IV. De Gereformeerde Kerk weer ondergronds: 1567 – aug 1572

[pag. 26]

IV. DE GEREFORMEERDE KERK WEER ONDERGRONDS: 1567 – aug 1572

Reeds uit het proces Warners is gebleken dat de mate van toegendheid van hogere en lagere overheid t.a.v. de opgekomen godsdienstige vernieuwing verschillend is. De stadhouder volgt eind 1566 duidelijk een hardere lijn dan de magistraten der IJsselsteden. Dit blijkt wel heel duidelijk op de landdag van 28 oktober. Op die landdag worden de IJsselsteden geconfronteerd met de harde opstelling van de stadhouder. Deze eist ter vergadering dat Zwolle de O.L.V.-kerk weer voor de oude religie terug zal vorderen. De predikant van de nieuwe gemeente omschrijft Aremberg als “een dieff ende dootsleger”. Mocht de Zwolse magistraat toegevend blijven t.a.v. de nieuwlichters, dan zal de stadhouder het Zwarte water laten blokkeren. Dit dreigement doet de Zwolse raad overstag gaan. Ze geeft tenslotte gehoor aan de stadhouderlijke oproep. Met veel moeite weet ze van de gereformeerden gedaan te krijgen dat deze tot mei 1567 de diensten in het kerkgebouw zullen opschorten. Tot dat tijdstip zal de O.L.V. kerk gesloten blijven. De gere formeerden geven de sleutel met pijn aan de magistraat terug. Daarmee is een hooovol perspectief voorlopig geblokkeerd. De stadhouder blijkt uiterst tevreden over het door het stadsbestuur gevoerde beleid. Hij belooft dat, mocht de Koning in steden als Amsterdam en Utrecht godsdienstige vernieuwing toestaan, hij dit als stadhouder in Overijssel eveneens zal doen. ( 1 [1. O.A. 2513, blz. 256-259, 28 dec. 1566.])
In Kampen doet in oktober 1566 een nieuwe pastoor zijn intrede: Mr. Jacob Cuvnreturff, “licentiaet ende officiael to Utrecht”. ( 2 [2. O.A. 224, 14 jan. 1567.]) Toch zal zijn dienst niet al te intensief zijn geweest, want hij blijft in het verre Utrecht resideren.
Ondertussen dreigt ook voor de gereformeerden in Kampen de toegestane vrijheid weer ontnomen te worden. De magistraat wordt, net als in zwolle, door de hoge overheid onder druk gezet. Een brief van de landvoogdes, gedateerd 26 januari 1567, spreekt duidelijke taal. Margaretha van Parma schrijft dat binnenkort de koning vanuit Spanje zal arriveren. In verband met diens aankomst

[pag. 27]

krijgt het stadsbestuur opdracht er zorg voor te dragen dat “met handelingen die Z.M. niet aangenaam zijn, zo van prediking en van exercitie van nieuwe secten” zal worden opgehouden. De magistraat reageert op de brief van de landvoogdes door een brief naar de stadhouder te schrijven. Daarin stelt het stadsbestuur dat er in het verleden geen nieuwigheden zijn voorgevallen. Ze schrijft dat ze zich niet “bedencken konnen dat alhier binnen deser Stadt eenige acten van prekingen oft exercitie van nijewe secten, oft andere dergelijcke” zijn gehouden. Ze stelt dat ze tot nu toe, “oick in desen turbulenten tijden” geen vernieuwingen hebben toegelaten. De stadhouder wordt gevraagd de hertogin gerust te stellen over het beleid van de Kamper magistraat. ( 3 [3. O.A. 224, fol. 192 v., 9 febr. 1567.])
Enige tijd later gaat het gerucht dat er troepen naar de stad Deventer zullen gezonden worden vanwege de religieverandering aldaar. Zwolle en Kampen proberen op de landdag van 22 april Deventer te bewegen maatregelen te nemen om de troepenzending te voorkomen. ( 4 [4. O.A. 2513, blz., 302, 22 april 1567.]) Beide steden verzoeken per brief van 23 april Deventer om “affstellinge der nijer veranderder religion”. Ze wijzen daarbij op machtige steden als Gent, Amtwerpen, Valencien en Maastricht die om religievernieuwing bij de Koning in ongenade zijn gevallen. ( 5 [5. O.A. 2513, blz., 302, 303, 23 april 1567.]) Op 26 april komen de drie steden samen om opnieuw met Deventer te spreken over het ondervangen van de verandering. Zwolle en ook Kampen zijn bang dat anders zowel Deventer als het hele landschap van Overijssel in “gruntlicken verderff en guemen”. De Deventer deputatie deelt daarop mee dat de raad, bij weigering van de gereformeerde diensten in de O.L.V.-kerk, vreest de rust in de stad niet meer te kunnen handhaven. ( 6 [6. O.A. 2513, blz., 303, 26 april 1567.]) Een aantal afgevaardigden van de landdag gaan op 28 april naar stadhouder Aremberg om hem te vragen een brief aan de hertogin te schrijven met het verzoek van troepenzending naar Deventer af te zien. ( 7 [7. O.A. 2513, blz., 305, 28 april 1567.]) Op 17 mei komen de IJsselsteden nogmaals in landdag bijeen om de situatie in Deventer te bespreken. ( 8 [8. O.A. 2513, blz., 309, 17 mei 1567.])
Deze gang van zaken toont duidelijk dat Zwolle, maar ook Kampen weer geheel in de pas van het beleid der hoge over heid lopen. Deventer ligt het terugdraaien van de ontwik-

[pag. 28]

keling moeilijker. Terwijl aanvankelijk ook in Zwolle gereformeerde kerkdiensten werden gehouden, bleken- na pressie van de stadhouder op de magistraat- de gereformeerden tenslotte toch bereid om op 28 dec. 1566 hun diensten in de O.L.V.-kerk op te schorten. In Deventer waren de gereformeerden hiertoe niet bereid. Zo zit de Deventer magistraat klem tussen twee vuren, dat van de hogere overheid en dat van het gereformeerde deel der burgerij. Wat Kampen aangaat, de magistraat toonde zich wel bereid de landvoogdes te verzoeken om een kerk voor gereformeerde diensten. Daarbij kregen de gereformeerden tevens toestemming het sacrament sub utraque specie te bedienen. Dit laatste wel niet in het openbaar, maar in de huizen en beperkt tot de zieken. Daarom kan de Kamper magistraat makkelijker terugkoppelen dan de Deventer overheid. Ondertussen betekent dit voor het gereformeerde deel der Kamper burgerij wel het verlies van een hoopvol perspectief. Een eigen kerkgebouw zou er nu zeker vooreerst niet komen. De opstelling van de hogere overheid moet de gereformeerden in Kampen voor de toekomst hebben doen vrezen.
Reeds spoedig, op 21 mei 1567, worden de gereformeerden binnen Kampen door de magistraat verder teruggedrongen. In het licht van de dreigende troepenzending naar Deventer, besluit de raad van Kampen om Christiaan van Driel en Caspar Holstech te verbieden nog langer het sacrament op afwijkende wijze uit te delen. Zij moeten zich “gantzelick henvorder ontholden” om het altaarsacrament “onder tween gedaenten den siecken dies begeren binnenshuys uth toe deelen”. ( 9 [9. R.A. 2, fol. 173 v., 21 mei 1567, in de marge.])
Blijkbaar houdt de religiepolitiek van de stedelijke overheid meer rekening met de actuele politieke situatie dan met de eerder door haar gedane belofte. Want op 5 sept. 1566 werd door de magistraat nog beloofd dat ze Van Driel en Holstech bij zou staan en zou beschermen als hen zwarigheid mocht overkomen ten gevolge van bedoelde sacramentsuitdeling. De magistraat blijkt hiermee meer een praktisch dan een principieël standpunt inzake godsdienstzaken in te nemen. Zowel het doen van consessies aan de gereformeerden als het weer intrekken daarvan zijn een gevolg van deze instelling.

[pag. 29]

Deze houding brengt de magistraat tenslotte ook in conflict met de door haar op 27 juni 1567 benoemde vice-cureit Gerrit Willemsz. van Plo. Deze in Leuven opgeleide theoloog eist een principieel katholiek overheidsbeleid van het stadsbestuur. Het conflict loopt zo hoog op dat de vice-cureit in november van hetzelfde jaar aan de magistraat zijn ontslag aanbiedt. ( 10 [10. S. Elte gaat uitvoerig op deze zaak in: Het conflict van Willemz. van Plo in het jaar 1567. (Versl. En Med. Overijss. Regt en Gesch., 51e stuk ((1935)) blz. 90-111). Een zelfstandige verwerking van de archiefstukken is i.v.m. het onderwerp gewenst. Alleen voor ons onderwerp relevante gegevens worden doorgegeven. Voor vindplaatsen raadplege men: O.A. 224, d.d. 22, 23 juni, 13 en 17 aug., 9 sep., 27 okt.; O.A. 225, ongedateerd –tussen 27 okt en 8 nov., 9 nov., 10 nov., 17 nov. 1567.])
Op 5 mei schrijft de stad aan Van Plo of hij naar Kampen wil komen, want de stad is “nijet wel van Cappellanen ende andere guede predicanten versijen”. Bij pastoor Cuynreturff (Cunretorff) te Utrecht wint de magistraat op 23 juni inlichtingen in over Van Plo. De stad wil hem wel benoemen, maar het gerucht gaat dat deze in Drijll -zijn vorige standplaats- personen wegens heresie heeft aangegeven. Verder wordt van hem gezegd dat hij daar bevriend was met enige inquisitoren. De magistraat wil zekerheid omtrent de waarheid van deze geruchten. Want een dergelijke houding zou onder de burgerij onrust kunnen veroorzaken. Dit wil de magistraat voorkomen “in desen gefaerlijcken tijden”.
De benoeming gaat op 27 juni door. In de acte van zijn benoeming staat o.m. dat de vice-cureit geen valse leraars zal toelaten. Verder mag hij personen niet persoonlijk bestraffen vanaf de preekstoel. Hij moet daar de zonden en gebreken “int generael” aan de orde stellen. Maar reeds op 13 augustus verzoekt de raad aan pastoor Cunretorff te Utrecht om zo spoedig mogelijk naar Kampen te komen wegens moeilijkheden in diens curie. Het verzoek om overkomst van de pastoor wordt op 17 aug. herhaald. De moeilijkheden blijken de persoon van vice-cureit Van Plo te betreffen. De zondag voorafgaand aan 13 augustus heeft de vice-cureit in zijn sermoen de rector als een openbare ketter gebrandmerkt. Daarbi j zou Van Plo de ouders van de schoolgaande kinderen hebben voorgehouden dat ze hun kinderen beter “int huyrenhuys” konden sturen dan naar de school van rector Holstech. De Heilige Geest Kerk -waar de rector blijkbaar nog steeds in de diensten voorgaat- betitelt de vicecureit als de kerk van “den helsschen ghiest”.

[pag. 30]

Van Plo eist van de raad dat ze aan rector Holstech een preekverbod oplegt. Mocht dit niet gebeuren, dan is de vice-cureit van gedachte “selffs van den stoel to blijven”. Bij weigering van deze eis stelt Van Plo zijn vertrek uit Kampen in het vooruitzicht. Aan pastoor Cunretorff schrijft de raad nu dat ze dit taalgebruik “in desen turbulenten tijden” niet juist acht. De “guede rust ende eenigcheit” der burgerij wordt door dit spreken niet bevorderd. Volgens de raad gaat dit openbaar hekelen van de rector in tegen de uitdrukkelijke belofte van de vice-cureit om fouten alleen in het algemeen aan de orde te stellen op de stoel. Verder deelt de raad aan Cunretorff mee dat er n.a.v. de beschuldiging aan het adres van de rector een raadsdeputatie bij Holstech is geweest. Dit bezoek heeft direkt de dag na die bewuste zondag plaatsgevonden. In het gesprek met de rector is deze gewaarschuwd en bevolen “die epistelen ende Evangelien to predigen sonder op eenige heren ende fursten to smaden oft eetwes toe predigen tegens den Paeuwsen, Bisschoppen oft eenige ghiestlicke oft werltlicken overicheit oft eenige ceremonien noch eetwes to predigen tegens die olde Catholissche religie der Roemscher kercken”. Als motief voert de raadsdeputatie aan “op dat hij die Stadt in ghienen onlust ende sich selvest in ghienen last en brenghde”. Bij veronachtzaming van deze waarschuwing zal de raad zich anders in de zaak gaan opstellen, zo krijgt de rector te horen. Als slotopmerking staan in de brief aan Cunretorff vermeld, dat de rector sinds dit vermaan niet meer heeft gepreekt. Vice-cureit Van Plo heeft dus geen reden om de rector vanaf de stoel te blijven aanvallen, aldus het stadsbestuur.
De brief waarin deze gegevens staan, is ongedateerd. Datering is van belang i.v.m. de prediking van Holstech in de H.G. Gasthuiskerk. Bij benadering is een datum wel aan te geven. Van Plo wordt op 27 juni benoemd. Twee verzoeken om overkomst van pastoor Cunretorff vallen op 13 en 17 aug.. Voor beide laatste data zijn er dus al moeilijkheden rond Van Plo. De stijl van de ongedateerde

[pag. 31]

brief is mild vergeleken met latere brieven aan pastoor Cunretorff. De verhouding met vice-cureit Van Plo verslechterd in september aanzienlijk. De ongedateerde brief moet dus geschreven zijn voor die tijd, ergens half augustus. Tot dat tijdstip wordt er blijkens deze brief in de H.G. Gasthuiskerk door rector Holstech nog gepreekt. Het kritisch spreken van de raad over deze prediking doet vermoeden dat er in de diensten vande rector toch liturgische en dogmatische afwijkingen te bespeuren zijn. Dit ondanks de legale positie van de rector als prediker binnen de gevestigde katholieke kerk. Mogelijk verzamelde zich in de H.G. Gasthuiskerk een gehoor dat door deze nieuwe wijze van prediken werd aangetrokken. Onder het gehoor van rector Holstech zal zich m.n. het gezelschap bevonden hebben dat op 3 sept. 1566 het verzoek tot de raad richtte ter verkrijging van een kerkgebouw voor diensten naar de Augsburgsche Confessie. Er dreigt een conflict te ontstaan tussen Van Plo en de magistraat. Terwijl de vice-cureit als streng katholiek de prediking van Holstech verboden wil hebben, gaat de raad niet verder dan een waarschuwing aan het adres van de rector. In sept. verslechtert de verhouding tssen de raad en de vice-cureit. Twee documenten bewijzen dit. Het gaat om een ongedateerde brief van Van Plo aan het stadsbestuur en om een gedateerde brief -9 sept 1567- van de raad aan pastoor Cunretorff. Beide stukken gaan over dezelfde materie:
Volgens de vice-cureit heeft een “Godtlose ketter” in het pesthuis het sacrament, ook na herhaalde aandrang, uit zijn handen geweigerd. De vader van de zieke ketter heeft toediening van het sacrament aan zijn zoon evenmin nodig geacht. Zelfs toen raadsleden hem hierover op het pesthuis hebben aangesproken, is deze bij zijn weigering gebleven. De ketter is gestorven. Nu weigert de vice-cureit hem een begrafenis op het kerkhof. De “hontz vuijlick” mag van de vice-cureit zelfs niet privé worden begraven, iets waartoe de vader de raad heeft verzocht. Ketters horen volgens Van Plo “mijtt den hangdieff under die galge” of op plaatsen “daer men vuijlicken sleppt” te worden

[pag. 32]

begraven. Zover wil de raad echter niet gaan. Ze wijst een stuk grond aan bij “sijnt Gertruit”. De vice-cureit weigert echter dit toe te staan. Maar tegen Van Plo’s wil wordt de jongen daar toch begraven. De vice-cureit eist dat de raad aan “den ghenen die die vuylick daer int ghemein Godtzhuis plaetz bracht hebben, bevel doet datt sij die weder van dan maeken off dat die Ersamen Raeth sich willen vueghen inder boven kercken ende horen mijtt watth worden datt Ick doe der stat van Campen goeden nacht seggen sal”. Het slot van deze brief aan de raad is een ultimatum: “Hier op wacht ick antwort, eer ick upten predick stuel gaen will”. Uit de brief van de raad aan pastoor Cunretorff blijkt dat de jongen 22 of 23 jaar oud is. Het is de zoon van Henrick Smit. De begrafenis vond op zaterdag plaats buiten de stad, op een ongewijde plaats bij het St. Cathrinenkerkhof. Daar deponeren de mensen van het gasthuis “hoer mes, ia oick hoere affgesturvene beesten”. Per schuit is het lichaam over de IJssel vervoerd “ende verworpentlicken sonder eenige funebri pompa oft sepultura honore” ( 11 [11. begrafenisstoet of begrafeniseer.]) die zaterdagmiddag begraven. Ondanks zijn ultimatum heeft Van Plo zijn sermoen toch gehouden. De raad houdt pastoor Cunretorff voor dat zijn vice-cureit waarschijnlijk in de zin heeft uit Kampen te vertrekken. De raad klaagt dat Van Plo hen veel last bezorgt.
Eind okt. schrijft de raad opnieuw aan Cunretorff. Twee brieven worden er geschreven; op 27 okt één en tussen 27 okt. en 8 nov. ook één, de laatste ongedateerd. Op 27 okt. klaagt de raad opnieuw over Van Plo’s gedrag op de stoel. Zeer velen krijgen een afkeer van zijn sermoenen. Deze zijn doorspekt met scheldpartijen. De burgerlijke eendracht komt in geding. De raad wil de vice-cureit kwijt. In de ongedateerde brief staan zaken die ook aan de orde komen in een gesprek dat raadsdeputaten met pastoor Cunretorff hebben gehad. De vice-cureit zou een deel van de raad als halve ketters bestempeld hebben, omdat die z.i. er de oorzaak van zijn dat er geen verbod komt op het wandelen in de kerken. Als dit verbod er niet komt, zal Van Plo de hogere overheid inlichten. In één van zijn preken

[pag. 33]

heeft hij de raad gewezen op haar oodracht te zorgen “dat die luijden in die Christelicke religie geholden worden”. Daarbij houdt de vice-cureit haar voor dat ettelijke personen in geen zes of zeven jaar aan het heilig sacrament hebben deelgenomen. Opnieuw heeft Van Plo tegen het beleid van de raad in geweigerd een vrouw in gewijde aarde te laten begraven. Dit omdat ze het sacrament niet heeft ontvangen. De vrouw heeft echter als reden opgegeven dat ze vanwege een ruzie met haar kinderen nu het sacrament niet kan ontvangen. De vice-cureit verdenkt haar echter van ketterij en van het versmaden van het sacrament. De volgende dag roept Van Plo in de O.L.V.-kerk publiek uit dat er ten huize van Henrick Smit een vrouw gestorven is die het sacrament niet heeft willen ontvangen. Daarop verbood hij, staande aan de voet van het altaar, de aanwezigen de begrafenisplechtigheid bij te wonen op straffe van de ban en daging voor de officiaal te Deventer. De raad wil wegens te vrezen “inconvenienten ende commotien” in deze “turbulenten tijden” van de vice-cureit “mitten iersten”ontslagen worden. Want, zo stelt ze, “ons ghiene dinck in onse policie soe lijeffen is als rust ende gemeene eendracht onder onsen burgeren”. Zondag 9 nov. kondigt Van Plo in het sermoen zelf zijn vertrek aan. Hij houdt zijn toehoorders voor, dat, mochten er na zijn vertrek predikanten komen die het anders leren dan hij, de burgerij dan verplicht is deze nieuwlichters met hun aanhang de stad uit te jagen.
Het conflikt tussen vice-cureit Van Plo en de Kamper magistraat moet de positie van de gereformeerden nog meer in ongunstige zin hebben beïnvloed. Reeds eerder moesten zij de nauwelijks verkregen consessies weer prijsgeven. De pressie van Van Plo op het stadsbestuur zal deze nog minder toegevend hebben gemaakt t.a.v. hen die religieverandering voorstaan. Terwijl haar houding met de vice-cureit verslechterd, pakt de magistraat tegelijk het veronachtzamen van het heilig doopsel aan. In een publicatie

[pag. 34]

van 14 sept. worden alle ouders vermaand hun kind “te laeten kerstenen nae instettinge der hijlliger kercken”. Bij weigering volgt verbanning. Vroedvrouwen die zonder dit aan te geven, van deze weigering weet hebben, verliezen hun door de stad betaalde werk. ( 12 [12. O.A. 243, fol. 2 v., 3 r., 19 sept. 1567.]) De dag daaropvolgend grijpt de magistraat opnieuw in. Nu betreft het de conventikels. Vijf getuigen leggen een verklaring af tegen Joachim Messemaker. Uit deze getuigenverklaringen valt op te maken dat Joachim Messemaker op “St. Joannis onthoeffdingendach” tussen drie en vier uur “des naemiddaechs to S. Brigitten die preke uth was” in een conventikel gepreekt heeft. Deze samenkomst vond plaats in het huis van Derck Cockerts naast “Peter van Tolzendertshoff op den Vloetdijck”. ( 13 [13. Het pand is bewoond door Beernt Gaerman. Deze komt in de archiefstukken als iemand die op 1 dec. 1570 door de raad vermaand wordt zich bij de heilige kerk te voegen. In hem hebben we te doen met een trouw lid van de ondergrondse gemeente. St. Joannis onthoeffdingendach valt op 29 aug.]) Eén getuige hoorde dat er gelezen werd. Een andere getuigt dat Messemaker “van St. Pauwel” preekte. Een derde verklaart dat het ging over “dat onse Here mit sijn apostelen op den berch genck”. Terwijl Messemaker preekte, stonden deuren en vensters wijd open. Joachim stond bij een open deur. Op de deel stond nog een vrouw. Messemaker nodi de de mensen die voorbijkwamen uit om de preek te komen beluisteren. Zo sprak hij bijv. Marrijken, de weduwe van Gerret Budde aan: “Wilt ghijt hoeren, soe koempt hier in”. Hetzelfde zei hij tegen Geertruijdt Heijmans, Albert Backre en Elfken Wijnolt corvemakers’ huysvrouw. De laatste gaf hem echter als antwoord terug: “Als ik preke hoeren wil, soe wil ick inder kercken gaen; calt ghijt uwe, wij kallent onse”. Van Frans vander Koerbek kreeg Joachim Messemaker te horen: “Went ick preke hoeren wil, soe bint daer kercken toe geordineert; sint ghij mall”. ( 14 [14. O.A. 2260, 20 sept. 1567.])
Reeds eerder, op 9 mei 1562 wordt de naam van Joachim Messemaker genoemd i.v.m. het bezoek aan conventikels. Nu, ruim 5 jaar later, wordt hij zelfs als voorganger van zo’n geheime samenkomst genoemd. Van een berechting horen we echter niets. Toch zal de raad over dit conventikelbezoek niet tevreden zijn geweest. Zeker niet met de streng katholieke vice-cureit binnen de stadsmuren. Overigens laat ook de minder strenge pastoor Cunretorff op 17 november aan een raadsdeputatie weten dat de raad

[pag. 35]

er vooral op moet toezien dat “sie ghiene conventicula en hielden”. ( 15 [15. O.A. 225, 17 nov. 1567.])
Uit het getuigenverslag van het conventikel op de Vloeddijk, blijkt dat de ondergrondse gemeente nog wel degelijk bestaat. Zelfs valt uit het gedrag van Joachim Messemaker van een zekere vrijmoedigheid naar buiten toe te spreken. De reactie van voorbijgangers laat echter zien hoe onrijp de situatie nog is.
De naam van Messemaker komt enige tijd later opnieuw in de stukken terug. Het is 30 december 1567. De vrouw van Joachim is aestorven. Kort tevoren heeft ze geweigerd de priesterbiecht en het sacrament te ontvangen. Terwijl ze boven aarde staat, wordt Joachim op het stadhuis ontboden. De raad staat niet toe dat ze in gewijde aarde wordt begraven. Joachim moet zich verantwoorden. De raad vraagt hem waarom hij de eerdere waarschuwingen om zich samen met zijn vrouw “mit der hilliger katholickscher kercken gemeess to holden” in de wind heeft geslagen. Joachim antwoordt dat hij van “tgene hij desfals gedaen hadde hiernaemaels voer sijnen Godt solde moeten reden geven”. Op de vraag van de burgemeester waarom zijn vrouw de priesterbiecht niet wenste, zegt Messemaker: “sie heft sich tegen Godt Almachtich gebijchtet ende voer Hem hoere sonden bekandt”. Tenslotte vraagt de burgemeester hem of zijn vrouw het heilig sacrament heeft ontvangen. Joachim vraagt hem daarop terug “oft daer een ander sacrament weere dan dat bitter lijden Christi, daer weer sijn huysfrouwe wel mede toe vreden gewest”. Namens de raad zegt de burgemeester Joachim Messemaker nu aan dat zijn vrouw niet in gewijde aarde begraven zal mogen worden. Haar wordt een stuk grond bij het St. Catharinekerkhof toegewezen. Als hij dit liever heeft, mag hij zijn vrouw ook ergens in het open veld of langs een dijk begraven. Over zijn persoon zal de raad zich nog nader beraden, zo wordt hem tenslottte meegedeeld. ( 16 [16. O.A. 2260, blz. 6, 30 dec. 1567.])

Het stuk grond bij het St. Catharinekerkhof wordt nader aangeduid als de plaats “daer henrick Smits kijnderen” liggen. Dit ‘kijnderen’ is of een schrijffout of het betekent dat er sinds de begrafenis van de 22-jarige zoon van Smits (cf de brief van de raad aan

[pag. 36]

pastoor Cunretorff inzake het conflict met vice-cureit Van Plo, d.d. 9 sept 1567) nog één of meer van diens kinderen op deze ongewijde plaats begraven zijn. Een schrijffout lijkt hier onwaarschijnlijk. Voor de ‘afvalligen’ is dan dus een nood-kerkhofje buiten de stad ontstaan. Wie daar begraven worden, blijven verschoppelingen aan wie elke vorm van “sepulura honore” onthouden wordt. Zo weinig eervol is deze plaats dat een begrafenis aldaar voor het stadsbestuur gelijk staat met het begraven ergens in het open veld of langs een dijk.

Het conflict tussen vice-cureit Van Plo en de magistraat heeft ook voor de positie van rector Holstech gevolgen. Reeds werd hierboven, pag. 30 en 31, vermeld dat n.a.v. de kritiek van Van Plo op Holstech’s prediking de laatste half augustus door een raadsdeputatie gewaarschuwd wordt. Sinds half augustus heeft de rector niet meer in de H.G. kerk gepreekt. Na de toestemming tot sacramentsuitdeling sub utraque specie binnenshuis op 3 sept. 1566 en het weer intrekken daarvan op 21 mei 1567, is Holstech sinds half augustus als prediker uitgeschakeld.
Maar ook zijn positie als rector wankelt. Het verblijf in de stad wordt riskant voor hem. Holstech vertrekt (vlucht?) uit Kampen. Terwijl hij buiten de stadsmuren verkeert, richt hij een schrijven aan de raad. De inhoud van dit schrijven is een supplicatie, hoogstwaarschijnlijk een verzoek om terugkeer. Op 7 sept. gaat een vijf man sterke stadsdeputatie naar Grafhorst. Daar vindt een ontmoeting plaats met de rector. Gesproken wordt over diens supplicatie. ( 17 [17. O.A. 441, bodelonen, 7 sept. 1567.])

S. Elte, Kampen van rooms-katholiek tot calvinistisch, blz. 114, 115, geeft een verslag van de inhoud van dit gesprek. De bron voor dit verslag vermelt hij echter niet. Tot nu toe is deze bron, ook na gedegen onderzoek van de huidige archivaris drs. D. van der Vlis, niet gevonden. Door Loosjes (Biographisch Woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland, IV, 179-182) wordt gesteld dat Holstech zich na zijn vlucht naar Grafhorst begaf. Vandaar heeft hij een schriftelijk verzoek tot de raad gericht. Loosjes baseert zich op informatie van de toenmalige archivaris Mej. C.J. Welcker

[pag. 37]

In haar brief van 25 nov. 1925 aan Loosjes geeft zij echter geen bronvermelding van het gegeven dat Holstech in Grafhorst wóónde, (cf. ingekomen stukken en minuten van uitgegane brieven van de archiefdienst gemeente Kampen, d.d. 25 nov. 1925). Ook Knipscheer vermeldt dat Holstech naar Grafhorst vluchtte. (Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, VIII, blz. 799, 780). Uit de ons beschikbare bron valt echter niet meer af te leiden dan dat er in Grafhorst een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen Holstech en de Kamper raadsdeputatie. Dat Holstech in Grafhorst zijn vaste verblijfplaats had, is niet te baseren op deze bron: “Item op den 7en Septembris sinnen die Eersamen Henrick de Wolffs ende Arent tho Boecop uth bevel des Eersamen Raedes mit een Secretaris ende twee dieners mit een gehuirden waegen gevaeren to Graffhorst daer die Rectoer Mr. Gaspar Holstech bijden voerscreven gesanten gekomen is. Dewelcke voerts mit hem gecommuniceert ende versproken hebben op alsulcken breef oder Supplicatie als hij den Eersamen Raedt hadde doen overgeven. Heft gecost in pensien ende waegenhuir 2 herenponden en 8 stuivers”. Het gaat hier om een trefpunt vlak buiten het Kamper stedelijk gebied waar beide partijen zich naar toe begeven. Hoogstwaarschijnlijk zal dit een herberg zijn geweest. De raadsdeputatie begeeft zich vanuit Kampen naar dit afgesproken trefpunt. Maar ook Holstech kan zich van willekeurig elk punt in de omtrek van de stad naar dit gemeenschappelijk trefpunt hebben begeven.

In verband met de positie van rector Holstech is nog een ander gegeven van belang. De naam van de rector komt op 21 jan. 1568 ter sprake tijdens een zitting van de kerkelijke rechtbank te Deventer. ( 18 [18. O.A. 2252, 21 jan. 1568.]) Op die datum treedt Van Plo, tot nov. 1567 vice-cureit van Kampen, samen met vicaris Tijman Hermanss. als getuige op. Ten overstaan van de officiaal bevestigt Van Plo o.m. het volgende:
Toen hij nog vice-cureit was, heeft Van Plo samen met de vicaris in de pastorie een gesprek gehad met een zekere Mr. Kijrijn. Tijdens dit gesprek kwam naar voren dat Kuijrijn kort tevoren zich in een schip bevond waarin ook “heer Jasper,

[pag. 38]

Rectoer gewest tot Campen” zich bevond. Vlak bij de stad gekomen had de rector tegen Mr. Kijrijn gezegd dat de burgemeesters geen goed beheer over de stadsgronden voerden en dat ze, “wijnsuipers” als ze waren, de inkomsten daarvan “versuipen”. Verder had Mr. Kuijrijn verteld dat de rector “voele onnutte blasplemijsche woerden hadde gesproken op het Sacrament des Nachtmaels Christi”. De rector heeft zich ook t.o. Mr. Kuijrijn beklaagd over de wijze waarop de magistraat hem behandeld heeft: “See hadden hem bevolen, hij solde preken wat hem guet duchte, see solden hem vrijen ende hebben hem daer schrijft off gegeven, dwelcke sij naderhandt mit lijsticheit hem weer affhandich gemaect hebben”. De rector doelt hier kennelijk op de hem verleende toestemming tot uitdeling sub utraque specie van 3 sept. 1566 en het weer intrekken daarvan op 21 mei 1567. Tenslotte deelt de vroegere vice-cureit de officiaal mee dat Kuijrijn tijdens het gesprek in de pastorie er bij hem op had aangedrongen de raad aan te zeggen “dat see sulcken immers in der Scholen niet en heelden”. Mr. Kuijrijn heeft volgens beide getuigen hen van de door de rector gesproken woorden op de hoogte gesteld “omdat sij dat den Raedt solden angeven dat see hem niet solden annemen inder Scholen”.
Op het moment dat Kuijrijn in de pastorie het gesprek voert met Van Plo, is de rector reeds niet meer in stadsdienst werkzaam. Van Plo is nog vicecureit. Blijkens het stuk is het voorval te dateren voor 13 okt. 1567. Reeds geruime tijd daarvoor moet de raad voor de beslissing hebben gestaan of ze de rector opnieuw “solden anne men inder Scholen”, want diverse details zijn de getuigen reeds ontschoten. Terwijl de raad herbenoeming in overweging heeft, probeert Mr. Kuijrijn via zijn gesprek in de pastorie de raad dus tot een afwijzende beslissing te bewegen. Opposanten zien de terugkeer van Holstech als rector als een reeël gevaar. Ze willen dit nl. voorkomen. De overweging van de raad tot zijn terugkeer houdt in dat er na de vlucht van Holstech over dit punt over en weer kontakt moet zijn geweest. Dit kontakt valt voor het bewuste gesprek in het schip. Hierboven is reeds vermeld dat op 7 sept. een ontmoeting tussen een

[pag. 39]

raadsdeputatie en Holstech heeft plaatsgehad. Daarin kwam een schriftelijk verzoek van de voormalige rector ter sprake. In het licht van het getuigenverslag hierboven, valt de inhoud van de supplicatie met vrijwel sluitende zekerheid aan te geven als een verzoek om te mogen terugkeren naar de stad om er het afgebroken werk weer voort te kunnen zetten.
Of de informatie van Mr Kuijrijn veel heeft bijgedragen in de besluitvorming van de raad, is niet duidelijk. Maar wel is het zo dat op 7 okt., vier weken na het gesprek in Grafhorst, Holstech definitief als rector is uitgeschakeld. Nog geen twee maaanden na de publieke beschuldiging tegen Holstech door vice-cureit Van Plo, wordt de rector vervangen. Op 7 okt. wordt er door de raad een opvolger benoemd. De benoemingsvoorwaarden zijn op een veelbetekenend punt uitgebreid: “Item sall goede trouwe neerstige opsciht draegen up die Schoele, omme die jongens in goed gottlicke catholicksche leringe … te instrueren”. Tevens treft men in het stuk de zinsnede aan: “om alle olde ceremonien ende goede gebruicken der hilligen kercken to laten geschien”. ( 19 [19. O.A. 306, fol. 187, 7 okt. 1567.])
Als gevolg van het vertrek van de rector, zit de gemeente die in de H.G. gasthuiskerk gewoon was zijn prediking te beluisteren, vanaf half augustus zonder hun predikant. Mogelijk is door het vertrek van Holstech het conventikelbezoek weer toegenomen. De raad zal op deze geheime samenkomsten extra attent zijn geweest. Kort na het vertrek van de rector wordt op 29 aug. een conventikel ontdekt. Voorganger daarin blijkt -zoals we reeds zagen- Joachim Messemaker. In hem heeft het gezelschap dat de nieuwe leer is toegedaan een geestelijk leider gevonden na het vertrek van Holstech.
Terwijl het conventikelbezoek dus doorgaat, verstommen in de H.G. kerk de nieuwe geluiden. Op 20 nov. 1567 wordt tot het preken en het opdragen van de mis in deze kerk benoemd een zekere heer Henrijck Henrijcksz. De raad omschrijft hem als “een gueth catholijcxk priester der hilliger christlijcke roemsche kercke”. ( 20 [20. O.A. 306, fol. 207, 20 nov. 1567.])
De Heilige Geest kerk is door heer Henrijcks ‘overgenomen’ en op de school heeft een voluit katholieke rector de leiding. Onder die omstandigheden ontvangt Caspar Hol-

[pag. 40]

stech op 13 maart 1568 een schriftelijk getuigenis van de Kamper magistraat. Kennelijk heeft hij voor een nieuwe werkkring dit getuigenis nodig. Het stadsbestuur verklaart “dat die Eerbare ende welgheleerde heer Meijster Caspar Holstech den tijt van omtrent ses Jaeren lanck continuelicken alhier bij ons als een Rectoer der Schole binnen deser Stadt Campen gedient heft ende deselvighe deuchtlick ende wel … geregiert, waergenomen ende geadministreert heft’. ( 21 [21. O.A. 225, 13 maart 1568.]) In het licht van het bovenverhaalde heeft deze verklaring toch wel een wrange bijsmaak. En als op 9 okt. 1568 door de magistraat een nieuwe misdienaar voor het H.G. gasthuis wordt benoemd, wordt aan Holstech niet gedacht. Johan Glauwe zal er het sacrament gaan “administreren”. Niet Holstech, maar hij zal er de kinderen “kerstenen” en er preken. ( 22 [22. O.A. 306, 9 okt. 1568.])
Het proces Peter Warnersz. lijkt zich een jaar na diens verbanning te zullen gaan herhalen. Zijn zoon, Berent Peters Warnersz. wordt dan beschuldigd van het drukken van een drietal pamfletten met geuzeliederen. De raadsman van de koning brengt deze zaak in Kampen op gang. Maar reeds de volgende dag, 9 dec. 1567, weet Berent zich vrij te pleiten. Zijn lettertypen verschillen van de drukletters die voor de liederen zijn gebruikt. Met een waarschuwing om ook in de toekomst iets dergelijks niet te ondernemen, laat de raad hem weer gaan. ( 23 [23. O.A. 2259, 9 dec. 1567.])
In 1568 begint de 80-jarige oorlog. Alva trekt, na zijn strafexpeditie tegen de beeldenstormers, naar Heiligerlee. Lodewijk van Nassau wordt verslagen. Op de terugtocht brengt Alva een bezoek aan Kampen. Daar weet men intussen wat men aan de hertog heeft. Want op 25 febr. 1568 stuurt deze de heer Grousbeeck naar de stad. Namens Alva deelt Grousbeeck mee dat in veel steden in het verleden troebelen zijn ontstaan door een beleidsfout van de magistraten: “Ende dat sulx groet deels oersake gewest were dat in denselven Steden die nijewichheden ende oproerten der religion halven to balder opgestaen sijn”. Alva acht het nodig dat in Zwolle, Deventer en ook in Kampen de raad zo wordt gewijzigd dat daarin alleen zij zitting hebben “die men opentlick wust goede oprechtige ende catholische personen te wesen”. Groysbeeck heeft tevens horen verluiden “dat voele utheemsche sectarisen ende andere verdrevene sich binnen

[pag. 41]

Campen nederslaen solden”. Mocht dit waar zijn, dan zou de stad gevaar lopen bij de koning in ongenade te vallen. De raad ontkent deze verdachtmaking echter. ( 24 [24. O.A. 2513, blz. 377, 378, 25 febr. 1568.]) Drie dagen later gaat er een brief uit naar heer Groysbeeck. Alva wordt daarin uitgebreid ingelicht over de stand van zaken op het punt van de godsdienst. In de turbulente tijd zijn volgens de magistraat in Kampen “giene beelden, altaeren, kercken, cloosteren oft eenige andere Goedshuysen gebroecken, beroeft, verdorven noch in eenigerwijse beschediget. Ook is geen geestelijke “in eenigere manieren behindert oft gemolesteert”. En “Alle Godtsdiensten ende olde gewoentelicke ceremonien nae insettinge der hilliger Catholischer kerken” zijn tot nu toe steeds onderhouden “sonder eenighe vernijewijnge”. ( 25 [25. O.A. 225, blz. 29, 28 febr. 1568.])
Alva kan dus tevreden wezen over Kampen. Mochten er toch nog beeldenstormers uit andere plaatsen Kampen zijn binnengekomen, na 6 maart is de stad voor hen verboden gebied. Per publicatie laat de raad hen dit weten. Wie hen herbergt, wordt gestraft. ( 26 [26. O.A. 243, fol. 6 v., 6 maart 1568. Dit verbod wordt herhaald op 27 maart 1569. O.A. 243, fol. 12 r..])
De stad sluit zich aan bij de richtlijn van de landdag die op bevel van de stadhouder tot een strakker toezicht op de vreemdelingen overgaat. Op 7 mei 1568 laat de raad aan heer Groysbeeck weten dat vreemdelingen bij ede moeten verklaren dat ze geduurende de tijd van hun verblijf “ghiene conventiculen holden”. ( 27 [27. O.A. 2513, blz. 396, O.A. 225, blz. 38, 7 mei 1568.]) Het jaar 1568 dwingt de gereformeerden wel heel ondergronds te leven.
Alva heeft de rust in het noorden hersteld. Zijn krijgsvolk legert hij in diverse steden. Zo ontvangt Deventer drie vendels. Zwolle twee en Kampen één. In Kampen wordt op 1 aug. door de stedelijke regering eenparig besloten het vendel in te nemen. ( 28 [28. O.A. 22, blz. 71, 1 aug. 1568.]) Nog geen week later, 6 aug., verschijnt Alva zelf met zijn gevolg in de stad. De raad verzoekt hem, wegens armoede der burgerij, z.s.m. dit vendel weer uit de stad weg te halen. Heer Naircarmes die met Alva is meegekomen, bemiddelt hierbij. De hertog stemt in met het verzoek. Heer Naircarmes laat de burgemeester weten dat hij tot bemiddeling bereid is geweest wetende die guede voersichte ende debvoiren die geschiet binnen in de voerseiden Stadt durende den troubelen omme te beletten die prediken ende vernielingen der kercken”. ( 29 [29. O.A. 2513, 5 en 6 aug. 1568.]) Kampen staat dus bij hem en bij Alva wat godsdienstig standpunt betreft, blijkbaar

[pag. 42]

niet slecht aangeschreven.
Heer Groysbeeck eist dat het stadsbestuur zijn bevelschrift uitvoert, om “allen den Prenters ende boeckverkopers binnen desser Stadt opt vlitichste doen ondervragen ende hoer druckerien ondersoecken oft sie oyck eenige derselver famose libellen oft boecxkens gedruckt, gekoft, offte verkoft hadden”. Dit bevel valt rond 26 nov. 1568. Op die datum laat de stad hem weten dat ze zijn bevelschrift heeft uitgevoerd. De magistraat heeft bij de drukkers niets ongeregeld kunnen bespeuren. ( 30 [30. O.A. 225, blz. 101, 26 nov. 1568.])
Dat de raad in 1568 een strak beleid voert t.a.v. afwijkingen op godsdienstig gebied, blijkt bijv. op 19 april. Op die datum wordt Laurenz Jansz. van Alckmaer met vrouw en kinderen verbannen. Voor het gerecht gedaagd, wilde hij “ghien eijntlick antwoort” geven op de vraag waar zijn pasgeboren kind gedoopt was. Op grond van een publicatie d.d. 14 sept. 1567 wil het stadsbestuur hem niet langer in de stad “lijden”. Hij moet binnen drie dagen verdwenen zijn.
Nadat vice-cureit Van Plo in nov. 1567 Kampen had verlaten, zat Kampen zonder onderpastoor. Begin 1568, op 8 febr., is ook de enige kapelaan vertrokken. Twee jaar lang zit de stad zonder geestelijke leiding. Diverse personen worden door het stadsbestuur aangezocht, maar allen bedanken. Tenslotte verbindt zich als vice-cureit aan de stad Michael Hetsroey uit Leuven. Het is dan reeds 3 nov 1569 geworden. ( 31 [31. O.A. 225, 3 nov. 1569.])
Ook Hetsroey ontdekt, net als zijn voorganger Van Plo, dat diverse personen hun kerkelijke pichten niet nakomen. Meer dan zijn voorganger heeft Hetsroey voor terechtwijzing de tijdsomstandigheden mee. Moest Van Plo zijn werk doen in de onrustige periode kort na 1566, Hetsroey kan uitgaan van de politieke en godsdienstige stabilisatie door Alva bewerkt. De Kamper magistraat is “de olde catholixsche religion toegedaen”. Met meer takt dan Van Plo weet Hetsroey de magistraat voor zijn streven in te schakelen. Hij schrijft op 27 april 1570 een brief aan de raad. Daarin geeft hij “claegelicken” te kennen dat diverse burgers van de katholieke kerk vervreemd zijn. Dit blijkt z.i. uit de volgende feiten: sommigen laten hun kinderen niet dopen. Anderen ver-

[pag. 43]

smaden het heilig sacrament. Weer anderen weigeren hun huwelijk kerkelijk te laten bevestigen. Ook zijn er die nooit meer naar de kerk komen. Ondanks zijn vriendelijk vermaan blijven velen “evenwel volhardich, rebel ende obstinaet in haer opinien ende dwalinghen tot vercleijnonghe der Hilliger Chrijstelijker ende Catholijker kercken”. Hetsroey vraagt de raad nu om steun opdat “die verdoelde schapen wederomme op den rechten wech gebracht moegen worden ende tegens die rebellen ende wederspanningen andere remedie gesocht moegen worden, soe U. Edelen bevijden sullen …”. Onder de copie van de brief staat te lezen dat een raadsdeputatie met de vice-cureit hierover zal gaan spreken. ( 32 [32. O.A. 2262, blad 12, 27 april 1570.]) Een goede week later begeven zich twee burgemeesters en twee raadsleden naar de pastorie. Ze nemen kennis van de volgende probleemgevallen: Johan Budde en Trude van Pachbergen hebben ieder een “ongekerstend kijnt”. Henrick van Kecklinckhusen heeft op bed liggend het altaarsacrament geweigerd. Ook met pasen heeft hij niet gecommuniceerd. Evenmin hebben Gijsbert van Bronckhorst en Henrick Smit dit gedaan. Verder moeten ook vermaand worden Alijdt Ronnewagens, Lucas Schroer en Joachim Messemaker.

Henrick Smit weigerde op 9 sept 1567 het sacrament voor zijn stervende zoon. Zijn kinderen liggen buiten de stadspoort in ongewijde aarde begraven. In de persoon van Henrick Smit hebben we dus te doen met iemand die reeds 2½ jaar afwijzend staat t.o. het altaarsacrament.
Alijdt Ronnewagens en Lucas Schroer worden op 9 mei 1562 reeds als conventikelbezoekers door de raad vermaand. Tevens wordt dan Joachim Messemaker met zijn vrouw gewaarschuwd. Joachim gaat 20 sept. 1567 in een conventikel als prediker voor. De raad daagt hem 30 dec. 1567 n.a.v. de weigering van zijn vrouw om op haar sterfbed het altaarsacrament en de biecht te ontvangen. Ze wordt buiten de stad in ongewijde aarde begraven. De raad zou zich over Messemaker nog nader beraden. Op dit moment, 27 april 1570, bevindt hij zich dus nog in de stad. Na acht jaar heeft hij zich nog steeds niet aan de katholieke kerk willen conformeren.

Verder komt de raad van vice-cureit Hetsroey te weten dat

[pag. 44]

de heilige echt niet is verzocht door Henrick Joessen en Alijdt Ravens, door Johan Gerrytsz en Marrijken Jans, door Peter Bartoltsz, Lubbert Henricksen, Maessen Brantsen en Wijcker Geertssen. Verder komen niet in de kerk Trijne, een weduwe met drie kinderen, een Hollandse vrouw, andere Hollanders, Luytgen Lubbers, Jacob Janssen. In de loop van mei 1570 worden al deze personen door de raad aangemaand zich te houden aan hun kerkelijke plichten. Wie zich niet conformeerd, wil de raad “alhier nijet lijden”. ( 33 [33. O.A. 2262, blad 14, 5 mei 1570; blad 17 en 18, mei 1570.])
Joachim Messemaker en Alijdt Ronnewagens worden op 1 en 2 dec. 1570 opnieuw vermaand, samen met Lucas Schroer en zijn vrouw. Bovendien worden nu nog twee vroegere conventikelgangers gewaarschuwd: Hillecken Vrancke en haar dochter. Eenzelfde boodschap wordt door de raad aan de broer van Berent Gaerman meegegeven; (Berent zelf kan wegens ziekte niet op het stadhuis verschijnen). Om dezelfde reden wordt ook nog Cornelijs Wijbrants op het stadhuis ontboden. ( 34 [34. O.A. 2262, blad 13, 1 en 2 mei 1570.])

Hillecken Vrancke en haar dochter hebben acht jaar tevoren, in mei 1562, eveneens een conventikel bezocht. Daarop volgde toen een berisping.
Berent Gaerman wordt drie jaar eerder, op 20 sept 1567, genoemd i.v.m. het conventikel waarin Joachim Messemaker voorging. Deze geheime bijeenkomst vond plaats in het pand door Berent Gaerman bewoond.

Niet alleen van de zijde van de vice-cureit bereikt de raad het verzoek om een aktief beleid inzake de godsdienst. Tegen het eind van 1570, 23 december, wordt de raad nl. ook door de hoge geestelijkheid gewezen op haar taak. Vanuit Deventer vraagt bisschop Egidius de Monte de Kamper magistraat het koninklijk plakkaat van 9 maart 1559 nog eens te publiceren. Dit acht de geestelijke zeer noodzakelijk. Verder wil hij dat het plakkaat “scherpelijck gheexecuteert (wordt) op dat die religie ende devotie wederom mocht floreren”. Bij verzuim zal de bisschop de koning inlichten. Hij klaagt over “die armoede van U ghemeijnte bij ghebreck van comenscap tot beswaringe van die arme geestelijcheijt”. ( 35 [35. O.A. 95, 23 dec. 1570.])
De gezamenlijke druk van de bisschop en van de vice-cureit op de raad werkt zich o.m. uit in waarschuwingen aan het adres van de conventikelgangers. Deze krijgen in 1570 hierdoor nog minder mogelijkheden dan voorheen.

[pag. 45]

Ook t.a.v. verboden boeken wordt de houding van de magistraat strakker. Op 30 april 1570 wordt in de stad een koninklijk plakkaat gepubliceerd waarin staat dat binnen drie maanden “gereprobieerde ende verboedene boecken verbrandt” zullen moeten worden. ( 36 [36. O.A. 243, fol. 15, 16 v..]) Deze publicatie vindt in alle drie de IJsselsteden op hetzelfde tijdstip plaats. ( 37 [37. O.A. 2514, blz. 76, 27 mei 1570.]) Direkte oorzaak is het bevel van de koning die de index pugatoris van het concilie van Trente voor zijn landen van kracht heeft verklaard. Op 19 dec. bericht de raad aan Alva dat het koninklijk plakkaat gepubliceerd is en dat “etlicke cloesteren, voerts priesteren ende andere onse burgeren hoere boecken die alnoch toe purgeren staen an ons over gelevert” hebben. ( 38 [38. O.A. 225, blz. 214, 19 dec. 1570.])
De lijst van ter beoordeling ingeleverde boeken is indrukwekkend. ( 39 [39. O.A. 2261.]) Een dertigtal grotere en kleinere bibliotheken zijn in deze zuiveringsactie betrokken. Daaronder vallen o.a. drie kloosterbibliotheken, de bibliotheek van pastoor Hetsroey, die van de drukkerij van de verbannen Peter Warnersz en die van diens zoon Berendt Petersz, de bibliotheken van de raadsleden Arent to Boecop en Conraedt van der Vecht. Een bestudering van deze lijsten is een onderwerp op zich. ( 40 [40. Er zou een vergelijking te maken zijn van deze lijsten met een boekenlijst van kort na de reformatie. O.A. 23, anno 1593, geeft inzage in een predikantsbibliotheek van kort na de reformatie. De stedelijke overheid betaalt dan nl. zelft de boeken. Auteurs zijn dan o.m. Beza, Bullinger, Calvijn, Ursinus en Zanchius.]) Daarom hier slechts een enkele opmerking. Het aantal boeken door Erasmus geschreven, bewerkt of ingeleid, is buitengewoon hoog. Zo’n 180 exemplaren van zijn hand worden vrijwel over al de bibliotheken verspreid, aangetroffen. Ook de auteur Theofylactus komt veel voor. Verder worden als schrijvers o.a. de volgende namen vermeld: Ambrosius, Athanasius, Augustinus, Cato, Ovidius, Chrysostoraos, Cicero, Cyprianus, Eusebius, Hieronymus, Josephus, Gregorius van Nazianze, Basilius, Oecolampadius, Origenis, Andreus Osiander, Ovidius, Schoepperus, Faber Stapulensis, Tauler, Vergilius, Ruffinus .
Uiteraard zullen niet die boeken ter beoordeling worden ingeleverd waarvan de bezitters zeker weten dat ze als ketters worden aangemerkt. De werkelijk suspecte boeken worden, zo ze aanwezig zijn, achter gehouden.
In 1571 heeft Alva opnieuw troepen in de stad gelegerd. De stad beklaagt zich hierover bij de president van de Raad van Staten, bij Berlaymont en bij de stadhouder. ( 41 [41. O.A. 225, 27 april, resp. 10 mei 1571.]) De raad motiveert dit verzoek door te herinneren aan het feit dat ze “oick in tijden der verledenen turbulen gantz ghiene

[pag. 46]

innovatie van predicatie oft andere dergelijcke” heeft toegestaan. “Dan dat wij allen vlijt angewendet hebben om alle nijewicheit toe beletten”.
Ondertussen blijft ook in 1571 de groep conventikelgangers actief. De raad sommeert hen op 13 sept. zich binnen acht dagen bij de kerk te voegen. Gebeurt dat niet, dan zal de stad tegen hen procederen. ( 42 [42. O.A. 2262, blad 19.]) Opnieuw worden personen vermaand die reeds eerder in dit verband ter sprake kwamen: Mattheus Schroer en zijn vrouw, Evert Schroer. De laatste bezoekt reeds vanaf 9 mei 1562 -bijna tien jaar lang dus- conventikels. Ook de naam van de dochter van Hilleken Vrancke komen we tegen. Waarschuwingen gaan verder uit naar “die koeckenbacker, Willem op die bleecke ende zijn huisvrouw, Reiner glasemakre, Berent Rotghers. Van een proces tegen één van hen lezen we echter niets. Wel wordt op 12 april 1572 een dergelijke waarschuwing door het stadsbestuur gericht tot Johan Eckelboom, Gruythuys en opnieuw tot Cornelys Wybrants. ( 43 [43. O.A. 2262, blad 13, 12 april 1572. Cornelis Wijbrants werd reeds eerder vermaand op 2 dec. 1570.])

Category(s): Geen categorie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *