I. DE STICHTING.

[3]

De Gereformeerde Gemeente te Kampen

*

I. DE STICHTING.

Wanneer we de geschiedenis van de Gereformeerde Ge­meente te Kampen nagaan, wanneer we overdenken de won­dere wegen die de Heere met dit deeltje van Zijn wijngaard gehouden heeft, betaamt het ons allereerst de nederbuigende goedheid Gods te erkennen. Daartoe wekt de dichter op in Psalm 103:

Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden;
Vergeet ze niet; ’t is God, die z’ U bewees.

Droevig was het gesteld met de Kerk der Reformatie, die zo schoon gebloeid had in ons vaderland, als door de goede hand Gods ook over Nederland het schrikbewind van de Franse Overheersing gebroken wordt. Dit bewind toch maakte in 1808 van de Kerk een tak van publieke dienst. Eilieve, als de zoon van Oranje, Willem I, de troon beklimt, wacht ons volk een bittere ontgoocheling. Wij willen niet treden in de historie van Reveil en Afscheiding. Genoegzaam is bekend dat het den Heere behaagde op de kansel te Ulrum, het licht van Zijn onfeilbaar Woord, door middel van Zijn knecht Hendrik de Cock, predikant aldaar, helder te doen ontbranden. De felle vijand­schap zowel van predikanten, publiek als regering die hierte­gen ontstak, had tengevolge dat Ds de Cock 19 December 1833 met behoud van traktement werd geschorst, om vervolgens op 29 Mei 1834 te worden afgezet. 13 October daaropvolgende te­kent Ds de Cock met instemming van zijn kerkeraad de z.g.: „Acte van Wederkering, of Afscheiding’’, waardoor de band, die hem aan het Hervormde Kerkgenootschap bond, wordt afgesneden.
Een moeilijke tijd brak nu voor Ds. de Cock aan. Gesmaad en gehoond werd hem het prediken verboden. Toch stoorde hij zich niet aan dit menselijk verbod, dewijl de Heere hem zelf gebood. Toen kwam hij zelfs in de gevangenis, waaruit hij ver­lost, ’t land afreisde van de ene plaats naar de andere, om on­der veel strijd en vijandschap, gemeenten te stichten en kerke­raden te bevestigen. De Heere zegende deze arbeid rijkelijk, het aantal gemeenten nam steeds toe.

[4]

Onder degenen nu, die zuchtende nederzaten onder wat hij zelf noemt „den tegenwoordigen verdorven kerkstaat en de verbastering van het schoolwezen’’, bevindt zich een zekere Dirk Hoksbergen, lid van de Gereformeerde Gemeente van Wilsum, bij Kampen. Immers direct na de schorsing van Ds. de Cock, dus op 19 December 1833, schreef deze Hoksbergen een zeer uitvoerig schrijven (51 pagina’s druk) aan Ds. de Cock, waarin hij deze trachtte te bemoedigen en waarin hij deze, zo­als hij schreef: „opentlijk voor de heele wereld wil dankzeggen, dat Gij (Ds. de Cock) Uw tijd niet te kostelijk hebt geacht onze ogen te openbaren’’. Dat Ds. de Cock waarde aan deze brief, heeft gehecht, blijkt wel uit het feit, de Z.Eerw, dit schrijven bij T. E. Mulder te Veendam in 1835, voorzien van een voor­woord van zijn hand, in druk heeft doen verschijnen.
Dit vermoedelijk eerste contact met iemand uit de omgeving van Kampen had tengevolge, dat Ds. de Cock, welke inmid­dels gevestigd was te Smilde, zich Mei 1835 op reis begaf en na eerst gemeenten bevestigd te hebben te Koekange, daarna te Ruinerwold en vervolgens te Genemuiden, op 3 Juni 1835 verscheen ten huize van de man die hem zo bemoedigend ge­schreven had, Dirk Hoksbergen, op de boerderij „De Oude Scheere’’ te Onderdijks, gem. Wilsum. Diezelfde dag nog be­diende Ds. de Cock daar het Woord, doch ’s avonds laat ver­trok hij naar Kampen en kwam hier om half elf aan bij Roelof Nijhuis, grutter en winkelier in de Buiten-Nieuwstraat.
Ook hier werd de volgende morgen gepredikt voor de sa­mengekomen vrienden, en naar blijkt uit brieven die Ds. de Cock op 4 en 10 Juni 1835 aan zijn vrouw geschreven heeft, wordt ook alhier een gemeente geordend met oplegging der handen des ouderlingschaps en werden er kinderen gedoopt. Wie die ouderlingen geweest zijn is niet met zekerheid na te gaan, alleen is bekend dat zich Hoksbergen hieronder bevond.

Van die datum, dus Donderdag 4 Juni 1835, dateert de instituering van de Gereformeerde Gemeente te Kampen. Bedoelde instituering vond plaats ten huize van Roelof Nijhuis, Buiten-Nieuwstraat aldaar.

Lang zou echter de rust in Kampen niet duren. Want toen de Commissaris van Politie C. F. Nehrkoker van het gebeurde lucht kreeg, verscheen hij met de agent van Politie F. H. Wilst ten huize van Nijhuis en gelastte Ds. de Cock hem te volgen naar het politiebureau in zijn woning.
Op dit politiebureau aangekomen, ontstond, in tegenwoor­digheid van de burgemeester der stad Mr. F. Lemker, een hef­tige woordenwisseling, waarbij de Commissaris Ds. de Cock

[5]

tenslotte toevoegde dat zijn verstand verbijsterd was. Feitelijk wist deze Commissaris echter niet goed wat er met Ds. de Cock gebeuren moest. Immers daags te voren, toen hem het gerucht bereikt had, dat Ds. de Cock zich in de omgeving van Kampen ophield, had hij reeds om instructies geschreven naar de Pro­cureur Crimineel te Zwolle. Hij wist derhalve niet beter te doen dan Nijhuis te verzoeken Ds. de Cock weder in huis te nemen. Vrezende echter, dat Ds. de Cock opnieuw vrienden om zich heen zou vergaderen, werd hem op het hart gedrukt niet meer mensen dan het bij een uit Napoleon’s dagen stam­mende wet genoemde maximum van 20 personen tegelijk te ontvangen. Op de naleving van deze bepaling zou door een agent van politie worden toegezien. De eerste dagen werd hieraan tamelijk de hand gehouden. Ds. de Cock hield zich in die dagen hoofdzakelijk onledig met het schrijven van bemoe­digende brieven naar huis en de vrienden, waarin deze dienst­knecht des Heeren de zijnen vermaande in Gods wil te berus­ten en de onderlinge bijeenkomsten niet na te laten, zelfs al wierp Satan er enige van hen in de gevangenis.
Als echter deze vrienden, zelfs uit de verre omgeving, hoor­den, dat Ds. de Cock zich opnieuw in civiele bewaring be­vond, al was het dan ten huize van een broeder, was de toe­loop, waaronder Candidaat A. C. van Raalte, die nog steeds niet tot het predikambt was toegelaten, zo groot, dat de bur­gemeester de Commissaris van Politie bij zich ontbood en hem opdroeg hieraan een einde te maken. Opnieuw, dat is Dins­dag 9 Juni, begaf zich de Commissaris naar het huis van Nij­huis. Aldaar aangekomen vond hij niet alleen de kamer waar­in Ds. de Cock zich bevond, maar bovendien de gang en een aangrenzende open plaats propvol met mensen. Hoofdzakelijk waren het vrienden uit Zwolle, Zwartsluis, Genemuiden, ja zelfs uit Drenthe en Gelderland was men toegestroomd. Ver­toornd beet de Commissaris Ds. de Cock toe dat hij zijn be­lofte niet gehouden had. Hierop gelastte hij Z.Eerw. hem op­nieuw te volgen naar het politiebureau. Aldaar werd een ka­mer voor Ds. de Cock ontruimd en het middagmaal gebruikt. Des avonds werd deze echter uit het huis van de Commissaris gebracht naar het logement „De bonte Os’’ en bewaakt door een politie-agent, die hem mededeelde dat hij des nachts naar Zwolle zou getransporteerd worden.
Dit geschiedde dan ook. ’s Nachts om drie uur gewekt, werd hij om half vier met een rijtuig naar Zwolle gebracht.
De Commissaris had hem gezegd, dat hij hem zou adresse­ren naar de Rechter van instructie. Maar inplaats daarvan zond hij hem weder naar het Correctiehuis.
Daar kwam hij op de Pistole. En er werd streng voor ge-

[6]

zorgd, dat hij niemand van de gemeente hoorde of sprak. Zelfs op zijn verzoek om papier werd afwijzend beschikt.
Maar ook in deze nieuwe gevangenis sterkte Ds. de Cock zich met het gebed en de lezing van Gods Woord Bijzondere troost vond hij in het lezen van de Klaagliederen.
En onderwijl steeg uit de gemeente een gedurig gebed tot God op. Op de Dijk, ten huize van Ridderinkhof, kwamen de Zwolse vrienden bijeen. Wat de toekomst baren zou wisten zij niet; evenmin of de geliefde leraar nogmaals veroordeeld zou worden. Kreeg Commissaris Nehrkoker zijn zin, dan leed het geen twijfel, want deze was heftig tegen de belijders der waarheid gekant. Maar zij kenden Hem, die in den Hemel woont, en die eens Zijn engel zond, om Petrus uit de gevange­nis te redden. En Hij was niet veranderd. Tot Hem namen zij daarom de toevlucht, de zaak van Ds. de Cock, als Zijn zaak, Hem in den gebede aanbevelende.
En Ds. de Cock zelf ? Tegen tien uur in de morgen werd hij geroepen om te verschijnen voor de Rechter van instructie. Wel wetende, of althans vermoedende, dat de vijandige Com­missaris van politie te Kampen veel vergroot en gelogen zou hebben, ging hij naar beneden, onder verzuchting tot Hem, die gezegd heeft: „Het zal u in die ure gegeven worden’’.
Maar — o wonder! — in plaats van, zoals hij verwachtte, een lange acte van beschuldiging te horen voorlezen, werd hij, zonder verhoor, door de Rechter van instructie vrijgesproken. En in zijn binnenste jubelde Ds. de Cock: „Dit is van den Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen’’.
Inderdaad, het was verrassend, zo gunstig als de heren rech­ters hem gezind bleken. Zij lieten trouwens doorschemeren, dat de Koning zelf ten uiterste met de zaak verlegen was.
Verder stelden zij de wagen naar Kampen ter beschikking van Ds. de Cock. Deze echter bedankte daarvoor. Want hij wilde eerst de vrienden te Zwolle bezoeken. Hiertegen opper­den de heren Rechters allerlei bezwaren. En bovenal drongen zij bij hem aan op gematigdheid en vredelievendheid. Doch de Heere maakte hem zachtmoedig en getrouw.
Vervolgens wandelde hij met de Rechter van instructie, die dicht bij Ridderinkhof woonde, naar diens huis. Eer zij daar gekomen waren, stelde de Rechter hem nog voor, samen vriendschappelijk een glaasje Madeira te gaan drinken. Maar Ds. de Cock evenwel sloeg dit aanbod af. Hij was te veel ver­langend de Zwolse vrienden de heugelijke tijding te brengen van zijn verlossing.
Bij Ridderinkhof gekomen, vond hij daar de vrienden ver­gaderd. En nu viel hun een gelijke verrassing te beurt als een­maal de Pinkstergemeente na de wonderdadige bevrijding van

[7]

Petrus. Toen zij Ds. de Cock daar opeens in hun midden za­gen staan, werden zij uitzinnig van blijdschap, verwondering en dank. En tot zich zelven gekomen, merkten zij zijn vrijlating aan als de verhoring hunner gebeden.
De afwending van dit dreigend gevaar was dan ook voor de gemeenten een grote zegen. Want, was Ds. de Cock gevangen gebleven, gewis, de zaak der Afscheiding zou, menselijkerwijs gesproken, voor een poos althans, in haar loop gestuit zijn ge­worden.
Toch strekte ook deze korte inhechtenisneming nog tot nut. Naderhand bleek n.l. dat het zien van Ds. de Cock’s gevangen­neming onder geleide van politie-agenten op de straten van Zwolle, voor twee mensen het middel is geweest tot hun be­kering.

Category(s): Kampen, Kerken
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *