Hoofdstuk 5. Het succes van de protestantisering in het Land van Vollenhove


V HET SUCCES VAN DE PROTESTANTISERING IN HET LAND VAN VOLLENHOVE

Van een bevolking die zo geleden had onder het militaire geweld van de jaren tachtig van de zestiende eeuw kan niet worden verwacht dat zij het vertrouwen stelde in de Staatse partij, die zij als veroorzaker van onheil en Verwoesting zal hebben gezien. Het gereformeerde Christendom zal in dit wantrouwen hebben gedeeld. Het vertrouwen in het katholicisme laat Rogier afhangen van het zedelijke en wetenschappelijke peil van de laatste pastoor.(1 [1. L.J. Rogier a.w. 337.])
Op grond van latere cijfers is te concluderen dat op de duur de meerderheid van de bevolking van het Land van Vollenhove gewonnen is voor het protestantisme. In dit hoofdstuk rijst de vraag hoe de verhouding was tussen het protestantisme en het katholicisme in de jaren 1579-1609 en welke ontwikkeling er in deze tijd in de cijfers te zien is. Meetbaar is het succes van de protestantisering echter in geringe mate; de bevolking als geheel is buiten de acta van synode en classis gebleven en ons beeld van de houding van de bevolking wordt gevormd door wat vermeld wordt van de houding van enkelingen en groepen, voorzover deze representatief geacht kunnen worden. Cijfermateriaal is slechts van enkele gemeenten beschikbaar.
Weinig staatsgezind was de bevolking van het belegerde Steenwijk in 1580-1581; men had zich reeds verzet tegen de versterking van de bezetting en tijdens het beleg werkte men de verdediging eerder tegen dan dat men zich ervoor inspande. Slechts vijftig van de driehonderd weerbare burgers werden tot de staatsgezinde partij gerekend en het is duidelijk dat de anderen moeite hadden de ontberingen te dragen. Ook de magistraat was in meerderheid anti-Staats.(2 [2. S. Klijnsma a.w. 13, 14, 17, 26, 28, 30, 32, 36, 42, 65, 71, 89.])
De gezindheid van de plattelandsbevolking, die ten tijde van het beleg van Steenwijk door de Staatse bevelhebber Norritz als vijand behandeld werd en na het beleg bloot gesteld was aan de plundertochten van het Staatse garnizoen in Steenwijk, is waarschijnlijk niet anders geweest dan die van de bevolking van de aangrenzende Overijsselse en Drentse streken: de boeren van Mastenbroek kwamen in 1580 openlijk in opstand tegen het Staatse leger; Staphorster boeren vluchtten achter het Spaanse leger naar Lingen en Drentse boeren vluchtten in 1591 voor het Staatse leger naar Noordwest-Overijssel.(3 [3. S. Klijnsma a.w. 72. F.A. Ebbinge Wubben, “Geschiedkundige Herinneringen van Giethoorn”, Ov. Almanak (1837) 77. A.J.M. Arts, Het dubbelklooster Dikninge (Assen 1945) 200-204.])
De synode is zich bewust van de weerstand van de bevolking tegen de reformatie; in 1598 houdt zij rekening met “blawe uitluchten” om een predikant die door de classis werd gezonden niet te aanvaarden. Voortdurend wordt zij geconfronteerd met aanhankelijkheid aan het katholicisme.(4 [4. S.A. 244 art. 11, 1598. Zie hfd. 4.2 36, 37.]) Nog duidelijker was de weerklank die de “Jesuitische vaganten”, die vanaf 1609 vanuit Leeuwarden het Overijsselse platteland bezochten, vonden bij de plattelandsbevolking. Misschien dat de Jezuieten on-

|pag. 43|

_______________↑_______________

derdak en steun vonden op de havezate Oldhagensdorp in Vollenhove, waarvan de eigenaars katholiek waren.
In 1610 klaagde de synode voor het eerst over de Jezuïeten, maar al sinds 1598 hinderde haar het bezoek aan scholen waar Jezuïeten las gaven bultende provincie Overijssel.(5 [5. G.A. Meyer, Werkkring der Jezuïeten buiten Zwolle 121. S.A. 245 art. 15, 1598; 248 art. 5, 1600; 269 art. 10, 1604; 271 art. 5, 1606; 275 art. 9, 1607; 282 art. 4, 1610.])
Het langdurige hiaat in de katholieke zielszorg is in een deel van het land van Vollenhove begonnen in 1580 en rond 1600 was de geregelde katholieke eredienst overal verdwenenen. Het duurde tot 1609 voor er weer katholieke zielszorgers verschenen. Waarschijnlijk gold ook voor Vollenhove, wat voor Salland geschreven werd; “In deze periode zullen hier en daar landlieden ’s zondags bij de predikant ter kerke zijn gegaan. Meermalen toch verneemt men de klacht dat zij toch niet als heidenen, geheel zonder godsdienst konden leven, dat zij hun kinderen toch niet als vee, zonder God of gebod konden opvoeden”. Deze verlegenheid is waarschijnlijk dè reden geweest dat de reformatie slaagde.(6 [6. G.A. Meyer, Werkkring der Jezuïeten 120.])
De vijandschap van het niet-gereformeerde deel van de bevolking van Kuinre in 1597 tegen de predikant wordt door de synode niet in verband gebracht met katholieke Sympathieën, maar brengt wel een partij van niet-gereformeerden naar voren in een dorp waar sinds 1585 een predikant stond.(7 [7. Zie hfd. 4.2 blz. 38. hfd. 4.3 blz. 40.])
Van 1600 tot 1619 namen 232 Vollenhovers deel aan het heilig avondmaal, tussen 1600 en 1603 kwamen er 33 mensen uit Blokzijl naar het heilig avondmaal in Vollenhove omdat ze de van dronkenschap betichtte predikant in hun woonplaats niet meer erkenden. Op grond van deze aantallen is het niet mogelijk te bepalen welk deel van de bevolking gereformeerd was. Absolute gegevens over de bevolkingsaantallen van deze stadjes ontbreken en bovendien is het niet bekend hoeveel avondmaalsgangers er waren in één jaar. Aan het avondmaal namen ook mensen deel die in de buurtschappen woonden, die behoorden bij de gemeente van Vollenhove, maar hun aantal (slechts 3) is zo gering dat er twee mogelijkheden zijn: 1. de opgave is niet volledig; 2. de bevolking in de buurtschappen was tussen 1600 en 1619 nog nauwelijks positief gereformeerd. De laatste mogelijkheid wordt in zekere mate bevestigd door het feit dat de vier diakenen uit de buurtschappen, die in 1610 werden gekozen niet als deelnemers aan het avondmaal worden vermeld. Het aantal mannen aan de avondmaalstafel van Vollenhove wordt door het aantal vrouwen overtroffen; de verhouding mannen vrouwen is voor de gemeente Vollenhove 95 ; 137, voor de gemeente Blokzijl 15 : 18.(8 [8. “Kerckenboek” 3—6, 13.])
In 1606 was het aantal gereformeerden in Blokzijl zodanig gestegen dat men de kerk moest verbouwen. Het is mogelijk dat deze groei tot stand kwam door de toevloed van mensen die de keuze voor de gereformeerde kerk lange tijd hadden uitgesteld. Maar niet vergeten mag worden dat Blokzijl in deze tijd een economische bloei meemaakte, die de bevolking deed groeien.(9 [9. S.A. 283 art. 11, 1610. Zie hfd. 1.2 blz. 12; hfd 4.3 blz. 41.])

|pag. 44|

_______________↑_______________

In het midden van de zeventiende eeuw lagen er tweeëntwintig havezaten in het Land van Vollenhove, maar het onderzoek naar de religieuze gezindheid van de landadel moet zich beperken tot dertien ridderhofsteden, waarvan zeker is dat ze omstreeks 1600 bestonden. Van die dertien waren er vijf in het bezit van eigenaars die tussen 1600 en 1619 deelnamen aan het heilig avondmaal in Vollenhove. Van de eigenaars van zeven andere kan niet gezegd worden dat ze gereformeerd waren, maar op grond van familierelaties kan worden verondersteld dat ze tenminste niet katholiek en mogelijk zelfs “voorstanders” van de gereformeerde religie waren. Dit laatste geldt met name voor die edelen die lid waren van de geslachten Sloet en Van IJsselmuiden. Op Oldhagensdorp was vanaf het eind van de zeventiende eeuw een Rooms-katholieke schuilkerk en in het begin van de zeventiende eeuw is deze havezate de enige die stellig in het bezit van een katholiek geslacht was.(10 [10. “Kerckenboek” 3—6.])
Rogiers stelling: “Van de Noordnederlandse adel is becijferd dat haar leden bepaald niet met de reformatie zijn meegegaan”, wordt niet bevestigd door de verhoudingen in het Land van Vollenhove tot 1609. Aantoonbaar is ook niet de stelling van M. Schoengen dat al in 1580/1581 de meerderheid van de landadel van Vollenhove gereformeerd was. Hij dateert de overwinning van het gereformeerde Christendom in adelijke gelederen waarschijnlijk te vroeg, maar toch wekt de landadel van Vollenhove de indruk te behoren tot de eerstelingen van de reformatie. Jan Sloet de Oude, de meest gezaghebbende edelman uit Vollenhove was al in de jaren zeventig van de zestiende eeuw gereformeerd en op een totaal van 232 avondmaalsgangers in Vollenhove waren er 33 van adel of aantoonbaar van de adel afhankelijk. Adelijke namen vullen een belangrijk deel van de eerste bladzijde van de lijst van avondmaalsgangers.(11 [11. G.A. Meyer, Werkkring der Jezuïeten 122. Inventaris Archief Oldhagensdorp te Vollenhove, Rijksarchief Zwolle, 119. E.D. Eyken e.a. In alle staten (Zwolle 1978) 37. L.J. Rogier a.w. 368. M. Schoengen a.w. 481. “Kerckenboek” 3—6.])
Het numerieke succes van de protestantisering is voor het eerst gemeten in 1809; toen waren de verhoudingen in Overijssel 31% katholiek, 66,6% gereformeerd; in het Land van Vollenhove 7,6% katholiek, 83,2% gereformeerd.
In het Land van Vollenhove was 9,2% doopsgezind; 62,5% van de bevolking van Giethoorn was doopsgezind en verder waren er noemenswaardige minderheden in Blokzijl en Steenwijkerwold. De katholieke minderheid bevond zich hoofdzakelijk in het noordelijk deel van het oude drostambt, het meest geconcentreerd in Steenwijkerwold, waar 33,3% van de bevolking katholiek was. Hier en in Vollenhove, Oldemarkt en Kuinre bevonden zich in 1778 Rooms-katholieke kerkhuizen. In de achttiende eeuw was het aantal katholieken voortdurend achteruit gegaan en deze ontwikkeling zette zich in de negentiende eeuw voort.(12 [12. J.A. de Kok, Nederland op de breuklijn van Rome en reformatie (Assen 1964) 154. B.H. Slicher v. B. Een samenleving onder spanning 105, 388-407. Statenarchief 4948, Rijksarchief Zwolle.])

|pag. 45|

_______________↑_______________

 
– Coster, B. (1983). De reformatie in het Land van Vollenhove, 1579-1609. (Scriptie M.O.). Geschiedenis, Noordelijke Leergangen, Zwolle.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.