Hoofdstuk 6: De Sanering

_______________↓_______________


|pag. 189|

Hoofdstuk 6: De Sanering

Eind 1915 vonden er besprekingen plaats tussen B & W en de E.B. inzake noodzakelijke verbeteringen die aan de woningen in de Krim, Sebastopol en Hoog en Droog plaats moesten vinden. Tijdens die besprekingen bleek dat afdoende verbeteringen met bijna onoverkomelijke bezwaren gepaard zouden gaan.
Mede naar aanleiding hiervan besloot de E.B. de genoemde woningkomplexen de gemeente ter overdracht aan te bieden. In een advies van de wethouder van volkshuisvesting aan het College van B & W met betrekking tot eventuele overname werd gesteld dat het aanbrengen van verbeteringen afgeraden moest worden. Er zou anders een toestand bestendigd worden die ‘uit het oogpunt van gemeentebelang niet toe te juichen is’. Verder zou het doel van de aankoop niet de exploitatie van de woningen moeten zijn, maar sloping van de Krim en Sebastopol. Het adviserend schrijven stelt:

     “Zou De Krim niet een gewenschte uitbreiding van het zuidelijk stadsgedeelte tegenhouden? Zou niet bij sloping van De Krim de waarde der percelen in het zuidelijk stadsdeel stijgen, of bewoning van dat deel der Gemeente meer aantrekkelijk maken?”, en over Sebastopol: “Wat Sebastopol betreft zou, na slooping, in de toekomst vanaf het midden der stad een verbinding Sebastopol, Hooge Bothof, overweg nieuwe spoorbrug verkregen kunnen worden”.

Niettemin wordt aankoop met als doel onmiddellijke sloping afgeraden, omdat de direkte financiële gevolgen te groot zijn en omdat er geen huisvesting voor de 184 betrokken gezinnen voorhanden is. Aangeraden wordt de woningen te kopen maar deze de eerstkomende jaren nog wel te exploiteren.
Daardoor zou de rente van de koopsom gedekt kunnen worden en wordt er tijd gewonnen om in herhuisvesting van de gezinnen te voorzien, “bijvoorbeeld op verschillende plaatsen en niet in complexen”, aldus het advies.
     De financiële kommissie van de gemeenteraad stemt in met aankoop van de woningen. De prijzen lijken haar aannemelijk en aankoop van de woningkomplexen wordt, omdat daarmee het verdwijnen van de ‘beruchte’ buurten Krim en Sebastopol te verwachten is, een niet onbelangrijk gemeentebelang geacht.(1 [1. Stukken betreffende de overname van…, a.w.])

_______________↓_______________


|pag. 190|

Tijdens de raadsvergadering van 4 mei 1961 wordt met algemene stemmen besloten om de aandelen van de E.B. over te nemen. De Enschedese Bouwvereniging blijft voortbestaan, maar voortaan met de gemeente als hoofdaandeelhouder terwijl bovendien de bouwverenigingen ‘De Volkswoning’ en ‘Ons Huis’ in de Raad van Commissarissen vertegenwoordigd zullen worden. Hiermee wordt het belang van de overname voor de gemeentelijke volkshuisvesting extra onderstreept terwijl, “zeer zeker ook het gemeentebelang in het algemeen in niet geringe mate zal worden gediend door het doen verdwijnen van de bij de politie slecht aangeschreven buurten Krim en Sebastopol”.(2 [2. Notulen Raadsvergaderingen, 4 mei 1916.])
     In de gemeenteraadsnotulen wordt nog apart vermeld dat de heren Blijdenstein en Ter Kuile, aandeelhouders der E.B., niet hebben meegewerkt aan de totstandkoming van het genomen besluit. De indruk zou eens gewekt kunnen worden dat de aandeelhouders der E.B., op hun voorspraak, hun minder renderende aandelen aan de gemeente wilden overdoen! Om zelfs maar een vermoeden daarvan weg te nemen stuurt de voorzitter van de E.B. op 1 mei 1916, dus drie dagen voor het raadsbesluit, een brief naar de gemeentesekretaris.
In deze brief wordt gesteld dat het veel meer naar aanleiding was van vechtpartijen in de Krim, dat de Burgemeester het nut gezien had van gemeentelijk bezit van de woningen der E.B.(3 [3. Stukken betreffende de overname van…, a.w.])
     Samenvattend zijn er een drietal faktoren te noemen die meespeelden in het besluit om tot sanering van de Krim (en Sebastopol) over te gaan.
Allereerst de situatie waarin de huizen verkeerden; deze was schijnbaar zodanig dat verbeteringen op onoverkomelijke bezwaren stuitte. Verder maakte afbraak de aanleg van doorgaande verbindingswegen mogelijk, alsook een gewenste stadsuitbreiding in zuidelijke richting. Daarnaast wilde de gemeente een einde maken aan ‘mingunstige omstandigheden’ als vechtpartijen en het leven zonder God noch Gebod. Men had de indruk dat dit door het samenleven van zoveel mensen in ’t zelfde komplex in de hand gewerkt werd.
Op deze drie faktoren willen we hier iets uitgebreider ingaan.

6.1. ‘HET VRAAGSTUK DER KRIM-ONTRUIMING’

     Bij het gereedkomen van de Krim in 1862 was men er zo over te spreken dat ’t als model werd aangeprezen en mensen van buiten Enschede

_______________↓_______________


|pag. 191|

langskwamen om deze vorm van woningbouw te bezichtigen. In de 20e eeuw werden echter heel andere eisen gesteld aan woningen. Er was een woningwet, een woninginspektie en er waren bouwverordeningen. De Krimwoningen waren typiese 19e eeuwse afdakswoningen. Tweekamerwoningen met onbeschoten zolders, twee ingebouwde bedsteden die niet geventileerd konden worden en eigenaardigheden als afzonderlijke ‘secreten’ of toiletten -met tonnetjes- achter het huis. Over de Krim werd in de 19e eeuw reeds door kritici opgemerkt dat de huizen verstoken waren van ‘licht en lucht’ en dat het ontbreken van een tuintje als een groot bezwaar gevoeld werd. Daar tegenover stonden de twintigste eeuwse twee-verdiepingswoningen met afzonderlijke slaapkamers, een ‘echte’ woonkamer en toiletten met nieuwerwetse vindingen als waterstortbakken. De verschillen waren enorm.
     Niettemin konkludeerde de gezondheidscommissie na een onderzoek van de woningen in de Krim en Sebastopol dat:

     “Hoewel zeker niet staande op het standpunt, waarop in onzen tijd de bouw van woningvereenigingen staat, zijn deze woningen, dankzij de verbeteringen daaraan in de laatste jaren aangebracht, voldoende te noemen”.(4 [4. Verslag Gezondheidscommissie, in: Gemeenteverslag Enschede 1915.])

     Een jaar later echter wordt bij de overname van de Krim gesteld dat verbetering of verbouwing weinig kan uitrichten en ook het verslag omtrent de uitvoering van de woningwet meldt in 1916 ‘mingunstige woningtoestanden’ in de Krim en Sebastopol. De verbeteringen waar de gezondheidscommissie op doelde betroffen het weghalen van ‘vuil en getimmerten’ achter de huizen en het plaatsen van plaatijzeren schuurtjes.(5 [5. Notulen Bestuursvergaderingen E.B., 1910 en 1911.]) Aan de huizen zelf was, afgezien van reparatiewerkzaamheden aan daken en schoorstenen, niet veel gedaan.(6 [6. Overzicht Onderhoudskosten, archief E.B., map: ‘Onderhoud der woningen’.]) Voor de periode na 1916 is niet gespecificeerd wat er aan onderhoud verricht is. Waarschijnlijk alleen het hoognodige -zoals in 1925 reparaties om lekkage te verhelpen- omdat het doel sloping was.
     Het verband tussen het plegen van onderhoud en de plannen tot afbraak blijkt duidelijk in 1923. Wanneer B & W in juli 1923 de onbewoonbaarverklaring van Sebastopol en de Krim voorstellen besluit de E.B. af te zien van haar voornemen om de huizen aan de Oranjestraat te

_______________↓_______________


|pag. 192|

schilderen.(7 [7. Notulen Bestuursvergaderingen E.B. 10 aug. 1923.]) In 1925 onderschrijft de E.B. de konklusie van de direkteur van Gemeentewerken dat de Krimwoningen voor bewoning ongeschikt zijn. De direkteur noemt de toestand der huizen allertreurigst.(8 [8. Archief E.B., map: ‘Onderhoud der woningen’, brief, april 1925.])
In 1927 wordt tijdens een vergadering der E.B. nog eens uitgesproken dat de huizen van met name de Oude Krim meer en meer bouwvallig worden en ondanks het voornemen om (na 1916) de woningen nog ‘slechts’ enkele jaren te exploiteren blijft afbraak van de Krim uit. De reden hiervoor ligt in de heersende woningnood; hierover in een volgende paragraaf meer.

     Een tweede faktor die bepalend was voor het voorgenomen besluit tot sloping was samengesteld uit motieven van verkeerskundige en stedebouwkundige aard. Al eerder genoemd is de wens om het terrein van Sebastopol op te nemen in een doorgaande verbindingsweg en de gewenste stadsuitbreiding in zuidelijke richting. Hierover zijn geen verdere gegevens bekend. Er is wel een voorstel van B & W betreffende een te ontwerpen verkeersweg, waarbinnen het terrein waarop de Krimwoningen staan een belangrijke plaats inneemt. Op 11 november 1929 wordt dit voorstel achter gesloten deuren door de gemeenteraad behandeld.(9 [9. Notulen Bestuursvergaderingen E.B., 11 nov. 1929.])
Het voorstel bestaat uit een zgn. Zuidelijk plan en een Westelijk Plan die tezamen een verbindingsweg Oost-West, of liever Gronau – Enschede, vormen. In die verbindingsweg wordt het Krimplein, dat na afbraaak van de woningen zal ontstaan, (zie kaartje bij hoofdstuk 2), als ‘rustpunt’ geprojekteerd. ‘Men kan zich van het rustpunt naar elk willekeurig deel der stad begeven’, vermeldt het voorstel. Het Krimplein dus als knooppunt van belangrijke wegen; als rotonde. Wat er precies met het plan gebeurde is ons niet bekend. In ieder geval zou het wel tot na W.O. II duren voordat een doorgaande oost-west verbinding een feit was. Dat de behandeling van het voorstel achter gesloten deuren plaatsvond mocht niet verhinderen dat de Tubantia op 25 oktober ’29, dus nog voor de behandeling in de raad, reeds een artikel aan de geplande verkeersweg wijdde. Uit het artikel, ‘Het vraagstuk der Krimontruiming’ blijkt duidelijk een relatie die gelegd wordt tussen de aanleg van de verkeersweg en de sanering van de Krim. Het rooiïngsplan voor de weg wordt groots van opzet genoemd en getuigend van durf

_______________↓_______________


|pag. 193|

van het gemeentebestuur en haar vertrouwen in de toekomst. Verder meldt de schrijver/schrijfster:

“…Hoe dit zij, dat er nu een voorstel is ingediend dat, wordt het aangenomen, tot spoedig gevolg zal hebben de afbraak van de Krim en directe omgeving, zal met vreugde zijn vernomen. Hieruit blijkt weer eens te meer, dat het ons gemeentebestuur ernst is geweest met de goede woorden, aan deze zaak bij herhaling gewijd…” en enigszins optimisties vervolgt het artikel, “Trouwens de laatste maanden zijn successievelijk reeds 14 woningen van de zgn. oude Krim verdwenen en binnenkort worden aan de Frederik Hendrikstraat weer ettelijke huizen gesloopt. Ja, men denkt deze herfst en winter de geheele rij, waarmede nu begonnen is, te kunnen neerleggen…”.

     Een derde motief voor afbraak van de Krim was de slechte reputatie die ze genoot bij de burgerij en de politie. Gesuggereerd werd dat het zuidelijk stadsdeel aantrekkelijker voor bewoning zou worden wanneer de Krim eenmaal afgebroken zou zijn. Gareth Stedman Jones schrijft in ‘Outcast Londen’ dat de Londense middenstandsklasse zich bedreigd voelde door de losse arbeiders van East End. “Samengepakt in krottenwijken: levend zonder godsdienst, eerbied voor bezit en beschaving, samenwonend met kriminelen en prostituees, zou het ‘residu’ beschaafd Londen kunnen overspoelen”. De slumbewoners vormden een ‘dangerous class’ die gescheiden moest worden van de ‘true werking class’ voordat deze er door geïnfekteerd zou worden. Om de armoede van de losse arbeiders te verklaren ontwikkelde de midden en hogere klasse in Londen een theorie van stedelijke degeneratie. Als gevolg van de drukkende levensomstandigheden van de vuile, bedompte en lawaaierige één-kamerbehuizingen was het onvermijdelijk dat de arbeiders zouden ‘ontmenselijken. Verder zou het onvermijdelijk zijn dat kinderen die onder zulke omstandigheden geboren werden fysiek en moreel zouden degenereren. Een Londenaar schreef zelfs: “There is nothing the nation can do for these men except to let them die out by leaving them alone”.(10 [10. Gareth Stedman Jones, a.w., pp. 281-289.])
Dergelijke uitzonderlijke geluiden werden in Enschede niet gehoord.
De Enschedese middenklasse hoefde natuurlijk ook niet bang te zijn

_______________↓_______________


|pag. 194|

door 800 Krimbewoners overspoeld te worden. Niettemin huisvestte de Krim een, in zekere zin, ‘dangerous class’. Het was een gevaarlijk buurtje in de ogen van menig Enschedeër. Het is al eerder opgemerkt: wie door de Krim liep zonder er bekend te zijn liep het risico lastig gevallen te worden. Er werd veel gevochten en zelfs politieagenten liepen liever een straatje om wanneer er iets te doen was. Vechtpartijen waren aanleiding voor het verzoek van een politiepost in de Krim, alsook voor het samenstellen van lijsten van huurders die de E.B. liever kwijt was omdat ’t ‘slechte elementen’ waren. De Krim kende ‘moreel minderwaardige’ toestanden als openbare dronkenschap, ongehuwde samenwoning, bedelarij, kinderen die voor galg en rad opgroeiden; kortom, in de Krim nam men het niet zo nauw met de burgelijke fatsoensnormen en moraal. Enschede keek ‘min’ op de Krim neer en uit opmerkingen en geschriften van gemeentebestuurders en kommissarissen van de E.B. blijkt meerdere malen dat men de woon- en leefomstandigheden in de Krim ongewenst vond. Reeds bij de bouw van de Krim had Jordaan het bezwaar geuit dat ‘zoveel woningen op één plek gebouwd werden’ en profeteerde een briefschrijver in de Tubantia dat de fatsoenlijke arbeiders uit de Krim zouden wegtrekken en de ‘minder nette mensen’ er achterbleven. Deze kritiek heeft de Krim door de jaren heen vergezeld. Bij de overname in 1916 zag de gemeente Enschede een mogelijkheid om eindelijk een einde te maken aan de ‘mingunstige toestanden’ die haar al zo lang een doorn in het oog waren geweest.

6.2. WONINGNOOD

     Dat het toch nog tot 1934 duurde voordat de Krim afgebroken was kwam door een voortdurende woningnood; met name ook het gebrek aan arbeiderswoningen. De gemeenteverslagen maken regelmatig opmerkingen over de heersende woningschaarste. De woningbouwverenigingen konden de snelle bevolkingsgroei van Enschede niet bijhouden. In enkele jaren, tijdens W.O. I en eind twintiger jaren, waren de vestigingsoverschotten enorm hoog. Daarbij kwamen nog de vele oorlogsvluchtelingen die, na aanvankelijk in een vluchtelingenkamp gehuisvest te zijn,

_______________↓_______________


|pag. 195|

aan een woning geholpen moesten worden. Juist de periode rond W.O. I werd er echter niet veel gebouwd, de bouwmaterialen waren duur en de bouw stagneerde. In 1919 wordt in de gemeenteraad voorgesteld om, vanwege de grote woningnood, panden die als fabrieksruimte bestemd zijn aan het woningbestand toe te voegen.(11 [11. Gemeenteraadsnotulen 22 sept. 1919.]) In 1920 worden er 1.600 aanvragen voor een woning bij de ‘Volkswoning’ ingediend, terwijl er slechts 229 kunnen worden gebouwd. In veel huizen wonen twee of drie gezinnen en ook panden, die eigenlijk voor afkeuring in aanmerking komen, worden bewoond.
     Op de gemeenteraadsvergadering van 22 oktober 1920 blijkt bovendien dat de arbeiders op de huizenmarkt worden verdrongen door de beter gesitueerden die eveneens met woninggebrek kampen. Arbeiders, die niet meer dan 3 gulden huur per week kunnen betalen, kunnen geen woning krijgen, terwijl mensen die acht tot tien gulden huur per week kunnen betalen, snel worden geholpen. Het voorbeeld van ’t Pathmos, waar veel middenstanders wonen terwijl deze wijk voor arbeiders gebouwd is, maakt duidelijk dat ook aandacht geschonken moet worden aan woningbouw voor de middenstand. Om de woningbouw voor arbeiders niet ten koste te laten gaan van de lukratieve bouw van middenstandswoningen verleent de gemeente medewerking aan bouwverenigingen bij het verkrijgen van Rijksbijdragen voor de bouw van arbeiderswoningen. In 1920 wordt reeds door de E.B. van die mogelijkheid gebruik gemaakt.(12 [12. Archief E.B., map: ‘Bouwplannen’, brief 6 dec. 1920.])
     Aan het verkrijgen van Rijksbijdragen, die dienden om de exploitatie-tekorten -die door het bouwen van arbeidershuisvesting ontstonden- te dekken, kleefden de nodige problemen. Ze werden slechts verstrekt wanneer in de te bouwen woningen gezinnen werden ondergebracht, die tot dan toe in onbewoonbaar verklaarde, of onbewoonbaar te verklaren woningen gehuisvest waren. De E.B. wilde aan deze voorwaarde niet voldoen omdat ’t een verplaatsing van de Krim en Sebastopol zou inhouden; zij wilde juist verspreiding. Een ander probleem was dat de bijdrage werd verstrekt voor met name kleinere woningen, in huisvesting voor de grotere gezinnen werd daardoor in onvoldoende mate voorzien.(13 [13. Notulen Bestuursvergaderingen E.B., 25 april 1925.]) Toen de E.B. in verband met afbraak van de resterende Sebastopolwoningen toch besloot om woningen voor grote gezinnen te bou-

_______________↓_______________


|pag. 196|

wen vraagt zij dan ook of de gemeente Enschede de geraamde tekorten wil dekken.(14 [14. idem, 9 oktober 1925.]) Overigens blijkt uit de notulenboeken der E.B. dat de overheid meerdere malen haar begrip voor de specifieke huisvestingssituatie in Enschede toonde. In een aantal gevallen werd toch een Rijksbijdrage verstrekt.
     In 1927 schrijft de E.B. de gemeente dat er zich in 1926 en 1927 342 personen bij haar hebben aangemeld voor een arbeiderswoning. Uit de nadere specifikatie van de aanmeldingen wordt duidelijk dat 144 personen een woning wilden omdat ze bij een ander gezin inwoonden, 81 personen omdat ze in een slechte of afgekeurde woning gehuisvest waren, 48 personen omdat hen de huur was opgezegd en 6 personen omdat ze uit een woonwagen wilden. Daarnaast waren er nog 22 ongehuwden die zelfstandig wilden wonen en 41 personen van buiten Enschede die in Enschede woonruimte zochten.(15 [15. Archief E.B., map: ‘Kontakten met huurders vanaf 1900’.])
     Uit een woning- en gezinstelling die eind 1929 gehouden werd in de gemeente Enschede, resulteert het volgende overzicht:(16 [16. Archief E.B., Woning- en gezinstelling 1929.])

tabel 1 berekening woningtekort 1929, (bron: woning- en gezinstelling 1929).
 

1. gezinnen die gedwongen samenwonen 524
2. krotwoningen, (w.o. de Krimwoningen) 305
3. woningen die i.v.m. uitbreidingsplan moeten verdwijnen 29
4. woningen die i.v.m. stadhuisbouw 11
5. woningen die i.v.m. verkeersverbetering 248
6. keetwoningen 2
7. te verwachten ‘opkomende woonbehoefte’ 356
8. 44 gezinnen die een woonwagen bewonen 44
totaal tekort aan woningen 1.519

 
Bovenstaande cijfers illustreren de woningschaarste en verklaren waarom de gemeente er meermalen toe overging om de ontruimingstermijn van onbewoonbaar verklaarde woningen te verlengen.(17 [17. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de Raadsnotulen van 25 febr. 1924 en 25 aug. ’24.])
     In een artikel in Tubantia wordt gesteld dat, wanneer de Enschedese bevolking niet noemenswaardig meer zou groeien en de in uitvoering zijnde bouwplannen zouden zijn afgewerkt, de direkte woningnood niet lang na 1929 overwonnen zou zijn. Dat de toestand op woningge-

_______________↓_______________


|pag. 197|

bied dan gezond zou zijn wordt door de artikelschrijver betwijfeld.
Er zou nog heel wat gedaan moeten worden voor de sanering van de woningtoestand. De schrijver vervolgt:

Wanneer we het hier hebben over de sanering van de woningtoestand, dan denken we wel in de eerste plaats aan de afbraak van de Krim en hierbij doen zich vele en wel zeer moeilijke problemen voor. Men is er niet af door voor de bewoners van de Krim e.d. een nieuw complex woningen te bouwen. Het zou niet lang duren of men zou daar weer een nieuwe Krim zien ontstaan. Men kan dit reeds waarnemen in complexen waar men, door de nood gedwongen, verscheidene bewoners uit Sebastopol etc. bijeen heeft gebracht. Daar ziet men, dat het bij deze personen zo merkwaardige instinct van saamhorigheid hen weer bij elkaar doet klissen en hen onder vrijwel dezelfde sociale verhoudingen doet verkeeren als in hun oude woningen”.

Volgens de artikelschrijver kan dit niet de bedoeling zijn. Integendeel, men wil dit deel der bevolking op een hoger maatschappelijk nivo proberen te brengen. Door hen zover mogelijk over een groot gebied te verspreiden hoopt men dit te bereiken.(18 [18. Tubantia, z.d. 1929.])
     Ook hier echter duikt het parool op dat de E.B. bij de sanering van de Krim zou hanteren: ‘spreiding’. Deze spreiding van Krimbewoners zou nog op problemen stuiten, enerzijds door ’t gebrek aan geschikte woningen en anderzijds omdat de Krimbewoners, zeker dat deel dat bekend stond als lastig, niet overal gewenst waren. Was het doel dat de gemeente bij overname van de Krim en Sebastopol voor ogen stond de afbraak der woningen en verspreiding van haar bewoners; het middel dat daarbij gehanteerd werd was het zgn. ‘opschuif-systeem’.

6.3. OPSCHUIVEN EN VERSPREIDEN

     Het belang dat gehecht werd aan het opschuifsysteem, in verband met de sanering van de Krim, wordt het duidelijkst omschreven in een brief van de direkteur van de E.B. aan de wethouder van volkshuisvesting. Hierin wordt gesteld dat:

_______________↓_______________


|pag. 198|

Om tot opruiming van deze volksbuurt te geraken, moeten op andere punten woningen gebouwd worden. Wanneer dit als een vaststaand iets wordt aangenomen, dan heeft men zich de vraag te stellen, of die zgn. Krimgezinnen in deze nieuwe woningen onderdak verschaft moet worden. Uit een economisch standpunt bezien, meen ik deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden. De wijze van bewonen van een huis, is bij het meerendeel van deze gezinnen van dien aard, dat de overgang van slecht naar goed, te groot is. Om deze schade te voorkomen, zou het gewenscht zijn van den bestaande woningvoorraad, de beschikking te hebben over een zeker aantal oude arbeiderswoningen die, het spreekt natuurlijk vanzelf, een betere huisvesting moeten en kunnen bieden, dan de tegenwoordige Krimwoningen.
De toepassing van dit opschuivingssysteem acht ik van zo groot belang, dat ik aan het thans reeds in zekere zin bestaande systeem van aankoop van oude arbeiderswoningen, zooveel mogelijk uitbreiding zou willen geven
”.(19 [19. Archief E.B., map: ‘Afbraak’, brief 10 juni 1929.])

Overigens waren vanaf het begin der twintiger jaren al ervaringen opgedaan met het opschuifsysteem. Dit middel was toegepast bij het huisvesten van de bewoners van het vluchtelingenkamp en vanaf 1924, bij de afbraak van Sebastopol. Uit de notulenboeken van de E.B. valt af te leiden dat er in samenhang met de nieuwbouw op ’t Laaresch de Tubantiastraat en de Drienerweg (in Lonneker), lijsten werden opgesteld van bewoners van de Krim en Sebastopol die voor een nieuwbouwwoning in aanmerking kwamen. In verhouding zijn dat er niet zoveel!(20 [20. Notulen Bestuursvergaderingen E.B., 2 dec. 1921, verschillende vergaderingen in 1923 en ’24.])
Van de 15 gezinnen die in 1924 en 1925 vanwege de afbraak van Sebastopol elders een woning kregen toegewezen, werden er 7 in de Krim gehuisvest, 4 in een andere woning op Sebastopol, en 2 in een oud huis op Hoog & Droog. Slechts twee gezinnen kwamen voor een nieuwe woning in de Minkmaatstraat in aanmerking. Toen in 1927 Sebastopol helemaal werd afgebroken vertrokken nog eens 17 gezinnen naar de Krim; vijf kregen een -waarschijnlijk oude- gemeentewoning toegewezen.(21 [21. Huurdersboeken E.B.])
     De doorstroming van Sebastopolbewoners naar de Krim had noodzakelijkerwijs een opschuiving van een aantal Krimgezinnen tot gevolg.
Tussen 1923 en 1928 vertrokken er 26 naar een nieuwbouwwoning, een

_______________↓_______________


|pag. 199|

aantal andere kreeg een gemeentewoning in de omgeving van de Krim en Sebastopol of in straatjes als de Hengelose Dwarsstraat en ’t Gronaus Voetpad. De verdeling van de woningen geschiedde op basis van huurderslijsten die door de E.B. werden opgesteld. De netste gezinnen kwamen in aanmerking voor een nieuwe woning, de ‘minder netten’ voor een ‘oude arbeiderswoning uit den bestaanden woningvoorraad’.
     In 1927 worden de eerste drie Krimwoningen van de Frederik Hendrikstraat afgebroken. De voorgenomen afbraak van de zgn. Oude Krim, de eerstgebouwde woningen van de Frederik Hendrikstraat, kan niet plaatsvinden vanwege gebrek aan geschikte woningen voor herhuisvesting, maar ook omdat er geen bouwterreinen meer beschikbaar zijn. De E.B. schrijft aan B & W dat ze daardoor de ‘oplossing van het Krim vraagstuk’ niet naderbij kan brengen en vraagt of wellicht met medewerking van andere bouwverenigingen -die woningen beschikbaar zouden kunnen stellen- de Krimafbraak kan worden voortgezet.(22 [22. Notulen Bestuursvergaderingen E.B. 21 okt. 1927.]) Blijkens de huurdersboeken wordt medewerking van andere bouwverenigingen slechts mondjesmaat verleend; de E.B. kijkt daarom voor het uitvoeren van haar bouwprogramma’s ook ver de grenzen van het Enschedese grondgebied. Met goedvinden van het gemeentebestuur wordt in Lonneker grond gekocht aan de Drienerweg en de Lipperkerkdwarssweg.(23 [23. idem, 16 april 1928.])
     De betrokkenheid van de gemeenteraad bij het beleid van de E.B. wordt steeds groter; op een vergadering van 16 december ’29 verzekert de voorzitter dat het bestuur der E.B. ten aanzien van de krotopruiming, zonder voorkennis van de wethouder van volkshuisvesting, geen besluiten wenst te nemen. En zeker wat betreft de woningbouw voor zgn. ‘financiëel-zwakke’ gezinnen zou de medewerking van de wethouder door de E.B. op ‘zeer hoogen prijs’ gesteld worden. Van hem werd ondermeer verwacht dat hij de bouwplannen voor ’t Steernfenne (op Lonneker grondgebied), waar de E.B. in huisvesting voor finanbciëel zwakke gezinnen wilde voorzien, in het openbaar zou verdedigen.
     Met deze bouw voor ‘financieel zwakke’ werd een nieuw aspekt aan het opschuif-systeem toegevoegd. Voortaan zou er een onderscheid gemaakt worden tussen financiëel-zwakke en zgn. ‘slechte gezinnen’, die ook wel ‘ontoelaatbaren’ genoemd werden.(24 [24. De voorzitter van de E.B. sprak liever over ‘achterblijvers’ omdat dit de meest verdedigbare en minst aanstootgevende banaming zou zijn. (brief 10 juni ’29, map: ‘Afbraak’).]) Onder deze ontoelaatbaren werden bijvoorbeeld ook zij, die onwillig waren tot huurbe-

_______________↓_______________


|pag. 200|

taling, gerangschikt. De wethouder van volkshuisvesting, die ook op de bewuste 16 december vergadering aanwezig was, merkte op dat bij verplaatsing van gezinnen uit de Krim de grootst mogelijke omzichtigheid in acht genomen moest worden,

zoodat de reeds genoemde gezinnen (de slechte gezinnen) en de werkelijk financiëel zwakken niet over één kam geschoren worden. Integendeel, de financiëel zwakke gezinnen moeten tegen de slechte gezinnen beschermd worden…”

Verder achtte de wethouder de te bouwen woningen op Lonneker gebied te verafgelegen voor de slechte gezinnen. Wanneer ’t gewenst mocht blijken, zou politiehulp niet direkt beschikbaar kunnen zijn. Overeengekomen werd dat een onderzoek verricht zou worden naar een aantal slechte gezinnen. Hierbij zou ook de hulp van derden -gedacht werd aan de politie en aan Zr. Muisebelt van het konsultatieburo- ingeroepen worden. Ook zou een komplex woningen, met lage huren, voor de financiëel zwakke gezinnen aangewezen moeten worden. Deze woningen zouden eventueel met gemeentelijke- of overheidssubsidies gebouwd moeten worden. Het was de bedoeling volkomen volwaardige woningen te bouwen; voorkomen moest worden dat een soort van armenbuurt geschapen werd.

     Ondertussen was men in Lonneker gealarmeerd geraakt door de bouwplannen voor ’t Steernfenne. Na het bericht dat daar woningen voor Krimbewoners gebouwd zouden worden was er naar de aanliggende grond geen vraag meer. De Krimbewoners hadden immers niet zo’n goede klank.
Op een konferentie tussen de gemeentebesturen van Lonneker en Enschede merkte de wethouder van volkshuisvesting naar aanleiding van de klachten uit Lonneker op dat wanneer bepaalde gebieden zouden worden uitgezonderd, het streven naar verspreiding van de Krimbewoners niet kon slagen. Bovendien was het de bedoeling dat op ’t Steernfenne slechts enkele woningen door Krimbewoners werden bezet. De nadruk lag bij het opschuivingssysteem. Lonneker werd gevraagd samen te werken en niet af te schuiven wat men niet hebben wou. Verder liet de gemeen te Enschede het ter beoordeling van de bouwverenigingen over wie zij in haar woningen toeliet.(25 [25. Notulen van Conferenties en Vegaderingen, a.w., 18 nov. 1929.]) Daarmee was men in Lonneker echter

_______________↓_______________


|pag. 201|

niet gerustgesteld; bij monde van de Inspekteur van Volksgezondheid liet men nog eens bij de E.B. de twijfels omtrent het ‘gehalte’ van de gezinnen, die naar het Steernfenne zouden komen, overkomen. Het gevolg was dat het Enschedese gemeentebestuur nog eens verzekerde ten aanzien van de verhuring van de betreffende woningen geen voorschriften te zullen geven.(26 [26. Notulen Bestuursvergaderingen E.B., 11 april 1930.])
     In augustus 1930 werd door een nieuw incident olie op het vuur gegooid. Tegen twee gezinnen die in Lonneker een woning van de E.B. bewoonden, werd door de politie wegens drankmisbruik proces-verbaal opgemaakt. Lonneker zag hiermee haar twijfels bewaarheid en maakte haar bezwaren tegen de woningbouw op ’t Steernfenne bij Gedeputeerde Staten aanhangig. Een en ander resulteerde uiteindelijk in een konferentie tussen een kommissie uit Gedeputeerde Staten van Overijsel, een afgevaardigde van het bestuur der E.B. en B & W van Enschede en Lonneker.(27 [27. idem, 7 oktober 1930.])
Tijdens die konferentie kwam de klacht ten tafel dat op ’t Steernfenne een ‘laag soort’ mensen gehuisvest zou worden; van de door de E.B. beoogde selektie en reklassering zou, zo vreesde men in Lonneker, niets terechtkomen. De Enschedese wethouder van volkshuisvesting, Nijkamp, merkte op dat de bouw van 16 woningen op ’t Steernfenne niet voor a-sociale gezinnen was, maar voor ekonomies zwakke. Deze laatsten behoefden zeker niet moreel minderwaardig te zijn, zodat men in Lonneker niet voor ‘depreciatie’ hoefde te vrezen.
     Nijkamp acht ’t zeer goed mogelijk dat er op het Steernfenne gezinnen uit de Krim komen; op ’t Hogeland’ zijn ook een paar gezinnen gehuisvest zonder dat de buren het weten! Verder stelt Nijkamp dat hij niet de indruk had dat Lonneker een villapark op ’t Steernfenne wilde, de vereniging ‘Vooruit’n bouwde er immers ook arbeiderswoningen.
Op de vraag of Lonneker ook bezwaar maakt tegen ekonomies zwakken die sociaal niet minderwaardig zijn, antwoordt ene Stroink (Lonneker) dat men bezwaar aantekent tegen Krimbewoners. Met andere woorden, voor Lonneker zijn Krimbewoners sociaal minderwaardigen. Overigens erkent Stroink dat de Krim niet voor 100% minderwaardig hoeft te zijn. Uiteindelijk komt uit de konferentie het resultaat naar voren dat men in Lonneker tevreden is wanneer de gezinnen goed worden uitgezocht en wanneer er uit de Krim geen sociaal minderwaardigen worden gehuisvest.(28 [28. Uit: Notulen van Conferenties en Vergaderingen, a.w., 8 okt. 1930.])

_______________↓_______________


|pag. 202|

     Het voorbeeld van ’t Steernfenne wordt hier zo uitgebreid naar voren gehaald omdat het duidelijk maakt welke problemen zich konden voordoen bij de verspreiding van de Krimbewoners. Ondanks de verzekeringen van de E.B. en de gemeente Enschede dat het opschuivingssysteem goed funktioneerde -zeker wanneer de buren niet verteld werd dat er een Krimbewoner naast hen kwam wonen, zoals op ’t Hageland gepraktiseerd werd- was lang niet iedereen van de juistheid van die bewering te overtuigen. De Krimbewoners waren gebrandmerkt als slechte elementen, a-socialen of sociaal minderwaardigen. In Lonneker bijvoorbeeld was men ze liever kwijt dan rijk. Tijdens bovengenoemde konferentie maakte Nijkamp duidelijk dat het gemeentebestuur zich ook bewust was van de bezwaren die aan de verspreiding en ‘reklassering’ verbonden waren; tenslotte bleef men toch met ’t ‘bezinksel’ zitten. Daarom lag het in het voornemen een woninginspektrice te benoemen en bestond er een plan om kontrole-woningen te bouwen voor de, in hun ogen, inderdaad maatschappelijk minderwaardige gezinnen.
     Aan de hand van deze twee voornemens willen we duidelijk maken welk beleid er door de gemeente Enschede, en de E.B., verder nog gevoerd werd ten aanzien van de Krimbewoners en óók: hoe men over ze dacht…

6.4. KONTROLE EN HEROPVOEDING

     In het reeds eerder genoemde Tubantia-artikel ‘Het vraagstuk der Krim-ontruiming’ (25 oktober 1929) wordt de twijfel geuit of het opschuifsysteem tot het einde toe vol te houden is. De mogelijkheid wordt gesuggereerd dat men een aantal zgn. onvolwaardige gezinnen overhoudt dat nog onder dak gebracht moet worden. Om het vraagstuk der huisvesting van onvolwaardige gezinnen nader te bestuderen maakte het bestuur der E.B. een studiereis naar Utrecht en Amsterdam, zo vervolgt het artikel. Blijkens een uitspraak van wethouder Nijkamp had deze reis tot resultaat dat men in Enschede ook speciale voorzieningen wilde treffen, Nijkamp stelde namelijk dat men bij de opheffing van de krotbewoning niet zonder het stichten van kontrole-woningen zou afko-

_______________↓_______________


|pag. 203|

0men. Deze woningen zouden uitsluitend bestemd zijn voor ‘slechte gezinnen, die gevaar opleveren voor hunne omgeving’. (29 [29. Notulen Bestuursvergaderingen E.B., 16 dec. 1929.]) Op 7 oktober 1930 werd nog eens verslag gedaan over huisvesting van ‘onvolwaardigen’; ditmaal op basis van een studiereis naar Utrecht en Den Haag.
     Uit deze reizen blijkt al dat Enschede niet alleen stond in haar problemen. Veel plaatsen in Nederland waren haar al voorgegaan bij de afbraak van krotwoningen. Uit de ervaringen die daar waren opgedaan met de herhuisvesting van de bewoners, en dan met name de ontoelaatbaren, kon men in Enschede z’n voordeel doen. In een artikel in het Tijdschrift voor Volkshuisvesting en Stedebouw schetst C.F. Delhez enkele plaatselijke voorbeelden en gaat zij in op het vraagstuk van de huisvesting van ontoelaatbare gezinnen.(30 [30. C.F. Delhez, De huisvesting van ontoelaatbare gezinnen,in: Tijdschrift voor Volkshuisvesting en Stedeboüw, jrg. 9 (1928), pp. 25-36.]) De woningnood lag aan de wortels van het vraagstuk, stelt Delhez en zij schrijft:

Evenals in tijden van werkgebrek de minst bekwame, de minst ijverige, minst oppassende arbeiders het eerst werkloos worden, zoo komen in tijden van woningnood, de minstwaardige gezinnen het eerst zonder woning. Immers welke huiseigenaar zal verhuren aan menschen die als wanbetalers, ruziemakers, vuilpoetsen bekend staan, wanneer hij evengoed een ordelijk gezin kan krijgen?

Delhez stelt dat volkshuisvesting, waar het sociaal achterlijken betreft, niet kan volstaan met huizen bouwen, maar het werk van reklassering en volksopvoeding op zich moet nemen. Deze moeilijk te reklasseren ontoelaatbaren -‘ongeneeslijken’- zoals zij ze ook noemt, moeten gehuisvest worden in doorgangswoningen of speciale tehuizen voor ontoelaatbaren. Hier moeten pogingen ondernomen worden om de “hopeloos vervuilden, de ruziezoekers, de zwervers, de ongebondenen, de wanbetalers uit onwil, de altijd uitgaande vrouwen”, te reklasseren. En dat niet alleen omdat het om de ontoelaatbaren zelf gaat maar ook omdat:

“…de maatschappij verlangt beveiligd te worden tegen de sociale gedragingen van deze minderwaardigen, die niet alleen voor een huiseigenaar, maar evengoed voor de samenleving als zodanig ontoelaatbaar zijn…”

_______________↓_______________


|pag. 204|

Delhez’ gebruik van termen als ‘ontoelaatbaren’ en ‘ongeneeslijken’ doen het voorkomen alsof zij schrijft over paria’s en melaatsen wiens sociale omstandigheden als een ziekte worden opgevat en wiens eventuele werkloosheid geweten wordt aan onbekwaamheid, luiheid of onoppassendheid. Zo beschreven lijkt het verblijf in een doorgangshuis op een quarantaine, een heropvoedingsperiode. Wanneer de ontoelaatbare geleerd hebben hoe ze een huis moeten bewonen, wanneer hun ‘ziekte’ genezen is, mogen ze naar een ‘gewoon’ huis. Haar artikel is natuurlijk sterk gedateerd, maar niettemin spreekt er weinig begrip uit van de oorzaken waardoor de ‘ontoelaatbaren’ in hun situatie verzeild raakten.

     Delhez had eveneens gewezen op de noodzaak van toezicht, liefst door een opzichteres, bij de huisversting van ontoelaatbaren. In Enschede had men die noodzaak ook ingezien; op een vergadering tussen de wethouder van volkshuisvesting en vertegenwoordigers van bouwverenigingen, maakte eerstgenoemde bekend dat de gemeente een woninginspektrice in dienst wilde nemen. Afgezien van de E.B. werd er niet bepaald enthousiast door de bouwvereniging gereageerd. Men vreesde onder kuratele gesteld te worden. Niemand was evenwel tegen aanstelling toen bleek dat de inspektrice vooral voor de E.B. nuttig werk zou kunnen doen. Voorzitter Franke van de E.B. merkte op dat:

Wanneer er voor de Enschedese Bouwvereniging ooit een tijdstip is aangekomen tot het instellen van een dergelijk ambt, dan is het wel thans. De keuze van de verspreiding van diverse gezinnen over de stad is zeer moeilijk. De bewoners van Sebastopol zijn in andere woningen teruggebracht, eveneens een gedeelte van de Krim, terwijl er nog een groep overblijft waarbij de hulp en bijstand van een inspektrice onmisbaar is”.

     De E.B. juichte een aanstelling toe, de inspektrice zou bij de krotopruiming en de verdeling van gezinnen in financiëel zwakke en sociaal zwakke haar diensten kunnen bewijzen.(31 [31. Notulen van Conferenties en vergaderingen, a.w., 10 nov. 1930.]) Op de raadsvergadering van 16 december 1930 werd besloten een woninginsprektrice in dienst te nemen; het oog viel op Zr. Muizebelt, dezelfde die de E.B. al eens eerder haar diensten bewezen had bij het opstellen van een lijst van

_______________↓_______________


|pag. 205|

slechte gezinnen. Nu zou ze behulpzaam kunnen zijn bij het voornemen een aantal kontrole-woningen voor sociaal achterlijke gezinnen te bouwen.

     De E.B. had inmiddels bij de nieuwe spoorbrug bij station zuid een bouwterrein gevonden dat daartoe geschikt leek en de besprekingen over het type woningen en de noodzakelijke voorzieningen waren reeds begonnen.(32 [32. Notulen Bestuursvergaderingen, 22 sept. 1931.]) De kontrole-woningen zouden niet alleen voor Krimgezinnen gebouwd worden, maar ook voor gezinnen die bijvoorbeeld wegens huurachterstand uit hun woning gezet waren. Tijdens een bestuursvergadering van de E.B. werd opgemerkt dat -nu het “tot nu tot toegepaste opschuivingssysteem niet meer mogelijk is”- de E.B. konsekwent te werk moest gaan en niet alleen kontrole-woningen, maar ook ‘overgangswoningen’ op één terrein bij elkaar moest brengen. De aanwezige wethouder Nijkamp vond echter de vraag, hoeveel kontrole-woningen er gebouwd moesten worden, moeilijk te beantwoorden en wilde eerst de ‘kat uit de boom kijken’.(33 [33. idem, 9 okt. 1931.])

weggestopt achter betonnen schuttingen

     In januari 1932 ontvangen B & W van de direkteur van Gemeentewerken het plan voor kontrole-woningen. Het bouwterrein ligt aan de Eeftinksweg bij de spoorbrug. Gepland zijn 15 woningen, rondom een pleintje gebouwd, en een opzichterswoning. Het wordt namelijk van groot belang geacht dat er dagelijks toezicht op de bewoners, én de wijze van bewoning gehouden kan worden. In verband met de lichamelijke reinheid is voorzien in een badhuis. “Er zou bijvoorbeeld als eisch gesteld kunnen worden, dat iedere bewoner eenmaal per maand van het badhuis gebruikmaakt”, schrijven de plannemakers. Omdat het ’t doel van de kontrole-woningen is, de mensen weer geschikt te maken voor de gewone samenleving, is tevens voorzien in een ontspanningsruimte waar bijvoorbeeld plaatselijke verenigingen zich op maatschappelijk werk kunnen toeleggen.(34 [34. Ontwerp Contrôlewoningen, Gemeentearchief Enschede, nr. 1718.]) Zeer interessant zijn de zinsneden die de woningen zelf betreffen:

“…eenvoudige, extra soliede constructie’s dienen toegepast te worden omdat op een ruwe bewoning gerekend moet worden … De open ruimte

_______________↓_______________


|pag. 206|

achter de woningen dient zo klein mogelijk gehouden te worden, ter vermijding van gelegenheid tot het bewaren van waardeloozen afval … Gelegenheid voor de buren, om aan de achterzijde van de woningen contact met elkaar te hebben, mag met het oog op burentwist, niet bestaan. Om dezelfde reden is het niet gewenscht, dat voordeuren aan elkaar grenzen … Voor de meest achterlijke gezinnen is het voor een geregelde contrôle goed, dat alle vertrekken op de beganen grond liggen, zodat bij een kort bezoek van den opzichter, deze reeds een indruk van den toestand kan krijgen”.

Het plan noemt 9 twee-verdiepingswoningen en 6 woningen, waarvan alle vertrekken gelijkvloers liggen. Aan welke Krimgezinnen -en gezinnen uit gemeentewoningen- men in eerst instantie denkt wordt duidelijk uit het volgende:

“…er is ook nog gerekend op kleine bergplaatsen voor handkarren.
Het is te verwachten, dat verschillende bewoners door handel in hun onderhoud moeten voorzien … Voor grootere wagens of draaiorgels is een terrein gereserveerd achter het ontspanningsgebouw
…”

Om de overlast zoveel mogelijk tegen te gaan en de aangrenzende bouwgrond niet geheel onaantrekkelijk te maken is het de bedoeling, het terrein van de kontrole-woningen met betonschuttingen af te sluiten!
     De reakties op het bouwplan zijn verschillend. De E.B. is het inhoudelijk in grote lijnen eens met de plannen. Wel raadt zij een aaneengesloten bouw van de woningen af, omdat de nadelen daarvan bij de Krimwoningen afdoende gebleken zijn. Zij vindt echter het bouwterrein aan de Eeftinksweg ongeschikt. De kontrole-woningen zouden daar, samen met de omliggende arbeiderswoningen die toch al als ‘Gaskrim’ werden aangeduid, een ongewenste volksbuurt vormen. De E.B. is daarom van oordeel dat naar een geschikter bouwterrein moet worden omgezien.(35 [35. idem.]) Woninginspektrice Muizebelt krijgt het plan eveneens ter beoordeling voorgelegd. Haar kritiek is van praktiese aard en getuigt van kennis omtrent de woonomstandigheden van de Krimgezinnen.
Opmerkelijk genoeg verwacht zij dat deze, “stellig niet geregelde bewoners zullen zijn”. Met name met een opzichtersfunktie en een te bouwen opzichterswoning kan zij zich niet verenigen. Zij vindt ’t meer

_______________↓_______________


|pag. 207|

voor de hand liggen dat zij zelf toezicht zal houden door dagelijks bezoeken af te leggen.(36 [36. idem.])
     In het bouwplan wordt enkele malen duidelijk naar de woonomstandigheden in de Krim verwezen. De vuilverzamelingen achter de huizen, de burenruzies, het aaneengesloten bouwen van de woningen, het gebruik van de ‘spoelkeuken’ als woonruimte zijn hier duidelijke voorbeelden van.
De kontrole-woningen moeten de ongunstige woonomstandigheden die in de Krim heersten uitsluiten. Met betrekking tot de sociaal-achterlijke gezinnen wordt vooral gedacht aan handelaars, straatventers en orgeldraaiers. Het is opmerkelijk dat enerzijds rekening gehouden wordt met hun specifieke beroepsuitoefening -bijvoorbeeld door te voorzien in bergruimte voor handkarre- terwijl anderzijds geen begrip blijkt van de samenhang tussen beroepsuitoefening en de manier waarop ze hun huis bewonen. Door de ruimte achter de huizen klein te houden kan een lompenhandelaar z’n spullen niet kwijt, door niet te voorzien in een zolderruimte was er geen plaats om de ‘handel’ op te slaan. Bovendien vond de E.B. dat de spoelkeuken maar als bergplaats gebruikt moest worden. Dan zou tegelijkertijd de ‘zucht’ om dit achtervertrek te benutten als woonruimte worden tegengegaan!
     De plannen voor de woningbouw voor sociaal achterlijken aan de Eeftinksweg werden niet uitgevoerd. De kommissarissen van de E.B. vonden het bouwterrein ongeschikt en wilden wellicht samen met wethouder Nijkamp eerst de ‘kat uit de boom kijken’. Misschien hoopten ze het vraagstuk der krotopruiming tot een oplossing te brengen zonder dat er kontrole-woningen moesten worden gebouwd.

6.5. HET ONTSTAAN VAN NIEUWE KRIMS

     Het opschuifsysteem was het belangrijkste middel dat bij de sanering van de Krim gehanteerd werd. Wilde het goed funktioneren, moest wel aan enkele voorwaarden voldaan worden. In de eerste plaats moesten er voldoende woningen voorhanden zijn. Daartoe bouwde de E.B. zelf nieuwe woningen en kòcht ze oude woningen die goed genoeg bevonden werden om er nog enkele jaren Krimgezinnen in te huisvesten. De

_______________↓_______________


|pag. 208|

nieuwbouw was voor de nette gezinnen, die tevens de huur konden opbrengen, of voor de financiëel zwakke gezinnen die wel in staat geacht werden een nieuwe woning netjes te kunnen bewonen. Omdat voor deze laatsten woningen gebouwd moesten worden die een lage huur deden, was de E.B. voor woningbouw voor financiëel zwakke aangewezen op Rijksbijdragen. Zo wilde de E.B. in 1932 woningen voor financiëel zwakken aan de Steendwarsweg bouwen. Hiertoe achtte zij het echter wel noodzakelijk dat Rijk en gemeente ieder een toeslag gaven van 50 cent per week en per woning omdat anders een dragelijk geachte huur van ƒ 3,– per week niet gehaald kon worden.(37 [37. Archief E.B., map: ‘Afbraak’, brief 30 nov. 1932.])
     Tevens werden op grote schaal oude woningen gekocht die als doorgaanshuizen dienst deden. Bewoners van doorganswoningen zouden geleidelijk in nieuwe woningen worden gehuisvest. Immers; “…men moest ’n prikkel scheppen, die waar nodig, de menschen aanspoort zich het bewonen van een nieuwe woning waardig te maken…”, Merkte wethouder Nijkamp tijdens een raadsvergadering op.(38 [38. Raadsnotulen 6 jan 1930.]) Op deze vergadering stond de aankoop van 23 woningen aan de Eeftinks- en Lippinkhofsweg door de E.B. centraal. Enkele raadsleden waren hiertegen omdat de woningen niet veel beter dan de krotten in de Krim zouden zijn. B & W hadden echter haast, als men niet snel aan woningen kwam zou de Krim-opruiming vrijwel stil komen te liggen. En dat was zeer ongewenst omdat de situatie (in 1930) vrijwel onhoudbaar was; het regende klachten uit de aan de Krim grenzende Beltstraat. Ondanks de hoge vraagprijs besloten B & W tot aankoop over te gaan. Voor ƒ 73.000 werden de woningen gekocht, een bedrag waarvoor ook twintig nieuwbouwwoningen neergezet hadden kunnen worden.
     Een tweede voorwaarde, waaraan voldaan moest worden wilde het opschuifsysteem funktioneren, was een geleidelijke en over de hele stad verspreide verplaatsing van de Krimgezinnen. Voor de verspreiding stond het bouw- en aankoopbeleid van de E.B. garant en gezien de woningschaarste en de moeilijkheden bij de nieuwbouw, b.v. op het Steernfenne, kon de sanering niet anders dan geleidelijk plaatsvinden. De Krim werd dan ook in etappes afgebroken. In 1927 werden er drie woningen gesloopt, in 1929 dertien, in 1930 54 en in 1931 nog eens 37 panden.

_______________↓_______________


|pag. 209|

De hele Frederik Hendrikstraat en bijna de gehele Mauritsstraat waren toen afgebroken. Tussen 1932 en 1934 werden de resterende 34 huizen afgebroken. De laatste 16 huizen werden voor ƒ 96,– verkocht aan sloper Schouwink. Op 5 december 1934 werd het laatste huis van de Krim geheel met de grond gelijk gemaakt. Het Krimplein kwam ervoor in de plaats.

     De vraag waar de Krimbewoners na afbraak van hun huizen bleven is al gedeeltelijk beantwoord. Om een nauwkeurig beeld te krijgen van hun herhuisvesting hebben we van alle laatste bewoners geïnventariseerd naar welke straat of plaats ze vertrokken. Deze inventarisatie geeft geen volledig beeld van de spreiding van de bewoners, omdat de gezinnen die als voorlaatste de huizen bewoonden, en als gevolg van het opschuif-systeem een andere woning aangeboden kregen, er niet in opgenomen zijn. Van hen kunnen we opmerken, dat ze in veel gevallen een goede woning kregen aangeboden. Doorgaans waren ’t ook de netste gezinnen die ’t eerst vertrokken. De zogenaamde slechte gezinnen en de financiëel zwakken bleven tot het laatst; voor hen waren er in Enschede geen goedkope herhuisvestingsmogelijkheden.
 

tabel 2 verhuizing ‘laatste’ Krimbewoners,
               (bron: huurdersboeken E.B.) N = 133
binnen Krim 44 33.2
Frederik Hendrikstraat 1
Mauritsstraat 13
Oranjestraat 30
direkte omgeving Krim 13 9.8
‘Gaskrim’ 23 17.3
omgeving Sebastopol 10 7.5
rest 43 32.3

 
Veel Krimbewoners kregen bij afbraak van hun huis een andere Krimwoning, die door opschuiving was leeggekomen, aangeboden door de E.B.
In een aantal bewaard gebleven brieven dreigde de E.B. met ontruiming -waarvan de kosten voor de huurder zullen zijn- wanneer de bewoners geen andere Krimwoning willen aanvaarden. Er bleef hen zo geen andere keus. Aangaande twee alleenstaande weduwes schreef de

_______________↓_______________


|pag. 210|

E.B. aan het R.K. Armbestuur:

Zou het geen aanbeveling verdienen, om deze alleenstaande oude mensen, die naar wij veronderstellen door uw bestuur worden onderhouden, een plaatsje in het Oude Mannen en Vrouwenhuis te verschaffen? … wij weten niet, of straks bij afbraak der woningen, een geschikte andere woning aanwezig is …(39 [39. Archief E.B., map: ‘Afbraak’, diverse brieven.])

     Een ander deel van de bewoners bleef in de direkte omgeving van de Krim (en Sebastopol) wonen. Het waren voornamelijk de losse arbeiders en de kooplieden die in onmiddellijke omgeving bleven wonen; hieronder enkele pakknechten, de stoelmatter, lompenkooplui en de winkeliersfamilie Gärwers die al bijna vanaf het begin in de Krim gewoond had.
waarschijnlijk was ekonomiese gebondenheid de reden voor hun ‘honkvastheid’. Verder kregen veel bewoners woonruimte in de ‘Gaskrim”, zo genoemd omdat de woningen bij de gasfabriek lagen en er veel gezinnen uit de Krim woonden. Het betrof hier de huizen aan de Lippinkhofweg en Eeftinksweg die in 1930, in hoge nood, door de E.B. waren aangekocht. Het was oorspronkelijk de bedoeling dat slechts in tien van de 23 woningen Krimbewoners gehuisvest zouden worden. Een tweede Krim moest voorkomen worden.(40 [40. Notulen besloten Raadsvergadering, 11 nov. 1929.]) Dat voornemen bleek niet haalbaar en in de Eeftinksweg en Lippinghofsweg, waar toch al een aantal Krimgezinnen woonde, kwam een grote groep ‘Krimpianen’ wonen. Ook op andere plekken in Enschede ontstonden nieuwe, verkleinde, uitgaven van de Krim. Huisvesting van gezinnen aan de Drienerweg en de omgeving van de Lipperkerkstraat gaf aanleiding tot de namen “Driener-Krim en Lipperskrim”. De Potskrim en Robertskrim die door Taat, in een boekje over Enschede, nog genoemd worden zijn ons onbekend.(41 [41. D. Taat, Enschede in Oude Ansichten, dl. II, Enschede 1974, afbeelding 118.])

     Uit het ontstaan van deze nieuwe Krims blijkt het (gedeeltelijk) falen van het spreidingsbeleid van de E.B. Het opschuif-systeem had weliswaar menig Krimbewoner een betere, of soms zelfs nieuwe woning verschaft, maar had rond 1930 de grenzen van haar toepassingsmogelijkheden bereikt. De aankoop van 23 panden bij de gasfabriek toont dat aan. De E.B. moest kiezen tussen twee kwaden; stopzetting van de afbraak van de Krim, of het bij elkaar brengen van een aantal Krimge-

_______________↓_______________


|pag. 211|

zinnen in een groep woningen die toen al slecht bevonden waren. Gekozen werd voor het laatste en daarmee was de ‘Gas-krim’ een feit. De E.B. moet zich bewust geweest zijn van het ontstaan van nieuwe ‘konsentraties’ Krimbewoners. De woningen in de Gas-krim, de Driener-Krim en ook de Lipperskrim waren in haar eigen bezit. Toewijzing van de woningen was dus in handen van de E.B. Uit de huurdersboeken blijkt overigens dat 75% van de “laatste bewoners” een woning kreeg toegewezen die in bezit van de E.B. was. Met de Krimwoningen meegerekend verhuisden 54 gezinnen naar een woning die onbewoonbaar verklaard was of daarvoor op de nominatie stond.(42 [42. Archief E.B., map: ‘Afbraak’, brief 30 nov. 1932.])

‘ze zijn altijd wel sportief bij elkaar gebleven’

     Het ontstaan van nieuwe Krims vloeide niet alleen voort uit het beleid van de E.B., maar ook uit het handelen van de bewoners. In de Krim werd lief en leed met elkaar gedeeld en kon men in tijden van nood op elkaar rekenen. Als groep had men aan moeilijke omstandigheden het hoofd kunnen bieden waar de enkeling niet tegenop had kunnen boksen. De Krimbewoners hadden een hechte buurt gevormd. In zekere zin was het letterlijk en figuurlijk een grote familie geweest. Waarom zou men na de afbraak kiezen voor een maatschappelijk isolement in een straat waar men door de andere bewoners als ongewenst beschouwd werd, als op een andere plek in Enschede het oude buurtleven kon worden voortgezet. Mevrouw K. vertelde:

“…De een trok hier en de andere daar, maar toch wel allemaal in zo’n buurtje waar dat volk dat dat zo gewend was, weer bij mekaar kroop. Dat hebben ze wel gedaan, ze zijn altijd sportief bij elkaar gebleven. Als er dan ergens een woning vrijkwam dan ging jij er ook in. Toen wier dat weer wat wij vroeger in de Krim hadden bij het gasfabriek. Toen zat daar weer al dat gespuis (mevrouw K. vertelde dit lachend) bij elkaar. Mijn zoon woonde daar ook en later nog in het Overschot …”

Met het Overschot is een straat genoemd waar eveneens veel oud-Krimbewoners woonden. Het waren 20 oude huizen die niet lang na de Krim

_______________↓_______________


|pag. 212|

gebouwd waren met het geld dat ‘overgebleven’ was uit de schenkingen en verzekeringsgelden die na de brand van 1862 naar Enschede waren overgemaakt. Vandaar ook de naam het Overschot. Mevrouw P. woonde lange tijd in het Overschot en vertelde dat er dezelfde families woonden als in de Krim. Ook mensen die hun kostje bij elkaar scharrelden.
Ze zochten elkaar op, omdat het zo gezellig was en omdat ze tussen de “boeren” niet wilden wonen. Het was, evenals de Krim, een straatje waar alles onder elkaar geregeld werd en waar een vechtpartij niet uit de weg gegaan werd. Naar aanleiding van een vechtpartij waarbij vrijwel het hele Overschot betrokken was, werd een liedje gemaakt. Omdat een dergelijke gebeurtenis ook in de Krim plaats had kunnen vinden willen we een tweetal coupletten uit dit lied aanhalen:

Het hele Overschotje stond in rep en roer
een ieder greep er naar een bijl of mes
ze moesten het leren jassie dat op het hoekje stond
met z’n allen effe lekker op de pens.

Tante Rieka sprak, wat hebben ze pappe toch geflikt
hij ligt in bed heb in zijn kop een hele grote glip
Manus Hendriks tippelt met een halve bovenlip
Jantje Oostdam loopt met ’t oogie op zijn wang
hij schreeuwt; ik hen voor het hele overschot niet bang
maar ze doen het nou niet weer
het doet nog wel een beetje zeer
maar ze zijn nu de dikste vrienden weer
…”

Over het spreidingsbeleid van de gemeente was mevrouw P. niet zo te spreken. Zo woont nu voor het eerst in een nieuw huis na altijd in de ‘afbraak’ gezeten te hebben. “Je kwam uit de gribus en daar moest je hier van de gemeente ook weer in”, aldus mevrouw P.

     Tot zover het verhaal over wat er met de bewoners van de Krim gebeurde. Wat gebeurde er met de Krim zelf? Na de afbraak bleef er een open terrein, het Krimplein, over. Daar verrees een noodkerkje van de Jacobusparochie. Tevens werd er meermalen een grote tent opgezet om meetings in te houden en te dansen. Voor de jeugd uit de omgeving was

[hier moet het geweest zijn.]

_______________↓_______________


|pag. 213|

het een speelterrein en een voetbalveld. Na de bevrijding sloegen soldaten er gedurende enige tijd hun tenten op en stonden en legervoertuigen geparkeerd.(43 [43. interview mevr. P.])
     En de plannen van de gemeente? In 1929 had ze het Koninklijk Huis geschreven dat onder andere de Krim beschouwd werd als ‘wonde-plek’ in een gezond lichaam. Echter, in Enschede was de wil algemeen aanwezig om die wonde-plekken uit te snijden en te maken tot “…nieuwe longen voor de stad, die de lucht en het hartebloed der gemeenschap zullen ververschen …”(44 [44. Gemeentearchief Enschede, inventarisnr. 56.]) Het is niet duidelijk wat de gemeente bedoelde met die nieuwe longen. Een fris, groen park misschien? Dat zou er niet komen. In plaats van longen kwam er een halsslagader; een brede verkeersweg, de zgn. boulevard 1945. Op het einde van de oorlog werd Enschede gebombardeerd en veranderden grote delen van de oude stad, waaronder de omgeving van de vroegere Krim, in een ruïne.
Na de oorlog verrees er uit de puinhopen onder meer een brede verkeersweg, de oost-west verbinding die in 1929 al gepland was en waarin het Krimplein een rustpunt had moeten worden.

     Waar ooit ome Sjakie met z’n nootmuskaat rondging, Stokkentree zijn lompenhandel had en de familie Rillmann mosselen inmaakte, staan nu betonkolossen langs een verkeersweg die allesbehalve de lucht en het hartebloed van de gemeente verversen. Een situatie die door Joost Prinsen op zijn elpee ‘Aan Lager Wal’, in een lied over Enschede als volgt wordt bezongen:(45 [45. Een fragment uit ‘Textielstad’, uitgebracht op ‘Aan Lager Wal’, Joost Prinsen. De tekst van het lied is van Willem Wilmink, de muziek van Harrie Bannink. De Berkenkamp was een klein Enschedees straatje dat in het meer recente verleden niet al te goed aangeschreven stond.])

Krim, Berkenkamp, Sebastopol
het is voorbij, de maat is vol
Bijna geen mens hier heeft nog weet
van Uw gelatenheid, Uw leed.
 
Dwars door het uitgeteerde hart
loopt nu de kale boulevard
met postkantoor en V & D
Oh Enschede, oh Enschede
”.

 
– Bosch, M. & Jagt, G. (1983). Al is de Krim ook nog zo min: Geschiedenis van een Enschedese volksbuurt, 1861-1934. (Doctoraalscriptie). Economiese en Sociale Geschiedenis, Katholieke Universiteit Nijmegen, Nijmegen.

Category(s): Geen categorie
Tags: ,

Comments are closed.