Algemeene Verordening van Policie voor de Gemeente Kampen

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS van KAMPEN, doen te weten, dat door den Raad dier Gemeente, in zijne Vergadering van den 14 Januari 1864, is vastgesteld de volgende verordening:

Algemeene Verordening van Policie voor de Gemeente Kampen

 

HOOFDSTUK I.

Bepalingen omtrent de verdeeling der Gemeente in Wijken, en de verpligting bij verhuizing.

Art. 1.

De Gemeente zal bestaan uit vijf Wijken, te weten: het gedeelte besloten binnen de buitengracht, de beide havens en den IJssel, uit vier Wijken, waarvan de indeeling als van ouds behouden blijft, zijnde Wijk Een genummerd van No. 1 tot No. 570; Wijk Twee van No . 1 tot No. 515; Wijk Drie van No. 1 tot No. 422 en Wijk Vier van No. 1 tot No. 652; terwijl al hetgeen daar buiten is gelegen, de vijfde Wijk zal uitmaken.

Het toezigt blijft in iedere Wijk opgedragen aan twee Wijkmeesters.

Art. 2.

Alle eigenaren of gebruikers van huizen, gebouwen en erven, binnen boven bedoelde vijf Wijken gelegen, zullen verpligt zijn, de van wege het Gemeentebestuur op de deuren of aan de posten der hoofdingangen met duidelijk leesbare letters in roode olieverw geplaatste Wijk- en ordenummers ten allen tijde op de bestaande wijze in behoorlijken staat te onderhouden.

Art. 3.

Bij vermeerdering of vermindering van perceelen zal de eigenaar of gebruiker onmiddelijk na den afloop der daarstelling of verandering, aan een der Wijkmeesters in de Wijk , waarin de perceelen gelegen zijn, daarvan kennis geven en moeten gedoogen, dat dezelve, in voege als boven, van Wijk- en Ordenummers worden voorzien, en voorts verpligt zijn tot hetzelfde onderhoud als in het vorige Artikel is bepaald.

Art. 4.

Zij die van elders met der woon zich binnen deze gemeente komen vestigen, zijn verpligt, onverminderd hunne gehoudenheid tot naleving der voorschriften, vervat in het Koninklijk Besluit van den 3en November 1861 Staatsblad No. 95, binnen ééne maand na het betrekken eener woning, daarvan aangifte te doen aan een der Wijkmeesters hunner Wijk.

Art. 5.

Zij, die naar eene andere woning in dezelfde Wijk verhuizen , zullen zulks binnen veertien dagen na de verhuizing, aan een der Wijkmeesters van hunne Wijk moeten opgeven. Naar eene andere Wijk verhuizende, zullen zij binnen een gelijk tijdsverloop daarvan opgave moeten doen aan een der Wijkmeesters, zoowel van de Wijk waaruit zij zijn vertrokken, als van die waarin zij zich hebben nedergezet.

Art. 6.

Voor zooverre daartegen bij geene Wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien, zullen de overtredingen der bepalingen in dit Hoofdstuk vervat, worden gestraft met eene geldboete van Een Gulden.

 

HOOFDSTUK II.

Bepalingen ter voorkoming van brand.

Art. 7.

Geene gebouwen, van welken aard ook, zullen met andere gevels dan van steen gemetseld en met leijen, pannen, tegels of ander hard dak gedekt, worden opgerigt; ook zullen geene hooibergen of hooimijten mogen gesteld worden zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders, en voor zooveel aan den openbaren weg uitkomende, zonder dat bovendien het hooi door middel van een’ muur of schutting ter hoogte van minstens twee Nederlandsche ellen daarvan zal zijn afgescheiden.

Art. 8.

Geene scheidingen tusschen gebouwen zullen mogen gemaakt worden van hout, en de zoodanigen, die reeds mogten bestaan , zullen bij vernieuwing niet anders dan van steen mogen worden daargesteld.

Art. 9.

Eigenaren van gebouwen, van welken aard ook, zullen geene schoorsteenen in dezelven mogen hebben of doen aanbrengen, dan van steen, van binnen bepleisterd, en ter hoogte van minstens één Nederlandsche El buiten de daken opgetrokken. De schoorsteenen moeten daarenboven op last van Burgemeester en Wethouders onmiddelijk tot zoodanige meerdere hoogte worden opgetrokken, als zij in het belang der veiligheid zullen noodig achten.

Ook zal niemand anders dan in stookplaatsen, in verband gebragt met schoorsteenen, die voldoen aan de bovenstaande voorschriften, en alzoo niet in zoogenaamde snuivertjes, noch in de open lucht vuur mogen hebben of stoken, dan voor zooveel dit laatste betreft, in de gevallen bij deze verordening voorzien.

Art. 10.

In geen geval zullen in de schoorsteenen gaten of scheuren mogen aanwezig zijn, noch binten, balken of ribben ingemetseld worden, al waren dezelve ook met blik, ijzer of lood bekleed.

Art. 11.

De schoorsteenen op bovenverdiepingen van gebouwen zullen niet anders dan op wulven van steen mogen gemaakt worden, terwijl in geen geval in schoorsteenen luiken of deurtjes mogen aanwezig zijn, tenzij met inbegrip der kozijnen met ijzer of blik beslagen.

Ook zullen geene stookpijpen door zolderingen of beschotten mogen geleid worden, zonder dat de openingen in dezelven van koperen of ijzeren bussen voorzien zijn.

Art. 12.

Een ieder is verpligt zijne schoorsteenen en stookplaatsen ten minste éénmaal in het jaar te doen vegen en behoorlijk van roet te zuiveren, onverminderd zijne verpligting, om zulks door eenen gepatenteerden schoorsteenveger te doen herhalen, zoodra hem zulks op voordragt van Heeren Brandmeesteren door of van wege Burgemeester en Wethouders zal worden bevolen. Niemand zal dezelve daartoe voorbedachtelijk in brand mogen steken.

Art. 13.

Niemand zal Eesten mogen gebruiken anders dan van ijzeren latten en niet rustende op eenig houtwerk, evenmin matten-stoven hebben of gebruiken, alvorens die aan het onderzoek en de goedkeuring van Burgemeester en Wethouders onderworpen zullen zijn; noch ook brandstoffen of andere ligt ontvlambare voorwerpen mogen bergen of bewaren binnen zes palmen afstands van eesten, ovens, of andere vuur- of stookplaatsen, noch binnen drie palmen afstands van schoorsteenen of stookpijpen.

Art. 14.

Niemand zal gedoofde kolen, houtskolen, doppen of gloeijende asch mogen bergen of bewaren anders dan in metalen of steenen potten, van gelijksoortige deksels voorzien.

Art. 15.

Het is aan een ieder verboden, wiens bedrijf als handelaar , fabrijkant of handwerksman zulks medebrengt, zwavel, terpentijn, olie, teer en dergelijke ligt ontvlambare stoffen, in vertrekken of op plaatsen waar vuur gestookt wordt, te bergen of bemerken, of zoodanige stoffen binnens huis te koken, gelijk mede koffijboonen op de openbare straat te branden.

Het koken der bovenbedoelde stoffen zal niet anders dan op geschikte en van wege Burgemeester en Wethouders vooraf goedgekeurde plaatsen in de opene lucht mogen verrigt worden.

Art. 16.

Het is verboden vlas of hennep te hekelen bij ontstoken licht, tenzij zulks in eene beslotene lantaren geplaatst zij.

Art. 17.

Geene kaarsenmakers zullen vet in ketels op het vuur of gloed mogen zetten of laten staan, zonder dat iemand daarbij blijve en toezigt daarover houde.

Art. 18.

Niemand zal eene bewaarplaats van asch op zijn erf mogen hebben, zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders of van Hooger Gezag, maar dezelve aan den aschophaler ter wegvoering kunnen geven; zullende in geen geval asch, die nog niet geheel is uitgedoofd, in de opene lucht mogen worden nedergezet.

Art. 19.

Het is verboden, om stroo, hooi of dergelijke stoffen op den openbaren weg, zoomede achter de erven in de opene lucht te verbranden, of vuur buitenshuis of over de straat te dragen, anders dan in stoven, of in metalen of steenen potten, van deksels voorzien.

Art. 20.

Kuipers, loodgieters en andere handwerkslieden, wier bedrijf zulks medebrengt, zullen hunne werkzaamheden, waarbij zij vuur moeten gebruiken, alleen op de openbare straat mogen verrigten, wanneer hun zulks door Burgemeester en Wethouders schriftelijk zal zijn toegestaan, doch in geen geval na zons-ondergang, terwijl zij bij sterken wind, op aanzegging der policie, dit geheel zullen moeten nalaten.

Art. 21.

Het is aan kooplieden, winkeliers, of andere personen, handelende of neringdoende in buskruid of schietkatoen, (kardoezen en patronen daaronder begrepen) verboden in het aaneengebouwde gedeelte der Gemeente eene grootere hoeveelheid daarvan voorhanden te hebben dan vijf Nederlandsche ponden. Deze hoeveelheid moet verdeeld worden in kleinere hoeveelheden, ieder van niet meer dan vijf Nederlandsche oncen. Iedere hoeveelheid van vijf oncen of minder moet bewaard worden in een koperen of zinken bus, met een kurken stop gesloten. Die bussen worden gezamenlijk bewaard in eene houten kist met koperen handvatsels voorzien, te plaatsen in eene af te sluitene ruimte.

Buiten het aaneengebouwde gedeelte der Gemeente is het geoorloofd grootere hoeveelheden te bewaren en te bewerken, na daartoe vergunning verkregen te hebben van Burgemeester en Wethouders, die ten aanzien zoo van de plaats van bewaring en bewerking, als van den tijd en de wijze waarop die bewerking mag geschieden, de voorschriften geven, welke zij in het belang der openbare veiligheid noodig oordeelen.

Vuurwerkverkoopers zullen geene meerdere hoeveelheid vuurwerk, dan tien Nederlandsche ponden, en niet anders dan in behoorlijk gesloten trommels in hunne woningen of bergplaatsen voorhanden mogen hebben.

Art. 22.

Het is verboden buskruid of schietkatoen te verkoopen of verstrekken na zons onder- of vóór zons opgang, en evenzoo om lucifers in de winkels als handelsartikel voorhanden te hebben, anders dan in behoorlijk gesloten trommels.

Art. 23.

Ten einde de gesteldheid der stookplaatsen, berging van brandstoffen als anderzins op te nemen en in het algemeen te kunnen toezien op de behoorlijke naleving der bepalingen, vervat in de Artikelen 7 tot en met 18 van dit Hoofdstuk, ter voorkoming van brand en alzoo strekkende tot handhaving van de openbare veiligheid, zullen de Brandmeesters of een of meer hunner, al dan niet vergezeld van deskundigen, hetzij schoorsteenvegers, metselaars of anderen, bevoegd zijn ten allen tijde de woningen der ingezetenen, huns ondanks binnen te treden en zulks met inachtneming der voorschriften, vervat in Art. 3 der Wet van 31 Augustus 1853, Staatsblad No. 83, terwijl ter handhaving van Art. 21 en 22 de dienaren van policie, met inachtneming van dezelfde voorschriften, ondanks de bewoners, ten allen tijde zullen mogen binnentreden in alle huizen en gebouwen, waar schietkatoen, buskruid of vuurwerk wordt vervaardigd, verkocht of geborgen.

Aan bovengenoemde personen zal door de Hoofdbewoners onder inachtneming der aangehaalde formaliteiten de toegang tot hunne woningen of gebouwen onmiddelijk moeten worden verleend, op straffe eener boete van ƒ25 en gevangenis van drie dagen, met uitzondering van fabrijkanten en verkoopers van buskruid, vuurwerk of schietkatoen, waartegen bij weigering van toegang of huiszoeking te verleenen andere straffen bij de Wet zijn bedreigd.

Art. 24.

Voor zooverre daartegen bij geene Wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien , zullen de overtredingen der bepalingen in dit Hoofdstuk vervat, met uitzondering van Artikel 23, waarbij reeds afzonderlijke straf is bedreigd, worden gestraft, te weten: van de Artikelen 15 en 20 met eene geldboete van drie Gulden, van Artikel 21 met eene geldboete van vijfentwintig gulden, van Artikel 22 met eene geldboete van tien gulden, en van al de overige Artikelen met eene geldboete van twee gulden.

 

HOOFDSTUK III.

Bepalingen opzigtens de veiligheid en reinheid van straten, wegen, wandelingen en grachten.

Art. 25.

Niemand zal zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders, eenig gebouw of where hoe ook genaamd, binnen de bij Art. 1 genoemde vier eerste wijken, tot eenen koe- of paardenstal mogen inrigten of gebruiken.

Art. 26.

De gebruikers van reeds aanwezige koe-of paardenstallen zullen evenzeer als zij, die daartoe later vergunning mogten erlangen, verpligt zijn de afwatering der stallen aan de openbare straat of weg te voorzien van ijzeren roosters met opstaande stijlen met geene meerdere onderlinge tusschenruimte dan van eenen nederlandschen duim, welke roosters bij vriezend weder zoodanig zullen moeten zijn digtgemaakt, dat de afloop van de aalt geheel wordt voorgekomen.

Art. 27.

Niemand zal het water van de daken van eenig gebouw, bij hem in gebruik, langs de muren in de stadsgoten of straten mogen afleiden, anders dan door middel van goten en geleidende pijpen, reikende tot aan den beganen grond, terwijl geene uitwateringen uit huizen of gebouwen op de openbare straat mogen bestaan, anders dan door middel van gelijke pijpen, en geene nieuwe uitwateringen worden daargesteld zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders.

Art. 28.

De hoofdbewoners der huizen en eigenaren of opzigters van onbewoonde perceelen, tuinen en erven zijn verpligt te zorgen, dat de gevallen sneeuw van de klinkerpaden, loopende langs hunne erven of wheren, dadelijk worde weggeveegd, zoomede dat de sneeuwhoopen op de openbare straat zorgvuldig worden gelijk gemaakt, terwijl die van de perceelen op den Vloeddijk de sneeuw geheel voor hunne erven of wheren moeten wegruimen.

Daar waar de klinkerpaden door dwarsstraten worden afgesneden, zullen de bewoners der hoekhuizen, ieder tot op de helft, in het verlengde en ter breedte van het voetpad over de dwarsstraat moeten doorvegen.

Ook zullen de voornoemde personen verpligt zijn, bij gladheid der straat ten gevolge van plotseling invallenden dooi, zorgvuldig en met den meesten spoed, ter breedte van minstens één Nederlandsche El, de straat langs hun perceel zoodanig met zand of asch te doen bestrooijen, dat daardoor de gladheid geheel benomen zij.

Art. 29

Niemand zal sneeuw uit de goten of van de daken op de straat mogen werpen of doen werpen, tenzij met schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders en onder verpligting om de afgeworpene sneeuw onmiddelijk naar den IJssel of den Burgel te doen wegvoeren en iemand bij het afwerpen op de straat te plaatsen , die de voorbijgangers waarschuwt. Het brengen van sneeuw uit de erven op de stoepen of op den openbaren weg is in ieder geval verboden.

Art. 30.

Geene handwerkslieden zullen zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders, de openbare straat tot werkplaats mogen gebruiken of doen gebruiken. Ook zal niemand eenige voorwerpen, hoe ook genaamd, zonder gelijke vergunning na zonsondergang op de stoepen of op de straat mogen laten liggen of staan.

Art. 31.

Het vertimmeren en verrigten van andere geraasmakende werkzaamheden op of aan vaartuigen, zal zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders, niet anders dan in eene der Havens of op de werven mogen geschieden, zullende zoodanige bedrijven, waarvan de uitoefening veel geraas veroorzaakt, als kuipen, blikslaan, smeden, timmeren en dergelijken, niet mogen worden uitgeoefend van elf ure des avonds tot vier ure des morgens van af 1 April tot 1 October, en tot zes ure des morgens in de overige maanden.

Art. 32.

Niemand zal zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders, eenige goederen, hoe ook genaamd, op of uit huizen, uitkomende aan de openbare straat mogen hangen, en evenmin in de Stadswandelingen of op den openbaren weg goederen mogen te droogen of te bleeken leggen. Vlaggen mogen worden uitgestoken, mits het uiteinde derzelze minstens drie Ellen boven den beganen grond verheven zij.

Ook is het verboden zonder gelijke vergunning, in boomen der Gemeente krammen, spijkers of ander ijzerwerk te slaan, of aan dezelve het een of ander vast te maken of te hangen; zullende het uitkloppen van tapijten op den openbaren weg niet anders dan op de daartoe door Burgemeester en Wethouders aangewezen plaatsen mogen geschieden.

Art. 33.

Ingeval van herstellingen aan muren en gebouwen, putten en riolen, aan de openbare straat uitkomende, zullen zoodanige plaatsen vooraf met eene behoorlijke schutting worden afgesloten, terwijl geene opgravingen op de openbare straat zullen mogen geschieden , zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders, en niet anders dan door eene bekwame rikking afgesloten en van zonsonder- tot zonsopgang van eene brandende lantaren voorzien, hetwelk mede zal moeten geschieden bij puin of aardhoopen, die met gelijke vergunning des nachts op straat blijven liggen.

Art. 34.

Niemand zal in den Burgel, noch in stads-grachten mogen baggeren of moddertrekken, zonder schriftelijke toestemming van Burgemeester en Wethouders.

Art. 35.

Niemand anders dan degenen , die met het toezigt over, of het onderhoud van Stads wandelingen zijn belast, zal in dezelve over het gras of in de perken mogen kruijen of gaan.

Art. 36.

Het is verboden in Stadswandelingen , of van het houtgewas aan den openbaren weg staande, takken af te Breken, bloemen te plukken, het plantsoen te beschadigen , of zoden te rooven.

Art. 37.

Niemand zal op de openbare straat mogen schieten of vuurwerken afsteken, tenzij, wat dit laatste betreft, met vergunning van Burgemeester en Wethouders op daartoe door hen aangewezen plaatsen.

Art. 38.

Niemand zal eenig gebouw, gevel, muur, beschoeijing, schutting, of wat van dien aard is, aan de openbare straat of den openbaren weg mogen daarstellen of verplaatsen, dan overeenkomstig de vooraf door of van wege Burgemeester en Wethouders aangewezene rooijing; deze aanwijzing zal geschieden uiterlijk binnen veertien dagen nadat het verzoek daartoe door den belanghebbende schriftelijk zal zijn gedaan.

Art. 39.

Niemand zal zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders, voor of aan den gevel zijner woning uitkomende op de openbare straat, winkelkasten, luifels, naar buiten uitslaande deuren, vensterluiken of zonneschermen, hoefstallen of eenige vooruitstaande getimmerten, als pothuizen en kelderluiken mogen daarstellen of bevestigen.

Naar buiten openslaande deuren, vensterluiken en zonneschermen mogen niet worden opengelaten dan behoorlijk met haken of anderzius aan de muren vastgezet.

Ook is het verboden, aan de bovenverdiepingen der aan de openbare straat uitkomende gebouwen, bloempotten of bloembakken te plaatsen, anders dan binnen behoorlijk aan den gevel bevestigde hekken.

Art. 40.

Niemand zal matten, biezen of andere voorwerpen uit de bovenverdiepingen der huizen of van steigers op de straat mogen werpen of doen werpen, noch ook koopmans- mobilaire of andere goederen ophijschen of aflaten, tenzij iemand daarbij op de straat geplaatst zij, die de voorbijgangers waarschuwt.

Art. 41.

Niemand zal op de openbare straat met sneeuwballen, steenen of iets anders mogen werpen.

Art 42..

Niemand zal een bespannen voertuig op de openbare straat mogen laten staan, zonder de teugels in handen te houden, of de buitenreepen los te maken, noch hetzelve zoodanig mogen plaatsen, dat daardoor de passage wordt belemmerd.

Art. 43.

Elkander met voertuigen ontmoetende, zal men naar de regterzijde moeten uitwijken, terwijl in geen geval met diligences, losse paarden, grutters- en sleperssleden, anders dan stapvoets langs de openbare straat zal mogen gereden worden; zijnde insgelijks verboden, op voornoemde sleden, het paard besturende, te staan of te zitten, en hetzij met voertuigen of losse paarden harder dan stapvoets te rijden over de IJsselbrug en langs den Vloeddijk.

Wanneer de straten met sneeuw overdekt zijn, zal een der paarden van elk voertuig van een of meer klinkende bellen moeten voorzien zijn.

Art. 44.

Het rijden met karren of andere voertuigen, waarvoor honden zijn gespannen, is op de openbare straat zoomede op de IJsselbrug verboden.

Art. 45.

Het is verboden de IJsselbrug gedurende de maanden December, Januarij, Februarij en Maart met diligences te passeeren, ingerigt voor meer dan negen passagiers, of met meer dan drie paarden bespannen, bij overtreding waarvan de conducteur en .voerman van zoodanige diligences beiden met drie dagen gevangenis zullen worden gestraft. Alle passagiers van diligences zullen op gelijke straffen gehouden en verpligt zijn, zoo dikmaals Burgemeester en Wethouders zulks als maatregel van voorzigtigheid zullen noodig oordeelen, en hun dit door den Commissaris of een der dienaren van policie zal worden aangezegd, vóór het passeeren der IJsselbrug, de diligence te verlaten.

Art 46.

Het is verboden de IJsselbrug te passeeren met zwaardere vrachten dan van achtduizend Nederlandsche ponden gewigt, de paarden en andere middelen van vervoer daaronder mede begrepen, op straffe eener geldboete van vijfentwintig gulden en drie dagen gevangenis, terwijl bovendien de middelen van vervoer, waarmede de overtreding is gepleegd, zullen worden in beslag genomen en verbeurd verklaard. In de maanden December, Januarij, Februarij en Maart zal men met geene zwaardere vrachten van meer dan het halve gewigt hierboven genoemd op dezelfe straf de IJsselbrug mogen passeren.

Art. 47.

Ter voorkoming van het gelijktijdig passeeren van bovenmatig beladene voertuigen, zullen geene zwaardere vrachten dan van vier duizend Nederlandsche ponden gewigt, de paarden en andere middelen van vervoer daaronder mede begrepen, over de IJsselbrug mogen vervoerd worden, zonder dat de Burgemeester alsmede de Commissaris van Policie door den voerman of vrachtrijder minstens één uur te voren daarvan behoorlijk verwittigd zij; de overtreding van welke bepaling zal worden gestraft met eene geldboete van vijfentwintig gulden en gevangenisstraf van drie dagen.

Art. 48.

Niemand zal in de wandel- en voetpaden of op de stadswallen met eenig paard of voertuig mogen rijden, of eenig vee daarover drijven of leiden, evenmin met eenig paard, voertuig, handkar of kruiwagen op de klinkerpaden mogen rijden, ten ware zulks tot uitwijking van een ander voertuig noodig zij.

Art. 49.

Niemand zal eenige schending mogen begaan aan banken, glazen, schuttingen, hekken, stoepen, gebouwen en bruggen, noch dezelve mogen besmeeren of bekladden, terwijl insgelijks is verboden het zetten van schelletjes, verplaatsen van uithangborden en dergelijke straatschenderijen.

Ook is het verboden, van de IJsselbrug met de hengelroede of eenig ander vischtuig te visschen.

Art. 50.

Met uitzondering van de reeds op Seveningen bestaande of later door het Gemeentebestuur aan te wijzen badplaats, is het verboden, op van den openbaren weg zigtbare plaatsen zich te baden of te zwemmen.

Art. 51.

Het is verboden, zich in kennelijk beschonken toestand op den openbaren weg te vertoonen.

Art. 52.

Het is verboden, op andere plaatsen, dan die daartoe door Burgemeester en Wethouders zijn aangewezen, aanplakkingen te doen, zoomede om stukken, die van wege het openbaar gezag zijn aangeplakt of met vergunning van Burgemeester en Wethouders aangeplakte particuliere aankondigingen af te scheuren of onleesbaar te maken.

Art. 53.

Niemand zal asch, vuilnis, drek, krengen, bloed, ingewanden of afval van visch of andere dieren, groenten of aardappelenschillen, krullen, stroo of andere dergelijke voorwerpen, op de stoepen, de openbare straat, in den Burgel, de Havens, Buitengrachten of overige stadswaterleidingen mogen werpen, zijnde het schoonmaken van geweiden niet anders dan aan den IJssel veroorloofd.

Art 54.

De hoofdbewoners der huizen en eigenaars of opzigters van onbewoonde perceelen, tuinen en erven zijn verpligt, minstens éénmaal in de week en wel des Vrijdags of Zaturdags voor één ure des namiddags, de straatgoten ter lengte van en langs hunne perceelen te doen uitscheppen en reinigen en de straat over hare geheele uitgestrektheid te doen vegen of schrobben, zullende wijders ieder verpligt zijn de sloepen, goten, straten en klinkerpaden op aanzegging der policie ten allen tijde onmiddelijk te doen reinigen en van gras en onkruid behoorlijk te doen zuiveren.

Ook zal in geval van vriezend weder de openbare straat alleen bijgeveegd, maar niet geschrobd mogen worden, noch ook daarop zoomin als op de stoepen water mogen worden uitgestort.

In straten of stegen geschiedt het reinigen tot op het midden van den openbaren weg, op grachten tot aan den walkant en op pleinen tot minstens vijf Ellen van de stoep uitgemeten,

Op grachten nogtans mag de bijeengeveegde stratendrek aan den walkant of achter de boomen ter weghaling worden opgehoopt, maar nimmer in den Burgel worden geveegd.

Art. 55.

Een ieder is verpligt de modder uit de goten en het bijeengeveegde vuilnis van de straat in potten of bakken te verzamelen, en een en ander, zoomede zijne asch of huisvuilnis, wanneer hij die door de karrelieden verlangt te doen weghalen, op de stoep voor de deur zijner woning te plaatsen.

Art. 56.

Het is aan ieder ander dan aan den pachter verboden de gootmodder en stratendrek weg te halen en zich toe te eigenen.

Art. 57.

Wanneer de bestrating vernieuwd of hersteld is, mag binnen de eerste veertien dagen het zand daarvan niet worden weggeveegd.

Art. 58.

Het is verboden zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders de straat met mest, run of zand te doen beleggen.

Art. 59.

Het is verboden aan of op den openbaren weg buiten de openbare secreeten of waterplaatsen datgene te verrigten, waartoe die inrigtingen bestemd zijn.

Art. 60.

Het is verboden in de stadswandelingen kippen, eenden, ganzen, konijnen en dergelijke gedierten te laten loopen.

Art. 61.

Elk vleeschhouwer of slagter van hoornbeesten, varkens en ander vee, hoe ook genaamd, is verpligt het afmaken dezer dieren te doen plaats hebben met gesloten deuren; hij zal het bloed van het afgemaakte vee moeten opzamelen, en zorg dragen dat daarvan noch ook van de bloedende huiden als anderzins kenteekenen op de straat worden aangetroffen , zijnde het hem uitdrukkelijk verboden eenig vee op de straat, voor de huizen, aan banken, ringen of anderzins ten toon te stellen , te slagten, of schoon te maken.

Art. 62.

Geene secreeten zullen mogen geruimd worden dan des nachts na elf uren, zijnde het uitpompen van secreeten of zinkputten in goten of riolen uitdrukkelijk verboden.

Art. 63.

Een ieder, die mest, drek, of welke vuilnis ook, langs de straten vervoert, zal moeten zorgen, die mest of drek niet op de straten te storten en de vervoermiddelen niet te vol te laden , terwijl het vervoeren van mest met kruiwagens langs de openbare straat alleen mag geschieden van des morgens zes uren tot zonsondergang en des Zaturdags tot des middags twaalf uren.

Art. 64.

Voor zooverre daartegen bij geene Wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien , zullen de overtredingen der bepalingen in dit Hoofdstuk vervat, met uitzondering van de Artikelen 45, 46 en 47, waarbij reeds afzonderlijke straffen zijn bedreigd, worden gestraft, te weten: van de Artikelen 35, 44, 59 en 60 met eene geldboete van één gulden; van de Artikelen 26, 27, 28, 30, 31, 32, 42, 43, 48, 49, 50, 53, 54, 55, 57, 58 en 61 met eene geldboete van twee Gulden; van de Artikelen 25, 29, 34, 36, 38, 39, 40, 44, 51, 52, 56 en 63 met eene geldboete van Vijf Gulden; van Artikel 37 met eene geldboete van Tien Gulden en verbeurdverklaring van het vuurwapen, en van de Artikelen 33 en 62 met eene geldboete van vijf en twintig Gulden.

HOOFDSTUK 4.

Bepalingen omtrent honden en vee.

Art. 65.

Gedurende den tijd door Burgemeester en Wethouders, telkens wanneer zij dit met het oog op de gevaren aan hondsdolheid verbonden, mogten noodig achten , vooraf bij openbare afkondiging te bepalen , zal men geene honden op den openbaren weg mogen laten loopen, anders dan voorzien van eenen ijzeren of koperen muilkorf, ingerigt naar een door Burgemeester en Wethouders vastgesteld en op het Commissariaat van policie ter bezigtiging aanwezig model.

Van deze bepaling zijn uitgezonderd de honden, die men aan een touw of ketting vasthoudt, zoomede jagthonden, zich met den eigenaar op de jagt in het veld bevindende.

Art. 66.

Het vastleggen van honden, al zijn deze ook gemuilband, op of aan den openbaren weg of straat, is in ieder geval verboden.

Art. 67.

Alle honden, die naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders verdacht worden van kwaadaardigheid, of door buitengewone grootte of om andere redenen den ingezetenen schrik kunnen aanjagen, zal men op schriftelijke aanzegging aan den eigenaar, niet anders dan gemuilband op de wijze als in Artikel 65 bepaald, en aan een touw of ketting vastgehouden, op de straat mogen laten loopen.

Art. 68.

Alle dolle of van dolheid verdachte honden, zoomede die, welke door dezulken gebeten zijn, zullen terstond door of van wege den eigenaar moeten worden gedood; terwijl runderen, schapen, of andere dieren, welke vermoed worden door eenen dollen hond te zijn gebeten, op aanzegging der Policie, dadelijk afzonderlijk zullen moeten worden opgesloten, totdat alle gevaar, ter beoordeeling van eenen Rijksveearts, geweken is, zullende bij ontdekking van watervrees de eigenaar de onmiddelijke afmaking en begraving op eene diepte van eene El en vijf palmen moeten gedoogen.

Art. 69.

Gedurende den tijd, naar aanleiding van Art. 65 bij afkondiging bepaald, zullen alle op de openbare straat of weg loopende honden, niet behoorlijk gemuilband of aan, een touw of ketting vastgehouden, opgevangen, in bewaring genomen, en, niet binnen drie dagen bij den Commissaris van Policie teruggevraagd zijnde, gedood worden.

De teruggave aan den eigenaar zal onmiddelijk plaats hebben, onverminderd de straf hierna bepaald; op gelijke wijze zal worden gehandeld ten aanzien van al zoodanige honden, waarop Art. 67 zal zijn toegepast.

Art. 70.

Ten opzigte van de vijf voorgaande Artikelen, zal, bij de toepassing der straffen daarop gesteld, voor eigenaar worden gehouden het hoofd van het gezin, in wiens huis, stal, of ander door hem gebruikt wordend lokaal of erf, de honden of andere dieren zich in den regel ophouden.

Art. 71.

Een ieder, die rundvee binnen deze gemeente mogt willen in- of doorvoeren, zal gehouden zijn, zoo dikwijls deze maatregel door het Plaatselijk Bestuur tot wering der longziekte wordt noodig geoordeeld en ten minste acht dagen te voren in deze en naburige Gemeenten, alsmede in de Kamper Courant bij Publicatie behoorlijk bekend gemaakt zal zijn, hetzij aan den alhier gestationeerden Rijksveearts, hetzij aan een der dienaren van policie of veldwachters, des gevorderd wordende, vooraf te vertoonen een schriftelijk bewijs, afgegeven door eenen Rijksveearts en door den Burgemeester der betrokken gemeente voor deugdelijk en echt verklaard, inhoudende, behalve de vermelding van de soort, de kleur en den ouderdom van ieder rund afzonderlijk, verklaring, dat de stal of weide, waarvan het afkomstig is, door geene longziekte besmet is; terwijl bij gebreke van vertooning van zoodanig bewijs, de in- en doorvoer van hetzelve zal zijn verboden; de overtreding van welk verbod zal worden gestraft met eene geldboete van vijf en twintig gulden en drie dagen gevangenis.

Art. 72.

Niemand zal stieren langs de openbare straat mogen drijven, anders dan aan een touw geleid wordende.

Ook is het verboden, eenige wilde of verscheurende dieren binnen deze Gemeente te brengen of te doen verblijven, zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders.

Art. 73.

Het vee, hetwelk zonder opzigt op den openbaren weg gevonden wordt, zal, wanneer de eigenaar zich niet onmiddelijk aanmeldt, door de dienaren van policie ter bewaring en voeding gebragt worden in den schutstal te Brunnepe, op Seveningen, of op zoodanige andere plaats, als door Burgemeester en Wethouders daartoe zal worden aangewezen.

De teruggave van het alzoo geschutte vee zal op last van den Commissaris van Policie geschieden.

Wanneer het geschutte vee binnen acht dagen na de schutting niet teruggevorderd is, zal tot den openbaren verkoop van hetzelve, zoodra mogelijk, worden overgegaan, ingevolge Art. 12 titel II der Wet van 6 October 1791.

Art. 74.

Voor zooverre daartegen bij geene Wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien, zullen de overtredingen der bepalingen in dit Hoofdstuk, vervat, met uitzondering van Artikel 71, waarbij reeds afzonderlijke straffen zijn bedreigd, worden gestraft, te weten: van de Artikelen 65, 66 en 67 met eene geldboete van vijf Gulden, van Art. 72, met eene geldboete van tien Gulden, en van Artikel 68 met eene geldboete van vijf en twintig Gulden en gevangenis van drie dagen.

HOOFDSTUK V.

Bepalingen omtrent het toezigt over tapperijen en slaapsteden.

Art. 75.

Voor de toepassing der in dit Hoofdstuk voorkomende Artikelen worden verstaan:

onder de benaming van tapperijen, alle openbare plaatsen alwaar wijn, bier, sterke dranken of likeuren tegen betaling worden geschonken;

onder de benaming van slaapsteden, alle plaatsen waarin aan personen niet tot de huishouding behoorende tegen betaling nachtverblijf wordt verstrekt.

Art. 76.

Ieder, die eene tapperij of slaapstede houdt, overneemt of oprigt of binnen de Gemeente verplaatst, is verpligt van zijn bedrijf en van de plaats waar hij het uitoefent, schriftelijk aangifte te doen aan het Bureau van policie; hij die eene tapperij of slaapstede houdt, binnen ééne maand na de afkondiging dezer verordening, en hij die eene tapperij of slaapstede oprigt, overneemt of verplaatst, binnen acht dagen na de oprigting, overname of verplaatsing.

Art. 77.

De tapper of slaapstedehouder ontvangt van den Commissaris van policie kosteloos een schriftelijk bewijs zijner aangifte, hetwelk hij desgevorderd ten allen tijde aan de beambten van policie of justitie moet vertoonen.

Art. 78.

De tapperijen en gelagkamers moeten door de houders van des avonds tien tot des morgens vijf ure voor het publiek gesloten blijven.

Het is verboden aan ieder uitwonenden persoon gedurende dien tijd zich daarin op te houden.

Deze bepaling is niet toepasselijk op tapperijen, die tevens logementen of slaapsteden zijn, met betrekking tot de daarin nachtverblijfhoudende personen op het Register ingeschreven.

Art. 79.

De tappers moeten voor drenkelingen en voor diegenen, die dezen bijstaan, ten allen tijde ook des nachts hunne tapperijen ontsluiten, om hen daarin op te nemen en hulp te verleenen.

Art. 80.

Het is aan de tappers verboden wijn, sterke dranken, of likeuren te verstrekken of door anderen te laten verstrekken :

1° aan personen in eenig Godshuis, of instelling van liefdadigheid verpleegd wordende.

2° aan personen beneden de zestien jaren, tenzij vergezeld van degenen onder wier gezag zij staan.

3° aan personen in kennelijk beschonken toestand verkeerende.

4° bij brand aan de daarbij dienstdoende schutters, of aan ondergeschikten bij de dienst van het Brandwezen, tenzij met verlof van hunne superieuren.

Art. 81.

Het is verboden in de tapperijen onderhandsche verlotingen beneden de waarde van honderd gulden te houden zonder schriftelijke vergunning door den Burgemeester of van zijnentwege gegeven.

Art. 82.

De tappers zijn verpligt in hunne tapperijen of tapkamers een uittreksel der policieverordening, voor zooveel de bepalingen van dit Hoofdstuk betreft, op eene voor elk leesbare plaats op te hangen.

Art. 83.

Onverminderd de bepalingen in dit Hoofdstuk vervat, blijft aan den Burgemeester de bevoegdheid overgelaten, om wegens bijzondere omstandigheden vergunning te verleenen, om de tapperijen na het voor het sluiten voorgeschreven uur open te houden, hetzij door eenen algemeenen maatregel, hetzij bij eene bijzondere schriftelijke vergunning.

Zoodanige vergunning zal, alvorens daarvan gebruik te maken, aan den Commissaris van policie ter kostelooze visum door den belanghebbende moeten aangeboden, en des gevorderd ten alle tijde aan de beambten van policie en justitie vertoond worden.

Art. 84.

Voor zoo verre daartegen bij geene Wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien , zullen de overtredingen der bepalingen in dit Hoofdstuk vervat, worden gestraft, te weten van de Artikelen 76 en 82 met eene geldboete van twee Gulden; van de Artikelen 77 en 83 tweede gedeelte met eene geldboete van één gulden; van de Artikelen 78 en 80 met eene geldboete van vijf Gulden; van Artikel 81 met eene geldboete van Tien Gulden; en van Artikel 79 met eene geldboete van vijfentwintig gulden.

 

HOOFDSTUK VI.

Bepalingen omtrent de eetwaren, en ter verdere bescherming van de gezondheid der ingezetenen.

Art. 85.

Geene bakkers of slijters van brood zullen roggebrood mogen bakken, verkoopen of in hunne bakkerijen of winkels voorhanden hebben, dan van het navolgend gewigt, te weten : 6 Ponden, 3 idem, 15 Oncen Ned. gewigt.

Art. 86.

De winkel van iederen bakker of slijter van brood zal ten allen tijde van eene schaal en van de noodige gewigten moeten voorzien zijn, ten einde, zoodra zulks door den Commissaris van policie of door de belanghebbende verbruikers gevorderd wordt, het gewigt van het brood dadelijk kunne onderzocht worden.

Art. 87.

Ten einde te weten, van welken bakker het roggebrood herkomstig is, dat aan het bepaalde bij Art. 85 niet voldoet, zullen door Burgemeester en Wethouders aan iederen bakker de noodige merken worden ter hand gesteld, waarmede het door hem te vervaardigen roggebrood gemerkt zal moeten zijn, zullende bakkers of slijters, zoodanig brood, ongemerkt, niet mogen Verkoopen of in hunne bakkerijen of winkels voorhanden hebben.

Art. 88.

Ten gerijve der ingezetenen zal ieder bakker of slijter van brood verpligt zijn, om bestendig in zijn winkel een zwart bord te plaatsen, waarop de prijzen, tegen welke hij de verschillende broodsoorten, welke tot voornaamst en dagelijksch voedsel voor de ingezetenen dienen, verkoopt, benevens het gewigt derzelve duidelijk en van de straat leesbaar zullen zijn opgeteekend.

Art. 89.

Geen slagter zal eenig vee mogen slagten, alvorens hetzelve, door eenen daartoe door Burgemeester en Wethouders aangestelden keurmeester, zal zijn goedgekeurd, en deze ten bewijze daarvan een keurbillet zal hebben afgegeven, in hetwelk de tijd der slagting zal zijn vermeld.

Art. 90.

Wanneer eenig vee door den keurmeester ter slagting wordt afgekeurd, zal de slagter moeten gedoogen, dat hetzelve door dien Ambtenaar ten blijke der afkeuring met een merkbaar teeken worde gebrand.

Art. 91.

De slagters zijn verpligt om, tijdens of onmiddelijk na het slagten van een rund, kalf, schaap of varken, hetzelve aan den Keurmeester, indien deze zulks mogt noodig oordeelen, andermaal ter schouwing te vertoonen.

Art. 92.

Ingeval door den Keurmeester bij de slagters of verkoopers van vleesch, vet, spek en worst eenig bedorven of ter verkoop ongeschikte voorraad van dien aard gevonden wordt, zal hij onmiddelijk daarvan aan den Commissaris van policie kennis geven, en zullen de slagters of verkoopers moeten gedoogen, dat zulk vleesch, vet, spek of worst in beslag genomen en terstond in den grond begraven worde.

Art. 93.

Wanneer de Keurmeester eenig slagtvee of vleesch mogt hebben afgekeurd, en de slagter of verkooper vermeent, daarin niet te kunnen berusten, zal deze zich tot eene herkeuring kunnen vervoegen bij Burgemeester en Wethouders, die den alhier gestationeerden Rijks-Veearts, of eenen anderen deskundige, onder toezigt der policie, met deze herkeuring zullen belasten, aan wiens uitspraak hij zich zal moeten onderwerpen.

Art. 94.

Niemand zal eenig versch vleesch of vet binnen eene der bij Art. 1 genoemde eerste vier wijken dezer Gemeente mogen invoeren, zonder aan de policie, des verlangd wordende, te vertoonen een schriftelijk bewijs, afgegeven door eenen Rijksveearts of door den Burgemeester der Gemeente van waar hetzelve is uitgevoerd, houdende dat het vee waarvan hetzelve afkomstig is, gezond was ten tijde der slagting.

Ook zal niemand gedood of gestorven vee in opgemelde wijken mogen invoeren, zonder voorzien te zijn van een keurbillet afgegeven door den Keurmeester.

Boven en behalve de straffen op de niet naleving van dit Artikel gesteld, zal het in strijd hiermede ingevoerde onmiddelijk aan een onderzoek van den Keurmeester worden onderworpen, en door dien Ambtenaar bedorven bevonden wordende, daarmede worden gehandeld op de wijze als aan het slot van Art. 92 is bepaald.

Art. 95.

Geene paarden of ander vee zullen mogen worden begraven dan op het terrein, genaamd de Vilkuil, of op zoodanige andere plaats als daartoe door Burgemeester en Wethouders zal worden aangewezen, terwijl ten aanzien van aan besmettelijke ziekten gestorven of afgemaakt vee dat begraven bovendien niet anders zal mogen geschieden dan onder adsistentie en ingevolge de voorschriften van den alhier gestationeerden Rijksveearts.

Art. 96.

Niemand zal eenige visch aan de markt mogen brengen, dan na vooraf, door eenen daartoe door Burgemeester en Wethouders aangestelden Keurmeester te zijn goedgekeurd.

Art. 97.

Wanneer eenige visch door den Keurmeester zal zijn afgekeurd , zal hij daarvan aan den Commissaris van policie kennis geven, zullende alsdan op diens last, die visch dadelijk in het water geworpen worden, en de eigenaar of aanvoerder zulks moeten gedoogen.

Art. 98.

De zoogenaamde pondeboter, welke aan de markt gebragt wordt, zal het gewigt moeten hebben van één Nederlandsch pond, vijf oncen of twee en een half ons.

Stukken boter, welke de Commissaris van policie vermoedt, dat ligter zijn, dan waarvoor de aanvoerder die te koop aanbiedt, worden door hem in tegenwoordigheid van den aanvoerder nagewogen en te ligt bevonden zijnde, onverminderd de daarop gestelde straf, doorgesneden.

Art. 99.

Geene melkverkoopers zullen melk langs den openbaren weg mogen dragen anders dan in emmers van behoorlijke deksels voorzien.

Art. 100.

Ten einde te kunnen toezien op de behoorlijke naleving der bepalingen vervat in de Artikelen 90, 91, 92, 93, 94 en 95, allen strekkende tot bescherming van de gezondheid der ingezetenen, zal de in Art. 89 bedoelde keurmeester al dan niet vergezeld door beambten van justitie en policie, bevoegd zijn de woningen en stallen van slagters of verkoopers van versch en gezouten vleesch, spek en worst zoomede die van veehouders, huns ondanks ten allen tijde, binnen te treden, en zulks met inachtneming der voorschriften van Art. 3 der Wet van 31 Augustus 1853, (Staatsblad No. 83), terwijl onder zoodanige inachtneming, de toegang tot hunne woningen en stallen door of van wege bovengenoemde bewoners onmiddelijk zal moeten verleend worden op straffe eene geldboete van vijf en twintig gulden en gevangenis van drie dagen.

Art. 101.

Voor zoo verre daartegen bij geene Wet, algemeenen maatregel van bestuur, of provinciale verordening is voorzien zullen de overtredingen der bepalingen in dit Hoofdstuk vervat, met uitzondering van Art. 100 waar bij afzonderlijke straffen zijn bedreigd, worden gestraft, te weten: van de Artikelen 86, 88 en 99 met eene geldboete van twee gulden; van Artikel 87 met eene geldboete van vijf gulden; van de Artikelen 85, 93 en 98 met eene geldboete van tien gulden, van de Artikelen 89, 90,92, 94, 95, 96 en 97 met eene geldboete van vijfentwintig gulden, en van de Artikelen 94 en 96 daarenboven met eene gevangenis van drie dagen; terwijl bovendien het brood, dat als in strijd met Artikel 85 mogt worden aangehaald, zal worden verbeurd verklaard.

HOOFDSTUK VII.

Bepalingen omtrent openlijke huizen van ontucht.

Art. 102.

De houders van openlijke huizen van ontucht, zoowel als de zich daarin bevindende vrouwen, zijn verpligt zich aan het toezigt, bij de Wet aan den Burgemeester opgedragen, te onderwerpen, zoomede diens voorschriften en bevelen, voor zoover die strekken tot het op gezette tijden door eenen stadsheelmeester doen onderzoeken dier vrouwen en het ter verpleging naar het stadsziekenhuis overbrengen van de zoodanigen, die bevonden worden aan syphilitische ziekten te lijden, alsmede tot het op requisitie der beambten van policie en justitie vertoonen der schriftelijk af te geven bewijzen van ondergane visitatie, onverwijld en zonder de minste tegenstreving na te

Art. 103.

Voor zooverre daartegen bij geene Wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien, zullen de overtredingen der bepalingen in dit Hoofdstuk vervat, worden gestraft met eene geldboete van tien gulden.

HOOFDSTUK VIII.

Bepalingen omtrent Kermissen en Markten.

Art. 104.

Het stellen van kramen, kermistenten of spellen, mitsgaders der zoogenaamde tafels en stalletjes bij gelegenheid der kermis, zal niet anders mogen geschieden dan ter plaatse bij loting ten overstaan van den Commissaris van policie, en binnen de ruimte door dezen kosteloos te bepalen, waartoe de belanghebbenden zich acht dagen te voren bij denzelven zullen moeten aanmelden , en welke loting zal geschieden overeenkomstig de regeling door Burgemeester en Wethouders vastgesteld; die verzuimd mogt hebben zich tijdig aan te melden , zal zich met zoodanige kostelooze plaats, als hem door den Commissaris van policie zal worden aangewezen , moeten te vreden stellen.

Art. 105.

Niemand zal zijne kramen, tenten, tafels of stalletjes op de kermis langer dan tot den eersten Donderdag na het eindigen derzelve mogen laten staan, tenzij met schriftelijke toestemming van Burgemeester en Wethouders, te vertoonen aan den Commissaris van policie.

Art. 106.

Buiten den tijd voor de kermis bepaald, zullen geene straatmuzikanten, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders dit hun bedrijf op de openbare straat mogen uitoefenen.

Art. 107.

Op de gewone weekmarkten zullen de wagens der landlieden en andere bezoekers derzelve zoodanig moeten geplaatst worden, dat de passage daardoor niet belemmerd worde; zullende men ten allen tijde verpligt zijn aan de bevelen van den Commissaris of dienaren van policie tot wegneming of verplaatsing derzelve te voldoen.

Art. 108.

De weekmarkt op de Plantage zal niet langer dan tot des namiddags te drie uren mogen gehouden worden, en zullen de kooplieden moeten zorgen, dezelve vóór vijf uren geheel te hebben ontruimd; terwijl de kostelooze plaatsing der stalletjes, zoowel op de gewone marktdagen als ook tusschentijds, onder goedkeuring van Burgemeester en Wethouders, aan den Commissaris van policie zal verblijven, en geene andere, dan de door hem aangewezene plaatsen, zullen mogen worden ingenomen.

Art. 109.

Het ter markt brengen van zoogenaamde pondeboter, zal alleen op de daartoe bestemde plaats bij de Broederpomp veroorloofd zijn.

Art. 110.

Op de gewone marktdagen zullen geene varkens, schapen of rundvee anders dan op de daarvoor bestemde beestenmarkt, (vroeger Muntplein genaamd), en geene paarden anders dan op de Nieuwe Markt, ten verkoop mogen gebragt worden.

Art. 111.

Het rundvee op de beestenmarkt zal alleen op de bij loting kosteloos aangewezene plaatsen ten verkoop mogen gesteld worden. Deze loting zal jaarlijks des Zaturdags vóór de eerste vette beestenmarkt ten overstaan van den Commissaris van policie geschieden; hij, die aan de loting geen deel genomen , of zich daartoe niet tijdig aangemeld mogt hebben, zal voor zijn vee alleen zoodanige plaats mogen innemen, als hem door of namens den Commissaris van policie zal worden aangewezen.

Art. 112.

Voor zoo verre daartegen bij geene Wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien, zullen de overtredingen der bepalingen in dit Hoofdstuk vervat, worden gestraft, te weten: die van de Artikelen 105, 106 en 107 met eene geldboete van tien gulden en die van al de overige Artikelen met eene geldboete van twee gulden.

HOOFDSTUK IX.

Bepalingen omtrent den handel in oude goederen en het daarstellen van sommige inrigtingen en trafijken.

Art. 113

Ieder zilversmid, koperslager, geelgieter, loodgieter, tinnegieter, smid, uitdrager, kleerkooper, en anderen, welke tot hunnen handel oude goederen inkoopen of inruilen, zullen verpligt zijn, daarvan een behoorlijk register te houden, hetwelk zij door den Commissaris van policie zullen moeten doen kwoteren en parapheren, en zullen zij gehouden zijn, daarin, van dag tot dag, naar orde van inkoop of ruiling, zonder tusschenruimte, doorhaling of uitkrabbing, die het geschrevene onleesbaar maken, op te teekenen den aard en de hoedanigheid van het ingekochte of ingeruilde goed, den prijs waarvoor, benevens den naam, voornaam, beroep en woonplaats van den persoon, door wien hetzelve te koop of ter ruiling wordt aangeboden.

Art. 114.

Geen der voormelde personen zal iets van eenen vreemdeling, minderjarigen of van eenen aan hem onbekenden persoon mogen koopen of inruilen, tenzij deze bijgestaan zij door eenen aan den kooper bekenden persoon, en het voorwerp geene meerdere waarde dan eenen gulden hebbe; indien de waarde meer mogt bedragen, zal de onbekende verkooper of verruiler, benevens de persoon, welke voor hem instaat, hunne naamteekening in het register moeten stellen, zullende de houder, indien zij niet schrijven kunnen, daarvan melding moeten maken.

Art. 115.

Ook zullen zij verpligt zijn om, wanneer iemand, welke hun iets ter verkoop of ruiling aanbiedt, weigerachtig mogt zijn, om zich aan de voorschrevene bepalingen te onderwerpen, de aangebodene goederen aan te houden en daarvan onmiddelijk aan den Commissaris van policie, kennis geven, ten einde door dezen onderzoek kunne worden gedaan, of de teruggave al dan niet kan plaats hebben.

Art. 116.

Eene dergelijke aanhouding en onmiddelijke kennisgeving zal ook moeten geschieden, wanneer hun oud, versmolten of in klompen gegoten lood mogt worden aangeboden.

Art. 117.

Zij zullen gehouden zijn, hunne registers op de eerste aanmaning, aan de Ambtenaren van Justitie en Policie te vertoonen.

Art. 118.

Bijaldien iemand, niet behoorende tot de in Art. 113 genoemde personen, eenig oud lood mogt inkoopen van iemand, die geen bedrijf van loodgieter uitoefent, zal hij gehouden zijn, daarvan aanstonds aan den Commissaris van policie kennis te geven.

Art. 119.

De volgende inrigtingen of trafijken zullen niet dan na verkregen toestemming van Burgemeester en Wethouders en met inachtneming der bepalingen, opgenomen in het Koninklijk besluit van 31 Januarij 1824 (Staatsblad N°. 19) mogen worden daargesteld of veranderd; als:

Bak- en uitbrandovens.

Bewaarplaatsen en bereidingsplaatsen van bloed.

Bewaarplaatsen van ongebluschten kalk en kalkblusscherijen.

Chicorei-droogerijen en branderijen.

Droogerijen van visch enz.

Fabrijken van lucifers en zwavelstokmakerijen.

Grofsmederijen, hoefsmederijen en slotenmakerijen of slotenmakers-smederijen.

Hennep- en vlasroterijen.

Huiden- en loderbereiderijen.

Klopperijen van visch, katoen, metaal enz.

Koterijen van boom- en veldvruchten.

Lijnbanen, touwslagerijen.

Magazijnen van brandstoffen, huiden, leder enz.

Magazijnen of hoopen van drek, bagger, vuilnis, stille putten, penserijen, enz.

Magazijnen of hoopen van beenderen en lompen.

Menageriën.

Mijn-wasscherijen.

Molens (ros) onder uitzondering echter als bij Art. 2 van boven aangehaald Kon. Besluit is gezegd.

Oprigting of verandering van toren-, mout- en pelmolens voor zoover zij door paarden worden gedreven.

Rookerijen van vleesch, visch enz.

Smelterijen van vet en andere stoffen.

Vergulderijen in het vuur.

Verwerijen van doeksoorten.

Zagerijen van hout, steen enz.

Art. 120.

Voor zooverre daartegen bij geene wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien, zullen de overtredingen der bepalingen in dit Hoofdstuk vervat, worden gestraft met eene geldboete van vijf Gulden.

HOOFDSTUK X.

Bepalingen omtrent voerlieden en verhuurders van rijtuigen.

Art. 121.

Voerlieden of verhuurders van rijtuigen zullen de rijtuigen en tuigen, voor de uitoefening van dit hun bedrijf bestemd, moeten onderwerpen aan eene keuring door den Commissaris van policie, bijgestaan door drie deskundigen, daartoe door Burgemeester en Wethouders aangesteld, en zulks zoo dikwijls deze zullen noodig achten, op kosten der Gemeente te verrigten. Zij zullen zich bij de uitoefening van hun bedrijf van geene tuigen of rijtuigen mogen bedienen, welke bij zoodanige keuring zijn onvoldoende bevonden, tenzij dezelve vooraf ten genoege van den Commissaris van policie, bijgestaan als boven, in voldoenden staat zijn gebragt.

Art. 122.

Voor zooverre daartegen bij geene wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien, zullen de overtredingen der bepalingen in dit Hoofdstuk vervat, worden gestraft met eene geldboete van vijf en twintig gulden en gevangenis van drie dagen.

HOOFDSTUK XI.

Bepalingen omtrent de dagen en uren van afvaart der veer- en marktschepen, zoomede betreffende de kaai- en havenpolitie.

Art. 125.

De beurt- en marktschippers zullen gehouden zijn bij hunne aankomst hunne kaai te houden, daar, waar zulks hun van wege Burgemeester en Wethouders zal zijn aangewezen, tot zoolang zij de goederen behoorlijk hebben gelost en afgeleverd, zoomede om hunne vaartuigen den geheelen dag van hun vertrek tot het laden aan de kaai ter zelfder aangewezene plaats gereed te houden.

Art. 124.

De dagen en uren van afvaart der beurt- of marktschepen en schuiten, voor zooverre die bij de Reglementen op de veeren niet mogten zijn bepaald, worden door Burgemeester en Wethouders geregeld.

De beurt- en marktschippers zullen verpligt zijn, uiterlijk binnen een half uur na den alzoo voor hen bepaalden tijd, af te varen, tenzij aan hen door Burgemeester en Wethouders om bijzondere redenen schriftelijke toestemming mogt zijn verleend en vooraf aan den Commissaris van policie vertoond, tot tijdelijke staking dier afvaart.

Art. 125.

Gezagvoerders zullen hunne schepen of vaartuigen moeten halen en vastmaken op die plaats, welke hun door den Commissaris van policie of wanneer die Ambtenaar op de plaats niet mogt tegenwoordig zijn , door den Onder-Havenmeester zal worden aangewezen, terwijl zij nimmer voor of aan de monding der Buiten- of Bovenhaven mogen gaan liggen.

Art. 126.

Gezagvoerders van schepen of stoombooten zullen nergens anders mogen lossen of laden, dan op die plaats, welke hun, hetzij door Burgemeester en Wethouders als vaste ligplaats is toegekend, of op de wijze als in het voorgaande Artikel is vermeld, daartoe tijdelijk wordt aangewezen; het laden of lossen van beenderen zal in geen geval in den Burgel mogen geschieden.

Art. 127.

Bij wintertijd willende opleggen, zullen schippers van aken, pramen en vischschuiten deze hunne schepen of schuiten niet anders mogen leggen dan in den Burgel.

Gezagvoerders van alle andere vaartuigen zullen alléén die plaatsen in de Boven- of Buitenhaven mogen innemen, welke hun zullen worden aangewezen als in voege bij Art. 125 is bepaald; terwijl Burgemeester en Wethouders aan de Beurt- en Marktschippers, des verlangende, vaste plaatsen voor den wintertijd in de Buiten-Haven kunnen verleenen.

Art. 128.

Indien er schepen of vaartuigen onbewoond in winterlaag voor den wal liggen, alwaar andere schepen moeten laden of lossen, zal het den belanghebbenden schipper, doch niet anders dan met goedvinden van den Commissaris van policie, vrijstaan de in den weg liggende schepen voor zijne rekening te doen verhalen, en voorts onder verpligting om de uit de laag gehaalde schepen of vaartuigen terstond na de lossing of' lading wederom op dezelfde plaats te brengen en voor goed vast te maken.

Art. 129.

Ieder schipper of gezagvoerder is verpligt om aan de bevelen, welke hem door den Commissaris van policie, of wanneer die Ambtenaar op de plaats niet mogt tegenwoordig zijn, door den Onderhavenmeester zoo ten aanzien van het leggen van zijn schip als omtrent het verhalen van hetzelve gegeven zijn, onmiddelijk te voldoen, terwijl in geval van weigering of nalatigheid het alleen den Commissaris van policie zal vrijstaan, de touwen en kettingen, waarmede het vaartuig aan den wal of-kade is vastgelegd, los te maken, onverminderd de straffen tegen zoodanige overtreding bepaald.

Art. 130.

De schippers met hunne schepen in de haven liggende, zullen verpligt zijn hunne kluivershouten op te halen, opdat de passage daardoor niet belemmerd worde, terwijl zij in geen geval hunne ankers, touwen of dergelijk scheepstuig op den wal zullen mogen vastmaken, anders dan aan de daartoe bestemde palen of ringen.

Art. 131.

Geen stroo, steen, ballast of vuilnis mag in eene der havens over boord geworpen worden, maar zal door het scheepsvolk aan den wal in de dagelijks voorbij rijdende vuilniskarren moeten gestort worden.

Art. 132.

Niemand zal eenig zand, ballast, steenpuin of wat van dien aard meer zij, in de havens, langs de kaaijen van den IJssel en Burgel op den wal mogen lossen of werpen, zonder toestemming en plaatsaanwijzing van den Commissaris van policie.

Art. 133.

Schippers zullen zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders met hunne schepen niet mogen gaan liggen aan den Vloeddijk, dan alleen om te lossen en te laden, en hunne touwen of kettingen aldaar niet anders mogen vastmaken dan aan eenen boom daartoe tegen de ijzeren balustrade aangebragt, en zonder op eeniger hande wijze de passage te belemmeren of onveilig te maken.

Art. 134.

Het afschepen van hooi zal niet anders mogen geschieden dan in de Boven- of Buitenhaven, ter plaatse door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen, staande het aan deze vrij, in bijzondere gevallen, zulks ook aan de IJsselkaai of op andere plaatsen te vergunnen.

Art. 135.

Gezagvoerders van schepen zullen aan de Zuiderkrib in het Keteldiep, waarop het jaagpad is aangelegd, te rekenen van af het groote loodshuis, niet ten anker of vast mogen liggen, en in gemeld Diep aan den grond gerakende, bij nacht of bij duister of mistig weder hunne ankers in het vaarwater niet mogen werpen of laten liggen, zullende de door Burgemeester en Wethouders aangestelde loodsen aan gemeld Diep gestationeerd of zoodanige andere gemeente-beambten, als later met het toezigt over de kribwerken aldaar mogten belast worden, bij overtreding van gezegd verbod, bevoegd zijn, onverminderd de strafbepalingen daarop vastgesteld, de touwen der ankers onmiddelijk te kappen.

Art. 136.

Voor zooverre daartegen bij geene wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien, zullen de overtredingen der bepalingen in dit Hoofdstuk vervat, worden gestraft, te weten: die van de Artikelen 130, 131 en 132 met eene geldboete van twee Gulden; van de Artikelen 123, 124, 128 en 133 met eene geldboete van vijf Gulden; van de Artikelen 125, 126, 127, 134 en 135 met eene geldboete van. tien Gulden, en die van Artikel 129 met eene geldboete van vijfentwintig Gulden en gevangenis van drie dagen.

SLOTBEPALING.

Art. 157.

Onverminderd de straffen bij deze verordening bepaald, zijn Burgemeester en Wethouders bevoegd, tot het ten koste der overtreders doen wegnemen, beletten of verrigten van hetgeen in strijd met alle vorenstaande bepalingen wordt daargesteld, ondernomen of nagelaten; spoedeischende gevallen uitgezonderd, niet dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd. Zijnde deze verordening aan de GEDEPUTEERDE STATEN van Overijssel, volgens hun berigt van den 20 Januarij 1864, in afschrift medegedeeld. En is hiervan afkondiging geschied, waar het behoort, den 31 Januarij 1864.

Burgemeester en Wethouders voornoemd

H. WTTEWAALL VAN STOETWEGEN

Burgemeester,

N. VAN BERKUM BIJSTERBOS JR.

Secretaris

 

Category(s): Kampen
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *