen stijgen. In de tussentijd werd de grond verpacht. Dit verpachten kwam vrij algemeen voor, één en ander tot groot verdriet van de patriotse hervormingsijver die hierin veel nadelen zag.

Traditioneel wordt de landbouw opgesplitst in akkerbouw en veeteelt: de eerste vooral op de hogere, veelal zandgronden; de tweede met name op de lagere veen- en kleigronden. De akkerbouw had eind 18e eeuw gunstig tij getuige de stijgende grond- en pachtprijzen, soms zelfs met vijftig procent 9 [9. J.M.G. van der Poel, “Landbouw in de Noordelijke Nederlanden 1770-1840”, in: AGN, Bussum 1981 (4e druk), deel 10, p. 169]. De graanprijzen lieten een zelfde ontwikkeling zien. Vanzelfsprekend waren de oorlogsomstandigheden en bijbehorende plundertochten niet altijd even gunstig. De gedwongen leveranties aan de Franse troepen werden bepaald niet gewaardeerd: Groninger boeren lieten het graan liever op het land verrotten dan het in te ruilen tegen waardeloze assignaten10 [10. L. Noordegraaf, “Sociale verhoudingen en structuren in de Noordelijke Nederlanden 1770-1813”, in: AGN, Bussum 1981 (4e druk), deel 10, p. 372].
Het weidebedrijf vertoonde in diezelfde periode een meer wisselend beeld. De pestepidemieën onder het rundvee, gelukkig niet gelijktijdig optredend in heel de Republiek, zorgden voor flinke terugslagen. Toch bleek het rundveebedrijf behoorlijk veerkrachtig. Wat betreft de omstandigheden in de Franse tijd, blijken vooral de jaren 1798 en 1799 minne jaren geweest te zijn. Oorzaken daarvan waren koude, natheid en overstromingen en bovendien de ellende van de Engels-Russische invasie in diezelfde jaren. Samenvattend kan gezegd worden dat de landbouw het in de Franse Tijd over het algemeen goed deed.

Handel
Kwijnende glorie
De handel liep vanaf 1795 behoorlijk terug. Onmiddellijk werden de nadelen gevoeld van de inlijving van de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk, waardoor de Noord-Nederlandse industrie een belangrijk afzetgebied ging missen. Vanaf 1804 zorgden discriminerende belastingmaatregelen van Napoleon ervoor dat ook de Rijnhandel in kwantiteit en winstgevendheid minder werd. Bovendien kwam het directe handelsverkeer tussen de koloniën in 1795 stil te liggen met uitzondering van het jaar 1802. Stuk voor stuk maatregelen die de toch al weinig florerende handel flink bemoeilijkten. Daartegenover staat echter dat de traditioneel veel belichte handelsblokkade met Engeland minder impact heeft gehad dan meestal gedacht.
Door allerlei ontduikende maatregelen werd de blokkade omzeild. Zo bleef de uitvoer van Nederlandse producten, zoals zuivel, haver, vlas een meerkrap tot 1810

|pag. 9|

op een verrassend hoog peil 11 [11. M.G. Buist, “Geld, bankwezen en handel in de Noordelijke Nederlanden 1795-1844”, in: AGN, Bussum 1981 (4e druk), deel 10, p. 299]. Het niet strikt naleven van deze handelsblokkade was voor Napoleon één van de redenen om zijn broer Lodewijk Napoleon terug te roepen uit Nederland. De inlijving bij Frankrijk was voor de Nederlandse handel verre van gunstig: door het instandhouden van tollinies bleven de beloofde voordelen achterwege zodat de nadelen prevaleerden.

Industrie en nijverheid
Wisselend beeld
De toch al inkrimpende Nederlandse industrie kreeg het na 1795 ook niet beter. Met name de industrieën gebaseerd op de export beleefden zware tijden: de door Frankrijk opgelegde exporttarieven – nu ook geldend voor de Zuidelijke Nederlanden – werkten uitermate remmend wat betreft de internationale afzetmogelijkheden. De status van zusterrepubliek bleek voor Nederland al snel inhoudsloos. Een andere reden voor de verminderde exportpositie was de voortdurende loonstijging die in haar kielzog prijzen deden stijgen. Deze loonstijging was mede veroorzaakt door de stijgende belastingdruk ten gevolge van de door oorlogsomstandigheden oplopende begrotingstekorten. De neerwaartse ontwikkeling werd daarnaast versterkt doordat de Nederlandse industrie te maken kreeg met stijgende prijzen voor de voor haar onontbeerlijke brandstoffen en grondstoffen. Voornoemde zaken hadden een dermate desastreus gevolg dat andere maatregelen, zoals de afschaffing van lokale tolbarrières en de afschaffing van in- en uitvoerrechten, op zichzelf gunstig voor de industriële wereld, nauwelijks zichtbaar effect sorteerden. Op lange termijn lag het voor deze maatregelen, inclusief de uniformering van maten, gewichten en munten, uiteraard anders.

In tegenstelling tot de zogenaamde verkeersindustrieën bleken de meer op het vasteland georiënteerde industrieën in de landsprovinciën redelijk te floreren. Niet zelden schenen ze juist voordeel te hebben van de stagnerende internationale handelsstromen; nogal eens wisten zij terrein te winnen waar de verkeersindustrieën het verloren.

In de Franse Tijd bleven de ambachten, zoals gebruikelijk, de plaatselijke markt domineren. Kleding, schoeisel, meubilair, sieraden, metaalwaren enzovoorts werden allemaal steevast binnen het gildensysteem geproduceerd. Diverse keren werd er tussen 1795 en 1813 geprobeerd deze middeleeuwse instellingen voorgoed te laten verdwijnen. In 1798 werd officieel de afschaffing ervan bepaald. Echter door stedelijke boycotten en onwil van de gilden bleven ze hardnekkig voortleven.
Uiteindelijk liet koning Willem I ze definitief tot het verleden behoren. Concluderend kan gezegd worden, dat in veel steden tot in de Franse Tijd de ambachtelijke productie middels het gildensysteem werd gerealiseerd.

Sociale omstandigheden
De impact van de Franse overheersing wisselde sterk per gewest. Met name de op handel georiënteerde kustgewesten lieten een grote armoedeval zien in tegenstelling tot de meer agrarische landprovinciën. Vanwege kwijnende handel en industrie verloren eens florerende steden een substantieel deel van haar bevolking ten gevolge

|pag. 10|

van armoede en werkeloosheid. In Amsterdam leefde in 1807 niet minder dan 29 procent van de bedeling 12 [12. L. Noordegraaf, “Sociale verhoudingen en structuren in de Noordelijke Nederlanden 1770-1813”, in: AGN, Bussum 1981 (4e druk), deel 10, p. 366]; haar aantal inwoners daalde van 217.024 in 1795 tot 180.179 in 1815 13 [13. R.Th. Griffiths, “Ambacht en nijverheid in de Noordelijke Nederlanden 1770-1844”, in: AGN, Bussum 1981 (4e druk), deel 10, p. 236]! Iets minder extreme maar toch vergelijkbare situaties deden zich voor in de andere Hollandse steden. Deze neergaande trend werkte allerlei sociale misstanden in de hand als bedelarij, te vondeling leggen van kinderen en criminaliteit. In de landsprovinciën was het beeld beduidend florissanter als resultaat van economische groei in de agrarische sector: Limburg kende bijvoorbeeld een jaarlijkse groei in het besteedbaar inkomen van twee procent 14 [14. L. Noordegraaf, “Sociale verhoudingen en structuren in de Noordelijke Nederlanden 1770-1813”, in: AGN, Bussum 1981 (4e druk), deel 10, p. 372]. Friesland, Groningen en Limburg hadden om die reden een veel lager bedelingscijfer. Ter illustratie, het percentage in Groningen bedroeg slechts twee procent 15 [15. idem, p. 366]. De volgende conclusie lijkt gerechtvaardigd: ‘We mogen veronderstellen dat de gunstige ontwikkeling van de landbouw het aantal bedeelden, ofwel de omvang van de werkloosheid en armoede, in agrarische gebieden zal hebben beperkt. Ten gevolge van stagnatie en achteruitgang in handel, zeevaart, nijverheid en visserij zal voor de daarin werkzame bevolking een beroep op de armenzorg daarentegen vaker noodzakelijk zijn geweest 16 [16. idem, p. 374].’

Ter verkrijging van een concreter beeld is consultatie van cijfermateriaal nuttig.
Allereerst de hoogte van de lonen. Gemiddelde jaarlonen voor kleine middenstanders en stadsarbeiders bedroegen in Holland rond de 200 à 250 gulden 17 [17. idem, p. 369].
Weliswaar fluctueerden de lonen enigermate, maar toch bleven ze van 1650 tot 1850 over het algemeen redelijk constant. Gegeven het feit dat de lonen in Holland vanwege flinke belastingdruk hoog waren, kan er vanuit worden gegaan dat de jaarlonen elders enkele tientallen guldens lager lagen. Verreweg het grootste deel van het loon ging op aan primaire levensbehoeften, volgens schatting zo’n zeventig à tachtig procent 18 [18. idem, p. 379]. De sociaal lagere klassen – toch zo’n zestig à zeventig procent van de totale bevolking 19 [19. L.F. van Loo, “De armenzorg in de Noordelijke Nederlanden 1770-1854”, in: AGN, Bussum 1981 (4e druk), deel 10, p. 417] – liepen daarom in tijden van economische recessie permanent de kans om onder het bestaansminimum te zakken. Vooral de winter bleek met hoge voedsel- en brandstofprijzen dikwijls een moeilijke periode.

Lange tijd werd algemeen aangenomen, dat het tijdvak na 1770 een periode was van snel toenemende armoede, die in de Franse Tijd een catastrofale omvang zou hebben bereikt 20 [20. L. Noordegraaf, “Sociale verhoudingen en structuren in de Noordelijke Nederlanden 1770-1813”, in: AGN, Bussum 1981 (4e druk), deel 10, p. 375]. Dit beeld verdient echter nuancering, omdat het deels gebaseerd is op misinterpretaties. Zo hebben de hoge graanprijzen minder desastreus effect gehad dan vermoed, omdat minvermogenden keuzemogelijkheid hadden voor goedkopere aardappelen als vervanging van duur brood. Daarnaast blijken de extreem hoge bedelingslijsten niet representatief voor de hele periode. Tenslotte is er teveel afgegaan op beschrijvingen van tijdgenoten die in meeslepende bewoordingen malaise wel heel subjectief hebben weergegeven. Toch kan zonder overdrijven gesteld worden dat de sociaal-economische situatie in voornoemde periode bepaald niet rooskleurig was. Er was wel degelijk een teruggang merkbaar.

|pag. 11|

2. Kampen in de Franse Tijd

2.1 Politieke situatie
Magistraat en Gezworen Gemeente
Kampen werd vanaf eind 16e eeuw bestuurd door een veertien leden tellende magistraat, waarvan twee leden bij toerbeurt het dagelijks bestuur vormden. De magistraat werd bijgestaan en geadviseerd door de Gezworen Gemeente op het gebied van financiën, veranderingen in het stadsrecht en in aangelegenheden van oorlog en vrede. De Gezworen Gemeente telde 36 gemeenslieden, waarbij elk der vier kwartieren of wijken negen personen leverde. Zoals in die tijd gebruikelijk werd de Kamper magistraat gevormd door personen afkomstig uit de stedelijke bovenklasse. Dit was een automatisch uitvloeisel van de vereiste dat alleen zij die voldoende ‘gegoed’ waren in aanmerking kwamen voor een raadszetel. De verkiezing gebeurde door en uit de Gezworen Gemeente. De meeste magistraatleden bleven de functie uitoefenen tot hun dood, hoewel ook andere zwaarwegende redenen tot beëindiging ervan konden dwingen. De gemeenslieden op hun beurt werden gekozen door de burgers van elk der vier kwartieren, namelijk het Bovenkwartier, het Cellebroederskwartier, het Broederkwartier en het Buitenkwartier. Officieel was voor verkiezing geen mate van gegoedheid vereist, maar in de praktijk diende men wel redelijk vermogend te zijn, omdat elke nieuwe gemeensman geacht werd zijn verkiezing met geldverslindende feestelijkheden te omlijsten. Ondanks de hoge kosten waren er echter genoeg burgers die zo’n verkiezing ambieerden, al was het al alleen maar om als springplank te dienen naar een felbegeerde zetel in de magistraat. En was men eenmaal lid van de magistraat, dan had men niet te klagen; onmiddellijk openden zich dan nieuwe inkomstenbronnen, doordat de magistraatleden elkaar voortdurend de bal toespeelden in het vervullen van lucratieve stadsambten als dijkgraaf, heemraad, kerkmeester, schutmeester, muurmeester e.d.

Strijd om de macht
Gedurende de achttiende eeuw kwamen beide voornoemde instanties meermalen in conflict. In de meeste gevallen bleek de magistraat de sterkste partij, zodat herhaaldelijk een deel van de Gezworen Gemeente buiten spel gezet werd. Hierin weerspiegelde zich iets van een strijd tussen de aristocratische bovenlaag en de rest van de Kamper burgerij. De heer Van Dam heeft in zijn scriptie Kampen in de Patriottentijd aangetoond, dat de Gezworen Gemeente in de tweede helft van de achttiende eeuw steeds meer dienst ging doen als spreekbuis van patriotse ideeën en gevoelens. De conflictsituaties tussen beide instanties zijn dan ook te duiden als een strijd om meer invloed van de burgerij op het stadsbestuur, die door de aristocratische bewindvoerders repressief werd beteugeld. Overigens wil hiermee niet gezegd zijn dat het stadsbestuur in alles dus impliciet contra-patriottisch en daarmee orangistisch geweest is. Van dat alles bleek in ieder geval weinig. Het tegendeel is aannemelijker, want in de zogenaamde ‘restauratieperiode’ vanaf 1787 tot 1795 bleek Kampen een vrijhaven en wijkplaats voor van elders vervolgde patriotten. Ongetwijfeld heeft het stadsbestuur dat goedgevonden en misschien wel

|pag. 12|

toegejuicht. Ook de fluwelen revolutie van januari 1795 gestimuleerd door de oprukkende Franse troepen, wijst onmiskenbaar op patriotse sympathieën. Ondanks dat de magistraat wist van door patriotse gezelschappen gesmede revolutieplannen, deden ze geen poging om het af te wenden. Sterker nog ze lieten de betreffende gezelschappen expliciet weten niets tegen hun plannen te zullen ondernemen.

De omwenteling
Op 29 januari vond dan ook een fluwelen revolutie plaats, waarbij een Comité Revolutionair zowel de leden van de magistraat als van de Gezworen Gemeente uit hun ambt vervallen verklaarde. Veelzeggend is ook, dat na volksstemming van de veertien nieuwe municipaliteitsleden, maar liefst de helft van de verkozenen lid was geweest van de oude magistraat. Daarnaast werden ook de drie stadssecretarissen – het uitvoerende orgaan – herkozen. Het Comité Revolutionair bleef als Comité van Waakzaamheid bestaan.

Een aanzienlijk deel van de Kamper burgerbevolking vond de omwenteling niet ver genoeg gaan. Deze radicalen – ook wel Jacobijnen geheten – richtten een Volksvergadering op ‘ter bevestiging van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ en wilden niet eerder tevreden zijn of het democratische element zou meer vertegenwoordigd zijn in het stadsbestuur. Deze vergadering kwam wekelijks bijeen en besloot de achtste maart een burgerfeest te vieren, door na het houden van een gewapende optocht de Oranjevaandels van het Burgerregiment te verbranden en in de as een vrijheidsboom te planten. In mei 1795 vonden er opnieuw verkiezingen plaats met het voor de radicalen teleurstellende resultaat dat de zittende leden herkozen werden. Toch rustten de radicalen niet.

Democraten aan de macht
Op 12 januari 1796 eisten de radicale democraten onder bedreiging van geweld tegen de Municipaliteit, dat voortaan alleen die personen stemrecht werd toegekend, die de volgende stemverklaring ondertekenden:
‘Ik belove, in den tegenwoordigheid van den Alwetenden God, aan Welken ik eenmaal niet slechts van mijne daden, maar ook van derzelver bedoelingen zal moeten rekenschap geven, dat ik vrijheid en gelijkheid, gegrond op de regten van den Mensch en den burger, naar mijn beste vermogen en zoo veel de betrekking, waarin ik geplaatst ben, of geplaatst zal worden, vordert, zal voorstaan en handhaven: dat ik voorts nimmer directelijk of indirectelijk, of in eenigerlei manieren zal medewerken om in deze stad, of in onzs vaderland, een regeringsbestier in te voeren, dat tegen die regten of gronden strijdig mogt zijn, of in het bijzonder om het Erfstadhouderschap weder te herstellen. Eindelijk dat ik in geene vergadering, waarin ik stem hebbe, of verkrijgen mag, immer om lief of leed tegen mijn beter weeten zal stemmen; verklarende voorts, dat ik tot het afleggen dezer belofte door niemand ben genoodzaakt of gedwongen, maar dat ik uit overtuiging van derzelver billijkheid, dezelve heb afgelegd, en met mijne handtekening bekrachtigd
21 [21. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 14 jan. 1796].’

De Municipaliteit bezweek onder de druk en stemde de eis van de radicalen toe.
Voortaan mocht niemand zijn stem in de wijkvergaderingen uitbrengen, die niet expliciet had ingestemd met de stemverklaring. Veel Kamper burgers weigerden de stemverklaring af te leggen en werden zodoende politiek inactief gemaakt. Het

|pag. 13|

resultaat was bij de verkiezingen in februari 1796 direct merkbaar, want tien van de twaalf nieuwgekozen representanten behoorden tot de lagere middenklasse en geen van hen had eerder een bestuurlijke functie in de Kamper politiek vervuld. Een dag later op 20 februari werden ook de namen van de tien nieuwgekozen leden van het Comité van Algemeen Welzijn en Toezicht bekend gemaakt. De democraten konden hun overwinning vieren en dat deden ze dan ook uitbundig met veel muziek, het planten van een vrijheidsboom, het lossen van het kanon en een drievoudig salvo van de Burgerwacht 22 [22. G.A.K., O.A., inv. nr. 43, “Resoluties”, 19febr. 1796]. Opvallend is dat dit radicalisme zich te Kampen sneller in politieke winst vertaalde dan landelijk. Wat in februari 1796 te Kampen plaatsvond, kreeg landelijk pas navolging bij de staatsgreep van 22 januari 1798 toen de leden van de Staten-Generaal eveneens een eed af moesten leggen tegen het stadhouderschap, federalisme en aristocratie. De democratisch-patriotse woelingen te Kampen bleken een preludium voor wat nationaal nog gestalte moest krijgen. Het behoort in ieder geval tot het eigene van de Kamper situatie.

Veel Kamper burgers konden zich echter niet vinden in de democratische omwenteling. Als blijk van protest legden ook de drie stadssecretarissen hun ambt neer en werden vervangen door democratisch-patriotse geestverwanten. Eerste secretaris werd de uit Den Haag afkomstige radicaal-patriotse advocaat Jan Jacob Sniet. Naast hem kwamen de heren A.R. Finck en A. Kiers, beiden eveneens van buiten Kampen afkomstig. De nieuwe municipaliteit ging als één van haar eerste daden over tot zuivering van het ambtenarenapparaat. Middels een publicatie riep men de burgers zelfs op tot het indienen van bezwaren tegen ambtenaren die nog verkleefd waren aan het orangistische en/of aristocratische heerszuchtige systeem 23 [23. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 25 april 1796].
De zuivering geschiedde in een grimmige sfeer. Zelfs de leden van het burgerregiment werden verplicht tot het ondertekenen van de stemverklaring. Bij weigering werden ze verplicht hun wapens in te leveren, wat ook inderdaad het geval was voor 218 burgers 24 [24. J.H. De Lange, “De strijd om de macht; Aristocratische en democratische verwikkelingen in Kampen, tijdens de eerste jaren van de Bataafse Republiek, 1795-1798”, Kampen 1986, p. 6].

Restauratie
Bijna anderhalf jaar bleven de democraten aan de macht, maar gaandeweg groeide de onvrede bij een deel der bevolking aangevoerd door de uitgeschakelde aristocratische bovenlaag. Een groep ontevreden burgers had bij de Overijsselse Landdag – het gewestelijke bestuursorgaan, waarin Kampen als één der drie grote steden zitting had naast de Ridderschap – geklaagd over de perikelen rond de stemverklaring, waarop de Landdag tot twee keer toe een commissie afvaardigde om de problemen ter plaatse te onderzoeken en zo mogelijk een oplossing te adviseren.
Beide keren werd de commissie op last van de municipaliteit de toegang tot de stad geweigerd door de gewapende burgerwacht. Hierop deed de Landdag een beroep op de Nationale Vergadering en vroeg om een militair ingrijpen. Het Kamper stadsbestuur liet de nodige maatregelen treffen: de burgerwacht werd in opperste staat van paraatheid gebracht, geestverwanten van buitenaf werden gevraagd om assistentie en de interne aristocratische oppositie werd nauwlettend gevolgd en onderworpen aan huiszoekingen.

|pag. 14|

Uiteindelijk werd toch een commissie van de Nationale Vergadering toegelaten die op 28 juni 1797 arriveerde. De commissie besloot uiteindelijk dat er een algemene volksstemming moest worden gehouden, waarbij de burgerij onder andere moest aangeven of de huidige bestuurders wettig verkozen waren. Toen de municipaliteit geen afkondiging wilde doen van dit referendum, werden Franse militairen ingeschakeld bij het verspreiden van de stembiljetten. Maar liefst 813 personen gaven aan dat de huidige regering onwettig gekozen was tegenover 411 personen die dat niet vonden. Ondanks tegenwerking van de municipaliteit werden nieuwe verkiezingen op 27 en 29 juli gehouden, waarbij de aristocraten weer terugkwamen op het pluche. De eerdere ambtenarenzuivering werd zoveel mogelijk teruggedraaid en de vorige stadssecretarissen werden weer in functie hersteld. Over het algemeen traden de aristocraten minder rancuneus op tegen hun voorgangers, dan dat de democraten dat hadden gedaan. Men riep op om de burgergeschillen zo spoedig mogelijk te vergeten en de wandaden te vergeven. Zelfs de ‘onwettige bestuurders’ werden niet verplicht om hun onwettig verkregen traktementen terug te betalen. Alles ademde een sfeer van vergevingsgezindheid en verzoening25 [25. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 29 juli; 25 en 28 november 1797].

Hernieuwde restauratie na kortstondig radicalisme
Het duurde echter niet lang of de aristocraten werden opnieuw langs de zijlijn gezet, want de staatsgreep van 22 januari 1798 die de democraten nationaal in het zadel hielp, kreeg ook een staartje voor Kampen. Op 6 april kwam een commissie te Kampen, die de democratische regering van voor 27 juli 1797 herinstalleerde nadat de zittende regering was ontslagen. Opnieuw werd ook het ambtenarenapparaat gezuiverd van aristocratische elementen. Deze situatie duurde tot 25 juni van datzelfde jaar toen een nieuwe staatsgreep de aristocraten weer terug bracht in het politieke centrum.

Na juli 1798 veranderde de bestuursvorm van Kampen nog maar weinig. De verkiezingen tot 1808 gehouden, brachten telkens leden van de traditionele regentengeslachten aan de macht, aristocraten dus. Vanaf 4 februari 1808 werd het stadsbestuur direct benoemd door koning Lodewijk Napoleon. Het stadsbestuur bestond toen uit een burgemeester, wethouders en een vroedschap.

|pag. 15|

2.2 Sociaal-economische situatie
Een beschouwing van Kampens sociaal-economische omstandigheden in het tijdsbestek van ons onderzoek, zou alleen al een eindscriptie kunnen opleveren. Dat dit niet de bedoeling is moge duidelijk zijn. Maar in het kader van dit onderzoek is het wel nodig en nuttig om er iets meer van te kunnen zeggen dan de opmerking, dat het over het algemeen niet zo goed ging. Trouwens, die opmerking alleen al moet nog maar waar blijken te zijn? Want, zoals reeds gezegd, ging het de landgewesten in de achttiende eeuw economisch gezien aanzienlijk beter dan de zeegewesten. Hier en daar bleek zelfs sprake van economische groei. Zelfs de Franse overheersing scheen voor deze gewesten lang niet altijd nadelig. Graanprijzen stegen evenals de prijzen van andere landbouwproducten. Kampen, volop agrarisch en onmiskenbaar deel uitmakend van een landgewest, moet het dus zo slecht nog niet gehad hebben. Om hier antwoord op te kunnen geven, zijn diverse bronnen consulteerbaar. Allereerst is er voor Kampen een prachtige memorie beschikbaar, geschreven door de Friese patriot Mr. Jacobus Scheltema. Deze jurist werkte bij het Hof van Justitie, dat van 1799 tot 1801 in Kampen resideerde. In de drie jaar dat hij te Kampen woonde, deed hij onderzoek naar de sociaal-economische realiteit van Kampen. De aanhef van zijn memorie ‘Bevattende een onderzoek, naar de reedenen van den minvoordeeligen staat der Burgerlijke Welvaart, binnen Kampen en eenen proeven van middelen tot herstel’, verraadde onmiddellijk de uitkomst van dit onderzoek. Met deze memorie staat hij volledig in de patriotse traditie, vooral tot uiting komend in zijn ‘proeven van middelen tot herstel’.

Daarnaast valt veel informatie te halen uit een door Otto Henri Moulin geschreven verslag uit 1812, dat behoorlijk uitgebreid weergeeft in welke staat de landbouw zich bevond in en rondom Kampen. Verder bieden de publicaties van de stad Kampen en de financiële verslagen van de armenkamer veel terzake doende informatie.
Tenslotte zijn er ook enkele artikelen geraadpleegd, in meerdere of mindere mate met ons onderzoeksgebied verwant.

In de beschrijving van Kampens sociaal-economische realiteit zal grotendeels dezelfde opbouw gehanteerd worden als onder paragraaf 1.2. Vooraf is het goed om enig beeld te krijgen van de grootte van een stad als Kampen. Met iets meer dan zesduizend inwoners en een nauwkeurig geschat aantal gezinnen van 1380, behoorde Kampen tot de kleinste van de drie IJsselsteden die deel uitmaakten van de Overijsselse ridderschap en stedenn 26 [26. M. van Dam, “Een schets van de demografische en sociaal-economische ontwikkeling van Kampen tussen 1675 en 1795”, in: Overijsselse Historische Bijdragen, Zwolle 1987, p. 16].

Landbouw
Substantieel deel der beroepsbevolking
Binnen het gewest Overijssel – waar de landbouw voor 46 procent van de bevolking bestaansbron was – was Kampen van de drie grote steden het meest agrarisch ingesteld. Vreemd genoeg echter, bleken in Zwolle en Deventer relatief meer mensen in deze sector te werken: iets meer dan 12 procent. In Kampen lag dit officieel met 10,65 procent lager 27 [27. Van Dam, Schets van de demografische en sociaal-conomische ontwikkeling, p. 23]. Toch is het waarschijnlijk dat het Kamper percentage in werkelijkheid hoger lag vanwege het aandeel zogenaamde losse arbeiders. Deze

|pag. 16|

laagopgeleide daghuurders, die doorgaans ongeschoold werk deden, vormden iets meer dan 13,5 procent van de werkende beroepsbevolking van Kampen, hoewel ze officieel niet werden ingedeeld bij één van de bekende beroepssectoren. We mogen echter aannemen dat een groot deel van hen eveneens hun inkomstenbron in de landbouw vond om de eenvoudige reden, dat er in de agrarische sector veel ongeschoold werk voorhanden was. Een officieus percentage van boven de 15 procent is dus beslist niet denkbeeldig. Hoe dan ook, het staat vast dat de agrarische sector voor Kampens welvaren van groot belang was, zoals Moulin het schreef: ‘dat, aangezien de boerenstand juist die stand is, van welke welvaart, over het algemeen, de welvaart van alle andere standen afhankelijk is, hetwelk meer bijzonder en in den ruimsten zin in het Canton Kampen plaats heeft’.28 [28. G.A.K., N.A. Handschriftenverzameling, inv. nr. 105, “ Aanmerkingen over den staat des landbouws en der landerijen in het Canton Campen en den Polder van Mastenbroek”, door Otto Henri Moulin, handschriftt 1812, p. 17]

Runderpestepidemieën
Evenals elders in de Republiek werd Overijssel in de 18e eeuw getroffen door drie verschillende golven van runderpestepidemieën: van 1714 tot 1721, in de jaren 1745/1746 en van 1768 tot 1776. Voor Kampen – dat vanwege de natte bodemgesteldheid bijna uitsluitend op veeteelt georiënteerd was – moeten deze epidemieën grote impact gehad hebben. In ieder geval noemde de memorieschrijver Scheltema deze pestepidemieën in 1802 nog als één van de oorzaken van Kampens ‘minvoordelige’ staat 29 [29. G.A.K., N.A. Handschriftenverzameling, inv. nr. 103, “Memorie, bevattende een onderzoek, N.A. ar de reedenen van den minvoordeeligen staat der Burgerlijke Welvaart, binnen Kampen en eenen proeven van middelen tot herstel”, door J. Scheltema, handschrift 1802]. Ook Moulin had het in zijn verslag over de ‘verschrikkelijke veepest’. Even verder schreef hij: ‘Vele die dezelve beleefden zijn zelfs nog in de kracht hunner dagen en zouden nog van de daadzaken getuigen kunnen 30 [30. G.A.K., N.A. Handschriftenverzameling, inv. nr. 105, “Aanmerkingen”, Moulin, p. 9]’. Pachters bleken vaak niet meer in staat hun pachtgelden te voldoen, verlieten boerenhoeven en lieten deze onbeheerd achter. Volgens Moulin was er zelfs sprake van een heuse bevolkingsafname op het platteland. Zo rond 1800 mocht dan het ergste leed geleden zijn, vast staat dat men ook toen de naweeën nog gevoeld zal hebben.

Agrarisch leven kwalitatief op laag peil
Wat beide schrijvers echter veel meer prangde, was het gegeven dat het agrarische leven te Kampen kwalitatief en kwantitatief op een veel lager peil stond dan bijvoorbeeld in Friesland en Groningen. Vooral voor Scheltema – een Fries van geboorte – liep dat verschil in het oog. Uiteraard was daar de natuurlijke geografische gesteldheid van de landerijen debet aan. Herhaaldelijke overstromingen ten gevolge van zeestormen en ijsgang deden hun verwoestend werk met als resultaat dat hele landerijen verziltten en andere landerijen grote delen van het jaar absoluut ontoegankelijk waren. Maar al deze problemen zouden nog het hoofd geboden kunnen worden, ware het niet dat de meeste Kamper boeren gekenmerkt werden door onverschilligheid en passiviteit. Hun hele bedrijfsvoering was gebaseerd op korte termijnrendementen en collectief kwam er niets van de grond. De noodzakelijke investeringen bleven achterwege. Zowel Moulin als Scheltema illustreerden dit door de in hun ogen wijdverbreide kwade praktijk van het naar elders verkopen van hooi. Weliswaar zorgde dit voor een redelijk rendement zonder hoge investeringskosten, op de lange termijn werkte het echter als boemerang tegen hen. Immers waar hooi verkocht wordt, kunnen geen runderen gehouden worden met als desastreus gevolg dat de mestproductie stagneert en de gronden verschralen.

|pag. 17|

Één remedie: privatisering
Toch wensten beide schrijvers niet de boeren te kapittelen. Waar beiden vooral tegen van leer trokken, was het in hun ogen funest werkende systeem van verpachtingen en inherent daarmee het gebrek aan grondeigenaren. Verreweg de meeste grond was in bezit van de stad en/of corporaties. Nog geen tien procent van de grond werd geëxploiteerd door grondeigenaren 31 [31. G.A.K., N.A. Handschriftenverzameling, inv. nr. 105, “Aanmerkingen”, Moulin, p. 7]. En juist dit systeem van verpachtingen legde elk innovatiestreven lam. Immers geen enkele boer ging toch investeren in de kwaliteit van zijn boerenhoeve om er vervolgens achter te komen dat de toegebrachte waardevermeerdering alleen maar resulteerde in hogere pachtprijzen? Of nog erger, om er achter te komen dat zijn boerenhoeve na het verlopen van zijn pachttermijn overging op een hoger biedende pachtboer? Nee, volgens voornoemde schrijvers was er maar één oplossing, namelijk privatisering. Dat zou wonderen doen. Moulin rekende het stadsbestuur voor dat een daaruit voortkomende verbeterde bedrijfsvoering wel een verdubbeling van de rundveestapel en daarmee van de botergift tot gevolg zou kunnen hebben 32 [32. G.A.K., N.A. Handschriftenverzameling, inv. nr. 105, “Aanmerkingen”, Moulin, p. 18]. Gelijkertijd zouden boeren ook inventiever en slagvaardiger te werk gaan bij de bestrijding van de vele wateroverlast middels verbeterde bedijkingen en afwateringssystemen. Bovendien zouden de boeren te Kampen dan eindelijk met hun dode kapitaal op de proppen komen, dat ze ter ontduiking van directe belastingen en de recente extra-ordinaire heffingen angstvallig verborgen hielden 33 [33. G.A.K., N.A. Handschriftenverzameling, inv. nr. 103, “Memorie”, Scheltema].

Concluderend: Kampen heeft in de 18e eeuw helaas geen of nauwelijks kans gezien om mee te delen in de betere tijden die andere agrarische gebieden in diezelfde periode wel mochten beleven. Het agrarisch leven rond deze voormalige hanzestad maakte zeker tot het einde van de Franse Tijd een kwijnende indruk.

Handel en verkeer
Vergane glorie
Als handelsstad had Kampen zijn glorietijd in 1800 al enkele eeuwen achter zich. Als lid van de vermaarde Hanze had het in dit opzicht gedurende de late middeleeuwen een bloeiperiode gekend, maar geleidelijk aan had het aan betekenis ingeboet.
Kampen mocht dan in 1653 nog een haven van betekenis geweest zijn, daarna ging het echter snel achteruit om in de tweede helft van de achttiende eeuw toch weer een lichte opleving mee te maken 34 [34. B.H. Slicher van Bath, “Van reformatie tot revolutie, landbouw, textiel en turf”, in: Geschiedenis van Overijssel, Zwolle 1979 (ongewijzigde heruitgave), p. 163].

In Overijssel was gemiddeld zo’n kleine twaalf procent van de bevolking werkzaam binnen handel en verkeer. In Kampen lag dit met zestien procent iets hoger, maar nog altijd flink lager dan in beide zustersteden Zwolle en Deventer, waar tweeëntwintig procent zijn brood vond in handel en verkeer 35 [35. Van Dam, Schets van de demografische en sociaal-conomische ontwikkeling, p. 25]. Uit oogpunt van burgerlijke welvaart zal het te Kampen in het geheel een ondergeschikte rol vervuld hebben. Tekenend is in dit verband dat Scheltema in zijn beschrijving van Kampens sociaal-economisch leven in vergelijking met de andere beroepssectoren niet veel woorden aan deze bestaansbron wijdde. De verzanding van de IJssel en de grote afstand tot de zee maakten naar zijn idee handel en verkeer erg moeilijk. Ook de slechte begaanbaarheid van landwegen rondom Kampen noemde hij in deze context.
Weliswaar bood hij in zijn memorie enkele suggesties om in deze beroepssector

|pag. 18|

nieuw leven te blazen, het is echter twijfelachtig in hoeverre hij zelf in het effect ervan geloofde, getuige zijn formulering: ‘Misschien was er hoop, zo al niet op het herstel van den handel, ten minsten op eenigen Factorie, vermits ook de aanvoer van goederen hier als dan gemakkelijker zoude zijn dan te Zwolle 36 [36. G.A.K., N.A. Handschriftenverzameling, inv. nr. 103, “Memorie”, Scheltema]’.

Het gegeven dat handel en verkeer in Kampen rond 1800 een geringe rol speelden, heeft in dit verband ook een mooie keerzijde. Immers de op handel en verkeer georiënteerde steden in de zeegewesten maakten mede ten gevolge van de handelsbeperkende maatregelen die de Fransen doorvoerden, zware tijden mee. Zoals onder paragraaf 1.2 vermeld, liet Amsterdam en andere Hollandse steden een behoorlijke demografische inkrimping zien. Het aantal werkelozen en bedeelden bereikte daar in de Franse Tijd extreme percentages.

Voor Kampen zal de situatie gezien bovenstaande gegevens minder desastreus zijn geweest, hoewel dit niet wil impliceren dat het in Kampen dus wel meeviel. Nog altijd werkte één op de zes Kampers in deze sector. Het ligt daarom voor de hand, dat de handelsbeperkende maatregelen in Kampen ook voelbaar geweest zijn bij dit deel van de beroepsbevolking. In ieder geval zal het Franse ingrijpen niet stimulerend gewerkt hebben in deze toch al weinig florerende branche.

Industrie en nijverheid
In 1682 bevonden zich in Kampen maar liefst 118 industriële ovens; in 1751 waren er nog slechts 43 over 37 [37. B.H. Slicher van Bath, “Van reformatie tot revolutie, landbouw, textiel en turf”, in: Geschiedenis van Overijssel, Zwolle 1979 (ongewijzigde heruitgave), p. 161]. Deze getallen illustreren hoe dramatisch de industriële achteruitgang te Kampen was. Armoede en werkeloosheid kwamen er veel voor en het bevolkingsaantal slonk gestadig. Scheltema legde in zijn memorie de link van het gebrek aan industrie naar de grote werkeloosheid te Kampen rond 1800: ‘Dat de werkeloosheid alhier bestaat, zal denk ik niemand kunnen ontkennen. Behalven eenige weinige fabrieken en trafieken hebben hier geenen werk en vertier gevenden ondernemingen plaats 38 [38. G.A.K., N.A. Handschriftenverzameling, inv. nr. 103, “Memorie”, Scheltema]’.
Toch was van de Kamper beroepsbevolking nog steeds zesenveertig procent werkzaam in industrie en nijverheid. Dat laatste maakte hoogstwaarschijnlijk het leeuwendeel uit, bestaande in tal van kleinschalige ambachtelijke werkplaatsen verspreid door de stad. Met de bouwsector verschafte vooral de textielsector velen werk, respectievelijk 9,72 en 12,09 procent van de beroepsbevolking. Daarnaast werkten diversen in de voedingsindustrie, leerbewerking, kledingindustrie, scheepsbouw, houtbewerking en metaalbewerking 39 [39. Van Dam, Schets van de demografische en sociaal-conomische ontwikkeling, p. 24,25].

Één en ander kan echter niet verdoezelen, dat de sector kwijnende was. De vraag naar het waarom van de industriële achteruitgang probeerde Scheltema in zijn memorie te beantwoorden. Enkele plausibele verklaringen bracht hij te berde.
Allereerst weet hij de recessie aan de ‘natuurlijke gesteldheid’ van Kampen: slechte begaanbaarheid van landwegen c.q. waterwegen zorgden voor logistieke problemen.
Daarbij kwam het gemis van een goede afzetmarkt, zoals andere landsteden die wel kenden in florissante dorpjes in de directe leefomgeving. Ook mistte het de vermogende burgers te Kampen aan ondernemingszin. Men belegde hun geld liever in voor de stad nutteloze binnenlandse dan wel buitenlandse obligaten. Het rentenieren van veel rijke burgers was volgens Scheltema niet alleen een gemiste

|pag. 19|

kans, maar ook een obstakel op de weg naar economische groei. Als een echte patriot komt Scheltema openbaar, wanneer hij niet in de laatste plaats de vinger legde bij pijnlijke gemis van goed onderwijs te Kampen. De drie ‘achtenswaardige’ schoolmeesters verdienden veel te weinig zodat ze bijverdienden door ‘negotie in verderfelijke leerboekjes’. Daarnaast was het aantal leerlingen dermate hoog, dat het al een flinke vooruitgang zou zijn wanneer het teruggebracht werd tot tachtig leerlingen per schoolmeester.

Maar ondanks al deze plaatsgebonden redenen, wist de memorieschrijver ook heel goed dat de industriële recessie veel breder bestond. Heel concreet noemde hij het probleem van de duurte van grondstoffen – in het bijzonder die van wol – en nog nijpender het probleem van de relatief hoge Nederlandse loonkosten in vergelijking met die van het concurrerende buitenland. Het probleem van de dure wol zullen de Kampers hoogstwaarschijnlijk ook flink gevoeld hebben, gegeven het feit dat iets meer dan twaalf procent van de textielindustrie leefde.

Concluderend, de sector nijverheid en industrie maakte aan de vooravond van de Franse Tijd bepaald geen frisse veerkrachtige indruk. Dat dit een veel breder fenomeen was, is reeds onder hoofdstuk 1.2 uiteengezet. Treffend is de parallel tussen hetgeen daar gesteld is en hetgeen Scheltema aandroeg als verklaring voor de tanende industriële bedrijfstak. Dat de landsindustrieën het in tegenstelling tot de op export georiënteerde verkeersindustrieën veel beter deden, lijkt voor Kampen weinig of geen betekenis gehad te hebben. Ware dit wel zo geweest, dan zou een groot deel van de Kamper bevolking daar van geprofiteerd moeten hebben. Immers met 46 procent van de beroepsbevolking was deze sector verreweg de grootste werkgever.
Van een economische opleving gedurende de Franse Tijd blijkt echter niets. Het tegendeel schijnt vooralsnog aannemelijker.

Impact van de Franse bezetting
Inkwartiering Franse soldaten
Kampen was vanouds een garnizoenstad, wat inhield dat er het hele jaar door soldaten gelegerd lagen voor korte of lange tijd. Vandaar dat de Kampers daarom in 1795 al snel te maken kregen met logement en inkwartiering van Franse soldaten. De Franse soldaten, die zoals het heette ‘medegewerkt hebben dat zij hunne vrijheid hebben verkregen’ werden verdeeld over de vier kwartieren 40 [40. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 28 febr. 1795]. Burgers dienden beurtelings gedurende tien dagen voor huisvesting en onderhoud te zorgen. De gemaakte onkosten zouden betaald worden met zogenaamde Franse assignaten. Dit papieren geld bleek echter dramatisch snel in waarde te verminderen, zodat de burgers er flink bij inschoten: weldra bedroeg de reële waarde niet meer dan één procent van de nominale waarde 41 [41. Sickenga, Nederlandsche belastingen, p. 84]. In Kampen werden de burgers op 4 februari geïnformeerd over de werking van deze Franse assignaten en hun werd meegedeeld dat twintig Franse stuivers overeenkwamen met negen Hollandse stuivers 42 [42. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 4 febr. 1795]. De assignaten konden ingewisseld worden op het raadhuis. Kennelijk kwam er nogal eens fraude voor, want middels een publicatie werd afgekondigd dat op 16 april een ‘gekwalificeerd persoon namens de Republiek Frankrijk’ Kampen zou visiteren om assignaten op echtheid te controleren 43 [43. idem, 15 april 1795]. Waarschijnlijk zijn de assignaten alleen in 1795 in gebruik

|pag. 20|

geweest, want daarna werd er in de stedelijke publicaties geen melding meer van gemaakt.

De inkwartiering van soldaten zal ook in Kampen niet echt populair geweest zijn. Het stadsbestuur achtte het daarom nodig om dienaangaande een speciale vermaning te doen om reden van broederschap 44 [44. idem, 26 maart 1795]. Burgers die om wat voor reden ook geen Franse soldaten konden herbergen, werden verplicht om voor alternatieven te zorgen. In de praktijk scheen dit echter niet altijd te werken 45 [45. G.A.K., O.A., inv. nr. 248, “Publicaties”, 16 dec. 1805]. Gevoeglijk mag er van uitgegaan worden, dat de inkwartiering ondanks de geboden vergoeding, financieel bepaald niet aantrekkelijk was, aangezien anderszins menig Kamper niet vies was van een extra inkomstenbron middels inwoning van en onderverhuur aan derden.

Extra-ordinaire belastingheffingen
Evenals alle andere Nederlandse burgers kregen de inwoners van Kampen te maken met verschillende extra-ordinaire belastingheffingen ter bestrijding van de snel oplopende begrotingstekorten. Halverwege 1795 schreef het gewest Overijssel een belasting uit van twee procent op de inkomsten 46 [46. Sickenga, Nederlandsche belastingen, p. 14]. Een jaar later volgde een heffing van één procent over de bezittingen 47 [47. idem, p. 16]. In februari 1798 kregen de burgers van Kampen te maken met een landelijke belasting van acht procent over de inkomsten 48 [48. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 17 febr. 1798].
Het jaar 1799 was een fiscaal zwaar jaar. In oktober werd een gedifferentieerde heffing uitgeschreven over de inkomsten: vijf procent werd betaald over inkomsten onder f.600,- en tien procent over inkomsten boven f.600,- In hetzelfde jaar volgde een heffing van vier procent over de bezittingen 49 [49. idem, 3 okt. 1799]. Op 5 mei 1800 meldde een publicatie een één-procents heffing over alle vermogen boven de vijfhonderd gulden 50 [50. idem, 5 mei 1800]. Daarna duurde het blijkens de publicaties van de stad tot 19 november 1803 voor er een nieuwe buitengewone belasting van twee procent op de bezittingen der ingezetenen werd geheven 51 [51. idem, 19 nov. 1803]. Verder melden de publicaties niet meer bijzondere heffingen. Het is echter onwaarschijnlijk dat de andere landelijke heffingen gedurende de periode 1801 tot 1804 aan Kampen zijn voorbijgegaan. In het geval dat Kampers ook daarvoor aangeslagen zijn geweest, komt het totaalplaatje voor de jaren 1798 tot 1804 er gemiddeld als volgt uit te zien: 44½ procent belasting over de inkomsten en 16½ procent belasting over de bezittingen 52 [52. Sickenga, Nederlandsche belastingen, p. 85]. Na een lange reeks van bijzondere heffingen, kondigde het Uitvoerend Bewind in maart 1805 eindelijk haar laatste bijzondere heffing af: drie procent over de bezittingen 53 [53. idem, p. 80].

Al met al hebben deze buitengewone belastingen extra remmend gewerkt in de toch al weinig progressieve Kamper economie. Weliswaar werden vooral de vermogende Kampers door voornoemde belastingen getroffen, toch zal de lagere stand de impact, zij het meer indirect, ondervonden hebben. Laatstgenoemde groep was eenvoudigweg economisch afhankelijk van eerstgenoemde groep. Scheltema maakte dit in zijn memorie concreet door te wijzen op de oppotstrategie van de Kamper boeren om de ‘inkomstenbelastingen’ te ontduiken. Ze hielden hun inkomsten, die gezien de ‘excessieven hoogte der prijzen van den producten des landbouws’ 54 [54. G.A.K., N.A. Handschriftenverzameling, inv. nr. 103, “Memorie”, Scheltema] stijgende waren, angstvallig verborgen. Zou dit geld eenmaal in de omloop van de stedelijke economie komen, zo meende de Friese patriot, dan zou dat tevens heilzaam werken

|pag. 21|

voor het minvermogende deel der bevolking. Maar zoals gezegd waren de extra-ordinaire heffingen hierin een struikelblok.

Importantieverlies
Tussen 1786 en 1795 hadden veel van elders gevluchte patriotten zich te Kampen gevestigd. Na 1795 was daarvoor geen noodzaak meer met als gevolg dat Kampen dit kortstondige voordeel weer moest missen. Bovendien pakten de staatsrechtelijke wijzigingen voor Kampen slecht uit. Zwolle werd het bestuurlijke centrum van de provincie, zodat het aantal vermogende families – betrokken bij het provinciale bestuur – afnam door een ‘emigratieoverschot’. Jammer genoeg namen zij hun bestedingskapitaal met zich. Weliswaar had Kampen vanaf 1799 het tijdelijk voordeel mogen hebben van te mogen dienen als vestigingsplaats voor het provinciaal gerechtshof, na 1801 werd dit gerechtshof voorgoed in Zwolle gevestigd.
Een ander nadeel voor Kampen was de waarschijnlijke inkrimping van de Nationale Armee wegens slechte economische omstandigheden. Voor een garnizoenstad als Kampen zou dat onmiskenbaar gevolgen hebben.

Sociale omstandigheden
Reacties van tijdgenoten
Een duidelijke indicatie voor de sociale omstandigheden van Kampen aan het eind van de achttiende eeuw, vinden we opnieuw in de memorie van Scheltema. Al gelijk in de aanhef had hij het over ‘den minvoordeeligen staat der Burgerlijke Welvaart’. Niet voor niets ging hij over tot het schrijven van zijn memorie met als doel het hoofd te gaan bieden aan ‘den in het ooglopenden ongunstigen toestand van den Burgerlijken welvaart van veeler ingezeetenen van Campen’ 55 [55. idem]. Een menigte bedelaars bevolkte de straten van Kampen gekenmerkt door ‘haveloosheid en slordigheid’. Met name aan de kinderen was de grauwe ellende van deze sociaal meest zwakken af te zien.
Overigens was Scheltema niet de enige die de toenmalige tijden als minder favorabel beschouwde. De boekhouder van de Armenstaat – de van stadswege geïnitieerde armenzorgorganisatie – gaf een gelijksoortig geluid. Op 16 oktober 1798 schreef Volkert Brouwer betreffende de armenstaat te Kampen het volgende: ‘daarom wijl (als ’t waare) de bevinding ons daaglijks leeraart ~ dat na rato ’t aantal van behoeftigen (welken door den Armenstaat moeten worden ondersteund) en den dringenden nood waar in veelen hunner zich (helaas) bevinden ~ de toelage welk ieder hunner kan genieten door een veel te gering zij ~ en men te dien opzichte (ingevolge eene algemeene bekende spreuk) wel moge zeggen dat – zij om te sterven te veel, en om te leeven te weinig genieten’ 56 [56. G.A.K., O.A. Armenkamer, inv. nr. 2337, “Staat en inventaris van de kapitalen, effecten en fondsen van de Armenkamer”, 1798]. Weliswaar mochten voornoemde schrijvers zich wat te veel verloren hebben in hun ‘pathetisch proza’, zoals L. Noordegraaf het stelt in zijn bijdrage in de Algemene Geschiedenis der Nederlanden 57 [57. L. Noordegraaf, “Sociale verhoudingen en structuren in de Noordelijke Nederlanden 1770-1813”, in: AGN, Bussum 1981 (4e druk), deel 10, p. 376], veel zal het toch niet bezijden de waarheid geweest zijn. In ieder geval past het in het landelijke beeld van toenemende aantallen behoeftigen en werkelozen in voornoemde periode. En dat Kampen er in dit opzicht negatief uitsprong, valt eveneens aannemelijk te maken met het cijfermateriaal wat dhr. Van Dam ons biedt. Hij maakte op basis van belastingkohieren betreffende een vorm van vermogensbelasting een sociale stratificatie van de Kamper bevolking in 1795.
Daaruit blijkt dat Kampen in vergelijking met beide zustersteden aanzienlijk meer armlastigen en onvermogende burgers binnen haar muren herbergde. Hij berekende

|pag. 22|

dat bijna vijftig procent (49,5) tot die categorie behoorde in tegenstelling tot Zwolle en Deventer waar die groep respectievelijk achtendertig en dertig procent van de totale bevolking uitmaakte 58 [58. Van Dam, Schets van de demografische en sociaal-conomische ontwikkeling, p. 30.].

Cijfermateriaal Armenzorg
Ook met statistisch materiaal zou bovenstaand beeld te illustreren zijn. De financiële verslagen van de Armenzorg, hierboven Armenstaat genoemd, wijzen onmiskenbaar in deze richting. Ten opzichte van het toch al niet florissante jaar 1795 waren de kosten van gewone en buitengewone bedeling in 1807 meer dan verdubbeld, namelijk van 1796 gulden en 17 stuivers naar 3741 gulden, 3 stuivers en 8 penningen 59 [59. G.A.K., Ged. A. Burgerlijk Armbestuur, inv. nr. 502 en 514, “Rekeningen van ontvangsten en uitgaven”, 1795 en 1807]. Ook de andere jaren laten in vergelijking met 1795 forse stijgingen zien. Weliswaar hoeft dat nog niet automatisch te betekenen dat het aantal bedeelden dan ook navenant steeg. Immers er moet terdege rekening gehouden worden met de reeds eerder genoemde prijsstijgingen van levensmiddelen. Echter gezien de mate van uitgavenvermeerdering en gezien bovenstaande citaten van tijdgenoten, kan er veilig van uitgegaan worden dat er sprake was van een flinke armoedestijging. Zeker is dat het aantal kinderen van bedeelden, dat op rekening van de armenkamer onderwijs ontving in onderhavige periode aanzienlijk steeg: in 1795 liep het aantal tegen de 120 kinderen tegen meer dan 170 kinderen in 1809 60 [60. idem, inv.nr. 502 en 516, “Rekeningen van ontvangsten en uitgaven”, 1795 en 1809]. Op een totaalbevolking van ruim zesduizend mensen gaat het hier wel om heel forse aantallen bedeelde kinderen.

Lonen en voedselprijzen
Het waren echter niet alleen de behoeftigen en bedeelden die het moeilijk hadden. Ook diegenen die wel werk hadden, balanceerden vaak op het randje van het bestaansminimum. Drs. D. van der Vlis heeft onderzocht hoe de lonen van Kamperdaghuurders in stadsdienst zich ontwikkelden tussen 1526 en 1810. In de periode 1790-1810 fluctueerden ze tussen de acht à twaalf stuivers per dag met een eenmalige uitzondering van enkele maanden in 1809 toen het vijftien stuivers bedroeg 61 [61. D. van der Vlis, “Daglonen in en rond Kampen van 1526 tot 1810”, in: overijsselse historische bijdragen, Zwolle 1981, p. 87, 88]. En, vervelende bijkomstigheid was, dat juist in de dure wintermaanden het laagste tarief van acht stuivers per dag werd uitgekeerd. Het grote probleem was echter dat in de twee voornoemde decennia de voedselprijzen gestaag bleven stijgen. Zo weten

Gegevens grafiek 1 ontleend aan: Tijms, W, ‘Prijzen van granen en peulvruchten te Kampen’, in: Historia X-I, Agriculturae 1977, p. 314

we van Kampen behoorlijk nauwkeurig welke prijzen in welke maand golden voor een schepsel (27,56 liter) rogge en een schepsel tarwe. Ter indicatie: in juli 1795

|pag. 23|

betaalden Kampershet exorbitant hoge bedrag van f3.60 voor een schepsel rogge, een sinds 1645 ongeëvenaarde prijs en nadien alleen nog overtroffen door de prijzen van mei en juni 1817 62 [62. Tijms, W, “Prijzen van granen en peulvruchten te Kampen”, in: Historia Agriculturae X-I, 1977, p. 306 + 307]. Verder lagen gedurende de hele Franse Tijd de roggeprijzen in verreweg de meeste maanden boven twee gulden per schepsel, prijzen die voor 1790 tamelijk uitzonderlijk waren. Nijpend was het feit, dat juist de roggeprijzen gemiddeld een nog sterkere stijging lieten zien dan de tarweprijzen: de meeste minvermogenden consumeerden veelal rogge in plaats van tarwe, dat substantieel duurder was. Het kan dan ook niet anders of de Kampers zijn in koopkracht flink achteruitgegaan. Onderstaande grafiek 63 [63. L. Noordegraaf, “Sociale verhoudingen en structuren in de Noordelijke Nederlanden 1770-1813”, in: AGN, Bussum 1981 (4e druk), deel 10, p. 380], die overigens niet op Kamper gegevens gebaseerd is maar een veel bredere geldingskracht heeft, vormt daar een goede illustratie van. In de grafiek is de koopkracht ten opzichte van de roggeprijzen aangegeven. Duidelijk is de daling van koopkracht na 1780 met een absoluut dieptepunt rond 1800.

Reacties van overheid op sociale problematiek
Dat de financiële draagkracht van minvermogende burgers inderdaad soms overvraagd werd, valt af te leiden uit een publicatie van de stad in de zomer van 1795. Door de reeds gemelde ‘buitengewone duurte van het koren’, zag het stadsbestuur zich genoodzaakt om in te grijpendoor het arrangeren van leveranties van roggemeel tegen anderhalve stuiver per pond en levering van paardebonen tegen tien stuivers per spint. Als voorwaarde stelde het stadsbestuur een maximumhoeveelheid van tien pond roggemeel per dag en een strikt verbod om het meel aan dieren te voederen 64 [64. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 11 juni 1795]. Dat veel minvermogende burgers in financiële problemen raakten, valt licht te begrijpen wanneer in ogenschouw wordt genomen dat ongeveer zeventig procent van hun inkomsten opging aan primaire levensbehoeften. Snelle prijsstijgingen deed dan ook menig gezin door het wankele evenwicht van het bestaansminimum heen schieten in diepe armoede. Het jaar 1803 sprong er in dat opzicht waarschijnlijk ook negatief uit, want toen bleken zelfs de middelen van de Armenkamer ontoereikend, zodat de stedelijke overheid een stadsbrede collecte ten bate van de armen gewenst vond 65 [65. idem, 19 jan 1803].

Zwaartepunt van stedelijke inmenging met het armoedeprobleem lag echter meer in het bewaken van de goede orde en de maatschappelijke rust. Ook vanuit die invalshoek valt vast te stellen dat de sociale problematiek opliep. Het stadsbestuur nam dienaangaande in augustus 1795 enkele regulerende maatregelen om de problematiek het hoofd te bieden. Zo stelde ze het aanstekelijke misbruik van veel vaders aan de kaak, die hun kinderen in armoede voor rekening van de stad

|pag. 24|

achterlieten 66 [66. idem, 5 aug. 1795]. Verder bekrachtigde zij opnieuw een verbod uit 1745 op verkoop of verhuur van huizen aan vreemdelingen, waarvan de magistraat niet in kennis gesteld was. Voorgaande om te voorkomen dat er armlastige personen binnen stads jurisdictie kwamen te wonen. Bij overtreding werd een boete van tien gulden ten behoeve van de stadsarmen gevorderd. Daarnaast werd bepaald, dat herbergiers arme vreemdelingen niet langer dan 24 uur mochten herbergen en dat bedelaars onmiddellijk buiten de stad gezet dienden te worden 67 [67. idem, 8 aug. 1795]. Ook in de jaren erna bleven dergelijke maatregelen nodig, getuige de stedelijke publicaties. In 1803 vreesde het stadsbestuur overspoeld te worden met arme vreemdelingen en verbood dientengevolge de verhuur van woonruimte aan vreemdelingen zonder voorafgaande inspectie van de hoofdlieden der kwartieren68 [68. idem, 4 aug. 1803]. Kennelijk was het nodig om voorgaand verbod vijf jaar later opnieuw te bekrachtigen 69 [69. G.A.K., O.A., inv. nr. 248, “Publicaties”, 29 febr. 1808]. Ook het aan herbergiers gerichte verbod op het herbergen van bedelaars en landlopers werd in augustus 1806 herhaald 70 [70. idem, 21 aug. 1806]. Een jaar later werden weer maatregelen getroffen om verdere verpaupering tegen te gaan. Het werd veerlieden en schippers verboden om nog langer arme vrouwen, die ziek of zwanger waren, naar de stad te transporteren 71 [71. idem, 24 sept. 1807]. Kortom het stadsbestuur deed er alles aan om de interne economische malaise niet te laten versterken door externe input. In hoeverre ze hierin geslaagd zijn, valt met behulp van voormelde bronnen niet vast te stellen.
In het voorgaande is afdoende duidelijk geworden, dat de sociaal-economische omstandigheden van veel ingezetenen eer verslechterde dan verbeterde. Zoals gezegd nam in de jaren van ons onderzoek de werkeloosheid en in haar kielzog het aantal bedeelden behoorlijk toe. Om die reden ging Kampen, evenals veel steden die haar voorgingen, over tot de stichting van een werkhuis in 1805. De doelstellingen waren om luiheid en lediggang tegen te gaan en fatsoenlijke bedeelde huisgezinnen werk te verschaffen. Hardnekkige bedelaars zouden publiekelijk door de stad gesleept worden om vervolgens verplicht te werk gesteld te worden. In plaats van het geven van aalmoezen, werden burgers opgeroepen hun gaven nu te offeren in een bus die iedere maandagochtend daarvoor zou langs komen 72 [72. idem, 26 sept. 1805]. Succesvol waren deze instellingen echter zelden of nooit. Door slechte bedrijfsvoering en boycotpolitiek van gevestigde ‘concurrenten’ werden de meeste inrichtingen al weer vrij spoedig gesloten. Hoe succesvol het te Kampen was, verdient nadere studie.
Samenvattend, het is gevoeglijk aan te nemen dat de sociale problematiek tussen 1790 en 1813 opliep, al verliep dat niet altijd lineair. Tegen deze achtergrond is het opvallend wat Scheltema schreef in zijn memorie over de passieve houding van de meeste armlastige Kampers onder deze deprimerende omstandigheden. Uiteraard moeten we rekening houden met een al te rooskleurig beeld wegens zijn patriotse sympathieën, toch is zijn typering zeker het vermelden waard:

‘Over het algemeen zijn mij den menschen alhier als heusch en goedwillig voorgekomen en geenszins overhellenden tot verkwisting; gaarn verplichtenden en nedrig onder den Welgestelden, beleefd en stil onder den behoeftigen stand. Er zijn geen voorbeelden dat het zogenaamd gemeen, alhier tot uitersten van gewelts en plundering, zo als elders gekomen is, en hoe zee vreemdelingen onlangs sommige Burgers door Schijnschoone declamatien hadden verhit, en bij de algemeene gisting in beweeging gebragt, kan men deeze dwaling niet anders als kortstondig beschouwen, daar veele tot de orde zijn teruggekoomen, zodra de aanprikkeling van elders ophield. Dat verders het zogenaamd gemeen alhier, hoe behoeftig ook,

|pag. 25|

zeer zelden tot dieverij of andere misdaaden overslaat, wordt overduidelijk beweezen, door den zeldzaame voorbeelden van de noodzakelijkheid van Crimineelen Justitien; sedert 50 jaaren is hier geen halsrecht gedaan en sedert jaaren, zelfs bij den excessieven duurte der levensmiddelen geenen Lijfstraffen uitgeoefend.’

Samenvattend
Voor een goed overzicht van deze lange paragraaf zullen we proberen in een slotalinea de beschreven deelterreinen van het sociaal-economische gebeuren te comprimeren tot een consistente samenvatting. De achttiende eeuw was voor Kampen verre van een gouden eeuw. De bloeiperiode van Kampen lag toen inmiddels enkele eeuwen terug. Voor voornoemd tijdvak zou zelfs de typering zilveren eeuw teveel gezegd zijn. Weliswaar was de stagnerende economie niet specifiek des Kampens, toch lijkt de situatie in de vermaarde hanzestad vergeleken met het landsgemiddelde niet positief uit te springen. Beide zustersteden, Zwolle en Deventer, schenen het beduidend beter te doen. Alle beroepssectoren maakten in Kampen een kwijnende indruk. Terwijl in andere landsprovincies op agrarisch gebied vooruitgang werd geboekt, bleef dat in Kampen helaas uit. De Franse Tijd heeft evenmin een gunstig effect gehad. Er blijkt niets van een oplevende nijverheid en industrie wat in andere stedelijke gemeenschappen, in landsprovincies althans, wel het geval was. In tegendeel, het aantal armen en werkelozen is in de Franse Tijd alleen maar toegenomen. Daar komt bij dat de algehele malaise ook nog eens oorzaak was van een toenemend aantal landlopers, bedelaars en vagebonden met alle neveneffecten van dien. Tenslotte heeft de Franse aanwezigheid met al haar financiële verplichtingen economisch uiterst ontwrichtend gewerkt. Om de enorme Franse claim te voldoen, hebben de Kampers hun steentje ook mogen bijdragen middels de extra-ordinaire belastingen die van tijd tot tijd geheven werden.

|pag. 26|

3. Maatschappelijke onrust te Kampen gedurende de Franse Tijd

3.1 Maatschappelijke onrust in ontwikkeling

Begripsbepaling en bronnen
Voor we de vraag kunnen beantwoorden of er sprake is van een ontwikkeling in de maatschappelijke onrust, is het nodig om aan begripsbepaling te doen. Onder maatschappelijke onrust wordt in dit onderzoek het volgende verstaan: het voorkomen van ongewenst gedrag in de ogen van het establishment als uitvloeisel van of reactie op de maatschappelijke realiteit in de breedste zin van het woord.
Voor Nederland bestaat het algemene beeld dat de jaren 1795 tot 1813 zonder meer roerig waren, waarbij een duidelijke toename te constateren valt van misdaad, landloperij, dronkenschap en andersoortige misstanden. Voor ons rest de vraag of voornoemde beeld ook voor Kampen opgaat. Ter beantwoording van deze vraag zijn vooral de bronnen betreffende de strafrechtspraak te Kampen interessant. Tot 1811 was de strafrechtspraak lokaal geregeld. Daarna onderging het op last van Napoleon een grondige reorganisatie en was het niet langer een aangelegenheid van de lokale overheid. Het Kamper gemeentearchief bevat dan ook geen bronnen met betrekking tot strafrechtelijke procedures van na 1811. Daarnaast bieden de Publicaties van de stad soms relevante informatie over onderhavige periode als het gaat om het voorkomen van sociaal-maatschappelijke misstanden. Verder heb ik de maandstaten van het Provinciaal Tuchthuis te Zwolle geraadpleegd, waarin nauwkeurig staat aangegeven wie daar vanuit Kampen werd gedetineerd en voor hoe lang dat gebeurde. Tenslotte was het in dit verband verhelderend om de stedelijke rekeningen door te nemen. Steevast vinden we daar onder de derde ‘grossa’ de uitgavenpost betreffende ‘onkosten scherprechter en gevangeniskosten’. De weergave van de onkosten betrof de periode maart tot februari het volgende jaar. We zullen met deze laatste informatiebron beginnen.

Onkosten scherprechter en gevangeniskosten
Zoals de naam ‘onkosten scherprechter en gevangeniskosten’ doet vermoeden, werden onder deze uitgavenpost betaalde vergoedingen aan scherprechter en cipier opgenomen. De scherprechter kreeg bijvoorbeeld betaald voor het oprichten van het schavot, het afsnijden van lichaamsdelen en het uitvoeren van lijfstraffen. De functie van cipier werd waargenomen door de schout bij nacht, die bij deze taak evenals op andere momenten geassisteerd werd door twee dienaren, executeurs geheten. Voor het ‘in hechtenis brengen’ van een verdachte persoon bijvoorbeeld, kreeg de schout bij nacht één gulden en acht stuivers. Zijn beide helpers kregen daarvoor elk veertien stuivers. Voor het bezorgen van eten en stro aan gevangenen mocht de schout bij nacht ook vastgestelde vergoedingen doorberekenen. Transportkosten naar of van het Provinciaal Tuchthuis te Zwolle werden eveneens aan voornoemde stadsdienaar

|pag. 27|

uitbetaald. Per gevangene ging dat om twee gulden en zestien stuivers. Beide executeurs vingen de helft van dat bedrag.

Wanneer we de periode 1785 tot 1811 doornemen, valt op dat het leeuwendeel van de vergoedingen aan de cipier en zijn assistenten werd betaald. Slechts een enkele keer kreeg de scherprechter een vergoeding voor door hem verleende diensten. Om precies te zijn gebeurde dat in de bovengenoemde periode slechts zes keer. Op 24 maart 1789 werd de scherprechter ingeschakeld om drie gevangenen te geselen. Het duurde kennelijk tot 1805 voor deze gevreesde man opnieuw voor iets dergelijks werd ingezet, want in dat jaar werd een onkostenvergoeding uitbetaald inzake het toepassen van lijfstraffen aan respectievelijk drie en twee personen. Het jaar erop werd het opnieuw tot twee keer toe nodig geacht. Tenslotte bericht de balans van 1810 nog twee keer over het optreden van de scherprechter.

voor exact cijfermateriaal en bronvermelding grafiek 2 zie bijlage 1

Zoals gezegd werden verreweg de meeste onkosten vergoed aan de schout bij nacht en zijn helpers. Het leeuwendeel daarvan valt te labelen als arrestatie- en gevangeniskosten. Meestal was de opsluiting van betrekkelijk korte duur, veelal minder dan tien dagen. Het ligt daarom voor de hand, dat een relatief hoge kostenpost ‘onkosten scherprechter en gevangeniskosten’ een indicatie is voor maatschappelijke onrust in de Kamper samenleving, hoe dan ook gedefinieerd. Als we de onkosten over de jaren 1775 tot 1810 weergeven in een grafiek, tekent zich het volgende beeld af (zie grafiek). Tussen 1775 en 1795 komen de onkosten voor scherprechter en gevangenen slechts één keer uit boven de 165 gulden: alleen het roerige jaar 1789 valt met 533 gulden uit de toon. Met inbegrip van 1795 zien we dat er tot 1810 in dertien van de zestien jaren meer dan 165 gulden wordt uitgegeven aan voornoemde onkostenpost. Vooral de laatste jaren blijken piekjaren geweest te zijn.

|pag. 28|

1810 vestigde met 1381 gulden een absoluut record. Ter vergelijking: met uitzondering van 1789 werd tussen 1775 en 1794 voor slechts 1222 gulden aan onkosten gemaakt. Op z’n minst is dat verrassend te noemen. In één jaar tijd werd er dienaangaande meer uitgegeven dan in negentien andere jaren. Dat geeft te denken. Toch zegt dit nog niet alles. Meestal zaten personen namelijk slechts enkele dagen gevangen. De kosten daarvoor lagen doorgaans onder de twintig gulden. Een jaarbedrag van honderd gulden voor scherprechter en gevangeniskosten komt dan doorgerekend zo ongeveer neer op vijf tot vijftien gevangenen. Een jaarbedrag van tweehonderd gulden doet dan het dubbele aantal gevangenen vermoeden. De conclusie zou dan kunnen zijn: meer maatschappelijke onrust in dat jaar. Deze manier van concluderen gaat echter nogal eens mank. Af en toe doen zich namelijk uitschieters voor die het totale jaarbedrag fors opstuwen, zonder dat gezegd kan worden dat er in dat jaar zoveel gevangenen vast zaten. In 1806 bijvoorbeeld kostte de heer J.H. Boere de Kamper samenleving alleen al meer dan 326 gulden. Weliswaar was dat een extreem geval, maar toch gebeurde het vaker dat er voor één gevangene meer dan vijftig gulden werd betaald. Kortom, de hoogte van de grafiekstaven zegt nog niet alles over de omvang van de maatschappelijke onrust. Aan de andere kant geven ze natuurlijk, zoals gezegd, wel een indicatie. Wanneer blijkt dat de gevangeniskosten gedurende enkele jaren structureel hoog liggen, is een toename van de maatschappelijke onrust als verklaring wel erg aannemelijk. In ieder geval dient dat dan als mogelijke oorzaak onderzocht te worden. Daarvoor is de raadpleging van en vergelijking met andere bronnen onontbeerlijk. Allereerst zullen we bronnen betreffende de zware criminaliteit onder de loep nemen. Daarna zal de veelvoorkomende criminaliteit aan bod komen.

Zware criminaliteit: lijfstraf, verbanning of tuchthuis
De zware criminaliteit werd tot de negentiende eeuw meestal bestraft met lijf- en doodstraffen of verbanning 73 [73. H. Franke, Twee eeuwen gevangen, misdaad en straf in Nederland, Utrecht 1990, p. 24]. Vrijheidsstraf kwam weinig voor. Deze vorm van straffen zou pas gedurende de negentiende eeuw uitgroeien tot de hoofdstraf in het Nederlandse strafsysteem. Toch was er voor die tijd wel een mogelijkheid om criminele personen voor langere tijd uit de samenleving te verwijderen. Daarvoor kende men de zogenaamde tuchthuizen. Meestal waren deze tuchthuizen te vinden in de hoofdstad van het gewest. Voor Overijssel was dat het in 1738 opgerichte Provinciaal Tuchthuis te Zwolle. Sommige gevangenen moesten tientallen jaren in een tuchthuis doorbrengen, vaak onder de meest erbarmelijke omstandigheden. Ter illustratie dient het volgende voorbeeld: ‘In het tuchthuis van Alkmaar waren drie krankzinnigen bij misdadigers opgesloten. Een daarvan ‘verging bijkans van ongedierte’ en een ander moest aan het voeteneind van twee gevangenen liggen ‘in een voor Twee personen naauwelijks toereikende Bedstede’. De regenten adviseerden na dit droevige relaas de cipier te ontslaan en het tuchthuis voor rekening van de stad over te nemen.’74 [74. idem, p. 32] Dit voorbeeld zou met meerdere aan te vullen zijn. Of de situatie in Zwolle veel beter geweest is dan in Alkmaar, is nog maar zeer de vraag. Een zekere Mr. J.L.v.D. schreef in de Zwolsche Courant van 11 juni 1883 over het tuchthuis te Zwolle 75 [75. Provinciaal Archief Zwolle, ‘Mr. J.L.v.D. over het Zwolsche Tuchthuis’, in: Overijsselsche en Zwolsche Courant 11 juni 1883, Zwolle 1883]. Gevangenen moesten met spinnen de kost verdienen en kregen afwisselend erwten, ‘gorst’ en ‘garst met karnemelk’ als voedsel. Elke avond werd karnemelkpap met gruttenmeel geserveerd.

|pag. 29|

De tuchtmeester had bijna onbeperkte macht over de gevangenen. Hij mocht ze cellulair opsluiten, maar ook kastijden. Volgens voornoemde schrijver werd de tuchtmeester niet verantwoordelijk gesteld in het geval de kastijding de dood tot gevolg had. Zoals in de meeste tuchthuizen waren de gevangenen dus kennelijk ook in Zwolle overgeleverd aan de grillen en luimen van de tuchtmeester c.q. cipier.

Tuchthuisstraf
Respectievelijk zullen nu de drie hoofdstraffen betreffende de zware criminaliteit in de Kamper jurisdictie de revue passeren, namelijk: tuchthuis, verbanning en lijf- en doodstraffen.

De personen die namens de Kamper rechterlijke macht in het provinciale tuchthuis te Zwolle gedetineerd werden, zijn vrij gemakkelijk te traceren. De administratie van het tuchthuis inzake de instroom van nieuwe delinquenten werd goed bijgehouden in de zogenaamde maandstaten van deze penitentiaire inrichting. Iedere maand werden de namen van alle gevangenen in deze maandstaten opgenomen, inclusiefde namen van de nieuwkomers. Bij de naam werd ook vermeld vanaf welk jaar de gevangene gedetineerd was, door welke rechterlijke instantie hij/zij veroordeeld was en hoeveel jaar hij/zij in totaal gevangen moest zitten. Eenvoudig turven leert dus hoeveel personen er vanuit Kampen veroordeeld werden tot de tuchthuisstraf. Voor de periode 1785 tot 1811 gaat het in totaal volgens de maandstaten om dertig personen. Als we kijken in welke jaren de instroom vanuit Kampen het grootst was, ontstaat het volgende beeld. In de periode voorafgaand aan de Franse Tijd – namelijk van 1785 tot 1794 – werden vier personen vanuit Kampen doorverwezen naar het provinciaal tuchthuis. In de tien jaar erna van 1795 tot 1804 blijkt dat aantal bijna drie keer zo groot te zijn, namelijk elf personen. Kijken we tenslotte naar de veel kortere periode 1805 tot 1810, dan blijkt een verassend hoog aantal van vijftien personen in het tuchthuis verbleven te hebben. Als we bovenstaande gegevens uitzetten in een grafiek, dan ontstaat het onderstaande beeld (zie grafiek).

voor nadere gegevens en bronvermelding grafiek 3 zie bijlage 2

Bij het wat nader bestuderen van de grafiek valt een soort golfbeweging waar te nemen. Tot 1793 wordt de straf maar twee keer opgelegd. Dan zien we opeens binnen vijf jaar achter elkaar twaalf veroordelingen tot de tuchthuisstraf. Daarna een

|pag. 30|

periode niets en tenslotte blijken vanaf 1804 nog eens zestien personen ‘getuchtigd’ te zijn.
Wanneer we echter naast deze maandstaten de rechterlijke bronnen van Kampen laten spreken, blijken er nog enkele personen tot de tuchthuisstraf veroordeeld te zijn geweest, die we niet in Zwolle terugvinden. Zo werden in 1800 P. de Hoog en een zekere Siccama aan die straf onderworpen. In 1806 bleek een zekere J.H. Boere ook een tuchthuisstraf uit te zitten. Datzelfde lezen we van J.C. Hornrich die in 1807 tot zes maanden werd veroordeeld. Om één of andere reden hebben deze veroordeelden een ander tuchthuis toegewezen gekregen. Waarschijnlijk heeft het te maken gehad met de overbezetting van het Zwolse tuchthuis, dat vooral na 1800 met een flinke instroom van tuchtelingen te maken kreeg. Niet voor niets werden in 1809 zo’n twintig tuchtelingen overgebracht naar het tuchthuis in Den Bosch. Daaronder waren ook twee vanuit Kampen veroordeelde personen, namelijk de Jood Abraham Salomons en Jan Sterke 76 [76. Archief van de Staten van Overijssel, toegangsnummer 3.1, inv. nr. 4036, “Maandstaten van het Tuchthuis”, 1809]. Om dezelfde reden had procureur des konings F. Lemker een jaar eerder, in het geval van Pieter Warnar en Jan Nuijen, besloten om in plaats van een tuchthuisstraf een verbanningsstraf van zes jaar op te leggen. Volgens Lemker was er op dat moment inderdaad sprake van overbezetting in het tuchthuis.
In elke cel bleken vijf à zes gevangenen te huizen 77 [77. G.A.K., R.A. inv. nr. 347, “Register van sententies”, 1808].

Als we de hierboven genoemde aanvullingen in de grafiek zouden opnemen, zijn de volgende gevolgtrekkingen te maken. In de tienjarige periode van 1785 tot 1794 voorafgaand aan de Franse Tijd werden in drie van de tien jaren één of meerdere personen in het tuchthuis gedetineerd. Wiskundig gezegd gaat het dan om dertig procent van al die jaren. In totaal ging het toen om vier tuchtelingen, wat doorrekenend neerkomt op 0,4 tuchteling per jaar. Gaan we dezelfde rekenmethodiek toepassen op de periode van de Franse Tijd, dan krijgen we te maken met flink hogere getallen. In de zestienjarige periode van 1795 tot 1810 werd in twaalf van de zestien jaren één of meerder personen in het tuchthuis gedetineerd.
Dat is dus vijfenzeventig procent van al die jaren. In totaal ging het toen om negenentwintig tuchtelingen, wat doorrekenend neerkomt op 1,8125 tuchtelingen per jaar. Wat betreft de tuchthuisstraf kan dus zonder overdrijven gesteld worden, dat er in de Franse Tijd sprake is geweest van een duidelijke toename in vergelijking met de voorafgaande jaren. Daarbij moet natuurlijk wel gezegd worden dat dit generaliserend gesproken is, aangezien het hoge aantal tuchthuisstrafveroordelingen zich voornamelijk voordeed zowel in de eerste als in de laatste jaren van de Franse Tijd. Dit neemt echter niet weg dat deze toename een heel duidelijke vingerwijzing zou kunnen zijn naar een hoger percentage zware criminaliteit in de Franse Tijd. Om daar echter meer over te kunnen zeggen, zullen we ook de twee andere reeds genoemde zware hoofdstraffen op dergelijke manier onder de loep moeten nemen.

Verbanning
Als tweede hoofdstraf hebben we de verbanning genoemd. Een verbanning klinkt voor hedendaagse begrippen erg vreemd. Het hield namelijk in, dat je gedurende een aantal jaren geen voet meer binnen de jurisdictie van bepaalde stad of gewest mocht zetten. Voor huidige burgers zou dat uiteraard zo’n groot probleem niet zijn.
Maar in de achttiende eeuw en ervoor betekende de verbanning nogal wat. In zekere

|pag. 31|

zin werd een veroordeelde gewoonweg stateloos verklaard en daarmee kon hij geen enkele aanspraak maken op welke wettelijke bepaling ook. Een eerbaar beroep uitoefenen was hem daarmee bijna onmogelijk gemaakt. Als een zwerver moest hij aan de kost zien te komen en op veel begrip hoefde hij natuurlijk niet te rekenen.
Andere steden en gewesten hadden uiteraard weinig op met het van elders uitgebannen uitschot. In feite zadelde men een ander op met de eigen problematiek.
Omgekeerd gebeurde het in tegengestelde richting echter ook. Eigenlijk deed men niet anders dan de problemen verschuiven. Dit was dan ook de reden dat men na de Franse Tijd steeds minder gebruik van deze straf ging maken. Tot de Franse Tijd kwam ze echter nog herhaaldelijk voor.

Om het aantal uit Kampen verbannen personen te kunnen weergeven in onderhavige periode moeten we gebruik maken van de gegevens die de sententiën en zo nodig de zogenaamde reisepensiën ons bieden. De eerste bron geeft elke keer kort aan waarvoor een persoon veroordeeld werd om daarna af te sluiten met het noemen van de opgelegde straf. Het aantal verbanningen is aan de hand van deze gegevens eenvoudig na te gaan. De laatste bron geeft inzage in allerhande gerechtelijke en niet-gerechtelijke handelingen, die de drie stadssecretarissen van Kampen gedurende een jaar verrichtten. Aangezien met naam en toenaam werd aangegeven waarvoor deze ambtenaren hun ‘pensiën’, dat wil zeggen hun vergoeding, uitbetaald kregen, is het in de meeste gevallen traceerbaar wanneer een verbanningsstraf werd uitgesproken. De stadssecretaris kreeg in dat geval namelijk zijn vergoeding voor het opstellen c.q. uitlezen van de sententie. Wanneer we de gegevens van beide bronnen naast elkaar leggen, ontstaat het plaatje van onderstaande grafiek.

voor nadere gegevens en bronvermelding grafiek 4 zie bijlage 3

Een snelle rekensom leert dat in de periode 1785-1810 zestien personen werden geconfronteerd met verbanning, waarvan zeven voor en negenin de Franse Tijd. In wiskundige notatie zou het erop neerkomen, dat er in de tien jaar voor de Franse Tijd 0,7 verbanningen per jaar waren en in de periode van de Franse Tijd 0,5625 verbanningen per jaar. Dit duidt dus op een lichte afname van deze straf gedurende de Franse Tijd. Overigens is het wel opvallend dat juist in de laatste drie jaar ervan de straf het meest is opgelegd, namelijk zeven van de negen keer. Toch is voorzichtigheid geboden om op basis van deze gegevens een al te stevige conclusie

|pag. 32|

te formuleren. Het verschil tussen 0,7 en 0,5625 is niet bijster groot en bovendien lijkt één banneling meer of minder op dit percentage een behoorlijke impact te hebben, aangezien we te maken hebben met kleine getallen. Daar komt bij dat in 1810 vier personen – L. Abrahams, A. Dollekamp, Schram en G. Willems – een dubbele straf kregen, namelijk tuchthuisstraf en aansluitend verbanning 78 [78. idem, 1810]. Zouden we die vier onder de verbannenen van 1810 hebben meegerekend, dan zou het totaalgemiddelde van de Franse Tijd zelfs iets boven die van de voorafgaande periode gekomen zijn. Kortom het aantal verbanningen in de Franse Tijd lijkt weinig anders dan de periode ervoor. Wel is overduidelijk dat de laatste jaren van de Franse Tijd een climax lieten zien.

Doodstraf en Lijfstraf
Als laatste hoofdstraf rest nog die van lijfstraf en doodstraf. Bij het doornemen van reeds eerder genoemde gerechtelijke stukken ben ik niet één keer gestuit op iets wat wees op de uitvoering van een doodstraf. De patriot Scheltema had dit kennelijk over een langere periode onderzocht, want hij schreef in 1802 in zijn veelgeciteerde memorie: ‘sedert 50 jaaren is hier geen halsrecht gedaan en sedert jaaren, zelfs bij den excessieven duurte der levensmiddelen geenen Lijfstraffen uitgeoefend.79 [79. G.A.K., N.A. Handschriftenverzameling, inv. nr. 103, “Memorie”, Scheltema] De enige keer dat er toch sprake leek te zijn van een doodstraf, was in mei 1796. Een zeker soldaat Willem Huigens had onder grote vloeken geweigerd terug te keren naar zijn kwartier. Daarbij had hij oranjeversjes gezongen en de Bataafse vrijheid verdoemd.
Hierop werd de 26-jarige Huigens door de krijgsraad veroordeeld tot de kogel en daarnaast tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd echter wegens ondeugdelijk bewijsmateriaal ingetrokken en de hele zaak moest overgedaan worden door de burgerrechter 80 [80. G.A.K., R.A., inv. nr. 264, “Informatiën”, 18 mei 1796]. Uiteindelijk is het niet tot een doodstraf gekomen.
Ook de toepassing van lijfstraffen schijnt in de periode van ons onderzoek mondjesmaat toegepast te zijn, al schetst Scheltema een wel iets te positief beeld door te stellen dat naast de doodstraf ook de lijfstraf de laatste vijftig jaar achterwege gebleven zou zijn. Immers, in 1789 weet de derde grossa van uitgaven in de stedelijke rekeningen ons toch heus te berichten van het geselen van drie gevangenen 81 [81. G.A.K., O.A., inv. nr. 657, “Stedelijke rekeningen”, 1789], waarvoor de scherprechter een onkostenvergoeding kreeg. Maar toch, veel werd de lijfstraf niet toegepast. Het duurt tot 1805 voor we opnieuw in de stedelijke rekeningen lezen dat respectievelijk drie en twee verdachten aan een lijfstraf onderworpen werden. Ook in 1806 en in 1810 werd deze straf in beide jaren aan twee personen toegediend. In het laatste jaar van onderzoek blijkt daarvoor zelfs tot twee keer toe een heus schavot te zijn opgericht door arbeiders 82 [82. G.A.K., O.A., inv. nr. 679, “Stedelijke rekeningen:, 1810]. Kennelijk moesten deze straffen wegens de ernst van het delict een algemeen preventieve werking hebben, want snel ging men er in deze decennia niet meer toe over. Zo lezen we in 1808 dat procureur des konings Lemker afziet van een geseling voor Jan Nuijen, ondanks het feit dat hij zijn verbanningsstraf brutaalweg had genegeerd door openlijk in de stad Kampen terug te komen. Lemker wil echter toch niet overgaan tot een lijfstraf, hoewel dat volgens de rechterlijke stukken in vroeger dagen voor dergelijke praktijken gebruikelijk was 83 [83. G.A.K., R.A., inv. nr. 347, “Register van sententies”, 1808].

Wanneer we het geheel van lijfstraffen overzien, komen we op een totaal van twaalf keer in zesentwintig jaar. Voor de periode 1785 – 1794 wordt het gemiddelde dan 0,3

|pag. 33|

keer per jaar; voor de periode 1795 – 1810 komt het op 0,5625 keer per jaar. Net als bij de verbanningsstraf geldt hier eveneens, dat het gewaagd is om vergaande conclusies te trekken op basis van bovenstaande cijfers. Wel wordt voor de derde keer op rij duidelijk, dat evenals bij tuchthuisstraf en verbanningsstraf het zwaartepunt van de lijfstraffen in de laatste jaren van de Franse Tijd valt.

Veelvoorkomende criminaliteit: boetestraf, kortdurende vrijheidsstraf en ontheffing uit functie
Nadat de zware criminaliteit kwantitatief voldoende in beeld is gebracht, zal de veelvoorkomende criminaliteit op dezelfde manier onderzocht worden. Naast de reeds behandelde hoofdstraffen betreffende de zware criminaliteit, beschikte de rechterlijke macht over nog meer strafmaatregelen in het geval iemand zich kwam te misgaan. Allereerst werd veel lichte criminaliteit afgedaan met een boetestraf die uiteraard in hoogte varieerde al naar gelang de zwaarte van de misdaad. Nogal eens kwamen deze boeten ten goede aan de stadsarmen. Een andere veelvoorkomende straf was de kortstondige opsluiting onder het raadhuis. De betroffen personen werden dan variërend van twee tot veertien dagen op water en brood gezet. In het geval van stedelijke officianten, kortweg de ambtenaren, kwam het ook regelmatig voor dat zij gestraft werden door een tijdelijke dan wel permanente ontheffing uit functie, wat uiteraard een verlies van inkomsten met zich meebracht. Hiermee is wel zo ongeveer het spectrum aan straffen betreffende de veelvoorkomende criminaliteit in kaart gebracht.

Boetestraf
Bij de bestudering van het aantal opgelegde boetes, doet zich al gelijk een forse discrepantie voor wanneer we het aantal boetes van 1785 – 1794 afzetten tegen het aantal van de Franse Tijd. Over de periode 1785 – 1810 gewagen de bronnen van een totaal van 31 boetes. Na 1795 werden nog maar zes personen tot een boetestraf veroordeeld met een totaal van 36 gulden, terwijl in de eerste tien jaar van onze onderzoeksperiode maar liefst vijfentwintig personen met deze strafmaatregel geconfronteerd werden, goed voor een totaal van 272 gulden. In grafiekvorm ziet dat er uit zoals hieronder is te zien.

voor nadere gegevens en bronvermelding grafiek 5 zie bijlage 4

|pag. 34|

De grafiek spreekt een overduidelijke taal. In verreweg de meeste jaren van de Franse Tijd werd geen enkele persoon tot een boete veroordeeld. En in de jaren dat het wel gebeurde, bleef dat beperkt tot maximaal één persoon. In het jaar 1791 werden net zoveel mensen met een boetestraf geconfronteerd als in heel de periode van de Franse Tijd. Als we de boeteopbrengsten voor en in de Franse Tijd naar een jaargemiddelde berekenen, blijkt het jaargemiddelde van voor de Franse Tijd 27,2 gulden te zijn en het jaargemiddelde van in de Franse Tijd 2,25 gulden. Daar zit meer dan een factor tien tussen. Het verschil is iets minder groot als we kijken naar het gemiddelde aantal boetes per jaar, voor en in genoemde periode. Dan gaat het om respectievelijk 2,5 en 0,375 boetes per jaar. Resumerend, in de Franse Tijd zijn bij lange na niet zoveel boetes opgelegd als in de tienjarige periode ervoor.

Kortdurende vrijheidsstraf
Veelvoorkomende criminaliteit werd zoals gezegd ook heel regelmatig gestraft met een vrijheidsstraf van enkele dagen. In de periode van ons onderzoek berichten de sententiën en de reisepensiën zesenvijftig keer van een vrijheidsstraf. Zes personen van de zesenvijftig werden veroordeeld tot een celstraf van veertien dagen. De rest zat tien dagen of minder. Het meest voorkomend was een opsluiting van acht dagen op water en brood. Enkelen zaten slechts twee dagen gevangen. Zoals hiervoor al ettelijke malen is gebeurd, zijn ook dit keer het aantal kortdurende vrijheidsstraffen weergegeven in een grafiek.

voor nadere gegevens en bronvermelding grafiek 6 zie bijlage 5

Een vluchtige blik leert al snel dat de piekjaren in de Franse Tijd vallen. In 1806 werden maar liefst zeven personen onder het Raadhuis gedetineerd, terwijl dat lot in 1809 een zestal personen trof. De veelbeproefde rekensom geeft aan dat de Franse Tijd in totaliteit eveneens een hoger aantal gevangenisstraffen laat zien. Van 1785 tot 1794 werden veertien gevangenisstraffen uitgesproken, wat neerkomt op een gemiddelde van 1,4 per jaar. Van 1795 tot 1810 bedroeg het aantal kortdurende gevangenisstraffen maar liefst eenënveertig, wat een gemiddelde geeft van 2,5625 per jaar. Bij de vrijheidsstraffen is dus kennelijk sprake van een behoorlijke toename gedurende de Franse bezetting. Wanneer we dit vergelijken met het aantal boetes over dezelfde periode gemeten, is het verrassend en interessant om te zien dat beide

|pag. 35|

straffen een precies tegenovergestelde ontwikkeling laten zien. Werd de boetestraf minder gangbaar en won de vrijheidsstraf aan populariteit? Of was de aard van de misdaad ernaar dat een vrijheidsstraf vaker op zijn plaats leek? Een goede verklaring voor dit fenomeen valt echter buiten het bestek van dit onderzoek.

Aansluitend en aanvullend op bovenstaande gegevens heb ik ook gekeken naar het totale aantal personen dat gevangen heeft gezeten zonder daarbij op de reden van detentie te letten. Daarvoor heb ik de bronnen van de ‘scherprechter en gevangeniskosten’ laten spreken. Jaarlijks werd daarin verslag gedaan van alle onkosten die ten bate van de gevangenen gemaakt werden. Tot 1806 valt redelijk goed af te leiden hoeveel gevangenen er in een bepaald jaar moesten brommen, aangezien er duidelijk gespecificeerd werd, veelal zelfs op naam van de gevangene.
Helaas gebeurde dat na 1806 niet meer, waardoor het onmogelijk werd om van de jaren 1807-1810 een goede schatting te kunnen maken. Gezien het totaalbedrag wat in die jaren voor ‘scherprechter en onkosten gevangenen’ uitgegeven werd, lijkt de veronderstelling gerechtvaardigd dat er in die jaren hoogstwaarschijnlijk geen sprake was van afname, maar mogelijk eerder van toename. Zoals gezegd, is echter tot 1806 het totale aantal gevangenen vrij nauwkeurig na te trekken (zie grafiek).

voor nadere gegevens en bronvermelding grafiek 7 zie bijlage 6

Bij nadere bestudering blijkt dat aantal nogal verschillend te zijn van het officieel gedocumenteerd aantal veroordelingen. Ten dele kan dit verklaard worden door het feit dat tot verbanning en tot tuchthuis veroordeelde personen tot het uitlezen van hun sententie eveneens onder het raadhuis in bewaring werden gehouden. Maar ook al rekenen we die personen mee, dan nog blijft het verschil groot. Kennelijk werden er dus personen vastgehouden, soms zelfs voor langere tijd, zonder dat daar iets aan juridische documentatie van terug te vinden is. Gaat het hier dan alleen maar om verdachte personen, zonder dat er een veroordeling op volgde? Of is de discrepantie grotendeels te wijten aan een slordige verslaglegging van het juridisch reilen en zeilen? Wij kunnen in ieder geval op dit moment niet veel meer doen dan het als gegeven accepteren. Wel wordt duidelijk dat het aantal gedetineerden, met of zonder feitelijke veroordeling, na 1795 fors hoger lag dan ervoor. Voor 1795 gemiddeld 4,8 per jaar, erna gemiddeld 11,7 per jaar.

|pag. 36|

Ontheffing uit functie
Om een totaalbeeld van de uitgesproken vonnissen te krijgen, is het tenslotte goed om dit deel af te sluiten met het in kaart brengen van het aantal ambtenaren, dat als straf tijdelijk of permanent uit haar functie werd ontheven. In de meeste gevallen gebeurde dit, wanneer een ambtenaar zich herhaaldelijk publiekelijk te buiten ging aan drank of andersoortig sociaal wangedrag. Stadsomroeper Jan Boterenbrood is in dit verband illustratief. Op 17 februari 1806 werd hij voor een half jaar uit zijn functie ontheven, omdat hij zich dagelijks in de drank te buiten ging en daarbij op straat wanorde had veroorzaakt. Kennelijk wist hij zijn leven niet te beteren, want in 1808 kwam hij weer in opspraak om zijn drankzucht. Volgens de bronnen was hij zover over zijn drank, dat hij niet in staat bleek te zijn om zijn functie tijdens een publieke verkoop naar behoren te vervullen. Hierop volgde een permanente ontheffing uit functie 84 [84. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 17 febr. 1806 en 11 jan. 1808]. Jan Boterenbrood was echter niet enig in zijn soort, want in de jaren 1785-1810 kwam het nog twaalf keer voor. Het meest werd deze straf toegepast in de periode 1800 tot 1808. Daarbuiten kwam het alleen maar voor in de jaren 1785, 1790 en 1795, waarbij valt op te merken, dat het geval van 1785 in feite slechts een voorwaardelijke straf inhield. Roedendrager Jan ter Meer werd in dat jaar alleen ernstig vermaand om zich in het vervolg beter te gedragen, wilde hij zijn functie in de toekomst tenminste uit blijven uitoefenen 85 [85. idem, 28 febr. 1785]. In wiskundige notatie geldt, dat voor 1795 de straf 0,2 keer per jaar werd opgelegd, na 1795 maar liefst 0,75 keer per jaar.
Een gemiddelde van bijna vier keer zo hoog dus.

voor nadere gegevens en bronvermelding grafiek 8 zie bijlage 7

Toename of afname van de maatschappelijke onrust?
Aan het eind van deze paragraaf zullen we de balans opmaken en nagaan of er kwantitatief inderdaad iets te zeggen valt over een toe- dan wel afname van de maatschappelijke onrust vanaf de binnenkomst der Franse troepen in ons land.
Daarvoor zetten we de gegevens van deze paragraaf beknopt onder elkaar:

  1. De onkosten gemaakt voor scherprechter en gevangenen stegen in de jaren na 1795 erg fors. Vooral in vergelijking met de jaren voor 1795 lieten de jaren 1806 t/m 1810 exorbitant hoge bedragen zien. De twintig jaar voorafgaand aan de Franse Tijd werd er relatief weinig uitgegeven aan scherprechter en gevangenen. Alleen het jaar 1789 was daarop een uitzondering.

  2. |pag. 37|

  3. In de Franse Tijd lag het gemiddeld aantal tuchtelingen per jaar ruim vier keer zo hoog als in de tienjarige periode voor 1795. Het aantal tuchtelingen was sterk geconcentreerd rond de beginjaren en eindjaren van de Franse Tijd.
  4. Van 1785 tot 1794 werd de verbanningsstraf gemiddeld iets vaker opgelegd dan in de jaren 1795-1810. Met name in de laatste jaren van de Franse Tijd werden diverse personen geconfronteerd met de verbanningsstraf.
  5. De doodstraf kwam in Kampen rond 1800 geen enkele keer voor. Wel werd af en toe gebruik gemaakt van de lijfstraf. In de Franse Tijd lag het aantal lijfstraffen gemiddeld twee keer zo hoog dan in de tien jaar voor 1795.
    Verreweg het vaakst werd het toegepast in de laatste jaren van de Franse Tijd.
  6. Voor 1795 werden veel wegens criminaliteit veroordeelde Kampers gestraft middels een te betalen boete. Na 1795 werd de boetestraf nauwelijks nog opgelegd.
  7. De kortdurende vrijheidsstraf kwam in de Franse Tijd ongeveer twee keer zo vaak voor dan ervoor. Als het totaal aantal gedetineerden in ogenschouw wordt genomen, lopen de verschillen nog duidelijker in het oog. Opnieuw tekent zich aan het eind van de Franse Tijd een stijging af.
  8. Van 1785 tot 1794 werden slechts twee personen uit hun ambtelijke functie ontslagen. In de Franse Tijd lag dat gemiddelde bijna vier keer zo hoog.

Resumerend, op grond van de gegevens a, b, d, f en g lijkt de conclusie, dat er te Kampen in de Franse Tijd wel degelijk sprake is geweest van toenemende maatschappelijke onrust, onvermijdelijk. In het bijzonder de jaren 1806 tot 1810 schijnen er wat dat betreft uit te springen. Het ligt voor de hand dat de jaren 1811 tot 1813 dezelfde of een nog sterkere ontwikkeling hebben laten zien. Dit mede uit oogpunten van de algemene economische situatie in de allerlaatste jaren van Napoleons bewind. De gegevens van c en e zijn echter niet in overeenstemming met deze conclusie. Toch zijn daar wel mogelijke verklaringen voor te vinden. Het kan zijn, dat men al tijdens de Franse Tijd oog kreeg voor het falende systeem van verbanningsstraf en het uit dien hoofde minder oplegde, maar voor alternatieven koos. Zeker is, dat men aan het eind van de Franse Tijd uit pure noodzaak overging tot het opleggen van de verbanningsstraf, omdat de tuchthuizen dermate vol zaten dat een tuchthuisstraf eigenlijk geen optie was.

Dat er na 1795 nauwelijks geldboetestraf werd opgelegd, zou verklaard kunnen worden met het stijgende aantal gedetineerden die onder het raadhuis gevangen werden gezet. Ook zou het kunnen zijn, dat de gestraften het geld eenvoudigweg niet op konden brengen door de belabberd slechte economische omstandigheden.

|pag. 38|

3.2 Uitingsvormen van maatschappelijke onrust
In de vorige paragraaf is geprobeerd om zicht te krijgen op een mogelijke ontwikkeling in de maatschappelijke onrust te Kampen. Geprobeerd is om vooral de kwantiteit van de maatschappelijke onrust te onderzoeken, zonder daarbij te letten op de aard van de criminaliteit. Willen we echter iets meer kunnen zeggen over het wáárom van een toe- of afname in de maatschappelijke onrust, is het onontkoombaar om daar eveneens naar te kijken. We moeten toch immers weten waarin die maatschappelijke onrust bestond. Ging het in een bepaald jaar vooral om politiekgerelateerde criminaliteit als protest op een bestaande politieke werkelijkheid of hield de criminaliteit in bepaalde periode meer verband met de sociaal-economische realiteit? Als we daar iets zinnigs over willen zeggen, is het allereerst nodig om de criminaliteit te rubriceren. Na bestudering van de beschikbare rechterlijke documenten liggen de volgende ‘rubrieken’ of categorieën voor de hand: politieke agitatie, burgertwisten, overlast door militairen, vermogensdelicten, sociale misstanden en drankoverlast, overlast door vreemdelingen.

Categorie één: politieke agitatie
Bij politieke agitatie moet in deze beschrijving verstaan worden, dat enkelingen of groeperingen de politieke realiteit van het moment als onbevredigend ervoeren, waaraan dan uiting werd gegeven door wetovertredend gedrag. In sommige gevallen is het zonneklaar dat het criminele gedrag als zodanig bedoeld werd, maar in andere gevallen blijkt dàt niet altijd even duidelijk uit de stukken. In die gevallen zullen we toch proberen zoveel mogelijk de motieven te peilen, al zal dat niet altijd even gemakkelijk blijken te zijn. Vooraf dient nog opgemerkt te worden, dat in de periode 1785-1810 diverse machtswisselingen de revue gepasseerd zijn, zodat we uiteraard wel in het achterhoofd moeten houden wie of welke groepering op welk moment op het pluche zat. De relatie tussen die twee zal echter onder paragraaf 3.3 aan bod komen.

Politieke agitatie voor de Franse Tijd (1785-1794)
In 1786 doet zich het eerste geval voor van politieke agitatie. Concreet ging het om een woordenwisseling tussen een ‘oranje boven’ roepende vreemdeling en een Kamper burger die bijna op een handgemeen uitliep 86 [86. G.A.K., R.A., inv. nr. 254, “Informatiën”, 25 juli 1786]. Het jaar erop bleek het echter veel roeriger. In 1787 deden zich meer dan tien gevallen voor van het inslaan van glazen, onder andere bij bode Stuurbrink en bij de Franse predikant. Waarschijnlijk ging het in alle gevallen om oranjegezinde daders geholpen door ruiters die de opponenten op deze manier wilden duperen. Feit is dat enkele keren tijdens het inslaan van de glazen ‘oranje boven’ geroepen werd 87 [87. G.A.K., R.A., inv. nr. 255, “Informatiën”, 27 febr., 20 aug. en 1 nov. 1787 (zie ook O.A., inv. nr. 655, “Stedelijke rekeningen”, 1787)]. De overheid waagde er een publicatie aan, waarin men enkele kwaadwillige burgers en ingezetenen verweet de voorbeeldige rust te willen verstoren ‘met het inslaan van Glaasen, besmeeren van de huisen met drek, het molesteeren van persoonen, die zij vermeenen met haare denkbeelden te verschillen’88 [88. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 21 febr. 1787]. In augustus datzelfde jaar was er ook een bijeenkomst van

|pag. 39|

oranjeklanten ten huize van zekere Jan Dekker 89 [89. G.A.K., R.A., inv. nr. 255, “Informatiën”, 20 aug. 1787]. Verder kwam het volgens de stukken minstens drie keer tot een handgemeen tussen één of meer patriotten en één of meerdere prinsgezinden 90 [90. idem, 6 maart en 31 okt. 1787 + inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 20 jan. 1787]. De heren Lucas Mengeling en schoolmeester Dolfs van ’t eiland wisten de magistraat helemaal tegen zich in het harnas te jagen. Beiden hadden zogenaamd oproerig gesproken en daarbij denigrerende opmerkingen gemaakt over de al te patriotsgezinde en corrupte magistraatsleden Rambonnet en Strockel. Tal van getuigen werden over deze zaak gehoord. Getuige Lucas van Eik beweerde, dat Mengeling in een woordenstrijd met zekere Van der Wouden gezegd had: ‘Waar blijft gij nu met het touw om alle de Prinsen Colanten optehangen – nu is ’t mijn tijd, ik zal die Scherpschutters wel vinden, wij zijn lang genoeg in de verdrukking geweest.’91 [91. idem, 17 okt. 1787]
Later zou Mengeling opnieuw van zich laten horen, totdat hij vanaf 1789 voor tien jaar ondergebracht werd in het tuchthuis te Zwolle. In 1788 zette zich de politieke onrust kennelijk voort, want in dat jaar werden bij minstens vier burgers de glazen ingegooid 92 [92. G.A.K., O.A., inv. nr. 656, “Stedelijke rekeningen”, 1788]. Daarnaast waren er toen opnieuw worstelpartijtjes en afranselingen tussen beide partijen. Zo werd de Kamper Gerrit Wichers door Grafhorster patriotse boeren afgetuigd, omdat hij gezegd zou hebben dat alle patriotten aan één been opgehangen zouden moeten worden. Herbergier De Haan maakte het zo mogelijk nog bonter door een groep naar Hoorn reizende soldaten te adviseren de vurig patriotse schipper Schouwenburg met zijn knecht tijdens de reis overboord te kieperen 93 [93. G.A.K., R.A., inv. nr. 256, “Informatiën”, 29 jan., 5 mei en 23 juni 1788].

Het jaar 1789 liet twee gevallen zien die te maken hadden met de politieke verhoudingen van die tijd. Na een pittige woordenstrijd kwam het die zondag tot een uitbarsting tussen Deventer schippers en een naar Kampen uitgeweken Deventenaar, Willem Schouten. De Deventer vluchteling werd beticht van betrokkenheid bij een schietincident die aan een prinsgezinde het leven had gekost.
De patriotse Deventenaar werd in deze zaak terzijde gestaan door enkele Kampers.
Naast dit geval wordt nog melding gemaakt van een zekere niet uit Kampen afkomstige heer Meiboom, die de sergeant van de hoofdwacht had uitgevloekt en de hele boel had uitgemaakt voor ’s lands opvreters 94 [94. G.A.K., R.A., inv. nr. 257, “Informatiën”, 8 maart en 30 okt. 1789 (zie ook inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 11 maart 1789]. Van 1790 valt alleen te melden dat H. ter Haar zichzelf te buiten ging door de smid Hoefhamer met een hamer te verwonden. In de eerste nacht van zijn detentie pleegde hij echter zelfmoord. Toen hij de avond daarop rond het uitzonderlijke tijdstip van elf uur – naar analogie van een soortgelijk geval van veertig jaar daarvoor – op het buitenkerkhof begraven werd, ontstond er onrust veroorzaakt door militairen 95 [95. G.A.K., O.A., inv. nr. 658, “Stedelijke rekeningen”, 1790]. Grote kans dat deze zaak een politieke lading had.

Volgens de gerechtelijke informatie was 1791 opnieuw toonbeeld van politieke onrust. Vier Kamper burgers kregen amok en twee ervan gingen elkaar te lijf, waarvan één de bedoeling had de tegenstander middels een mes te verwonden.
Daarnaast richtte de agressie van twee afzonderlijke Kampers zich tegen politiek betrokken personen 96 [96. G.A.K., R.A., inv. nr. 259, “Informatiën”, 1 febr., 26 juli en 6 dec. 1791]. Verder kreeg de persoon van Jan Glazer een proces aangespannen wegens het zingen van anti-orangistische liedjes en het plegen van molest aan een huis. Eenzelfde geval van molest deed zich voor aan het huis van zekere Gosen Beks 97 [97. idem, 18 febr. 1791 + O.A., inv. nr. 659, “Stedelijke rekeningen”, 1791].

|pag. 40|

Kennelijk was 1792 erg rustig, want pas een jaar later melden de bronnen weer over politieke onrust. In januari werd op de plantage een papier voorgelezen door advocaat L.C.H. Strubberg. Dit papier behelsde een waarschuwing aan het volk van Nederland. Gezien de politieke kleur van de advocaat, zal het document de patriotse geest geademd hebben. Veel aandacht kreeg een biddagpreek van ds. De Goede in datzelfde jaar. Meerdere prinsgezinde Kampers en soldaten beschuldigden de vrijzinnige Lutherse dominee van sympathiserende opmerkingen over het Franse en denigrerende opmerkingen over het Nederlandse leger. Ook zou hij de dubieuze woorden ‘de Franschen welken onse overheid onse vijanden noemt’ gebezigd hebben, waarmee hij indirect zijn Franse gezindheid openbaarde. Ds. De Goede ontkende de gewraakte uitdrukkingen gedaan te hebben op de manier zoals zijn beschuldigers dat voorstelden. De predikant werd hierin gesteund door enkele anderen, waaronder zijn eigen kerkenraadslid L.C.H. Strubberg 98 [98. G.A.K., R.A., inv. nr. 261, “Informatiën”, 4 maart en 1 juni 1793]. Wat de predikant werkelijk gezegd heeft, blijft gissen. Wel hebbends. De Goede en Strubberg de schijn tegen. Nog geen twee jaar later blijken beide personen lid te zijn van het comité Revolutionair, dat de politieke omwenteling in Kampen moest stroomlijnen. In 1793 kwam het ook nog twee keer tot een publieke scheldpartij. In beide gevallen werden soldaten uitgescholden voor ’s lands opvreeters’ en in het ene geval werd ook de persoon van de prins door het slijk gehaald. Nog een graadje erger was de aanranding van de meid van de grootmajoor door Nicolaas van de Berg 99 [99. idem, 9 okt. en 10 okt 1793 + inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 28 dec. 1793].

Het laatste jaar voor de komst van de Fransen was evenmin echt rustig als het gaat om politieke agitatie. De Kamper G. van Oosten kreeg het binnen drie maand voor de tweede keer aan de stok met een militair. Op 31 januari verwondde hij de schildwacht 100 [100. G.A.K., O.A., inv. nr. 662, “Stedelijke rekeningen”, 1794]. De heer H.J. Biebeek en enkele van zijn bekenden waren zo mogelijk nog revolutionairder. Biebeek had namelijk opruiende woorden gesproken, waardoor inderdaad enige opschudding ontstaan was, hoewel dit verder geen grote gevolgen had. Kennelijk had een korte vrijheidsstraf weinig vrucht afgeworpen, want een enkele maand later bleek hij weer van de partij. Samen met Van de Berg kreeg hij bonje met officier Bom, waarop laatstgenoemde Van de Berg een steen voor het hoofd gooide. Weer een maand later zochten Biebeek en Van de Berg opnieuw ruzie met een groep soldaten. En als klap op de vuurpijl presteerde onder andere een jongen van Biebeek het om de militaire tamboer tijdens het slaan van de taptoe te molesteren 101 [101. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 8 juli 1794 + inv. nr. 262, “Informatiën”, 19 sept. en 17 okt. 1794]. Enkele jaren later, in 1796, kwam de politieke betrokkenheid van Biebeek nog eens aan het licht, toen hij ondertekenaar bleek van een door J.C. Evers opgesteld protest tegen de toenmalige magistraatsleden. Naast genoemde personen kwam een zekere heer A. Douw in de kijker wegens het doen van bepaalde uitdrukkingen bij het straffen van zeker militair 102 [102. G.A.K., R.A., inv. nr. 262, “Informatiën”, 9 okt. 1794]. Tot zover de politieke agitatie in de periode voorafgaand aan de Franse bezetting.

Politieke agitatie in de Franse Tijd (1795-1810)
Gezien wat er zich voor 1795 allemaal had voorgedaan, zou het wel heel verwonderlijk geweest zijn, wanneer na 1795 de Kamper samenleving gekenmerkt was door politieke rust. Dat de realiteit inderdaad anders was, bewijst wel de publicatie van maart die de magistraat nodig achtte om de gemoederen tot bedaren te brengen. De stadsregering deelde met leedwezen mee, dat enkele burgers

|pag. 41|

hardnekkig doorgingen met het roepen van ‘oranje boven’. Dit alles tot grote ergernis van de Franse soldaten. Iedere Kamper werd gedreigd zich hier van te onthouden op straffe van aan den lijve gecorrigeerd te worden 103 [103. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 3 maart 1795]. De publicatie bleek echter geen afdoend effect te hebben. Soldaat W. Donders, burger H. van Rhijn en vrouw en dochter van artillerist Kars lieten zich er niet door afschrikken.
Eerstgenoemde bezigde niet alleen de gewraakte uitroep, maar werkte bovendien in een handgemeen een patriot tegen de grond 104 [104. G.A.K., R.A., inv. nr. 263, “Informatiën”, 7 maart 1795]. Van Rhijn had zich volgens de magistraat in stomdronken toestand schuldig gemaakt aan het doen van uitdrukkingen die de goede rust en eendracht in de stad zouden kunnen bedreigen 105 [105. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 5 maart 1795]. De beide dames hadden op hun beurt Frankrijk voor een dievennatie uitgemaakt, waarbij dochterlief nog verder ging door te adviseren: ‘dat men dezelven de kop moest afslaan en verzuipen’106 [106. G.A.K., R.A., inv. nr. 263, “Informatiën”, 13 juni 1795]. Enkele dagen daarvoor had er ruzie plaatsgevonden tussen een groep burgers en constapels 107 [107. G.A.K., O.A., inv. nr. 663, “Stedelijke rekeningen”, 1795]. Daar constapels overheidsdienaars waren, een onderdeel van de ‘sterke arm’, kan de ruzie best ingegeven zijn door een stukje politieke onvrede. Het waren echter niet alleen de oranjegezinden die zich roerden. Heel interessant is de opschudding die de sinds vier jaar in Elburg woonachtige Fransman Carel du Tour veroorzaakte toen hij in de Broederkerk zijn luisteraars wilde oproepen tot een veel grotere revolutionaire gezindheid. Volgens eigen zeggen moest hij spreken, ook al zou het hem zijn ‘kop’ kosten. De Kampers werden nog veel te veel onderdrukt door een stelletje aristocraten, die middels vier wijkvergaderingen een verdeel-en-heers politiek beoefenden. De blinde Du Tour had er geen goed woord voor over: ‘dat alle’s volks voordelen verworpen wierden, en aan het zelve alleen stukken in de hand gedrukt wierden om dezelve te bedotten’. De Kampers konden er zeker van zijn, dat hij over drie weken vergezeld van Franse soldaten zou terugkomen om ook te Kampen een guillotine op te richten en orde op zaken te stellen 108 [108. G.A.K., R.A., inv. nr. 263, “Informatiën”, mei 1795]. Alvorens hij dat echter kon gaan doen, werd hij eerst eens een poosje opgesloten. Na dit alles meldden de reisepensiën voor 1795 nog een keer over het verspreiden van onrustige tijdingen. Waar die in bestonden, valt helaas niet op te maken 109 [109. G.A.K., O.A., inv. nr. 663, “Stedelijke rekeningen”, 1795]. Tenslotte waren er nog wat akkefietjes in de maand december van dat jaar toen bij De Monchy glazen werden ingeslagen en bij twee andere burgers ongeregeldheden aan huis plaatsvonden 110 [110. idem]. Vanwege het feit dat deze specifieke werkwijze voor 1795 bij de prinsgezinden erg populair bleek, bestaat er grote kans dat ze ook van deze ongeregeldheden aandrijvers waren.

In 1796 passeerde er ook het een en ander wat gerelateerd kan worden aan de politieke omstandigheden van die tijd. De uit Zutphen afkomstige soldaat W. Huygens ontsnapte op het nippertje aan de doodstraf. In de Nieuwstraat had hij onder andere gezongen: ‘Wij soldaatjes vrij van moed, wij strijden voor ’t Oranje bloed’.
Verder had hij de Bataafse vrijheid verdoemd en nog andere onbetamelijkheden gesproken 111 [111. G.A.K., R.A., inv. nr. 264, “Informatiën”, 18 mei 1796]. Van eenzelfde geest was de familie H. van Rhijn. Evenals het jaar ervoor werden ze opnieuw verdacht van het zingen van oproerige liedjes112 [112. G.A.K., O.A., inv. nr. 664, “Stedelijke rekeningen”, 1796].
Ongetwijfeld waren dat oranjegezinde versjes. In augustus dat jaar waaide de wind uit een andere hoek. Er ging toen een rekwest rond, waarin allerlei aantijgingen stonden tegen de municipaliteitsleden van dat moment. Waarschijnlijk was het de bedoeling dat het door zoveel mogelijk Kampers ondertekend werd. Volgens de stukken werd alleen H.J. Biebeek als ondertekenaar vervolgd 113 [113. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 1 aug. 1796]. In september waren

|pag. 42|

de gebeurtenissen ernstiger. Niet alleen viel er iets voor met municipaliteitslid F.W. Stennekes 114 [114. G.A.K., O.A., inv. nr. 664, “Stedelijke rekeningen”, 1796], veel erger was een heuse moordaanslag op zijn collega Marts Kok. Met een kennelijk zelfgefabriceerde bom probeerde Severijn Stoop voornoemde persoon uit de weg te ruimen. Hoewel de bom weigerde te exploderen, was het voor de municipaliteit toch voldoende reden om S. Stoop voor twee jaar op te sluiten in het Zwolse tuchthuis 115 [115. G.A.K., R.A., inv. nr. 264, “Informatiën”, 10 sept. 1796 (zie ook O.A., inv. nr. 664, “Stedelijke rekeningen”, 1796)].

De publicatie van 21 januari 1797 verraadde al ogenblikkelijk, dat de rust begin 1797 niet was teruggekeerd. Het voor het publiek bedoelde document sprak van kwaadwillende personen, die de Kamper bevolking probeerden op te ruien en aan te zetten tot het ondertekenen van verzoeken en adressen, die gericht waren tegen het toenmalige stadsbestuur. Dit zou zelfs gebeuren tegen betaling van geld, waardoor volgens de municipaliteit de vrijheid geschaad en vele burgers verleid werden 116 [116. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 21 jan. 1797]. De publicatie van vijf dagen later zou best enig verband met het voorgaande kunnen houden. Hierin werd herbergiers en tappers opgedragen om exact tien uur te sluiten, omdat de avonden en nachten ervoor gekenmerkt werden door enige ongeregeldheden 117 [117. idem, 26 jan. 1797]. Of de verhoren inzake het voorgevallene bij H. Vos en inzake een circulerende tekening eveneens te maken hadden met de politieke onrust, blijft onzeker, maar behoort gezien de tijdsomstandigheden wel tot de mogelijkheden 118 [118. G.A.K., O.A., inv. nr. 664, “Stedelijke rekeningen”, 1797].
Voor de derde keer dat jaar werd er in maart een publicatie gedaan, waarin gerefereerd werd aan ongewenste opruiende activiteiten 119 [119. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 30 maart 1797]. Desondanks werd op 21 april toch een ruit ingegooid bij zeker burger met als doel om opnieuw de orde te verstoren 120 [120. idem, 21 april 1797]. Dat er inderdaad veel ongeregeldheden geweest zijn in de jaren ‘96 en ’97 blijkt wel uit de publieke amnestie die door de nieuwe stadsregering afgekondigd werd betreffende alle onrustmakers en veroorzakers van ongeregeldheden onder de vorige regering121 [121. idem, 29 juli 1797]. Dat deze amnestie niet iedereen betrof, moge duidelijk zijn uit het verplichte excuus wat M. van Bommel moest doen tegenover de persoon van J.C. Evers. Van Bommel had Evers namelijk vergaand beledigd en geschaad met valse aantijgingen, die vermoedelijk betrekking hadden op diens politieke gezindheid 122 [122. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 30 aug. 1797].
Immers, het was deze J.C. Evers die in augustus het vorige jaar een rekwest tegen de overheid had laten circuleren. De regeringswisseling ten spijt ging de politieke onrust gewoon door. Eind 1797 werd de vrijheidsboom minimaal één keer doelwit van agressie. Met leedwezen meldde het stadsbestuur van het omver halen van de vrijheidsboom. Bovendien was er een pakketje aan vastgemaakt. Een maand later werd Jan Smit ondervraagd over het schenden van de vrijheidsboom. Of het hier om één geval ging, of dat de vrijheidsboom tot twee keer toe werd geschonden, blijkt uit de stukken niet. Gegeven het feit dat er een maand tussen zat, behoort het tot de mogelijkheden dat het om twee verschillende gevallen ging. Het hoeft geen betoog, dat deze vorm van criminaliteit een politieke achtergrond zal hebben gehad.
Kennelijk begon het molesteren van de vrijheidsboom mode te worden, want begin 1798 was het opnieuw raak. De dader, die de boom met teer en vuil besmeurd had, werd gedreigd om aan den lijve gecorrigeerd te worden 123 [123. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 15 jan. 1798]. Of ze hem gekregen hebben, blijkt uit de stukken niet. Een enkele maand later achtte de rechterlijke macht het nodig om verhoren af te nemen ten aanzien van oproerige woorden, die H. Mol gesproken zou hebben 124 [124. G.A.K., O.A., inv. nr. 665, “Stedelijke rekeningen”, 1798]. Veel meer impact schijnen de oproerige bewegingen gehad te hebben die naar aanleiding van de sententie tegen de 28-jarige Kamper A. Boers

|pag. 43|

ontstonden. Een grote groep burgers had zondagavond 17 juni op de Plantage geweld gebruikt tegen de burgercommandant als ook tegen enkele andere aanwezige officieren. Men zou niet nagelaten hebben ‘de verregaandste insultes en Dreigementen te doen’. De municipaliteit zei deze ordeverstoring in de kiem te moeten smoren ter bescherming van de ‘openbaren rust en goede orde welke in dese Stad anders zoo voorbeeldig en gelukkig plaats heeft’. Wat er concreet was voorgevallen wordt verhaald door de processen-verbaal. Boers was volgens eigen zeggen door een luitenant geronseld voor militaire dienst onder valse voorwendsels. Toen hij daar achter kwam, weigerde hij zijn dienst te vervullen. Hierop werd hij kennelijk gearresteerd.
Op de bewuste zondagavond werd hij van de Hagenpoort naar de Plantage gebracht om zijn sententie aan te horen. Onderweg werd hij zowel geëscorteerd door militairen als door een groep burgers die hem voortdurend toeriepen om vol te houden en zo mogelijk de benen te nemen. Op de plantage gekomen weigerde Boers tot twee keer toe zijn hoed af te nemen, waarop die na een worstelpartijtje met geweld werd afgenomen. Ondertussen deed de menigte niet anders dan Boers zoveel mogelijk op te jutten. Toen men uiteindelijk overging tot het voorlezen van de beginwoorden van de sententie ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’, barstte Boers uit: ‘het is gelogen, het is geen Vrijheid!’ Onverrichter zake gingen de soldaten met Boers terug naar de Hagenpoort, waarbij opnieuw tumult ontstond ter hoogte van de Oudestraat. Nadat Boers zijn gevangenisstraf had uitgezeten was de zaak afgelopen 125 [125. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 19 juni 1798 (zie ook R.A., inv. nr. 266, “Informatiën”, juni 1798)]. Hoe gespannen de sfeer was en hoe krampachtig men escalatie probeerde te voorkomen, bleek des te meer uit het koortsachtig navraag doen van alles wat zekere burger Lippes begin juli over de tijdsomstandigheden in Amsterdam gezegd had 126 [126. G.A.K., R.A., inv. nr. 266, “Informatiën”, 7 juli 1798].

Het jaar 1799 verliep zonder veel incidenten. Het enige mogelijke opstootje van het volk deed zich voor in oktober dat jaar. Schildwacht Benevenuti had namelijk order gekregen om het opdringerige volk op veilige afstand te houden. In het kader van deze opdracht zou hij enkele stoten hebben uitgedeeld, waarvoor twee Kampers naderhand verhaal kwamen halen. Vermoedelijk gewapend met slachtgereedschap daagden ze de schildwacht uit tot een gevecht, wat uiteindelijk uitliep op molestatie van de schildwacht 127 [127. G.A.K., R.A., inv. nr. 267, “Informatiën”, 26 okt. 1799]. De eerstvolgende jaren kenden evenmin veel geruchtmakende zaken op politiek terrein. De meest in het oogspringende was dan nog wel de zaak tegen H. Mengel. Deze persoon zou twee soldaten geadviseerd hebben tot en geholpen hebben bij een deserteerplan. Toen ze daarvoor herhaaldelijk bij Mengel kwamen, zou diens vrouw gezegd hebben: ‘dat haar man er al wel 20 geholpen had.’ Mengel zou hierop zijn vrouw geboden hebben te zwijgen. Uiteindelijk wilden ze van Mengel advies over de meest geschikte poort om via Amsterdam te deserteren naar de ‘Keiserlijke’, lees: Napoleons leger. Bij de uitvoering van het deserteerplan liep alles echter mis en werden beide soldaten inclusief Mengel gearresteerd. In hun verdedigingspleidooien deden de soldaten voorkomen dat ze met dit alles Mengel in de val wilden laten lopen wegens zijn ontwrichtende praktijken. Dit leek ook inderdaad de waarheid, omdat een officier getuigde van het deserteerplan te weten.
Toch blijft het alles vaag, omdat de stukken af en toe in tegenspraak schijnen te zijn 128 [128. G.A.K., R.A., inv. nr. 268, “Informatiën”, 3 juni 1800]. Verder was er in 1800 nog een handgemeen tussen de burger Van Wijhe en advocaat Stennekes, omdat Van Wijhe hoogstwaarschijnlijk door de advocaat werd

|pag. 44|

berispt over het betreden van zijn bolwerk. Als lid van het stadsbestuur had Stennekes namelijk beschikking over één of meerdere percelen op de bolwerken. De berisping liep uit op een worstelpartij, waarbij Stennekes weldra al bloedende onderlag. Van Wijhe zou passanten hebben uitgenodigd te kijken met het gezegde: ‘dan kunt gij de schurk of schelm goed zien’. Van Wijhe openbaarde zich in deze zaak als een Jacobijn die weinig respect scheen te tonen voor de privileges van de aristocraat Stennekes 129 [129. idem, 11 sept. 1800].

Het herhaaldelijk schenden van huis en goed van burger Frikke in 1801 zou eveneens een goed voorbeeld van politieke onrust geweest kunnen zijn 130 [130. G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 16 maart 1801]. Immers, het stadsbestuur achtte de zaak ernstig genoeg om hiervoor een publicatie op te stellen, wat doet vermoeden dat de heer Frikke meer was dan een doorsnee burger, omdat zulk soort publicaties naar aanleiding van een incident toch niet dik bezaaid zijn.
De beschikbare bronnen reppen pas in 1806 van een nieuw geval, dat hoogstwaarschijnlijk onder deze categorie gerangschikt moet worden. Jan Claassen, geen onbekende voor de Kamper rechters, had zich ondanks eerdere misdragingen opnieuw schuldig gemaakt aan opruiing, slaan en andere oproerige activiteiten. Hij was er niet voor teruggeschrokken om de commandant der klapwakers G. Willems in vergaande mate kwalijk te bejegenen 131 [131. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 15 juli 1806]. Het zou goed kunnen, dat de heer J. Jansen het jaar erop eveneens handelde uit politieke onvrede, toen hij de schildwacht Doele probeerde zijn wapen afhandig te maken. Doele had namelijk de taak om het volk op afstand te houden ter gelegenheid van het feit dat ‘de compagnien burgerwacht zich op de Nieuwe Markt onder de wapenen bevonden’132 [132. idem, 13 juli 1807]. Echter niet is uit te sluiten, dat andere motieven hem tot deze daad hadden bewogen.

Volgens het beschikbare bronmateriaal is met deze lange rij van ongeregeldheden het meeste gezegd over de voorvallen van politieke agitatie tussen 1785 en 1810.

Categorie twee: burgertwisten
Onder burgertwisten worden alle strubbelingen tussen twee of meerdere burgers verstaan, waarvan niet precies valt te achterhalen wat de reden ervan geweest is.
Hoewel er ook economische motieven meegespeeld kunnen hebben, is het niet ondenkbeeldig dat veel gevallen van twist, al dan niet gepaard gaande met geweld, hun oorzaak hebben gehad in verschil van mening en politieke inzichten. Een sterke concentratie van burgertwisten zou dan kunnen duiden op politieke onvrede.
Wanneer zich geen concentratie voordoet, zal het moeilijk blijken er conclusies aan te kunnen verbinden.

De reisepensiën van 1786 meldden een ruzie tussen S. Gerrits en dhr. Cross 133 [133. G.A.K., O.A., inv. nr. 654, “Stedelijke rekeningen”, 1786]. In januari 1790 plegen de twee Kamper mannen molest bij een burger 134 [134. G.A.K., R.A., inv. nr. 258, “Informatiën”, 25 jan. 1790]. Een jaar later wordt A. Stil tot een geldstraf veroordeeld vanwege het gooien van een pan op het hoofd van J. Koster. Een half jaar later raken twee groepen jongens slaags. Beide groepen waren zes man sterk 135 [135. G.A.K., R.A., inv. nr. 259, “Informatiën”, 8 juli en 21 juli 1791]. In 1792 krijgt D. van Marle een boete van twee gulden wegens het aanranden van A. Leusink op de publieke straat 136 [136. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 27 dec. 1792]. Twee maand ervoor was L. van der Weerd aanstichter van een ruzie. Nog geen jaar later viel

|pag. 45|

voornoemde persoon in dezelfde fout. De heren W. Evers en J. Evers werden eveneens in 1793 respectievelijk voor drie en twee gulden beboet wegens het slaan op de publieke straat 137 [137. G.A.K., O.A., inv. nr. 660 + 661, “Stedelijke rekeningen”, 1792 en 1793].

In augustus 1798 zijn het de heren T. Hofman, J. Meiboom en J. ten Hoven die zorgen voor tumult. De drie heren dringen een vergadering bij herbergier Groen binnen, waarop een handgemeen ontstaat tussen de binnendringers en de aanwezigen.
Schipper J. Meiboom had zekere Cordemont tegen de grond gewerkt en hem met zijn mes bedreigd. Toen klapwaker J. Uiterwijk hem eraf trok, raakte hij gewond door het mes van Meiboom. Kennelijk ging het nogal hard om hard. Gezien het feit dat T. Hofman in 1788 was afgetuigd door Waalse soldaten en dat hij ook betrokken was bij de affaire met de patriotse Deventenaar Schouten lijkt het erop dat hij samen met zijn zwager Meiboom, die in 1789 de sergeant van de hoofdwacht had uitgescholden voor ‘’s lands opvreeters’, behoorde tot de revolutionaire patriotten 138 [138. G.A.K., R.A., inv. nr. 266, “Informatiën”, 23 aug. 1798 (zie ook noot 92 en 140)].

Op een haar na zou er nog een dode gevallen zijn aan het einde van het jaar 1802.
Zekere J. van der Weil was zodanig buiten zinnen, dat hij indien hij gekund had J. Warnars zou hebben vermoord. Gelukkig weigerde het pistool af te gaan, wat Warnars het leven redde. Zelfs klapwakers waren niet veilig voor de woedende Van der Weil in gezelschap van P. van der Vegt. Dit alles ging gepaard met een grote volksoploop. Er zijn geen aanwijzingen dat het tumult te maken had met verschil in politieke inzichten 139 [139. G.A.K., R.A., inv. nr. 271, “Informatiën”, 1 jan. 1803]. Voormelde P. van de Vegt moest zich in dat jaar zelf ook verantwoorden voor wangedrag. Herhaalde keren had hij namelijk de vrouw van Zw. van der Vegt op de grond gegooid en toegetakeld. Een week eerder had E. Heysink de persoon van G. Wichers aangerand en bedreigd met een mes 140 [140. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 5 nov. en 11 nov. 1803]. Tenslotte was er in 1809 nog een geval dat onder deze categorie thuis hoort. Op 23 februari werden mevr. Zw. van der Werf en dhr. H. Alberts voor hun misdragingen gestraft.
Eerstgenoemde was begonnen met een woordenstrijd tegenover Wichertje Harms om haar daarna aan te fysiek aan te vallen. Toen J. Willems zijn vrouw wilde beschermen, sloeg H. Alberts hem op zijn hoofd met een ijzeren tang. Daarna is de razende Van der Werf de herberg ‘het Zandhok’ binnengegaan, waar ze de stomdronken A. Riekels tegen de grond werkte om hem vervolgens aan neus en mond te verwonden 141 [141. idem, 23 febr. 1809].

Categorie drie: overlast door militairen
Reeds eerder is opgemerkt dat Kampen een garnizoenstad was. Om deze reden waren er het hele jaar door militairen, die voor korte of lange tijd in Kampen gelegerd lagen. Hoewel de militaire bezetting van tijd tot tijd wisselde, kan gerust gesteld worden dat het een substantieel deel van de Kamper stadsbevolking uitmaakte. Dat het leger niet altijd werd bevolkt door het edelste deel der natie, behoeft hier geen betoog. We moeten er dan ook niet vreemd van opkijken, dat de aanwezigheid van grote groepen militairen nogal eens frictie gaf met de plaatselijke bevolking. In deze rubriek zullen we die frictie zijn beslag proberen te geven.
Gelijk in 1785 was het raak. Volgens de processen-verbaal was een ruzie tussen soldaten en burgers begonnen naar aanleiding van een woordentwist tussen sergeant

|pag. 46|

Wildenberg en burger Rierink. De ruzie mondde uit in een groot handgemeen, waarbij de soldaten zich bedienden van hun sabels. Colonel J.C. Kraft liet naar aanleiding hiervan een stevige order uitvaardigen die hieronder integraal staat weergegeven:
‘De Heer Collonel Commandant Laat nogmaals belasten dat de quartieren volgens ordre door de officieren en onderofficieren zullen gevisiteerd worden, die na taptoe op Straat of in de Herbergen gevonden worden, zullen rigoureus gestraft worden, als meede die in burger kleeren bij dag of des avonds gevonden worden zullen de kleeren verbeurt en meede streng gestraft worden, en word gerecommandeert om in Vriendschap met de Burgers te Leeven Zoo als het Battaillon in alle Garnisoenen den lof heeft gehad.
De officieren en onderofficieren die een Soldaat op straat zingende of gerucht maakende vinden zullen denselven direct na de hoofdwagt brengen, dit man voor man aan te zeggen,
Campen den 31 Januarij 1785
JC Kraft’
142 [142. G.A.K., R.A., inv. nr. 253, “Informatiën”, 25 jan. 1785]

Waarschijnlijk heeft deze order effect gehad, want de eerstvolgende ongeregeldheden met militairen deden zich twee jaar later voor. Niet alleen werd Reier Jochems na een woordenwisseling verwond door een Elburger ruiter, eveneens werd burger H. van Rhijn afgetuigd door een drietal soldaten. Bovendien probeerden de soldaten vergezeld van twee vrouwen Van Rhijn geld af te persen. Dat twee soldaten onderling met elkaar op de vuist gingen om wat eten, zal de Kamper bevolking daarentegen weinig overlast bezorgd hebben 143 [143. G.A.K., R.A., inv. nr. 255, “Informatiën”, 2 jan., 5 maart en 10 sept. 1787].

Het jaar erop was er weer het nodige aan de hand. In januari ontstond er tweemaal ruzie tussen ruiters en burgers, waarbij soldaten in één geval overgingen tot het houwen met de sabel. Evenals in 1785 was hierbij burger Rierink van de partij. Toen een groep ruiters bij herbergier Van Rhee hadden gezongen van ‘de prins boven’, reageerden de burgers hierop met: ‘Van Capellen boven’. Na wat geharrewar had Rierink gezegd: ‘als gij van de prins zingt dan mogen wij van de Capellen singen’. Bij het trekken van de pallas hadden de burgers de benen genomen 144 [144. G.A.K., O.A., inv. nr. 656, “Stedelijke rekeningen”, 1788 (zie ook R.A., inv. nr. 256, “Informatiën”, 3 jan. 1788)]. In augustus en september werden de heren Vogels en Hofman slachtoffer van militaire agressie, althans ‘slachtoffer’ volgens eigen interpretatie dan 145 [145. G.A.K. R.A., inv. nr. 256, “Informatiën”, 20 aug. en 12 sept. 1788]. Het jaar erop misdroegen drie ruiters zich door bij twee burgers de ramen in te slaan, alvorens hen geïntimideerd te hebben 146 [146. G.A.K. R.A., inv. nr. 257, “Informatiën”, 18 mei 1789].

Na een jaar zonder militair wangedrag was Piet Mulder in 1791 het volgende slachtoffer. Drie militairen zouden hem ernstig verwond hebben bij zekere Jan Tambour, waarschijnlijk een herbergier 147 [147. G.A.K. R.A., inv. nr. 259, “Informatiën”, 26 dec. 1791]. Iets meer dan een jaar later ondervond mevr. G. Oosterwolde overlast van enkele ruiters die haar glazen insloegen, waarna de nodige goederen ontvreemd waren. Eveneens in 1793, waren er wat incidenten rondom het ronselen van Kamper burgers voor dienstneming in het leger.
Vermoedelijk dezelfde Piet Mulder kreeg hierover trammelant met enkele soldaten die hem hadden geprobeerd over te halen soldaat te worden. Toen hij op pittige wijze te kennen had gegeven hiervoor niet te voelen, namen de soldaten wraak door hem even later op straat af te tuigen. Jan Glazer en Willem Cramer hadden aanvankelijk wel ingewilligd soldaat te worden, maar krabbelden later terug. Ze zeiden het niet alleen onder invloed van alcohol gedaan te hebben, maar bovendien

|pag. 47|

eigenlijk omgekocht te zijn. Kennelijk was de behoefte aan nieuwe aanmeldingen binnen het leger groot, want in juni hield de rechterlijke macht zich alweer bezig met ronselpraktijken, nu voor de marine 148 [148. G.A.K. R.A., inv. nr. 261, “Informatiën”, 30 jan., 21 febr, 6 april en 5 juni 1793].

De maanden voorafgaand aan de Franse bezetting ondervonden vier vrouwen de nadelen van de aanwezigheid van soldaten. Ze werden respectievelijk door Engelse en Franse soldaten bestolen. Daarnaast werden bij dhr. A. Schaap de glazen ingegooid door een onbekende soldaat 149 [149. G.A.K. R.A., inv. nr. 262, “Informatiën”, 8 sept. en zonder datum 1794]. De militair-gerelateerde gevallen van 1795 werden door sommige Kampers meer fysiek ervaren. G. Brand werd in september aan zijn eigen deur bedreigd door een dronken soldaat die hem jenever afeiste.
Gelukkig bleek Brand in staat hem zijn sabel afhandig te maken. Minder gelukkig waren de heren Schuphof, Van Beek en Hasselaar. De eerste twee werden door de Franse korporaal W. Pertons verwond. Bij één van die twee ging het om een ernstige hoofdwond. Het waarom van de ruzie is niet met zekerheid te zeggen, omdat de getuigenverklaringen nogal tegenstrijdig zijn. Echter aangezien Pertons voor acht dagen achter de tralies verdween, lijkt het aannemelijk dat hij minder onschuldig was dan hij pretendeerde. In dat geval zou de lezing van zijn tegenstanders kunnen kloppen, die stelden dat de Franse korporaal zich met zijn haastig toegeschoten kameraden erg agressief had opgesteld. Spottenderwijze zouden ze ‘oranje boven’ hebben geroepen, waarop de zaak escaleerde. In hoeverre Van Beek zelf oorzaak gegeven had, blijkt niet, maar vermoedelijk was hij weinig gecharmeerd van het feit dat de korporaal kennelijk vriendschappelijk bij zijn dochter had gegeten. Misschien dat hij zich met dit in zijn achterhoofd provocerend heeft opgesteld. Het derde genoemde slachtoffer was Jan Hasselaar, die door de Nederlandse dragonder in Franse dienst, Jan Schippers, behoorlijk te grazen genomen werd in de herberg van Wouter Dekker. Eén van de mededragonders had nota bene gezegd dat het slachtoffer verdiende dood te bloeden. Gelukkig wist de chirurgijn dat te voorkomen. Ogenschijnlijk had Hasselaar toch echt tot weinig kwaads aanleiding gegeven 150 [150. G.A.K. R.A., inv. nr. 263, “Informatiën”, 22 sept, 6 oct en 25 nov. 1795]. Bij dit alles valt het gebeurde in 1796 in het niet. In dat jaar werd alleen Toon Smit gedupeerd door een soldaat, die op onderpand geld geleend had, maar het nooit terugbetaalde 151 [151. G.A.K. R.A., inv. nr. 264, “Informatiën”, zonder datum 1796]. 1797 liet alleen een akkefietje zien tussen Zwollenaar Jan Jonkelaar en soldaat Strobach, waarbij laatstgenoemde in plaats van daden slachtoffer scheen te zijn 152 [152. G.A.K., O.A., inv. nr. 665, “Stedelijke rekeningen”, 1797].

Na twee jaren van betrekkelijke rust lijken de gebeurtenissen van 1798 des te heftiger.
Begin januari gingen korporaal Schilling en burger J. Ridderinkhof met elkaar op de vuist in de herberg van Durand. Aanleiding tot de vechtpartij bleek een futiliteit.
Ridderinkhof had de korporaal in dronken toestand over zijn hoofd gestreken, zodat diens hoed afviel. Opgejut door zijn ook aanwezige broer ging de eveneens dronken korporaal verhaal halen. Toen Ridderinkhof door de opgeroepen klapperlieden werd afgevoerd, ging hij zich op zijn beurt te buiten door te vloeken op de municipaliteit, volgens hem ‘altegaar’ bestaande uit aristocraten. In juni 1798 werden meerdere boerengezinnen aan de Zwartendijk de dupe van drie doortrekkende soldaten, die midden in de nacht om de weg naar Zutphen vroegen. Al zullen de reacties van de boeren niet echt spontaan geweest zijn, het blijft schandelijk, dat als dank voor de gewezen route bij vier boeren de glazen werden ingestoten. Drie maand later was er

|pag. 48|

aan dezelfde Zwartendijk opnieuw sprake van ernstig wangedrag van soldaten. Het speelde zich allemaal af in en rond het huis van Mannes Janszoon, dat naar zijn eigen zeggen fungeerde als een soort herberg voor reizigers en vreemdelingen, die niet in staat waren om de stad bijtijds te bereiken. Concreet moet na analyse van de processen-verbaal het volgende gebeurd zijn. Een vreemde vrouw samen met haar tienjarige dochter werd door een vreemde vrouw, Willempie geheten, het huis van Mannes Jans binnengelokt. Eenmaal binnengekomen bleken daar soldaten te zitten, die duistere plannen hadden. Mannes Jans zou gezegd hebben, dat ze haar konden doen wat ze maar wilden, echter liever wel buiten zijn huis. Daarop zou volgens getuige Hupscher de vrouw al gillende naar buiten zijn gesleurd onder het roepen: ‘Gij komt aan mijn eer niet al schiet gij mij dood.’ Eén van de soldaten vroeg hierop om een mes en gebood: ‘als ge nu niet zwijgt, dan zal ik het u in het hart draaien’. De vrouwspersoon had daarop gezegd dat ze met haar konden doen wat ze wilden, omdat ze in hun handen was. ‘Maar gij heren bewaart mij dat ge aan mijn eer niet komt’.
De getuige beweerde het gekerm van de vrouw nog wel tot ’s avonds elf uur gehoord te hebben. Gedurende een korte adempauze werd de vastgebonden vrouw door haar dochter bevrijd. Toen ze de volgende dag bij Mannes Jans terugkwam om haar hoed en rok, de soldaten hadden haar die uitgedaan, werd ze door Jans, die daarvoor een stok gebruikte, bars weggejaagd 153 [153. G.A.K. R.A., inv. nr. 266, “Informatiën”, 23 sept. 1798].

Ook het jaar erna lieten de militairen hun aanwezigheid gelden. Drie officieren en een huzaar misdroegen zich begin april op vergaande wijze in de stadsherberg over de IJsselbrug. In stomdronken toestand gebeurden de gekste dingen. Zo spuugden zadelmaker Kroon en luitenant De Groot elkaar domweg in het gezicht, liep luitenant Fullings even later halfnaakt door de herberg en riep luitenant Le Ferre de Forest te hopen dat de wereld ogenblikkelijk verging. De Groot liep ook te vloeken en te schelden op de burgerij, ‘dat ze alle van den eersten tot den laatsten smeerlappen waren en dat de geheele burgerij geen oortje waard was’. Na diverse keren door Fullings op de grond gegooid te zijn, richtte De Groots agressie zich tegen burger Doun door hem zijn hoed af te rukken en hem tegen de muur te drukken. Toen de Groot wegens overmatig drankgebruik begon over te geven, schoot Le Ferre de Forest zogenaamd te hulp met de woorden ‘Kom wij zijn verplicht elkander te helpen’. De Forest ontdeed De Groot van zijn hoed, ving de brei daarin op en plantte vervolgens de hoed met het hele zaakje weer op het hoofd van De Groot 154 [154. G.A.K. R.A., inv. nr. 267, “Informatiën”, 22 april 1799]. Welke straffen betrokkenen hebben moeten ondergaan, melden de bronnen niet, maar zeker is dat luitenant Le Ferre de Forest niet uit functie ontheven werd, want een jaar later duikt zijn naam opnieuw op bij een militaire aangelegenheid. In juni 1799 werd smid Cramasser slachtoffer van de agressie van drie militairen, die hem na een woordenwisseling flink aftuigden. Eind dat jaar was er opnieuw een vechtpartij. Voor de tweede keer binnen twee jaar kreeg J. Ridderinkhof het aan de stok met een militair. De militair Marechal had eigenlijk een conflict met een ander, maar Ridderinkhof meende zich hierin te moeten mengen en bedreigde Marechal met een mes. Onder veel heisa werd Ridderinkhof afgevoerd door de schout bij nacht, geholpen door zijn twee executeurs 155 [155. idem, 17 juni en 24 dec. 1799].

|pag. 49|

Het jaar 1800 verliep op één incident na zonder noemenswaardig militair wangedrag. Dat ene incident was een gepleegde diefstal door een soldaat ten huize van D. Moviab 156 [156. G.A.K. R.A., inv. nr. 268, “Informatiën”, 29 april 1800]. Een jaartje later was het incident van grotere impact. Halverwege oktober liep het in de nanacht faliekant mis tussen een groep burgers en een groep militairen. Beide groepen hielden zich op in het Zandhok, kennelijk om daar wat te drinken. Uiteindelijk vochten ze elkaar de tent uit en slingerde het meubilair her en der over straat. Volgens de militairen was burger Jan Warnar, voor de Kamper rechters geen onbekende, aanleiding tot alles geweest door te zeggen: ‘Daar zijn die kale opveiders, de loopers uit de Duinen’157 [157. G.A.K. R.A., inv. nr. 269, “Informatiën”, 20 okt. 1801’]. Weer een jaar later, in 1802, speelde er een vergelijkbare twist tussen burgers en militairen. Dit keer was de plek van confrontatie twee dagen achter elkaar bij de Veenepoort. Na wat scheldwoorden vlogen beide partijen elkaar in de haren, waarbij het aantal militairen tussen de twintig en dertig bedroeg. In een enkel geval werd zelfs door een militair gevuurd.
De militairen legden weinig respect aan de dag tegenover de stedelijke officianten, want niet alleen kreeg zekere roedendrager rake klappen, maar ook werd de te hulp geroepen schout bij nacht Tebbetman onderwerp van een hele reeks Franse scheldwoorden 158 [158. G.A.K. R.A., inv. nr. 270, “Informatiën”, 24 sept. 1802]. Zowel in 1801 als 1802 werden de militairen aangeduid als Jagers, wat erop zou kunnen wijzen, dat het om dezelfde militaire eenheid ging. Ook in 1803 was er een akkefietje met twee militaire Jagers. Beide Jagers werden tussen twaalf en één uur ’s nachts aangesproken door klapwaker Gerrit Schaats, omdat ze stonden te bonken op het huis van Bruggink om wat goederen te kopen. Schaats, die op dat moment vermoedelijk de openbare rust moest garanderen, werd daarop aangerand door de twee totdat hij te hulp geschoten werd door zijn collega G. Uiterwijk. Enkele maanden later misgingen de soldaten K. Scholtus en K. van Bruggen zich door een grote hoeveelheid kleren te verduisteren uit het huis van burgemeester G. van Heerdt. Een snelle vlucht naar Elburg baatte de twee niet, want al spoedig werden ze daar in de kraag gevat 159 [159. G.A.K. R.A., inv. nr. 271, “Informatiën”, 9 juni en 17 dec. 1803]. Niet alleen voor de diefstal, maar eveneens voor desertie hebben de twee geruime tijd achter de tralies gezeten.

Op 8 mei 1804 diende de zaak tegen P. Olens. Deze in in garnizoen liggende soldaat had H. Bols tegen de grond gewerkt, maar was daarna zelf hardhandig door W. Rietberg het huis uit gesleept. Verder had Olens vreselijk gevloekt en een poging gewaagd om Rietbergs vrouw te verkrachten 160 [160. G.A.K. R.A., inv. nr. 272, “Informatiën”, 8 mei 1804]. Het laatste geval van militair-gerelateerde criminaliteit speelde in het volgende jaar. Na een kennelijk gezellig samenzijn in herberg De Atlas waarbij uitbundig gedanst werd, veranderde de sfeer ogenblikkelijk toen twee burgers struikelden over het been van een der Franse soldaten. Even later kwam het tot escalatie toen J. Uiterwijk een Franse soldaat aanvatte en tegen de grond werkte. De in benarde positie verkerende soldaat werd daarop geholpen door drie collega’s. Het eind van het liedje was, dat de soldaten de burgers naar buiten werkten. Die namen dat echter niet, kwamen terug en bestormden de herberg. Ondertussen gooiden ze met allerhande projectielen, waaronder een steen van maar liefst drie kilo, die doel trof tegen het hoofd van een soldaat. Slechts ternauwernood konden de Franse soldaten het vege lijf redden. Uit de stukken spreekt een grimmige stemming, die doet vermoeden dat het tot grote ongelukken had kunnen komen 161 [161. G.A.K. R.A., inv. nr. 273, “Informatiën”, 4 febr. 1805]. De laatste vijf jaar van ons onderzoek deden zich geen noemenswaardige incidenten voor tussen burgers en militairen.

|pag. 50|

Categorie vier: vermogensdelicten
Vermogensdelicten zijn van alle tijden en van alle plaatsen. We hoeven dus niet verbaasd te staan, dat daar ook sprake van is geweest in de Franse Tijd en de tienjarige periode ervoor. In beide perioden komen diefstalletjes, diefstallen en aanverwante delicten rijkelijk voor. Vaak ging het om het ontvreemden van enig huisraad of andermans kledingstukken, minder vaak bleek het om diefstal van geld te gaan. Diefstal van (dak)lood kwam eveneens regelmatig voor, in totaal zo’n acht keer. Daarnaast waren er meerdere gevallen van verduistering van stedelijke eigendommen, zoals bijvoorbeeld diefstal van hout uit de stadstoren. Tenslotte waren er, evenals tegenwoordig, gevallen van fraude en belastingontduiking.
Opnieuw ontlenen we de gegevens aan een viertal bronnen: de Processen-Verbaal, de Sententies, de Sententies van het College van Justitie en de Reisepensiën.
Het zou niet echt relevant zijn om elk vermogensdelict afzonderlijk te beschrijven. Daarvoor zijn het er wel erg veel: in totaal maar liefst 95. Bovendien is het veel inzichtelijker om de vermogensdelicten in een grafiek weer te geven. Mogelijke ontwikkelingen zijn dan veel sneller te traceren. Er kleeft aan deze werkwijze echter ook een nadeel. De grafiek geeft namelijk alleen maar de kwantiteit weer zonder daarbij de ernst van de vermogensdelicten inzichtelijk te maken. Toch zullen we, om het hiervoor genoemde voordeel, het aantal vermogensdelicten weergeven in onderstaande grafiek.

voor nadere gegevens en bronvermelding grafiek 9 zie bijlage 8

Na analyse van de grafiek valt op dat op de twee uitschieters van 1797 en 1806 na, de periode van de Franse overheersing per jaar nauwelijks meer vermogensdelicten heeft gekend. Na wat rekenwerk lijkt die constatering wel aardig te kloppen. Tot 1794 werden er eenendertig vermogensdelicten gepleegd, erna vierenzestig.
Gemiddeld werden er dus voor de Franse Tijd 3,1 vermogensdelicten en erna vier vermogensdelicten per jaar begaan. Dat het jaargemiddelde van de Franse Tijd hoger ligt, moet vooral geweten worden aan de twee eerder genoemde uitschieters naar boven. Immers, de jaren 1796, 1799, 1802, 1805 en 1807 waren wat betreft vermogensdelicten erg rustig. Toch gebiedt de eerlijkheid te zeggen, dat de

|pag. 51|

werkelijkheid in de tweede helft van de Franse Tijd behoorlijk anders gelegen kan hebben dan bovenstaande grafiek suggereert. We mogen er namelijk van uitgaan, dat de getallen vanaf 1803 in sommige gevallen te laag zijn, omdat we na 1803 minder bronnen hebben om gegevens uit te putten. Het vervelende is in dit geval dat de reisepensiën van 1803 en later niet langer gespecificeerd werden weergegeven. Zoals al eerder is opgemerkt, werden de reisepensiën uitbetaald aan de drie stadssecretarissen voor allerhande verrichtingen. Hieronder viel bijvoorbeeld het visiteren van een huis waar ingebroken was of het verhoren van mogelijke getuigen om een zaak op te helderen. Hoewel een groot deel van deze zaken ook is terug te vinden in de andere gerechtelijke bronnen, processen-verbaal en sententies, is dat lang niet altijd het geval. Sommige zaken kwamen nooit verder dan het stadium van aangifte. De enige bron die daar dan melding van maakt, is die van de reisepensiën, althans tot 1803. Vanaf 1803 worden weliswaar nog steeds reisepensiën uitgekeerd, echter dan blijkt het jaarlijks een vast bedrag van driehonderd gulden te zijn 162 [162. G.A.K., O.A., inv. nr. 672, “Stedelijke rekeningen”, 1803]. De stadssecretarissen werden dus klaarblijkelijk niet langer voor elke afzonderlijke handeling uitbetaald. Daarmee zou dan ook de noodzaak om te specificeren vervallen zijn. Dat deze werkwijze een verlies aan historische gegevens veroorzaakte, zal vermoedelijk weinig tijdgenoten hoofdbrekens hebben gekost.

Concreet betekent dit alles, dat zouden we ook over gespecificeerde reisepensiën van na 1803 beschikken, de grafiek er anders uitgezien zou hebben. Om daar enigszins een beeld van te krijgen, staat hieronder de grafiek nogmaals afgedrukt, maar nu zonder de informatie die de reisepensiën ons geven over de jaren tot 1803.

voor nadere gegevens en bronvermelding grafiek 10 zie bijlage 9

Als we dezelfde rekensommen opnieuw zouden maken met deze gegevens, komen de volgende getallen aan het licht. Tot 1795 zouden er dan vijfentwintig geregistreerde vermogensdelicten zijn, terwijl dat aantal tussen 1795 en 1810 drieënvijftig zou bedragen. Met deze getallen blijken de jaargemiddeldes voor beide perioden respectievelijk 2,5 vóór en 3,31 na 1795. Het verschil bedraagt dan iets meer dan 0,8 vermogensdelicten per jaar. Op zich maakt dat het beeld niet helderder, want de rekensom met inbegrip van consultatie der reisepensiën gaf, zoals hierboven is aangetoond, een verschil van 0,9 vermogensdelicten per jaar te zien. Wat echter wel

|pag. 52|

meer in het oog springt, is de ontwikkeling die zich na 1800 voordoet in de vermogensdelicten. Veel duidelijker dan bij de vorige grafiek is te zien dat de jaren na 1800 over het algemeen meer gevallen van diefstal en aanverwante delicten hebben gekend.

Concluderend, in de Franse Tijd kwamen vermogensdelicten vaker voor dan in de tienjarige periode ervoor. De verschillen tussen beide perioden als geheel, grofweg een toename van zo’n vijfentwintig procent, zijn echter niet heel groot. Vooral na 1800 ging het aantal vermogensdelicten flink stijgen. Als we voor één keer de grens bij 1800 leggen, blijken er van 1785 tot 1799 drieëndertig vermogensdelicten zijn gepleegd, wat een gemiddelde van 2,2 per jaar geeft. Van 1800 tot 1810 waren er zesenveertig vermogensdelicten, wat een jaargemiddelde van 4,18 geeft. De conclusie lijkt dus gerechtvaardigd, dat er gemiddeld na 1800 sprake was van een verdubbeling van het aantal vermogensdelicten. Deze conclusie wint aan kracht, wanneer we bedenken, dat van de jaren 1809 en 1810 geen processen-verbaal beschikbaar zijn in het archief. De aantallen van die beide jaren zijn alleen gebaseerd op de feitelijke veroordelingen en hadden dus ook gemakkelijk iets hoger kunnen liggen.

Categorie vijf: sociaal wangedrag en drankoverlast
Het begrip drankoverlast spreekt voor zichzelf. Een teveel van de sterke drank had namelijk in de geschiedenis hetzelfde effect op mensen als tegenwoordig. Niet zelden mondt het uit in agressiviteit. Zo ook in de jaren 1785-1810. De oorzaken van het nuttigen van een teveel aan drank zullen echter meer divers hebben gelegen. We hopen er in paragraaf 3.4 nog op terug te komen. Maar wat te verstaan onder sociaal wangedrag? Waarschijnlijk is dat evenmin moeilijk voor te stellen. Gezinsproblemen, te vondeling leggen van kinderen enzovoorts. Hoewel, niet alles wat tweehonderd jaar geleden als sociaal wangedrag gold, valt hedendaags onder dezelfde noemer.
‘Sodomie’ en het verschijnsel van samenwonen werd in die periode nog als heuse criminaliteit bestempeld. De wet werd immers overtreden? Het ging in zulke gevallen toch echt om niet geaccepteerd, lees asociaal, gedrag. We zullen in de beschrijving van deze categorie criminaliteit dan ook met de bril van een begin negentiende eeuwse Nederlander kijken.

Jan ter Meer is de eerste die onder deze categorie de revue passeert. Als roedendrager werd hij ernstig berispt om zich in de toekomst niet nog eens zodanig in de drank te buiten te gaan, dat hij zijn beroep niet meer zou kunnen uitoefenen 163 [163. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 28 febr. 1785].
Vier maand later werden H. Slingerland en G. Bardon uit de stad verbannen wegens het hebben van een onwettige relatie 164 [164. idem, 9 en 13 juni 1785]. Een jaar later werden W. Smit en C. Loos kortdurend opgesloten, omdat ze dagelijks dronken waren en bovendien hun vrouwen herhaaldelijk molesteerden 165 [165. idem, 29 mei en 30 nov. 1786]. Het jaar erop in 1787 waren er drie geregistreerde gevallen van overmatig drankgebruik en daarmee gepaard gaande huiselijke wantoestanden 166 [166. idem, 6 maart, 19 nov. en 12 dec. 1787].

Kennelijk was Jan Meulenbeek dusdanig verslaafd dat hij alle vermaningen ten spijt, toch doorging met zich te bezatten en het veroorzaken van ongeregeldheden en

|pag. 53|

onrust 167 [167. idem, 29 juni 1788]. Het kwam hem in 1788 op drie dagen celstraf te staan. Nadat de bronnen twee jaar niet reppen over drankoverlast en dergelijke, bleek zekere A. Styl in 1791 het volgende geval van drankoverlast. Waarschijnlijk had hij in beschonken toestand tijdens een publieke verkoping verschillende percelen grond aangekocht zonder afdoende borg te kunnen stellen 168 [168. idem, 29 maart 1791]. Het is heel goed mogelijk dat de mishandeling van de ‘innocente vrouw’ van G. Kruithoop eveneens in deze categorie thuis hoort 169 [169. G.A.K., O.A., inv. nr. 659, “Stedelijke rekeningen”, 1791].
Twee dames werden in 1792 veroordeeld tot acht dagen op water en brood wegens het buitensporig flirten met soldaten 170 [170. G.A.K., R.A., inv. nr. 260, “Informatiën”, 23 maart 1792]. Één van die twee dames, zekere Viset, moest bijna twaalf maanden later weer voor het gerecht verschijnen, opnieuw om ongeoorloofde omgang met een soldaat die ’s nachts bij haar zou hebben verbleven 171 [171. G.A.K., R.A., inv. nr. 261, “Informatiën”, 10 maart 1793]. In datzelfde jaar werd schipper Remmes aan de tand gevoeld, omdat hij het telkens presteerde onder invloed van drank ongeregeldheden te plegen. Deze keer had hij het durven te bestaan om nota bene kinderen te mishandelen 172 [172. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 28 nov. 1793].

Het jaar 1795 was onder andere bijzonder omdat maar liefst drie vrouwen doorverwezen werden naar het tuchthuis wegens waarzeggerij. De rechters namen deze praktijken van ‘bedrieglijk bijgeloof’ nogal hoog op, daar vooral kinderen van het armenweeshuis hierdoor gedupeerd werden 173 [173. G.A.K., R.A., inv. nr. 263, “Informatiën”, 4 juni 1795]. Pas in 1800 deed zich een nieuw geval voor, maar dan wel een uitzonderlijke. De vrouw van Hannes Heisink die samen met haar kind op het Bregittenkerkhof dwaalde, durfde met geen mogelijkheid naar huis uit angst voor haar tierende en ziedende man. Toen omstanders haar wilden helpen naar huis terug te keren, troffen ze een poedelnaakte waanzinnige kerel thuis. Met grote moeite wisten ze hem op bed te werken met als doel hem fatsoenlijk te kunnen aankleden. Uiteindelijk moest schout bij nacht Tebbetman eraan te pas komen, die hem zover kreeg dat hij zijn huis verliet, waarop de vrouw kon terugkeren 174 [174. G.A.K., R.A., inv. nr. 268, “Informatiën”, 30 april 1800]. Drie weken ervoor had zich ook een bijzonder geval van sociaal wangedrag voorgedaan. Mevrouw Kuiper was op 28 maart zodanig beroerd dat ze naar de voordeur liep om over te geven. Juist op het moment van overgeven kwam zwager H. Kroes langs die daarop furieus reageerde: ‘Blixem, doet gij dat om mij?’. Hij schold haar uit voor een hoer. De volgende dag herhaalde zich het schelden aan het huis van vrouw Kuipers moeder. Om twaalf uur ’s middags kwam Kroes zijn gram halen, drong het huis binnen en sloeg man en vrouw Kuiper met een stoel tegen de grond, waarop hij vrouw Kuiper voortdurend op de keel sloeg. Twee personen waren nodig om de in doodsnood zijnde vrouw te bevrijden 175 [175. idem, 8 april 1800].

In 1801 waren er twee vrouwpersonen die verdacht werden van ongewenste praktijken. Zo zou zekere Anna Brouwer volgens getuigen haar kind te vondeling hebben gelegd. Immers, meerderen hadden gezien dat ze zwanger was, hoewel ze dat zelf steeds bleef ontkennen. Hendrika Gartman was de tweede dame die voor het gerecht moest verschijnen. Hoewel hoogzwanger en behoorlijk bewaakt, had ze toch kans gezien het stadsziekenhuis te ontvluchten en de wijk te nemen naar Rijssen.
Volgens haar eigen zeggen verwachtte ze haar derde buitenechtelijke kind, waarschijnlijk van een soldaat, evenals de vorige twee. Toen ze opnieuw in hechtenis zat, bleek haar kind al geruime tijd overleden. Volgens haar zeggen kort nadat het geboren was 176 [176. G.A.K., R.A., inv. nr. 269, “Informatiën”, 3 febr. en 25 maart 1801].

|pag. 54|

In 1802 was het Leendert Kelner die zijn omstanders in beschonken toestand overlast bezorgde en menige passant tot een tweegevecht probeerde uit te lokken. In datzelfde jaar speelde er ook een geval van bijna-sodomie. Na een avondje stappen was de halve maanblazer I. Nicolaas tenslotte in de cel beland. Of hij flink beschonken was, melden de stukken niet, maar dat lijkt wel aannemelijk. In ieder geval riep zijn bewaker, een schildwacht, de hulp in van anderen onder de volgende uitroep: ‘Haal de wacht, anders moet ik hem doodsteken. Hij vergt ongeoorloofde dingen van mij’. Helaas blijkt niet uit de bronnen hoe deze zaak is afgelopen 177 [177. G.A.K., R.A., inv. nr. 270, “Informatiën”, 13 en 24 febr. 1802]. Het volgende jaar liep er een zaak tegen M. Hendriks die volgens haarzelf uit pure armoede geen andere oplossing zag, dan haar beide buitenechtelijke kinderen in de stad achter te laten en er zelf vandoor te gaan. Zeker zo geruchtmakend was het gebeuren rond J. Rierink. Het was niet de eerste keer dat hij teveel op had en zijn vrouw en kinderen lastig viel. Maar deze keer scheen het wel erg extreem. Nadat hij zo ongeveer alle huisraad kapot had geslagen, werkte de man zijn vrouw en kinderen de straat op om ze vervolgens met bloempotten na te gooien. Zelfs op straat ging hij ze achterna, waardoor een ongelukkige buurman de sigaar werd. Rierink was kennelijk zo buiten zinnen dat hij zonder enige aanleiding de onderbuurman aanviel en op het hoofd sloeg, waarop deze bewusteloos op de grond neerzeeg. De chirurgijn in hoogsteigen persoon moest er in alle haast aan te pas komen 178 [178. G.A.K., R.A., inv. nr. 271, “Informatiën”, 28 maart en 15 aug. 1803].

Twee jaar later werd B. van Dijk voor acht dagen gedetineerd, ook al om het feit van drankmisbruik gepaard gaande met geweld tegen zijn gezinsleden. De doodgraver J. Lankhorst maakte het enkele maanden later wel erg bont. De functionaris bestond het niet alleen te laat te komen op de begrafenis van weduwe Ten Cate, maar daar bovendien ook nog eens een vreselijke vloek- en scheldtirade weg te geven.
Anderhalf jaar lang mocht hij zijn functie niet uitoefenen 179 [179. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 15 april en 8 aug. 1805].

Het meest schrijnende geval deed zich voor in november 1806. De uit Brunneppe afkomstige boerenknecht G. Nelle meende stellig dat zijn vrouw zwanger was van een ander. Aangezien hij naar eigen zeggen niet op wilde draaien voor de kosten van andermans kinderen, deed hij het uiterste om dat te verhinderen. Hij verschafte zichzelf arsenicum, in de volksmond rottenkruid genoemd, mengde dat door het eten bestemd voor zijn vrouw en wachtte af of de vrucht af zou drijven. Het meest dramatische gebeurde echter. De vrouw at er zelf mondjesmaat van, maar gaf het meeste aan haar ongeveer eenjarig kind, ondanks herhaaldelijk weigeren van het kind wegens de vreemde smaak. Kort daarop stierf het kind. De moeder beviel het eten zelf ook verre van goed. Haastig opgetrommelde buren constateerden eveneens dat er iets mis was met het eten. Uiteindelijk ging men over tot sectie op het overleden kind. De maaginhoud werd voorgezet aan een hond en een kat. Beide dieren bleven ternauwernood in leven. Hoewel de apothekers aanvankelijk fout concludeerden, kwam enkele dagen later toch de waarheid aan het licht: het kind was vergiftigd door rottenkruid 180 [180. G.A.K., R.A., inv. nr. 274, “Informatiën”, nov. 1806]. Jammer genoeg maken de stukken er geen melding van hoe het alles verder is afgelopen. Het enige wat over vader Nelle gezegd werd, is te vinden onder de uitgavenpost voor scherprechter en gevangeniskosten van 1806: ‘custoderen en verplegen van den civiliter gearresteerde G.G. Nella, dezelve verschotten en Tabak’181 [181. G.A.K., O.A., inv. nr. 675, “Stedelijke rekeningen”, 1806]. De kosten van meer dan 125 gulden die men

|pag. 55|

voor hem maakte, doen vermoeden dat hij geruime tijd heeft vastgezeten onder het raadhuis. Van moeder Nelle horen we alleen nog in 1808. In dat jaar werd ze uit de stad verbannen wegens een overspelige relatie met zekere heer Kramer, aan wie ze een zoontje het leven schonk 182 [182. G.A.K., R.A., inv. nr. 347, “Register van sententies”, 4e van de bloeimaand 1809]. Het doet de indruk rijzen, dat moeder inderdaad niet helemaal onschuldig is geweest in deze affaire.

Stadsomroeper J. Boterenbrood werd in 1808 voor zes maand uit zijn functie ontheven. Ook hij ging zich dagelijks in de drank te buiten en had hierdoor op een veiling veel wanorde veroorzaakt. Aangezien hij zijn leven helaas niet beterde, werd hij twee jaar later definitief uit zijn functie ontheven 183 [183. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 17 febr. 1806 en 11 jan. 1808]. In datzelfde jaar achtte de rechtbank een tuchthuisstraf noodzakelijk voor een Poolse soldaat en een gehuwde Kamper vrouw G. van Weesp. De Pool Barofski werd ‘een man van slecht gedrag’ genoemd, omdat alvorens hij een relatie met de reeds gehuwde Van Weesp aanging, ook al samengeleefd had met een zekere Betty. Beide personen kregen een behoorlijke straf 184 [184. G.A.K., R.A., inv. nr. 275, “Informatiën”, 22 sept. 1808].
De jaren 1809 en 1810 waren evenmin smetteloos inzake drankoverlast en sociaal wangedrag. De onder curatele staande weduwe J. Bost zou een zodanig losbandig en verkwistend leven leiden, dat ze niet alleen al haar geld aan de drank verbraste, maar daar bovenop haar kinderen danig mishandelde. Bovendien bracht ze haar medeburgers in gevaar door onzorgvuldig met vuur om te gaan. Ook de heer A. van Straaten maakte het leven van zijn medeburgers onveilig, zij het op een andere manier. Hij moest wel erg over zijn drank geweest zijn gezien zijn ongehoord brute gedrag. Allereerst zocht hij ruzie met een schippersknecht die hij tot buiten de herberg achtervolgde en op de straat smeet. Vervolgens deed hij hetzelfde met turfdrager J. Berends en tenslotte misdroeg hij zich nota bene in de gevangenis met het daar inslaan van de glazen 185 [185. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 19e van de grasmaand en 5e van de hooimaand 1809]. Een enkele maand daarvoor was mevrouw P. Hendriks tot een tweejarige ballingschap veroordeeld wegens overspel met zekere heer Kramer, die bij haar een zoontje had verwekt 186 [186. G.A.K., R.A., inv. nr. 347, “Register van sententies”, 4e van de bloeimaand 1809]. Als laatste bekende geval in 1809 diende de zaak tegen de achttienjarige G. van der Vogt, die zich naast wangedrag ten gevolge van overvloedig drankgebruik, waarschijnlijk op ongeoorloofde wijze ophield met een huzaar en twee vreemde schippers 187 [187. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 3e van de oogstmaand 1809].

Evenals het jaar ervoor speelden ook in 1810 vier gevallen van sociaal wangedrag.
Het eerste geval was uiterst ernstig en het scheelde op een haar of het was uitgelopen op een gruwelijke moord. A. Dollekamp leefde al geruime tijd in onmin met zijn vrouw, omdat hij haar verdacht van het onderhouden van een andere relatie. Toen dat juist bleek en ze uit huis ging, probeerde hij haar evenwel voor zich terug te winnen. Na de kerkdienst nodigde hij haar uit. Toen ze echter geen strobreed toegaf, vloog hij haar verblind van woede met een mes naar de keel. Zijn vrouw zakte daarop in elkaar. Hierna gooide Dollekamp zichzelf in het water om een mislukte zelfmoordpoging te doen. Met het zwaard boven het hoofd werd zijn sententie uitgelezen: zes jaar tuchthuis en aansluitend een verbanningsstraf van tien jaar 188 [188. G.A.K., R.A., inv. nr. 347, “Register van sententies”, 30e van de grasmaand 1810]. Na Dollekamp ging dhr. J. Verdam zich te buiten tegen zijn stiefvader, ondanks eerdere vermaningen wegens zijn twistzieke gedrag. Zo mogelijk meer opzienbarend was het akkefietje wat jongeheer F. Jacobs met enkele vrienden uithaalde bij mevrouw H. Benekamp. Laatstgenoemde ging na een herbergbezoek stomdronken over straat. De

|pag. 56|

jongens volgden haar, gooiden haar op straat en trokken al haar kleren van het lijf, zodat ze spiernaakt op straat lag 189 [189. G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 12e van de sprokkelmaand en 2e van de slachtmaand 1810]. Uiteindelijk was het ex-klapwaker G. Willems die de lange rij van 1785 tot 1810 sloot. Meneer was met achterlating van eigen vrouw en kinderen, clandestien naar Utrecht vertrokken, waar hij een relatie onderhield met zekere A. Scholte 190 [190. G.A.K., R.A., inv. nr. 347, “Register van sententies”, 13e van de wintermaand 1810]. Het kwam hem op een tuchthuisstraf te staan.

Categorie zes: overlast door vreemdelingen
In 1792 valt in de reisepensiën te lezen dat een zekere Lierspeler geslagen werd door een vreemd persoon 191 [191. G.A.K., O.A., inv. nr. 660, “Stedelijke rekeningen”, 1792]. Vijf jaar later deed zich een veel erger geval voor, zij het niet op onder Kamper jurisdictie vallend grondgebied. In het naburige Zalk vond een gruwelijke moord plaats op Willempje Derks. De moordenaar bleek de uit Den Haag afkomstige landloper Arend de Lange, die naar zijn eigen zeggen al bedelend via Amsterdam naar Kampen was gereisd om daar zijn in garnizoen liggende broer op te zoeken. Bij Zalk was hij de IJssel overgegaan en had de nacht doorgebracht bij zijn latere slachtoffer. ’s Morgens had hij haar met een bijl in het hoofd geslagen, de keel doorgesneden en haar lijk onder het hooi verstopt. Daarnawas hij er met enkele gestolen goederen vandoor gegaan. Enkele Kampers die met bloed besmeurde spullen hadden gekocht, fungeerden als getuige tegen de 23-jarige Hagenaar.
Uiteindelijk werd de zaak overgedragen aan de drost van IJsselmuiden 192 [192. G.A.K., R.A., inv. nr. 265, “Informatiën”, 24 aug. 1797].
Het jaar 1800 liet twee gerechtelijke zaken tegen vreemdelingen zien. Allereerst de zaak tegen de zogenaamd van Hamburg afkomstige Duitser Willem Pieter De Hoog, die verdacht werd van meerdere diefstallen. Vreemd genoeg bleek de Duitser bij nader onderzoek niet in staat Duits te verstaan noch het te kunnen schrijven. Volgens de zogenaamde Duitser had hij echter alleen Duits leren schrijven met Latijnse letters. Verder zou hij het Hoogduits niet goed verstaan, omdat in Hamburg veel Nederduits gesproken werd, dat overigens ook zijn voorliefde had. Naast voornoemde feiten was het eveneens merkwaardig, dat meneer zich onlangs bij de bank van lening had voorgesteld onder de naam van zekere Van Houten. Kortom zijn hele verhaal rammelde als een servieskast. Het leek er erg veel op, dat deze persoon een notoire dief was die zich in allerlei bochten probeerde te wringen om de waarheid maar te verdoezelen 193 [193. G.A.K., R.A., inv. nr. 268, “Informatiën”, 4 juli 1800]. De tweede zaak speelde tegen een zekere gedeserteerde soldaat Abel Willem Siccama, die onder de schuilnaam Fontein in Kampen onderdak probeerde te verkrijgen. Jammer genoeg voor hem slaagde hij daarin niet 194 [194. idem, 10 juli 1800]. Evenals De Hoog werd hij veroordeeld tot detentie in het tuchthuis.
In 1801 werd een flink aantal mensen op het Kampereiland opgelicht door twee gedeserteerde ex-soldaten. De woordvoerder, Matthias Kiever, kwam van de Elzas en was volgens eigen getuigenis gedeserteerd uit de keizerlijke armee van Napoleon.
De ander, Adam Overlander, kwam uit Hessen. Beiden deden zich voor als diakenen die zogenaamd collecteerden voor de herbouw van twee Zwitserse kerken, die ten gevolge van de oorlog zouden zijn afgebrand. Hun beide vrouwen bleken de nacht in Kampen doorgebracht te hebben. Vermeende diakenen werden beiden veroordeeld tot gevangenisstraf 195 [195. G.A.K., R.A., inv. nr. 269, “Informatiën”, 16-28 maart 1801].

Een jaar later lezen we van maar liefst vijf vreemde vrouwen, afkomstig uit Hoogeveen, Meppel en Sneek, die door de Kamper rechterlijke macht ondervraagd

|pag. 57|

werden. Vermoedelijk waren ze verdacht om het eenvoudige feit van landlopen 196 [196. G.A.K., R.A., inv. nr. 270, “Informatiën”, 5 mei 1802].
Zes maand later werden waarschijnlijk om dezelfde reden gevangeniskosten gemaakt voor een zeker vreemd bedelaar 197 [197. G.A.K., O.A., inv. nr. 671, “Stedelijke rekeningen”, 1802]. In het begin van 1804 melden de bronnen de arrestatie van twee zwervende ex-soldaten, die verdacht werden van het aftuigen van de burger Frederik Fijsser. Het slachtoffer bleek de beide vreemdelingen evenwel niet als daders te herkennen. De werkelijke daders zullen dus vermoedelijk andere vreemdelingen geweest zijn 198 [198. G.A.K., R.A., inv. nr. 272, “Informatiën”, 23 jan. 1804]. De Amsterdammer Albertus Knabe werd in maart het jaar erop gearresteerd wegens verdenking van diefstal. Helaas voor hem zal hij de schijn tegen gehad hebben, want al eerder had hij een jaar doorgebracht in het tuchthuis van Zwolle 199 [199. G.A.K., R.A., inv. nr. 273, “Informatiën”, 9 maart 1805]. Immers, eens een dief is toch altijd een dief? Nog in hetzelfde jaar was er opnieuw een geval, nu met een van elders afkomstige Jodin. Dit keer was het echter niet de vreemdeling die voor onrust zorgde, maar juist een Kamper. Het 14-jarige meisje Sara Salomons dat uit Eindhoven kwam, was zich kennelijk van geen gevaar bewust toen ze aan zekere Hendrik Moesman de weg naar Kampen vroeg. Laatstgenoemde persoon durfde het daarop nota bene te bestaan om het meisje tegen de grond te werken, te verkrachten en haar vervolgens met de dood te bedreigen. In het gerecht met Moesman geconfronteerd, herkende ze hem als de bewuste dader, hoewel Moesman zelf hardnekkig bleef ontkennen 200 [200. idem, 11 mei 1805]. Wie van beide gelijk had, zal altijd onopgelost blijven. Dat Moesman echter geen lieverdje was, bewees wel een scheld- en vechtpartij die hij nog geen twee jaar daarvoor had gehad met enkele andere Kampers bij de Veenepoort 201 [201. G.A.K., R.A., inv. nr. 271, “Informatiën”, 2 dec. 1803].

De processen-verbaal van 1806 weten ons te berichten over een diefstal bij winkelierster J. R. Huisbrink. De daders bleken twee onbekende vreemdelingen 202 [202. G.A.K., R.A., inv. nr. 274, “Informatiën”, 11 juli 1806].
Volgens het beschikbare archiefmateriaal was het in 1807 rustig als het ging om door vreemdelingen veroorzaakte overlast, maarvoor 1808 lag dat anders. De Jood David Marcus bleek toen erg bruut te zijn bestolen door twee buitenlanders toen deze pretendeerden geld te willen wisselen. Tijdens het wisselen zouden de Roemeen Joseph Rick en de Italiaan Anthonie M. de geldstukken van tafel gegrist hebbenen om er vervolgens met de buit vandoor te gaan. Lange tijd zaten de verdachten vast, maar het sluitende bewijs liet op zich wachten. Kennelijk duurde het voorarrest dermate lang, dat de Roemeen in zijn gevangenis al bezig was om een touw te maken waarmee hij zichzelf van het leven wilde beroven 203 [203. G.A.K., R.A., inv. nr. 275, “Informatiën”, 22 jan. 1808]. Hoe de zaak is afgelopen, melden de bronnen niet.

Een zich als opkoper voordoende G. van de Bosch wist in 1809 verschillende Kampers op een geraffineerde wijze te duperen door ogenschijnlijk veel meer voor hout, hooi en aardappelen te willen bieden dan de gangbare prijs. Vermeende leveranciers tuinden er echter in wanneer ze de zogenaamde opkoper wat smeergeld gaven voor de respectabele verdiensten die hij hun toezegde. Naderde namelijk het moment van de eigenlijke transactie, dan bleek de opkoper niet thuis. Als beloning voor deze praktijken kreeg hij een verbanningsstraf van zes jaar 204 [204. G.A.K., R.A., inv. nr. 347, “Register van sententies”, 2e van de bloeimaand 1809]. Tenslotte bleek het jaar 1810 topper. Maar liefst drie vreemdelingen moesten voor het gerecht verschijnen. De Amsterdamse brillenhandelaar Levi Abrahams beet van de drie het spits af door een mislukte poging om Jan Louws van zijn geldbuidel te ontdoen 205 [205. idem, 30e van de grasmaand 1810].
Als tweede maakte zich de eveneens uit Amsterdam afkomstige Schram schuldig aan

|pag. 58|

diefstal 206 [206. idem, 6e van de oogstmaand 1810]. De derde bleek de Hagenaar Jacobus Oudenhoven te zijn die zonder te betalen zijn hospes verliet en ’s nachts duistere dingen in de zin scheen te hebben 207 [207. idem, 1e van de wintermaand 1810].
De eerste twee zagen zich geconfronteerd met een tuchthuisstraf, terwijl de laatste wegkwam met een verbanningsstraf. Alle drie kregen ze een bij zware criminaliteit passende straf. Dit hoeft echter nog niet te betekenen dat het dan ook echt ging om zware criminaliteit. Uit de stukken blijkt dat in ieder geval niet. Het zou natuurlijk heel goed gekund hebben, dat de magistraat enkele duidelijke signalen heeft willen afgeven met een algemeen preventieve werking als doel. Immers, na 1800 blijken zich in Kampen steeds meer vreemdelingen te hebben opgehouden. Bovendien liet vanaf 1800 het aantal rechtszaken met vreemdelingen als betrokkenen een stijgende lijn zien. Deze ontwikkeling zou een eventuele verklaring kunnen zijn voor de toch wel hoge straffen die opgelegd werden.

|pag. 59|

3.3 Samenhang maatschappelijke onrust en politieke constellatie
Voor veel steden was de periode 1785 – 1810 een turbulente periode. Niet in het minst gold dat voor Kampen. De burgertwisten die alom in het land voorkwamen, gingen Kampen niet voorbij, hoewel buitensporig geweld zoals in de naburige steden Hattem en Deventer, gelukkig achterwege bleef. Evenals in andere steden manifesteerden zich in Kampen drie hoofdgroepen: een groep prinsgezinden, een gematigde groep patriotten en een revolutionaire groep patriotten.
Hoogstwaarschijnlijk was de eerstgenoemde groep onder de autochtone bevolking het kleinst en de tweede groep het grootst. Gesteund door externe hulp – bijvoorbeeld in garnizoen liggende soldaten – kon een kleine groep echter wel een grote importantie hebben. Om de maatschappelijke onrust te kunnen relateren aan het politieke bestel moeten we de periode 1785 – 1810 opdelen in de volgende fases:

I. fase I, 1785 – september 1787
II. fase II, september 1787 – 29 januari 1795
III. fase III, 29 januari 1795 – 20 februari 1796
IV. fase IV, 20 februari 1796 – 27 juni 1797
V. fase V, 27 juni 1797 – 22 januari 1798
VI. fase VI, 22 januari 1798 – 25 juni 1798
VII. fase VII, 25 juni 1798 – 1810

 
Fase I is de periode, dat de Kamper magistraat bewust de kant van het gematigde patriottisme had gekozen door in 1782 de stadhouder het recht tot recommendatie van magistraatsleden op te zeggen en oogluikend toe te staan dat in 1784 een patriottisch exercitiegenootschap was opgericht. Fase II is de periode van de landelijke restauratie, nadat koning Frederik Willem II van Pruissen met een leger van 26.000 man de patriotse woelingen de kop had ingedrukt. Fase III is de periode van de fluwelen revolutie, nadat de Franse troepen stadhouder Willem V hadden verjaagd en de prinsgezinden het veld moesten ruimen. Gematigde patriotten bepaalden in Kampen het stadsbeleid. Fase IV is de specifiek Kamper periode van de democratische woelingen, waarin revolutionaire patriotten aan het bewind waren. Fase V is de periode van terugkeer naar het gematigde patriottisme. Fase VI is opnieuw een fase van revolutionair patriottisme, een rechtstreeks uitvloeisel van de landelijke ontwikkelingen. Fase VII is een lange periode, waarin tot 1806 gematigde patriotten het beleid bepaalden. Onder het Koninkrijk Holland, 1806 tot 1810, was het democratische element nagenoeg uitgespeeld.

Fase I
Deze periode was beslist niet de meest rustige in de Kamper samenleving. In nog geen drie jaar tijd openbaarde zich heel wat frictie tussen een grote groep patriotten en een waarschijnlijk veel kleinere groep prinsgezinden. De laatste groep kreeg vermoedelijk wel de steun van de garnizoensoldaten. Kennelijk liep de spanning in 1785 zo hoog op, dat een speciale order van de kolonel het treffen tussen garnizoensoldaten en patriotse burgers moest indammen. Het jaar 1787 was nog roeriger. Meer dan tien keer werden glazen ingeslagen bij woningen van patriotten.

|pag. 60|

Het lijkt een tactiek geweest te zijn van de garnizoensoldaten, vaak vergezeld van een groepje oranjegezinde Kamper burgers. Tot vier keer toe kwam het tot een handgemeen tussen prinsgezinde en patriotse burgers. Kennelijk waren er in Kampen ook meerdere uit Elburg gevluchte patriotten die herhaaldelijk van zich lieten horen. Zo werd een Kamper burger afgetuigd door een uit Elburg afkomstige ruiter. In hetzelfde jaar was er nog een geval van fysiek geweld tegen de prinsgezinde Van Rhijn. Overigens waren er niet alleen uit Elburg gevluchte patriotten te Kampen. De rechterlijke bronnen spreken ook nog van twee uit Lochum gevluchte patriotse soldaten. Dat de oranjegezindheid onder de Kamper autochtone bevolking niet groot geweest is, lijkt bevestigt te worden door de geringe omvang van de ‘oranjebijeenkomst’ ten huize van zekere heer Dekker.

Fase II
In vergelijking tot de eerste fase duurde deze meer dan twee keer zo lang. Wat betreft politieke onrust lijkt het een voortzetting geweest te zijn van de eerste periode. De patriotten lieten zich flink horen, hoewel ze door de restauratie enigszins in het defensief gedrongen waren. Over en weer kwam het maar liefst twintig keer tot ruzie en/of molestatie van andermans bezittingen. Daarbij spande de familie Biebeek de kroon. Deze patriotse familie was nota bene vier keer betrokken bij scheld- en vechtpartijen met prinsgezinden. De affaire rond de Deventenaar Schouten zorgde ook voor een heftige escalatie tussen beide facties. De prinsgezinde garnizoensoldaten bleken het geweld evenmin te schuwen. Tot vijf keer toe werden Kamper burgers het slachtoffer van militair geweld. Ook werden bij drie personen de glazen ingetikt door militaire ruiters. In 1793 bleek het ronselen van soldaten onder Kamper burgers tot wederzijds onbegrip te leiden. Twee radicale patriotten zorgden voor behoorlijke opschudding. Allereerst was het de Lutherse ouderling L.C.H. Strubberg die voor flinke commotie zorgde door het publiekelijk voorlezen van één of ander patriots pamflet. Veel heftiger nog werd de preek van zijn predikant, ds De Goede ervaren. De Lutherse De Goede zou direct of indirect de prinsgezinde factie door het slijk gehaald hebben. Kortom deze zeven jaren waren bepaald roerig. De roerigheid wordt ook nog eens een keer bevestigd wanneer we de zaken vermeld onder de categorie burgertwisten meenemen. Maar liefst zeven keer kwam het tussen burgers tot amok. Hoewel de precieze reden vaak moeilijk te achterhalen is, zou er in bepaalde gevallen mogelijk een relatie geweest kunnen zijn met de politieke omstandigheden.

Fase III
Fase drie duurde slechts dertien maanden. De gematigde patriotten hadden het na de omwenteling voor het zeggen, maar een flinke groep radicale patriotten vonden de veranderingen nog niet vergaand genoeg. Een duidelijk voorbeeld daarvan is de consternatie die de uit Elburg afkomstige Carel du Tour veroorzaakte door te spreken van de oprichting van een guillotine om de aristocratische restanten op te ruimen. Overigens lieten oranjegezinden zich eveneens horen. In dat ene jaar waren er drie gevallen van oranje boven roepende personen. Ook waren er drie gevallen van ongeregeldheden c.q. molestatie van huizen. De aanwezigheid van de inmiddels gearriveerde Franse soldaten ging evenmin ongemerkt voorbij. Drie gevallen van overlast kwamen voor de rechter, waarbij twee zaken dermate geëscaleerd waren dat

|pag. 61|

twee Kamper burgers flink verwond raakten. Gelukkig werden de vitale delen niet geraakt, want gemakkelijk genoeg hadden hierbij doden kunnen vallen. Samenvattend, dat ene jaartje na de Franse bezetting verliep verre van gladjes. Maar gezien de tijdsomstandigheden zal het in vergelijking met andere steden ook weer niet heel bijzonder geweest zijn.

Fase IV
Fase vier behelst de periode dat de radicale patriotten aan de macht waren. Op soldaat Huygens na roerden zich de oranjegezinden niet. Althans, in zoverre de gerechtelijke bronnen daarvan reppen. De politieke onvrede kwam nu meer van de kant van de gematigde patriotten, hoewel het natuurlijk mogelijk geweest is, dat de oranjegezinde burgers toentertijd een monsterverbond hebben gesloten met de gematigde patriotten. De politieke onvrede die er was richtte zich direct tegen de municipaliteitsleden. Zo circuleerde er in augustus 1796 een rekwest met allerlei aantijgingen tegen de zittende municipaliteit. Wat er precies is gebeurd wordt niet duidelijk, maar wel melden de bronnen van een akkefietje met municipaliteitslid Stennekes. Achter de moordaanslag op municipaliteitslid M. Kok stak wel erg veel agressie. Heel waarschijnlijk waren de gemoederen behoorlijk verhit, want de municipaliteit liet in luttele maanden maar liefst drie publicaties uitgaan om de ongeregeldheden in te dammen. Over en weer waren de aantijgingen niet van de lucht. De heer Van Bommel zou later zijn excuus aan moeten bieden tegenover de persoon van Evers, die het rekwest had opgesteld. Het is niet ondenkbeeldig dat in deze periode de politieke agitatie het grootst is geweest.

Fase V
Deze fase is de op één na kortste van alle zeven. Ze duurde slechts zeven maanden en hield eigenlijk niet veel meer in dan een kort intermezzo tussen de beide regeringsperioden van de radicale patriotten. Na een vechtpartij met een Franse korporaal ontlaadde J. Ridderinkhof zijn frustratie op de zittende magistraat, die naar zijn idee allemaal aristocraten waren. Hiermee liet hij zich duidelijk in zijn hart kijken als Jacobijn. Wie tot twee keer toe de vrijheidsboom beschadigde blijkt niet, maar heel waarschijnlijk kwamen deze acties uit de koker van oranjegezinde personen. Verder bleef het in dit halfjaar tamelijk rustig.

Fase VI
Fase zes duurde evenals de voorgaande slechts enkele maanden. Geholpen door externe hulp werden de radicale patriotten nog een keer in het regeringszadel verheven. Het was slechts kortdurend. Het enige gebeuren dat echt opzien baarde was het uitlezen van de sententie tegen zekere A. Boers. Het scheelde niet veel of een dreigend volksoproer zou losbarsten. Kennelijk behoorde Boers niet tot de radicale patriotten en werkte zijn zaak als katalysator voor dieper levende onvrede van gematigde patriotten en misschien ook wel van oranjegezinden. Uiteindelijk bleef de zaak beheersbaar, maar zelfs nu is de revolutionaire geest in de gerechtelijke stukken te proeven. De overlast die boerengezinnen aan de Zwartendijk ondervonden van Franse soldaten, lijkt niet echt verband te houden met de politieke verhoudingen van die tijd.

|pag. 62|

Fase VII
Fase zeven is met twaalf jaar de langste van allemaal. De meeste gevallen van maatschappelijke onrust gerelateerd aan de politieke omstandigheden deden zich voor in de eerste jaren van deze periode, grofweg tot ongeveer 1802. Na 1805 lezen we nauwelijks van gerechtelijke zaken met een politieke lading. De ordeverstoring door T. Hofman en zijn twee broeders in het kwaad lijken Jacobijns geïnspireerd. In 1799 dreigde er een volksopstootje. Een jaar later werd burger Mengel aan de tand gevoeld wegens politiek onwelgevallige activiteiten. In datzelfde jaar vergreep Van Wijhe zich aan magistraatslid Stennekes. Verder speelden in de jaren 1801, 1806 en 1807 nog drie zaakjes, die verband houden met politieke agitatie. De drie zaken van burgertwist in 1802 en 1809 zijn te onbetekenend om er conclusies aan te verbinden.
In deze jaren ontstonden er wel herhaaldelijk conflicten tussen burgers en Franse militairen al dan niet uitgelokt door wangedrag van Franse soldaten. In de jaren 1798 en 1799 maakten ze zich zeker niet geliefd, door tot drie keer toe voor behoorlijke overlast te zorgen. In 1801, 1802 en in 1805 kwam het tot flinke confrontaties tussen militairen en Kamper burgers. Daarbij vielen rake klappen en in 1802 werd zelfs met scherp geschoten. Tenslotte waren er tussen 1800 en 1804 nog drie gevallen, waarbij burgers gedupeerd werden door het optreden van Franse soldaten.

|pag. 63|

3.4 Samenhang maatschappelijke onrust en economische constellatie
Het bestaan van een relatie tussen het sociaal-economische en het criminele terrein is dermate evident dat het nauwelijks betoog behoeft. Zonder te ontkennen dat andere factoren eveneens bepalend zijn, is er in dit onderzoek vanuit gegaan dat het voorkomen van criminele handelingen in veel gevallen direct of indirect verband houdt met de economische realiteit van de dag. Tegenwoordig is dat niet anders. In achterstandswijken is de politie nu eenmaal vaker nodig dan in meer gegoede leefomgevingen. Een en ander zou gemakkelijk onderbouwd kunnen worden met statistische gegevens, maar aangezien dat in het kader van dit onderzoek niet echt noodzakelijk is, laten we het liever achterwege.

Onder paragraaf 1.2 en 2.2 is geprobeerd een korte weergave te geven van het sociaal-economische leven gedurende de achttiende en begin negentiende eeuw. In het kort kwam het erop neer dat de achttiende eeuw gekenmerkt werd door een stagnerende economie, zij het met grote lokale verschillen en her en der zelfs tegengestelde ontwikkelingen. De stad Kampen lijkt evenwel goed in het algemene beeld van stagnatie te passen en zeker is dat tijdens de Franse Tijd geen veranderingen ten positieve hebben plaatsgevonden. Het tegenovergestelde kan aan de hand van harde gegevens aannemelijker gemaakt worden.

Om te kijken of er in de Franse Tijd sprake was van toenemende criminaliteit ten gevolge van de economische constellatie, moeten we de drie laatst beschreven categorieën criminaliteit van paragraaf 3.2 – vermogensdelicten, sociaal wangedrag en drankoverlast, en overlast door vreemdelingen – afzetten tegen het geschetste tijdsbeeld van paragraaf 2.2.

In z’n algemeen is al gesteld, dat er in de Franse Tijd hoogstwaarschijnlijk meer sprake is geweest van vermogensdelicten dan in de tienjarige periode ervoor. Toch is het niet gemakkelijk om uit de gegeven tabellen echte piekperioden aan te wijzen.
Weliswaar vallen de jaren met het hoogste aantal vermogensdelicten in de Franse Tijd, echt groot zijn de verschillen tussen de diverse jaren uiteindelijk niet. Bovendien blijken de piekjaren niet gemakkelijk te clusteren. Terwijl in 1806 het aantal vermogensdelicten voor heel de periode een maximum bereikte, bleken de twee omliggende jaren nagenoeg van dergelijke misdaden gevrijwaard te zijn. Wel is in paragraaf 3.2 onder het kopje vermogensdelicten al opgemerkt dat na 1800 ongeveer een verdubbeling van het aantal vermogensdelicten is opgetreden in vergelijking met de vijftienjarige periode ervoor. Maar uit het aantal vermogensdelicten alleen, hoewel in de Franse Tijd kwantitatief gemiddeld hoger dan in het tijdsbestek ervoor, valt nog niet direct af te leiden dat er inderdaad sprake is geweest van toenemende criminaliteit vanwege de economische omstandigheden. De cijfers van de grafiek zouden een te fragiele basis vormen voor een dergelijke conclusie. Dit temeer omdat niet elk vermogensdelict direct uit pure armoede begaan werd. In slechts enkele gevallen kan met grote zekerheid gezegd worden, dat de diefstal inderdaad begaan was vanuit armoede omdat de stukken ervan melden. Opvallend is dat deze zaken allemaal na 1803 spelen; in de periode 1785 tot 1803 wordt in geen enkel processtuk

|pag. 64|

gewag gemaakt van diefstal uit overwegingen van armoede en gebrek. Dat geeft te denken.

Dat de situatie in 1803 voor de lagere klassen penibel geweest zou zijn, is des te aannemelijker als we kijken naar het overheidsoptreden in dat jaar. De stadsraad achtte het in dat jaar nodig een stadsbrede collecte uit te schrijven ten bate van de armen, omdat de middelen van de armeninstellingen ontoereikend bleken te zijn.
Kennelijk zakten vele arme gezinnen onder het bestaansminimum, waarschijnlijk mede vanwege de uitzonderlijk hoge roggeprijzen, f 2,70 voor een schepsel, die vanaf december 1802 golden. Alleen in 1795 had de prijs van rogge met f 2,80 voor een schepsel een fractie hoger gelegen. De motivatie die Jan Smit in januari 1803 voor de diefstal van een hek gaf, lijkt dan erg geloofwaardig. Hij had naar eigen zeggen uit pure armoede gestolen, omdat hij thuis voor zijn vrouw en vier kinderen niets te eten noch te branden had. Weliswaar verdiende hij normaal de kost met matten aangevuld met noodhulp van de Armenkamer, echter wegens de koude van dat jaar kon hij zijn beroep niet uitoefenen 208 [208. G.A.K., R.A., inv. nr. 271, “Informatiën”, 31 jan. 1803]. Twee maand later kwam het opnieuw tot een gerechtelijke vervolging om sociaal wangedrag die direct verband scheen te houden met de heersende armoede. Machteld Hendriks werd toen aan de tand gevoeld, wegens het verlaten van de stad en het achterlaten van haar twee buitenechtelijke kinderen, volgens eigen lezing verwekt door een soldaat en een constapel. Ook zij gaf als reden, dat de armoede haar ertoe gebracht had en dat het brood dat ze van de Armenkamer betrok niet toereikend was 209 [209. idem, 28 maart 1803].

Het jaar 1806, qua vermogensdelicten het maximumjaar, en de daaropvolgende jaren laten eveneens een duidelijk verband zien tussen latente armoede en diefstal. Met uitzondering van 1804 waren de jaren 1805, 1806 en 1807 ook dure roggejaren. Voor veel gezinnen zal dit waarschijnlijk opnieuw de overlopende druppel zijn geweest, waardoor ze het hoofd niet meer boven water konden houden. Dat er wel degelijk grote armoede was, wordt temeer duidelijk wanneer we de oproep namens de minister van binnenlandse zaken van Zijne Majesteit in ogenschouw nemen.
Hiermee werd iedereen die met paarden overweg kon opgeroepen om te gaan dienen in het leger van de koning voor een veldtocht. In ruil daarvoor kreeg men gratis eten en bovendien acht stuivers per dag. Volgens het stadsbestuur zouden velen zich wel aanmelden gezien de duurte van de tijden. Wie zich niet vrijwillig aanmeldde, zou in de toekomst niet langer financiële steun van de stad hoeven te verwachten 210 [210. G.A.K., R.A., inv. nr. 274, “Informatiën”, 18 nov. 1806].

Gezien het bovenstaande doet het niet vreemd aan dat er in de jaren 1806, 1807 en 1808 vijf gevallen van crimineel gedrag waren waaraan armoede ten grondslag lag.
Bij drie van de vijf zaken ging het om moeders die naar eigen zeggen stalen om hun gezin in onderhoud te kunnen voorzien 211 [211. G.A.K., R.A., inv. nr. 273, 274 en 275 “Informatiën”, 3 okt. en 28 dec. 1806, 14 april 1807, 17 mei en 4 juli 1808]. Eentje maakte het zelfs zo bont, dat ze tijdens een begrafenisdienst het kerkportaal binnenglipte om een paar oorijzers te ontvreemden 212 [212. G.A.K., R.A., inv. nr. 275, “Informatiën”, 17 mei 1808]. De 14-jarige Jan Nuyen scheen puur te stelen om zijn buik te kunnen vullen. In ruil voor een bord aardappelen ontvreemdde hij zilverwerk bij een Franse luitenant, dat hij vervolgens bij Piet Warnar afleverde 213 [213. idem, 4 juli 1808]. Opvallend is dat in vier van de vijf bovengenoemde gevallen forse straffen werden opgelegd, respectievelijk drie

|pag. 65|

jaar, zes maand en één jaar tuchthuisstraf en in het geval van Jan Nuyen en Piet Warnar verbanningsstraffen van twee en van drie jaar. De zwaarte van de straffen is te meer opmerkelijk, wanneer een vergelijking gemaakt wordt met gepleegde geweldsdelicten in dezelfde periode. Maar zeer sporadisch werd dan overgegaan tot straffen van zo’n zware omvang. Daarbij komt dat de meeste vermogensdelicten in de jaren voor 1806 afgedaan werden met een boetestraf of korte gevangenisstraf. Het vermoeden doet zich voor, dat de rechterlijke macht duidelijke signalen heeft willen afgeven om de rest van de samenleving af te schrikken in tijden van toenemende economisch-gerelateerde criminaliteit. Dit zou erop kunnen duiden, dat de vermelde zaken slechts het topje van de ijsberg vormden en dat het probleem veel breder bestond. Immers veel diefstalletjes zullen onopgelost gebleven zijn en dus moest een gerechtelijk vervolg node achterwege blijven. Processtukken dienaangaande zijn dan uiteraard ook niet voorhanden, waarmee het zich aan onze waarneming onttrekt. Al eerder is gezegd, dat de reisepensiën tot 1803 de enige bron vormden die informatie verschafte over aangifte van diefstallen en andere criminele handelingen. Helaas zoeken we deze gegeven na 1803 tevergeefs, omdat de reisepensiën vanaf dat jaar niet langer gespecificeerd werden.

Alles overziende lijken er toch aanwijzingen te zijn, dat er in het eerste decennium van de negentiende eeuw sprake is geweest van toenemende maatschappelijke onrust veroorzaakt door de economische omstandigheden van die tijd. Dit vermoeden krijgt vastere vorm, wanneer we het aspect van de door vreemdelingen veroorzaakte overlast laten meewegen. Voor 1800 lezen we maar twee keer van vreemdelingen die zich te buiten gaan, namelijk de eerste keer in 1792 en de tweede keer in 1797. Overigens was het laatste geval wel een buitengewoon gruwelijk iets.
Tussen 1800 en 1810 hebben zich echter wel 24 vreemdelingen voor het gerecht moeten verantwoorden in verband met crimineel gedrag. In bijna alle gevallen hadden ze zich schuldig gemaakt aan het zich onrechtmatig toe-eigenen van andermans geld of goederen. Kennelijk verlieten in die jaren veel mensen hun geboortestad om hun geluk elders te beproeven. Ongetwijfeld werden velen door de nood gedreven. Van hen zullen er diversen geweest zijn die de meer duistere tactieken niet geschuwd hebben om in hun levensonderhoud te voorzien. De Kampers hebben dat onder andere aan den lijve mogen ondervinden.

Kijken we tenslotte nog naar de categorie sociale wantoestanden en drankoverlast, dan ontstaat een iets ander beeld. Je zou gezien bovenstaande ook een toename van de drankproblematiek verwachten. Immers in tijden van misère zien veel mensen de drankfles als oplossing. Toch gaat dat voor de Franse Tijd uit oogpunt van kwantitatieve verhoudingen ten opzichte van de voorgaande periode niet op. Wel lijken de gevallen na 1800 dramatischer en inherent daarmee ook schrijnender. De moordzaak in Brunnepe is daarbij wel een dramatisch dieptepunt. Ook de andere gevallen na 1800 gingen niet onopgemerkt voorbij. Overigens moeten we altijd in het achterhoofd houden, dat veel sociale wantoestanden achter gesloten deuren verborgen zijn gebleven.

|pag. 66|

3.5 Slotconclusies
Aan het einde van dit onderzoek rest ons de terugblik. Onze onderzoeksvraag luidde: ‘In hoeverre is er sprake van toenemende sociale en maatschappelijke onrust gedurende de Franse Tijd in Kampen en wat zijn de mogelijke oorzaken daarvan?’
Het eerste deel van de onderzoeksvraag hebben we in paragraaf 3.1 proberen te beantwoorden. Het antwoord luidde, dat er inderdaad sprake is geweest van toenemende maatschappelijke onrust na 1795 met het zwaartepunt op de laatste jaren van de Franse Tijd, voor ons onderzoek de jaren 1806 tot 1810. Hiermee past de Kamper situatie in het algemene Nederlandse beeld. Overigens is het wel moeilijk aan te geven hoe groot de toename van de onrust is geweest. Wat het een verdubbeling, of een verdrievoudiging? Helaas laten de bronnen ons op dit punt in het ongewisse. Daar komt bij dat zoiets ook moeilijk te meten is. Een dief die in kort tijdsbestek twee verschillende personen bestal, geldt als één zaak. Zat er echter twee maand tussen, dan werd het als twee verschillende zaken gerekend. Kortom, er blijft een flinke marge in onze conclusie, wat echter niet wegneemt, dat er wel een toename, hoe groot of klein ook, is geweest.

Het tweede deel van de onderzoeksvraag is wat moeilijker te beantwoorden. Toch kan hier wel het één en ander over gezegd worden. In het begin van de Franse Tijd lijkt de criminaliteit die de rechterlijke macht te verwerken kreeg hoofdzakelijk politiek geïnspireerd. Dit is overigens wel enigszins begrijpelijk, omdat rond 1795 tot 1798 heel wat machtswisselingen plaats vonden en de emoties daarop in die jaren vers waren. Na 1800 horen we in de stukken nauwelijks meer van patriotse of oranjegezinde agitatie. Velen zullen zich bij de status-quo hebben neergelegd en in doffe berusting gehoopt hebben op betere tijden, althans in hun optiek dan. Het lijkt er sterk op dat de politiek-gerelateerde criminaliteit minder vaak met één van de drie zware straffen bestraft werd dan de economisch-gerelateerde criminaliteit. De kosten voor politiek-gerelateerde criminaliteit zijn dan ook lager uitgevallen dan voor de economisch-gerelateerde criminaliteit. Dit zou ten dele kunnen verklaren, waarom de onkosten voor scherprechter en gevangenen tussen 1806 en 1810 veel hoger waren dan rond 1795.

Na 1800 en speciaal in de tweede helft van het eerste negentiende eeuwse decennium is de criminaliteit vooral economisch van aard. Hierin volgt Kampen het algemene beeld. Zoals in het voorwoord gezegd is, werd heel Nederland toen geplaagd door de fenomenen diefstal, landloperij en georganiseerde misdaad. De eerste twee verschijnselen gaan voor Kampen volledig op. Van georganiseerde misdaad lijkt echter geen sprake geweest te zijn. De bronnen reppen er in ieder geval niet over.
Gelukkig maar, want de Kampers hadden wegens de economische misère al genoeg voor hun kiezen. Zoals in paragraaf 3.4 is weergegeven vervielen diverse Kampers na 1800 in de misdaad puur om zichzelf en het gezin in leven te houden. Het waren dan ook beslist geen rooskleurige tijden die men na 1800 meemaakte.

Tenslotte nog enkele opmerkingen over het vermeende patriotse imago van Kampen.
Het lijkt er inderdaad sterk op, dat de Kampers in grote meerderheid patriots waren.

|pag. 67|

Uiteraard waren er oranjegezinden, zoals ook in de gerechtelijke stukken naar voren komt, maar hun aantal schijnt gering geweest te zijn. Deze geringe groep won in de jaren 1787 tot 1795 overigens wel aan importantie toen ze geruggensteund werden door oranjegezinde garnizoensoldaten. Toch hebben de oranjegezinde Kampers ogenschijnlijk geen vergaande impact gehad op de Kamper ontwikkelingen. De democratisch-gezinde patriotten daarentegen des te meer. Hoewel deze groep geen meerderheid bezat, wisten ze de politieke ontwikkelingen in Kampen wel een eigen turbulentie te geven. De meest revolutionaire patriotten kregen het begin 1796 voor het zeggen, maar liefst twee jaar voordat landelijk een ruk naar links gemaakt werd.
Deze patriots-democratische woelingen hebben in Kampen voor meer politieke beroering gezorgd dan de politieke omwenteling van januari 1795.

|pag. 68|

Noten

Gebruikte afkortingen:
G.A.K. = Gemeentearchief Kampen
O.A. = Oud Archief
Ged.A. = Gedeponeerde Archieven
N.A. = Nieuw Archief
R.A. = Rechterlijk Archief
Inv. nr. = Inventaris nummer
AGN = Algemene Geschiedenis der Nederlanden

 
De noten op pag. 69 t/m 73 zijn in de tekst opgenomen als zijnoten.

|pag. 70|

Geraadpleegde literatuur

Dam, M. van, Kampen in de patriottentijd, scriptie, Kampen, 1984
Dam, M. van, ‘Een schets van de demografische en sociaal-economische ontwikkeling van Kampen tussen 1675 en 1795’, in: Overijsselse Historische Bijdragen, Zwolle 1987
Don, Joh., ‘In woelige tijden. Burgertwisten tussen Patriotten en Prinsgezinden te Kampen 1787-1795’, in: Kamper Almanak 1938/1939, Kampen 1939
Engels, P.H., De belastingen en de geldmiddelen van den aanvang der Republiek tot op heden, Utrecht, 1862
Fehrmann, C.N., ‘De rol van de scherprechter in het verleden te Kampen en elders’, in: Kamper Almanak 1978/1979, Kampen 1979
Fehrmann, C.N., ‘Enige aspecten van de sociaal-economische ontwikkelingen der steden Zwolle, Deventer en Kampen met het Sallandse achterland in de jaren 1795-1990’, in: Kamper Almanak 1972/1973, Kampen 1973
Franke, H., Twee eeuwen gevangen: Misdaad en straf in Nederland, Utrecht, 1990, p. 1-49
Lange, J.H. de, De strijd om de macht, aristocratische en democratische verwikkelingen in Kampen, tijdens de eerste jaren van de Bataafse Republiek, 1795-1798, scriptie, Kampen
Lenferink (red), H.J.J., Geschiedenis van Kampen, maer het is hier te Campen, deel 1, Kampen, 1993
Moerman, H.J., ‘Geschiedenis van Kampen. De Franse Tijd’, in: Kamper Almanak 1956/1957, Kampen 1957
Schama, S., Patriotten en bevrijders, Revolutie in de Noordelijke Nederlanden 1780-1813, Amsterdam, 1989
Sickenga, F.N., Geschiedenis der Nederlansche belastingen. Tijdvak der omwenteling – Algemeen stelsel van het jaar 1805, Amsterdam, 1865
Tijms, W, ‘Prijzen van granen en peulvruchten te Kampen’, in: Historia Agriculturae X-I, 1977
Vlis, D. van der, ‘Daglonen in en rond Kampen van 1526 tot 1810’, in: Overijsselse Historische Bijdragen, Zwolle 1981

|pag. 73|

Bijlagen

Bijlage 1
De vermelde bedragen zijn gebaseerd op de stedelijke rekeningen van 1775 t/m 1810 onder de 3e grossa ‘onkosten scherprechter en gevangeniskosten, Oud Archief Kampen, de inverntaris nummers 643 t/m 679. (De exacte bedragen zijn vermeld in guldens, stuivers en penningen.)

Jaar Bedrag (g-s-p) Jaar Bedrag (g-s-p)
1775 96-14-8 1793 84-13-8
1776 66-9-14 1794 20-6
1777 69-1-8 1795 231
1778 25-6 1796 105-0-4
1779 137-18 1797 59-3
1780 97-4 1798 336-12
1781 8-10 1799 141-8
1782 165-19 1800 493-4-0
1783 8 1801 186-19-8
1784 18-14 1802 496-11-8
1785 42-8 1803 428-8
1786 97-17 1804 210-4
1787 164-7 1805 514-8-0
1788 22-15-8 1806 1094-2-8
1789 533 1807 392-15-4
1790 39-16 1808 1247-14-4
1791 40-4 1809 979-9-10
1792 25 1810 1381-13

 
Bijlage 2
In de maandstaten van het provinciaal tuchthuis te Zwolle werd elke maand aangegeven wie er in het tuchthuis verbleef, wie er ontslagen en wie er als nieuw-gedetineerde binnenkwam.
Ook wordt vermeld vanuit welke stad de gedetineerde afkomstig is en hoeveel jaar de beoogde straftijd bedraagt. Bron: Archief van de Staten van Overijssel, toegangsnummer 3.1, inventarisnummer 4036,

Datum Persoon Straflengte in jaren
25 juli 1786 Geesje Schuurmans 3
22 oktober 1789 Lucas Mengeling 10
25 januari 1794 Zara Meijer 2
25 januari 1794 Bloempje Meijer 1
5 juni 1795 Zara Gerrits 10
idem Niese Peele 3
idem Johanna Smits 3
29 augustus 1795 C. Straatsman 1
20 september 1796 Severijn Stoop 2
6 februari 1797 J.F. Brok 3
26 maart 1798 C. Straatsman 6
3 september 1798 Jan Brouwer 6
6 oktober Gerrit Willems 6
15 november Lodewijk Ruiter 4
6 februari 1804 Geertje Jacobs 4

|pag. 74|
6 december 1805 Abraham Salomons 6
idem Derk Berends 1
30 september 1806 Berend van Dijk 2
12 november Johanna Schrik 3
25 mei 1808 Teune Kruiderink 1
19 juli Jan Nuyen 2
29 september Jan Sterke 3
1 november Griet van Wesep 1
21 juni 1809 Hendrik Bosch 2
25 juli Gerrit Willems 4
22 december Anna Geertje Bruins 6
1 mei 1810 Albertus Dollekamp 6
1 mei Levi Abrahams 2
7 augustus Schram 4
14 december Gerrit Willems 2
Maandstaten stoppen in augustus 1811

 
Bijlage 3

Jaar Namen van verbannen personen Lengte in jaren bronvermelding
1785 Geertruud Bardon en Hermannus Slingerland ? G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 9 en 13 juni 1785
1787 A. Schultink Voor altijd G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 1 okt. 1787
1787 Jacob van de Burck ? G.A.K., R.A., inv. nr. 255, “Informatiën”, 19 nov. 1787
1791 Jacob Bos 2 jaar G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 23 febr. 1791
1791 A Hoeve 6 jaar G.A.K., O.A., inv. nr. 659, “Stedelijke Rekeningen”, 28 maart 1791
1793 Jan Siebrands 2 jaar G.A.K., O.A., inv. nr. 661, “Stedelijke Rekeningen”, 21 febr. 1793
1796 Gerrit Stolte 1 jaar G.A.K., O.A., inv. nr. 664, “Stedelijke Rekeningen”, 8 dec. 1796
1802 Johanna Melchers 2 jaar G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 15 juni 1802
1808 Pieter Warnar 3 jaar G.A.K., R.A., inv. nr. 347, ‘Register van sententies”, 4 juli 1808
1808 Jan Nuijen 2 jaar G.A.K., R.A., inv. nr. 347, ‘Register van sententies”, 4 juli 1808
1808 Frans Barofski 6 jaar G.A.K., R.A., inv. nr. 347, ‘Register van sententies”, 1 nov. 1808
1809 Petertje Hendriks 2 jaar G.A.K., R.A., inv. nr. 347, ‘Register van sententies”, 4e van de bloeimaand 1809
1809 G.vd.Bosch 6 jaar G.A.K., R.A., inv. nr. 347, ‘Register van sententies”, 2e van de bloeimaand 1809
1810 Jacobus oudenhoven ? G.A.K., R.A., inv. nr. 347, ‘Register van sententies”, 1e van de wintermaand 1810
1810 Anna Scholte 6 jaar G.A.K., R.A., inv. nr. 347, ‘Register van sententies”, 13e van de wintermaand 1810

 
Bijlage 4

Jaar Geldboete Bedrag Bronvermelding
1786 Bartha Pres 25 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 2 jan. 1786
1786 Stadseiker Willem Veldhuis en boer Beide 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 27 nov. 1786
1787 Elburger Samuel de Ruiter 40 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 20 jan. 1787

|pag. 75|
1787 Jacob Fox 25 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 20 febr. 1787
1787 A Croesse 50 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 19 nov. 1787
1789 Jan Boele 5 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 14 febr. 1789
1789 Willem Schouten 5 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 11 maart 1789
1789 Jacob Jacobs 25 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 21 dec. 1789
1790 Hendrik Willems 5 G.A.K., O.A., inv. nr. 658, “Stedelijke Rekeningen”, 27 jan. 1790
1790 Hendrik Lemmerman 5 G.A.K., O.A., inv. nr. 658, “Stedelijke Rekeningen”, 27 jan. 1790
1790 T.L. van Eiken 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 17 mei 1790
1790 B. Jans 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 17 mei 1790
1790 Karel Kok 10 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 20 mei 1790
1790 Egbert Adolf 10 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 26 juni 1790
1791 Hendrik van Zuidloo 20 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 23 febr. 1791
1791 Adam Styl 10 G.A.K., R.A., inv. nr. 259, “Informatiën”, 21 juli 1791
1791 Denekamp 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 22 aug. 1791
1792 Maria Hilbrink 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 16 juli 1792
1792 Jan Kroes 10 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 4 sept. 1792
1792 Geert Jans 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 12 okt. 1792
1792 Dirk van Marle 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 27 dec. 1792
1793 Nicolaas van de Berg 5 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 28 dec. 1793
1793 W. Evers 3 G.A.K., O.A., inv. nr. 661, “Stedelijke Rekeningen”, 8 juli 1793
1793 Jan Evers 2 G.A.K., O.A., inv. nr. 661, “Stedelijke Rekeningen”, 8 juli 1793
1795 Jan Stolz 5 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 10 dec. 1795
1797 Matthijs van Bommel 3 G.A.K., O.A., inv. nr. 665, “Stedelijke Rekeningen”, 30 aug. 1797
1803 Piet van der Vegt 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 6 jan. 1803
1806 Jan Verdam 10 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 25 sept. 1806
1807 Hendrik van Grafhorst 5 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 16 april 1807
1809 Hendrik Alberts 10 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 23 febr. 1809

 
Bijlage 5

Jaar Gevangenisstraf tot 14 dagen Aantal dagen Bronvermelding
1785 Soldaat Pieter de la Haye 8 G.A.K., O.A., inv. nr. 653, “Stedelijke Rekeningen”, 10 maart 1785
1786 Willem Smit 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 29 mei 1786
1786 Christoffel Loos 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 30 nov. 1786
1787 A Haselhorst 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 6 maart 1787
1787 Jannes Nieuwebrug 4 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 12 dec. 1787
1788 Toon Biesterbos 8 G.A.K., O.A., inv. nr. 656, “Stedelijke Rekeningen”, 30 jan. 1788
1788 Jan Meulenbeek 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 29 juni 1788
1791 Jan Glazer 14 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 23 febr. 1791
1791 Adam Styl 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 29 maart. 1791
1791 Claas van Hulsen ? G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 23 febr. 1791 + O.A., inv. nr. 659 ‘Stedelijke Rekeningen, 23 febr. 1791
1792 Mary Tilly 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 26 maart 1792
1792 Cathrina Viset 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 26 maart 1792
1793 J Remmes 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 28 nov. 1793
1794 Hendrik Jan Biebeek 4 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 8 juli 1794
1795 Hendrik van Rhijn 14 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 5 maart 1795
1795 Korporaal Wijnand Pertons 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 8 okt. 1795

|pag. 76|
1795 Dragonder Jan Matthijs Schippers 10 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 5 dec. 1795
1795 Carel du Tour ? G.A.K., O.A., inv. nr. 663, “Stedelijke Rekeningen”, 5 mei 1795
1798 Willem Rijns ? G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 3 maart 1798
1798 A Boers ? G.A.K., O.A., inv. nr. 667, “Stedelijke Rekeningen”, 29 juni 1798
1798 T Hofman ? G.A.K., R.A., inv. nr. 266, “Informatiën”, 23 aug. 1798
1798 Jan Meiboom 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 266, “Informatiën”, 23 aug. 1798
1799 Pieter ten Hove 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 30 okt. 1799
1799 Vader ten Hove 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 30 okt. 1799
1800 Johannes Ridderinkhof 6 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 6 jan. 1800
1800 Teunis Hofman 14 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 16 dec. 1800
1800 H Mengeling ? G.A.K., O.A., inv. nr. 669, “Stedelijke Rekeningen”, 26 mei 1800
1801 Adam Overlander ? G.A.K., O.A., inv. nr. 670, “Stedelijke Rekeningen”, 16 maart 1801
1801 Matthijs Kieser ? G.A.K., O.A., inv. nr. 670, “Stedelijke Rekeningen”, 16 maart 1801
1802 Leendert Kelner 4 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 25 febr. 1802
1803 Jan van der Wal 4 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 6 jan. 1803
1803 Jan Rierink 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 18 aug. 1803
1803 Egbert Heysink 4 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 5 nov. 1803
1804 Piet van der Vegt 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 12 nov. 1804
1805 (Yank of Gereke?) de Vries 14 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 23 maart 1805
1805 Jan Claassen 14 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 23 maart 1805
1805 Egbert van Marle 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 27 april 1805
1805 Hendrik Jans 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 6 mei 1805
1805 Gerrit Janshuizen 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 13 mei 1805
1805 Jan Uiterwijk 14 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 4 juni 1805
1805 Berend van Dijk 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 8 aug. 1805
1806 Hendrik-Jan van de Berg 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 27 maart 1806
1806 Jan Claassen 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 15 juli 1806
1806 Jan van Eunen 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 11 aug. 1806
1806 Gerrit Jan Vulker 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 11 aug. 1806
1807 Rutger Hendriks 4 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 25 juni 1807
1807 Jan Jansen 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 13 juli 1807
1809 Zw van der Werf 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 23 febr. 1809
1809 Abraham Nathan 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 23 febr. 1809
1809 Jannigje Bost 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 19e van grasmaand 1809
1809 Jannigje Danendorp 14 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 4e van bloeimaand 1809
1809 Arend van der Straten 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 5e van hooimaand 1809
1809 Griet van der Vogt 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 3e van oogstmaand 1809
1810 Jan Verdam 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 12 van sprokkelmaand 1810
1810 Frans Jacobs 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 2e van slagtmaand 1810
1810 Berend Ekkelboom 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 2e van slagtmaand 1810

 

|pag. 77|

Bijlage 6
Het totaalaantal gedetineerden is gebaseerd op de gegevens van de 3e grossa van uitgaven ‘Onkosten scherprechter en gevangeniskosten’ in de stedelijke rekeningen. (G.A.K., O.A., inv. nrs. 653 t/m 675)

Totaal aantal gedetineerden per jaar
Jaar Aantal Jaar Aantal Jaar Aantal
1785 2 1793 4 1801 10
1786 8 1794 3 1802 14
1787 12 1795 12 1803 13
1788 5 1796 2 1804 17
1789 5 1797 3 1805 20
1790 2 1798 19 1806 12
1791 4 1799 7
1792 3 1800 11

 
Bijlage 7

Jaar Uit functie ontheven Tijdsduur Bronvermelding
1785 Roedendrager Jan ter Meer Ernstig vermaand G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 28 febr. 1785
1790 Stadseiker Willem Veldhuis 3 maand G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 8 okt. 1790
1795 Poortwachter Weier van Eekeren 3 maand G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 17 aug. 1795
1800 Klapwaker Joost Meulenbroek 14 dagen G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 10 febr. 1800
1800 Klapwaker Gerrit Willems 2 maand G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 13 dec. 1800
1802 Noodhulp der klapwakers Hendrik Harms Voor altijd G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 9 dec. 1802
1803 Noodhulp der klapwakers Arend van der Straaten Voor altijd G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 11 aug. 1803
1804 Turfmeester Lubert Louds 6 weken G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 3 mei 1804
1805 Doodgraver Jan Lankhorst 1½ jaar G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 25 april 1805
1805 Klapperwacht Jan van Weesp 6 weken G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 14 nov. 1805
1806 Stadsomroeper Jan Boterenbrood ½ jaar G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 17 febr. 1806
1806 Jan van Weesp Voor altijd G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 4 aug. 1806
1807 Turfvuller Lucas de Rooy 6 weken G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 11 dec. 1807
1808 Stadsomroeper Jan Boterenbrood Voor altijd G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 11 jan. 1808

 
Bijlage 8

Totaal aantal vermogensdelicten per jaar
Jaar Aantal Bronvermelding
1785 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 253, “Informatiën”, 3 juni, 7 juli en 4 okt. 1785

|pag. 78|
1786 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 254, “Informatiën”, 28 febr. en 26 aug. 1786
1787 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 255, “Informatiën”, 10 mei en 19 nov. 1787
1788 4 G.A.K., R.A., inv. nr. 256, “Informatiën”, 14 juli en 15 dec. 1788 + G.A.K., O.A., inv. nr. 656, “Stedelijke Rekeningen”, 3 juni en 21 okt. 1788
1789 5 G.A.K., R.A., inv. nr. 257, “Informatiën”, 12 juni, 19 juni, 6 aug. en 15 aug. 1789 + G.A.K., O.A., inv. nr. 657, “Stedelijke Rekeningen”, 20 juni 1789
1790 4 G.A.K., R.A., inv. nr. 258, “Informatiën”, 23 febr., 10 mei, 1 juli en 27 juli 1790
1791 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 22 aug. 1791 + G.A.K., O.A., inv. nr. 659, “Stedelijke Rekeningen”, 4 juni 1791
1792 4 G.A.K., R.A., inv. nr. 260, “Informatiën”, 21 juli, 3 aug. en 6 nov. 1792 + G.A.K., O.A., inv. nr. 660, “Stedelijke Rekeningen”, 1 mei 1792
1793 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 261, “Informatiën”, 30 jan., 27 febr. en 1 maart 1793
1794 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 262, “Informatiën”, z.d. 1794 + G.A.K., O.A., inv. nr. 662, “Stedelijke Rekeningen”, 24 febr. 1794
1795 4 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 10 dec. 1795 + G.A.K., O.A., inv. nr. 663, “Stedelijke Rekeningen”, 20 sept. en 15 dec. 1795 + G.A.K., O.A., inv. nr. 247, “Publicaties”, 19 sept. 1795
1796 1 G.A.K., R.A., inv. nr. 264, “Informatiën”, z.d. 1796
1797 7 G.A.K., R.A., inv. nr. 265, “Informatiën”, 24 aug. + 19 nov. 1797 + G.A.K., O.A., inv. nr. 665, “Stedelijke Rekeningen”, 13 aug., 8 sept, 23 sept, 14 okt. en 15 nov. 1797
1798 4 G.A.K., R.A., inv. nr. 266, “Informatiën”, 23 sept. en 20 nov. 1798 + G.A.K., O.A., inv. nr. 667, “Stedelijke Rekeningen”, 6 febr. en 27 nov. 1798
1799 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 267, “Informatiën”, 17 mei 1799 + G.A.K., O.A., inv. nr. 668, “Stedelijke Rekeningen”, 29 april 1799
1800 6 G.A.K., R.A., inv. nr. 268, “Informatiën”, 29 april, 17 juni, 5 juli, 10 okt. en 16 okt. 1800 + G.A.K., O.A., inv. nr. 669, “Stedelijke Rekeningen”, 29 april 1800
1801 5 G.A.K., R.A., inv. nr. 269, “Informatiën”, 16 maart, 12 juni, 15 aug., 13 dec. en 17 dec. 1801
1802 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 270, “Informatiën”, 24 dec. 1802 + G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 15 juni 1802
1803 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 271, “Informatiën”, 31 jan., 17 dec. en 31 dec. 1803
1804 5 G.A.K., R.A., inv. nr. 272, “Informatiën”, 25 jan., en 3 febr., 17 febr., 28 febr. en 15 dec. 1804
1805 2 G.A.K., R.A., inv. nr. 273, “Informatiën”, 6 jan. en 9 maart 1805
1806 8 G.A.K., R.A., inv. nr. 274, “Informatiën”, 14 febr., 11 juli, 1 aug., ? sept, 3 okt. en 20 okt. + G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 4 aug. en 11 aug. 1806
1807 1 G.A.K., R.A., inv. nr. 275, “Informatiën”, 14 april 1807
1808 6 G.A.K., R.A., inv. nr. 275, “Informatiën”, 22 jan., 17 mei, 17 juni en 29 juni 1808 + G.A.K., R.A., inv. nr. 347, “Register van sententies”, 4 juli en 28 sept. 1808
1809 5 G.A.K., R.A., inv. nr. 237, “Camerclaringe”, 4e van de bloeimaand en 3e van de oogstmaand 1809 + G.A.K., R.A., inv. nr. 347, “Register van sententies”, 2e van de bloeimaand, 20e van de zomermaand en 21e van de wintermaand 1809
1810 3 G.A.K., R.A., inv. nr. 347, “Register van sententies”, 30e van de grasmaand, 6e van de oogstmaand en 1e van de wintermaand 1810

 
Bijlage 9

Deze grafiek is gebaseerd op de gegevens van bijlage 8. Alleen de gegevens van de ‘Stedelijke Rekeningen’ zijn hierin buiten beschouwing gelaten.

|pag. 79|

– Mulder, T.P.A. (2006). Een studie naar de uitingsvormen en de oorzaken van de maatschappelijke onrust te Kampen in de jaren 1785 tot 1810. (Masterscriptie). Geschiedenis, Driestar Hogeschool, Gouda.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.