VIII. Rooms-Katholiek en Gereformeerd: wankelend evenwicht (het jaar 1579)

[pag. 77]

VIII ROOMS-KATHOLIEK EN GEREFORMEERD: WANKELEND EVENWICHT (het jaar 1579)

Ook in 1579 blijkt Kampen twee religies binnen haar muren te handhaven. Zowel aan pastoor Havens als aan de beide gereformeerde predikanten wordt in dit jaar een tractement uit de stadskas betaald. ( 1 [1. O.A. 452.])
De gereformeerde kerk die binnen de stedelijke samenleving een wettige plaats heeft ingenomen, krijgt ook intern vastere vorm. Het kerkelijk leven, samenleven wordt vastgelegd in een ledenlijst. Deze wordt aangelegd op ‘‘paesche dach’’. Op de lijst staan de namen vermeld ‘‘der genen die die reformatie hebben angenoemen ende daer up des heren heilige aventmael ontfangen hebben bijnnen Campen’’. ( 2 [2. Archief Nederl. Herv. Kerk, No. 138; in stadsarchief gemeente Kampen aanwezig.])
Niet minder dan tachtig mensen vieren die paasdag het avondmaal. Blijkens de lijst bevinden zich daaronder 17 echtparen. Soms staat achter de naam het beroep van het gemeentelid. De meeste lidmaten zijn handwerklieden. Zo bevindt zich onder hen een kuiper, timmerman, boothouwer, uitdrager, oliemoller, kistenmaker, speldemaker, trommelslager, slotemaker, schipper, visser; verder drie wevers, twee schoenmakers, twee dragers, een ijzerkoopman, een hopman, een goudmeester, een van stadswege benoemde organist en twee predikanten.
Van de 118 handtekeningen bij het rekest van aug. 1578, (cf. blz. 70), zien we er slechts enkele terug in de ledenlijst over 1579. Een merkwaardig verschijnsel, waarvoor ik geen verklaring weet. Wel komen in latere jaren van de handtekeningen uit 1578 er nog een aantal terug, maar het gaat om slechts een klein gedeelte. Terwijl in 1578 er 118 gezinshoofden tekenden, gaan  er in 1579 ‘slechts’ 35 mannen als belijdend lid ten avondmaal. Een mogelijke drempel via catechese kan toch dit verschil niet verklaren.
Twee augustus 1579 is het opnieuw avondmaal. Diverse namen die wel op de rekestlijst voorkwamen maar met pasen nog niet als lidmaat vermeld staan, komen we nu wel tegen. Dit geldt ook voor de derde keer dar er avondmaal gevierd wordt. De aanwas is telkens behoorlijk te noemen. De tweede keer gaat het om 26 mannen en 20 vrouwen, waaronder acht echtparen. Op 27 dec. -de derde keer dat er avondmaal ge-

[pag. 78]

vierd wordt- is er een aanwas van 30 mans lidmaten en 25 vrouwen; negen echtparen bevinden zich daaronder. Bekijken we de lidmatenlijst over heel 1579, dan kan daaruit worden afgelezen dat eind 1579 de gereformeerde kerk van Kampen 181 belijdende lidmaten telt. Samenstelling: 91 mannen, 90 vrouwen, minstens 34 huwelijken. Bij een gemiddelde gezinsgrootte van ± 4, (cf. blz. 70), geeft dit globaal het volgende percentage van de stedelijke bevolking dat met de reformatie metterdaad is meegegaan in het eerste uur dat de kerk publiek erkend werd: 34 gezinnen met een gemiddelde van 4 personen geeft 136 personen; 181 lidmaten, waarvan 113 personen ongehuwd of zonder hun gezin tot de reformatie overgaan; 136 personen + 113 personen= 249 personen; 249 personen op een inwonertal variërend van 4.000 tot 6.000 (cf. blz. 70). Dit geeft een percentage van 4, 15 tot 6,22. De ‘harde’ kern van gereformeerde belijders met hun gezinnen bedraagt in het eerste uur van de publiek erkende gereformeerde kerk te Kampen tussen de 4, 15 en 6,22 procent van de totale stadsbevolking. Op basis van de rekestlijst zou gerekend mogen worden op 8 tot 11 procent, (cf. blz. 70), maar een gedeelte van het verschil in percentage tussen de rekestlijst en de lidmatenlijst van 1579 valt te verklaren met de toetreding kort na 1579 van een aantal personen die wel op de rekestlijst staan, maar nog niet op de lidmatenlijst over 1579. Dit betekent dat kort na het beginuur van de gereformeerde kerk als publiek erkende kerk het percentage gereformeerde belijders stijgt. Het vervolg van dit betoog laat de rekestlijst als berekeningsfactor liggen. Uitgangspunt van vergelijking wordt de lidmatenlijst van 1579.
Het feit dat tal van personen die wel gehuwd zijn, maar wier man of vrouw niet met de reformatie is meegegaan, toont o.a. dat het overgaan tot de reformatie diep gemotiveerd is.
De specifieke problemen binnen het gezin die zo’n gescheiden overgang met zich meebrengt, accepteert men niet voor een zaak die niet als zeer wezenlijk wordt gezien. De ernst van de keus voor de reformatie valt hiermee uit de lidmatenlijst direkt af te lezen.

Hieronder worden een aantal gegevens in schema gebracht:

[pag. 79]

– beroepenschema lidmaten 1579:

kuiper 1 bussemaker 1 schuitman 1
timmerman 1 metselaar 3 schipper 4
drager 4 boekbinder 1 ijzerkoopman 1
boothouwer 1 piloet 1 lakenkoper 1
schoenmaker 5 bakker 1 muntmeester 1
slotenmaker 1 naaister 1 goudmeester 1
speldemaker 1 oliemoller 1 hopman 1
kistenmaker 1 trommelslager 1 organist 1
zeilmaker 1 wever 7 schoolmeester 1
hoedemaker 1 verver 3 predikant 2
schedemaker 1 visser 1 burgemeester 4

 

Uit het aantal van vier burgemeesters blijkt dat de gereformeerden in 1579, dus reeds in het eerste jaar van het publiek erkende bestaan van de gereformeerde kerk ter plaatse, reeds een behoorlijke politieke invloed binnen de stad uitoefenen.
Volgens dit staatje zijn er opvallend veel lidmaten werkzaam in de textielnijverheid. Ook het aantal schoenmakers, schippers en dragers binnen de gemeente is hoog. Wel moet worden bedacht dat in de lidmatenlijst niet achter elke daarvoor in aanmerking komende naam een beroep wordt opgegeven. Toch geven bovengenoemde gegevens wel een globaal-indruk op grond waarvan gesteld mag worden dat de gemeente vooral blijkt samengesteld uit handwerklieden.

– schema belijdende leden over 1579:

viering H.A. mannen vrouwen totaal
pasen 35 45 80
2 augustus 26 20 46
27 december 30 25 55
Totaal over 1579: 91 90 181

 

Om rooms-katholiek en gereformeerd in vrede te laten samenleven wordt op 28 juni 1579 de ‘‘Religions Vrede’’ gepubliceerd. ( 3 [3. O.A. 243, fol. 67 v. -70 r., 28 juni 1579.]) Nog steeds blijft daarbij de gereformeerde prediking buiten de H.G. kerk verboden. Want het is de gereformeerden verboden ‘‘eenige andere gewijede offte ongewijede plaetzen eijgener autoriteit into nemen offte andere bijcompsten ofte conventiculen, heimelick noch openbaer te holden’’. Het is de predikanten verboden zich te mengen in ‘‘Civilen ende Politiken saken . . . ende regierunge deser Stadt betreffende sich tbemoeijen’’. De predikanten mogen verder geen dingen publiceren die de eendracht in de stad in gevaar brengen. Gereformeerden en rooms-katholieken mogen elkaars diensten niet verhinderen.

[pag. 80]

De wettige aanwezigheid van tweederlei religie binnen Kampen geeft moeilijkheden. Op de Overijsselse landdag beklagen r.k. zich over het feit dat de gereformeerden daar bijna op elke vergadering aanwezig zijn via een deputatie. Deze klacht van 19 sept. 1579 wordt verder uitgewerkt: kort geleden zijn de gereformeerden ook bij de stadhouder geweest. Ze zouden hem hebben meegedeeld dat ze in de nabije toekomst binnen Kampen onrust vrezen. Als tegen de winter de bootsgezellen weer naar huis komen, zijn de gereformeerden bang dat één van beide partijen de overhand zal krijgen. Daaruit zou ongemak kunnen ontstaan. Ze verzoeken daarom de stadhouder bijtijds hierin te voorzien. De gereformeerden begeren echter niet de inlegering van een garnizoen in de stad. De r.k. Kamper deputaten verklaren op de landdag echter ‘‘gantz nijet te weten van eenige oneenicheit’’. ( 4 [4. O.A. 2517, blz. 55, 23 sept. 1579.]) Twee dagen later verklaren ze hetzelfde ten overstaan van de drost van Vollenhove. Er is geen onenigheid in de stad. De vrees van de gereformeerden is ongegrond. ( 5 [5. O.A. 2517, 21 sept.]) Deze ontkenning wordt opnieuw herhaald op de landdag van 23 sept. ( 6 [6. O.A. 2517, blz. 55, 23 sept. 1579.]) Toch hangt er wel degelijk een dreiging in de lucht. De gereformeerde vrees blijkt niet ongegrond. Verklaarde de stadsdeputatie op 23 sept. nog dat er niets aan de hand was, een week later, op 30 okt., blijkt dit spreken veel te optimistisch te zijn geweest. De magistraat verzoekt die dag aan de stadhouder zo spoedig mogelijk een ordonnantie inzake de Minrebroeders uit te vaardigen, ‘‘Alsoe etlicke maelen van wegen der Minrebroeders alhier onder onsen burgeren onlust entstanden is’’. De taxatie van gereformeerde zijde was niet onjuist. Het stadsbestuur vreest dat ‘‘een zware commotie errijsen’’ zal. Het stadsbestuur verzoekt daarom de Minrebroeders uit hun klooster te zetten en hen met alimentatie-gelden te voorzien. ( 7 [7. O.A. 226, blz. 231, 231, 30 okt. 1579.]) Vijf dagen later wordt dit verzoek herhaald. ( 8 [8. O.A. 226, blz. 233, 234, 5 nov. 1579.]) Maar de magistraat vreest ook inlegering van een garnizoen. Ze wil het doen voorkomen alsof de zaak reeds is gesust. ( 9 [9. O.A. 22, 7 nov. 1579.]) Op de landdag van 9 nov. wordt verslag gedaan van hetgeen is voorgevallen ( 10 [10. O.A. 2517, blz. 66, 67, 9 nov. 1579.]): Op een vrijdag hebben enigen in het Minrebroederklooster en in de kerk de beelden stukgeslagen. Zondag en maandag daarop hebben een aantal katholieken in het klooster zitten drinken, ‘‘dewelcke int uthgaen van daer met etlicken van de gereformierde religie

[pag. 81]

hantgemeng geworden weren, daerover vier personen gewondet ende eener gestorven’’. Volgens deputaten is nu alles weer rustig. Hierop adviseert ook de landdag aan de stadhouder de Minrebroeders de stad uit te zetten. ( 11 [11. O.A. 2517, 10 nov. 1579.]) De stad zendt een deputatie naar de stadhouder. Ze hebben een instructie bij zich waarin wordt aangedrongen op het uitzetten van de Minrebroeders. ( 12 [12. O.A. 2517, blz. 69, 13 nov. 1579.]) In deze instructie lezen we hoe het stadbestuur stelt dat ‘‘alle misgrepen ter cause der Religie voer deser tijt geschiet, vergeten ende vergeven sollen sijn’’. Ook gaat er een landschapsdeputatie naar de stadhouder in Groningen. In het verslag daarover staat dat de personen die op zondag en maandag in het klooster hebben zitten drinken dronken waren: ‘‘belangende die emporinge binnen deselve Stadt geboert vermits etlicke droncken personen mit malckanderen hantgemeen geworden weren ende daerover die burgeren sich in den wapenen ergeven’’. ( 13 [13. O.A. 2517, blz. 72-76, 17 nov. 1579.]) Hier komt dus als oorzaak van de onrust naar voren: decadent gedrag van de bezoekers aan het Minrebroederklooster. Toch gaan ook de aanhangers van de niet-roomse partij niet geheel vrijuit. Op de vrijdag voorafgaand aan de bewuste zondag en maandag waren een aantal niet-roomsen het klooster binnengedrongen en hadden er vernielingen aangericht. Toch kan men voor dit onjuiste gedrag niet de gereformeerde kerk op zich aansprakelijk stellen. Ook werden deze heethoofden door meer bezonnen gereformeerden in hun voornemen om nog meer vernielingen aan te richten, tegengehouden. Zo heeft bv. de gereformeerde hopman Rutger Hudde dit geweld helpen stuiten. Hoe kwamen de heethoofden er toe om het klooster binnen te dringen om er vernielingen aan te richten? De aanleiding hiertoe wordt vermeld in het verslag van de deputatie van de landdag aan stadhouder Rennenberg. Op de bewuste vrijdag is een raadscommissie bij de leiders van de gereformeerden op bezoek geweest. Reden hiertoe was ‘‘dat hoeren predicante ghien genoechsam onderholt van den Stadt gegeven worde’’. Terwijl de raadsleden hierover met de gereformeerden onderhandelen ‘‘weren etlicke int Minrebroders cloester ende kercke ingevallen’’. In het verslag staat verder dat men op het stadhuis tevoren op de hoogte was van het feit dat sommige gereformeerden met plannen tot een inval in het klooster rondliepen vanwege het feit dat hun predikanten werden onderbe-

[pag. 82]

taald. OnderbetalIng van eigen predikanten en het decadente gedrag van de bezoekers aan het minrebroederklooster hebben een deel der gereformeerden zo geprikkeld dat ze tot eigenmachtig optreden over zijn gegaan. Dit laatste moet- hoe begrijpelijk ook- worden afgekeurd. De stadhouder ziet in het gebeurde echter geen aanleiding om de Minrebroeders uit het klooster te zetten. De landdagdeputatie houdt daarop de stadhouder voor dat de onrust zal aanhouden omdat de religievrede niet door ieder in de stad wordt onderschreven. Met name zij die in juni bij het sluiten van de religievrede absent waren, willen deze nu niet ondertekenen. Mijns inziens gaat het hier om de bootgezellen wier thuiskomst de gereformeerden reeds op 19 sept. met zorg tegemoet zagen. ( 14 [14. Cf. het hier boven gestelde, blz. 80; O.A. 2517, blz. 51, 19 sept. 1579.]) Het evenwicht in juni 1579 bereikt, is door thuiskomst van vele bootgezellen zeer wankel geworden.
Op 19 nov. geeft de stadhouder de zaak van de Minrebroeders over aan een commissie die naar bevind van zaken besluiten zullen tot hun al of niet vertrekken. Hij stemt er nu ook in toe ‘‘dat die Minrebroederen vuijt hueren Convent sullen delogeren ende vertrecken’’. Hij eist echter dat ‘‘henvorder ghiene veranderinge oft vernijewinge contrarie . . . die religioensvrede meer voergenomen oft geattentiert sal worden’’. ( 15 [15. O.A. 2517, blz. 76, 77, 19 nov. 1579.])
Tenslotte zijn de stedelijke overheid, de burgerdeputatie en de stadhouderlijke commissie het er allen over eens dat de Minrebroeders hun klooster moeten verlaten. Zij die geen burger van Kampen zijn moeten de stad verlaten. Ze zullen worden ondergebracht in de kloosters te Hasselt, Dickinge, Swartewater, Abergen in elk klooster twee. Uit de stadsrekeningen blijkt dat de kloosterlingen goed van alimentatiegelden zijn voorzien. ( 16 [16. O.A. 452.]) Terwijl dit achttal op 2 december net over de IJsselbrug verdwenen zijn, wordt hen 18 herenponden en 3 stuivers teergeld nagebracht. Een van de monniken moet wegens ziekte in het klooster op den Oert worden opgenomen. Daartoe wordt op 13 dec. 4 herenponden en 8 stuivers ziekengeld uitgetrokken. Ook ontvangen drie monniken nog 40 herenponden kledinggeld. Van een geforceerd wegjagen van de Minrebroeders is dus in het geheel geen sprake. En niet de gereformeerden, maar de stedelijke overheid heeft samen met een burgerdeputatie en een stadhouderlijke commissie het besluit tot vertrek van de Minrebroeders genomen.

[pag. 83]

De stadhouderlijke commissie besluit op 2 dec. verder ‘‘dat men die kercke toesluijten solde’’. Een gedeputeerde van de gereformeerden verzoekt daarbij zowel het koor als de kerkdeuren van het gebouw te sluiten tot er van hogerhand een besluit over het verder gebruik van de kerkruimte zal zijn gekomen. Blijkens het verslag liet de gedeputeerde van de gereformeerden daarbij weten dat men als gereformeerden nl. van plan is ‘‘om de kercke toe solliciteren’’. De gereformeerden zien dus uit naar een tweede kerkgebouw. ( 17 [17. O.A. 2517, blz. 86, 2 dec. 1579.])
Dezelfde dag wordt de religionsvrede opnieuw bezworen. ( 18 [18. O.A. 22, blz. 169, 170, 2 dec. 1579. O.A. 2517, blz. 81-83.])
Hiermee lijkt het wankel evenwicht gered.
Na het vertrek van de Minrebroeders wordt er een nacht in het klooster gewaakt om onrust te voorkomen. Nog laat het stadsbestuur op 14 dec. 1579 weten dat ‘‘wij uth eighener authoriteit nijet gestaden offte tolaten sullen inder Minrebroeder kerkcke enich ander exercitcie van religie geoeffent to worden dan als daer van to voeren gedaen is, ten were dat daerinne anders bij der Stadhouder geordinneert offte togelaten worde’’. ( 19 [19. O.A. 226, blz. 238, 239, 14 dec. 1579.]) Maar reeds begin 1580 verdwijnen de altaren uit de Minrebroederkerk; en dat voorgoed. Vier mannen ontvangen nl. op 14 febr. 1580 loon voor het afnemen van de altaren uit genoemde kerk. ( 20 [20. O.A. 452.]) Ook de ‘‘sloetemaker’’ en de timmerman ontvangen loon omdat ze de beelden en altaren uit de Broederkerk helpen wegdragen. Er zal veel te dragen zijn geweest, want beide zijn ‘‘daerover doende gewest elck vijff daegen ende vijff nachten’’.

Category(s): Kampen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *