Uit Overijssel’s Verleden. I. Het Zwolsche Tuchthuis.

UIT OVERIJSSELS’ VERLEDEN.

I.

Het Zwolsche Tuchthuis.

     Onlangs werd door een geleerd genootschap een prijsvraag uitgeschreven over het gevangeniswezen tijdens onze Republiek, een belangrijk onderwerp, waarover nog wel wat nieuws zal te zeggen zijn, al heeft Molhuijsen 1 [1. In Nijhoff’s Bijdragen, N. Reeks II 63. Daar is echter meer sprake van de 14e, 15e en 16e, dan van de 17e en 18e eeuw.]) reeds getracht gegevens daarvoor te verzamelen.
     Mij dunkt ook voor het publiek, dat geen prijsverhandelingen leest, is de zaak niet van aantrekkelijkheid ontbloot, al ware het slechts omdat de geest des tijds zich er vrij karakteristiek in afspiegelt. Is deze onderstelling niet geheel onjuist, dan mag ik eenige belangstelling verwachten bij de lezers van dit dagblad voor de geschiedenis van het Provinciaal Tuchthuis.
     Het stichten van een dergelijke inrigting voorzag in een levendig gevoelde behoefte. De steden, de groote ten minste, waren elk voorzien van een gelegenheid om misdadigers te bergen. Maar op het platteland, zoowel in Salland als Twenthe, was men daarvan ten eenenmale verstoken, zoodat een gevat boosdoener ten laste kwam der huislieden, die hen bewaken moesten tot op het oogenblik zijner teregtstelling.2 [2. Zie Chalmot op Winshoff, bl. 291; Racer III, 184.]) Daaraan moest een einde komen, begrepen Ridderschap en Steden teregt, en op 22 Maart 1688 werd een commissie benoemd, om tot een beteren toestand te geraken.
     Een der groote moeijelijkheden was echter om uit te maken de plaats, waar een daarvoor bestemd gebouw zoude gesticht worden. De Ridderschap wilde Kampen daarmede begunstigd zien, andere leden streden voor andere plaatsen. Dientengevolge schijnt de zaak op de lange baan geschoven te zijn. Eerst op 18 Maart 1734 kwam de zaak bij R. en St. weder ter tafel en nu werd bepaald, dat het te stichten tuchthuis strekken moest „niet alleen tot beter handhavinge van de criminele jurisdictie, maar ook tot weringe en voorkominge der menigvuldige fraudes van ’s lands middelen, en mitsdien tot beneficieering van deselve, mitsgaders om de provintie ten platten lande te beter te kunnen suiveren en de lantman te bevrijden van de menigvuldige vexatien van stoute bedelaars en schuim van volk.”3 [3. Voor gijzelaars was er aanvankelijk in het tuchthuis geen plaats, zooals bleek, toen de heer Vos de Waal toch 23 Maart 1756 iemand voor schuld hier wilde doen gijzelen. In 1787 bestond er echter eene gijzelkamer.])
     Men was zoozeer doordrongen van de noodzakelijkheid, dat een som van f 47,450, des noods door een loterij te vinden, naar het plan van zekeren J. van den Heuvell, niet te hoog geacht werd; en nadat op voorstel van Gedeputeerden besloten was den strijd over de plaats — karakteristiek voor die dagen! — door het lot te bepalen, werd op 17 April 1738 Zwolle aangewezen als de stad, binnen welks muren het tuchthuis verrijzen zoude.
     Belast met het ontwerpen van de noodige reglementen en instructien, namen Gedeputeerden Utrecht en Amsterdam tot voorbeeld en waren op 15 April met hun arbeid gereed.
     Het is hier de plaats niet om die stukken geheel af te schrijven; voldoende is het die bepalingen mede te deelen, welke een blik gunnen op de wijze, waarop de inrigting beheerd en de bewoners behandeld werden. Het „gerigt” of bestuur over het geheele tuchthuis, over den tuchthuismeester, de suppoosten en de tuchtelingen was in handen van voogden of regenten.
Alleen in zware delicten kwamen Gedeputeerden er bij te pas; anders beslisten in alles de regenten. Zij hadden de bevoegdheid, om de tuchtelingen des noods van elkander gescheiden (cellulair) te laten arbeiden. Hun getal was slechts twee en zij werden door R. en St. gekozen uit de redelijk gegoede Zwolsche burgers, die geen deel uitmaakten der stedelijke regering, op een tractement van 50 daalders of 75 gl. per jaar.
     De tuchthuismeester of cipier stond wel geheel onder toezigt der regenten, maar hij was niet zeer beperkt in de middelen tot handhaving der goede orde. Als hij weerstand ontmoette bij de tuchtelingen, mogt hij ze „castigeren” naar behooren, of ze in de donkere hokken opsluiten. Als „de hand hen bij sodanen gelegentheid te swaar mogte vallen, sodanig dat een tuchteling kwam te quetsen of te dooden” zoude hij daarvoor niet aansprakelijk zijn.
     Een chirurgijn was aan het huis verbonden op een jaarwedde van 50 gulden; een vermaner, om de tuchtelingen van tijd tot tijd vermaning uit Gods woord te doen, werd 18 April 1742 op f 25 per jaar aangesteld, en ontving bij besluit van 17 April 1750 verhooging.
     De tuchtelingen moesten in hun eigen onderhoud voorzien door te spinnen. Hun werk werd nl. tegen eene (zoo het heette) billijke schatting door den cipier overgenomen, en van dat geld betaalden zij dan weder de hun door dezen geleverde spijs. Zooals te begrijpen is, moest eene dergelijke administratie misloopen, al stond ook in de instructie van den cipier, dat de kost en drank goed in zijn soort en „onbedurven” moesten zijn.
Immers, de verleiding was voor den man wel wat groot om zijn jaarwedde van 600 car. gl. 4 [4. Tot zijne emolumenten behoorden: 2 stuiver van elk die het huis kwam bezien.]) aanzienlijk uit te breiden, door den prijs van het werk laag en dien van kost en drank hoog te stellen. Dat men destijds niet even als heden ten dage over eene weelderige voeding geklaagd zal hebben, blijkt uit de bepaling, dat den cipier voor elken tuchteling, die volgens verklaring des medico-chirurgus wegens ziekte niet voor zichzelf den kost verdienen kon, een stooter of 20 duiten daags zoude worden goedgedaan, als deze alleen op water en brood zat, maar 3$$\frac{1}{2}$$ stuiver als ook warm eten geschaft moest worden. Was het een gevangene, die door den Drost, den Hoogschout van Hasselt of den Magistraat van eene der 3 steden gezonden was, dan werd 4 stuivers voor hem in rekening gebragt.
     Op 29 Julij 1746 gaven de Regenten reeds te kennen: 1. dat de tuchthuismeester doorgaans onvergenoegd is over het werk der tuchtelingen en dezen weder klagen over het loon; 2. dat elk tuchteling, eischende te eten wat hij wil, de een meer, de ander minder, over den hoogen prijs der eetwaren klaagt, en 3. dat er meer meesters in het huis waren dan behoorde.
     Gedeputeerde Staten namen tot wegneming der inconvenienten en ongeregeldheden besluit:
1. dat voortaan een beëedigd schatter eens per week den verrigten arbeid zoude overnemen;
2. dat men voortaan het schaftreglement van Arnhem volgen zoude. Dit luidde:
     Zondag: gekookte graauwe erwten, met wat zout, boter en azijn.
     Maandag: gekookte gele erwten met vet.
     Dingsdag: gepelde garst met karnemelk.
     Woensdag: garsten gort met stroop.
     Donderdag: gele erwten met vet.
     Vrijdag: gepelde garst met karnemelk.
     Zaterdag: garsten gort met stroop.
     Alle avonden: karnemelkpap met best gruttenmeel.
     Des zomers, als de groenten abondant zijn, somtijds eens wortels of andere groente.
     Bij deze gelegenheid werd ook uitdrukkelijk aan den cipier opgedragen van tijd tot tijd het huis te laten reinigen; dit scheen tot nu toe als weelde beschouwd te zijn, of liever de tuchthuismeester hield zich in dezen niet aan zijn pligt.
     Uit het bovenstaande kan men m.i. voldoende zien, dat er nu meer reden is om over eene te weelderige voeding der gevangenen te klagen dan destijds, en dat ook in andere opzigten hun tegenwoordige toestand gunstig bij den vroegeren afsteekt.

Mr. J.I. v. D.

_________
Doorninck, Mr. J.I. van (1883, 11 Juni) Uit Overijssel’s Verleden. I. Het Zwolsche Tuchthuis. Prov. Overijs. en Zwol. Cour. (bijvoegsel) (134), p. 7.

Category(s): Zwolle
Tags: ,

Comments are closed.