Het losse huis Groot Bavel


[]

Gezicht in de Lutte. Schilderij door A. W. P(althe), 1837, in de Oldenzaalsche Oudheidkamer. In het midden de boerderij Groot Bavel; aan den gezichtseinder Bentheim en Gildehaus.

W.H. DINGELDEIN

HET LOSSE HUIS

GROOT BAVEL

UIT DE GESCHIEDENIS VAN EEN TWENTSCH ERF

2e geheel omgewerkte druk

1947

RIJKSMUSEUM TWENTHE – ENSCHEDE


|pag. 1|

[ ]

INHOUD.
Ter inleiding, door W.H. D. 3
Ten geleide, door J.H. v. H. 5
I. De geschiedenis van het erf, zijn bezitters en bewoners 7
II. Het hallehuis; de verwerving en overbrenging van Groot Bavel 25
III. Beschrijving van het huis 34
IV. In en om het Twentsche boerenhuis 48
Aanteekeningen 56
Inhoud 60
Afbeeldingen
Erratum: Blz. 16 regel 20, 1945 moet zijn 1645.

 

[ ]

Druk N.V. voorheen Fa. M.J. van der Loeff, Enschede


|pag. 2|

TER INLEIDING.

     De eerste bescheiden druk van dit boekje, uitgegeven in Mei 1937, ter gelegenheid van de openstelling van het losse huis Groot Bavel bij het Rijksmuseum Twenthe te Enschede, was reeds lang uitverkocht en er bestond groote behoefte aan een herdruk. Dit mocht evenwel geen bloote afdruk van den eersten worden, omdat in de tien jaren na zijn verschijning tal van bijzonderheden aan het licht waren gekomen, die verwerkt dienden te worden. Daarom is deze tweede uitgaaf een volslagen omwerking en uitbreiding geworden. Gaarne hadden wij den tekst op sommige punten nog vollediger gezien, maar daarvoor zouden nòg uitgebreider en uiterst tijdroovende naspeuringen in archieven, vooral in het Rijksarchief voor Overijssel, noodig zijn geweest. Wellicht kunnen de hiaten, die echter niet al te zeer zullen storen, in den volgenden druk gevuld worden. Moge het boekje ook in dezen vorm aan de bezoekers van het losse huis Groot Bavel goede diensten bewijzen.
     Dit geschriftje beoogt geenszins een volledige beschrijving van het „losse hoês” in ’t algemeen, maar tracht den lezer een denkbeeld bij te brengen van de wijze, waarop de Twentsche boer in vervlogen eeuwen leefde en gehuisvest was. Wie zich in dit onderwerp wil verdiepen, kan de bestaande literatuur raadplegen. Enkele titels van werken en losse opstellen, naar tijdsorde gerangschikt, volgen hier:

     W. Pessler, Das altsächsische Bauernhaus in seiner geographischen Verbreitung (Braunschweig, 1906).
     J.H. Gallée, Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners (Utrecht, 1908).
     H.W. Heuvel, Volksgeloof en volksleven (Zutfen, 1909).
     W. Lindner, Das niedersächsische Bauernhaus in Deutschland und Holland (Hannover, 1912).
     E. Geerdink, Een oud-Saksische boerenwoning. In „De Tijd” van 8 Nov. 1916.

|pag. 3|

     H. van der Kloot Meyburg, Onze oude boerenhuizen, 3e dr., (Rotterdam, 1921).
     Jan Jans, Over oude en nieuwe landelijke bouwkunst in Twente. In: Oudheidk. Jaarboek 1928.
     Jan Jans, Landelijke bouwkunst in Overijssel. In verzamelwerk „Overijssel” (Deventer, 1931), blz. 238—254.
     Wilhelm Bomann, Bäuerliches Hauswesen und Tagewerk im alten Niedersachen (Weimar, 1933).
     Zestiende, zeventiende achttiende en negentiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Terpenonderzoek, 1931—1935 (Groningen, 1936).
     C. Elderink, Het Saksische Huis en zijn bewoners. In: Twènter Laand en leu en lèven, blz. 248—280 (Enschede, 1937).
     Cl.V. Trefois, De bouw der boerenhoeven. In: Volk van Nederland, blz. 95—128 (Amsterdam, 1937).
     Jos. Trier, Das Gefüge des bäuerlichen Hauses im deutschen Nordwesten. In: Westf. Forschungen, I, blz. 36—50 en pl. I-X (Münster, 1938).
     Jan Jans, Volkscultuur en bouwkunst (Amsterdam, 1938).
     S.J. van der Molen, Ezinge, Saksische of Friesche huizen? In: Tijdschrift van het Kon. Ned. Aardrijksk. Genootschap, deel LVII, 6 (Leiden, 1940).
     C.C.W.J. Hijszeler, Boerenvoortvaring in de oude landschap: Termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drente (Assen, 1940).
     M.W. Heslinga, De onderdeelen van het Twentsche boerenhuis en hun benamingen. In: Tijdschrift van het Kon. Ned. Aardrijksk. Genootschap, deel LVIII, 3 (Leiden, 1941).
     M.W. Heslinga, Over den oorsprong van het Twentsche los hoes. In: Het Noorderland, le Jg. No. 1 (Groningen, 1941)
     Jan Jans, Oude boerderijen in Overijsel. In: „Ons Eigen Land in zijn rijke verscheidenheid”, blz. 161—167 (Amsterdam, 1942).
     S.J. van der Molen, Het Drentsche boerenhuis en zijn ontwikkeling (’s Gravenhage, z.j.).
     Voor het „Saksenvraagstuk” zie men:
     B.H. Slicher van Bath, Mensch en Land in de Middeleeuwen, 2 dln., (Assen, 1944).

W.H.D.     


|pag. 4|

TEN GELEIDE.

     Bij het verschijnen van den tweeden druk der verdienstelijke studie van onzen medewerker W.H. Dingeldein moge ik een woord ten geleide medegeven. Het is mede, om mijn waardeering uit te spreken voor het vele werk, dat de schrijver op geschiedkundig, natuurhistorisch-landschappelijk en taalkundig gebied voor Twente heeft verricht.
     Zijn studie over Groot Bavel omvat veel meer dan de beschrijving van dit oude erve alleen. Min of meer vertegenwoordigt zij in groote trekken de geschiedenis van elk oud boerenerve, waarvan de historie teruggaat tot in het grijze verleden. Al kan men bij Groot Bavel niet af dalen tot in den tijd der Kerstening van de Twentenaren, toch liggen er in Twente tal van erven, bij welke men wèl kan teruggaan tot vóór Karel den Groote, voor 800 dus. Nagenoeg alle erven van deze soort werden oude geestelijke goederen, door Karel den Groote, zijn zoon Lodewijk, en hun opvolgers als Duitsch keizer met kwistige hand weggeschonken aan de bisschoppen van Utrecht en de pasgestichte abdijen en kloosters.
Het meeste kloosterbezit, behoorende aan Prüm, Essen, Werden, Vreden, Metelen e.a. is in latere eeuwen weder in andere handen overgegaan. Slechts de oorkonden spreken ervan.
     De wetenschappelijke ontgraving der terp van Ezinge in de jaren 1931—1934 door Prof. Dr. A.E. van Giffen heeft aangetoond, dat het type van het hallehuis reeds een of twee eeuwen voor Christus bestond. Het kan de wortel zijn zoowel van het Friesche als van het Saksische huis.
     Twente mag met zekeren trots spreken van zijn oude erven, die deel vormden van de Saksische gemeenschap, zooals die haar grondslag had in de oude marken met haar rechten en bestuur, haar communaal bezit en de „ware”, waarnaar het aan-

|pag. 5|

deel van ieder erf in die gemeenschap werd berekend. Daaruit is na vele eeuwen het tegenwoordige Twente gegroeid.
     Tot voor een halve eeuw is er veel van de oude gebruiken bewaard gebleven, als „noaber”-plichten, onderlinge verbondenheid, gehechtheid aan den grond en aan familiebezit. Nog zijn de eigenschappen van arbeidzaamheid, eenvoud, soberheid, vasthoudendheid, karigheid in woorden niet geheel verdwenen. In het „Twentsche Volkslied” heeft onze onvergetelijke medewerker en vriend, wijlen J.J. van Deinse, iets van het Twentsche landschap, de esschen en erven, de rivieren en het hooge geboomte bezongen. Niet minder is onze vriendin, de ook ontslapene Cato Elderink, erin geslaagd, aan het volksleven en den schat van sagen en legenden van Twente een dichterlijken vorm te geven. Beiden gedenk ik gaarne.
     Aan het „losse hoes” zijn voor mij onverbrekelijk verbonden de historische achtergrond daarvan en de plaats, die het heeft ingenomen en in gewijzigden vorm nog inneemt in het Twentsche landschap en het leven van zijn bewoners, zooals die door Cato Elderink, Mr. G.J. ter Kuile sr. en J.J. van Deinse zijn begrepen en geteekend. Voor mij vormt dit alles een geheel, waaraan ik mij gebonden gevoel.

J.H. v. H.


|pag. 6|

DE GESCHIEDENIS VAN HET ERF,
ZIJN BEZITTERS EN BEWONERS.

     Het huis Groot Bavel stond sinds zijn bouw in de achttiende eeuw tot in den nazomer van 1936 in de boerschap en vroegere marke de Lutte, gemeente Losser, ongeveer 400 meter ten westen der kerk en omstreeks even ver ten Zuiden van den straatweg Oldenzaal—Bentheim. Het lag daar mooi op een kleine verhevenheid aan den oever van een smalle, heldere beek, die, van de helling van den breeden, glooienden Bavels Esch komend, hier door lage, eenigszins moerassige weiden stroomt. Opgaand houtgewas langs den beekoever beschutte het tegen den Westenwind; het vrij groote bosch aan de andere zijde hield den Oostenwind verre. Dichtbij ligt de boerderij Tijman, welks naam wijst op een oude plaats van samenkomst der inwoners van de boerschap, waar zij hun gemeenschappelijke belangen bespraken en waar oudtijds recht werd gesproken onder voorzitterschap van den boerrichter. De overlevering verhaalt, dat een vroegere bewoner van Groot Bavel in het moeras langs de beek verzonken zou zijn en dat men zijn dwalenden geest nog soms God! en Hulp! hoort roepen 1 [1. J.A. Ort, Oudheidkundige aanteekeningen, III, Oldenzaal tijdens de Salische Franken (’s-Gravenhage, z.j.), blz. 258.]).
     De buurt, waar het huis Groot Bavel stond, heet van ouds de Elfter heurne, of, volgens de tegenwoordige uitspraak, Elfter huier 2 [2. Voor de marke de Lutte zie: Markeregt van de Lutte, uitgegeven door de Vereen. tot Beoef. v. Overijss. Regt en Gesch. (Zwolle, 1878).]). De groote marke de Lutte was, zoover de geschreven geschiedenis teruggaat, verdeeld in vier hoeken of heurnen, oudtijds leitscappen, lescappen of leeschappen geheeten: de Roder-, Molter-, Hengeler- en Elfterlescap, ieder met een hoofdhof, namelijk den Hanhof (Hohof), Molthof (Multeri), Duivelshof (Duvelshoff) en Monnikhof (Elviteri). Het waren elk voor zich deelen, even belangrijk als een middelmatige marke en zij bezaten binnen de groote Lutter marke een zekere zelfstandigheid: zoo werden er uit iedere

|pag. 7|

heurne eenige swaren (gezworenen) of met een lateren naam: hoeders benoemd, die overtredingen van het markerecht moesten constateeren en op den eerstkomenden holting (holtgericht, markevergadering) op hun ambtseed wroegen of aanbrengen. In andere groote Twentsche marken, zooals Dulder en Beuningen, werden dergelijke hoeken haeckschappen of hasschappen geheeten; zij vormden boerschappen binnen de marke.
     De Elfterheurne, waarin het erf Groot Bavel lag, had den Elfter- of Monnikhof als hoofdhof, die sinds de invoering van het Christendom in Twente, dus zegge van 800 af, eigendom was van de abdij te Werden aan de Ruhr, de stichting van den Frieschen Evangelieverkondiger Ludger. Tegen het midden der tiende eeuw verschijnt deze hof, liggend in Elviteri, in de goederen- en inkomstenlijsten van het Stift Werden als middelpunt van het beheer van vijftig erven, waarvan de meeste in Twente en enkele in het graafschap Bentheim waren gelegen 3 [3. Zie b.v. S. Muller Fzn. en A.C. Bouman, Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, dl. I (Utrecht, 1920), No. 100.]).
Onder de abdij van Werden heeft Groot-Bavel niet behoord, maar het was reeds vroeg in handen van een Twentsch edelman.
     De naam Bavel luidde, zooals men aanstonds zal zien, aanvankelijk Bavelo, waarvan het eerste lid den persoonsnaam Bavo kan vertegenwoordigen en het tweede bosch, of liever open bosch, potegrond beteekent, zoodat de naam Bavo’s bosch zal kunnen beduiden 4 [4. Zie ook Vinc. van Wijk O.C., Boerderijnamen (Oldenzaal, 1927), blz. 72.]). Nu wordt echter in het oudste leenboek der heerschap Steinfurt in Westfalen op een lijst van beleeningen in het jaar 1319 een Johan (de) Bovelere genoemd, die behalve den Conradinchoff te Hon Erle (misschien in de marke Losser) een viertal erven in de Lutte (Dregerinch, Lutteke Crucele, Bernedinch, Dhele) in leen hield van den heer van Stenvorde 5 [5. K. Döhmann, Das älteste Lehnbuch der Herrschaft Steinfurt, 1280-1439 (Burgsteinfurt, 1906), blz. 16. Daar worden alle erven in parochia Lottere = Losser geplaatst, hetgeen onjuist is.]). Bij een volgende beleening, in 1360, ontving Everhardus den Bavelere den Hof te Hengele (Hengelman) en het erf Dregerinc

|pag. 8|

(Dreyerink) in dezelfde marke 6 [6. Idem, blz. 17.]). In het jaar 1374 was hij overleden en gaf Locke, weduwe van Everd den Baveler een leenrevers aan Baldewin, heer tot Stenvorde, waarin zij erkende, als borgleen van het huis thor Gronowe (Gronau) den hof te Hengele in het kerspel Oldensele te hebben ontvangen, waarvoor zij den leenheer een goeden gewapenden man ter beschikking moest stellen 7 [7. Vorstelijk Bentheim-Steinfurter archief, Burgsteinfurt, X. Rep. B. 3 (Steinfurter Lehen).]).
     Het is merkwaardig, dat hier de naam Boveler of Baveler voorkomt als de naam van een vazal, zonder twijfel een man uit den lageren- of dienstadel, een ministerialis. Het kan zijn, dat deze dienstmannen hun naam hebben ontleend aan de hoeve, die hun stamzetel was, in dit geval van het Bavelo. De Baveler is dan eenvoudig op te vatten als „bewoner of bezitter van het Bavelo” of wel als „hij die uit het Bavelo afkomstig is”. Correspondeert echter de naam Baveler niet met het oude Bavelo (en dit lijkt ons het waarschijnlijkst), dan kan het tweede lid ook laar zijn, welks beteekenis door Kiliaen (pl.m. 1600) met „onbebouwde grond, gemeene weide” wordt omschreven 8 [8. K. Kilianus, Etymologicon theutonicae linguae, 3e uitg. (Antwerpen, 1599).]). Het is in de Middeleeuwen, van midden 1200 af, een algemeen verschijnsel in Twente, dat er dienstmannen en zelfs ridders optreden, wier namen wijzen op afkomst van een boerenerf. Zoo de geslachten Snoye of Van Losser en Binkhorst uit de Lutte, om in de buurt te blijven.
     Een Johan Bavele wordt genoemd op 19 Juni 1381, toen Werner van Goer, wonend te Aldenzale, bij het bisschoppelijk gerecht een pandbrief tegen Johan Bavele nam voor 20 oude schilden ter zake van niet-betaalde verteringen (magenaas), welke Johan bij Werner (ongetwijfeld een herbergier) gemaakt had 9 [9. Tijdrekenkunde register op het oud provinciaal archief van Overijssel, bewerkt door J. van Doorninck, F. 33 (Judiciaal Florens van Wevelinkhoven, fol. 20). Verder aangehaald als TR.]). Verband tusschen hem en Everd den Baveler kan niet worden gelegd.
     1359 is het jaar, dat Groot Bavel voor het eerst als erf wordt genoemd. Op 3 Februari van dit jaar verkochten Frederic van Binkhorst, zijn vrouw

|pag. 9|

Grete, hun dochter Alheyd en hun zoon Herman aan Johanna Poppen een ware to holte ende to akerne in de Lutte, de roert ut den Grotenhus to Bavelo, ghelegen in Lutter marke in den kerspel van Aldenzele, up twe pachtbeker to verhoelden, betaalbaar telken jare tusschen Martini en Midwinter in het Grotehus to Bavelo. Zij deden daarvan afstand voor den mede-zegelenden richter van Aldenzale, Peter van Woelde geheeten Harghelo in eenen gehegeden heymale en beloofden garantie. Als keurnooten of assessoren van den richter waren aanwezig Johan Wonder, Gherd van Zaterslo gheheten de Blote en Johan Redemark 10 [10. Vorstelijk Benth.-Steinf. archief, X Rep. B. 114 (Arch. Frenswegen).]). Verkocht werd dus een ware, die oorspronkelijk aan het Groote Huis te Bavelo verbonden was geweest, en die de bezitters dier ware recht gaf op hout uit de gemeene marke en op de uitdrift van varkens in de markebosschen, wanneer er akeren was, d.w.z. wanneer er voldoende eikels en beukenootjes waren. Aker beteekent boomvrucht, in ’t bijzonder de vrucht van eik en beuk. De voorwaarde „up twe pachtbeker to verhoeldene” wijst er op, dat alleen het gebruiksrecht van de ware verkocht werd. Blijkbaar als een soort recognitie, waren er telken jare twee pachtbekers (kleine gekuipte vaatjes) voor verschuldigd, welke op het huis Groot Bavel moesten worden geleverd.
Men mag aannemen, dat Frederik van Binkhorst bezitter van het goed was, omdat ook de bekers op het huis moesten worden geleverd.
     Niet lang hierna verneemt men iets over het erf, zijn eigenaar en zijn bezitster. In de lijst der leenmannen van het Sticht Utrecht, aangelegd op last van bisschop Florens van Wevelinghoven, staat onder het hoofd „Borchmanne to Diepenhem” de volgende inschrijving, welke van het jaar 1384 dagtekent: „Item Fije Sweders wijf van Diepenbroke hout tgoet gehieten dat Grote Bavele, gelegen in den kerspel van Aldenzale in der buerscap to Lutte.

|pag. 10|

Ende dat goet heeft mijn heer Sweder beleent to sijns wijfs behoef thent mijn heere tot Aldenzale coempt, ende dan salt sijn wijf ontvangen”11 [11. S. Muller Fzn., De registers en rekeningen van het bisdom Utrecht 1325—1336 (’s-Gravenhage, 1891), blz. 786.]). Sweder heeft dus voor zijn vrouw leenhulde gedaan aan „mijn heer”, dat is den bisschop. Zij hield het goed als borgmansleen van Diepenheim, een heerlijkheid, die nog niet lang geleden eigendom der bisschoppen was geworden. Misschien is dit leengoed ook reeds jaren vóór 1384 in handen van haar of haar voorzaten geweest, wellicht ook van bovengenoemden Frederik van Binkhorst, die haar vader kan zijn geweest. Alle borgleenen bestonden voor de helft uit eigenlijk leengoed, voor de helft uit erfgoed of eigen goed, hetwelk de vasal aan zijn leenheer bij verleening van een borgmansleen moest opdragen.
Omdat de borgmannen van Diepenheim verplicht moeten zijn geweest aldaar te resideeren en het eigenlijke borgleen (de borgmanswoning) aldaar moet hebben gelegen, zal het Groot Bavel erfgoed van de Binkhorsten zijn geweest 12 [12. Vergelijk aangaande borgleenen K.G. Döhmann, Die Burgmannen von Steinfurt, in Progr. des Gymn. Arn. te Burgsteinfurt (1900).]). Hiervoor pleit ook, dat dit erf niet voorkomt op de goederenlijst van Diepenheim en Dale, welke met 1188 begint 13 [13. Das Güterverzeichnis Graf Heinrichs von Dale, uitgegeven door F. Philippi en W.A.F. Bannier (Bijdr. en Med. Hist. Gen. gev. te Utrecht), dl. XXV.]).
     1440 is het jaar, dat het erf in het oudste Lutter Markeboek het eerst wordt genoemd, en wel als Grote Bavele. Het was een erf, waaraan anderhalve waar verbonden was, en het recht, een gezworene (swaren) te stellen. Hier wordt ook aangeteekend, dat het vroeger zelfs 2½ waar had bezeten, doch dat ééne waar er oudtijds afgenomen was en aan de Begijnen van Almelo verkocht of geschonken. In genoemd jaar bezat Arnd van Bervorde (Bevervorde) die ledige waar, die niet meer verbonden was aan het erf, waaraan zij oorspronkelijk had behoord. Zij was in 1464 eigendom van het klooster Frenswegen 14 [14. Markeregt van de Lutte, blz. 8.]). Dit moet dezelfde waar zijn, welke in 1359 door Frederik van Binkhorst was verkocht.
Zoodoende was Groot Bavel in den ouden tijd een der beste erven in de Elfter lescap, want slechts één,

|pag. 11|

namelijk Bernding (Beernink) bezat drie waren.
     De gewaardheid beteekende voor den bouwman van het erf het recht op het genot der gemeene, d.i. gemeenschappelijke of onverdeelde goederen der marke. Hij kon zijn vee laten weiden op de graslanden, zijn schapen op de heiden, zijn ganzen in de broeken; hij mocht in den herfst zijn varkens in de bosschen laten loopen. Hij mocht turf steken in de venen, plaggen en schadden maaien op de heide en in het broek, en had recht op brand- en timmerhout.
In de Lutter marke is al het hout, al stond het ook bij den boer voor de deur, tot 1693 communaal bezit gebleven. De ware was de eenheid, waarnaar de omvang dezer rechten berekend werd.
     Een gezworene had toe te zien op de vergrijpen der markegenooten tegen de willekeuren, dat zijn de wetten der marke, en moest die op den holting aanbrengen of wroegen, op zijn ambtseed. Hij genoot voor die diensten tien schaar akerens, d.w.z. hij had in den herfst, wanneer er voldoende akeren was, het recht acht varkens, een beer en een stier in de markebosschen te laten loopen, nadat hun eerst met een brandijzer het merk van de heurne in de huid was gebrand. Het jaar 1619 b.v. was een goed akerenjaar, en toen werden er van Groot Bavel buiten het aantal, waarop hij als gezworene recht had, 15 varkens en 12 roenkoken (ruin-kodeken, gesneden beertjes) ingebernd 15 [15. Idem, blz. 66.]).
     Naast het erf Groot Bavel wordt in het Lutter Markeboek van 1440 een Luttike- of Klein-Bavel, dat niet zoo belangrijk was, genoemd. Het beschikte slechts over ééne waar. De gewone gang van zaken is geweest, dat twee dergelijke erven, Groot- en Luttike-, door splitsing uit één groot erf zijn ontstaan, hetgeen wij ook hier veilig mogen aannemen.
     Wie in 1440 bezitter van het erf was, wordt niet vermeld; het Markeboek noemt maar in enkele gevallen de eigenaars en bezitters, hetzij goedsheeren,

|pag. 12|

hetzij eigengeërfde boeren; ja er waren tijden, dat de laatsten een zeer kleine minderheid vormden of zelfs geheel ontbraken. Merkwaardig is het, dat het leengoed Groot Bavel tusschen 1384 en 1457 niet in de bisschoppelijke leenregisters wordt genoemd, en dat pas op 20 October 1457 een nieuwe beleening geschiedde. Toen beleende de nieuwe landsheer David van Bourgondië, bisschop van Utrecht, zijn leenman Hendrik van Reede met den hof te Saterslo (Saasveld) met toebehooren, het Kogenschot, het Franckenhuis, het Stopendaell, Johannink, de grove en smalle tienden over het Valenbroeck in de buurtschap Dulre (Dulder), het goed Bernering in de boerschap Lemeslo (Lemselo), de molen te Lindele (Meuleman in den Linderhoek, Volte), de grove en smalle tienden over Roleving in de boerschap Vaelt (Volte), Groote Bavele in de Lutte, de grove en smalle tienden over Egbertincmole in de boerschap Doringen (Deurninge), het goed geheeten de Kemenade en het Nijehuis te Gamminclo (Gammelke) en de Kloppenborch in het kerspel Oldenzaal 16 [16. TR., D. 62 (Leenregister David van Bourgondië, fol. 35 verso).]).
     Deze Hendrik van Reede was gezeteld op het huis Saterslo in de marke Dulder. Hij was in 1432 in tweeden echt gehuwd met Johanna van Thije, dochter van den ridder Goert van Thije en Johanna Sticke, en overleed 13 Juli 1474, waarna hij in de St. Plechelmuskerk te Oldenzaal werd bijgezet 17 [17. Genealogie Van Reede, in Nederland’s Adelsboek 1916, blz. 273 vv.]).
     Maar het leenregister spreekt onwaarheid! Groot Bavel was in 1457 geen leengoed meer. Want Hendrik van Reede had reeds van Davids voorganger Rudolf van Diepholt gedaan weten te krijgen, dat deze de grove en smalle tienden over Rolevinck in Vaelt en het Groote Bavele in de Lutte, die tot dusver als leengoederen door Hendrik bezeten waren, verhief tot edel eigen goederen. In ruil daarvoor liet Van Reede zijn erf te Kolmeschate in de boerschap Dulre en de Kloppenborch, beide onder het kerspel Oldenzaal, in het leenverband opnemen. De acte

|pag. 13|

werd 23 Mei 1453 op het slot te Lage geteekend 18 [18. TR, C. 100 (Liber monasterii in Albergen, fol. 83).]).
Dat Groot Bavel nog in 1457 en ook later nog als leengoed ten protocolle werd gesteld, moet geweten worden aan de onnadenkendheid, waarmede de bisschoppelijke leenkamer dikwijls vroegere formules van beleening, vooral wanneer het beleeningen te lediger hand gold, klakkeloos overnam bij nieuwe beleeningen.
     Opvolger van Hendrik werd zijn zoon Goert of Goderd van Reede, die 31 Augustus 1474 door bisschop David met de leengoederen van zijn vader werd beleend, met uitzondering van Groot Bavel 19 [19. TR., D. 262 (Leenregister David van Bourgondië, fol. 106).]). Maar toen hij op 19 April 1480 aan zijn echtgenoote Jutte van den Rutenberge ten overstaan van de bisschoppelijke leenkamer een aantal leenen als lijftucht of douairièrie vermaakte, werd Bavele in de Lutte daarbij wel genoemd 20 [20. TR., D. 349 (Leenregister David van Bourgondië, fol. 133).]). Doch toen Goert door den nieuwen bisschop Frederik van Baden op 21 Juli 1497 beleend werd met een groot aantal goederen in Twente, was Groot Bavel daar niet bij 21 [21. TR., E. 56 (Leenregister Frederik van Baden, fol. 33).]). Het is dus wel zeker, dat het erf in 1453 tot allodium is verheven.
     Uit het erf Groot Bavel gingen in deze vijftiende eeuw eenige grondrenten of uitgangen, bestaande in graan. Daarvan is o.a. sprake in het Calendarium en Necrologium van het Kapittel der St. Plechelmuskerk te Oldenzaal 22 [22. Calendarium et necrologium ecclesiae S. Plechelmi in Oldenzalia, bewerkt door E. Geerdink, in Archief v.d. Gesch. v.h. aartsbisd. Utrecht, XV (Utrecht, 1890).]). Een dezer uitgangen was in het midden der vijftiende eeuw eigendom van Johannes Boningerhof, vicarius te Steenwijk, die aan het Kapittel 1½ mud rogge per jaar schonk, welke geheven werd uit de erven Magnum Bavele en Reymaldinck in Lutta (Groot Bavel en de Reimer) 23 [23. Calendarium op 13 Juni.]).
Een andere graanrente van een mud rogge uit Arninckhoff, Kemenade, Bavelt en Reymerdinck werd aan het Kapittel geschonken door den in 1529 gestorven vicarius Herman Becker uit Schutterop 24 [24. Calendarium op 14 Maart.]).
     Evenals de meeste andere erven en landerijen was ook Groot Bavel met tienden bezwaard. Zij

|pag. 14|

werden onderscheiden in grove tienden (van de halmgewassen), smalle tienden (van andere veldvruchten) en bloedtienden (van het vee). Dikwijls geschiedde het, dat een tiende van de veldvruchten werd gefixeerd op een vaste hoeveelheid van den oogst. Men sprak dan van een beschapen tiende of van een sloptiende, omdat zij niet meer op den akker ten tijde van den oogst werd uitgenomen, maar onder het slop (de opening in den korenzolder boven de deel) door den tiendheffer in ontvangst werd genomen. Zulk een sloptiende werd ook uit Groot Bavel geheven, en wel door het Kapittel van St. Plechelmus te Oldenzaal 25 [25. Rijksarchief in Overijsel (verder aan te halen als RAO), Statenarchief No. 4646.]). Zij zal nog later ter sprake komen.
     Goert van Reede was een der machtigste edelen van Overijssel. Hij was van 1466—1484 drost of ambtman van Twente en kocht in 1483 het goed Brandlecht bij Nordhorn in het graafschap Bentheim. Hij overleed in 1501; zijn vrouw in 1528 26 [26. Nederlands Adelsboek, 1916, blz. 273 vv.]).
     Als heer van Saasveld en Brandlecht volgde op Goert zijn zoon Adriaan van Reede (beleend 1501), overleden 1541, die in ’t huwelijk trad met Lucia van Goor, gestorven omstreeks 1570. Zij wordt als weduwe genoemd op 7 November 1565, toen zij voor Henrick van Tie, gezworen onder-richter te Oldenzaal, verklaarde, dat zij verkocht had aan Wolter van Heyden, richter van het landgericht Oldenzaal, een jaarlijksche rente van 12½ daalders uit haar vrije erf en goed geheeten dat Groete Bavell in Lutta en uit haar andere goederen in ’t gericht van Oldenzaal gelegen 27 [27. Copieboek van Wolter van Heyden, richter te Oldenzaal, bewerkt door K.O. Meinsma (Zwolle, 1916), blz. 53.]). De rente moest op alle 11000 Maagdendag worden betaald en kon ten allen tijde met 250 daalders of princedaalders worden gelost.
Of in hedendaagsche taal: zij nam bij Wolter van Heyden, een zeer bemiddeld man, een leening van 250 daalders tegen 5% op.
     Goert van Reede werd erfgenaam van zijn vader Adriaan in de Stichtsche goederen, met welke hij in

|pag. 15|

1541 werd beleend. Door zijn huwelijk met Geertruyd van Nijenrode uit het Utrechtsche werd hij een der invloedrijkste edelen in het Sticht en stamvader van een rijk en vooraanstaand geslacht. Hij overleed in 1585.
     Toen in 1601 de verponding of grondbelasting in Overijssel werd ingevoerd, werd het erf Groot Bavel als volgt op het register gebracht: „Groete Bavel, toebehorende de heer van Reede, is groet umtrent 12 mudde gezeys en 4 dach mey(ens). Gifft ter pacht vier mudde roggen en den tenden an het Capittel van Oldenzeel” 28 [28. RAO., Statenarchief No. 4646.]). Onder het erf behoorden dus 12 mud bouwland en 4 dagwerk hooiland.
Het staat niet vast, wie er met dezen heer van Reede bedoeld wordt, doch voorshands willen wij in hem Adriaan van Reede tot Saasveld zien, die in 1612 als heer van Saasveld overleed, opgevolgd door zijn zoon Goert of Goderd van Reede tot Hernen en Saasveld, die in 1612 tot den landdag van Overijssel geadmitteerd werd en in 1609 gehuwd was met Maria van Wijhe 29 [29. G.J. ter Kuile, Geschiedkundige aanteekeningen op de havezathen van Twenthe (Almelo, 1911), blz. 186.]). Op de holtingen der Lutter marke van 25 Juni 1644 en 16 Mei 1648 compareerde als goedsheer Johan (Hans) Albrecht van Reede tot Brandlecht, maar hij was in die jaren geen eigenaar van Groot Bavel meer, doch wel van een ander, ons nog niet bekend erf. Want Groot Bavel was tusschen 1609 en 1635 twee keer in andere handen overgegaan. Dit blijkt uit het merkwaardige testament, dat Jan Groote Bavel in Lutta den 28 Januari 1645 maakte voor het landgericht te Oldenzaal, waar Bernard Kettwich als substituut-richter optrad, Andrees Krop en Derk Lucassen als assessoren 30 [30. RAO., Rechterlijke archieven No. 2065a (Protocol transp. test. en renteverschr. landgericht Oldenzaal 1633—1651).]). Zijn aanhef luidt:
     „Jan Groote Bavel in Lutta, cranck van lichaem, doch syn volcomen verstant machtich, konnende noch gaen ende staen, bedenckende datter niett sekerer als die doodt, ende niett onsekerer als die uyre desselfs, heeft daeromme met noch in bywesent ende

|pag. 16|

ten overstaen van Monninckhoff ende Molthoff by syn levende willen disponeren van syne goederen, hem door den Almoegenden Godt verleent ….”
     Hij verklaart dan te persisteeren bij den verkoop van zijn erf Bavel op voorwaarden, breeder in den koopbrief omschreven, en wil, dat zijn zoon Geurt en diens nakomelingen het erf Bavel zullen „tellen, bouwen ende gebruycken” luidens den voorgeschreven verkoop.
     Hieruit volgt met zekerheid, dat de testator Jan het erf heeft gekocht — zonder twijfel van Goert van Reede — en dat hij het weer aan een ander heeft verkocht. Deze aankoop en deze verkoop moeten zijn geschied vóór 15 September 1635, den datum, waarmede het oudste nog bewaarde protocol van overdrachten etc. des landgerichts Oldenzaal begint.
     Deze uiterste wilsbeschikking is te uitvoerig om ze geheel op te nemen en wij volstaan daarom met het volgende. Jan Groote Bavel en zijn in 1645 reeds overleden huisvrouw hadden behalve den zoon Geurt nog twee dochters, Geertken en Engelken. De eerste was getrouwd met Jan Binkhorst in de Lutte en had 200 daalder, een paard, vier koeien, vier guste beesten, vier eenjarige kalveren, een bed met zijn toebehooren en een kist met lijfgoederen als bruidschat ontvangen. Daarenboven legateerde de vader haar nog 100 daalder. De schoonzoon Jan, die met Engelken was getrouwd, zou uit de penningen van het verkochte erf 300 rijksdaalder ontvangen, benevens vee, bed, enz. gelijk Geertken had genoten. Bij zijn leven had de vader haar reeds 100 rijksdaalders geschonken voor alle trouwe hulp en zorg, aan hem besteed. Ten slotte zou de zoon Geurt het superplus of overschot van de kooppenningen van het verkochte erf ontvangen, benevens de geheele verdere nalatenschap: gezaai, koren, paarden en vee, mobiele en immobiele goederen, onder conditie, dat hij

|pag. 17|

alle boedelschulden zou betalen en zijn vader een eerlijke begrafenis bezorgen. „Verclaerende dit tho syn syn leste wille, gedenckende daerop ’t leven ende sterven”.
     Dit is het eerste maal, dat er een boer Groote Bavel met name ten toneele verschijnt. De boer Jan wordt trouwens reeds genoemd op 10 October 1633, toen hij met drie anderen uit de Elfterheurne borg zegde voor zekeren Evert Bus 31 [31. Idem.]). Hij is dezelfde als Johan, die onder een acte van 15 Maart 1636, waarbij de boeren der Elfer heurne een hoek markengrond verkochten, zijn handmerk zette als Johan ten Bavell, buirrichter, terwijl mede een Berent ten Bavel onderhandmerkt, die geen ander dan Lutke Bavel kan zijn geweest 32 [32. Acte bij de archivalia der Vereeniging Oudheidkamer Twente te Enschede.]).
     Zonder twijfel is Jan kort nadat hij bij uitersten wil over zijn goederen had beschikt, gestorven. Aan wie hij het erf verkocht had, blijkt wel uit een erfwinningsbrief van 5 Juli 1645, waarbij Gerlacus Antonius de Bever en Margareta Moosen genaamd de Bever het erve ten Groten Bavel naar hoorig recht vermeierden aan Johan, zoon van Geurt ten Groten Bavel en diens vrouw Geesken 33 [33. RAO., Portefeuille No. 1212 (Proces in saken de Roomse pastoor en med. dr. Nitert contra de weduwe op ’t Grote Bavel).]). Dus zijn G.A. de Bever en M. Moosen de koopers geweest.
     In het contract of den erfwinningsbrief, die voor het leven der pachters gold, werd bepaald, dat Jan de bouwerij kon aanvaarden, zoodra zijn vader die aan hem wilde overgeven; mocht Johan dan niet meer in leven zijn, dan kon Geurt een van zijn andere kinderen aanwijzen. Volgens gebruik werd het erf vermeierd „met heyde, weyde, toppe, torve ende twighe sambt alle olde ende nye gerechticheyt”, terwijl de expresse conditie werd gemaakt, dat Jans erfgenamen en opvolgers een eeuwigdurend recht op het erf zouden hebben, indien bij wisseling van pachter telkens een erfwinningspenning van 250 keizersguldens aan den eigenaar werd betaald.
     Jan, die in 1645 erfwinning had gedaan, wordt in

|pag. 18|

de notulen van den holting der Lutter marke van 18 Mei 1682 nog genoemd onder de hoeders en gecommitteerde goedsheeren voor den verkoop van markegronden, waar hij met zijn merk (een zandlooperfiguur) onderteekent. De marke had toen ruim ƒ 3426,— schuld, die werd omgeslagen over de erven en kotten. Groote Bavel moest ƒ 40,— voor zijn rekening nemen, waarvoor hem een half mud wilde grond in eigendom werd toegewezen 34 [34. Markeboek van de Lutte, handschr. B., in RAO.]). Jan ten Groten Bavel zet ook in 1683 als eerste zijn handmerk (een zandlooper met een dwarsstreepje) onder een acte, waarbij holtrichter, hoeders en boermannen van de marke de Lutte aan Lambert ter Haemshorst en zijn vrouw een stuk veldgrond of „tuinrichtinge”, gelegen in de Elfter Heurne, verkoopen 35 [35. Archivalia van de Oldenzaalsche Oudheidkamer, Inv. No. 251a.]).
     Kort daarop werd de marke van een harer grootste en waardevolste sieraden beroofd, want de gemeenschap van het hout werd opgeheven bij resolutie van 25 September 1693, en al het hakbare hout, zoowel eiken als beuken, dat op borsthoogte niet in een ijzeren ring van 3½ voet omtrek kon worden gevat, den 11 Maart d.a.v. te Oldenzaal publiek verkocht. De opbrengst was niet minder dan ƒ 33.339,— , waarvan na aftrek der schrikbarend aangegroeide markeschulden nog ƒ 13.358 overbleef, welke penningen werden verdeeld over de 93 waren, die de marke telde, de ledige inbegrepen. Aan den goedsheer van Groot Bavel viel ruim ƒ 215,— ten deel, aan de anderen naar evenredigheid van hun waartal 36 [36. Zie aant. 34.]).
     Door erfenis moet het Groot Bavel aan Derk van Flodrop en diens huisvrouw M.E. van Beveren en haar zuster S. van Beveren zijn gekomen. Deze Van Flodrop heeft ook in de Lutte gewoond, al was het niet op het erf, want den 27 Maart 1714 en den 29 April 1715 werden respectievelijk „Vrouw Flodrops uit de Lutte” en „Joncker Flodrops uit de Lutte” te

|pag. 19|

Oldenzaal verluid en stellig in de St. Plechelmuskerk begraven 37 [37. Doodenregister Oldenzaal 1712—1747 in ’t Ontvangstboek der kerke van Oldenzaal (Gern. arch. Oldenzaal).]). De oude, uit Westfalen afkomstige en sinds lang gedeeltelijk in Twente gezetelde familie Van Beveren of De Bever wordt met de Beverborg in de Lutte in verband gebracht en volgens Geerdink hebben ook de genoemde jonker van Flodrop met zijn twee zusters (juister: met zijn vrouw en haar zuster) op de Beverborg gewoond 38 [38. J. Geerdink, Eenige bijdragen tot de geschiedenis van het archidiaconaat en aartspriesterschap Twenthe, enz. (Vianen, 1895), blz. 489.]). „Die Beverberch” en „die luttike Beverberch” worden reeds in 1440 genoemd als gelegen zijnde in Roder lescap; mocht het dus waar zijn, dat een tak der Van Bevers deze goederen heeft bezeten en er zijn naam aan heeft gegeven, dan moeten zij reeds in de eerste helft der vijftiende eeuw in het bezit der familie zijn geweest.
     Doch de eigenaars Van Flodrop—wan Beveren bezwaarden hun erf Groot Bavel dermate en betaalden de rente zoo slecht, dat de hypotheekhouder kapitein Adolph van Rensen 39 [39. C.J. Snuif. De Poort der Van Rensens uit Oldenzaal, in Verz. Bijdr. tot de gesch. van Twenthe (Amsterdam, 1930), blz. 298 vv.]) zich gedwongen zag, het goed den 4 Januari 1707 te doen distraheeren, dat is gerechtelijk te doen verkoopen. Bij deze distractie werd hij er eigenaar van, doch niet lang daarna deed hij het over aan (Gerard?) Nitert, uit een voornaam Oldenzaalsch geslacht, wiens kinderen, de medicinae doctor Plechelm Antonius Nitert te Oldenzaal en zijn broer de pastoor Egbertus Antonius Nitert te Oegstgeest 40 [40. Egbertus Antonius Nitert, 1726 kapelaan te Rijpwetering (Arch. v.d. gesch. v.h. aartsbisd. Utrecht, X, blz. 17); 1722—57 Wervershoof, 1759—70 Oegstgeet (Arch. IV, 133).]), van 1763 tot 1768 als eigenaars worden genoemd 41 [41. RAO., Portefeuille No. 1212.]).
     Het was Guert of Geert Groote Bavel (Johans-zoon?), die in 1707 meier van het erf was, evenmin voorspoedig gegaan als zijn goedsheeren, want hij stak zoo diep in de schulden wegens achterstallige pacht, dat zijn boedel desolaat werd. Om het erf te redden en het niet aan verwaarloozing prijs te geven, vermeierde de oude Nitert het levenslang aan den eenigsten zoon van den faillieten pachter, eveneens Guert of Geert geheeten. Hij kon dit doen, omdat zich bij den executoiren verkoop in 1707 nie-

|pag. 20|

mand had aangemeld, die recht van preferentie op den boedel kon doen gelden, ook de bouwman Geert niet, waardoor zijn recht op het erf, en dus ook het recht van eeuwigdurende erfwinning vervallen werd verklaard 42 [42. RAO., Klaringen 1734—1780.]).
     De jonge Guert of Geert Groote Bavel zette als Gerd Bavel op 29 Juni 1715 zijn merk onder de holtingsnotulen in ’t markeboek. Hij komt voor op de lijst der inwoners van het landgericht Oldenzaal van Augustus 1748, met zijn vrouw Enne, zijn kinderen Geert, Fenne en Jan. Een arme vrouw, Jenneken Lammerink, woonde bij de familie in, nevens een knecht Lubbert en een meid Jenne 43 [43. RAO., Statenarchief No. 878.]). De huisvrouw heette Enne Snoyink en was zonder twijfel van het erf Snoyink aan de Dinkel afkomstig. In dezelfde lijst worden een Geert Olde Grote Bavel met zijn vrouw Janna genoemd. Zij waren dus de bewoners van het lijftuchthuis of „het olde”, dat volgens recht bestemd was voor den ouden boer en de oude boerin, als zij de bouwerij van het erf aan een hunner kinderen overgaven. Maar Geert en Janna kunnen niet de afgetreden bouwlieden zijn geweest, omdat zij nog kleine kinderen hadden; dus is de lijftucht waarschijnlijk aan hen verhuurd geweest.
     Van 1714 tot 1761 worden in het verlui-register der Kerk van Oldenzaal een achttal personen met den naam Groote Bavel genoemd. Den 11 Maart 1732 werd voor „Jan Groote Bavel uit de Lutte syn vrouw” het verluigeld betaald; den 24 Januari 1758 voor Geert Groote Bavel Wie de eerste was, is moeilijk te bepalen; de tweede was òf de man van Enne Snoyink, òf hun zoon. De overige vermeldingen in ’t register hebben meest betrekking op sterfgevallen van kinderen van Geert Groote Bavel. Familiebetrekking tusschen de 18e-eeuwsche drager van den naam kunnen alleen worden geconstateerd bij raadpleging van de doop- en trouwboeken van de kerkelijke gemeente Oldenzaal, waaronder de

|pag. 21|

Lutte toen behoorde.
     Geert Groote Bavel en Enne Snoyink hadden nog een jonger gezin bij zich in huis gehad, namelijk dat van hun zoon Guert of Geert. (Men merke op, hoe veel Groot Bavels den voornaam Guert of Geurt of Goderd hadden, naar de Van Reede’s, die ook dikwijls Geurt of Goderd heetten.) Zij moeten na 1748 zijn getrouwd, toen Geert en Enne reeds op jaren waren gekomen. In 1763 leefde alleen de vrouw van den jongsten Geert, en wellicht ook nog Fenne en Jan, haar mans zuster en broer. Maar de eigenaars Plechelm en Egbertus Nitert hadden weinig lust, het erf aan deze weduwe te vermeieren 44 [44. RAO., Portefeuille No. 1212.]). Zij ruïneerde het goed, verzorgde de landerijen slecht, kapte veel hout en plantte geen jonge boomen weer aan. Daarom deden zij haar gerechtelijke aanzegging, het goed tegen den naasten vervarenstijd, Martini 1763, te ontruimen. De weduwe stoorde zich hieraan niet, omdat zij op grond van den ouden erfwinningsbrief uit 1645 beweerde, recht op erfwinning te hebben tegen betaling van 100 rijksdaalders, en dat niemand haar kon dwingen, de plaats te verlaten. Ten onrechte, want in de meier- of huurcedul van Geert Groote Bavel uit 1707 was uitdrukkelijk bepaald, dat de pacht beperkt was met den afloop van het leven der toenmalige pachters.
     De Niterts namen geen genoegen met de opvatting van de weduwe en openden een procedure voor het Drostengericht van Twente, de competente rechtbank in kwesties van bezit, en leidden deze in door een request van 16 December 1763. Na tallooze debatten, die in juridische muggezifterijen ontaardden, kregen de eischers hun zin en werd den 28 Juni 1765 als sententie gewezen, dat de weduwe het erf moest ontruimen en een deel der proceskosten betalen. Deze berustte hierin niet, maar teekende hooger beroep aan op de Klaring, het provinciale hof van appèl 45 [45. RAO., Klaringen 1734—4780. Zie ook het gedrukte boekje; „Straffe voor de Eerwaarde Heer Rooms Pastor E.A. Nitert en de Medicinae Dr. Plech. A. Nitert, g’appelleerden, tegens de Wed. op ’t Erve Grote Bavel, reucklose appellante”. Het is gericht tot de Staten van Overijssel (zonder jaar).]). In klaringe werd den 1 November

|pag. 22|

1765 het vonnis van het Drostengericht vernietigd en werden partijen wederom naar deze rechtbank verwezen, waar de zaak nog in 1768 aanhangig was.
Het verdere verloop is ons nog niet bekend.
     Het is niet doenlijk, alle bewoners van Groot Bavel te noemen; evenmin alle eigendomsovergangen nauwkeurig vast te stellen, omdat dit een uiterst tijdroovend onderzoek in archieven zou vereischen.
Toch kunnen enkele bijzonderheden worden medegedeeld uit de jaren 1770-1811 46 [46. RAO., Rechterlijke archieven No. 2065 en vv. (Register 50e penning landgericht Oldenzaal).]).
     De Roomsch-priester Egbert Antonius Nitert overleed in de maand Augustus 1770 te Oegstgeest.
Van zijn goederen, waaronder de helft van het Groote Bavel en de helft van het Kroks of Bevershuis in de Lutte deed Johannes Antonius Nitert ten behoeve van de erfgenamen aangifte voor den 50sten penning. In 1778 werd de helft van het Groote Bavel, dat nu eigendom was geworden van vier erfgenamen van pastoor Nitert, gebruikt door den pachter H. Bulter. Een Jan Hendrik Bulter kocht in de maand September 1786 van den koopman Jan Hendrik Nieuwenhuis q.q. het achtste part van het erve en goed Bavel voor ƒ 975,—. Twee verdere achtste parten kocht hij in Februari 1791 van de weduwe van Bernardus van Delden te Amsterdam voor ƒ 2150,—. Door deze aankoopen was hij eigenaar geworden van drie achtste van het oorspronkelijke erf.
     De sloptiende uit Groot Bavel was in den Franschen tijd bij de nationale domeinen getrokken. Nijpend geldgebrek noodzaakte de regeering tot eenige groote verkoopingen van domeinen, waaronder zeer veel tienden en grondrenten. Zoo werd door den landdrost in het departement Overijssel q.q. op 25 October 1808 te Oldenzaal een dezer verkoopingen gehouden, waarbij het 198ste perceel, een sloptiende van 31¼ schepel rogge uit Groot Bavel in de Lutte, voor 1310 gulden 10 stuiver werd gekocht door G.

|pag. 23|

J. Warger en J. Bulters. Op 13 Sprokkelmaand 1811 deed F.J. Wessels, richter van het landgericht Oldenzaal, namens het Rijk overdracht van dit perceel aan de koopers 47 [47. RAO., Rechterlijke archieven No. 2073 (Overdrachten 1808—1811, landgericht Oldenzaal).]). Ofschoon het van G.J. Warger niet zeker is, zal hij te samen met Bulters eigenaar zijn geweest van het geheele erf.
     In de belasting op de paarden, beesten, reliqua, vuursteden, gemaal, geslacht en dienstboden (de generale middelen) voor het jaar 1788/89 werd blijkens de zetcedule of het kohier van de Elfter heurne Hooge Bavel voor ƒ 14—15, Lage Bavel voor ƒ 17—9 aangeslagen 48 [48. Verzameling van het Museum van Ov. Regt en Gesch. te Zwolle, pakket Palthe.]). Het laatste erf zal Groot Bavel zijn.
     In het begin der negentiende eeuw komt het geheele erf in handen van den vermogenden Johannes Palthe, predikant te Oldenzaal (geb. 1767, gest. 1854). In de nalatenschap van zijn weduwe Carolina Bernhardina Racer, een dochter van den grooten rechtsgeleerde Mr. Jan W411em Racer, welke weduwe op 24 Maart 1857 overleed, werd het erf op ƒ 7635,— getaxeerd. Het ging toen over aan haar zoon Karel Hendrik Bernard Palthe, mede te Oldenzaal. Na zijn dood op 20 Juni kwam het bij gerechtelijke boedelscheiding aan zijn dochter Carolina Bernardina Palthe, overleden 5 September 1923.
Het kwam toen onder den hamer en viel in perceelen uiteen. Met eenige andere goederen bracht het ƒ 67.359,— op 49 [49. Mededeelingen van den heer A.G. de Bruyn te Oldenzaal.]). Het huis met eenige hectaren omliggend bouw- en weiland kwam in handen van Johannes Reimer, landbouwer in de Lutte, als laatsten eigenaar.

|pag. 24|

II. HET HALLEHUIS; DE VERWERVING
EN OVERBRENGING VAN GROOT BAVEL.

     Reeds jaren lang was het de stille wensch geweest zoowel van het bestuur der Vereeniging Oudheidkamer „Twente” te Enschede als van enkele particulieren aldaar, de hand te leggen op een goed specimen van het oude Twentsche „losse huis”.
     Onderzoekingen van Prof. Dr. A.E. van Giffen in recente jaren, vooral in en na 1931 in het Noorden des lands verricht door zorgvuldige afgraving van wierden of terpen (waarin hij o.a. werd bijgestaan door zijn leerling Dr. C.C.W.J. Hijszeler), hebben bewezen, dat dit huistype véél ouder is dan men luttele jaren geleden nog kon vermoeden en dat het reeds vóór het begin der Christelijke jaartelling werd toegepast 50 [50. Het beste verslag over de opgravingen te Ezinge in „Zestiende, zeventiende, achttiende en negentiende Jaarverslag van de Vereeniging voor Terpenonderzoek, 1931—1935 (Groningen, 1936).]). En het was vooral de wierde van Ezinge in de provincie Groningen, wier kleilagen de overblijfselen van huizen verwonderlijk goed hadden geconserveerd. Van den oorspronkelijken kweldergrond af bleek de wierde in een aantal perioden opzettelijk te zijn opgehoogd, al naar de overlast van het water dit noodig maakte. Ook is zij gestadig gerezen door mest, vuil en afval van de bewoners.
Iedere periode is gekenmerkt door haar karakteristieke cultuur. Vooral de derde periode, wier begin men in de tweede of de eerste eeuw vóór Christus stelt, en waarin de wierde tot ongeveer twee meter boven den oorspronkelijken kweldergrond was opgehoogd, is voor ons van groot belang. Er werden goed geconserveerde overblijfselen van huizen ontdekt, die alle hetzelfde beeld vertoonden. Van berkenrijs gevlochten wanden, tot meer dan een meter hoogte bewaard, met afgeronde hoeken en bestreken met een mengsel van klei en koemest, omsloten ruimten van 6 à 7 meter breedte en ongeveer 10 meter lengte; één woning mat zelfs ruim 23 bij 7.20 meter. Het waren drieschepige hallehuizen, waar-

|pag. 25|

Grondplannen van de woningen gelegen op
het kernterpje van Ezinge

(Cliché Biol. Archaeol. Instituut, Groningen)

|pag. 26|

van de onderstukken der posten, die het dak droegen, eveneens nog aanwezig waren. Schuinstaande posten rondom de buitenzijde der wanden dienden om de dakspanten op te vangen en te steunen. Het dak was een walmdak („aanvallend dak”) en liep dus van de voor- en achterzijde schuin omhoog naar den nok. De haardsteden van de menschelijke bewoners werden teruggevonden. Van rijshout gevlochten matten lagen op de deel en moeten volgens Van Giffen gediend hebben, om er het voer voor het rundvee op te strooien, dat blijkbaar met zijn koppen naar de deel gekeerd stond, precies als in de tegenwoordige stallen.
     Tot welken volkstam de boeren, die het tweeduizend jaar geleden reeds zoover hadden gebracht in de kunst van woningbouw en wier veeteelt men niet meer primitief kan noemen, behoorden, weet men niet met zekerheid. Zonder twijfel waren het Germanen, en men denkt aan den stam der Cauchen of Chauken, door den Romeinschen geschiedschrijver Plinius in zijn Historia Naturalis vermeld als een beklagenswaardige bevolking van visschers, wier woningen, gebouwd op „tumuli” of „tribunalia” bij vloed op het water schenen te dobberen. In ieder geval wordt de oude voorstelling in de schoolboekjes, alsof de bewoners van ons land vóór de komst der Romeinen niet meer waren dan in beestenvellen gehulde wilden, door de vondsten in de wierde van Ezinga volkomen gelogenstraft 51 [51. Voor een samenvatting zie b.v. A.W. Byvanck, De voorgeschiedenis van Nederland, 2e dr., (Leiden, 1942), blz. 194 vv; O. Postma, Heeft het Friese boerenhuis in zandstreken en op de klei eenzelfde ontwikkeling doorgemaakt?, in „Een kwart eeuw oudheidkundig bodemonderzoek in Nederland (Meppel, 1947), blz. 279—281.]). Die menschen hadden reeds een vrij hoog ontwikkelde cultuur. Het huistype, dat zij bouwden, heeft zich in beginsel in de Oostelijke provinciën van ons land gehandhaafd tot op den huidigen dag.
     Ofschoon de naam Saksisch- of Nedersaksisch boerenhuis voor dit type langzamerhand is ingeburgerd — waarschijnlijk op Duitsch voetspoor —, dient hij toch met groote voorzichtigheid te worden gehanteerd. Men overwege slechts, dat de boeren,

|pag. 27|

die hun huizen op de onderste lagen der wierde van Ezinge bouwden, er reeds waren, voordat er van den naam „Saksen” of „Nedersaksen” sprake was.
Uit het grondtype, te Ezinge vertegenwoordigd, kan ook het Friesche boerenhuis zich hebben ontwikkeld. Dit is evenwel op het oogenblik nog een twistpunt, waarop hier niet kan worden ingegaan, en dat dieper en breeder kennis vereischt dan waarover schrijver dezes beschikt.

     Te goed was ons bekend, dat dit oude hallehuis-type weldra tot het verleden zou behooren en met angst zagen wij het oogenblik naderen, waarop het laatste losse huis zou zijn afgebroken, verknoeid of tot schuur gedegradeerd. Het mag wel een gelukkige omstandigheid heeten, dat het groote, hooge en ondanks zijn beginnend verval nog indrukwekkende huis Groot Bavel met zijn primitieve inrichting reeds eenige jaren door den eigenaar verlaten was, die ernaast een nieuwe woning had laten zetten. Het oude huis was nu als schuur, bergplaats en kalverstal in gebruik. Zijn hooge en spitse dak van verweerde roode pannen, tot op manshoogte neerdalend op de lage zijmuren met kleine vensters en deuren, het „boveneind” met zijn aangebouwde „bovenkamer”, en een waterput voor de deur, beschaduwd door een linde, het „nieneind” met zijn „onderschoer” en groote „niendeur” — alles vormde een karakteristiek geheel. Doch de eigenaar koesterde snoode plannen: verbouwing of misschien wel afbraak stond voor de deur.
     Geruchten daarvan drongen door tot Enschede en in alle stilte werd besloten, ernstige pogingen te wagen, om dit hallehuis te redden voor het nageslacht. Die pogingen zijn met goed gevolg bekroond, maar het had heel wat voeten in de aarde, eer de handteekeningen op 19 April 1936 onder het koopcontract konden worden gezet. En toen het zoover

|pag. 28|

was, stond een dier Enschedeërs, die zoo vaak hart toonden te bezitten voor alles wat Twentes oudheid en beschaving betreft, gereed, om het huis aan het Rijk present te geven. Want het Museum te Enschede is Rijksinstelling en het huis, straks overgebracht naar den museumtuin, zou Rijks eigendom worden. Naar genoegen verliepen de onderhandelingen zoowel met het departement van Economische Zaken als met dat van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. In den herfst van 1936 en het vroege voorjaar van 1937 werd het huis door werkelooze jongelieden uit de bouwvakken onder deskundig toezicht zorgvuldig gesloopt, vervoerd naar Enschede en daar weer opgebouwd. De man, die hierbij de hoofdleiding had en van den beginne af de aangewezen persoon was, is de architect Jan Jans te Almelo, niet alleen goed bouwmeester, maar tevens kenner van het z.g. Nedersaksische boerenhuis als er weinigen in Nederland zijn. Zijn vaardige teekenstift heeft bovendien honderden boerderijen en burgerlijke bouwwerken: kerken, torens, molens, huizen in Twente zoowel als in het graafschap Bentheim en Westfalen, op meesterlijke wijze afgebeeld.
Wie hiervan iets wil zien, beschouwe in een der zalen van het Rijksmuseum Twenthe zijn vlotte teekeningen, die daar tentoongesteld zijn.
     ’t Spreekt wel vanzelf, dat de heer Jans, alvorens het sein tot slooping te geven, met pijnlijke nauwgezetheid daar in de Lutte aan ’t waterpassen, meten, teekenen en fotografeeren toog, opdat het huis, op zijn nieuwe plaats herrezen, werkelijk Groot Bavel zou blijven en niet een willekeurig los huis, dat er op leek. Men kan beseffen, dat dit voorbereidende werk niet gering is geweest.
     De hoofdmassa van het materiaal was aanstonds weer bruikbaar. Het houtwerk, voor zoover het verrot of vermolmd was, werd door ander vervangen, waartoe het Rijk de eeuwenoude balken, die zoo

|pag. 29|

juist bij de restauratie van den St. Plechelmustoren te Oldenzaal daaruit waren verwijderd, ter beschikking stelde. Ook oude bijpassende baksteenen en grootdakspannen moesten her en der verzameld worden en zoo was er meer, dat voorziening behoefde, o.a. de vensters. Maar tijdig kwam het huis gereed en op 11 Mei 1937 vond de overdracht van het herrezen Groot Bavel aan het Rijk plaats. Hierbij vertegenwoordigde de heer M. Visser het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, en M. de Vries dat van Sociale Zaken. De overdracht geschiedde bij monde van den heer J.H. van Heek, directeur van het Rijksmuseum Twenthe 52 [52. Verslag van de overdracht in Twentsch Dagblad Tubantia van 12 Mei 1937, tweede blad.]).
     En het resultaat? „Ie maj ’t mi de wa’ weer hèn zetten, dan kö’j mien nejt hoês wa’ kedo kriegen”.
Dit woord van den vroegeren eigenaar zegt genoeg.
Groot Bavel is thans weer geheel bewoonbaar: als ’t moest kon er op staanden voet een boerengezin intrekken en het behoefde zelfs geen bedden mee te brengen. Al wat tot het interieur behoort, is aanwezig en illustreert op voorbeeldige wijze, hoe de oude Twentenaren gehuisvest waren. Al voldoet een dergelijk huis volstrekt niet meer aan de eischen, die de moderne tijd aan hygiëne en bedrijf stelt, toch geeft het ons een beeld van het leven op het platteland in vroegere eeuwen, van zijn nadeelen, maar ook van zijn voordeelen. „Want”, zegt de heer Jans, „iets eigenaardigs komt ons uit deze oude huizen tegemoet en dat is een stuk boerencultuur, de zoo eigenaardige boerenbeschaving, van de wonderlijke mengeling van het echt boersche en onverwachte verfijningen in vorm en kleur van alle gebruiksvoorwerpen”. Cultureel, dus wat levensstijl betreft, is de boer achteruitgegaan; hij volgt de burgers na, wat niet erg zou zijn, indien dezen een goeden levensstijl hadden, de moeite van ’t navolgen waard. En verder: „Het nut van een goed bewaard en goed ingericht oud boerenhuis is nu, dat het in de eerste

|pag. 30|

plaats een inzicht geeft in de levenswijze van onze voorgeslachten.
     Doordat het ons inzicht geeft in de oude cultuur, geeft het ook inzicht in de waarde van cultuur. En eenmaal zoover, krijgt het oude boerenhuis een modern doel. Want wanneer het waar is, dat in het verleden het heden ligt en in het nu, wat worden zal, dan kan het oude huis Groot Bavel groote diensten bewijzen bij den opbouw van een nieuwe boerencultuur”53 [53. Overijsselsch Landbouwblad van 11 Maart 1937.]).
     De levenswijze van ons voorgeslacht werd voor een goed deel beheerscht door oude ingewortelde gebruiken en gewoonten, waaronder de buren- of noaberplichten een eereplaats bekleeden. Een goede buur is beter dan een verre vriend — dit spreekwoord kon ontstaan zijn in het land der verspreide hoeven, dat ook weet te spreken van „naoberaarme, wel oaver ’n hoogsten toén rekt”, van burenarmen, die over de hoogste erfscheiding heen reiken. „Noabers annemmen”, dat was wel een der eerste plichten, die op een nieuwen boer rustten, en wanneer hij zijn buren vereenigd had aan het „noabermoal”, dan wist hij zich verzekerd van hun hulp en steun in vreugde en leed, bij ziekte en rouw. En een boer, die het zou hebben gewaagd, geen buurt te erkennen, zou zich buiten de gemeenschap hebben geplaatst. En nòg zijn de banden, die de buurtgenooten binden, onverzwakt; zij reiken vaak zelfs over boerschapsgrenzen, ja over rijksgrenzen heen. De traditie is nog sterk en wordt gevolgd naar ongeschreven wetten, en hierin ligt stellig een groote bron van kracht.

     Zoo staat dan het huis Groot Bavel in den tuin van het Rijksmuseum Twenthe. Hoewel het van den beginne af, bij de stichting van dit museum dus, in de bedoeling had gelegen, op een vrij terrein achter het hoofdgebouw een boerenhuis uit het Oosten van

|pag. 31|

Twente neer te zetten, was het, gezien de beperkte ruimte en de stadsche omgeving: aan den eenen kant het moderne museumgebouw, aan den anderen, door een haag van het museumterrein gescheiden, een rij eenvoudige burgerhuizen, een waagstuk. Want. . . zou het boerenhuis, weggerukt uit zijn ruime, natuurlijke omgeving, waarmede het was vergroeid, daar wel passen en niet doodgedrukt worden tusschen de belendende gebouwen? De meeningen waren verdeeld. Maar de architect en met hem anderen waren van meening, dat het wel zou lukken. En het gaat inderdaad, ja er is een bevredigend geheel geschapen, een harmonische afdaling van het hooge dak der gehoorzaal van het museum over het steile roode pannendak van het losse huis naar de bescheden lage daken, eveneens van roode pannen, van de rij burgerhuizen. Zijn na verloop van jaren de eiken, geplant tusschen museum en boerderij en de boomen langs de stadsstraat hooger opgeschoten, dan zal het langzamerhand schuilgaan in het hout.
En reeds nu, van bepaalde punten gezien, krijgt men de illusie, dat men niet in de stad is. Trouwens, men is hier niet in de oude stad van Enschede, maar aan den buitenrand, op het terrein van het vroegere erve het Laersonder of Lasonder.
     De afmetingen van Groot Bavel zijn niet gering: 20 meter lang en 12.50 meter breed, met nog een uitbouw aan het „boveneind” van 5 bij 5 meter. Wel zijn er grootere hallehuizen geweest, van 30 en 35 meter lang en overal in de Twentsche boerschappen hebben ze gestaan, doch bijna alle zijn ze sinds betrekkelijk korten tijd geen „losse” huizen meer, doordat een scheermuur (de „stapel”) de deel van het haard- en woongedeelte heeft gescheiden. Maar Groot Bavel is nog lang niet een der kleinste: een zaal van 17.5 bij 8 meter komt overeen met de ruimte van een dorpskerk. Het mooiste nog bewaarde exemplaar was het huis op het erf de Waarbeek bij

|pag. 32|

Hengelo, maar dat ging helaas aan het eind van den oorlog bij de bevrijding in April 1945 verloren 54 [54. Beschrijving met teekeningen door Jan Jans in „De Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst”, deel IV, 1, Twente, door E.H. ter Kuile ’s-Gravenhage, 1934), blz. 56—59 en plaat XXIX.]).
Geen tiental losse huizen is in Twente meer overgebleven; men moet ze zoeken in de uithoeken en de „binnenlanden”.
     „Losse” huizen, dat zijn „open” huizen; huizen, waar bedrijfs- en woonruimte èèn geheel vormen.
Menschen en vee zijn elkanders onmiddellijke buren. Het gezinsleven concentreert zich aan de eene zijde, rondom den haard, de heiligste plek van het huis; paarden zijn aan de tegenoverliggende smalle zijde gestald; aan de eene lengtezijde de koeien, aan de andere het jongvee en de varkens; op de hilde boven de koeien hebben de kippen haar legnesten; links en rechts, naar het woongedeelte toe, en ter weerszijden daarvan, bevinden zich ook de kamertjes, bedsteden, kasten, enz. 55 [55. Vgl. ook M.W. Heslinga, De onderdeelen van het Twentse boerenhuis en hun benamingen, in Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen., deel LVIII, 3 (Leiden, 1941), blz. 285 vv.]).

|pag. 33|

III. BESCHRIJVING VAN HET HUIS.

     De oude boerenhuizen zijn meestal ter wille van het bedrijf met de groote inrijdeur naar den weg toe gebouwd. Wat men tegenwoordig voorgevel zou noemen, is bij dit huis achtergevel en omgekeerd.
Daarom kan men het huis Groot Bavel ook het best betreden door de groote inrijdeur, de „niêndeur”, dat is de nederdeur of benedendeur. Zij is ook inderdaad de voornaamste deur van het huis: de bruid wordt hierdoor binnengeleid.
     Beneden is de gevel, waarvoor men staat, van baksteen op Bentheimersteenen voet en gevat in een vakwerk van posten en rijen (verticale en horizontale balken). De groote driehoek van den gevel boven den muur is van eiken planken, niet netjes bekant en geschaafd, maar krom, zooals ze van den boom kwamen, en ongeverfd. Toch sluiten ze goed aan elkaar en de gebogen verticale lijnen geven een zekere levendigheid aan den driehoek. De vrij lage, niet meer dan manshooge zijmuren vertoonen eveneens vakwerk met steenvulling, en bij den muur van het „boveneind” is dit eveneens het geval, terwijl een „voet” van Bentheimer steen, waarop de posten rusten, rondom het geheele huis loopt. De baksteen is waarschijnlijk afkomstig van een der tichelwerken op den Isterberg ten Noorden van Bentheim; ze is donkergekleurd, hard en van tamelijk klein formaat.
Dit huis heeft altijd steenen muren gehad, want bij de afbraak bleek, dat de horizontale rijen geen gaten voor ’t inzetten der staande spijlen („wandstaken”) hadden. Want de oudste vullingen der muurvakken waren van leem, gestreken op een vlechtwerk van staande spijlen met liggende rijzen of takken, en bij vele boerenhuizen, vooral in Noordoost-Twente, kan men nog tal van vakken met leemvulling aantreffen, en in ’t bijzonder is dit bij schuren en schoppen het geval. Zelfs in de oude steden Ootmar-

|pag. 34|

sum en Oldenzaal hebben de van de straat uit niet zichtbare zijwanden der huizen soms nog vakken „wand”. Niet moeilijk is het in te zien, dat het algemeen Nederlandsche woord „wand” oorspronkelijk „het gewondene, het gevlochtene” heeft beteekend.
     Het hooge en spitse dak is geheel met een grootformaat roode pannen gedekt, die men grootdaks- pannen noemt. Wel had dit huis, toen het nog in de Lutte stond, naar den nok toe enkele vakken „dak”, d.w.z. stroobedekking, restant van den vroegeren toestand, toen het geheel onder stroodak schuilging, maar ter vermindering van het niet denkbeeldige brandgevaar is het uitsluitend van pannen voorzien,; waaronder stroodokken voor afdichting zorgen. Onder de vorstpannen is volgens oude gewoonte heide gelegd. In de heidestreken van Twente maakte men zelfs geheele topgevels van heide.
Het stroo voor de daken leverde het boerenbedrijf zelf op: waarom zou men dan pannen koopen? Ook was het isoleerend tegen warmte en koude. „Erg soliede was een stroodak niet, elk jaar waren reparaties noodig”, zegt Jans 56 [56. Ontleend aan den eersten druk van dit boekje (Enschede, 1937).]). De boeren zeiden van ’t stroodak: „’n Stroodak is net ’ne olde bokse, ’t hank ook van stukke an mekaar”. Begrijpelijk is daarom de toepassing van pannen, eerst voor de onderste helft van ’t dak boven de ruimten naast de deel. Geleidelijk echter wonnen de pannen terrein op ’t stroo.
     In ’t midden is de groote „niendeur” terugwijkend ter diepte van één gebond (gebint), zoodat er een voorportaal wordt gevormd, het „onderschoer”, een prachtig droge schuilplaats, bij voorkeur gebruikt om er het paardetuig op te hangen en ook wel enkele landbouwgereedschappen. En de kippen kunnen er bij regen schuilen, of, als ’t haar verveelt, door het openstaande „hoondergat” door de niendeur wippen, en binnen op de deel of in de „keuken” zien, of er wat te scharrelen valt. De groote deur, in

|pag. 35|

Groot Bavel. Platte grond en doorsnede
Teekening van J. Jans


|pag. 36|

tweeën gedeeld door den „stiel” of „stiepel”, en dan nog ter weerskanten hiervan uit een afzonderlijke boven- en benedendeur bestaand, is hoog genoeg, om een voer rogge of hooi doorgang te verleenen, wanneer de stijl wordt weggenomen. Deze staat in een uitdieping van den drempel of „zul” en draagt ter halver hoogte een ingekorven figuur in den vorm van een zandlooper, het stiepelteeken, waaraan veel schijnt vast te zitten. Opmerkelijk is het, dat het huismerk van de boeren op Groot Bavel, waarmede zij de holtingsresoluties, maaksmaalbrieven (huwelijkscontracten), koop- en schuldbrieven en andere belangrijke stukken onderteekenden, toen zij de kunst van het schrijven nog niet verstonden, ook een zandloopervorm heeft, soms voorzien van een horizontaal dwarsstreepje door het midden. Bij een aantal Twentsche boerenwoningen leest men op den toog van de niendeur een vrome spreuk met jaartal en naam van den boer en de boerin, als een herinnering aan de stichting, maar bij Groot Bavel ontbreekt deze, en zelfs geen jaartal spreekt van den bouw. Het jaartal 1785 op het blok zandsteen, dat naast de niendeur was ingemetseld, heeft geen bewijskracht.
     Rechts van de niendeur geeft een kleinere deur toegang tot den paardenstal, links tot den koestal, terwijl ook van het onderschoer zijdeuren naar deze beide afdeelingen leiden. Boven den paardenstal is het traditioneele, uiterst sobere kamertje voor den knecht, die steeds bij de hand moest zijn, wanneer er des nachts iets was met de paarden of het vee; het heet hier en daar in Noord-Twente „’t zaal”.
     Wij lichten de deurklink op en treden binnen.
Daar staan wij op de groote deel, op de vloer van vastgestampt leem met randen van Bentheimer steen. Onze oogen moeten eerst aan het halfduister wennen. De geheele ruimte, van de niendeur tot den haard, ligt voor ons. Door de lage en breede ramen

|pag. 37|

achter den haard valt het licht naar binnen. Het strijkt ook door de openstaande zijdeur rechts over de machtige paardekrib, uit één blok zandsteen gehouwen, en de met hooi gevulde ruif daarboven, en het komt ook door de bescheiden stalvensters in de zijmuren gluren.
     De groote hal vindt zijdelings en boven haar begrenzing in de zware eiken gebintstijlen met daarop rustende balken, die de ruimte overspannen en het zoogenaamde „veerkaante wèrk”, de constructieve kern van het huis, vormen, en waarmede het bouwen van elk boerenhuis begon. Het opzetten van deze gebinten, het „richten”, — Groot Bavel heeft er 8 en is dus een huis van 8 gebond — was ook nog in het midden der achttiende eeuw, toen het gebouwd moet zijn (misschien wel met gebruikmaking van ouder materiaal) en men over primitieve hulpmiddelen beschikte, geen gemakkelijk werk. De geheele buurt kwam te pas aan dit „richten”, aan deze „hoesbeuringe”, en een „richtmöälken” na afloop was dan ook een welverdiende tractatie voor de helpers.
Vaak werd bij nieuwbouw of herbouw een oud huis elders voor afbraak tegen billijken prijs gekocht en werd het bruikbare materiaal — in de eerste plaats het onverwoestbare eikenhout — gebezigd voor een nieuwe woning. In vele gevallen ook kwam het markebestuur tegemoet door een aantal eiken voor den bouw te schenken.
Op de deel staande, met het gezicht naar den haard gekeerd, ziet men links den koestal, een bergruimte met ingebouwde bedstede, een melkkamer met spinde of muurkastje en de „wasschehook” of waschhoek. De koestal heeft zijn rij van „reppels” of „vessels”, die staan in gaten van den „zul” of staldorpel, en waaraan de runderen met kettingen werden vastgelegd. Boven den stal, onder den eigenlijken zolder, is de „hiêl” of hilde voor de opberging van stroo. De waschhoek is niet door een muur of

|pag. 38|

schot van de woonruimte gescheiden. Rechts zijn een hok voor de varkens, een kalverstal, een weefkamer, een bedstede met kast en weer een open ruimte, „’n hook”, vanwaar een deur leidt naar de aangebouwde „bovenkamer”. Deze „mooie kamer” van ’t huis, nochtans zeer sober ingericht, was bestemd voor de ontvangst van voorname gasten en soms wel als woonvertrek voor de „olde leu”, den ouden boer en de oude boerin, of wel voor een „klopje” uit de familie. Zij heeft twee bedsteden en een kleine voor een kind. De meeste bovenkamers dagteekenen uit de achttiende eeuw, en mogen als een teeken van groeienden welstand worden beschouwd.
     Al deze stal-, slaap- en bedrijfsruimten, met uitzondering van de bovenkamer, bevinden zich in de beide laaggezolderde „ofkubbingen”. Men zou ze de zijbeuken van het hallehuis kunnen noemen. Terwijl de eiken spanten van de kap rusten op de plaat, die in de lengte over de koppen der gebintstijlen loopt, worden de afkubbingen overspannen door de „oplangen”, hulpspanten, die rusten op de platen over de lage zijmuren en schuin tegen de sporen aanliggen. Daardoor krijgen de vlakken van het dak een flauwen knik, waardoor ongewild alle stijfheid wordt weggenomen. Een zekere levendigheid wordt ook veroorzaakt door het eenigszins voorover hellen van de beide gevels.
     Waar de leemen vloer van de deel met zijn rand van Bentheimer steenen overgaat in een plaveisel van ruwe Bentheimer brokken en de zoldering van sleeten in een planken bekleeding, begint het woongedeelte, „de keuken”, dat door een breed venster van kleine, in lood gevatte ruitjes zijn licht ontvangt.
Toen het huis nog in de Lutte stond, waren die looden ruitjes er niet meer, maar omdat ze oorspronkelijk in alle oude boerenhuizen aanwezig waren, zijn ze er hier ook weer ingezet. Ze zijn vervaardigd

|pag. 39|

naar oude voorbeelden. Van het hooggeplaatste raampje naast de schouw is het middenstuk origineel. Ook het venster van den wasschehook heeft ruitjes in lood gevat, evenals eenige raampjes in de zijgevels. Dikwijls gebeurde het, dat een boer bij den bouw van zijn huis een „glas”, dat is een gekleurd gebrandschilderd ruitje van vrienden of magen ontving. De Oudheidkamer Twente bewaart goede voorbeelden van dergelijke „glazen” met voorstellingen uit het boerenleven, een naam en een spreuk daaronder; de meeste zijn uit Westfalen afkomstig. Gordijnen voor de ramen kenden de oude huizen niet.
     Het woongedeelte, de „keuken”, dat is het domein van de huisvrouw, den hond en de kat, en daarom zegt ook het oude Twentsche spreekwoord: „De vrouw en de hoond heurt oonder ’t eerste geboond”.
De haard is hier het middelpunt. Die is al zeer eenvoudig: een gat, de „raakkoêl”, in de vloer, waarin en waarom de brandstof ligt gestapeld: ruige heideplaggen en een bosje stroo om het vuur aan te maken, rijzen, schadden (brandplaggen) en kloofhout.
’s Avonds, wanneer het gezin ter ruste gaat, wordt de klokvormige vuurstulp, uit zwaar bandijzer vervaardigd, er overheen gezet ter voorkoming van brand en vooral om te vermijden, dat katten, welke de warmte zoeken, met de nog gloeiende asch in aanraking komen en brand stichten. Boven den haard is de wijde zwartberoete „bozem”, een vrijhangende schouw, bevestigd aan de balken. Hij bestaat uit een houten geraamte met vulling van vlechtwerk met leem, dat den rook geleidt naar den schoorsteen, die gemetseld is op ribben, welke op twee balken rusten. Zoo’n schoorsteen, uitkomend boven den nok of den „vest” op het eind van het dak, verraadt al van ver, dat men met een oorspronkelijk los huis te doen heeft. Doch hij is betrekkelijk modern, want nog Sloet tot Oldhuis (1838) kende

|pag. 40|

menige boerderij zonder schoorsteen, waar de rook door een gat in het dak een uitweg moest zoeken 57 [57. Overijsselsche Almanak voor oudheid en letteren, 1838 blz. 131—132.]).
En Harm Boom spreekt in 1846 van de „schoorsteenantipathie bij vele Twentsche landlieden”, die gelooven dat de rook, welke de geheele woning doortrekt, de gezondheid van het vee bevordert en ’t koren op den zolder van vele insecten zuivert 58 [58. H. Boom, Mijne Reisportefeuille, of omzwervingen door Overijssel in het najaar van 1848, nieuwe uitgave (Zwolle 1932), blz. 73.]).
     In den bozem, boven den haard, hangt het „hoal”, dat met de „hoalketten” aan den „hoalboom” bevestigd is. ’t Is als ’t ware een groote zaag, met een haak aan ’t ondereind, waarlangs een klem op en neer kan schuiven, die veroorlooft, den ketel hooger of lager te hangen. Het haal is hier wel een zeer mooi stuk smeedwerk, aan de bovenzijde bekroond door een zespuntige ster in een ring. Ook sierlijke kleine haals, om er een tuitlampje aan te hangen, kende men. In den wijden bozem hangen het spek, de hammen en de worsten aan hun „spielen” in den rook, die den heelen dag opstijgt, en een uitweg vindt door den schoorsteen. Maar er waren ook tijden, dat men geen schoorsteen kende, en de rook zijn weg moest zoeken door naden en reten, die in ruime mate aanwezig waren — en zijn. Na het rooken kwamen de vleeschwaren naast het gezouten vleesch te hangen in de „wiêm” of „wiêmel”: latten onder een paar balken, waarop de spielen kwamen te rusten. Dat oude woord „wiêm” beteekent niets anders dan twijg of wilgenteen, waaraan oorspronkelijk het spek enz. werden opgehangen. „Speck hangende in weden” was een der zaken, waarvan bij overlijden van den hoorigen boer de helft aan zijn goedsheer ten deel viel.
     Ventilatie is er in een los huis meer dan voldoende. Als het vuur in den haard opvlamt, komt de koude lucht toestroomen, van de wijde deel, onder de deuren door, door de kieren van de vensters, overal vandaan. Wie op een kouden winterdag, als ’t zoo „trekkerig” is, bij ’t vuur zit, warmt zich aan de

|pag. 41|

voorzijde wel best, maar moet zich nu en dan een kwart of een halven slag omdraaien, om te voorkomen, dat hij aan de eene zijde geroosterd wordt en aan de andere zijde bevriest.
     Een gezellig hoekje is het bij den haard. Daar staat het ronde klaptafeltje op drie pooten, met zijn koffiekan en zijn ouderwetsche kopjes, de knopstoelen met biezen matten en de leuningstoel voor „besvaar” of „besmoor”. Wie plaats neemt, moet eerst zijn stoel verschuiven, tot alle vier pooten steun hebben gevonden op de steenplaten van den ongelijken vloer. Andere losse huizen kenden een „keukenvloer” van kleine gladde veldkeitjes, soms als mozaiek met aardige figuren gelegd. Achter den haard, aan den wand, hangen het houten zoutvat (dat niet op een vat maar op een kistje gelijkt) en de ijzeren „koude hand”, de aschschop en de tang.
De blaaspijp of „vuurpuuster”, een ijzeren worstrooster, een koperen schuimspaan of „schumer” en een haardbezempje van huttentut ontbreken niet.
Op het „hozzenpöälken” kunnen de natte kousen („hozzen”) en sokken zeer practisch gedroogd worden. Aan den achterwand, meer terzijde, staat ook de hooge staande klok met haar bruinhouten kast, en aan de andere zijde, naast de „boavendeur”, draait de „wèèndezoêl”: een verticaal geplaatste houten spil („zoêl” is zuil) met dwarsarm bovenaan, die veroorlooft den grooten roodkoperen „soppenkettel”, waarin het „soppen” of „soepen” voor het vee wordt gekookt, een halven cirkel te laten beschrijven, van den haard tot in den waschhoek.
     In dien waschhoek met zijn gewitte muren — witkalk met een weinig blauwsel — ligt op rekken en schragen het melkgerief, de stootkarn met de pols en de emmers, ’t Is eiken kuipwerk, met koperen banden beslagen, en prijkt met de voorletters van den naam der vrouw, eveneens in koper. Geen boerendochter trouwde er vroeger, of zij kreeg als deel

|pag. 42|

van haar uitzet houten vaatwerk mee: karn, melkvat en emmers in de eerste plaats, en vaak nog een balie of tobbe, een handvat of „breurselleupen” (voor ’t „breursel” of beslag der pannekoeken). In een rek langs den muur staan schotels van tin en aardewerk; op ’t „leppelbröd” of lepelrek hangen de tinnen lepels, door den rondreizenden tinnegieter gegoten; op een ander rekje de vorken. Een viertal tinnen brandewijnkommetjes hangen hier ook aan ’t schotelrek. De vleeschgaffel, dienend om de spijlen met slachtproducten uit de „wiemel” te lichten, staat in den hoek; de „bekkenwisch” of heideboender ligt bij de emmers op het rek. Water is bij de hand, want enkele meters buiten de bovendeur bevindt zich de welwaterput met Bentheimer steenen rand, post met roede en zwengel en wateremmer; een kleistraatje leidt erheen.
     Rechts van den haard voert een deur naar de bovenkamer. Zij heeft een Bentheimer steenen vloer; daarop staat een eiken tafel met knopstoelen er omheen. Een koperen koffiekan (kraantjespot) is op de tafel geplaatst. Aan de muur hangt een oude schrijflade of „schriefbröd” uit 1798, waarmee eens kinderen naar school stapten. In de bedsteden liggen de dikke veeren bedden gespreid. Met schuifdeuren kunnen ze gesloten worden. Ook de overige bedsteden, deels toegankelijk van de deel uit, deels in een kamertje ingebouwd, zijn ingericht zoals ’t behoort. Donkere, benauwde ruimten zijn het, niet berekend op slapers van meer dan normale lichaamslengte. Een wieg en een „kakstool” en een loopwagen voor de kleinste kinderen staan in een hoek en aan den wand.
     Al het houtwerk in het woongedeelte, inzonderheid het „kleedsel” of beschot, voorzoover het geverfd is, is bestreken met de geliefkoosde boerenverf „rabonnie” of rooden bolus. De muren zijn licht geblauwseld. Op Stillen (Goeden) Vrijdag, den groo-

|pag. 43|

ten schoonmaakdag van het jaar, wordt het geheele huis met bezemen gekeerd, worden de bedsteden van versch stroo voorzien en gaat de „spinn’- koppenjager” of ragebol door de hoeken.
     In de weefkamer, die vroeger in bijna elk Twentsch boerenhuis werd aangetroffen, staat het soliede eiken weefgetouw en de wever zit er achter, gereed met de spoel in de hand, om haar door de „ketten” of schering te schieten. Al de gereedschappen, die hij bij zijn werk noodig heeft, liggen of hangen bij de hand, en een brandewijnpulletje ontbreekt niet, want „zonder brandewijn kan de wever niet leven”. Ook een spinnewiel, een haspel en andere werktuigen voor de linnenbereiding hebben in deze weefkamer een plaats gevonden.
     Twee muurkastjes, „spinden”, bergen het mooiste huisraad: de beste kopjes, die nooit gebruikt worden, jeneverglaasjes en een karafje met geëmailleerde gekleurde bloempjes, een koffiemolen, enz. Ook de bruigomspijp van den boer, een lange Goudsche pijp, met strikjes en roosjes versierd, heeft hier een veilig plaatsje gevonden. Merkwaardig zijn de oude apothekersfleschjes met drankjes van een eeuw en langer geleden; aandacht trekt hier altijd de tinnen zuigflesch voor het kleinste kind.
     Alles is hoogst eenvoudig, ja sober ingericht. Dus geen schilderijen aan de muren, hoogstens een bont plaatje achter glas, een heiligenfiguur, een „Ecce homo” of „Mater dolorosa”, een ingelijste merklap van grootmoeder, een klein spiegeltje, verweerd en vlekkerig. Geen kasten voor het opbergen van de kleeren, want de beknopte maar soliede garderobe, het „kistentuug”, wordt in de eiken kleerkisten gepakt, waarvan er een paar aan den muur staan. Met eenvoudig snijwerk, meestal in gudssteek uitgevoerd, heeft de dorpstimmerman ze smaakvol versierd, en de naam van de bruid, die ze als vast bestanddeel van haar uitzet medekreeg, staat gewoon-

|pag. 44|

lijk in het voorplat uitgesneden. „Bedde en kistenvullinge onstrafbaar” is de geijkte term in de maaks- maalbrieven of huwelijksche voorwaarden, opgesteld door den schoolmeester van dorp of boerschap, en onderteekend door bruid en bruidegom, door magen en vrienden en door „dagesvrende” (getuigen).
Onstrafbaar, onberispelijk dus, moesten bed en vulling der kist zijn. De kleerkist, die hier staat, vertoont het jaartal 1704, maar geen naam. Andere, grootere kisten staan op de deel en worden gebruikt voor de berging van haver en haksel.
     Tegen het „kleedsel”, naar de deel toe, hangen een paar ouderwetsche jachtgeweren in de buurt van een antieke ijzeren lantaarn met hoornen ruitjes. Hier en daar hangt een oud ijzeren tuitlampje voor olie, dat slechts een bescheiden lichtpuntje in de duisternis kon brengen.
     Wil men nog even rondzien op de deel, dan kan men daar nog allerlei voorwerpen uit de boerenvoortvaring ontdekken. Er staat een complete kleedwagen of „zeilwaage”; daarnaast een gewoon wagenstel, aan welks „laankwagen” nog de gekuipte houten pot hangt, die smeer voor de assen bevatte.
Een „sniezoomp” of werktuig voor het snijden van stroo en haksel, een houten ploegstel, een eg, een kruiwagens, harken, schoppen, grepen, vorken en gaffels, zeisen en zichten ontbreken niet, evenmin als een wan en een gevlochten hooiben. Merkwaardig is de groote, van stroo gevlochten huif voor gedorscht graan, die op eenzelfde wijze is vervaardigd als een bijenkorf en een „zèèiloop” of zaaivat.
In de buurt van den stal ontmoet men een houten baktrog, een melkstoeltje, eenige repels en hekels en een braak, de drie laatste voor de bewerking van het vlas.
     Buiten ’t huis, voor de bovendeur, is een tuintje, een „kroedhöfken”. — „Kroed” is peterselie, maar ook enkele andere kruiden voor den boerenpot en

|pag. 45|

de volksgeneeskunde behooren er te groeien: wat „kervel” (Roomsche kervel of Myrrhis), „smalloak” (bieslook), selderie, „selve” (salie) „als” (alsem), en andere. Bloemen moeten er ook bloeien: in ’t voorjaar de „naken jufferkens” (sneeuwklokjes), dan „pann’keukkes” (primula’s), „poaschebloomen” (narcissen), „piönneker” (pioenrozen). Des zomers de „doevenschöälkes (duizendschoonen), „Adam en Eva” (monnikskap), „filetten” (anjelieren), „hanenkämm’” (Monarda), „luisbloomen” (Iris), „haveroet” (citroenkruid), een „poaschekeers” (toorts), wat „pichnell’kes” (Lychnis viscaria), „vingerheu” (vingerhoedskruid), en „lellies” (tijgerlelies). Een „palmbos” (Buxus) mag niet ontbreken, al was het alleen maar om een Palmpaschen voor de kinderen te kunnen maken; geliefd is ook een „woagbos” (jeneverbesstruik), een „iebenbos” of taxus, een „lammersnot” of groote hazelaar, een sering, een roos en een vlier. Gaarne plantte men op een der onderste pannen van het huisdak huislook, waaraan men donderwerende krachten toeschreef.
     Vóór het boveneind staande, ontwaren we stellig het „schilderachtigste” hoekje bij het huis. Hier de waterput met diep uitgesleten rand van behouwen Bentheimer steen aan de zijde waar altijd geput werd en de emmer op den rand neergezet; de mooie gevel met zijn rechthoekig aangebouwde bovenkamer, de breede vensters met glas in lood, de openstaande deur, die een blik in den wasschehook gunt, waar een zonnestraal flitst over de koperen banden van het vaatwerk; de vakwerkconstructie van posten en rijen, met vulling van baksteen; de „stekbände” of karbeels; de verweerde houten topgevels met hun bekronend gevelteeken. Daarvoor zijn hier een „levensboom” en twee gekruiste paardekoppen gekozen 59 [59. Over gevelteekens zie J. Jans, Het gevelteeken in Oost-Nederland, in „Erica”, 2e jaarg, No. 10 (Meppel, 1947); A.G. de Bruyn, Geesten en goden in oud-Oldenzaal (Oldenzaal, 1929); C.J.A. van Helvoort, Losser voorheen en thans (Oldenzaal, 1926). In afwijking met de zienswijze van den heer De Bruyn mogen de paardekoppen wel als Twentsch beschouwd worden. Mej. C. Elderink (Twènter laand en leu en lèven, blz. 260) zag dit gevelteeken nog op de boerderij Olde Geerts te Breklenkamp, op een huis en een schuur te Vasse en op een schop van het erf Beverborg in de Lutte. Hieraan kan worden toegevoegd, dat paardekoppen tot voor enkele jaren den gevel van een schop van de boerderij Aarnink in Tilligte bekroonden en dat ze eveneens op de naburige boerderij Scholtenhave te zien waren.]). Gelijk men echter weet, is het sinds lang bij de Roomsch-Katholieke boeren van Twente (en Groot Bavel was R.K.) de gewoonte

|pag. 46|

geweest de geveltoppen te versieren met Christelijke of gekerstende symbolen. Doch toen het huis nog in de Lutte stond, miste het gevelteekens; als reden wordt opgegeven, dat de Hervormde eigenaars ongaarne „Roomsche” symbolen op de huizen van hun pachters zagen. Een gevelsteen in dezen gevel herinnert aan de overbrenging van het huis.
     Een levend geheel, en dit leven is te danken aan de constructie, onbewust, als vrucht van eeuwenlange ervaring toegepast, voerend tot een sterke harmonie tusschen alle dingen. Eenvoud en doelmatigheid kenmerken dit hallehuis; weelde is ver te zoeken. Eeuwenlang waren de boeren in dezen uithoek van het land arm en ondanks hard werken van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat kon maar een enkele het tot welstand brengen. De grond was op de meeste plaatsen schraal en kon slechts met moeite tot vruchtbaarheid worden gedwongen. De lasten, waarvoor de boeren geplaatst waren, beletten stoffelijken vooruitgang: pachten in graan, geld, hoenders, ganzen, vlas en was aan den heer, diensten met paard en wagen voor den heer, tienden aan een anderen heer, een kerk of klooster, grondrenten of uitgangen aan geldschieters. Dan nog de landsmiddelen: verponding (grondbelasting), contributie en generale middelen; boerrente aan de marke; miskoorn en wasrente aan kerk of vicarie. Ten slotte aanzienlijke bedragen in geld aan den heer bij erfwinning, opvaart, versterf en vrijkoop. Van het genoeglijke leven des gerusten landsmans was in het arme Twente stellig geen sprake; de executoire verkoopingen of distracties, vooral in de achttiende eeuw, leeren dit overtuigend. Wanneer men dit alles bedenkt, moet het inderdaad nog tot bewondering stemmen, dat er in de zeventiende en de achttiende eeuw nog zulke kapitale boerenwoningen zijn verrezen.

|pag. 47|

IV. IN EN OM HET TWENTSCHE
BOERENHUIS.

     Wij mogen hier laten volgen, hetgeen de heer Jans in den eersten druk van dit boekje schreef:
     „De constructie van een boerenhuis wordt in alle streken beheerscht door de direct voorhanden materialen en die primitieve methoden van bewerking, grootendeels door de boeren zelf uit te voeren. Vaklieden werden alleen te hulp geroepen voor de „hoofdleiding”, voor de meer moeilijke onderdeden als deuren en ramen en voor ’t smeedwerk. Vooral dit laatste bleef tot een minimum beperkt. Zooveel mogelijk gebruikte men houten nagels in plaats van de „dure” gesmede spijkers.
     Wat de verdere constructie betreft, kan men zeggen, dat de constructeurs volkomen het feit aanvaardden, dat boomen en vooral eikenboomen niet kaarsrecht plegen te groeien. Men maakte dan ook geen enkel onderdeel rechter dan voor ’t doel noodig was. De meening b.v., van velen, dat de oude daken zoo schilderachtig golvend werden door verzakkingen, berust op ’n misverstand. Niet dat boerderijen niet verzakten. Integendeel, dat deden ze nog al eens, omdat men van de fundeering weinig werk maakte. Maar ook voordat er van eenige verzakking sprake was, golfden de daken schilderachtig door de gebogenheid der daksparren en latten, gemakkelijk te volgen door de soepele stroobedekking. Zeer nuchtere overwegingen voerden aldus ongewild naar het „schilderachtige”, dat speciaal kunstschilders in boerderijen plegen te zien. In wezen is elke oude boerderij zeer zakelijk ingesteld op de heerschende levensgewoonten en bedrijfsmethoden, zooals het gebruik maken van alle direct voorhanden materialen eveneens op zeer zakelijke gronden berust.
     Dat boven deze zakelijkheid uit elke goede oude

|pag. 48|

boerderij toch zoo levend is en geheimzinnig, is gevolg van ’t feit, dat zij bij allen eenvoud ervaringen van eeuwen in zich verbergt. Generaties pasten steeds weer dezelfde materialen en constructies toe, maar toch met bijna onnaspeurlijke nuancen en verbeteringen. Steeds meer voegde de constructie zich naar de groepeering der ruimte; omgekeerd de ruimte zich naar de constructie. De zichtbare constructie adelde de onzichtbare ruimte, omgekeerd drukte de ruimte, steeds meer afgestemd op het boerenleven, haar stempel op de constructie.
     Op deze wijze werd het boerenhuis tot bouwkunstige uitdrukking van boerenleven, en het innerlijk leven van den boer. Materiaal, constructies, bedrijfseischen, wooneischen, levensopvatting, dit alles voerde na een eeuwenlange ontwikkeling tot een sterke primitieve harmonie tusschen al deze dingen. Het boerenhuis groeide aldus tot primitief harmonische omvatting van ’t primitief harmonische boerenleven. Het is even vast verbonden met de aarde, even primitief geloovig en bijgeloovig, even oud, even deemoedig en even vol boerentrots, als de boer zelf. Het is het bouwkunstig aspect van boerencultuur, zooals het volkslied daarvan het muzikale aspect was. Was ’t, omdat de boerencultuur volkomen ondergraven is. Wat wij er nog van zien is restant, juist nog voldoende om ons het wezen er van duidelijk te maken en wat de boer er in verloren heeft.
     Wat de wederopbouw van het boerenhuis betreft, gestreefd is naar een wederopbouw met behoud van ’t innerlijk leven. Dit kon, in zooverre de oude boerentimmerlieden toch hun kleine trucs hadden om ons een huis, een schuur, een wagen als innerlijk levend voor te dragen. Practische overwegingen en scheppend, dit is levenwekkend vermogen, gingen hand in hand. Met heel kleine nuancen bereikten zij hun doel, zij lieten de hooge topgevels voorover nij-

|pag. 49|

gen, maakten de daken hol. Door bekroning van den geveltop door paardekop, donderbezem of kruis legden zij een geestelijken ondertoon. Zij hadden de vaardigheid, elk ding een „actieven”, een „vluggen” vorm te geven en deze vaardigheid beteekent primitief „kunstenaarschap”. — Eenvoud en doelmatigheid hebben het Nedersaksische hallenhuis gekenmerkt en onbewust hebben de bouwers de schoonheid gediend”.
     Uit vroegere jaren is ons zoo goed als geen enkele uitvoerige beschrijving van het Twentsche hallehuis overgebleven, en daarom zal het niet ondienstig zijn, hier te vermelden wat Freiherr von Bönninghausen auf Darup, die op Herinkhave bij Tubbergen geboren was, erover schrijft in het jaar 1820. Uit het Duitsch vertaald, luidt zijn schets aldus 60 [60. Ueber die Trentische Roggenwirtschaft…… mit einigen Bemerkungen vom Staatsrath Thaer (aus dem 1sten Supplementbande der Möglinschen Annalen der Landwirtschaft besonders abgedruckt), (Berlin, 1820). Zoowel in den titel als in den tekst staat steeds Trente, Trentische in plaats van Twente, Twentische. — Een nog oudere beschrijving van een Drentsch los huis in „Tegenwoordige Staat” van Drente (Amsterdam, 1795), blz. 161 (noot), aangehaald bij Van der Molen, Het Drentsche boerenhuis en zijn ontwikkeling, blz. 11.]):
     „Wat een vreemdeling in Twente het meest opvalt, is wel het interieur van de boerenhuizen . . . .
Als men door de bovendeur, waardoor men gewoonlijk in- en uitgaat, binnentreedt, overziet men met één oogopslag de geheele ruimte van het gebouw tot aan het tegenoverliggende eind, waar men door de groote inrijdeur 61 [61. De tekst heeft nieuven deure, een schrijffout voor nieën deure.]) weer naar buiten ziet. In deze ruimte wonen zoowel bij grooten als kleinen, bij rijken en armen, menschen en vee gezellig bij elkander. Nooit scheidt in Twente een dwarsmuur den veestal en de woning, keuken en slaapkamer. De boer zou zich volstrekt niet op zijn gemak gevoelen, als hij niet van de tafel bij den haard en zelfs uit zijn bed zijn vee niet kon zien en hooren. Men stelle daarom bij deze inrichting zich geen bekrompen, armelijke of vuile gebouwen voor, integendeel, alles is zeer net, groot en ruim, waar slechts eenigermate welstand heerscht.
     De haard ligt dicht bij de bovendeur, maar geheel vrij, zoodat men er rondom heen kan zitten. Terzijde er van zijn drie of vier vak met planken afgeschut; zij bevatten de bedsteden met schuifdeuren, zoodat

|pag. 50|

men er van de deel uit in moet klimmen; daarachter is ruimte voor kleedingstukken en klein huisraad.
Links, naast de huisdeur, is de naar den haard toe openliggende waschkamer, waar de aarden en tinnen schotels bovenaan, het houten gerief beneden is opgesteld, en alles is zeer blank geschuurd. Terstond daaraan grenst de zeer heldere melkkamer, die tevens tot provisiekamer dient; het vaatwerk voor de melk is uitsluitend steengoed. Dan volgt gewoonlijk nog een kamer. Verder benedenwaarts, en aan weerskanten van de deel, komt nu het vee, en wel eerst het rundvee, de beste en mooiste exemplaren bovenaan, vastgelegd aan halskettingen, die door middel van een ring langs ronde staven omhoog en omlaag kunnen schuiven en zoo zonder gevaar van letsel aan het vee de grootst mogelijke vrijheid van beweging laten, een methode, die daarom zeer kan worden aanbevolen. Dan volgen de twee paardestallen met steenen kribben, die het eind van het huis vormen en gewoonlijk twee ingangen hebben: één op de deel, voor het rossen en voeren, en een naar buiten, voor het aanspannen. Tegenover de paardestallen is een afdeeling voor de kalveren, en het varkenshok. Boven het vee is een lage zoldering (de hille) voor afgedorscht stroo en voor hooi getimmerd; het ongedorschte graan ligt op den eigenlijken zolder van het huis, die niet met planken, maar met dikke sleeten belegd is. Bergruimten voor wagens en ploegen, schaapskooi, plaggen- en turfschuur en dergelijke vindt men in een afzonderlijk bijgebouw. Aan het boveneind der huizen van de meest welgestelde boeren is een afzonderlijk vertrek aangebouwd, dat den naam kamer of bovenkamer draagt en nooit door de bewoners van het huis gebruikt wordt, maar uitsluitend voor aanzienlijke gasten bestemd is. De bouwwijze is overigens licht, hout sparend maar toch stevig, omdat men overal naar goede verbindingen streeft. Hiertoe dragen ook

|pag. 51|

in ’t bijzonder de zoogenaamde afkubbingen veel bij, aangezien daardoor het vierkante werk, met uitzondering van de smalle vóór- en achterzijden, altijd droog blijft. De daken zijn alle van stroo, de wanden van leem, bij de welgestelden van baksteen.”
     Was Von Bönninghausen onder de bekoring van het Twentsche boerenhuis gekomen — stellig onder den invloed van den Osnabrücker historicus Justus von Möser 62 [62. Justus Möser, Patriotische Phantasieën, III, 144 vv. (Berlin, 1778).]) —, een ander kenner van het platteland, Mr. B.W.A.B. baron Sloet tot Oldhuis had er minder waardeering voor 63 [63. Overijsselsche Almanak voor oudheid en letteren, 1838, blz. 131—132.]). Zoo schreef hij in 1838 van de „mismaakte rol”, die de „onmatig hooge en spitse daken” met de lage muren en de houten gevels speelden, niet alleen op het platteland, maar ook in de steden van Twente. „Als men nu door de lage deur de woning van eenen Twentschen landman binnen treedt”, zoo vervolgt hij de beschrijving van het interieur, „ziet men er in de eerste plaats achter weder uit, want het geheele gebouw is slechts één langwerpig, vierkant vertrek, terwijl in het midden van het dak eene opening is, waardoor zich de rook een goed heenkomen moet zoeken, en daar huist onder één dak, tusschen dezelfde wanden, op denzelfden vloer van leem, de goede boer met vrouw en kinderen, knechten en meiden, met paarden, varkens, koeijen, katten, kippen, eenden en zijnen onvriendelijken bulhond, in de grootste overeenstemming, onderéén, maar wat hem het voorregt geeft, om met één oogopslag zijn gansche varende have en den gang van alle noodige werkzaamheden te kunnen overzien”.
     Een Twentsche boerderij lag nimmer kaal in het landschap. Altijd werd zij beschaduwd door geboomte, meestal eikenhout, dat de trots van den boer en van den landheer was, en ook op de scheidingen der landerijen stond menige fraaie breed uitgegroeide knoestige eik in de eeuwenheugende walheggen. Slechts met bezwaard hart deed de boer af-

|pag. 52|

stand van de eiken, die zijn overgrootvader had gepoot, die hij had zien wassen. Bij tijd en wijle had hij geld noodig, veel geld zelfs, voor betaling van successierechten, voor uitkoop uit den boedel van broers en zusters, voor aflossing van schulden, voor aankoop van gronden. Dan werd de bijl aan den voet van de boomen gelegd, maar steeds zorgde hij voor den aanplant van jonge telgen en uit voorzorg legde hij een telgenkamp aan, waaruit hij kon putten, als hij plantgoed noodig had. Overheidsbepalingen beschermden den houtopstand bij de talrijke domaniale erven in Twente en streng werd er door de goedsheeren toegezien op onbevoegd houthakken, dat den pachter zelfs op verlies van zijn erfgerechtigdheid kon komen te staan 64 [64. Zie W.H. Dingeldein, Het stelsel van hoorigheid onder het huis Ootmarsum, in Versl. en Med. van Ov. Regt en Gesch., 58e stuk (Deventer, 1942), blz. 77 vv.]).
     Nu zijn de inzichten gewijzigd. Wel haat de Twentsche boer het houtgewas tusschen zijn landerijen niet zooals zijn collega in het lage Hollandsche polderland, maar toch heeft hij in de laatste tientallen jaren tal van houtwallen gerooid en geslecht en prikkeldraad op de afscheidingen gespannen. En ook bij vele hoeven is het boschje beangstigend ingekrompen en dunner geworden, dikwijls als gevolg van de aanlokkelijke houtprijzen. Maar het mag gezegd worden, dat menige boer ook nu zorgt voor nieuwen aanplant, denkend aan zijn kinderen en kindskinderen. En Twente zonder zijn bosschen, zijn houtopstanden bij de erven, zijn walheggen en ruigten, zou Twente niet meer zijn.
     Bij de Twentsche boerderij liggen op „schilderachtige” wijze, maar steeds doelmatig, de bijgebouwen, beschaduwd door de eiken. Geen erf van eenige beteekenis, of het had zijn van steen gemetseld bakhuis met een buiten den achterwand uitstekenden bakoven, waarin het zelf geknede roggebrood of de boerenstoet van gebuild roggemeel gaar werd. Wel staan er nog van die bakhuizen, maar ze hebben alle een andere bestemming gekregen. Som-

|pag. 53|

migen zijn tot woningen vertimmerd; hierop wijst o.a. de in Lattrop zoo veelvuldig voorkomende bijnaam „Baks”, dat is bakhoês. Geen boerderij, of zij kent de schoppen en schuren voor wagens en landbouwwerktuigen, voor hooi en stroo, voor hout, turf en schadden. De eiken planken zijn grijs verweerd, de daken zijn groen bemost. Soms zijn die houten schoppen vroegere woonhuizen, maar verlaten bij den bouw van een nieuwe en soliedere boerderij.
Men weet, dat een schuur van het erf Dubbelman in Beuningen als „los hoês” is overgebracht naar het Nederlandsche Openluchtmuseum op den Waterberg bij Arnhem, waar ook het 18de-eeuwsche bakhuis van het erf Eekman in de boerschap Denekamp staat.
     Aanzienlijke boeren bouwden een hoog „spiker” voor de bewaring van het gedorschte graan; zij zetten het spiker op hooge posten om de muizen te weren en benutten de ruimte tusschen de posten als opslagplaats. Bij geen boerderij ontbrak een aardappelkelder, half in, half boven den grond; in zijn eenvoudigsten vorm van aarde en zoden, met een strooien dak; soms ook met lage baksteenen- of zandsteenen muurtjes en een dak van pannen. In den tijd, dat de schapenhouderij nog een bron van inkomsten was, miste men nergens een langgestrekt schaapschot. En wanneer de boer bijen hield, had hij op een gunstig plekje in de zon, aan den rand van den gaarden, een „iemenschoer” of bijenstal gebouwd, waarin de van stroo gevlochten korven in rijen op de planken stonden. Vaak waren aan de windzijde jeneverbesstruiken geplant.
     Voorname hoeven in het heuvelland van Noord-Oost-Twente, aan een snelle beek gelegen, waren zelfs een watermolentje rijk — men denke aan de Hazelbekke in Nutter, aan de Mast in Vasse, aan de molentjes in Hezinge, Mander en Geesteren en aan zoo menig ander nu verdwenen watermolentje.

|pag. 54|

De voornaamste, in de eerste plaats wel de hoven of curtes, middelpunten van beheer in de boerschap, waren omringd door een wijde gracht. De sporen van zulk een gracht toont men U nog bij het erf Scholten Linde in Volte, den ouden bisschoppelijken „Hof te Lindelo”, die overigens een der grootste, rijkste en best bewaarde erven van Twente is, waaromheen de sagen van de Hunen zweven. Was het niet onze eerste geoloog Dr. W.C.H. Staring, die op zijn zwerftochten door Twente, waarbij hij niet alléén naar de grondsoorten en de keien zag, eenige aardige woorden wijdde aan „de kerkachtige woning van vrouw Scholte te Linde, die wel is waar met Bentheimer zerken is bevloerd, doch daarbij mensch en vee en wintervoorraad in een enkel locaal bijeenverzameld” hield? 65 [65. W.C.H. Staring, De aardkunde van Twenthe, eene voorlezing, gehouden voor de Overijsselsche Vereeniging tot ontwikkeling van provinciale welvaart (Zwolle, 1845), blz. 5.]) Wanneer de oude Staring nu, ruim een eeuw later, nog eens weer zijn schreden kon richten naar den Linderhoek, dan zou hij weliswaar niet meer een los huis binnentreden, maar toch nog zijn voet kunnen zetten op dezelfde zandsteenen van de altijd nog kerkachtige ruime deel. En dan zou hij ook nog boven de niendeur kunnen lezen: „Wolter — 1638 — Fenne”: herinnering aan de stichting van een nieuw huis door Wolter ter Linde en Fenne zijn vrouw, drie eeuwen geleden, toen zij nog hoorigen van de provincie waren.
Doch de „koebellen van de Valterschans” — den Hunenborg — „welke eenen Zwitser het heimwee zouden aanjagen”, zou hij niet meer hooren klinken.

|pag. 55|

AANTEEKENINGEN.

Aantekeningen op pag. 56 t/m 59 zijn in de tekst opgenomen als zijnoten.
 

Groot Bavel in de Lutte. Teekening van J. Jans in het Rijksmuseum Twenthe


– Dingeldein, W.H. (1947). Het „Losse Hoes” Groot Bavel: Uit de geschiedenis van een Twentsch erf (2e geheel omgewerkte druk). Enschede: Rijksmuseum Twente.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.