De Havesathe Buckhorst

[pag. 187]

DE HAVESATHE

BUCKHORST.

____________

Deze havesathe, gelegen in de hooge heerlijkheid van Zalk (eertijds Santlike) en Vecaten, is van zeer hooge oudheid.
807. In den giftbrief van 9 Oct. 807, waarbij aan Ludgerus eenige goederen vermaakt worden, komt Bochurssi voor. BONDAM is niet vreemd van het gevoelen, dat er dit Bokhorst of Bukhorst door verstaan moet worden ( 1 [1. Charterb. I bl. 12. Er is evenwel nog een Bokhorst bij Spankeren. Waarschijnlijk is het de beukenhorst, van boc, een beuk. Clivus fagorum wordt het ook vertaald in het verhaal van 1226 bij HEDA p. 192 en DUMBAR, Anal. II p. 224. – In Sussex was of is ook een Buckhurst.]).
1133. Reeds in 1133 treffen wij Godefried en Theodorik van Bukhorst (Bokhorst) aan, die, nevens andere aanzienlijke ridders, als getuigen voorkomen, toen Rudolph van Steinforth van zijne vrije erfgoederen 22 waarschappen wegschonk aan het klooster te Lette, onder het bisdom van Munster ( 2 [2. RACER, Overijss. Ged. II bl. 200.]).

[pag. 188]

1145. In 1145 ontmoeten wij de gebroeders Theodericus en Werenboldus de Bockeshorst onder vele graven en heeren, voorkomende als getuigen van den Roomsch Koning Koenraad III., toen deze den 26sten Bisschop van Utrecht Herbert van Bierum in het bezit der Friesche graafschappen Oostergo en Westergo bevestigde ( 3 [3. HEDA, p. 167.]). Onder den volgenden Bisschop Godefried van Rhenen verschijnen zij weder als getuigen in 1165.
1213. In dit jaar vindt men Dirk en Hendrik van Bukhorst als getrouwe luiden en vrienden van Bisschop Otto I. De Bisschop maakte al zijne hoorige lieden, die op hunne hoeven in het kerspel van Wilsem en van Zalk op den Veene (Kamperveen) woonden, vrij, zoodat ieders erfenis op zijne erfgenamen komen zoude naar het regt van ieder mensch. Zij zouden ook vrij wezen van alle schatting en overal dezelfde vrijheid genieten, welke de burgers van Zalk, van Zwol en van andere omliggende dorpen en steden verkregen hadden. De Bisschop gaf aan gemelde heeren tevens de magt, om in die landen hofsteden te verhuren en er jaarlijks pacht van te nemen. Hij beval hun daar het voet- of lage gerigt, maar behield aan zich het hooge gerigt, met de tienden grof en smal van net gezaaide land ( 4 [4. RACER, II bl. 187. VII. bl. 150. 169. Kamper Kronijk bl. 73.]).

[pag. 189]

1223. In het jaar 1223 zien wij ridder Gerhard van Bukhorst, als leenman van den Graaf van Gelder, met de heeren van Voorst en andere edelen, in opstand tegen Bisschop Otto II., wiens ambtmannen de boeren van Salland door knevelarijen benadeelden en deze tot het opvatten der wapenen drongen. De Bisschop kwam met een talrijk leger tegen hen te veld, met geluyt der basuinen en geklanck van hoornen en behaalde eene volkomene overwinning, waarbij de beide kasteelen Voorst tot den grond verwoest werden en het kasteel Bukhorst in den brand werd gestoken, waarvan echter de groote toren behouden bleef. – De Graaf van Gelder bragt in het volgende jaar weder een leger tegen den Bisschop op de been en de strijd stond hervat te worden, toen de Bisschop van Porto, als pausseliik gezant, tusschen beiden kwam en den vrede herstelde. Er werd een verdrag gesloten, waarbij de Graaf van Gelder eene landstreek (comitatus) in Salland, die de heer van Bukhorst van hem ten leen had, aan de Utrechtsche kerk afstond, ook het advokaatschap of de voogdij over de lieden en goederen van het Stift te Essen, in Salland gelegen, door hem van den heer van Bukhorst aangekocht ( 5 [5. DUMBAR, Anal. II, 226. RACER, VII. 168. 175. Kamper Kronijk bl. 75. ]).

_______

De abtdij Essen, nabij de stad van dien

[pag. 190]

naam, was een wereldlijk stift van adellijke juffers en een leengoed van het Duitsche Rijk. Het gesticht, omtrent het jaar 860 vorstelijk opgebouwd en vervolgens rijk begiftigd, werd bewoond door 52 edele jonkvrouwen, welke, onder het opzigt eener vorstelijke abtdisse, overeenkomstig den geest des tijds, tot een vroom en stichtelijk leven werden opgeleid. Aan 20 stiftsheeren en priesters was de waarneming der kerkdiensten en godsdienstplechtigheden aanbevolen, door welke dagelijks de mis gelezen, de vesper gezongen en bij afwisseling de koorgezangen bestuurd werden. Door dezen werden ook de bedrukte maagden getroost, de kranken genezen en voor de overledenen zielmissen en gebeden ten hemel gezonden. De abtdis, doorgaans uit een vorstelijk geslacht gekozen, had het opperbestuur van het geheele convent volgens de regelen van St. Benedictus, door welke hare conventualen overigens aan geene strenge kloostergeloften waren gebonden, maar vrijheid behielden, om het stift na eenige proefjaren te verlaten. Zelfs werd dit niet geweigerd, wanneer eene der conventualen aan het gezelschap van eenen enkelen jeugdigen ridder boven dat van 50 deftige stiftdames mogt de voorkeur geven.
In het beheer der verspreide en afgelegene landgoederen van het stift werd de abtdis ondersteund door ambtenaren, welke zij aanstelde, om de pachten en tienden in te manen en aan haar te verantwoorden. De ambt-

[pag. 191]

man woonde doorgaans op eene der landhoeven, welke dan de hoofdhof genoemd werd. Zoo was Borbeek een hoofdhof in het stift Essen, even als Erentzel, waar zij nogtans de jagt en visscherij voor zich behield, gelijk blijkt uit eene keur van de XIVde eeuw, dus aanvangende: ,,dit syn rechte und kur Borbeeker mark; ten ersten: niemant sal mit scheppen off mit garne visschen of jagen dan mijn vrouwe van Essende, van twen haven Borbeck und Yrentzel.’’ – Te Borbeek had zij zelfs eenen vrijstoel, waarvan in het Essensche archief staat aangeteekend, dat Keizer Sigismund, in het jaar 1429, op aanzoek der abtdisse van Essen, Johan Kruse heeft aangesteld als vrijgraaf van haar stift bij den stoel van den burg te Borbeek. Deze Johan Kruse was ongetwijfeld een Kampenaar, daar het geslacht van dien naam omtrent dezen tijd een der aanzienlijkste te Kampen was, en de vriendschapsbetrekking van den ambtman der abtdis te Kampen, gedurende zijn verblijf aldaar aangeknoopt, maakt het waarschijnlijk, dat zij door diens voorspraak iemand uit dat geslacht tot vrijgraaf in den hof te Borbeek den Keizer zal aanbevolen hebben.
De hoofdhof van de Sallandsche goederen der abtdisse was te Archum in het kerspel van Ommen, waar de heilige luden der kerk van Essen, op die goederen wonende, voor haren ambtman te regt stonden. Van de regten dezer heilige luden vinden wij het merkwaardig berigt in eenen brief van Bisschop

[pag. 192]

Johan van Diest in 1324 ( 6 [6. DUNBAR, Anal, II, 249.]). De magt van den ambtman der abtdisse van Essen is in het jaar 1384 door Ridderschap en Steden van Overijssel merkelijk ingekort en in 1635 nader beperkt. Maar er bestaat nog een oorspronkelijke leenbrief van het jaar 1671, die bij het bestuur der kerkelijke goederen te Kampen bewaard wordt, en dien wij als aanhangsel willen mededeelen.
Behalve Archum was ook de vrije heilige hoeve Irthe (thans het landgoed Eerde), aan de oostzijde der Regge mede bij Ommen gelegen, een hoofd- of opperhof van het Stift Essen ( 7 [7. Zie over Eerde en de betrekking tot de abtdisse van Essen Overijss. Alm. 1839 bl. 167.]). Van eenen derden hoofdhof, voormaals bij Wijhe aanwezig, schijnt nog de plaats op eene ten noorden van het dorp gelegene landhoeve, onder den naam van den hof te Wijhe bekend gebleven ( 8 [8. De derde hof lag onder Olst. In den brief van Koning OTTO I. van 15 Jan. 947 (bij LACOMBLET, Urkundenbuch I. No 97.) waarbij hij de schenkingen bevestigt, waarvan de oorkonden verbrand waren, vindt men: » quicquid habuit in comitatu Ecberti et Cobbonis tres insuper alias curtes holsto. Arachem. herte.’’ Zoo ook in 974 (Urk. No 117.)]). In den omtrek dezer drie hoofdhoeven waren ook de thins- en tiendpliglige erven, waarop de heilige lieden der kerk van Essen woonden, gelegen. Hieronder behoorde ook ,,dat heilige goed tot IJttersum, gelegen in de marke van IJttersum, dat Wil-

[pag. 193]

lems van IJttersum te wezen plag’’, hetwelk Bisschop Johan van Arkel, na de belegering van het kasteel Voorst in het jaar 1363, voor te leen ontvangen 500 pond Deventer geld, aan zijn zwager heer Frederik van Heker verpandde, tegelijk met zijnen hove tot Luttenbergh, in de marke Lultenbergh gelegen. Op dezen laatstgenoemden hof woonden echter geene heilige lieden van de kerk van Essen, maar hoorige lieden des Bisschops, die den hof verpandde ,,met tienden en de lieden, die daar in woonden’’, en er nog het gerigt van Hakesberge hoog en leeg bijvoegde, voor de, van zijnen zwager te leen ontvangene 3500 pond Deventer geld, doch onder beding, dat heer Frederik ’s Bisschops hoorige lieden, in den voorschreven hof woonachtig, niet zoude mogen schatten, maar den erfftael (erfenis), zoo ver dezelve hem van regtswege toekwam, ontvangen. Dat de Bisschop zijnen hof te Luttenbergh verpandde met de lieden, die er op woonden, was niet vreemd. De hoorige lieden waren met vrouw en kinderen onafscheidelijk aan den hoofdhof verbonden, en van hier hofhoorigen genoemd. In geval van verkoop werd zoodanige hof overgedragen met de huisgezinnen en dienstbaren, die er op woonden. Somtijds zelfs werden dienstbaren tegen anderen verruild of verwisseld. Zie hier één voorbeeld. Graaf Johan van Bentheim ontsloeg Amelgarde, de huisvrouw van Arnold Kedijnck, met hare kinderen van de dienstbaarheid, waarop hij regt had, leverde haar en hare kinderen

[pag. 194]

over als dienstlieden aan den Bisschop van Utrecht Guido van Avennes, en ontving daarentegen, bijwijze van ruiling, van den Bisschop terug Lutgarde, de huisvrouw van Gerard van Quendorp, met hare kinderen, als zijne dienstlieden. De Graaf gaf hiervan eenen gezegelden brief op Palmzondag 1307.

______

Na dezen uitstap over de in Salland gelegene Essensche goederen, waarvan heer Gerhard van Bukhorst het advokaatschap gehad had, willen wij de bedrijven zijner opvolgers nasporen.
1227. In dit jaar zien wij Theoderik van Bukhorst en zijnen zoon, met Bisschop Otto II, en de Graven van Gelder en Holland en vele andere edelen, tegen Rudolf van Koeverden te velde trekken, maar ook met den Bisschop en wel 50 edelen en ridders bij Ane omkomen ( 9 [9. DUMBAR, Anal. II. P. 228.]).
1232. In 1232 ontmoeten wij Giselbert van Bukhorst bij de inwijding van het klooster Marienberg aan het Zwarte Water, door Bisschop Willebrand ter gedachtenis van die gesneuvelden gesticht ( 10 [10. DUMBAR, p. 230.]). Dezelfde Giselbert of Gijsbert was omtrent dezen tijd tegenwoordig bij de plegtige verheffing van Zwol tot eene stad door Bisschop Willebrand ( 11 [11. DUMBAR, p. 231. VAN HATTUM, I. bl. 128.]).
1263. Dezelfde Giselbert van Bukhorst ver-

[pag. 195]

schijnt nog in dit jaar onder de naastbestaanden en vrienden der Drentsche ridders Gerard Clenke en Hacko Stephanuszoon van Hardenberg, bij gelegenheid, dat de 38ste Bisschop Hendrik van Vianden deze tot burggraven van het kasteel Koeverden aanstelde.
De heeren van Bukhorst komen dikwijls voor onder de voornaamste edelen als raden en getrouwen der Bisschoppen van Utrecht in belangrijke zaken; hier echter wordt Gysbert opgenoemd onder de borgen van voornoemde burggraven voor hunne rigtige bewaring van het slot te Koeverden, ten behoeve van den Bisschop en het Sticht van Utrecht.
1275. Dit jaar komt Willem van Bukhorst voor onder de getuigen van den brief, waarbij Bisschop Johan van Nassau het dorp Genemuiden tot eene stad verhief ( 12 [12. De brief staat bij RACER VI. bl. 55. en komt overeen met een authentiek afschrift in het archief te Deventer, zoo dat geen twijfel is, of het jaar 1272 bij DUMBAR Anal. II. p. 233 is een misslag, gelijk ook de namen der getuigen, waarschijnlijk door eene verkeerde lezing, verminkt zijn.]).
1277. In dit jaar verkochten Willem en Gerhard van Bukhorst de helft hunner landbezitting in Zalk, waarop het kasteel stond – waarschijnlijk het vierkant gebouw, dat, in 1223 van den brand overgebleven, toen nog aanwezig was – aan den Abt en het klooster te Stavoren, alsmede een gedeelte der visscherij in den IJssel en van hunne waarschap in Maste-

[pag. 196]

broek, voor 350 talenten of ponden gebruikelijke munt, onder uitzondering van de moerassen Hollanderbroek en Kamperveen, enz. Zij behielden zich den wereldlijken regtsdwang voor, behalve dat de monniken en hunne dienaars onder het gerigt van den Abt zouden blijven, zelfs zoo zij elkander sloegen of wondden. De overdragt geschiedde in het openbaar op het kerkhof te Zalk voor den regter Engelbert ( 13 [13. RACER, II bl. 194. – Volgens mededeeling van den Heer Mr J. VAN DOORNINCK, Archivarius der provintie, heeft deze Willem twee zonen nagelaten, Gijselbert en Wolter. De eerste schonk, in 1289, bij eene nog voorhandene originele acte, aan de kommanderij van het Duitsche huis te Utrecht het collatieregt te Eelde, zoo uit devotie, als omdat zijn broeder Wolter zich in die orde begaf. En dezelfde Gijselbert spreekt in eene acte van 1305, in het archief te Kampen, van zijnen Vader Willem, zijne echtgenoot Euphemia en zijne zonen Willem en Gijselbert. – Zijn zoon Willem, die in het jaar 1326 nog als famulus, met Gijselbert als zijn fidejussor, voorkomt en waarschijnlijk voor 1338 overleden is, liet twee zonen na, Johan (1338 – 1361) en Willem.]).
1309. In ongunstiger licht komt in 1309 heer Gijsbert van Bukhorst voor, die aan de Kamperveensche boeren lasten wilde opleggen, waarvan zij voorheen door de Bisschoppen waren ontheven. Bisschop Guido van Henegouwen deed de knevelarijen van heer Gijsbert ophouden en herstelde de boeren van Kamperveen in hunne regten ( 14 [14. RACER II. p. 193. Kamper Kronijk bl. 105. DUMBAR II. p. 484.]).
1338. In dit jaar ontmoeten wij Johan van

[pag. 197]

Bukhorst, die met zijnen broeder en zuster eenige hunner landerijen te gelde maakten. Zij verkochten aan Evert Spaan de helft van den Oord, buiten de kerk te Zalk gelegen, en aan Goesen Spaans broeder en Dideric van Zalk hunnen neve de andere helft van den Oord, nevens eene waarschap in den Oord voorn., gelegen in Zanlicker marke, met al hunne regten toe water en toe weyde, toe dijkene en toe weghene, enz. De brief werd, benevens Johan zelf ook nog bezegeld door Roederik van Voerst en van Keppel, Zweder van Rechteren, Gijsbert van Bukhorst en Laurens van der Eeze, zijne oomen ( 15 [15. Volgens eenen vidimusbrief van Burg. Sch. en Raad van Kampen van 1437.]), enz.
1345. Het was waarschijnlijk ten gevolge van dezen verkoop, dat de voornoemde Johan van Bukhorst, in het jaar 1345, met den Abt van Staveren eene overeenkomst gesloten heeft omtrent de verdeeling van het broek van Bukhorst, hetwelk bij den verkoop in 1277 in gemeenschap en onverdeeld gebleven was, en waaromtrent nu werd vastgesteld, dat de helft, naar de zijde van Hattem strekkende, den Abt zoude toegedeeld worden, maar dat het huis te Zalk, dat zijn convent toebehoorde, hem aldaar geenen voerstat, voorrang, zoude geven. De overige tusschen hen bestaande geschillen zouden tevens ver-

[pag. 198]

effend zijn en elk het zijne rustelijk gebruiken naar inhoud der oude handvesten. De brief werd weder door Johan’s oom Gijsbert van Bukhorst bezegeld ( 16 [16. RACER II. Bl. 196.]).
Het moge vreemd schijnen, dat de Abt van het klooster te Stavoren in Vriesland landerijen aankocht aan den IJssel tusschen Bukhorst en Hattem gelegen, de vermelde brieven van 1277 en 1345 geven dit nogtans zeer duidelijk te kennen, en de voorwaarde in die van 1277, dat de heeren van Bukhorst zich met de twisten en vechterijen der monniken en hun dienstvolk niet zouden bemoeijen, doet genoegzaam zien, dat de Abt het voornemen had, eenige monniken te zenden, om over de aangekochte goederen en de daarop wonende boeren en arbeiders het opzigt te hebben, waarvan ook twist en tweedragt te voorzien was. Het klooster te Stavoren, in 1132 gesticht en aan St. Odulphus gewijd, was zeer rijk en bezat uitgestrekte landgoederen in vele streken van Vriesland, aan het Flie, te Kuinre, Urk, Emelwarden en elders, met bouwhoeven, weiden, bosschen en woeste gronden, welke door de monniken en onder hun opzigt bewerkt en ontgonnen werden ( 17 [17. Oudh. en Gest. van Vriesl. Matthaei Anal. T. III. p. 473 – 478, waar ook Hislum genoemd wordt.]). Op die hoeven en ontgonnen landen werden ook kapellen gebouwd, en dit

[pag. 199]

gaf weder aanleiding tot het stichten van nieuwe kloosters, zoo als naderhand hier bij Hattem heeft plaats gehad. – ,, Toen name-
,, lijk het nonnenklooster aan het Zwarte Wa-
,, ter (gelijk VAN HUESSEN verhaalt) door het
,, veelvuldig bezoek van vrienden en wereld-
,, sche luiden als afgeloopen werd, ’twelk
,, maar tot stoornis van de stilheid der reli-
,, gieusen dient, zijn er eenige maagden ge-
,, weest, die niet verdragen konden, dat deze
,, bijenkorf der zielen aldus in een eksternest
,, veranderd wierd, en, naar eene strenger le-
,, venswijs verlangende, besloten hebben de
,, plaats te verlaten, om elders eene vergade-
,, ring op te rigten, waar zij haren bruide-
,, gom naar den kloosterregel van St. Bene-
,, dictus in stille afzondering zouden kunnen
,, dienen. Zij wendden het oog naar de ap-
,, pelhoven en boomrijke streken bij Hattem,
,, kochten aldaar een erf en hebben, met ver-
,, lof van Reinald IV van Gelre, aldaar de
,, eerste huizen getimmerd.’’

Wegens de nabijheid van den IJssel gaven de nonnen aan deze stichting den naam van O. L. Vrouw bij Klaarwater, gelijk die, van waar zij afkomstig waren, naar het Zwarte Water was genoemd geworden. Welligt was de benaming Klaarwater tevens eene zinspeling op de klare en zuivere bron van heiligheid, welke deze nonnen aan den IJssel zoude besproeijen, in tegenstelling van den zwarten modderpoel van ondeugden, welke de kloosterzusters aan het Zwarte Water had be-

[pag. 200]

zoedeld. Hoe het zij, het klooster Klaarwater maakte goeden opgang. De priores en haar convent zorgden in de eerste plaats voor eenen prior, twee priesters en eenige lekebroeders, deze om den akkerbouw te bestellen, gene om de kerkdiensten waar te nemen ( 18 [18. Oudh. en Gest. van Deventer. II. bl. 469.]).
AREND TEN BOECOP meldt de stichting van het klooster Klaarwater in het jaar 1415, d. i. 138 jaren nadat de heeren van Bukhorst de helft hunner landgoederen aan den Abt van Stavoren hadden verkocht, hetwelk, gelijk vroeger is opgegeven, in het jaar 1277 heeft plaats gehad. Daar nu door eenen geweldigen watervloed van het jaar 1368 of 69 twee torens en een gedeelte der gebouwen van het klooster te Stavoren omgeworpen en vele landerijen bedorven zijn, daarna door slecht gewas en sterfte van het vee groote schade is toegebragt, en het, in 1390, met eenige huizen door de Hollanders in de asch gelegd is, zoo kan het ons niet bevreemden, dat de Abt, in zijne inkomsten merkelijk bekort, naar middelen heeft moeten omzien, om de geledene schade te herstellen en eenige afgelegene goederen te verkoopen, waaronder dan wel in de eerste plaats het in 1277 aangekochte land aan den IJssel in aanmerking zal zijn gekomen. Het is derhalve meer dan waarschijnlijk, dat het erf, aangekocht voor de nonnen, die het klooster Zwarte Water hadden verlaten, waar-

[pag. 201]

op het klooster Klaarwater gesticht is, een gedeelte was van de landen, welke de heeren van Bukhorst aan den Abt van Stavoren hadden verkocht, en wel dat gedeelte, hetwelk naar de zijde van Hattem lag.
Heeft die verkoop van het gedeelte, naar den kant van Hattem gelegen, werkelijk tot het stichten van het klooster Klaarwater plaats gehad, dan zal het andere gedeelte van des Abts goederen wel geen ander geweest zijn, dan dat, waarop, bij den aankoop in 1277, nog een toren of overblijfsel van het kasteel Bukhorst stond. En daar wij op oude kaarten van de Veluwe tusschen dit kasteel en het klooster Klaarwater nog het kasteel en de havesathe Yrst of Ierst vinden, zal men het landgoed van dezen naam, aldaar nog bekend, wel voor het bedoelde overige gedeelte van des Abts goederen mogen houden. Ik ben in dit gevoelen versterkt door het berigt omtrent de havesathe Ierst, dat de erven en landerijen tusschen de havesathe Bukhorst en voorbij het Katerveer, langs de rivier den IJssel gelegen, alle onder de havesathe Ierst hebben behoord, uitgezonderd één erve, aan Bukhorst grenzende en door den Gelderschen kolk daarvan gescheiden. Eén dezer erven, waarop vroeger het kasteel stond, heeft nog den naam van Ierst behouden; de overige, die er toe behoord hebben, zijn voor en na door de tijdelijke bezitters verkocht en in andere handen overgegaan. Het kasteel lag in eene gracht besloten, over wel-

[pag. 202]

ke eene ophaalbrug den toegang verleende. Het schijnt buiten twijfel, dat dit kasteel dezelfde toren geweest is, die op het gedeelte van Bukhorst stond, dat in 1277 aan den Abt van Stavoren verkocht werd en later als de havesathe Ierst bekend is geweest.
Het spreekt van zelf, dat de heeren Willem en Gerhard van Bukhorst, nadat zij de helft hunner goederen, waarop het overschot van het eerste kasteel stond, in 1277 verkocht hadden, kort daarna, op den grond der andere helft, welke hun eigendom bleef, een nieuw kasteel hebben gesticht, niet slechts ter woning maar ook ter verdediging, zoo als dat in dien riddertijd een noodzakelijk vereischte was. Het gebouw, toen opgerigt, dagteekent dus van het jaar 1278 of daaromtrent, en zal wel hetzelfde vierkant kasteel zijn, dat tot 8 Sept 1840 aanwezig was. Toen evenwel, ruim eene eeuw later (in 1391) hun nazaat Johan dit kasteel wilde vertimmeren en vergrooten, waren de landsomstandigheden reeds in zoo ver veranderd, dat Bisschop Florens en de Steden een aanmerkelijk overwigt over de ridders verkregen en bij eene overeenkomst van 1381 de vermenigvuldiging van zoodanige sterke huizen hadden beperkt ( 19 [19. DUMBAR Anal. II. 316.]). Aan heer Johan werd een bestek opgegeven, volgens hetwelk zijn huis moest opgetimmerd worden. De muren van het nieuwe gebouw zouden slechts

[pag. 203]

twee steenen dik mogen zijn; bovendien moest hij beloven, daaruit nimmer eenige schade door roof of brand aan den Bisschop, zijn gesticht of de steden van Salland, te zullen aanrigten ( 20 [20. DUMBAR, p. 337. Kamper Kronijk bl. 171. ]). Het heerenhuis, tegen de westzijde van het vierkante kasteel gebouwd en daaraan verbonden, was dan hetzelfde, dat door Johan in 1391 is opgebouwd. De breede opgang en de lichtramen in den voorgevel, de trapswijze zijmuren en overige sieraden droegen duidelijke kenteekenen van lateren bouwtrant en hadden niet dat oorlogzuchtig aanzien, als het daar nevens staande kasteel, welks dikke muren met kleine vensters, vierkant opgetrokken met breede deksteenen, opene kantelingen en borstweringen voorzien, nog in 1840 de ruimte aanwezen, van waar de verdedigers, op de muren geplaatst, met pijlen en steenen de bespringers konden begroeten. Dit oude gevaarte telde bij de slooping 560 jaren, het nieuwe van 1391 450 jaren. Beide vertoonden de hechtheid en duurzaamheid der werkstukken van vroegeren bouwtrant, en de oudheidminnaar huiverde op het denkbeeld, toen dit trotsche gedenkstuk voor het breekijzer van den gevoelloozen slooper moest bezwijken en in puin nederstorten.
Johan van Bukhorst, die, gelijk wij gezien hebben, in 1345 met den Abt van Stavoren eene overeenkomst sloot, is vóór 1361

[pag. 204]

overleden. In dit jaar verklaarde zijne weduwe Agnes, verzoend te zijn met Eduard, Hertog van Gelre en beloofde, geene geledene schade op hem of op zijn land te zullen verhalen. Willem van Bukhorst hing, ten verzoeke zijner schoonzuster, zijn zegel aan den brief ( 21 [21. NIJHOFF, Gedenkw. II. No 114 bl. 167. – Zie omtrent de verwantschap de aant. op bl. 196. Johan en Agnes hadden kinderen, weder een Johan en een Willem. De eerste, de bouwer of herbouwer van het kasteel in 1391, komt in het laatst der 14de eeuw als ambtman van Diepenheim, en in het begin der 15de van Koeverden en Drenthe voor. Zijne kinderen waren, bij eene onbekende, Johan, die volgen sal, en Agnes echtgenoot van Coenraad de Vos van Steenwijk; bij Lijsbeth van Almelo, sijne tweede vrouw, Geert en Willem. V. D.]).
1442. Een halve eeuw na den herbouw van het kasteel door den tweeden Johan in 1391, vinden wij eene vrouwelijke nazaat, Zwenne van Bukhorst, in geschil met de erfgenamen van Kamperveen over het gerigt, dat zij daar uitoefende, en dat hare voorzaten in 1213 van Bisschop Otto I. verkregen hadden. Het schijnt dat hare thinspligtingen aldaar zich omtrent de vrouwelijke afstammelingen ongehouden rekenden, iets te betalen. Het geschil werd door Bisschop Rudolf van Diepholt beslist. Zij stond het gerigt, dat zij en hare voorvaderen op Kamperveen gehad hadden, voor 200 Rijnsche gulden aan den Bisschop af. De erfgenamen van Kamperveen zouden haar 700 Rijnsche gulden voor alzulken thins en geregtigheid, als zij en hare voorvaderen gehad hadden

[pag. 205]

Betalen, zonder dat zij er eenige aanspraak op behouden zoude, en voorts achterstallige vijf jaren en vroegere verzuimenissen van betaling aanzuiveren, enz. ( 22 [22. RACER, VII. Bl. 174.]).
1443. Het is vreemd, dat eene vrouw, bij den afstand van hare regten aan den Bisschop, de handelende persoon is, daar wij in het volgende jaar eenen heer Johan van Bukhorst ( 23 [23. Johan van Bukhorst, de oudste zoon van den herbouwer van het kasteel in 1391 en deszelfs eerste vrouw (bl. 204), was reeds vóór 1434 gehuwd met Zwane of Zwenne. Immers, blijkens het Kamper burgerboek, lieten zij zich onder de burgerij der stad Kampen opnemen. Dat haar familienaam van der Eze was, blijkt uit het leenregister van Bisschop David op 20 April 1457, alwaar van een leengoed en tijns op Kamperveen gesproken wordt, dat » Zwenen van der eze, » Johans wijff van buchorst toe te hoeren plach.’’ Beide echtgenooten hadden in 1434, bij gelegenheid dat zij het burgerregt te Kampen aannamen, hun huis Bukhorst reeds in zekere afhankelijkheid van de stad gesteld. Zijn halve broeder Geert, uit den echt met Lijsbeth van Almelo, doet op vrijdag na St. Lucie 1459 met jonkvr. Alijt zijn wijff hetzelfde, zoo dat men Johan voor reeds (zonder kinderen) overleden mag houden. V. D. Zijne weduwe Zwenne voorn. zal waarschijnlijk dezelfde zijn, die, door eene verkeerde lezing, beneden Zweere van Bukhorst genoemd wordt.]) aantreffen als eigenaar van ¾ in den veerstal te Koten of het Koterveer, waarvan aan de stad Zwolle ¼ behoorde; dus hadden nu beiden ieder de helft. Men kwam overeen, het veer op den derden dag na nieuw jaar in Johans tegenwoordigheid op het wijnhuis te Zwol te verpachten; of indien hij uitbleef, mogt

[pag. 206]

de stad in zijne afwezigheid daarmede voortgaan. De opkomsten zouden gemeenschappelijk genoten en de onkosten gelijkelijk gedragen worden ( 24 [24. VAN HATTUM, Ges. van Zwolle I bl. 386. Johan had zijn aandeel eenige jaren vroeger van Hendrik van Laer gekocht. DUMBAR, Anal. II. p, 425.]).
1448. De onderlinge vriendschap, hierbij betoond, hield echter geen stand. In dit jaar had heer Johan twee Zwollenaren gevangen genomen en in den kelder geworpen, die nog in 1840 onder het kasteel werd aangewezen. Om deze gewelddadige handelwijze werd hem de stad Zwol ontzegd en alle gemeenschap met hem verboden, zoo dat men zelfs niet met hem eten, drinken of zamenspraak houden mogt, op boete van 10 oude schilden ( 25 [25. VAN HATTUM, I. bl. 396.]). In
1450 zien wij hem van Bisschop Rodolf van Diepholt voor 25 heeren ponden sjaars eene bouwing te Zalk pachten, met uitzondering van de visscherij, welke de Bisschop voor zich behield ( 26 [26. RACER, VII bl. 302.]). Dit erf werd het monnikengoed genoemd, hetgeen zou doen denken, dat het in vroeger tijd behoord heeft tot de landgoederen, welke in 1277 aan den Abt van Stavoren verkocht, en door dezen na 1370 weder aan anderen overgedragen zijn. Kregen de nonnen van Klaarwater een gedeelte, waarop het klooster gesticht is: een ander gedeelte kan op het Sticht van Utrecht zijn overgegaan,

[pag. 207]

waarvan dan eene bouwing door den Bisschop in 1450 werd verpacht, hetgeen te waarschijnlijker is, omdat nog in 1659 aldaar een stuk provintiaal domeinland onder den naam van Abtsland van Staveren bekend was ( 27 [27. Tegenw. Staat v, Overijss. IV. bl. 121.]).
1456. Willem van Bukhorst ( 28 [28. Deze Willem was een zoon van Geert, die in 1459 (bl. 205) met Alijt zijn wyf (waarschijnlijk uit het geslacht van Hoenlo) zijn kasteel van de stad Kampen afhankelijk maakte. Geert kan slechts kort heer van Bukhorst geweest zijn, want er is eene scheiding en deeling van 2 Mei 1460 » van heer Willem van Buckhorst, » Ritter en Herman van Buckhorst, gebroders, und » Johanna hoere tweer suster, van naegelaten goede » Geerdes und Johan van Buckhorst gebroders.’’ Straks na den dood van hunnen vader Geert schijnt het, dat sijne zonen Willem en Herman beide aanspraak op het huis gemaakt hebben, want beiden laten zich met hunne echtgenooten, Jacoba en Catharina, op denzelfden dag als burgers te Kampen aannemen en stellen op denzelfden tijd het huis in veel grooter afhankelijkheid van deze stad, dan gedaan was door hunnen oom Johan en hunnen vader Geert. Willem wordt, in het leenregister van Bisschop David den 26sten Julij 1460, na den dood zijns vaders Gerrit van Buckhorst, eerst beleend met eenige landen in het kwartier van Vollenhove alsmede onder Wijhe, en ten zelfden tijde na den dood van Johan van Buckhorst, zijnen oom, met het gerigt over Zalliker kerspel » uutgeseecht dat aen lijffe dreecht enz. Hij moet eenen hoogen ouderdom bereikt hebben en eerst in het begin der volgende eeuw gestorven zijn. V. D.]) nam werkzaam deel in den oorlog om de bisschoppelijke opvolging na den dood van Rudolf van Diepholt. Hij trok in dat jaar aan het hoofd van 16 geharnaste ruiters en 23 gewapende voetknech-

[pag. 208]

ten, aan zijn kasteel onderhoorig, tot verdediging van Deventer, toen het door Philips van Bourgondië belegerd werd ( 29 [29. Kamper Kronijk, bl. 233.]). Het wapentuig, de harnassen, helmen en spiessen, welke de ridderzaal gewoonlijk versierden, werden bij zoodanige gelegenheid tot de toerusting der hofhoorige ruiters en voetknechten gebezigd, en na de terugkomst met de veroverde zegeteekenen ten toon gehangen. De stoet van jonkers, jagers en bedienden, aan dergelijke hofhouding geëvenredigd, laten geen twijfel over, dat ook op Bukhorst in dezen tijd schitterende ridderpraai zal geweest zijn. De postulaat, Gijsbert van Brederode, voor wien Overijssel partij trok, moest zijne aanspraak ten behoeve van David van Bourgondië opgeven. Willem van Bukhorst komt nog in 1472 voor op de lijst der edelen, die in de Geldersche geschillen de partij van Hertog Arnold en van den Hertog van Kleef hadden gehouden, en wier goederen ten gevolge hiervan verbeurd waren verklaard, doch van welk regt Karel van Bourgondië afstand deed ( 30 [30. NIJHOFF, Gedenkw. IV. No. 532 bl. 477.]).
1476. Tot in 1476 leefde nog de weduwe van den omtrent 1459 overledenen Johan van Bukhorst, Zweere (Zwenne ?) geheeten. Zij wordt Overste te Zalk genoemd, hetwelk te kennen zal geven, dat zij, als vrouw van Zalk, de regten dier heerlijkheid bezat. Zij komt voor als wel-

[pag. 209]

doenster en begiftigster van het klooster Hulsbergen aan de andere zijde van Hattem gelegen, hetwelk om dezen tijd bloeide ( 31 [31. Oudh. en Gest. van Deventer II bl. 498.]).
1481. In dit jaar komen de gebroeders Johan en Herman van Bukhorst voor. Deze werden, nevens Jacob Schaep, door Berend Palle, Vrijgreve des edelen jonkers van Bentheim en Steinforden, gedagvaard om te verschijnen voor hem of eenen anderen Vrijgreve, aan den vrijen stoel te Laar, en zich daar te verantwoorden tegen Jacob Keppel, Vrijschepen des H. Rijks, als vulmechtig procratoir Frederiks van Keppel, klager, op de aanklagte in den indagingsbrief gemeld. Waarin deze aanklagte bestond, wordt niet gezegd; maar de gedaagden vermeenden ongehouden te zijn, aan die dagvaarding te voldoen. Zij deden, bij eenen gezegelden brief, door Dirk Noerdinck en Egbert Kock, Vrijschepenen des Rijks in Overijssel, den Vrijgreve Berend Palle weten, dat zij, Johan, Herman en Jacob, vorderden, dat voorm. klager, of wie ook van regtswege eenige klagte tegen hen hebben mogt, hen zoude aanspreken voor hunnen genedigen heere van Utrecht, hoeren rechten lantheren, als hoeren landloepigen rechter, zoo als zij van regtswege en naar gelegenheid der zaak verpligt waren, en wel ter gewoner plaats en tijd. Deze weigering steunde op goeden grond, alzoo de ingezetenen van Over-

[pag. 210]

ijssel reeds in het jaar 1464 van de magt der vrijstoelen en veemgerigten ontheven waren ( 32 [32. Kamper Kronijk, bl. 238. Tot opheldering van deze indaging dient misschien de aanteekening van den heer V. D., » dat Herman, broeder van Willem, die in 1460 aanspraak op het kasteel schijnt gemaakt te hebben, ten huwelijk had Catharina van Keppel, dochter van Herman van Keppel tot Buxbergen en Hengvorden, Ridder, en deze goederen na den dood harer broeders Herman en Frederik van Keppel heeft bekomen. Hij is denkelijk vóór 1478 overleden.’’ Waren nu deze Johan en Herman zijne zonen?]).
1492. Toen in het jaar 1450, door Bisschop Rudolf van Diepholt, een bouwerve te Zalk was verpacht aan Johan van Bukhorst, had de Bisschop de visscherij in den IJssel, of die wederqueme, voor zich behouden. Dezelve schijnt dus in het verval te zijn geweest; maar in het jaar 1492, toen heer Willem de visscherij ter hand nam, was die van zoo veel belang, dat de rentmeester van den Bisschop ten profijte van zijnen genadigen heer David in de winst wilde deelen. De schelinge, daaruit ontstaan, werd den 22sten Aug. van dat jaar aldus vereffend: ,, dat heer Willem die vis-
,, scherye bevisschen sal tusschen dit ende
,, middewinter naestcomende alleen tot synen
,, proufyte ende schaede, ende dan voortaen
,, sal men die visscherye tot Salck gebruiken
,, half ende half, alsoo dat myn genad. hee-
,, ren ende heer Willem voors. den schaede
,, ende baete daeraff gelycke doen ende heb-
,, ben sullen, ende offte de visscherye

[pag. 211]

,, compt tegens myns genad. heeren lande
,, offte tegens heer Willems lande altyt des
,, niet tegenstaende sullen sie altyt halff ende
,, halff hebben ende gebruicken als voors. Is
,, geschreven.’’ ( 33 [33. RACER, VII. Bl. 403.]) Deze overeenkomst is vervolgens in stand gebleven, zoodat de heeren van Bukhorst de halve visscherij te Zalk van de Bisschoppen van Utrecht en later van de Staten van Overijssel in pacht hebben gehad. – Heer Willem van Bukhorst stond intusschen ook met den volgenden Bisschop Frederik van Baden op eenen vriendschappelijken voet en werd door denzelven in 1496 beleend met het gerigt van Zalliker kerspel, te weten met het lage of civiele gerigt, terwijl de Bisschop het hooge of criminele, dat aen t lijff drecht, afzonderde en aan zich behield, zoo als dit vroeger had plaats gehad, en in het jaar 1213 voor het eerst door Bisschop Otto I. het gerigt aan Dirk en Hendrik van Bukhorst was opgedragen ( 34 [34. BONDAM, Onuitgegeven Stukken IV. bl. 22, aangeh. in Tegen. Staat van Ov. IV. bl. 128. Het was dus de bevestiging der beleening van Bisschop David, bl. 207.]).
1505. Na het overlijden van Willem ( 35 [35. Tot opheldering der verdere verwantschap diene de mededeeling van den heer VAN DOORNINCK. In het judiciaal van Overijssel vindt men, op den 22sten Jan. 1550: » heft Reijner van Aeswijn, her toe Braekell, » sijn eerste wasteiken genomen vp Willem ende Johan » van Buckhorst gebroeder, ende juffer Anna van» Buckhorst, weduwe saligen Johans uan Itterssum, » huer beijder suster, als erffgenamen uan wijlen Johan » uan Buckhorst, her Willemsz., enz. Hieruit blijkt, dus, dat Willem, die in het begin dezer eeuw overleed, (bl. 207) weder tot opvolger had een’ Johan, die ook, blijkens het leengister van Bisschop Frederik, den 17 Febr. 1502 met beiderlei leengoederen beleend is. Zijn broeder Arnold, die het kasteel innam, schijnt uit een tweede huwelijk geweest te zijn. Johan overleed vóór 31 Oct. 1541, want toen werd zijn zoon Willem beleend. Deze komt in het Deventer Reyseboeck tot 1565 één en andermaal onder de comparerende edelen voor. Volgens eene genealogie der Buckhorsten, onder de papieren van het huis, had hij Mechtelt Oem van Wijngaerden enz., tot vrouw. Willems broeder Johan, de olde, werd in 1571 vermoord en zijn zoon Johan, de jonge, zal beneden nog voorkomen.])

[pag. 212]

levert het kasteel van Bukhorst ons een tooneel van verwarring en geweldenarij op, hetwelk in een treurspel scheen te zullen eindigen. Over zijne nalatenschap was in 1505 een hevige twist ontstaan tusschen zijnen zoon Johan en diens broeders en zusters, die daaromtrent geene afdoening konden verkrijgen. Zijn broeder Arnold, daarover gebelgd, maakte zich gewapenderhand van het kasteel meester, met oogmerk om het voor zijn erfdeel in bezit te houden; doch daar zijn broeder Johan afwezig was, veroorloofde hij zich allerlei moedwil tegen deszelfs gemalin, welke hij met den voet schopte en bij de hairen langs den grond sleurde. Het overige huisgezin werd even eens mishandeld, alles bragt hij in rep en roer en stelde zich als een overweldiger aan.

[pag. 213]

De raad van Kampen, hiervan verwittigd, deed het kasteel aanstonds door gewapende burgers omsingelen, daar Johan burger van Kampen was en het onder hunne bescherming stond. Ook van Deventer en Zwol kwamen de burgers toeschieten. De Bisschop, beducht dat de Hertog van Gelder zich in den twist zoude mengen, zond zelfs eenigen zijner ambtmannen, en alles werd tot de belegering voorbereid. Intusschen waren de afgevaardigden der drie steden druk in de weer, om Arnold door onderhandeling tot de overgave van het kasteel te bewegen, hetgeen niet dan met moeite gelukte. Nadat hij verzekering had ontvangen, dat hem goed regt zou wedervaren, verliet hij het kasteel en begaf zich naar Zwolle, om er den uitslag af te wachten. De afgevaardigden, die herhaalde bijeenkomsten met Johan hielden, konden niets op dezen verwinnen, daar hij staande hield, dat er eene wettige verdeeling der ouderlijke nalatenschap met zijne broeders en zusters had plaats gehad, waarvan hij de onbetwistbare bewijzen konde bijbrengen. Arnold daarentegen beweerde, dat hij en de zijnen bij de zoogenoemde verdeeling bedrogen waren, hetwelk genoeg kon bewezen worden; maar de brieven daarvan had hij uit armoede en wegens gebrek aan geld onderteekend. Hij wilde de zaak nu aan het onderzoek der drie sleden aanbevolen hebben, opdat Johan niet verder met zijne klaauwen in de erfenis zou kunnen slaan. Het gevolg was, dat Arnold,

[pag. 214]

door menigvuldige teleurstellingen geslingerd, zich naar Wageningen begaf, en, om zijn leed te verzetten en zich op zijnen broeder te wreken, met eene vrouw van geringe afkomst in het huwelijk trad ( 36 [36. REVIUS, Dav. Ill. P. 169.]).
1512. Gedurende den twist met Rudolf, Drost van Koeverden, poogde Johan, die nu in het bezit van het kasteel gebleven was, met de heeren van Ittersum en de Vos van Steenwijk eene bemiddeling te bewerken ( 37 [37. Kamper Kronijk, bl. 347. VAN HATTUM II. bl. 79.]). In
1517 werd hij door Bisschop Frederik van Baden beleend met het gerigt van Zalk, op dezelfde voorwaarden als zijn vader Willem was beleend geweest ( 38 [38. BONDAM, IV. bl. 28. in Tegenw. Staat van Overijssel IV. bl. 128.]). Maar in 1521, gedurende den twist tusschen Kampen en Zwolle over den tol op het Zwarte Water, toen door de Zwolschen eenige edelen te Nijerbrugge gevangen genomen en hunne kasteelen vernield of geplunderd werden, werd ook Johan van Bukhorst, dien zij op goed geloof in het klooster Klaarwater ontboden hadden, gevangen en zijn kasteel met geweld veroverd. Zij stelden er den zoon van eenen Zwolschen herbergier tot kastelein aan ( 39 [39. VAN HATTEM, II. bl. 203.]).
1524. Op den 24sten Aug. van dit jaar moet het kasteel door de Gelderschen veroverd

[pag. 215]

zijn ( 40 [40. DUMBAR, Anal. bl. 468.]), indien dit niet ziet op die verovering, welke zoo even gemeld is. Nadat in het einde van het jaar de vrede gemaakt was en de gevangene ridders ontslagen waren, zien wij Johan van Bukhorst zijne ambtsbezigheden als rigter van Zalk weder waarnemen. AREND TEN BOECOP deelt ons eenen brief mede, door Johan in dit jaar bezegeld ter begeerte van Klaas Kroese, burgemeester te Kampen, die, ter bevrijding der heeren van Zalk, welke in een gevecht bij Aperloo onder de Geldersche onlusten gevangen genomen en te Hattem in gevangenis gezet waren, het losgeld had geleend en daarvoor gerigtelijken waarborg bedong.
Nu vindt men omtrent Bukhorst verder niets opgeteekend vóór het jaar 1547, toen Willem van Bukhorst het rigterambt van Zalk aan Zweer Heijlbrink verpachtte. De vorige heeren van Bukhorst hadden zelve dat ambt bediend. Misschien was de tegenwoordige heer Willem, onder het bestuur van ’s Keizers Stadhouder, Graaf Maximiliaan van Buren, in eene betrekking geplaatst, die hem de waarneming van het rigterambt moeijelijk of ondoenlijk maakte. Hij verpachtte het onder voorwaarden: ,, Ende sint voerworden, soe wanneer mijn
,, juncker voors. mochte doene hebben monste-
,, ringe to rijden int voert bijwijle t’ doen
,, hadde an den heren van den lande in Be-
,, touwe, tho Nykerk, sal Sweer geerne doen

[pag. 216]

,, op mijns junckeren peert ende kost. Des sall
,, mijn juncker Zweer geven bynnen die sees
,, jaren twee eerlike cleedinge, gelick sin
,, l. dienaars sonder hoesen ind wamboys,
,, etc.’’ ( 41 [41. RACER, II. 108.]).
1571. In dit jaar vinden wij als bewoner van het kasteel Jan van Bukhorst den oude. Omtrent den moord, aan hem gepleegd, en de berooving van het kasteel geeft de volgende brief berigt.

Genaade en vreede sij u van God den vaeder, en den sone Jesum Christum, en die heijlichmaakende kracht des heijligen geest moet in mijn lieven vader wassen en vermeeren.

Nae de behoorlijke groetenisse mijn hart frundelijcke lieve vader, zoo zal mijn lief vader believen te weeten, dat ik nog reedelijken wel te passe ben, die heer zij daarof ghelooft, als ik hoppe altijd van mijn hartfrundelijcken lieve vader te hooren. Voorts kan ik mijn lieven vader niet berghen die eelende die te Bochorst geweest is. Daar zijn gekoomen twaalf boeven, naa zij hebben konnen sien, omtrent agt uren als zij aan die taafel saeten, met een hecken dat op den dijk stont, en hebben doore opgheloopen, en hadden torsen in die hant,

[pag. 217]

en waaren vermomt, en riepen: slaat doot! en moije en den olden Jan van Bochorst met mijn nichten vielen altemaal op haar knien, en badden haar lijffs ghenade, en zij gaeven den olden Bochorst voort een wondt in hoofft, en zij seijden, ghij olden kerel wij hebben langhe genoch naa u gelt gestaan, en hij seijde laet mijn leeven, ik wil u geven al dat ick heb, en zij seijden: laeten wij u altemael leeven, wij sullen daar een ongenaedigen heere over krijghen, want zij hielden haar off zij gussen waeren, en seijden gij sijt ons tot een roof ghegeven, gij papistijghe hoeren, en doe slooten se in de wasscamer. En tewijlen liep den olden Bochorst naa zijn kaamer bij zijn geit, en toch den riem in, en doe quaemen zij daar boven, en braeken die kaamer op, en vermoorden hem op sijn bedde, als schijnt aan ’t bloet, want hij lach in zijn kleeren, hij hadde drie wonden in zijn borst en drie in ’t hoofd, want ik hebbe alle ses die wonden gesien, en doe naamen zij al sijn gelt, en sleepten hem op de olde cuckencaemer, en leijden hem een cussen op die mont, en quaemen doe en haelden mijn moije uijt de wascaemer, en brochten se boven bij den olden Jan van Bochorst, die daar dood lagh, en daar en moesten niet een van haare kinderen met haer gaan, en stieten hem dat cussen van den mond, en seijden wijst ons meer gelt, of wij willen U daarbij leeggen. Nu mach mijn lieve vader denken hoe mijn moeije te moede was. . . . . . Doe seijde mijn

[pag. 218]

lieve moije had het al genomen dat daar is, en hadde den olden man laeten leven, holt, daar sijn mijn sloete, neemt al dat daar is, maar zij seijden wijst ons meer gelt, of wij legt u olden hoer daarbij. Doe seijde mijn moije hebt ghij dan op sijn kaemer niet geweest; doe seijden se kompt wijst ons, ghij olde hoere, en gelijk die joeden joeghen se mijn moije door sijn bloet hen, doe seijde mijn moije ghij hebt der al geweest, ik en weet u nu niet meer te wijsen; doe leijden se mijn moije weer off, en brochten se in de wasscamer en slooten se weer toe en ghingen doe al t huijs door, en sloegen alle kisten, kasten op, en die dooren ontwee, en hebben al genoomen dat was van gelt en silver werk en drie kettenen, en vier stukken doeks, dat fijn was, en mijn moije haar ringhen, en daar was eenen ringh meede die mijn moije van haer moer geërvet hadde, en dan ettelijke manscleeren, een paar langhe hossen van mijn neef Willem met een rock met twee slegte mantels en twee bussen . . . een paar leerzen en twee hoeden, en lieten daar twee olde hoeden daar weer voor leghen daar aan mijn hartfrundelijke lieve vader wat het voor volk was. Voort kan ik mijn hartfrundelijke lieve vader niet berghen dat se mijn lieve vader ook berooft hebben, en uwe kisten onder ontwee gheslaegen, en hebben al genoomen dat daarin geweest heeft; daar is niet in gebleven als een wanbuijs en een paar hossen daar hebben sij die neerhos ofgesneeden, en

[pag. 219]

dat ijsere kistken daar die brieffven in waaren, hebben zij ook ontwee geslaagen, dat alle die brieven langs die kaamer laagen uijt uw beijde kissten. Zoo wolde ik dan mijn hartfrundelijke lieve vader ghebeeden dat mijn lieff vader dit niet al te seer ter harte en neemt en zij togh geduldig in zijn lijden, en spreekt met die geduldighe Job en zegge: God gaeff, God nam, het hoort dog al den heere toe, naakt zijn wij gebooren naekt moeten wij daar weer hen, en wij en sullen tog niet met foeren dan een linnen kleet en een kist Van seeven voeten. Daarom mijn lieve vader laet ons dit tijtelijke lijden setten teegen die eeuwige vrucht die bereijd is sijn uijtverkooren, want ons is tog anders niet opgelegt dan ban, druk en trijbelaetij, want David zegt: quelt u daar niet mee, dat het den goddeloosen wel gaat, misgunt hun ook niet al den korten voorspoed die hen godt geeft, want sij sullen verdwijnen als gras al op den velde. David 37. Voort ik was eens jonck en ben nu olt geworden, ik en sag den vroomen niet verlaeten nog sijn saet om broodt gaan, maar hij hadde altijd ghenog den armen mede te deelen. David 37. Ziet alle die schrifture is troostrijk genoch voor alle die geene die eenig lijden aankomt, als nu mijn lieve vaer ziet aan alle zijden omvan . . . . Mijn lieve vader betrouwe altijd de heere hij sal genoch weder geven, ist hier niet soo ist hier naemaels want hij is nog soo als hij van te vooren. Mijn lieffve vader neemt tog

[pag. 220]

een exempel aan Job. Ick wolde mijn lieff vader meer vertroostinghe geschreeven hebben, dan ik hadde de tijt niet mijn . . . . savonds laat eerst een boede, dat ik bij de keers moest schrijven, en mijn moije begeerde dat ik mijn lieff vader schrijven solde alle gelegenheijt, want haar was soo jammerlijke dat zij niet schrijven en mogte, dat ik sorch dat mijn moije tot een teering setten sal, want zij en beklaacht anders niet dan den dood van Jan van Bochorst en mijn lief vaders gelt, want doe sij ’t naamen doe seijde zij teghen volk o mijn arme broers gelt! zoo dat ik zorghe dat mijn moije daar mede in last komen sal dat zij mijn vaders gelt geberch heeft, want het is hier streng verbooden, en het volk heeft het naa geseijt, en mijn moije seijt het is haer geweest, en zij seijde teghen die boevent, want zij hielden hen voor gussen en seijden sij waaren uijt het haere verdreeven, en nu mosten zij wat weder krijghen en zij waegden op de galghe die wisselijke wel nae volgen wolt: zijt ghij gussen, ach ik heb ook eenen eenighen broer die uijt alle sijn verdreeven is, en het selfde dat dat hij hadde dat stont daar, en dat hebt ghij nu meede genoomen, die kraije bijt die andere die ooghen niet uijt. – Doe seijden sij, die hoere die liecht het, en doe hebben zij in mijn moije cantoor gheghaan en hebben daar voor haar ooghen genoomen al dat daar was; dan in mijn moije slaapkamer daer en hebben zij niet in geweest, want daar liep mijn nigt Ott

[pag. 221]

in en deede die toe, daar hadden mijn nichten nog wijffkettenen dat zij die beholden hebben, anders en hebben zij van gelt of goltwerk ofte silverwerk niet beholden dan vijf silver leppelen, die stak de bouwknegt in den bossem, want die leghen bij hem in waskamer, want allet bouwvolk hadden zij boven gehaalt, en hadden se bij hem in die waskaamer ghesloeten, en Heije en die Scroer waaren op der tinnen gheloopen, konnen se altemaelen sien hoe veel dat daar was, en die kock sat op groene kamer op hansolder, en die eene melkmecht sat in de kelder onder een cuijp zoo dat zij zeer verstrooijt waren en beangst . . . Doe sij alle dinghen beschicht hadden doe gingen zij wat . . . en moesten hem alle die cannen met wijns tappen, en bragten se daer buijten die de wacht hielden, en doe sij ginghen doe slooten se altemaelen in die wijnkelder, en bonden die toe en drijgden mijn moije, zoo veer als sij se nae screven, soe wolden zij Bochorst aan brand leggen, en sij waaren daar soo becondich want zij vraegden nae Heije en naar die Scror en nae die olde stomme, en Heije sach se gaen. Doe kwam Heije off en liep nae t dorp en liet die clocke slaen. Mijn nigt Otto en die Scroer . . . en sogten haer moer, want zij meenden dat zij alle vermoort waaren, en lieten se uijt die kelder, en sij hebben mij mijn kleijne schat ook benoomen, en ik was tot alle geluk hen Swoll gegaan tot mijn nigt van Ittersom op ’t hoff. Voort kan ik mijn hart

[pag. 222]

frundelijke lieve vader niet berghen dat mijn moije van mijn lieve vader hartgrondelijke begeert dat mijn lieve vader zoo veel wil doen en schrijven haar een brief, of Sijmen daar bij mijn lieve vader is, dan of hij in holland is, want hij was te Bochorst, en hij zei, hij wolde daar weder aenkomen als hij van Emden quaem, en dat was al in voor van den winter. Niet meer op dit pas en weet ik mijn lieve vader te schrijven, hoewel ’k wel weet dat dit mijn hartfrundelijke lieve vader dit geen blijde tijdingh weesen en zal, zoo verhoop ik den heere hartgrondelijke voor mijn lieff vader te bidden dat den Heere ue geduldigheijt geeve in ue lijden. Hiermede wil ik mijn hartfrundelijke lieve vader den allmagtighen heere beveelen, die mijn lieve vader wil spaaren in langwijlighe gesontheijt tot een salig eijnde, hiermede veel hondert duijsent goede nachten mijn lieve vader. Mijn moije en mijn nigten, en mijn nigt van Ittersom gebieden hen seer aan mijn lieve vader, en mijn hartfrundelijke lieve vader zij . . . . segge mij mijn lieff broer goeden nagt. Gescreeven metter haast saturdag voor sint peter bij mij

Otto van Wijngaerden UE goed-
willige en onderdanige dogter.

Soe dit geschiet is dat was woensdag na nieuwe jaar A° 1571. ( 42 [42. In het stedelijke archief te Elburg Lade 24 No 5 bevindt zich een’ brief van burgem. Schep. en raedt te Zwolle van den 4 Julij 1573, met verzoek om overtezenden de bekentenis van eenen geexecuteerden misdadiger, welke mede gespolieerd zoude hebben het huis Bukhorst. (Niet duidelijk waar deze noot hoort)])

[pag. 223]

1578. In het jaar 1578 zien wij Johan van Bukhorst, onder de edelen en gedeputeerden in het Bergklooster vergaderd, beraadslagen over de aanneming des Graven van Rennenberg als Stadhouder van Overijssel. Het kasteel Bukhorst was gedurende de vijandelijkheden van dien tijd tot 1585 met 10 of 11 man Staalsche troepen bezet. Door de nabijheid der steden Kampen en Zwolle was het voor de aanvallen der Spanjaarden genoegzaam beveiligd; er wordt althans geene aanteekening gevonden van eenige vijandelijke onderneming tegen hetzelve. In het midden dezer eeuw vinden wij nog vrouwe Alijd van Bukhorst, gehuwd met Alexander Bentinck, heer van Aller en Berinkhuizen in 1555, en in het laatst van dezelve Floris van Bukhorst, gehuwd met Johanna Bentinck, welke na zijn overlijden hertrouwde met Gosen van der Lauwick, Drost van Bredevoort, die in 1597 beleend werd met het huis ten Velde ( 43 [43. Tot opheldering van den overgang van Bukhorst in het geslacht van Oir meldt de aanteekening van den heer VAN DOORNICK. Willem van Bukhorst, gehuwd met Mechtelt Oem van Wijngaarden, wiens broeder, Johan de oude, in 1571 vermoord werd, liet zeven kinderen na: Johan, Willem , Floris, Ottina, Florentine Alijt en Maria. Het schijnt, dat Johan eenigen tijd heer van Bukhorst geweest is, want hij wordt sedert 1565 nu en dan onder de Edelen gemeld, die de Landdagen bijwoonden. Maar den 11den Maart 1580 wordt in het leenregister van Overijssel Floris, na den dood van zijnen broeder Johan, met bovengemelde goederen beleend. Deze Floris had Anna Bentinck, dochter van Eusebius Bentinck (gedeputeerde op de eerste vergadering der Staten-generaaal te Brussel) tot echtgenoot, doch is kinderloos overleden. – Na den dood van Floris, den 28 Aug. 1587, wordt Johan Sloet de jonge, zoon van Johan Sloet, als man en momber zijner huisvrouw Florentina van Bukhorst, met deze goederen beleend. Zij lieten geene zonen na, zoo dat Bukhorst op de oudste dochter Mechteld Sloet vererfde. Zij is, nog geene twintig jaren oud, in den echt verbonden met Borchard van Oer: want het huwelijk harer ouders dateert van Maart 1586 en de voorwaarden van haar huwelijk zijn van 30 Maart 1606. Ruim tien jaren later (1 Aug 1617) was zij reeds weduwe, daar zij toen wegens het overlijden van haar man tot hulder in zijne plaats heeft aangesteld Zeino Rengers.]).

[pag. 224]

________

In het begin der 17de eeuw wordt Bukhorst in andere handen aangetroffen, blijkens de volgende aanteekening. ,, In 1613 deden Borchard van Oer en Machteld Sloets, zijne huisvrouw, tijdelijke bezitters van den huize Bukhorst, op aanschrijven des E. Raads, den burgereed te Kampen, volgens de voorwaarden met hunne voorzaten ingegaan.’’ En in het jaar 1617 komt ook de weduwe van Borchard van Ohr tot Buckhorst als vrouw van Zalk voor.
Den volgenden heer Lambert Bernard van Oir tot Buckhorst werd, in het jaar 1639, van wege de Staten van Overijssel, in erfpacht toegestaan de halve visscherij te Zalk voor 8 car. g. jaarlijks. Te voren had hij f 10 jaarlijksche erfpacht daarvoor betaald.

[pag. 225]

De wederhelft der visscherij behoorde hem zelven, zoo dat hij door de bekomene erfpacht nu tot de geheele visscherij te Zalk alleen geregtigd was. Volgens eene overeenkomst van het jaar 1492 hadden eenige heeren van Bukhorst de visscherij aldaar in gemeenschap met den Bisschop in bezit gehad en daarvan gebruik gemaakt, elk voor de helft. De helft behoorde tot des Bisschops tafelgoederen en kon, daar de steur- en zalmvisscherij dikwijls eene rijke vangst opleverde, gedurende zijn verblijf te Zwolle, Kampen of Vollenhove, zijnen disch met menigen kostelijken schotel van dit geregt voorzien ( 44 [44. RACER, VII. bl. 303, 304.]).
Aan het einde der 16de eeuw ontmoeten wij Borchard Joost van Welevelde tot Bukhorst, Molecate enz. als heer van Zalk en Vekate, Drost van het ambt IJsselmuiden. Deze hoogadellijke nieuwe eigenaar verschijnt in zijne laatste betrekking in geen behagelijk licht, daar hij op de voorregten van den magistraat te Genemuiden aanspraak maken en zich het onderzoek en den ijk van tonnen, maten en gewigten aanmatigen wilde ( 45 [45. Men zie het officiëel relaas van het gebeurde in 1694 bij RACER, VI. bl. 233-236.]). Hij was een zoon van Johan van Welevelde toe Diepenbroek en Arendshorst, die gehuwd was met Florentine Agnes van Oir, dochter van Lambert Bernhard van Oir tot Bukhorst ( 46 [46. Volgens den Heer VAN DOORNINCK hebben Borchard van Oer en Mechtelt Sloet, gehuwd in 1606, slechts twee kinderen nagelaten, Lambert Bernhard en Agnes Florentina, van welke de eerste den 5 Junij 1650, na den dood zijner moeder is beleend; de laatste schijnt een huweljjk te hebben aangegaan met Johan van Welvelde. Lambert Bernhard van Oer moet gestorven zijn zonder wettig kroost, want 31 Dec. 1675 werd, na zijn overlijden, zijn neef Borghart Joost van Welvelde beleend. Hij had zich in 1668 van den Arendshorst laten verschrijven. Zijn echtgenoot was Anna van Keppel tot Molencate. Hun zoon Joan van Welvelde was, toen hij na hun overlijden den 14 Dec. 1712 beleend werd, nog minderjarig, maar deed 9 April 1716 in persoon den eed als leenman van deze provintie en liet zich in hetzelfde jaar van Bukhorst verschrijven. Hij is echter vóór 7 April 1718 gestorven, want toen verzocht Lambert Joost van Hambroek toe der Arendshorst voor hem zelven en in naam der gezamenlijke erfgenamen van Joan van Welvelde, heer tot Zalk, met die heerlijkheid beleend te worden. Deze verkocht in den jare 1733 de heerlijkheid aan Johan Zeger van Welvelde tot Diepenbroek , die met dezelve op 18 Julij 1733 beleend werd. Deze had nog eenen broeder Seino Arend en eene zuster Agnes Florentine Hadewich, gehuwd met Wolf Bentinck. Na het overlijden van Joon Zeger is Seino Arend van Welvelde in 1731 van Bukhorst verschreven, en vervolgens is er, 17 Nov. 1757, mede beleend zijn neef Willem of Willem Jan, oudste zoon van Wolf Bentinck voorn. en Agnes Florentina Hadewich van Welvelde. Deze aanmerkingen vullen den oversprong in den tekst aan.]).

[pag. 226]

Door Agnes Florentine Hadewich van Welevelde, die met Wolf Bentinck gehuwd was, is Bukhorst in het geslacht der Bentincks gekomen en sedert daarbij gebleven. Van hen werd het aan Seino Arend Bentinck overgebragt, Generaal majoor der infanterie en kom-

[pag. 227]

mandant van Maastricht, gehuwd met Emilia Arnoldina van Wassenaer, douairiêre van Hambroek. Hij overleed in 1778, en na hem verschijnt Berend Hendrik Bentinck tot Bukhorst, heer van Zalk en Vecaten, in 1787 kolonel der kavallerie en na 1813 Gouverneur der provintie Overijssel ( 47 [47. De opvolging sedert Agnes Florentino Hadewich van Welvelde, die met Wolf Bentinck gehuwd was, is, volgens den Heer VAN DOORNINCK, deze. Hun zoon Willem Jan, na den dood van zijn oom Seino Arend van Welevelde, in 1757 met bukhorst beleend, schijnt het reeds vóór 1761 aan Seino Arend Bentinck te hebben verkocht, want deze liet er zich toen van verschrijven. Willem Jan verkreeg daarop 18 Oct. 1763 octrooi, om de heerlijkheid Zalk en onderhoorige Ieenen te mogen vervreemden en volbragt zulks in het volgende jaar, daar dezelfde Seino Arend Bentinck tot Bukhorst er zich op den 21 Aug. 1765 mede liet beleenen. Het Zalk en de Bukhorster tienden werd den 19 Sept. 1778 Anna Baronnesse Bentinck echtgenoot van Willem Anne Baron van Spaen tot Hardenstein beleend, en deze erlangden den 28 Junij 1779 approbatie van den door hem gedanen verkoop der heerlijkheid Zalk en der Bukhorster of Zalliker tienden aan Berend Hendrik Baron Bentinck, toen majoor van het regiment kavallerie van Stavenisse Pous, en zijne echtgenoot Carolina Medioburgensis Baronnesse van Borselen. Hij had zich reeds den 19 Febr. te voren van Bukhorst laten verschrijven.]).
Berend Hendrik Bentinck tot Bukhorst overleed als Gouverneur van Overijssel in 1830, weinige jaren daarna zijne weduwe; in 1839 hun éénige zoon Hendrik Koninck Bentinck, die, minder begaafd en minder geëerd dan zijne ouders, zich ook minder aan het belang-

[pag. 228]

rijk beheer en bestuur zijner aanzienlijke heerlijkheid toewijdde. Daar hij zonder afstammelingen en zonder beschikkingen overleed, besloten de erfgenamen, die langs verschillende zijtakken afdaalden, de uitgestrekte landgoederen, als niet geschikt ter verdeeling, in het openbaar te verkoopen. Door dezen verkoop, die den 8sten Sept. 1840 heeft plaats gehad, is de eigendom dier goederen, in 59 percelen afgedeeld, voor de som van f 245,455 aan ruim dertig bijzondere personen overgegaan. Het regt van jagt en visscherij in de geheele uitgestrektheid der heerlijkheid Zalk en Vecaten zijn gevestigd op den ondergrond van het kasteel Bukhorst, bij den openbaren verkoop der havesathe toegewezen aan R. F. K. Baron Bentinck tot Schoonheten, wien ook het regt der benoeming van den predikant, den koster en schoolmeester behoort. Ondertusschen is door dezen verkoop de grondbezitting van Bukhorst, die eene oppervlakte van ruim 300 bunder besloeg, tot 13 bunder ingekrompen tegen eene waarde van f 17,000. Het huis is gesloopt; dit was het einde van Bukhorst.

____________

AANHANGSEL.

Ick Gerhard Weijer, jn der tijt amptman haer forstel. genade de Vrouwe Abdisse in eines hooch graaff Capittels der Keiserl. vrij

[pag. 229]

wereltl. Stiftes Essen, over haer forstl. En hooch graefl. Genades luijden en goederen in Zallandt, doe te weten: Dat lck (in voorschr. qualiteit) ten overstaen nabenoemde mannen van leene, als daertoe ter goeder tijt versocht zijnde, verlijet en beleent hebbe en doe sulx mits desen, den WelEd. Johan Edsert Frederick van Grevinck, als Erfgenaem sub beneficio Inventarii van sijn WelEd. moeder Vrouwe Eltske van Tongeren weduwe Grevinck, met het erve en goet gen. die hoeff to Archum, in den Carspele van Ommen buijrschap Archum gelegen, mit allen sijnen olden en nijen toebehoren en so en in aller gestalt sijn WelEd. zalige moeder voorn. hetselve met doode ontruijmt en nagelaten heeft, en de WelEd. Joh. Edsert Frederick van Grevinck heeft in voorscr. qualiteit hiervan aan mijne handen hulde en eedt na behoren gedaen.
Voorts heeft welgem. Johan Edsert Frederik van Grevinck in voorsc. qualiteit het voornoemde Erve den hof te Archum cum annexis aen mijne handen gerefuteert met het beswaer van den jaerlixen thins op Lamberti ad vier mud rogge en twee mud boekweijte, Item, een car. gulden verschijnende op Martini, losbaer met een capitael van twee duisent vier hondert car. gl. En eene jaerlix rente van twee en veertigh car. gl. verschijnende op den 1sten December, losbaer met een capitael van achthondert viertigh car. guld. sonder daeraan eenich recht ofte gerechtigheit te beholden, dan dat haer forstl. en hooch graeffl. Genade

[pag. 230]

haer schoonste en beste daer mede doen mochte; edoch versoekende, dat uijt sake van coop, daervan comparant bekande voldaen te sijn, daermede als voren wederom beleent mochte worden d’hooch Ed. geb. manhafte heer Wilhelm Ter Bruggen tot het Laer Luitenant Kolonel en Capitein, welke versoek met mannen van leene in deliberatie gelecht sijnde, hebbe lck, omme goede consideratien, voorts wederom verleijt en beleent, verleije en belene mits desen den hooch geb. heere Wilhelm Ter Bruggen tot het Laer met het voorn. erve en goet, den hoff to Archum cum annexis gelegen en beswaert blijvende als voren, omme hetselve van haer forstl. en hooch graeffl. Genade in thins en leenscher weerden te holden, gelijk sulx van thins en leenrechte eijget en behoort. Ende hooch ged. heer Ter Bruggen heeft hiervan aan mijne handen hulde en eedt gedaen en belooft alles te doen, wat een goet en getrouw Vasal haer forstl. en hooch graefl. Genade behoort en schuldich is; haer forstl. en hooch graeffl. Genade dan noch haeres thinses en goedes rechtes, als oock eenes jederen des sijnes onvercortet.
Daer dit aldus geschiedde waren met mij aen en over, als beleende mannen de E.E. Werner Crans Camr en Bmr der Stadt Zwolle ende ontfanger gen. van Zallant, en Rudolphus Wijer J. V. L. Ende dewijle bij mij Amptman ten profijte van den WelEd. heere Evert Jan Grevinck, als leste gewesene uijthebber des voorn, erves, in bewaringe is een capi-

[pag. 231]

tael van twee hondert car. gl. met twaalff gl. twee st. rente van dien, soe ist, dat deselve, tot guarant van hoochgem. heer Ter Bruggen, bij mij sullen blijven ter tijt en soe lange de heeren schattinge der voorn. erves tot den 29 Augusti deses jaers 1671. ten vollen betaelt is.
Sonder argelist. In waerheijts kennisse hebbe lck desen met mijn ondergeteekende hant en uijthangende segel bevestighet. Actum Zwoll A° 1671 den 18 Octob.

(get.) Gerhard Weijer.

Des ambtmans zegel in groen was, aan dezen brief hangende, vertoont op het wapenschild drie zwaarden en boven hetzelve een helm ook met drie zwaarden.

_____

Category(s): Zalk
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.