De belofte van Dordt

DE BELOFTE VAN DORDT

Als tegen het eind van de synode te Dordrecht (1618-1619) aan de aanwezige buitenlandse godgeleerden wordt gevraagd hun oordeel te geven over ‘‘de leer der waarheyt’’, gelijk die door de Nederlandsche Gereformeerde Kerken wordt beleden, verklaren zij dat met deze leer niets was ‘‘met de waarheyt in de H. Schrifture uytgedruckt strijdende’’, maar dat zij ‘‘ter contrarie in alles met deselvige waarheyt en met de confessiën van andere Gereformeerde Kerken accordeerde’’. Zij voegden er de ernstige bede aan toe: ‘‘Daarenboven zijn de inlandsche vermaent van de uytheemsche theologen, in dese rechtsinnighe, Godsalighe ende eenvoudige Confessie des geloofs standvastelick te willen volharden, deselve den nacomelinghen onvervalscht te willen naar laten, ende tot de comste onzes Heeren Jesu Christi, onvervalscht te willen bewaren.’’
Op deze ernstige oproep van de internationale gereformeerde Kerk hebben onze vaderen, in Dordrecht bijeen, toen positief gereageerd, want in de Acta lezen we:

‘‘Hebben ook de inlandsche eendrachtelijk verklaar, dat haar voornemen was in de professie deser rechtsinnighe Leere standvastelick te volharden, ende deselve in dese Nederlandsche Provinciën suyverlick te leeren, naerstelick voor te staan, ende onvervalscht door de ghenade Gods te bewaren.’’

Deze woorden zijn de geschiedenis ingegaan als ‘‘de belofte van Dordt’’.
De bede was: ‘‘Houd deze leer zuiver, bewaar haar voor de komende geslachten tot de wederkomst van de Here Christus’’. De vaderen hebben toen in 1619 beloofd deze bede te zullen nakomen. Nu, bijna 375 jaar later, willen we aan de hand van de geschiedenis nagaan of men zich gehouden heeft aan dat wat beloofd werd.

De remonstrantse leer was in Dordrecht veroordeeld, doch ondanks dat ook prins Maurits de zijde van de contra-remonstranten had gekozen, waren de remonstranten zeker niet verdwenen. En na de dood van Maurits wisten zij vooraanstaande posten te bezetten bij de overheid en in de theologische faculteit van de universiteit te Leiden. Zoals de overheid duidelijk aanwezig was op de Dordtse synode, zo bleef zij ook nadien gezag uitoefenen over de Kerk en die overheid was overwegend remonstrants.

In zijn kerkorde had de synode wel duidelijk omschreven hoe de verhouding moest zijn van de kerken onderling (art.85: geen heerschappij voeren) en in art.28 was vastgelegd dat ‘‘het ambt der Christelijke Overheden is den heiligen Kerkedienst in alle manieren te bevorderen…’’ en dat men gehoorzaamheid, liefde en eerbied verschuldigd was aan de Magistraten, maar er werd met geen woord gerept over het gezag van de overheid over de Kerk.
De overheidsbemoeiing is met de synode-uitspraken van 1618/19 niet minder geworden, maar veeleer toegenomen. De Kerk werd door de overheid zowel beschermd als beheerst. Er mocht geen classicale of provinciale vergadering worden gehouden zonder toestemming van de overheid. En de overheid heeft het houden van een Generale Synode zelfs tot in de 19e eeuw tegen gehouden. D.w.z. dat er van ‘‘Dordrecht’’ tot na de Afscheiding (dat is meer dan twee eeuwen) geen G.S. is gehouden.
De overheid was de ‘‘broodheer der kerk’’. Zij betaalde de tractementen, de kosten van o.a. de Dordtse Synode en van de classicale en provinciale vergaderingen. In theorie bemoeide zij zich niet met de leer, maar zij greep op alle mogelijke manieren in het kerkeijk leven in. Zij had het recht van approbatie bij classicale examens, zij greep in bij tuchtzaken en vernietigde kerkelijke uitspraken en zij weigerde soms de wettig gekozen afgevaardigden toe te laten tot de meerdere vergaderingen, om maar een paar voorbeelden te noemen.
Tijdens de ‘‘gouden eeuw’’ ontbrandde er een enorme strijd tussen de professoren Coccéjus en Voetius. De eerste veroorloofde zich de vrijheid af te wijken van de gereformeerde belijdenis, waardoor hij in conflict kwam met de Heidelbergse Catechismus. Voetius bestreed hem fel, met name over het vierde gebod, de sabbatsrust. Ongetwijfeld zou deze strijd tot een breuk hebben geleid tussen de partijen als niet de overheid telkens weer had verboden om deze zaken op de kansel te behandelen. Door de bemoeiingen van de overheid kon het kerkverband in feite niet functioneren. De gereformeerde belijdenis, die de overheid zou moeten bevorderen, werd van zijn kracht ontdaan en de kerk kreeg geen gelegenheid zich te gedragen overeenkomstig de be-

[pag. 7]

Afbeelding: Dordtse Synode 1618-1619.

[pag. 8]

Afbeelding: Vergadering van de Dordtse Synode 1618-1619.

[pag. 9]

lofte van Dordt. Het gevolg was dat men zich er maar bij neer legde. Men vluchtte in de tolerantie, in de verdraagzaamheid, zoals men die ook nu nog aantreft in de Hervormde kerk.
Met de Franse overheersing (1795) werd de bestaande relatie tussen kerk en staat verbroken. De overheid had niets meer te zeggen over de kerk. Deze Franse tijd was echter maar van korte duur (tot 1813) en toen de prins van Oranje als koning Willem I de Nederlandse troon had bestegen, begon opnieuw de overheersing van de overheid over de kerk en zelfs heviger dan tevoren.
In 1816 werd het ‘‘Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk van het Koninkrijk der Nederlanden’’ ingevoerd en daarmee ging de in Dordrecht opgestelde kerkorde aan de kant. De historische naam gereformeerd moest wijken voor het woord hervormd en zoals al uit de titel van het reglement valt op te maken, was het gedaan met de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken. Alle kerken tesamen vormden één groot lichaam, de Hervormde Kerk (enkelvoud), dat van bovenaf hirarchisch werd bestuurd. Er kwamen van regeringswege ingestelde besturen in de plaats van kerkelijke vergaderingen en de synode van de Hervormde Kerk was er om de kerk te besturen, niet om zich te bemoeien met geschillen inzake de leer. Het is triest te moeten vaststellen dat het licht meer en meer doofde in de Kerk. Allerwege werd de verdraagzaamheid gepredikt. De strijdbaarheid voor een onvervalst evangelie scheen verdwenen. Waar was de Kerk als pilaar en vastigheid van de waarheid? De vrijzinnigheid vierde hoogtij. Was de belofte van Dordt totaal vergeten? Had God Zijn volk in de lage landen verlaten?

Wend U tot ons, keer tot ons weder, Here,
hoe lang nog zult Gij uw gelaat afkeren?
Schenk ons het morgenrood van uw genade,
dan prijzen wij voortaan uw grote daden.
Vergun uw volk, na jarenlange druk,
nu vele jaren zorgeloos geluk. (Ps.90 :7)

DE AFSCHEIDING
Gelukkig opende de Here enkelen de ogen.
Er verschenen brochures van verschillende predikanten, die bezwaren uitten tegen de geest der eeuw en het opnamen voor de Drie Formulieren van Enigheid.
Dominee Hendrik de Cock was in 1829 in de Hervormde gemeente van Ulrum als predikant bevestigd. Heel serieus begon hij zijn werk. Hij geloofde aan ‘‘de zedelijke verbetering van de mens, aan de opleiding tot de ware menselijkheid’’ en hij wees op Jezus, Die zo groot was in zijn zondaarsliefde. Hij riep zijn gemeente op zich aan Jezus te laten verbinden en Hem na te volgen. ‘‘Komt tot Jezus. Hij zal u rust geven’’. Het klonk allemaal zo mooi, zo vroom, maar een luisteraar die dicht bij de Here leefde en die goed thuis was in de bijbel miste iets in de preken van de nieuwe dominee. Het was de gelovige Klaas Kuipenga uit Ulrum die begreep dat ds. De Cock, evenals destijds Luther, moest leren zien dat men de zaligheid niet kan verdienen met goede werken of door een goed zedelijk gedrag, maar dat de inhoud van Zondag 23, vraag en antwoord 60, van de Heidelberger voor hem moest gaan leven. Op zekere dag zei Kuipenga tot zijn dominee: ‘‘Als ik ook maar één zucht tot mijn zaligheid moest toebrengen, dan was het voor eeuwig verloren, dominee!’’ Dat gezegde liet De Cock niet los. Hij ging opnieuw de bijbel bestuderen en hij las de Institutie van Calvijn. Hij ging inzien welk een grote betekenis de Dordtse Leerregels hadden voor het kerkelijk even. (Prof. Honig noemt de Dordtse Leerregels ‘‘het Credo van de Afscheiding’’)

De kerk was elke zondag overvol. Mensen uit naburige gemeenten lieten hun kind door De Cock dopen, omdat zij moeite hadden om in de eigen gemeente de tweede doopvraag) met ja te beantwoorden. De Cock zorgde ook voor een heruitgave van de Dordtse Leerregels en hij greep naar de pen om de geschriften van een paar ‘‘verlichte’’ dominees te bestrijden. De inhoud van dit boekje was evenals zijn titel overduidelijk: ‘‘…De schaapskooi van Christus, aangetast door twee wolven en verdedigd door H. de Cock, Gereformeerd Leeraar te Ulrum.’’
Het doen en laten van De Cock leverde felle dicussies op in de classis. Het was voor deze verdraagzamen onverdragelijk dat die Ulrumse dominee zijn tegenstanders uitmaakte voor valse profeten. Hij werd dan ook om zijn uitlatingen en het dopen van kinderen uit andere gemeenten door het classicaal bestuur geschorst.

[pag. 10]

Afbeelding: Ds. Hendrik de Cock

In mei 1834 ging ds. De Cock naar Den Haag om met de koning over zijn zaak te spreken, maar ook dit bezoek had geen gunstig resultaat. Integendeel, op 28 mei werd de predikant afgezet. Velen, waaronder de leden van zijn kerkeraad, drongen bij De Cock aan op een afscheiding, maar hij bleef tot het uiterste proberen de kerk van binnenuit te reformeren.
Op 13 oktober 1834 kwam de kerkeraad van Ulrum bijeen. Men wilde tot een besluit komen. Ds. De Cock had een stuk opgesteld: ‘‘Acte van Afscheiding en Wederkeering’’. Een indrukwekkend stuk, waarin de situatie binnen de kerk duidelijk werd weergegeven. Het besloot aldus: ’’…uit dit alles te zamen genomen is het nu meer als duidelijk geworden, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk niet de ware, maar de valsche Kerk is, volgens Gods Woord en artikel 29 van onze belijdenis; weshalve de ondergetekenden bij dezen verklaren: dat zij overeenkomstig het ambt aller gelovigen, art.28, zich afscheiden van degenen die niet van de Kerk zijn en dus geen gemeenschap meer te willen hebben met de Nederlandsche Hervormde Kerk, totdat deze terugkeert tot de waarachtige dienst des Heeren; en verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde ledematen en zich te willen verenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergadering, aan wat plaats God dezelve ook vereenigd heeft, betuigende met dezen, dat wij ons in alles houden aan Gods heilig Woord en aan onze aloude Formulieren van Eenigheid… Eindelijk verklaren wij bij dezen, dat wij onzen onrechtmatig geschorsten Predikant als onze wettig geroepen en geordenden Herder en Leeraar blijven erkennen. Ulrum, den 13. October 1834.’’
Het stuk werd getekend door twee ouderlingen en drie diakenen. Niet door ds.De Cock, omdat hij geschorst was.
De volgende avond kwam de gemeente bijeen. Niet in de kerk, want dat mocht niet, maar bij een van de gemeenteleden thuis. Op verzoek van dominee De Cock werd er knielend gebeden, waarna de ‘‘Acte van Afscheiding en Wederkering’’ werd voorgelezen. Op enkele leden na ondertekende heel de gemeente het document. Nadat het gedrukt was, zond men een afschrift aan de koning en de burgerlijke en kerkelijke overheden. Dominee De Cock en de leden van zijn gemeente te Ulrum hebben het daarna erg moeilijk gehad. Zware geldboetes werden opgelegd, soldaten bij hen ingekwartierd en op vele manieren werden ze lastig gevallen. Maar ze hadden het ervoor over en de Here zegende het werk van ds. De Cock en de zijnen. Er ontstonden meer afgescheiden gemeenten. De predikanten Brummelkamp, Van Velzen, Gezelle Meerburg en Van Raalte werden geschorst. De belofte van Dordt was weer werkelijkheid!
Hendrik de Cock reisde veel. Er kwamen overal groepen mensen die apart vergaderden. Maar de sacramenten konden daar niet worden bediend en daarom werden er overal nieuwe gemeenten gesticht. Toch waren de verschillende gemeenten die ontstonden beslist nog geen eenheid. Ds. I. de Wolff zegt ervan in zijn boekje over 100 jaar Gereformeerde Kerk te Enschede: ‘‘..Reeds kort na de Afscheiding is verschil van inzicht aan de dag getreden inzake verbond, kerk en doop, waarover toen door niemand het verlossende woord gesproken is. Evenzo over de aan te nemen kerkorde. Ook heeft verschil in ‘‘ligging’’ een voorname rol gespeeld, waarbij het werk des geestes in de

[pag. 11]

mens aan de orde kwam, dus hoe de zondaar in het bezit komt van de weldaden van Christus, oftewel de vraag naar de toeëigening van de beloften Gods. We kunnen in ons oordeel over die tijd van veel verwarring mild zijn. Het volk dat zich afscheidde was sinds lang door z’n zieleherders in de steek gelaten, daar het niet meer werd gevoed met het brood des levens, maar de ‘‘verlichte’’ wetenschap heerschappij op de kansels had verkregen. Het was z’n zielevoedsel gaan zoeken in de conventikels oftewel gezelschappen, waar het de oude schrijvers van de 17de en 18de eeuw las of in die geest werd voorgelicht door lekeprekers, lang niet altijd van piëtistische smetten vrij. Er is nogal eens kwaad van gesproken, maar vergeten we niet dat God zijn volk daar heeft bewaard voor de afval tot ongeloof zoals die in de officiële kerk met haar verwording overvloedig gevonden werd, waar de verlichte rede van de mens het Woord Gods verduisterde. En de weinige predikanten, die in de eerste jaren de zorg over bijna 200 gemeenten hadden, en die de Schrift en Gereformeerde theologie aan de liberale universiteiten niet geleerd hadden, moesten hun noodzakelijke kennis zich eigen maken door zelfstudie, waarbij ook al verschillen optraden, b.v. tussen H. de Cock, die zijn eerste Gereformeerde wetenschap opdiepte uit de belijdenis van Dordt en Calvijns institutie en een man als H.P. Scholte, die zijn vorming kreeg in de kringen van het interkerkelijk réveil en met name van een figuur als Da Costa. Bij de Afscheiding vloeiden dan ook verschillende stromingen in één bedding.’’ Tot zover ds. De Wolff.

De bekendste namen van kerken, ontstaan uit de Afscheiding zijn de ‘‘Gereformeerde Gemeente onder ’t kruis’’ en de ‘‘Christelijke Afgescheiden Gemeente’’.

Bij Hendrik de Cock mocht Klaas Kuipenga een middel zijn in Gods hand om hem de ogen te openen. Bij de man die een grote rol heeft gespeeld bij de Doleantie, dr. Abraham Kuyper, was het de vrouw Pietje Baltus die door de Here werd gebruikt om de weg te wijzen.
De ‘‘moderne’’ dominee Kuyper, zoon van een vrijzinnige predikant, stond in het Betuwse plaatsje Beesd toen deze jonge vrouw met hem

Afbeelding van Dr. A. Kuyper

sprak over haar geloof en haar liefde tot de Heiland. Hij begreep al gauw dat Pietje Baltus de bijbel beter kende dan hij, ondanks zijn theologische studie. Zij verstond de bijbel en dat gaf hem stof tot denken. De Here werkte in hem door Zijn H. Geest en toen mocht hij zien ‘‘wat voor de verstandigen is verborgen gehouden, maar aan de kinderen geopenbaard’’. Hij kwam tot bekering. Hij werd predikant in Utrecht en naderhand hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Door dit hoogleraarschap kon hij het ambt van predikant niet meer uitoefenen. Toch had hij nog een behoorlijke invloed op het kerkelijk leven in Amsterdam, doordat hij als ouderling zitting had in de kerkeraad.
In de Hervormde kerk was het al lang onrustig. Veel gelovigen, die niet met de Afscheiding waren meegegaan, omdat zij de moed niet hadden, omdat ze nog niet zover waren of omdat ze te jong waren om zelf een beslissing te nemen, voelden zich onprettig. Met de dag werd het ongeloof erger. De verbeteringen, waarop men had gehoopt bleven uit. Wel mochten nu de gemeenten zelf hun dominees en hun ouderlingen kiezen. En ook waren de kerkelijke goederen, kerkgebouw en pastorie, waarover in 1834 te Ulrum zoveel te doen was geweest, aan de plaatselijke kerk gekomen. Maar van dezelfde kansel hoorde men de ene zondag het zuivere Woord van God verkondigen en een andere zondag werd een ongeloofs-evangelie gebracht.

[pag. 12]

DE DOLEANTIE
Twee belangrijke gebeurtenissen in 1886 leidden tot de breuk, die we de Doleantie noemen.
In Amsterdam weigerde de kerkeraad een goed getuigenis te geven aan de belijdenis-catechisanten van moderne dominees. Na hun beroep op het Provinciaal Kerkbestuur gelastte dit de kerkeraad de gevraagde attesten alsnog af te geven. De kerkeraad, waarin ook dr. A. Kuyper zitting had, wilde de kerkelijke weg bewandelen en wendde zich toen tot de Synodale Commissie. Tot een uitspraak van deze instantie kwam het echter niet, want het Classicale Bestuur, dat aanvankelijk de kerkeraad in het gelijk had gesteld, schorste in zijn vergadering van 4 januari 1886 tachtig kerkeraadsleden: vijf predikanten, twee en veertig ouderlingen en drie en dertig diakenen. Na enige procedures, inbegrepen een verzoek tot revisie door de 75 geschorsten (vijf hadden het hoofd in de schoot gelegd), gericht tot de voltallige synode, sprak deze op 1 december 1886 uit dat het inmiddels gevelde vonnis tot afzetting door haar werd bekrachtigd. De dolerenden te Amsterdam, die reeds gedurende enige maanden afzonderlijk vergaderden, braken na het vonnis van afzetting op 16 december 1886 met de Hervormde kerk.

In Voorthuizen stond in die tijd dominee Willem van den Bergh, een met een goed verstand gezegende gelovige jonge man, die in Leiden aanvankelijk Rechten studeerde maar daarnaast ook nog de studie Theologie afmaakte.
Toen kerkeraadsleden uit Kootwijk hem om raad kwamen vragen over het al of niet beroepen van de eerste theologie-student van de V.U. die weldra zou afstuderen, besloot hij hen te helpen. De N.H.-kerk accepteerde echter alleen theologiestudenten van de Rijksuniversiteiten te Leiden, Utrecht of Groningen, die dan een proponentsexamen moesten afleggen voor het Classicaal Bestuur. Kootwijk had al 16 jaar geen eigen dominee en het stond er treurig voor met de gemeente. V.d. Bergh trad in overleg met een collega in Nijkerk, waarna beide predikanten besloten kandidaat Houtzagers – zo heette de student van de V.U.- te examineren. Vooraf hadden ze al ernstig met hem gesproken.
In de classis had men er lucht van gekregen dat er iets gaande was in Kootwijk en zo kwam plotseling het bericht dat de hele kerkeraad van Kootwijk was geschorst. De kerkeraden van Kootwijk en Voorthuizen hadden hiermee echter al rekening gehouden. Ze verbraken de band met de dwalende Hervormde kerk. Op 7 februari 1886 werd kandidaat Houtzagers in Koolwijk bevestigd in het ambt van predikant in aanwezigheid van veel studenten van de Vrije Universiteit.

In de acte van Afscheiding en Wederkeer van 1834 lazen wij dat de kerk van Ulrum tot het besluit van afscheiding kwam omdat het duidelijk was geworden dat de Nederlandse Hervormde kerk volgens Gods Woord en artikel 29 van de N.G.B. niet de kenmerken van de ware (echte) kerk, maar die van de valse (onechte) kerk vertoonde. En dat men daarom op grond van art. 28 N.G.B. geen gemeenschap meer wilde met de Ned. Herv. kerk ‘‘totdat deze terugkeert tot de waarachtige dienst des Heeren’’. Zij die zo’n 50 jaar later moeite kregen met de situatie in de Hervormde kerk, met name tegen de inhoud van de preken en de tolerante houding tegenover verkondigers van leringen, die in strijd zijn met de H. Schrift en de Belijdenis, gingen veelal wel apart vergaderen, maar zij zegden hun lidmaatschap bij de Hervormde kerk waartoe zij behoorden niet op. In het begin waren zij nog niet zover dat zij, evenals de afgescheidenen, de Hervormde kerk als een valse kerk beschouwden. Zij doleerden, d.w.z. zij klaagden, zij treurden over het slechte, onwaarachtige kerkelijke bestuur. Zij hoopten dat de kerk door klagen tot reformatie zou komen en o.a. terug zou komen op een aantal onheilige besluiten.
De mannen van de Doleantie wilden ook weer terugkeren naar de aloude belijdenis, de Drie Formulieren van Enigheid. Dat bleek uit de verklaring van de eerste drie dolerende kerken (Kootwijk, Voorthuizen en Reitsum) in hun vergadering op 16 juni 1886. Zij spraken uit, te staan op het fundament van het Woord en de drie Formulieren als accoord van kerkelijke gemeenschap en dat zij zouden voortbouwen op de grondslag waarop zij vóór 1816 stonden. En daarmee kunnen we vaststellen dat ook in de Doleantie men wilde terugkeren tot de Belofte van Dordt.

[pag. 13]

De gemeenten uit de Afscheiding noemden zich Christelijke Gereformeerde Gemeente, terwijl de kerken uit de Doleantie kozen voor de naam Nederduits Gereformeerde Kerk. Omdat men deze gereformeerde kerken nogal eens met elkaar verwarde werd een kerk uit de Afscheiding aangeduid als Kerk A en een kerk uit de Doleantie Kerk B. Beide kerken hadden hun leden gekregen uit de Hervormde kerk, beide stonden ze op de grondslag van de Heilige Schrift, zoals die is samengevat in de Drie Formulieren van Enigheid. Het kwam voor dat in dezelfde plaats zowel een A-kerk als een B-kerk was. Men voelde wel aan dat dit zo niet mocht blijven.

DE VERENIGING
Reeds in 1888 spraken de synodes van de beide kerken over vereniging. De Nederduits Gereformeerden kwamen zelfs met een concept-acte voor het samengaan, maar daarover waren de Christelijke Gereformeerden niet zo enthousiast. Er waren trouwens nogal wat punten waarover men van mening verschilde. Hoewel over deze zaken heftig werd gediscussieerd, zowel op de synode als binnen de kerken, achtte men zich toch geroepen gevolg te geven aan de bede van de Heiland (Joh.17:21) om de eenheid te zoeken met allen die de Here in oprechtheid liefhebben en dienen. En men vond de verschillen niet zodanig dat men daarom niet samen zou kunnen optrekken.
Op 17 juni 1892 kwamen de beide synodes samen in de kerk aan de Keizersgracht in Amsterdam. Hier besloten de kerken uit de Afscheiding en de Doleantie zich te verenigen. De vereniging zou tot vrucht moeten hebben dat de samengevloeide kerken zouden leren leven uit de gereformeerde belijdenis, ook ten aanzien van de visie op de kerk, het verbond en de doop.
De verenigde kerken kozen als naam: De Gereformeerde Kerken in Nederland.

In verschillende plaatsen gingen niet alle afgescheidenen met de vereniging mee. Zij gingen een eigen weg. Toen zij zich verenigden, hielden zij vast aan de naam: Christelijke Gereformeerde Kerk.

Op de synode van Dordrecht (1618-19) werd ook de twistzaak behandeld tussen Lubbertus en Maccovius, twee hoogleraren te Franeker. Maccovius werd daarbij vermaand zich voortaan te onthouden van meningen, waardoor hij ‘‘de meer eenvoudigen’’ aanstoot gaf.
De twist had zijn gevolgen ook na de synode. In 1622 was Amesius hoogleraar geworden in Franeker en hij bestreed Maccovius inzake zijn leer van de ‘‘onmiddellijke wedergeboorte’’. Dat wil dus zeggen, een wedergeboorte-zonder-middel, dus een wedergeboorte rechtstreeks door de H. Geest. Daarmee kwam Maccovius in strijd met de Dordtse Leerregels, hoofdstuk III-IV, art. 17. Waarom we dit vermelden is omdat naderhand dr. A. Kuyper deze leer van de onmiddellijke wedergeboorte van Maccovius heeft overgenomen. Kuyper maakte hiervan zijn leer van de veronderstelde wedergeboorte. Kuyper zei dat een pasgeboren kind weliswaar niet kan geloven, maar dat de kiem van het geloof er al wel in zit. In de kiem is een baby dus al wedergeboren en in Christus geheiligd. En daarom behoort hij/zij gedoopt te worden.
Hij kwam daardoor in conflict met o.a. prof. Lucas Lindeboom.
Deze zei: ‘‘De doop verzegelt de beloften die aan ons en onze kinderen gegeven zijn. Want Genesis 17:7 zegt: ‘‘Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond om u en uw nageslacht tot een God te zijn’’. En Petrus zegt in Handelingen 2:39: ‘‘Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die verre zijn, zovelen als de Here, onze God ertoe roepen zal.’’
Professor Lindeboom publiceerde met nog 41 anderen in 1905 zijn vijf stellingen, waarvan stelling 3 luidde: ‘‘Volgens de belijdenisgeschriften werkt de H. Geest de wedergeboorte in de tijd, door middel van het Woord en wel voornamelijk van het gepredikte Woord. Wedergeboorte kan niet verborgen blijven.’’

De Synode van 1905 in Utrecht heeft de leer van Kuyper – hoewel Kuyper en zijn aanhangers verre in de minderheid waren – niet duidelijk afgewezen. Men verklaarde: ‘‘Het zaad des verbonds is krachtens de belofte Gods te houden voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen het tegendeel blijkt; dat het echter minder juist is te zeggen, dat de doop aan de kin-

[pag. 14]

deren der gelovigen bediend wordt op grond van hun veronderstelde wedergeboorte, omdat de grond van de doop is het bevel en de belofte Gods.’’
De synode is na een uitvoerige behandeling van de op haar agenda geplaatste geschilpunten tot bovengenoemde verklaring gekomen. Men heeft er naar gestreefd om de eenheid te bewaren. En terwille van die eenheid heeft men geen bindende uitspraken willen doen. De verklaring wordt dan ook wel de Passificatie-formule genoemd. Hoewel er na 1905 een periode van rust aanbreekt en groei en bloei van de kerk, moeten we toch betreuren dat de synode van 1905 niet krachtiger is opgetreden tegen Kuyper’s leer. Deze leer van de veronderstelde wedergeboorte kreeg steeds meer aanhangers en na verloop van tijd zelfs een meerderheid.

Afbeelding: Prof. K. Schilder

De invloed van dr. A. Kuyper op het kerkelijk leven is aanzienlijk. Op de studieverenigingen is Kuyper’s ‘‘De Gemene Gratie’’ een belangrijke studiebron. En zijn leer aangaande het verbond, de pluriformiteit van de kerk en de leer van de algemene en bijzondere genade vormen steeds weer onderwerpen van discussie.
De synode van Amsterdam van 1936 ziet zich genoodzaakt een deputaatschap in te stellen met de opdracht om op de volgende synode rapport uit te brengen over de volgende leergeschillen: de algemene genade, de onsterfelijkheid der ziel, de vereniging van de beide naturen van Christus, het genadeverbond, het zelfonderzoek en de pluriformiteit van de Kerk. Het deputaatschap is zo samengesteld dat de mening van beide zijden erin vertegenwoordigd is. Enerzijds zijn er o.a. prof. dr. V. Hepp en dr. J. Thijs en anderzijds o.m. de Kamper professoren dr. S. Greydanus en K. Schilder. Aanvankelijk loopt alles voorspoedig, maar als prof. Hepp in de pers onder de titel ‘‘Dreigende deformatie’’ zijn mede-deputaat Schilder gaat bestrijden, zonder overigens diens naam te noemen, staken de hoogleraren Greydanus, Schilder en ook D.H.Th. Vollenhoven hun medewerking aan het deputaatschap.

In augustus 1939 komt de generale synode van Sneek bijeen. Op haar agenda staat de zaak omtrent de leergeschillen. De voorbereiding van deze kwestie vraagt een aanzienlijke tijd en als men in augustus 1940 weer bijeenkomt is ons land door de Duitsers bezet. Dit is mede oorzaak van het trage werken van de synode, die pas in 1942 toe komt aan de behandeling van de leergeschillen. Intussen zijn er op de synodetafel zeer vele verzoeken gedeponeerd om de behandeling van de leergeschillen op te schorten totdat er rustiger tijden zijn aangebroken. Twee particuliere synodes, tal van classicale vergaderingen en veel particuliere personen hebben zo’n verzoek om uitstel gedaan. Met elkaar vertegenwoordigen zij bijna 2/3 van alle kerkleden. Maar de synode geeft er geen gevolg aan. Op 27 mei 1942 besluit zij met 27 tegen 23 stemmen met de behandeling door te gaan. Na enkele kleine wijzigingen wordt in vijf van de zes leergeschillen een uitspraak gedaan die met algemene stemmen wordt aanvaard, T.a.v. de pluriformiteit wordt geen uitspraak gedaan, maar deze problematiek zal in studie worden genomen om een volgende synode dan daarover te laten oordelen. Daarvan is evenwel nooit iets gekomen.

[pag. 15]

DE TOELICHTING
Zo scheen het allemaal nog wel mee te vallen, maar direct na de aanvaarding van de leeruitspraken besluit de synode er nog een toelichting aan toe te voegen en deze ook te publiceren. Eén punt uit deze Toelichting zal de aanleiding vormen tot de kerkelijke strijd en deze de volgende jaren beheersen.
Het betreft de uitdrukking: …‘‘dat het zaad des verbonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd totdat bij het opwassen uit hun wandel en leer het tegendeel blijkt’’. Met dat ‘‘te houden voor wedergeboren’’ wil men zeggen: veronderstellen dat zij wedergeboren zijn. En ‘‘in Christus geheiligd’’ is hetzelfde. Zo wordt dus de wedergeboorte in de doop betekend en verzegeld en niet de beloften van God. Eigenlijk houdt dit in, dat in Gods verbond alleen de wedergeborenen zijn begrepen. En daarmee zijn we weer terug bij de stelling die de synode van 1905 op niet overtuigende wijze afwees, namelijk dat elk uitverkoren kind reeds vóór de doop metterdaad wedergeboren zou zijn.

De synode maakte het nog erger door op 7 oktober 1942 te besluiten …‘‘dat het nodig is, dat de classicale vergaderingen bij de kerkelijke examens zich vergewissen, dat de kandidaten instemmen met de leeruitspraken van Sneek / Utrecht 1942’’.

De Toelichting en het Besluit brengen een grote stroom van bezwaarschriften op gang. Deze zijn niet bestemd voor deze synode, die zichzelf veel te lang prolongeerde en eigenhandig zaken aan haar agenda toevoegde (o.a. de benoeming van een hoogleraar), maar voor haar opvolger. In de kerkenorde staan o.a twee artikelen waarmee deze synode onvoldoende rekening heeft gehouden, nl. art. 30 dat o.m. zegt, dat men in een synode slechts zal behandelen wat op vergaderingen van kerkeraden of classes niet kon worden afgehandeld. Dus alleen zaken die door kerkeraad of classis op de synodetafel zijn gelegd. En art. 50 zegt dat een nationale synode om de drie jaar zal bijeenkomen of bij dringende nood eerder. De normale duur van een synode is doorgaans dan ook slechts enkele maanden.
De volgende synode van Utrecht die op 22 juni 1942 bijeenkomt (nog geen twee maanden nadat de vorige synode was gesloten) heeft op haar tafel een groot aantal bezwaarschriften tegen de leeruitspraken (met toelichting) alsmede vele verzoeken om de leeruitspraken op te schorten tot rustiger tijden en terugkeer naar de situatie vóór deze uitspraken. De oorlogstoestand belemmert vrije, rustige bijeenkomsten van alle betrokkenen, de persarbeid is aan banden gelegd en prof. dr. K. Schilder is ondergedoken en kan zich, evenals vele anderen, niet in het openbaar vertonen. Maar de synode gaat niet op deze verzoeken in. Alle bezwaren op kerkrechtelijk gebied wijst de synode zonder meer van de hand.

Afbeelding: Prof. dr. S. Greydanus

HET PRAE-ADVIES
De door de synode ingestelde commissie ter bestudering van de bezwaarschriften komt met het bekende Prae-advies. Op het gebied van de veronderstelde wedergeboorte drukt het prae-advies zich nog stelliger uit dan de Toelichting. Volgens het prae-advies houdt de verbondsbelofte inderdaad de wedergeboorte in en geldt zij naar haar volle inhoud alleen de uitverkorenen. En de sacramenten betekenen en verzegelen inwendig aanwezige genade.

[pag. 16]

Ds H. Meulink van Enschede vertelt in zijn gedenkboek ‘‘Na vijftig jaren’’ dat er een broeder was die beweerde dat er van verbondsbreuk geen sprake kon zijn, want uitverkorenen braken het verbond niet en het verbond was opgericht met de uitverkorenen.
Alle bezwaren tegen de leeruitspraken worden van de hand gewezen en het voorschrift (dat bij classicale examens moet worden nagegaan of de kandidaten wel instemmen met de leeruitspraken) blijft gehandhaafd. De gesprekken die de bezwaarden met de synode-commissie houden hebben geen resultaat; ook de Verklaring van Gevoelen, die enkele bezwaarden op de synodetafel deponeren, heeft geen gevolg. En zo vergaat het ook de brief die prof. Schilder op 13 december 1943 aan de synode doet toekomen en waarin hij oproept tot bezinning.
In januari 1944 wendt prof. Schilder zich tot de kerken. Uitvoerig zet hij zijn standpunt uiteen en hij voegt er een afschrift bij van zijn brief van 13 december aan de synode. In snel tempo volgen de feiten elkaar op. Kandidaat H.J.Schilder, beroepen door de kerk van Noordeloos, weigert in te stemmen met de leeruitspraken van de synode en wordt derhalve niet toegelaten tot het ambt van predikant. Zijn oom, prof. K. Schilder wordt op 23 maart 1944 door de synode geschorst (omdat hij de kerken had opgewekt de omstreden synode-besluiten niet voor vast en bondig te houden) en drie maanden later volgt de schorsing van prof. S. Greydanus wegens scheurmakerij en overtreding van het 5e en 9e gebod.
Prof. Schilder, emeritus-predikant van de kerk van Rotterdam-Delfshaven, wordt geschorst door de synode niet alleen als hoogleraar maar ook als emeritus-predikant, zonder de kerk van Rotterdam-Delfshaven daarin te kennen. Hiermede handelde de synode in strijd met de kerkorde.

DE VRIJMAKING
Een aantal verontrusten heeft op 11 augustus 1944 een vergadering belegd in Den Haag. Men rekent op enkele tientallen personen, maar er komen, ondanks de gevaren van de oorlog (razzia’s, luchtaanvallen en beschietingen), honderden uit alle delen van het land. In de volle Lutherse kerk zijn ook de professoren Greydanus en Schilder en voeren er het woord. En men luistert naar de voorlezing van de ‘‘Acte van Vrijmaking en Wederkeer’’. In gebed en psalmen brengt men de kerkelijke nood voor de troon en het aangezicht van God.
De gebeurtenissen volgen elkaar snel op. Door de synode worden kerken buiten het kerkverband geplaatst en predikanten geschorst en afgezet. Andere predikanten en kerkeraden wachten het vonnis niet af maar maken zich vrij van dit knellende juk van een kerk die door zijn daden ontrouw is geworden aan zijn beginselen. Die blijkbaar heeft vergeten wat de vaderen in Dordrecht hebben beloofd. Die gelovigen die trouw willen blijven aan de Schrift en de Gereformeerde belijdenis schorst en uitwerpt en daardoor het recht om de naam van Gereformeerde kerk te voeren heeft verspeeld.
En zo ontstaan de Gereformeerde Kerken met voorlopig aan de naam toegevoegd ‘‘onderhoudende art. 31 K.O.’’) Naderhand is dit toevoegsel, dat louter een postale aanduiding is, gewijzigd in ‘‘vrijgemaakt’’.

De eerste jaren worden gekenmerkt door de opbouw van het kerkelijk leven. Het kerkverband ontwikkelt zich geleidelijk in classes en particuliere ressorten en in oktober 1945 begint de voorlopige Generale Synode van Enschede haar arbeid. Het belangrijkste besluit van deze synode is de benoeming van drie hoogleraren t.w. prof. P. Deddens, prof. B. Holwerda en prof. C. Veenhof en van de lectoren drs. H.M. Mulder en ds. D.K. Wielenga. De opleiding van dienaren des Woords kan weer doorgaan.
Doch al spoedig wordt de kerkelijke hemel betrokken met duistere wolken. De reden waarom men zich van het synodale juk heeft vrijgemaakt blijkt niet altijd dezelfde en de opleiding in de school van Kuyper, die verschillenden hebben gehad, speelt hun parten. Met name de leer van de pluriformiteit, welke zegt dat de kerk als organisme belangrijker is dan de kerk als instituut. Anders gezegd dat de onzichtbare kerk, die alle gelovigen in de verscheidenheid van instituten omvat, belangrijker is dan de zichtbare kerk met zijn ambten. Daarbij komen de trekken van independentisme (het streven naar onafhankelijkheid en het negeren van het gezag in de kerk). Verschillende leden van de gereformeerde kerken

[pag. 17]

(vrijgemaakt) en verschillende leden van de gereformeerde kerken (synodaal) beleggen conferenties en doen uitspraken, waarin in feite de Vrijmaking als kerkreformatie wordt verloochend. Men poogt zo invloed uit te oefenen op het kerkelijke leven. Prof. Holwerda toornt daartegen:… ’’Zo heeft de Here Christus ons nooit de taak der kerkreformatie aangewezen. Maar het is de geest van de tijd: heterogene conferenties, die aan het bijzondere- en aan het ambt der gelovigen voorbij lopen en daaraan hun onkerkelijkheid bewijzen, geven boodschappen uit en communiqué’s, richten zich tot de leden der kerk, werpen zich op als regeerders, hoewel de Here hen daartoe niet geroepen heeft..’’. Deze acties werden in de hand gewerkt door pogingen van synodale zijde om het kerkvolk te doen terugkeren o.a. door het publiceren van de ‘‘Vervangingsformule’’, die feitelijk geen enkele verandering van standpunt inhield. Toch keerden mede door deze handelingen een aantal personen terug naar de synodale kerken.

DE OPEN BRIEF
Ook in later jaren kwam er hier en daar het verlangen boven om de eenheid te herstellen met de synodale kerken of om daarover met hen te spreken. Maar dit ging doorgaans ook op een independentistische wijze en wekte daardoor felle reacties op. De kerkeraad van Groningen-Zuid verbood in het begin van de zestiger jaren zijn predikant, ds A. van der Ziel, samensprekingen over hereniging te houden met de synodale kerkeraad ter plaatse. Tegen het verbod van de kerkeraad in en zonder met zijn bezwaren in de kerkelijke weg te gaan (beroep op de classis), ging ds V.d. Ziel toch samenspreken. Dit had uiteindelijk de schorsing en afzetting van deze predikant tot gevolg en het oprichten van een afzonderlijke kerk, de zg. Tehuis-gemeente.

Een en ander laat het kerkelijk leven niet onberoerd. De synode van Rotterdam-Delfshaven 1963 bemoeit zich ermee. Verschillende synodeleden lopen van de synodevergadering weg omdat zij de verantwoordelijkheid voor de uitspraken niet voor hun rekening willen nemen. Op 31 oktober 1966 richten een 25-tal broeders uit onze kerken, waaronder 19 predikanten, zich met een Open Brief aan de Tehuis-gemeente. De ondertekenaars zeggen daarin de Tehuis-gemeente alle steun toe en noemen het gebeuren in Groningen-Zuid ‘‘een wrange vrucht van een beschouwing over de vrijmaking die religieus gevaarlijk is en voert tot ontbinding van onze kerken’’. Zij spreken daarin van een ‘‘vrijmakingsgeloof’’, dat is het geloof ‘‘dat onze Heer Jezus Christus door de vrijmaking van 1944 en volgende jaren een nieuw werk van kerkreformatie heeft ten uitvoer gelegd.’’ Zij willen niet weten van een verbinding van de Vrijmaking aan artikel 28 van de Ned. Geloofsbelijdenis. En zij juichen het toe dat de Tehuis-gemeente, in tegenstelling tot de kerkeraad van de Gereformeerde kerk van Groningen-Zuid, toch contact zoekt met de synodaal gereformeerde kerken.
Uit deze brief waait wel zeer duidelijk de wind van het independentisme. De brief is voor de synode van Amersfoort-West dan ook aanleiding om ds. B.J.F. Schoep, de opsteller en mede-ondertekenaar ervan, niet zonder meer te ontvangen als afgevaardigde van de kerken in Noord Holland. Daarover zijn, op hun beurt weer, velen in de kerken erg boos. Er volgen enkele jaren van onverkwikkelijke kerkstrijd. Vele vooraanstaande strijders van het eerste uur proberen nu het fundament onder het gebouw van de Kerk weg te breken en dan onder het mom van liefde en verdraagzaamheid. En onder vrome woorden worden venijnige pijlen op haar of op hen die haar trouw dienen afgeschoten. Want de strijd ontaardde dikwijls in aanvallen op personen. Over de zaak zelf werd dan vaak weinig of geheel niet gesproken. Dat men ontrouw was aan de belofte van Dordt en de leervrijheid binnen haalde deerde hen blijkbaar niet.

Ook deze jongste kerkstrijd heeft veel verdriet teweeggebracht. Bittere tranen zijn er geschreid, omdat broeders en zusters die ons zo dierbaar waren, zich van ons afkeerden en zo het Lichaam van Christus scheurden. De scheur ging evenals bij de Vrijmaking vaak dwars door gezinnen en families heen. Verwanten en vrienden raakten van elkaar vervreemd. Dat gaf leed en smart. Maar we zijn ook getroost,omdat wij zien dat de Here Zijn zegen geeft aan hen die de erfenis van Woord en Confessie trouw bewaren.

Category(s): Hengelo, Kerken
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *