Permanent pragmatisme

Permanent pragmatisme

De machtscontinuïteit van Zwolse patriciaatsfamilies in het stadsbestuur en hun verwevenheid
met kerkelijke en geestelijke instellingen (1399-1500).

[Zegel]

Naam: Hugo van Essen
Studentnummer: s1729608
Vak: MA-scriptie Geschiedenis
Scriptie begeleider: dr. R.W.M. van Schaïk
Tweede lezer: Prof. dr. C.G. Santing
Inleverdatum: 13/08/2012

[ ]

Inhoudsopgave

Inleiding 3
1 Het stadsbestuur van Zwolle 1399-1500 9
1.1 De totstandkoming van de macht 9
1.2 Taakverdeling 9
2 De machtsuitoefening van het Zwolse patriciaat in het stadsbestuur 12
2.1 Het aantal dienstjaren van schepenen 1399-1500 12
2.2 De macht van patriciërs in het stadsbestuur 15
2.3 Een vergelijking met Deventer, Leiden en Utrecht 21
2.4 Tot besluit 27
3 De verhouding tussen het stadsbestuur en de kerkelijke en geestelijke instellingen in Zwolle 29
3.1 Kerken 29
3.2 Gasthuizen en broederschappen 31
3.3 Kloosters en broeder- en zusterhuizen 35

|pag. 1|
4 De verwevenheid van Zwolse patriciaatsfamilies met kerkelijke en geestelijke instellingen in Zwolle 40
4.1 Kerken 40
4.2 Gasthuizen 43
4.3 Kloosters 44
4.4 Broeder- en zusterhuizen 46
4.5 Een vergelijking met Deventer, Leiden en Utrecht 48
Conclusie 52
Uitgegeven bronnen en literatuur 57
Onuitgegeven bronnen 59
Bijlage I 60
Bijlage II 64

 
Omslag: Zegelstempel van de stad Zwolle. Op dit zegel is de aartsengel Michaël afgebeeld, de beschermheilige van de stad en de parochie Zwolle. Het randschrift luidt: SIGILLUM BURGENSIUM DE SWOLLIS (zegel van de burgerij van Zwolle). (Stedelijk Museum Zwolle).
Bron: Ingrid Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil. Kerkelijke instellingen in Zwolle en hun functioneren binnen de stedelijke samenleving tot 1580 (Zwolle 2007) 22.

|pag. 2|

Inleiding
Dit onderzoek zal zich richten op het Zwolse stadsbestuur in de vijftiende eeuw, waarbij de onderzoeksvraag is of er continuïteit was in de machtsuitoefening door patriciaatsfamilies, en of hun verwevenheid met kerkelijke en geestelijke instellingen daarin een rol heeft gespeeld.
Om deze vraag in het juiste kader te plaatsen, zal eerst de sociaalhistorische context van het vijftiende-eeuwse Zwolle uiteengezet worden.
     In 1230 kreeg Zwolle stadsrechten als dank voor de hulp die het verleende aan de versterking van kasteel Hardenberg van de landsheer; bisschop Wilbrand van Oldenburg. De bisschoppen van Utrecht bouwden vele kastelen om zich te beschermen tegen de Hollanders, Friezen en Drenten.1 [1. W. Blockmans, Metropolen aan de Noordzee (Amsterdam 2010) 96.] Vanaf de tweede helft van de twaalfde eeuw ontwikkelde zich een aantal steden op knooppunten van de rivierhandel op lange afstand. Dordrecht, Kampen, Zwolle en Muiden in het mondingsgebied van de Maas, IJssel en Vecht: de stad Zutphen aan de IJssel en Arnhem aan de Rijn. In de tweede helft van de dertiende eeuw kwam door de toenemende handel via de rivieren, in de noordelijke gewesten een sterke stadsontwikkeling op gang.2 [2. Ibidem, 76-77.] De IJsselstreek moest het vooral hebben van de rivierhandel, maar Zwolle, gelegen aan het Zwartewater, was hier minder bij betrokken. Zwolle was meer georiënteerd op de vele landsheerlijke territoria in Westfalen waar handelscentra lagen als Munster, Osnabrück, Bentheim en Paderborn. Dankzij de goede verbindingen met deze steden leverde Zwolle een aanzienlijke bijdrage aan de bloeiende economie van de IJsselstreek. Door de invoer van hout, vlees, graan en textiel, exporteerde Zwolle goederen van elders, omdat de stad nauwelijks producten van eigen bodem produceerde. Zwolle was een centrum van interregionale transporthandel die goed te combineren was met de organisatie van jaarmarkten, die vanaf begin veertiende eeuw in aantal toenamen.3 [3. Jan ten Hove, Geschiedenis van Zwolle (Zwolle 2005) 94-95.]
     Het stadsrecht leidde voor Zwolle tot een hoge mate van zelfstandigheid. De bewoners kregen ten aanzien van bestuur, wetgeving en rechtspraak een aparte positie. Zo mocht Zwolle een eigen bestuurscollege instellen, zijn eigen wetten maken en zelf recht spreken.4 [4. Ibidem, 72-73.] De bevoegdheid van het schepencollege gold voor personen en zaken namens de landsheer, zoals het bepalen en opleggen van straffen en het arbitreren bij civiele zaken. De samenstelling van schepencolleges verschilde per stad en werd elk jaar gewijzigd. Veelal kwamen schepenen uit de toplaag van de stedelijke maatschappij, waardoor ze als een elite aangemerkt kunnen

|pag. 3|

worden.5 [5. R. van Uytven, ’Het stedelijk leven 11e-14e eeuw’, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden II (Bussum 1982) 224-226.]
     Toch wordt er niet gesproken over ‘elite’ maar over ‘het patriciaat’. Het verschil zal eerst uiteengezet worden om het beeld zo scherp mogelijk te stellen. Wanneer we spreken van een elite in maatschappelijk verband, dan gaat het om mensen die op de hoogste sporten van een sociale stratificatieladder staan, bijvoorbeeld vanwege rijkdom, macht, vaardigheden of aanzien. Ook al hebben deze kenmerken wel betrekking op het stadsbestuur van Zwolle, een juiste typering is het niet.6 [6. M.G.J. Duijvendak en J.J. de Jong, Eliteonderzoek: rijkdom, macht en status in het verleden (Zutphen 1993) 8-9.] Specifieker is het begrip ‘patriciaat’ dat door Fred van Kan wordt uitgelegd als een sociale laag, bestaande uit regerende families, hun verwanten en zij die hen in sociaal en economisch opzicht evenaren.7 [7. Fred van Kan, Sleutels tot de macht: de ontwikkeling van het Leidse patriciaat tot 1420 (Leiden 1988) 12-13.] Toch zou dit ook nog als te algemeen kunnen worden opgevat, omdat dit betrekking heeft op de hele stedelijke bovenlaag. Het stedelijk patriciaat wordt door Prak, De Jong en Kooijmans, in hun studies naar Leiden, Gouda en Hoorn, omschreven als de magistraten en hun verwanten. Zodoende wordt er nadruk gelegd op de families, die ondanks gelijke sociale en economische posities met anderen, een aparte plaats innamen.8 [8. Jacob de Jong, Met goed fatsoen: de elite in een Hollandse stad (Amsterdam 1985) 12-13; Maarten Prak, Gezeten burgers: de elite in een Hollandse stad (Amsterdam 1985) 10; Luuc Kooijmans, Onder regenten: de elite in een Hollandse stad (Amsterdam 1985) 12-13.] Ook Eberhard Isenmann noemt het patriciaat van Neurenberg een politiek-sociale stand, van mensen die van geboorte bevoorrecht zijn en voorbestemd om deel uit te maken van het stadsbestuur.9 [9. Eberhard Isenmann, Die Deutsche Stadt im Spätmittelalter (Stuttgart 1988) 275.] Wim Blockmans, Gerard Pieters, Walter Prevenier en Remi van Schaik stellen eveneens dat het patriciaat betrekking heeft op een van oudsher groep erfachtige lieden, geslachtslieden of geërfden, met een overheersende positie die voortkwam uit hun vrije statuut, het bezit van de stedelijke bodem en hun dominante rol in de handel en nijverheid.10 [10. W. Blockmans, e.a., ‘Tussen crisis en welvaart: sociale verhoudingen 1300-1500’, in: Algemene geschiedenis der Nederlanden IV (Bussum 1980) 60-61.] De dominante rol evenals het bezit van stedelijke bodem van het patriciaat gaat terug op de ontstaansgeschiedenis van de steden in de Nederlanden. In elke stad ging het om een klein aantal geslachten.11 [11. Van Uytven, ‘Het stedelijk leven 11e-14e eeuw’, 208-209.] Daarbij monopoliseerden de patriciërs van oorsprong ook de politieke en juridische macht in de steden. Waar in Dordrecht en Utrecht buitenstaanders, zoals gegoede burgers en ambachtslieden, doordrongen tot de openbare functies, was dit in de Oost-Nederlandse gewesten minder goed mogelijk. Vrijwel alleen patriciaatsfamilies oefenden die

|pag. 4|

bestuursfuncties uit.12 [12. Blockmans, e.a, ‘Tussen crisis en welvaart’, 61-64.]
     Zwolle was een strak geordende maatschappij conform het hiërarchische standsbesef van die tijd. Iemands positie, aanzien, eergevoel en materiële vooruitzichten werden bepaald door de groep waar hij of zij toe behoorde. De hoogste plaats op de maatschappelijk ladder was voor het stadspatriciaat. De leden daarvan onderscheidden zich van anderen door zich deftig te kleden en te wonen in stenen huizen. Het patriciaat bestond uit geslachten die al generaties lang over de stad heersten en een aanzienlijke hoeveelheid grond bezaten. Ook hielden ze zich bezig met handel en ondernemerschap.13 [13. Ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 134-135.] Het patriciaat leek de politieke inrichting te beheersen, maar dit sloot niet uit dat er pogingen werden ondernomen om de macht van het patriciaat te doorbreken. Zo was er de poging van Zwolse gildenmannen om macht te verwerven, hetgeen in 1416 leidde tot de Lucienacht. Hierbij beëindigde de landsheer Frederik van Blankenheim op bloedige wijze de invloed van de gildenmannen in het Zwolse stadsbestuur. Naast hulp van zijn landsheer had het stadsbestuur van Zwolle ook menig conflict met hem. In 1415 over het kerkelijke bezit en later in de vijftiende eeuw over diverse kwesties.14 [14. Ibidem, 164-166.]
     De patriciaatsfamilies leken de macht stevig in handen te hebben gehad. Jan ten Hove stelt zelfs: ‘de jaarlijkse schepenkeur bood in principe de mogelijkheid tot een snelle roulatie van bestuurders, maar in de praktijk was het steeds dezelfde groep mannen die om beurten als schepen- en raadscollege optrad’.15 [15. Ibidem, 135.] Toch wankelde de macht van de patriciërs in 1416. Dit werpt de vraag op of de macht van het patriciaat werkelijk zo stabiel was. Om op deze vraag een helder antwoord te formuleren, zal dit onderzoek onder andere gaan over in hoeverre er bij de patriciaatsfamilies sprake was van continuïteit in hun machtsuitoefening. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen leden van het patriciaat en leden van het stadsbestuur, omdat dit niet hetzelfde is maar wel in elkaar overloopt. Wanneer gerefereerd wordt aan het stadsbestuur, het college van schepenen, betreft dit zowel schepenen uit het patriciaat als schepenen uit de gegoede burgerij die niet tot het patriciaat behoorden. De machtscontinuïteit van het patriciaat zal bepaald worden door deze af te zetten tegen de overige leden van het stadsbestuur. Alle namen die in dit onderzoek tot het patriciaat gerekend worden, zijn grotendeels verzameld op basis van de geslachten die Jan ten Hove en W.A. Huijsmans kenmerken als belangrijke families. Zij selecteerden een aantal aanzienlijke families, die in dit onderzoek als ‘patriciaat’ aangemerkt worden. Er bestaat namelijk geen lijst of merkteken, waardoor iemand tot het

|pag. 5|

patriciaat te rekenen valt. Het is op basis van vermoeden, omdat bepaalde families lijken te voldoen aan de eerder uiteengezette definitie van ‘patriciaat’. In hoofdstuk 2 zal de precieze samenstelling van het stadsbestuur kenbaar worden gemaakt.
     Voor dit onderzoek zal de gehele vijftiende eeuw onderzocht worden, zodat over een substantiële periode heldere uitspraken gedaan kunnen worden. De continuïteit in machtsuitoefening zal ik onderzoeken aan de hand van de gedrukte jaar- en maandrekeningen van 1399-1450, uitgegeven door Frans Berkenvelder. Daarnaast zal ik namen destilleren uit de namenlijst van W.A. Huijsmans en uit niet uitgegeven jaar- en maandrekeningen van 1399-1500, afkomstig uit het Historisch Centrum Overijssel en de delen I tot en met VI van de Zwolse Regesten, eveneens uitgegeven door Berkenvelder.
     Deze aanpak komt grotendeels overeen met de methode die Wim Blockmans heeft gebruikt voor zijn onderzoek naar de mobiliteit in stadsbesturen 1400-1550. Hierin doet hij onderzoek naar de mobiliteit in stadsbesturen van de steden Dordrecht, Gent, Rotterdam en Zutphen. De conclusies trekt hij op basis van kwantitatief onderzoek naar magistraatslijsten. De variabelen in deze lijsten leveren gegevens op over carrières, familieverwantschappen en mutatieritmen per jaartal, functie, beroep of familie.16 [16. W. Blockmans, ‘Mobiliteit in stadsbesturen 1400-1550’ in: D.E.H. de Boer en J.W. Marsilje ed., De Nederlanden in de late Middeleeuwen (Utrecht 1987) 236-260.] Waarin dit onderzoek verschilt met het onderzoek van Blockmans, is dat alleen de namen van schepenen onderzocht worden om te bepalen of iemand behoorde tot het patriciaat of niet. Ook zal bij de vergelijking met andere steden in dit onderzoek een link worden gelegd naar de bevindingen van Blockmans om de situatie in Zwolle in een zo breed mogelijk perspectief te zien.
     Het tweede aspect dat in de vraagstelling naar voren komt is in hoeverre de verwevenheid van patriciaatsfamilies met kerkelijke en geestelijke instellingen een rol speelde in de machtsuitoefening van patricaatsfamilies. Vanuit deze invalshoek krijgt de machtsuitoefening van het patriciaat een extra dimensie. Het stadsbestuur, waar patriciërs ruim vertegenwoordigd waren, was veelal aangesloten bij geestelijke broederschappen met veel aanzien, omdat geloof de basis vormde voor de stedelijke cultuur. Schepenen en raden, maar ook individuele patriciërs, schoten geld voor, leverden wijn voor de mis, liepen mee met processies en droegen bij aan de verfraaiing van het kerkinterieur. In 1410 betaalde het stadsbestuur 12 Rijnse guldens voor twaalf beelden van de apostelen in de kerken. Zeven jaar eerder betaalden ze al een gebrandschilderd raam voor de Sint-Michaëlkerk. De schenkingen

|pag. 6|

van het stadsbestuur waren meer dan alleen vroomheid.17 [17. Ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 154.] In dit onderzoek zal geanalyseerd worden waarom er wel of juist geen verwevenheid was tussen de patriciaatsfamilies en bepaalde kerkelijke en geestelijke instellingen.
     Allereerst moet helder zijn wat verstaan wordt onder kerkelijke en geestelijke instellingen. De belangrijkste kerkelijke instelling in een middeleeuwse stad was de parochiekerk: in Zwolle de Sint-Michaël. Dit was de plek waar elke parochiaan regelmatig kwam, evenals de Onze-Lieve-Vrouwekapel. Kerkelijke en geestelijke instellingen als het klooster of broeder- en zusterhuizen werden alleen bezocht vanuit een persoonlijke keuze hiervoor.18 [18. Ingrid Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil. Kerkelijke instellingen in Zwolle en hun functioneren binnen de stedelijke samenleving tot 1580 (Zwolle 2007) 31,81.] Bekende instellingen in en om en nabij het vijftiende-eeuwse Zwolle die relevant zijn voor dit onderzoek zijn: het Bethlehemklooster, het Oldeconvent, de broeder- en zusterhuizen van het Gemene Leven, het Agnietenbergklooster, het klooster Diepenveen en het klooster te Windesheim.19 [19. Ibidem, 135-141.] Andere geestelijke instellingen die aan de orde komen, zoals de gasthuizen en broederschappen, werden over het algemeen opgericht door aanzienlijke burgers.
Dit deden zij om zorg te dragen voor passanten en hulpbehoevenden.20 [20. Ibidem, 48-49.]
     Nu de sociaalhistorische context en de vraagstelling nader toegelicht zijn, zal samenvattend de onderzoeksvraag geformuleerd worden. De vraagstelling luidt: in hoeverre heerste in het Zwolse stadsbestuur in de vijftiende eeuw continuïteit in machtsuitoefening door patriciaatsfamilies en in hoeverre speelde de verwevenheid met kerkelijke en geestelijke instellingen daarin een rol? Deze vraagstelling is relevant omdat nog niet eerder namenlijsten zijn onderzocht en samengesteld van alle Zwolse stadsbestuurders in de vijftiende eeuw. Naar aanleiding van deze gegevens, kunnen uitspraken gedaan worden over de continuïteit in machtsuitoefening door patriciaatsfamilies en hun verwevenheid met kerkelijke en geestelijke instellingen, die eventueel een rol speelde in hun macht.
     Eerst zal er ingegaan worden op de diverse facetten van het Zwolse stadsbestuur in de vijftiende eeuw, omdat het stadsbestuur datgene is waar het allemaal om draait. Daarom moet goed inzichtelijk worden gemaakt hoe dit bestuur functioneerde, tot stand kwam en welke macht het precies had. Vervolgens zal de continuïteit van die machtsuitoefening in het stadsbestuur door patriciaatsfamilies in de vijftiende eeuw, aan de hand van de eerder genoemde bronnen vastgesteld worden. Daarbij zal een vergelijking volgen met Deventer,

|pag. 7|

Leiden en Utrecht, waarin eveneens gekeken wordt naar de macht van het patriciaat en inherent hieraan het bestuurlijke systeem in die steden. Zodoende wordt de situatie in Zwolle in een breder kader geplaatst, waardoor de omstandigheden in daar beter te begrijpen en te verklaren zijn. Nadat dit alles uiteengezet is, zal de aandacht verlegd worden naar de verhouding van het stadsbestuur, waar het patriciaat ruim vertegenwoordigd was, met de kerkelijke en geestelijke instellingen in Zwolle. Aan deze verhoudingen is alvast op te maken waar verwevenheid te verwachten is en waar niet. Daarbij zal door enige achtergrondinformatie over de kerkelijke en geestelijke instellingen, de zeggingskracht van de eventuele verwevenheid beter worden verstaan. Ten slotte zal in het laatste hoofdstuk aan de hand van de schepenlijsten, geanalyseerd worden in hoeverre namen van Zwolse patriciaatsfamilies of concrete personen, gelieerd waren aan deze instellingen om zo de onderzoeksvraag volledig te beantwoorden. Hierbij wordt wederom bekeken of er in Deventer, Leiden en Utrecht sprake was van verwevenheid of een andere wijze van patricische invloed op de kerkelijke en geestelijke instellingen.

|pag. 8|

1 Het stadsbestuur van Zwolle 1399-1500

1.1 De totstandkoming van de macht
Zoals al in de inleiding gesteld, leek het monopolie van de macht grotendeels bij het stadspatriciaat te liggen, dat in de vijftiende eeuw de macht had over de ongeveer 4000 inwoners van Zwolle. Naast het stadsbestuur was er de meente, waarin wisselend tussen de honderd en honderdvijftig burgers vertegenwoordigd waren. De meenslieden vergaderden incidenteel met het stadsbestuur, veelal over de financiën, het beheer van de stadsweiden of het opleggen van collectieve waakdiensten. Beslissingsbevoegdheid had de meente niet. De raadsmannen daarentegen hadden meer invloed. Dit schaduw-stadsbestuur bestond meestal uitsluitend uit oud-schepenen die het stadsbestuur met raad en daad bijstonden.21 [21. Ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 134-136.]
     Het Zwolse politieke jaar bestond uit dertien maanden van vier weken en begon op 25 januari met veel ceremonieel en feestelijk vertoon, waarna de installatie van het nieuwe schepencollege werd voltrokken. De getrapte verkiezingen namen een aanvang op 24 januari, de vooravond van Pauli Conversio, een feestdag waarop de bekering van Paulus werd gevierd.
Het stadsbestuur liet uit elke vier straten of wijken twaalf ‘goede knapen’ naar het stadhuis komen. Uit deze groep mannen werden twaalf personen uitgeloot, drie per wijk, die de volgende dag de nieuwe schepenen kozen. Helaas is het niet bekend of de schepenen nu juist in een bepaalde wijk woonden en in hoeverre dit dus invloed had op de samenstelling van het stadsbestuur.22 [22. Ibidem, 135.]
     Een vermogensvoorwaarde was één van de weinige beperkingen voor het bekleden van een bestuursfunctie, wat voor leden van het patriciaat over het algemeen geen probleem vormde. Een schepen diende vaste goederen binnen het stadsgebied in eigendom te hebben.
Een veel bezittende stadsbestuurder werd geacht de belangen van de stad en bewoners, die nauw verbonden waren met het eigen fortuin, als een goed huisvader te behartigen en zodoende minder gevoelig te zijn voor machtsmisbruik. Bovendien kregen schepenen nauwelijks iets betaald voor hun werk, waardoor enig bezit wel gewenst was.23 [23. Ibidem, 135.]

1.2 Taakverdeling
Nu duidelijk is hoe het stadsbestuur tot stand kwam en wat de samenstelling was, is het relevant om naar de taakverdeling te kijken. Zo kan er een helder beeld gecreëerd worden over

|pag. 9|

hoe het stadsbestuur functioneerde en welke macht het had. De leden van het stadsbestuur hadden een ruim takenpakket. Naast het waarborgen van vrijheden, rechten en privileges voor de ingezetenen van Zwolle, moesten ze in hun gebied ook zorg dragen voor vrede, veiligheid, welvaart en eendracht. Eigenlijk waren ze overal verantwoordelijk voor. Verder hielden schepenen zich bezig met buitenlandse politiek, openbare werken, handel en zelfs het bestrijden van wolven in de koude wintermaanden.24 [24. Ibidem, 136.]
     De snelle ontwikkeling van Zwolle begin vijftiende eeuw, zorgde voor een specifiekere taakverdeling binnen het schepencollege. Er waren zes ambten of functies die elk door twee personen werden uitgeoefend. Elke maand had een ander duo van schepenen de taak van het burgemeesterschap. Bovenaan in de bestuurlijke hiërarchie stonden de cameraars. Zij hadden de taak om de gemeenschapsgelden te bewaken en te beheren. Over het algemeen waren dit ook de meest ervaren en prominente leden van het stadsbestuur, veelal patriciërs. Na de cameraars hadden de tollenaars de belangrijkste functie in het stadsbestuur. Zij hieven de tolgelden, waaronder ook de accijnzen, haven- waag- en marktgelden. Ook droegen zij zorg voor het onderhoud van straten en waterwegen. De timmermeesters hadden de leiding over de bouw- en onderhoudswerkzaamheden in de stad. Een andere taak was die van de gruitmeesters.
Zij inden de inkomsten uit de verkoop van gruit, een mengsel van gagelkruid, hars en ‘zwaer cruyt’ voor het op smaak brengen van bier. De tichelmeesters hielden toezicht op de stedelijke steenoven in de uiterwaarden van de IJssel en op de aanvoer van de, voor de verstening van de stad, noodzakelijke bakstenen en dakpannen. Ten slotte waren er nog de keurmeesters die de boetes inden. Daarbij bemoeiden ze zich met het vleeshuis, de toestand van de zeedijken in Mastenbroek en de stadsweiden. Bij gevaar onderzochten ze tevens wat de weerbaarheid van de bevolking was. De stedelijke administratie was in handen van de stadssecretaris. Verder waren er nog een aantal ambtenaren zoals wachters, die allerlei klusjes deden. De laagste rang was voor de portiers die bij gevaar de stadspoorten sloten en de waterwegen versperden met boomstammen.25 [25. Ibidem, 136-137.]
     Elk schependuo moest per maand de inkomsten en uitgaven, ‘obboren’ en ‘uytgeven’, noteren. Het duo van cameraars noteerde in het register elke maand de inkomsten en uitgaven van alle schepenen. Dit werd de zogeheten maandrekening. Aan het einde van het jaar werden alle gegevens verzameld en opgenomen in de jaarrekening.26 [26. Frans Berkenvelder, Maandrekening van Zwolle 1411 (Zwolle 1979) VII-VIII.] Deze maand- en jaarrekeningen

|pag. 10|

lijken betrouwbaar, omdat het over de financiën van de stad gaat. Er mag vanuit worden gegaan dat de schepenen naar eer en geweten hun inkomsten en uitgaven genoteerd hebben, omdat ze anders hun positie in gevaar zouden brengen. Daarbij werden de financiën met een persoon buiten het stadsbestuur nagerekend, misschien om fouten of fraude tegen te gaan. Hoewel het buiten dit onderzoek valt, is het goed mogelijk dat er onjuistheden in de rekeningen staan of dat er door de cameraars bewust fraude werd gepleegd.

|pag. 11|

Hoofdstuk 2: De machtsuitoefening van het Zwolse patriciaat in het stadsbestuur

2.1 Het aantal dienstjaren van schepenen 1399-1500
Nu helder is hoe het Zwolse stadsbestuur tot stand kwam, functioneerde en welke macht het had, moet er gekeken worden in hoeverre er continuïteit was in de machtsuitoefening van de patriciaatsfamilies binnen het stadsbestuur en in welke mate zij het stadsbestuur domineerden.
De mate van machtsuitoefening van het Zwolse patriciaat is relevant, omdat zijn macht eerst op waarde geschat moet worden. Pas daarna kan er goed gekeken worden naar de rol die zijn eventuele verwevenheid met kerkelijke en geestelijke instellingen daarin heeft gespeeld.
Allereerst zal er in dit hoofdstuk gekeken worden naar het totale aantal Zwolse schepenen in de vijftiende eeuw en de duur van hun individuele ambtsperiodes. Vervolgens zal worden bezien hoeveel schepenen behoorden tot het patriciaat, waardoor er een uitspraak over zijn machtspositie en dominantie gedaan kan worden. Ten slotte zal er een vergelijking worden gemaakt met andere steden van ongeveer gelijke grootte om de situatie in Zwolle beter te kunnen duiden.
     Om te achterhalen hoe het stadsbestuur was samengesteld, is er onderzoek gedaan naar de schepenen van Zwolle tussen 1399 en 1500. Door middel van de uitgegeven jaar- en maandrekeningen van Frans Berkenvelder, de onuitgegeven maand- en jaarrekeningen uit het Historisch Centrum Overijssel en de Zwolse Regesten I tot en met VI (1399-1500), eveneens samengesteld door Berkenvelder, kan er een goed beeld gecreëerd worden van de namen die elk jaar terug te vinden zijn in het stadsbestuur.27 [27. Frans Berkenvelder, Maandrekeningen 1399-1450 (Zwolle 1973-1996) en Jaarrekeningen 1402-1416 (Zwolle 1994-1998); Frans Berkenvelder, Zwolse regesten I-VI 1399-1500 (Zwolle 1980-1997); W.A. Huijsmans, ‘Lijst van Zwolse magistraatsfamilies en hun regeringsperiode’ (Historisch Centrum Overijssel); Historisch Centrum Overijssel, Maandrekeningen van Zwolle 1451-1500, inv. nr. 6478-6510; Historisch Centrum Overijssel, Jaarrekeningen van Zwolle 1420-1500, inv. nr. 5979 -6040.] De kans dat er in deze bronnen onjuiste namen zijn genoteerd is klein, omdat er van uitgegaan mag worden dat de secretaris de namen in de maand- en jaarrekeningen zorgvuldig heeft genoteerd. Toch kan niet uitgesloten worden dat de secretaris zich heeft vergist. Daarbij kan met grote zekerheid vastgesteld worden dat bij de zittingstermijnen het steeds om dezelfde personen gaat en niet om een familielid met dezelfde voor- en achternaam. Aan eventueel een onevenredig hoog aantal bestuursjaren of een grote onderbreking in iemands bestuursperiode, is te zien dat het waarschijnlijk om twee personen gaat. Goede voorbeelden hiervan zijn de personen met een identieke voor- en achternaam die voorkomen in de schepenlijst zoals: Albert Snavel, Herman van Wytmen en

|pag. 12|

Johan van den Toerne. Mocht een schepen nu lang in functie zijn geweest, dan geven Berkenvelder en Ten Hove uitsluitsel of het ging om één of twee personen. Een uitzondering waarbij het wel degelijk om één persoon gaat is Johan ten Bussche die 26 maal zitting had in het stadsbestuur. Ten slotte zijn de schepenlijsten volledig genoeg om representatief te zijn, omdat van elk onderzocht jaar vrijwel het hele stadsbestuur is achterhaald.
     Uit de schepenlijsten blijkt, zoals in tabel A uiteengezet, dat in de periode 1399-1500, 164 schepenen dienst deden, die op te delen zijn in een groep van langzittende en een groep van kortzittende schepenen. Groep 1 bestaat uit 34 langzittende schepenen: een dominante groep met individueel minimaal tien dienstjaren. Veertien van deze 34 schepenen zaten zelfs tussen de vijftien en dertig jaar in het stadsbestuur. Concrete voorbeelden van enkele dominante schepenen zijn: Johan ten Bussche, Henrick van den Water, Folkier van Haersolte, Lambert van Yrte en Evert Sticker. Deze 34 schepenen, 21% van het totaal, hebben vrijwel al hun dienstjaren achter elkaar volbracht, maar dit soms ook verdeeld over tien tot vijftien jaren. Het gemiddelde aantal dienstjaren ligt bij deze groep op 14,2 jaar en is relatief lang in vergelijking met groep 2 uit de tabel.28 [28. Bijlage II ‘Schepenen in het Zwolse stadsbestuur op basis van dienstjaren’]

Tabel A: 164 schepenen in het stadsbestuur 1399-1500
Groep 1: Aantal langzittende schepenen
15-30 jaar 14 41%
10-14 jaar 20 59%
Totaal: 34 21%
Groep 2: Aantal kortzittende schepenen
5-9 jaar 54 42%
1-4 jaar 76 58%
Totaal: 130 79%

Bron: Bijlage II

|pag. 13|

[Diagram]

Groep 2 bestaat uit 130 schepenen: een weinig dominante groep met spaarzame dienstjaren.
Deze tweede groep, tussen 1399 en 1500, is minder dan tien jaar actief was geweest in het stadsbestuur. Van deze 130 schepenen zijn zelfs slechts 76 niet meer dan vier jaren actief geweest in het stadsbestuur. Het gemiddeld aantal dienstjaren ligt bij deze groep op slechts 4,0 jaar, wat relatief kort is in vergelijking met groep 1.29 [29. Bijlage II ‘Schepenen in het Zwolse stadsbestuur op basis van dienstjaren’.] In relatieve cijfers hoorde 21% van alle schepenen over de onderzochte periode tot de langzittende schepenen en 79% tot de kortzittende schepenen, zoals is weergegeven in cirkeldiagram A.
     Uit de zojuist geschetste indeling blijkt al snel dat de bewering van Jan ten Hove enige nuancering verdient. Jan ten Hove stelt: ‘de jaarlijkse schepenkeur bood in principe de mogelijkheid tot een snelle roulatie van bestuurders, maar in de praktijk was het steeds dezelfde groep mannen die om beurten als schepen- en raadscollege optrad’.30 [30. Ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 135.] Overigens zijn er geen lijsten met leden van het raadscollege bekend, waardoor deze aanname van Ten Hove enigszins onduidelijk blijft. Het stadsbestuur wordt door Ten Hove neergezet als een vaste kliek die elk jaar, of anders om het jaar, de macht in handen had. De cijfers uit tabel A laten zien dat Ten Hove te stellig is met zijn uitspraak over de jaarlijkse schepenkeur. Wanneer Ten Hove stelt dat het dezelfde groep mannen was die zitting had in het stadsbestuur heeft hij deels gelijk, want in tabel A is te zien dat inderdaad een aantal schepenen stelselmatig terugkeerden in het stadsbestuur. Dit is echter alleen de 21% uit groep 1. Deze groep 1 staat tegenover de 79% uit groep 2 met maar weinig dienstjaren. De overgrote meerderheid van het aantal schepenen dat dienst deed in de vijftiende eeuw, deed dit voor een relatief korte periode en bestond voor een klein deel uit een vaste kliek schepenen.

|pag. 14|

2.2 De macht van patriciërs in het stadsbestuur
De vraag is nu hoeveel schepenen van de in tabel A weergegeven groepen, deel uit maakten van het patriciaat. Wanneer dit bekend is, kan er een uitspraak gedaan worden over de machtscontinuïteit en dominantie van het Zwolse patriciaat in het stadsbestuur. Waren het vooral leden van het patriciaat die veel dienstjaren als schepen maakten, of waren dit juist vermogende burgers die niet tot het patriciaat behoorden? Het is voor de hand liggend om aan te nemen dat veel voorkomende familienamen met wisselende voornamen, ook tot het patriciaat behoorden. In de inleiding is al aangegeven hoe lastig het is om te bepalen wie nu tot het patriciaat behoorden en wie niet. Ten Hove stelt vast dat een aantal familienamen tot de bekende Zwolse geslachten te rekenen was. Vermoedelijk waren dit tevens patriciaatsfamilies.
Dit zijn de geslachten: Van Yrte, Haersolte, Van der Haer of Ter Haer, Snavel, Van Ittersum, Van den Tyver, Van Bircmede, Van Wytmen, Van den Water en Ten Bussche of Van den Bussche.31 [31. Ibidem, 138, 162, 183, 298.] Deze prominente namen worden bevestigd door de lijst van W.A. Huijsmans uit het Historisch Centrum Overijssel, waarin deze familienamen ook voorkomen. Deze lijst is tot stand gekomen naar aanleiding van een gemeentelijke opdracht, waarbij straatnamen naar magistraatfamilies vernoemd moesten worden. Daarbij geeft deze lijst aanvullende namen van ‘magistraatsfamilies’, die hoogstwaarschijnlijk ook tot het patriciaat behoorden, hoewel dit alleen te veronderstellen is op basis van de geschiedenis van diverse families. Dit zijn de families: Van den Toerne, Tyasen, Knoppert, Van Twenhusen, Splijthoff, Essinck, Sticker, Cadeneter, Van Rutenberg, Van Eme, Holtinck, Kokeman, Koteken en Van Millingen. 32 [32. W.A. Huijsmans, ‘Lijst van Zwolse magistraatsfamilies en hun regeringsperiode’ (Historisch Centrum Overijssel).]
     Hiermee lijkt de stelling bevestigd dat familienamen die veelvuldig voorkomen, hoogstwaarschijnlijk tot het patriciaat behoorden, hoewel over maar weinig namen uitsluitsel te geven is. Daarbij zijn de door Ten Hove en Huijsmans genoemde namen, in vergelijking met de schepenlijst, inderdaad de families die langdurig invloed hadden, waardoor het betrouwbaar lijkt om deze familienamen tot het patriciaat te rekenen. Van alle overige namen mag er vanuit worden gegaan dat zij niet tot het patriciaat behoorden. Toch is er een aantal namen twijfelachtig, omdat bepaalde individuen niet lang in het stadsbestuur zaten maar wel meerdere familieleden hadden die in het stadsbestuur terug te vinden zijn. Het gaat dan om bestuurlijk weinig actieve patriciaatsfamilies of om rijke families die niet tot het patriciaat behoorden.
Voorbeelden van familienamen waarover twijfel bestaat zijn: Poppe, Sobbe, Peyngs, Van Merne en Koeckman die gemiddeld twee familieleden voor meerdere jaren in het stadsbestuur

|pag. 15|

vertegenwoordigd hadden.33 [33. Bijlage I ‘Totaaloverzicht schepenen in het Zwolse stadsbestuur 1399-1500’.]
     In totaal zijn er dus 23 familienamen die met grote zekerheid behoorden tot het Zwolse patriciaat. Nu komen deze 23 namen veelvuldig voor in de onderzochte schepenlijsten, waardoor van de 164 schepenen tussen 1399 en 1500, 86 daarvan tot één van deze families te rekenen zijn.34 [34. Ibidem.] Dit komt neer op 52% van alle schepenen, zoals af te lezen in tabel B. De kans dat schepenen met dezelfde achternaam tot dezelfde familie behoorden is erg waarschijnlijk in het relatief kleinschalige Zwolle. Wanneer de families waarover twijfel bestaat, inderdaad tot het patriciaat gerekend mogen worden, dan zou het percentage van 52% bijna de zestig raken.
Deze cijfers werpen een ander licht op de aanname van Jan ten Hove die beweert: ‘Het patriciaat monopoliseerde de politieke inrichting van de stad. De twaalf schepenen en twaalf raden die in Zwolle de dienst uitmaakten, werden steevast uit deze groep gerekruteerd’.35 [35. Ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 135.]

Tabel B: 86 patriciërs in het stadsbestuur 1399-1500
Groep 1: Aantal langzittende schepenen behorende tot het patriciaat.
15-30 jaar 12/14 86%
10-14 jaar 10/20 50%
Subtotaal: 22/34 65%
% patriciërs 26%
Groep 2: Aantal kortzittende schepenen behorende tot het patriciaat.
5-9 jaar 31/54 57%
1-4 jaar 33/76 43%
Subtotaal: 64/130 49%
% patriciërs 74%
Totaal aantal patriciërs: 86/164 52%

Bron: Bijlage II

Er blijkt dus dat 52% van alle schepenen tussen 1399 en 1500 bestond uit patriciërs. Daarmee kan vastgesteld worden, zeker met eventueel ontbrekende patriciaatsnamen, dat het patriciaat jaar in jaar uit, een aanzienlijk deel van de macht had in het Zwolse stadsbestuur in de

|pag. 16|

vijftiende eeuw.36 [36. Bijlage II ‘Schepenen in het Zwolse stadsbestuur op basis van dienstjaren’.] Nu is het de vraag hoeveel van deze patriciërs deel uitmaakten van de groep van lang- en kortzittende schepenen. Oftewel: waren de patriciërs dominant aanwezig in het stadsbestuur of niet? In cirkeldiagram B is op basis van tabel B te zien dat slechts 26% van alle patriciërs in het stadsbestuur tot de categorie ‘langzittende schepenen’ hoort. Het overgrote deel van 74% zat relatief kort in het stadsbestuur.

[diagram B]

Nu zou de mogelijkheid nog kunnen bestaan dat de langzittende patriciërs uit groep 1 van tabel B, allemaal in een tijdsbestek van enkele decennia dienst deden, waardoor hun macht toch beperkt zou zijn. Wanneer gekeken wordt naar het totaaloverzicht kan deze mogelijkheid uitgesloten worden.37 [37. Bijlage I ‘Totaaloverzicht schepenen in het Zwolse stadsbestuur 1399-1500’.] De redelijk gelijkmatige verdeling over de vijftiende eeuw is goed waar te nemen in tabel C. Per kwart van de vijftiende eeuw blijft de machtscontinuïteit van het patriciaat ongeveer gelijk.

|pag. 17|

Tabel C: Aantal schepenen uit het patriciaat per kwartiel 1399-1500
Langzittende schepenen uit het
patriciaat
Kortzittende schepenen uit het patriciaat Totaal
1399-1425 8 33% 16 67% 24
1426-1450 19 63% 11 37% 30
1451-1475 16 38% 26 62% 42
1476-1500 10 27% 27 73% 37

Bron: Bijlage I

Wel is in het tweede kwart van de vijftiende eeuw waar te nemen dat er relatief meer langzittende patriciërs waren dan in de andere kwartielen. Dit kan te maken hebben met de strijd om de nieuwe bisschop. Toen Frederik van Blankenheim in 1423 stierf en de paus Zweder van Culemborg aanstelde als nieuwe bisschop, was Rudolf van Diepholt al door de kapittelheren verkozen. Dit leidde tot een Utrechts schisma, waardoor verschillende partijen in de Nederlanden op zeer gespannen voet met elkaar stonden. Zwolle werd in 1426 zelfs in staat van verdediging gebracht tegen een mogelijk aanval van Gelre. In datzelfde jaar stierf tevens de meest ervaren patriciër: Albert Snavel. Pas in 1430 werd Rudolf van Diepholt door alle partijen erkend als nieuwe bisschop.38 [38. Ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 168-169.] Het is mogelijk dat in deze korte periode van crisis uit voorzorg, maar ook daarna, een aantal ervaren schepenen langer op hun post bleven zitten, zeker nadat ook Albert Snavel er niet meer was. Dit zou eventueel van invloed geweest kunnen zijn op het aantal langzittende schepenen dat hoger uitvalt, maar gezien de schepenlijst lijkt het ook mogelijk dat de patriciërsgeneratie van begin vijftiende eeuw, grotendeels haar laatste bestuursjaren in het tweede kwart van de vijftiende eeuw volbracht.
     De totaalcijfers van tabel C zijn berekend op basis van alle schepenen die per kwart eeuw dienst deden en afkomstig waren uit het patriciaat. Dit verklaart de hoge getallen. Dit betekent dat een patriciër die in de eerste twee kwarten van de vijftiende eeuw dienst deed, vanwege de overlap, twee keer is meegeteld om zo per kwart een zo volledig mogelijk beeld te creëren. De oorzaak dat het patriciaat de hele vijftiende eeuw een stabiele machtsbasis had, was

|pag. 18|

dat er zich geen gebeurtenissen voordeden waardoor het patriciaat aan macht moest inleveren of waarbij zijn macht sterk vergroot zou worden. Wel werd de macht van het patriciaat aan het begin van de vijftiende eeuw op de proef gesteld door de gilden, maar cijfermatig is dit nauwelijks terug te zien. Geconcludeerd kan worden dat het patriciaat ook per kwartiel niet dominant aanwezig was in het stadsbestuur van de vijftiende eeuw, omdat het iets meer dan de helft van het aantal schepenen vertegenwoordigde. Daarbij behoorden de meeste patriciërs tot de kortzittende schepenen.
     Deze conclusie werpt de vraag op waarom het patriciaat zo kort zitting had in het stadsbestuur en waarom het niet erg dominant was. Het deelnemen aan het stadsbestuur lijkt voor de leden van het patriciaat meer een nodige afwisseling in één van hun hoge bestuursfuncties te zijn geweest. Wanneer dit niet zo zou zijn, hadden waarschijnlijk meer patriciërs langdurig in het stadsbestuur zitting gehad. Hierbij moet ook niet vergeten worden, zoals eerder gesteld in hoofdstuk 1, dat schepenen nauwelijks tot geen vergoeding voor hun omvangrijke en verantwoordelijke werk kregen. Daarom was het een voorwaarde dat schepenen kapitaalkrachtig moesten zijn om zitting te hebben in het stadsbestuur. Het is zeer waarschijnlijk dat patriciërs liever gingen ondernemen of beter betaalde functies gingen uitoefenen dan de verantwoordelijke en onbetaalde taak van schepen op zich gingen nemen.
Van patriciërs is bekend dat ze vaak ook handelaren waren. Bij de bevoorrading van een veldtocht uit 1401 werden bij de leveranciers van spek, rogge en bier diverse namen van patriciërs aangetroffen. Hetzelfde gold voor schepenen die wel in het stadsbestuur zitting hadden maar niet behoorden tot het patriciaat. Ook zij zaten relatief kort in het stadsbestuur, omdat misschien ook voor hen het ondernemen lucratiever was. Deze personen waren rijke inwoners van Zwolle die waarschijnlijk nog maar een korte geschiedenis hadden in de stad of onlangs fortuin hadden gemaakt.39 [39. Ibidem, 135.]In een relatief kleine stad als Zwolle zal een bestuurlijke functie voor de meeste patriciërs niet meer dan een nevenfunctie zijn geweest.
     De functie van schepen leek een dankbare taak die een patriciër historisch gezien behoorde uit te oefenen. Grote individuele macht is niet te ontdekken in de onderzochte schepenlijsten. Dit komt waarschijnlijk omdat bij eventuele pretenties een schepen het jaar er op niet herkozen zou worden. Deze wetenschap kon in de hand hebben gewerkt dat patriciërs niet eens meer probeerden langdurige persoonlijke macht te verwerven. Het is ook mogelijk dat er in Zwolle geen cultuur heerste om ieder jaar dezelfde persoon te herkiezen, waardoor iemand noodgedwongen weer in de raad terecht kwam. Bovendien moest de macht in het stadsbestuur

|pag. 19|

onder twaalf man verdeeld worden. Misschien bleef ook om deze redenen de wil om jarenlang achtereen zitting te nemen in het stadsbestuur tot een minimum beperkt: er was te weinig kans om een permanente macht op te bouwen. Of het is mogelijk dat het ambt van schepen toch enigszins een verplichting was, waardoor een patriciër weer in de raad zitting nam wanneer dit mogelijk was.40 [40. Ibidem, 135-136.] In de volgende paragraaf zal de situatie in Zwolle vergeleken worden met andere steden, zodat er eventueel een antwoord geformuleerd kan worden op de vraag waarom Zwolse patriciërs zo kort zitting hadden in het stadsbestuur.
     Ten slotte zullen de levens van twee prominente patriciërs uit de schepenlijst kort besproken worden, omdat dit een inkijk geeft in de wijze waarop Zwolse patriciërs leefden.
Tevens zijn dit ook de enige twee patriciërs waarover iets bekend is. Daarbij bevestigen deze korte levensbeschrijvingen de eerder gemaakte opmerkingen over de achtergrond van een Zwolse schepen in de vijftiende eeuw.
     Eén van de bekendste families was de familie Snavel. Met name Albert Snavel was als welgestelde patriciër prominent in het Zwolse patriciaat. Hij stond tevens bekend om zijn gedichten.41 [41. Ibidem, 163.] Hij diende veertien jaren in het stadsbestuur tussen 1400 en 1426. Met enkele tussenjaren waarin hij waarschijnlijk wat anders deed, was Albert Snavel een voorbeeld van één van die weinige 34 patriciaatsleden die lange tijd het stadsbestuur domineerde. Toen hij als schepen in 1426 in het harnas stierf, liet hij honderd Arnhemse guldens na aan zijn zoon Ludeken Snavel, die zes maal schepen was. Ook liet Albert Snavel een bedrag na aan de priester van het door hem zelf gestichte Sint Gregorius altaar in de Sint-Michaëlkerk.42 [42. Frans Berkenvelder, Zwolse Regesten III, nr. 1438.]
     Een andere familie waar meer over bekend is, is de familie Van Ittersum. Het meest prominente lid was mr. Johan van Ittersum. Hij werd in 1382 geboren als zoon van een schepen die tevens rentmeester was van Salland. Johan van Ittersum trouwde tweemaal. Beide keren met iemand uit het Zwolse patriciaat. Zijn eerste vrouw was Lutgert ten Water en zijn tweede vrouw was Agnes Camferbeke. Hij kreeg met deze vrouwen twaalf kinderen. Johan van Ittersum studeerde keizerlijk recht in Keulen en Heidelberg. Vanaf 1407 woonde hij weer in Zwolle en werd daar raadsheer van de bisschop van Utrecht aan wie hij vaak grote sommen geld leende. In 1426 werd Van Ittersum voor het eerst schepen van Zwolle, waarna hij al vrij snel de belangrijkste functie van cameraar verkreeg. Veertien maal was hij schepen tot twee jaar voor zijn dood. Hij bezat in Zwolle minstens zes huizen en vele landerijen in de omgeving.
Van Ittersum was zo rijk dat hij zijn rente over het geld dat hij aan de stad Zwolle geleend had,

|pag. 20|

niet terug hoefde. Ook liet hij tussen 1439 en 1444 het Laurensgasthuis bouwen. In 1464 overleed hij op 82-jarige leeftijd.43 [43. Frans Berkenvelder, ‘Johan van Ittersum’ in: Jan Folkerts ed., Overijsselse biografieën: levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Overijsselaars I (Meppel 1990) 110-113.]

2.3 Een vergelijking met Deventer, Leiden en Utrecht
Voordat de vergelijking met Deventer, Leiden en Zwolle gemaakt gaat worden, zal er eerst gekeken worden naar het onderzoek van Wim Blockmans, waar in de inleiding al kort bij werd stilgestaan. Blockmans deed onderzoek naar de mobiliteit in de stadsbesturen van Gent, Dordrecht, Rotterdam en Zutphen. Deze steden selecteerde Blockmans omdat het belangrijke handelssteden waren en omdat hij vanwege de vermoedelijke verschillen deze steden interessant vond om te vergelijken. Een aantal constateringen die hij doet, is ook van toepassing op de steden die in dit onderzoek ter vergelijking dienen. Zo constateert hij bij de steden een duidelijke hiërarchie tussen het schepencollege en de raad, waar ook binnen die raden weer een standsverschil was. Eveneens constateert Blockmans dat het lidmaatschap van een grote politieke familie de kans op succes vergrootte. Ook de vermogensdrempel voor deelname aan het stadsbestuur komt overeen met de steden die in dit onderzoek zijn onderzocht.44 [44. Blockmans, ‘Mobiliteit in stadsbesturen’, 254-257.] Naast de bevindingen van Blockmans zal nu voor Deventer, Leiden en Utrecht bekeken worden of er meer verschillen en overeenkomsten zijn. Zo wordt de situatie in de stad Deventer vergeleken om te constateren of deze andere belangrijke stad in de IJsselstreek verschilde met Zwolle en inherent hieraan of er sprake is van een systeem in de IJsselstreek. Daarnaast is er gekozen voor Leiden en Utrecht die in andere regio’s in de Nederlanden dominant waren en waar bestuurlijke verschillen met Zwolle te verwachten zijn. Zo kan geconstateerd worden hoe in die steden de machtsuitoefening van het patriciaat in het stadsbestuur vorm kreeg, zodat de situatie in Zwolle in het juiste licht gezien kan worden.
     Deventer was in de 15e eeuw de belangrijkste van de drie grootste steden in het Oversticht en telde ongeveer 5 á 6000 inwoners, waarmee de stad ruwweg zo’n duizend inwoners meer had dan Zwolle. Deventer behoorde ook tot de Hanze en was tevens een interregionale jaarmarktstad. Samen met de andere IJsselsteden vormde Deventer een samenhangend economisch landschap met steden die veel handelden in de regio.45 [45. Henk Slechte, Geschiedenis van Deventer I (Zutphen 2010) 161-167.]
     Het Deventer stadsbestuur was volgens De Meyer en Van den Elzen omstreeks 1400 oligarchisch en autocratisch. Een klein aantal rijke families maakte ieder jaar de dienst uit.
Bovendien waren de jaarlijkse schepen- en raadsverkiezingen volgens beide auteurs een wassen

|pag. 21|

neus. Deventer had een ‘meente’ die personen rekruteerde uit acht stadswijken, om de schepenen te kiezen maar toch stond de uitkomst van tevoren al vast. Dezelfde schepenen en raadsleden rouleerden vaak van plek die overigens dezelfde takenverdeling kenden zoals beschreven bij Zwolle.46 [46. G.M. de Meyer en E.W.F. van den Elzen, ‘Oligarchie: vloek of zegen? Het Deventer stadsbestuur omstreeks 1400’, Overijsselse historische bijdragen 101 (1986) 6-9.] Of het patriciaat in het stadsbestuur nu dominanter of langer als schepen in functie was dan in Zwolle is niet bekend. Volgens het beeld van De Meyer en Van den Elzen lijkt dit aannemelijk, maar niet meer dan dat. De taken van het Deventer stadsbestuur, dat beheerst werd door rijke families, waren het innen van de bisschops- en katentol, het verpachten van stadsinkomsten, het verhuren van stadslanderijen, aannemen van stadspersoneel, controle op muntkoersen en controle op woningbouw. Aangezien ze overal verantwoordelijk voor waren, zouden deze activiteiten ook aangevuld kunnen worden met de taken die bij het stadsbestuur van Zwolle werden genoemd. Net als in Zwolle kwamen ook buitenstaanders om praktische redenen wel eens in het stadsbestuur maar tot een verregaande invloed van de gilden kwam het in de vijftiende eeuw niet.47 [47. Ibidem, 8.]
     Deventer en Zwolle verschilden in bestuurlijk opzicht niet veel van elkaar. Dit kwam omdat beide steden dezelfde landsheer hadden. Zwolle had in 1230 dezelfde rechten en privileges als Deventer gekregen, nadat deze stad al in 1123 stadsrechten had ontvangen.
Hierdoor werd Zwolle een dochterstad van Deventer, waardoor voor juridische kwesties Zwolle geacht werd te rade te gaan bij Deventer. Hoewel in de veertiende eeuw dochtersteden van Deventer meer aan zelfstandigheid wonnen, is de historische verbondenheid tussen beide steden een verklaring voor de overeenkomst tussen het functioneren van beide stadsbesturen.48 [48. Slechte, Geschiedenis van Deventer I, 101.]
Het lijkt alsof er een bepaald systeem is voor de IJsselsteden, want in het onderzoek van Blockmans blijkt dat de werking van het stadsbestuur in Zutphen ook sterk overeenkomt met Deventer en Zwolle.49 [49. Blockmans, ‘Mobiliteit in stadsbesturen’, 251-254.] Verder is het interessant om, net als bij Zwolle, aan de hand van maand- en jaarrekeningen te toetsen of de rijke families werkelijk zo dominant in het stadsbestuur waren als De Meyer en Van den Elzen stellen. Net als bij Zwolle kan er eventueel een genuanceerder beeld ontstaan dan het statische bestuur dat beide auteurs van Deventer schetsen. Dat het bestuur in Deventer statischer was dan in Zwolle, kan een oorzaak hebben in de oudere wetgeving en tradities ten aanzien van handel en bestuur. Het is daarom aannemelijk dat, net als in Zwolle, het patriciaat de bestuurlijke en commerciële activiteiten combineerde.

|pag. 22|

Ook Deventer was een relatief kleine stad waar de rijke patriciaatsfamilies betrokken moeten zijn geweest bij de handel. Eveneens is het relevant om deze rijke families nader te definiëren. Is er sprake van een patriciaat of gaat het om rijke families die hier niet toe behoorden? De Meyer en Van den Elzen gebruiken alleen de benamingen ‘rijke families’ en ‘oligarchen’, zonder die te definiëren. Als duidelijk is om wat voor groep het gaat, kan onderzocht worden of deze families hun macht konden continueren.
     Leiden telde in de vijftiende eeuw zo’n 5 á 6000 inwoners.50 [50. Van Kan, Sleutels tot de macht, 22.] Naast de sterke lakennijverheid en de brouwerij werd er veel gehandeld in: wijn, koren, vis, vlees, turf, was, hout en zout. Buiten Leiden werd gehandeld in het Oostzeegebied, het Duitse Rijnland en Noord-Frankrijk.51 [51. Ibidem, 19.] Het bestuur in Leiden was anders georganiseerd dan in Zwolle en Deventer.
In Leiden werd het stadsbestuur aangeduid als ‘het gerecht’. Dit zijn de schout, de schepenen, de burgemeesters en de vroedschap.52 [52. Brand, Over macht en overwicht: stedelijke elites in Leiden 1420-1510 (Leuven 1996) 40.] De vroedschap lijkt op de raad in Zwolle en Deventer.
De vroedschap was een verzameling van oud-bestuurders die het gerecht van advies voorzag.
De vroedschap speelde ook een rol in het kiezen van burgemeesters en schepenen, hoewel in sommige perioden de landsheer personen aanstelde voor deze ambten.53 [53. Ibidem, 44-45.] Het schoutambt was het meest prestigieuze ambt dat te vergeven was en mocht door maar drie families uitgeoefend worden. Daarnaast waren er vier burgemeesters en acht schepenen die samen met de schout het dagelijks bestuur vormden. Volgens het stadsrecht uit 1266 vaardigden zij de keuren en verordeningen af. De schout was maximaal drie jaar achter elkaar in dienst. Hij zorgde voor orde en naleving van de wetten: de schepenen spraken recht.54 [54. Ibidem, 40.] Dit rechtspreken werd in Zwolle en Deventer door het schepencollege verricht.55 [55. Ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 143-144.] Er was in Zwolle en Deventer geen sprake van een schout als grafelijke functionaris. Aan het begin van de veertiende eeuw had de schout, als vertegenwoordiger van de landsheer, de bisschop van Utrecht, in Kampen, Deventer en Zwolle geen enkele zeggenschap meer in bestuurlijke aangelegenheden.56 [56. Ibidem, 82.] In Leiden was er nog wel een schout als vertegenwoordiger van de landsheer. De schout leidde de vroedschapsvergaderingen, iets dat in Zwolle en Deventer niet het geval was. Bij externe aangelegenheden hield de Leidse schout zich op de achtergrond. Tot 1421 had de landsheer het benoemingsrecht van schout en schepenen aan de burggraaf afgestaan. Van 1421 tot 1426

|pag. 23|

verpachtte hertog Jan van Beieren het benoemingsrecht aan vooraanstaande burgers, maar in 1426 besloot Philips van Bourgondië, graaf van Holland en Zeeland, zelf de schout aan te stellen. In het privilege van 1434 werd vastgelegd dat de landsheer het schoutambt zou verpachten aan burgers. De aanstellingsbevoegdheid wisselde dus nogal eens. De juridische mogelijkheden waren voor schout en schepenen gering. Voor grote zaken moesten ze naar de baljuw van het Rijnland, totdat daar in 1434 met het privilege van Philips van Bourgondië een einde aan kwam, waardoor schout en schepenen zelf recht mochten spreken. Op te merken is dat de landsheer, in tegenstelling tot die van Zwolle en Deventer, nogal eens schoof met bepaalde bevoegdheden. De schepenen van Leiden hadden geen ingekaderde functies zoals in Zwolle en Deventer. Samen oefenden ze alle taken uit.57 [57. Brand, Over macht en overwicht, 40-44.] Een ander verschil met Zwolle en Deventer is dat bij het vervullen van een ambt er geen bedrijf of handel in stand gehouden mocht worden door gerechtslieden, om belangenverstrengeling en machtsmisbruik te voorkomen.58 [58. Ibidem, 46.]
     Voor de stad Leiden werd lang gesteld dat in de veertiende en vijftiende eeuw weinig meer dan een twintigtal families uit het patriciaat het stadsbestuur in handen had. Voor buitenstaanders was geen plek. Fred van Kan toetste deze stelling aan de hand van schepenlijsten, waaruit al snel bleek dat veel meer families bij het stadsbestuur betrokken waren. Tussen 1296 en 1420 namen alleen al 139 families deel aan het gerecht met 261 personen. Wanneer daar alle bestuurscolleges bij opgeteld worden, komt hij op 186 geslachten met 330 personen.59 [59. Van Kan, Sleutels tot de macht, 98.] Net als Zwolle bleek dat niet alleen het patriciaat de leiding had over het stadsbestuur. Over mobiliteit in het stadsbestuur stelt Hanno Brand dat het vaak voorkwam dat een schepen twee jaren achtereen functioneerde, maar een duidelijk patroon is hierin niet waar te nemen. Toch werden weinig mensen herbenoemd, waardoor er een smalle politieke elite was en veel roulatie. Weinig mensen zaten vele jaren in het Leidse gerecht. Wel werd er veel gewisseld tussen vroedschap, burgemeesters en schepenen. Tussen 1340 en 1510 waren dit ongeveer vier benoemingen per persoon in het gerecht.60 [60. Brand, Over macht en overwicht, 49-51.] Dit getal lijkt laag te liggen, maar omdat het gerecht, alswel de stedelijke families omvangrijker waren dan het stadsbestuur van Zwolle en Deventer, is dit getal nog vrij hoog. In Zwolle lag het gemiddelde aantal dienstjaren van alleen al de schepenen op gemiddeld zeven jaar. Daar komt nog bij het aantal keer dat iemand in de raad zat of een andere bestuurlijke functie bekleedde. In Zwolle zat een

|pag. 24|

bestuurder langer op een invloedrijke positie dan in Leiden. In Leiden waren er van 1300-1420 zo’n 223 patriciaatsfamilies, waarvan er 186 aan de stedelijk politiek deelnamen.61 [61. Van Kan, Sleutels tot de macht, 210.] In Zwolle kunnen tussen 1399-1500 maar 23 families tot het patriciaat gerekend worden. Nu komen de onderzoeksperioden van beide steden grotendeels niet overeen: het geeft wel het verschil aan.
     Een ander punt waarin Leiden verschilde met Deventer en Zwolle, waren de voortslepende Hoekse en Kabeljauwse twisten tussen edelen en patriciërs, waardoor in de vijftiende eeuw wisselend Hoekse en Kabeljauwse families hun stempel drukten op het stadsbestuur. De dominantie van één van beide partijen was weer sterk afhankelijk van de stellingname van de landsheer in dit conflict.62 [62. Brand, Over macht en overwicht, 69.] Een soortgelijke strijd werd in Utrecht gevoerd tussen de Lichtenbergers en de Lockhorsten. Ook Gelre had dergelijke twisten tussen facties.63 [63. A.J. van den Hoven van Genderen, ‘Op het toppunt van de macht (1303-1528)’ in: R.E. de Bruin e.a., ‘Een paradijs vol weelde’: geschiedenis van de stad Utrecht (Utrecht 2000) 162-163.]
In de IJsselstreek lijken deze twisten zich niet te hebben voorgedaan. Toch zou de vraag opgeworpen kunnen worden of de strijd rond de bisschopsbenoemingen in de eerste helft van de vijftiende eeuw en de verschillende factietwisten in de Leidse regio, niet een weerklank hadden in de IJsselstreek.
     Utrecht had eind vijftiende eeuw zo’n 10.000 inwoners. Het was een stad met veel lakennijverheid, hoewel dit minder was dan in Leiden. Via de waterverbindingen werd er gehandeld op de jaarmarkten in Bergen op Zoom, Antwerpen, Amsterdam, Amersfoort en Deventer. Er werd veel gehandeld in: vis, huiden, wijn, textiel en diverse voedingsmiddelen.64 [64. Ibidem, 172-173.]
Utrecht was in de vijftiende eeuw een gildendemocratie waar niet alleen rijke burgers of het patriciaat de macht hadden. Zowel Zwolle, Deventer als Leiden kenden geen gildendemocratie.
Ondanks de invloed van de gilden zijn er diverse overeenkomsten met de genoemde steden.
Daarbij is het relevant om te zien hoe een stad die niet al te ver van Zwolle vandaan ligt, bestuurlijk toch op een aantal punten anders ingericht was.65 [65. D.A. Berents, ‘Gegoede burgerij in Utrecht in de 15e eeuw’ in: Jaarboek Oud-Utrecht, Vereniging tot beoefening en tot verspreiding van de kennis der geschiedenis van stad en provincie Utrecht (1972) 78-79.] De gilden hadden in 1304 middels de ‘Gildenbrief’ inspraak in het stadsbestuur afgedwongen, nadat de gilden rijke patriciërs hadden bijgestaan in een succesvolle poging om hun verloren macht te herwinnen. Deze rijke patriciërs hadden zonder toestemming van hun landsheer, de bisschop van Utrecht, de Gildenbrief afgegeven. Sindsdien moest het patriciaat zijn macht delen met de gilden. De gilden organiseerden nu ook de schepenverkiezing in plaats van de bisschop van Utrecht. Deze

|pag. 25|

laatste ging als landsheer akkoord met de onrechtmatig afgegeven Gildenbrief, om zich zo te ontdoen van zijn gehate positie. De bisschop leefde een groot deel van de veertiende eeuw in onmin met de Utrechtse burgers, omdat hij veel vijanden had gemaakt door zijn rol in talloze conflicten. De raad werd sinds de Gildenbrief belangrijker, want zij ging nu over de rechtspraak maar ook over wetgeving en bestuurlijke zaken, zoals het open houden van de waterwegen en daarmee de handel. De raden hadden naast de schepenen veel macht. Dit was om te voorkomen dat alle macht bij enkele schepenen kwam te liggen. De raden hoefden in tegenstelling tot de schepenen geen eed van trouw te zweren aan de stadsheer, de bisschop. Daarom waren de raden onafhankelijker en konden ze de belangen van de stad beter verdedigen, zo was de gedachte. De raden van Utrecht hadden, in tegenstelling tot Zwolle, Deventer en Leiden, veel meer taken dan enkel een adviserende en controlerende functie.66 [66. Van den Hoven van Genderen, ‘Een paradijs vol weelde’, 114-116.] Uit ieder gilde werden door loting drie mannen gekozen die de oudermannen mochten kiezen. Deze oudermannen kozen de raad: voor ieder gilde één of twee raden. De raden kozen dan weer de schepenen. Door dit stelsel kon het gewone volk weinig kiezen.67 [67. Berents, ‘Gegoede burgerij in Utrecht in de 15e eeuw’, 78-79.] In Zwolle en Leiden was de inspraak van burgers schijnbaar nog het hoogst, omdat de meeste burgers daar konden meestemmen.
     Wanneer iemand tot schepen werd benoemd, kon diegene na afloop van zijn ambtstermijn van een jaar, voor een aantal functies, zoals burgemeester en cameraar, de drie jaar daarop niet herkozen worden. Voor andere functies gold een wachttijd van een jaar.
Utrecht kende vele restricties bij machtsposities, omdat de politiek in Utrecht, in tegenstelling tot Zwolle en Deventer, erg verweven was met ontwikkelingen in de regio. Zo was er de machtsbedreiging vanuit Holland, de bisschop van Utrecht, waar menig conflict mee uitgevochten werd, en de vele familietwisten die zich in Utrecht afspeelden. Veel conflicten werden veroorzaakt door partijen die de kant kozen voor of tegen Holland of voor of tegen de bisschop. Deze strijdende partijen waren ook te zien in Leiden maar niet in Zwolle en Deventer. Er werd in Utrecht van alles gedaan om machtsconcentraties te beperken. Toch zijn er jaarlijks wel namen van dezelfde families terug te vinden, wat aangeeft dat er in bepaalde mate een vaste groep patriciërs zitting had in het stadsbestuur. De patriciërs aldaar waren in tegenstelling tot Zwolle, Deventer en Leiden, mannen uit de gilden en het ‘oude patriciaat’. Net als in Zwolle was het ook in Utrecht niet gebruikelijk en zelfs niet toegestaan om lang aaneengesloten in het stadbestuur zitting te nemen. Of dit in Zwolle wel was toegestaan is niet bekend, het was zoals uiteengezet in hoofdstuk 2 in elk geval niet gebruikelijk. Aannemelijk is

|pag. 26|

ook dat vanwege de vele familieruzies in Utrecht, het ‘oude patriciaat’ uit zijn machtsposities was gewerkt. Het ‘oude patriciaat’ had de invloed van de gilden namelijk altijd tegengewerkt.
Exacte cijfers over het machtsbehoud en dominantie van het patriciaat zijn er niet. Gegevens over dit ‘oude patriciaat’ ten opzichte van het ‘nieuwe gildenpatriciaat’ zijn eveneens niet beschikbaar.68 [68. Van den Hoven van Genderen, ‘Een paradijs vol weelde’, 132.] Dit zou een onderzoek waard zijn. Wel is bekend dat ongeveer de helft van alle magistraatsposten uit de 15e eeuw in handen was van de rijksten van Utrecht die waarschijnlijk tot het gildenpatriciaat gerekend mogen worden.69 [69. Berents, ‘Gegoede burgerij in Utrecht in de 15e eeuw’, 78-92.] Opmerkelijk is ook, in tegenstelling tot de andere onderzochte steden, dat veel patriciërs trouwden met leden van de adel, waardoor zij nauw verweven raakten met de ridderschap.70 [70. Van den Hoven van Genderen, ‘Een paradijs vol weelde’, 172.] Deze samensmelting is ook in Gelderse steden te constateren.71 [71. Johanna Maria van Winter, Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen (Groningen 1962) 107.]

2.4 Tot besluit
De meeste Zwolse schepenen die in de vijftiende eeuw dienst deden waren kortzittende schepenen, waardoor zij niet een vaste kliek mannen leek te zijn. Van al deze schepenen was ruim de helft lid van het patriciaat. Deze patriciërs zaten voor het overgrote deel ook kort in het stadsbestuur. In Deventer was dit vermoedelijk gelijk, zo niet sterker, omdat Deventer bestuurlijk statischer leek dan Zwolle. Verder verschilden Zwolle en Deventer niet veel van elkaar in tal van opzichten. De verklaring hiervoor is het feit dat het zustersteden waren, waardoor de politieke inrichting nagenoeg hetzelfde was. Zwolle was daarbij ook een stad waar burgers meer inspraak leken te hebben dan in Deventer, waardoor de kwaliteit van leven door deze burgerlijke zeggenschap misschien hoger was dan in de andere onderzochte steden.
Leiden en Utrecht hadden echter duidelijk een ander karakter dan Zwolle en Deventer. In tegenstelling tot de andere steden had de schout, en daarmee de landsheer, in Leiden en Utrecht veel macht. Ook de meente was belangrijker in Utrecht dan in de andere steden. Utrecht was bovendien een gildendemocratie, waarbij de macht van het traditionele patriciaat sterk teruggedrongen was. Zowel de schout, de gilden als de meente speelden in Zwolle en Deventer nauwelijks een rol van betekenis. In Utrecht en Leiden is op te merken dat de landsheer van beide steden nogal eens wisselde van beleidsvoering, wat de nodige verschuivingen van bevoegdheden met zich meebracht, wat weer leidde tot vele conflicten. Daarbij hadden Utrecht

|pag. 27|

en Leiden continu te maken met vele familietwisten. Voor Utrecht kwam daar nog de continue machtsbedreiging vanuit Holland bij. Zwolle en Deventer leken aanmerkelijk rustiger in de vijftiende eeuw vanwege een politiek vrij stabiele landsheer en nauwelijks grote ontwikkelingen in de regio die voor blijvende onrust zorgden. De bisschop van Utrecht leek zich met Deventer en Zwolle minder te bemoeien dan met Utrecht. Een verklaring kan zijn dat de bisschop had geaccepteerd dat zijn macht in het Oversticht al sinds het begin van de veertiende eeuw verzwakt was. Alleen over godsdienstige en kerkelijke kwesties liet de bisschop zijn macht nog gelden. Nu duidelijk is hoe de machtsuitoefening van het patriciaat in het stadsbestuur van Zwolle en andere steden was vormgegeven, kan er verder gekeken worden naar de verhouding tussen het stadsbestuur en de kerkelijke en geestelijke instellingen in Zwolle.

|pag. 28|

Hoofdstuk 3: De verhouding tussen het stadsbestuur en de kerkelijke en geestelijke instellingen in Zwolle

3.1 Kerken
Nu het functioneren van het stadsbestuur uiteengezet is, zijn mate van macht, evenals de continuïteit van machtsuitoefening door patriciaatsfamilies in dat stadsbestuur, moet bezien worden welke verhouding het stadsbestuur had met de kerkelijke en geestelijke instellingen in Zwolle. Dit is relevant voordat er iets gezegd gaat worden over de verwevenheid tussen beide en de rol die de eventuele verwevenheid speelde in de machtsuitoefening van het stedelijke patriciaat. Daarbij moet eerst inzichtelijk worden gemaakt wat de betekenis was van diverse kerkelijke en geestelijk instellingen, om in het volgende hoofdstuk de eventuele verwevenheid goed te kunnen duiden. De verhouding tussen patriciaat en kerkelijke en geestelijke instellingen in Deventer, Leiden en Utrecht, zal grotendeels aan de orde komen in het volgende hoofdstuk.
Dan zal ook de verwevenheid tussen het patriciaat en kerkelijke en geestelijke instellingen in die steden besproken worden: dit om al te veel fragmentatie te voorkomen.
     Zoals in de inleiding kort werd gememoreerd, was de parochiekerk de kerkelijke instelling bij uitstek, omdat iedere parochiaan deze kerk bezocht. In Zwolle was dit de Sint-Michaëlkerk. Eind veertiende eeuw kwam er een tweede kerkgebouw bij: de Onze-Lieve-Vrouwekapel.72 [72. Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil, 81.] Deze kerk begon als eenvoudige kapel in een woonhuis, maar om Zwolle meer prestige te geven, moest er een tweede kerk gebouwd worden. Er werd besloten een nieuwe Onze-Lieve-Vrouwekapel te bouwen met het aanzien van een kerk. De reden dat uitgerekend deze kapel werd uitgebouwd tot kerk, was het collatierecht dat het stadsbestuur hier van bezat.
De stichter van de kapel liet het collatierecht na aan het stadsbestuur. Toen de nieuwe Onze-Lieve-Vrouwekapel er eenmaal was, deed de kerk, kerkrechtelijk nog een kapel, niet onder voor de Sint-Michaël, hoewel deze wel de parochiekerk bleef.73 [73. Ibidem, 116-117.] Belangrijke hoogte- en dieptepunten van de parochianen speelden zich daar af, zoals doop en de huwelijkssluiting.
Naast de missen die er werden opgedragen, werden er processies gehouden, relieken bewaard en vervulde de (parochie) kerk publieke functies als opslagplaats en bibliotheek, maar de kerk diende ook als vergaderplek voor broederschappen en ambachtsgilden. De pastoor was degene die de meeste geestelijke activiteiten regelde. Hij was verantwoordelijk voor de zielzorg van de parochianen en het beheer van de kerkelijke goederen. De vergoeding die de pastoor ontving, evenals de zorg voor armen, de bouw en onderhoudskosten, werden betaald uit de kerkelijke

|pag. 29|

inkomsten. Sinds halverwege de elfde eeuw koos het Lebuïnuskapittel uit Deventer, de stadspastoor van Zwolle. Het stadsbestuur van Zwolle had hier niets over te zeggen. Deze situatie was zo ontstaan omdat de bisschop van Utrecht het Lebuïnuskapittel gesticht had. Om het kapittel van voldoende inkomsten te voorzien, schonk de bisschop de parochiekerk van Zwolle aan hem. Tot 1580 zou dit kapittel het collatierecht houden wat menigmaal leidde tot spanningen met het Zwolse stadsbestuur.74 [74. Ibidem, 31-33.] Het stadsbestuur wilde zelf pastoors aanstellen en deed dit soms ook, om zo controle te houden op de kwaliteit van de zielzorg, dat van belang was voor voldoende rust en orde in de stad.75 [75. Ibidem, 110-111.]
     Door de toename van nieuwe altaren in kapellen, groeide de invloed van het Zwolse stadsbestuur op de Sint-Michaëlkerk. Deze altaren werden opgericht door gegoede burgers met als doel de verering van een beschermheilige en het opdragen van missen voor de schenker en zijn familie. Wanneer de financiële verplichtingen aan zo’n altaar niet voldaan werden, kon de stad Zwolle beslag leggen op de goederen en zodoende invloed verkrijgen op de aangestelde kapelaan van het altaar. In 1384 kreeg de stad Zwolle dankzij een erfenis van een rijke weduwe, het patronaatsrecht van haar Sint-Catharina altaar, evenals het collatierecht voor de bijbehorende priester. Dit patronaatsrecht op altaren nam gestaag toe, waardoor Zwolle in de loop van de vijftiende eeuw ongeveer driekwart van de twintig vicariën mocht vergeven. Ook trad het stadsbestuur steeds vaker op bij geestelijke geschillen in de stad. Hier had het Lebuïnuskapittel geen macht meer over.76 [76. Ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 122-123.]
     De kerkelijke inkomsten van de parochiekerk werden in Zwolle beheerd en uitgegeven door de kerkmeester die dit geld vooral aan de armenzorg moest besteden. In de tweede helft van de dertiende eeuw verschenen deze functionarissen in de Nederlanden. Vanaf de veertiende eeuw werden deze kerkmeesters opgenomen in het stadsbestuur of door hen aangesteld.
Vanwege het feit dat de parochianen de plicht hadden om hun kerkgebouw geheel of gedeeltelijk te onderhouden, is het logisch dat zij betrokken raakten bij het beheer en daar iemand voor aanstelden. De kerkmeester moest financiële verantwoording afleggen tegenover het stadsbestuur over de uitgaven die hij deed, zodat de invloed van het stadsbestuur op een groot deel van de kerkelijke financiën was gegarandeerd. Tevens had de kerkmeester het beheer over de kerken. Het is waarschijnlijk dat daarom de kerkmeester ook door het stadsbestuur werd aangesteld. Dat het stadsbestuur de kerkmeesters aanstelde, kon in verband staan met het

|pag. 30|

feit dat de kerkmeester ook ‘de kerkfabriek’ beheerde.77 [77. Jan Kuys, Kerkelijke organisatie in het middeleeuwse bisdom Utrecht (Nijmegen 2004) 73-75.] Dit was een kerkelijk fonds dat grotendeels voor bouwwerkzaamheden was bedoeld. De giften aan dit fonds kwamen van aanzienlijke burgers onder wie veel (patricische) schepenen. Aangezien de schepenen als leden van het stadsbestuur het voortouw namen bij verbouw en nieuwbouw, is het logisch dat zij ook bepaalden wie hun giften moesten beheren.78 [78. Ibidem, 133.]
     Niet overal in de Nederlanden zag de functie van de kerkmeester er hetzelfde uit.
Johanna Kossman-Putto stelt dat de rol van kerkmeester elders in Overijssel, maar ook voor de noordelijke kwartieren van Gelre, hetzelfde was als eerder uiteengezet voor Zwolle. In Holland, Brabant, Utrecht, beneden de Moerdijk en in de Betuwe was volgens Kossman-Putto de functie van kerkmeester gesplitst in een aparte kerkmeester, voor de verbouw en onderhoud van de kerk en een armenmeester speciaal voor de armenzorg. De taken van kerkmeester en armenmeester werden in andere regio’s in de Nederlanden, evenals in Zwolle, ook vanaf de dertiende eeuw van de pastoor overgenomen, evenals de benoeming door het stadsbestuur.
Waarom er in bepaalde regio’s een afzonderlijke armenmeester werd aangesteld, kan hebben gelegen in het feit dat de kerkmeesters hun taken niet meer aankonden.79 [79. J.A. Kossmann-Putto ‘Armen en ziekenzorg in de noordelijke Nederlanden’, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden II (Bussum 1982) 256.]
3.2 Gasthuizen en broederschappen
De georganiseerde liefdadigheid was in de vijftiende eeuw overal in Nederland te vinden.80 [80. J.A. Kossmann-Putto, ‘Armen- en ziekenzorg in de middeleeuwen: verschillen tussen oost en west’, Overijsselse historische bijdragen 100 (1985) 9.] In de dertiende en veertiende eeuw consolideerden de steden zich in de Nederlanden en ontstonden er gasthuizen en hospitia.81 [81. Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil, 49.] De basis voor de armenzorg is de christelijke plicht om pelgrims en reizende geloofsgenoten te verzorgen en onderdak te verlenen.82 [82. Kossmann-Putto, ‘Armen- en ziekenzorg in de middeleeuwen’, 9.]
     De stadsbesturen besloten in de dertiende en veertiende eeuw de gasthuizen al te gebruiken als een mogelijkheid om de eigen armen onder te brengen die continue verzorging nodig hadden. Het was eigenbelang van het stadsbestuur, omdat het verantwoordelijk was voor de openbare orde en daarom controle wilde op een goede opvang van behoeftigen. Vooral in de vijftiende eeuw gingen stadsbesturen zich met de armenzorg bemoeien vanwege het groeiende aantal armen die een potentieel risico vormden voor de openbare orde. Het stadsbestuur

|pag. 31|

ondersteunde daarom de initiatiefnemers van het gasthuis.83 [83. Ibidem, 13.] Daarbij was er in de vijftiende eeuw ook een groeiend besef van het belang van goede gezondheidsvoorzieningen aan het ontstaan, waar de overheid hoofdverantwoordelijk voor was.84 [84. Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil, 235.] Zwolle was hier op geen uitzondering. Hoewel het Zwolse stadsbestuur niet zelf gasthuizen oprichtte, had het wel invloed op de bestuurders en de priester(s) van het gasthuis en ondersteunde het de vermogende burgers die een gasthuis wilden stichten. Met deze hulp ging het stadsbestuur zich bemoeien met taken die oorspronkelijk tot de kerk behoorden.85 [85. Ibidem, 223-227. ] Een gasthuis zal bij stichting en functioneren juridisch en financieel afhankelijk zijn geweest van het stadsbestuur, wat eveneens kan verklaren dat het stadsbestuur invloed wilde op het gasthuis. Daarbij heerste in de steden in de IJsselstreek een sterke autonomie en grote zelfstandigheid ten opzichte van hun landsheer.
De IJsselsteden kozen een eigen stadsbestuur en maakten eigen wetten.86 [86. Kossmann-Putto, ‘Armen- en ziekenzorg in de middeleeuwen’, 11-12.] De bisschop had Zwolle als landsheer deze autonomie verleend. Om zijn belangen te behartigen was er nog wel een schout, maar zoals uiteengezet in het vorige hoofdstuk, was de macht van de schout begin veertiende eeuw uitgespeeld. De burgers in de IJsselsteden trokken zo steeds meer bevoegdheden naar zich toe.87 [87. Ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 82.] Dit kan verklaren waarom het stadsbestuur op veel zaken, zoals op de kerk, maar ook op de gasthuizen zijn invloed wilde uitoefenen.
     Tot diep in de veertiende eeuw bestond de armenzorg in Zwolle vrijwel alleen uit het werk van het Heilige Geestgasthuis. Dit gasthuis was ontstaan tussen 1306 en 1309 om een structurele opvangvoorziening te creëren voor passanten en behoeftigen.88 [88. Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil, 49. ] In de loop van de vijftiende eeuw kwamen er meer gasthuizen bij. Deze gasthuizen, gesticht door welgestelde burgers of door gilden en broederschappen, waren in de vijftiende eeuw eigenlijk bedoeld als vaste woonplaats voor arme of oude mannen en vrouwen.89 [89. Ibidem, 236.] De verzorging was zó goed dat zelfs welvarender burgers zich op hun oude dag lieten opnemen in een gasthuis. Het stadsbestuur vond dit altijd een lastig punt, omdat aan de ene kant rijken hun vermogen moesten nalaten aan het gasthuis, wat erg voordelig was, maar aan de andere kant werden de plekken van mensen bezet die zichzelf niet meer konden redden.90 [90. Kossmann-Putto, ‘Armen- en ziekenzorg in de middeleeuwen’, 13.] Er was ook sprake van eigenbelang om een gasthuis te stichten, omdat door goede werken te doen het eigen zielenheil veilig gesteld kon worden. Ook kon de stichter eigen regels opleggen. Veel van deze gasthuizen

|pag. 32|

zijn niet meer terug te vinden in de archieven. Dit komt omdat ze erg klein waren en daardoor ongedocumenteerd zijn gebleven, of omdat gasthuizen opgingen in andere gasthuizen. Eén van die welgestelde burgers was de al eerder genoemde Johan van Ittersum. Hij stichtte in 1444 het Laurensgasthuis met bijbehorende kapel. Andere gasthuizen waren het Vilsterenhuis, gesticht in 1468 en het Albert Arendszgasthuis uit 1470.91 [91. Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil, 236-239.]
     Hoewel er in dit onderzoek geen namenlijsten van broederschappen gebruikt zullen worden, omdat deze niet voorhanden zijn, zal er toch enige aandacht aan de broederschappen gegeven worden. Het is relevant om te zien of de invloed van het stadsbestuur op de broederschappen verschilt met zijn invloed op de gasthuizen, omdat de taken van de broederschappen zo sterk lijken op die van de gasthuizen. Tevens kan er iets gezegd worden over de algemene verhouding tussen het stadsbestuur en de broederschappen, zoals ook bij andere kerkelijke of geestelijke instellingen is gedaan. Daarnaast zal blijken dat broederschappen een belangrijk onderdeel van het kerkelijk en geestelijk leven uitmaakten, waardoor zij toch enige toelichting verdienen.
     Broederschappen waren religieuze organisaties en lijken even lang te bestaan als de kerken. Verenigingen van geestelijken of leken kochten vaak samen een altaar dat ze gezamenlijk onderhielden. Ook regelden ze elkaars begrafenissen en hadden ze minstens eens per jaar een maaltijd met elkaar. Bij deze gelegenheden werden er uitdelingen gedaan aan de armen, hoewel tegen het einde van de veertiende, begin vijftiende eeuw, deze uitdelingen wekelijks werden. Dit kwam omdat waarschijnlijk de inkomsten van de kerk- en armenmeester onvoldoende waren om het vaste aantal armen te bedienen. Vanwege dit gebrek aan inkomsten ontstonden vele nieuwe broederschappen die speciaal als taak hadden om de armen te ondersteunen en daarmee de gasthuizen assisteerden, vaak met hulp en controle van het stadsbestuur.92 [92. Kossmann-Putto, ‘Armen- en ziekenzorg in de middeleeuwen’, 17-18.] In de vijftiende eeuw waren er in Zwolle zo’n vijftien broederschappen verbonden aan de Sint-Michaëlkerk en twee aan de Onze-Lieve-Vrouwekapel. Gemiddeld werden per jaar enkele tientallen personen toegelaten tot een broederschap, die gemiddeld uit een paar honderd man bestond. Uit de schaarse gegevens over het aantal leden blijkt ook dat de aantallen sterk konden fluctueren. De doelstellingen van armenzorg, zielenheil en gezamenlijke godsdienstoefeningen moeten de belangrijkste aantrekkingskracht zijn geweest voor leken om zich aan te sluiten bij een broederschap.93 [93. Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil, 105-106.] De broederschappen richtten zich niet allemaal op dezelfde doelgroepen en hadden ook niet allemaal dezelfde activiteiten, hoewel de bevordering

|pag. 33|

van het geloof en de zorg om armen wel het uitgangspunt bleef. De broederschappen vulden elkaar eerder aan. Ruim de helft van de leden bestond uit mannen. Vrouwelijke leden traden meestal samen met hun echtgenoten toe. Zowel hogere als lagere klassen sloten zich aan bij een broederschap. Ook de raad en de schepenen zaten veelal bij een broederschap.94 [94. Ibidem, 101-103.]
     Dat het stadbestuur veel invloed had op de broederschappen blijkt uit de beslissing van het stadsbestuur om de Sacramentsbroederschap in 1403 samen te voegen met het Heilige Geestgasthuis. Door de samenvoeging kon de armenzorg beter georganiseerd worden, want steeds meer armen maakten gebruik van het gasthuis. In 1405 werd de samenwerking tussen de broederschap en het gasthuis al beëindigd, waarschijnlijk omdat het gasthuis te weinig giften ontving. Het is niet bekend of expliciet het stadsbestuur besloot tot beëindiging van de samenwerking.95 [95. Ibidem, 94-95.]
     De priestermemorie in de Sint-Michaëlkerk was een broederschap waar alleen priesters bij konden aansluiten. In dit geval had het stadsbestuur geen bemoeienis met de oprichting, waarschijnlijk omdat deze broederschap alleen uit geestelijken bestond en daarom een zuiver kerkelijke aangelegenheid was. De memorie moest zorgen dat de gevers van schenkingen aan de kerk herdacht werden.96 [96. Ibidem, 96.]
     In 1440 keurde de raad de oprichting van de Antoniusbroederschap goed en in 1477 de Heilige Kruisaltaarbroederschap. Aangezien van deze broederschappen de oprichtingsakten bekend zijn, kan nauwkeurig bepaald worden wat de gang van zaken was bij de stichting. De goedkeuring van de Sint Antoniusbroederschap kwam tot stand na een aanvraag van de oprichters die verder onbekend zijn. Het stadsbestuur wilde zijn goedkeuring verlenen onder een aantal voorwaarden. Het stadsbestuur wilde het collatierecht voor de priester en een meerderheid in het kiescollege dat de procuratoren samenstelde. De priester van het Antoniusaltaar moest in Zwolle wonen en een kuis leven leiden, waarbij de priester niet langer dan acht dagen uit Zwolle mocht wegblijven. Ook werd er een contributie vastgesteld alsmede vele reglementaire bepalingen die belangrijk waren voor een goed functioneren van het broederschap.97 [97. Berkenvelder, Zwolse regesten III, nr. 1739.] Deze broederschappen hielden zich vooral bezig met gezamenlijke godsdienstoefeningen, gezamenlijke maaltijden, gebeden voor het zielenheil van broeders en in mindere mate aan uitdelingen.98 [98. Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil, 94-101. ]

|pag. 34|

     Het stadsbestuur had bemoeienis met vrijwel alle broederschappen vanwege dezelfde praktische en religieuze motieven als bij de gasthuizen. Waar armen- en ziekenzorg kerndoelen waren voor de gasthuizen, kwamen er bij de broederschappen nog vele activiteiten bij die van geestelijke aard waren. Burgers van Zwolle die dit konden bekostigen, waaronder vele patriciërs, waren aangesloten bij een broederschap. Een broederschap moest een solide organisatie zijn die naar de regels van het stadsbestuur moest functioneren.99 [99. Ibidem, 106.]

3.3 Kloosters en broeder- en zusterhuizen
De mogelijke bemoeienis van het stedelijk patriciaat met de kloosters zal een ondergeschikte rol spelen in dit onderzoek, omdat er geen directe politieke bemoeienis vanuit het Zwolse stadsbestuur en daarmee vanuit het patriciaat te veronderstellen is, in tegenstelling tot de gasthuizen, stadskerken en broeder- en zusterhuizen. Toch zal dit wel kort behandeld worden om de eventuele bemoeienis van het patriciaat met kerkelijke en geestelijke instellingen compleet te maken. In hoofdstuk 4 zal dan bezien worden of er persoonlijke relaties waren tussen het stedelijke patriciaat en de kloosters. Ook zal in het volgende hoofdstuk blijken dat de stichting van een nieuw klooster aanleiding gaf tot een groot conflict. Misschien zegt de mate van bemoeienis ook nog iets over de houding van het stadsbestuur ten aanzien van de kloosters.
     Aan het einde van de veertiende eeuw kwam de Moderne Devotie op onder leiding van Geert Grote, een diaken uit Deventer. De moderne devoten wilden zich bekeren tot een vroom leven voor God. Vooral in de omgeving van Zwolle en Deventer had de Moderne Devotie veel aanhang, waardoor er zich spoedig broeder- en zusterhuizen vormden. Ook in de rest van de Nederlanden ontstonden deze broeder- en zustergemeenschappen.100 [100. Koen Goudriaan, ‘Een beweging met allure’, in: Koen Goudriaan e.a. ed., Vernieuwde innigheid: over de Moderne Devotie, Geert Grote en Deventer (Nieuwegein 2008) 53-54.] Bij Windesheim werd in 1387 een klooster gesticht op verzoek van Geert Grote.101 [101. Ibidem, 59-60.] Zodoende had de Moderne Devotie een door de kerk goedgekeurde plaats gekregen, alsmede de bijbehorende juridische bescherming.102 [102. Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil, 123-124.] In 1398 kreeg het Sint Agnietenbergklooster deze bisschoppelijk toestemming en in 1400 het vrouwenklooster Diepenveen.103 [103. R.Th.M. van Dijk, ‘De Agnietenbergkroniek in het licht van de Moderne Devotie’, in: Udo de Kruijf, Jeroen Kummer en Freek Pereboom ed., Een klooster ontsloten: de kroniek van de Sint-Agnietenberg bij Zwolle door Thomas van Kempen: in vertaling met commentaar (Kampen 2000) 18-19.] Het kapittel van Windesheim was een bovenlokale organisatie van de moderne devoten die moest bijdragen in onderlinge versterking

|pag. 35|

aangaande de regelgetrouwheid.104 [104. Goudriaan, ‘Een beweging met allure’, 61.] Er waren ook kloosters met een andere regel die zich aansloten bij het kapittel van Windesheim. Al deze nieuwe of ‘overgenomen’ kloosters namen de lichte regel van Sint-Augustinus of Sint-Franciscus aan om alleen zo erkend te worden door de kerk met de bijbehorende juridische bescherming, zoals het recht om een eigen kapittel op te zetten: het kapittel van Windesheim.105 [105. R.R. Post, The modern devotion (Leiden 1968) 311-313.] Ook het bestaande Bethlehemklooster raakte onder invloed van de Moderne Devotie. Eind veertiende eeuw sloot dit klooster met reguliere kanunniken zich aan bij het kapittel van Windesheim. In 1400 kende het kapittel acht kloosters.
In de jaren daarna kwamen daar nog meerdere bij.106 [106. Post, The modern devotion, 311-313.]
     De broederhuizen van het gemene leven stonden onder leiding van een zelfgekozen overste, een rector of pater genoemd die uit de gemeenschap voortkwam of vanuit een ander broederhuis was aangesteld. De broedergemeenschap bestond meestal uit vier of meer priesters, acht of meer lagere geestelijken of priesterstudenten, en een onbeperkt aantal leken die broeders of fraters (fratres) genoemd werden. Het enige broederhuis in Zwolle was het Sint-Gregoriushuis dat in 1394 werd opgericht onder volgelingen van Geert Grote. Het huis kende nooit meer dan vijftien leden.107 [107. Van Dijk, ‘De Agnietenbergkroniek in het licht van de Moderne Devotie’, 21.] De fraters legden zich toe op een individuele verhouding tot God en het bereiken van innerlijke volmaaktheid. Door de menselijke onvolkomenheden in zichzelf te onderkennen en in toom te houden, probeerden ze de ware deugden van nederigheid, naastenliefde, kuisheid, soberheid, geduld en gehoorzaamheid eigen te maken. Ook voerden de fraters een gemeenschappelijk huishouden zonder uiterlijk vertoon of persoonlijk bezit. Ze verdienden hun geld met het overschrijven en illustreren van handschriften. Tevens hielden ze zich bezig met de religieuze opvoeding van scholieren en de zielzorg en geestelijke leiding aan de zusterhuizen.108 [108. Ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 159-160.]
     In 1370 werd het oudste Zwolse zusterhuis gesticht, het Oldeconvent, waarna in de vijftiende eeuw meerdere vrouwengemeenschappen volgden. Over het ontstaan en de organisatie van het Oldeconvent is weinig bekend, omdat waarschijnlijk de gemeenschap is ontstaan uit een verzameling vrouwen die gingen samenwonen. De vrouwen legden wel een gelofte af maar niet de drie plechtige kloostergeloften.109 [109. M.D. van Luijk, Bruiden van Christus. De tweede religieuze vrouwenbeweging in Leiden en Zwolle 1380-1580 (Zutphen 2004) 12.] Eind veertiende eeuw kwam dit convent onder invloed van de Moderne Devotie. De begijnen van het Oldeconvent namen eind

|pag. 36|

veertiende eeuw de derde regel van Sint-Franciscus aan en stonden vanaf dat moment onder leiding van de minderbroeders uit Kampen. In verband met een hervormingspoging vanwege losbandig gedrag, zorgden Hendrik Voppenz en Geert Grote dat de derde regel van Sint-Franciscus rond 1380 in het Oldeconvent werd losgelaten. Een tegengestelde ontwikkeling vergeleken met de andere zusterhuizen. Door het loslaten van deze regel werden de zusters ontrokken aan de leiding van de minderbroeders. Dit gebrek aan toezicht kan de oorzaak zijn van een toenemend onkuis leven dat de zusters werd verweten.110 [110. Ibidem, 133.] Vanwege dit onkuise leven kwamen de zusters van het Oldeconvent in 1396/1397 onder toezicht van het stadsbestuur te staan: twee leden van het stadsbestuur en een pastoor. Dat het stadsbestuur hierbij betrokken raakte heeft te maken met de vele ruzies en wantoestanden in het huis van het Oldeconvent. Op enigerlei wijze zullen waarschijnlijk de zusters van het huis de openbare orde hebben verstoord.
Tevens werden er 1396 en 1397 statuten bij het Oldeconvent ingevoerd waarin een strengere leefwijze werd opgelegd, zij het niet de aanname van een leefregel. Het stadsbestuur kreeg veel zeggenschap over het Oldeconvent, zoals de beslissingsbevoegdheid om nieuwe vrouwen op te nemen of weg te sturen.111 [111. Ibidem, 186-187.] Vanwege de roerige geschiedenis van het Oldeconvent heeft het huis zich nooit ontwikkeld tot een echt zusterhuis van het gemene leven.112 [112. Ibidem, 134.] Andere zusterhuizen in Zwolle zoals het Kinderhuis, het Cadenetershuis, Huis-ter-Maat, Huis-ten-Busch, Wytenhuis en Klaarwater hadden eveneens een regel of leefden zonder regel als devote gemeenschap. Een leefregel of niet: vrijwel de meeste zusterhuizen raakten in de loop van de vijftiende eeuw onder invloed van de Moderne Devotie.113 [113. Ibidem, 32-33.] Uiteindelijk gingen in 1484 Huis-ter-Maat en Huis-tenBusch over tot een klooster, omdat ze de regel van Sint-Augustinus aannamen.114 [114. Ibidem, 135.]
     Over het algemeen stond een religieuze vrouwengemeenschap onder leiding van vier personen. Het dagelijkse bestuur was in handen van een priorin of moeder.115 [115. Ibidem, 40.] Er woonden vooral weduwen en ongetrouwde vrouwen. De omvang varieerde van rond de tien tot enkele tientallen.116 [116. Ibidem, 22, 296-303.]
     Na 1400 nam in meerdere steden het aantal religieuze instellingen voor vrouwen toe. Zo

|pag. 37|

had Haarlem in 1350 één religieuze instelling voor vrouwen: in 1514 waren dit er dertien.117 [117. Slechte, Geschiedenis van Deventer I, 290-291.]
Dat er zoveel zusterhuizen werden gesticht eind veertiende eeuw kan te maken hebben met het vrouwenoverschot, hoewel dit moeilijk te bewijzen is. Vrouwen trokken zich volgens Koen Goudriaan de wereldverzaking in elk geval erg aan. Volgens hem kwam dit onder andere omdat er altijd risico’s op de loer lagen, zeker met de regelmatig terugkerende pestgolven aan het eind van de veertiende eeuw. Daarbij waren er grote verschillen tussen rijk en arm, waardoor een ingekeerd leven samen met gelijkgezinden een aantrekkelijk alternatief was.118 [118. Goudriaan, ‘Een beweging met allure’, 54.]
Toch klinkt deze verklaring van Goudriaan niet overtuigend genoeg, omdat de oorzaken die hij noemt zich niet enkel rond aan het eind van de veertiende, begin van de vijftiende eeuw voordeden.
     Het stadsbestuur en de raad hadden de toenemende stichtingen van nieuwe zusterhuizen en kloosters met frustratie tegemoet gezien. Vanwege de hervormingspogingen had het stadsbestuur wel veel invloed gekregen op het Oldeconvent maar bij nieuwe vrouwengemeenschappen of kloosters werd door de stichters geen enkele invloed van het stadsbestuur toegestaan. Bij de totstandkoming van de vrouwengemeenschappen in een klooster of een zusterhuis, speelde net als bij de mannengemeenschappen het Zwolse stadsbestuur geen rol, hoewel veel gemeenschappen werden gesticht door aanzienlijke burgers, waaronder ook mogelijk individuele schepenen. Daarbij werd er door het stadsbestuur gevreesd voor een opeenhoping van goederen in kerkelijke of geestelijke handen. Deze goederen werden dan aan het economische verkeer ontrokken, waardoor de stedelijke inkomsten terugliepen.
Tevens werden de kloosters, maar vooral de zusterhuizen, door de gilden als oneerlijke concurrentie beschouwd, omdat zij veel goedkoper producten leverden. Dit conflict zou uitlopen op de stedelijke kloosterbepalingen van 1415, wat tot een groot conflict met de bisschop van Utrecht zou leiden. Het Sint-Gregoriushuis wilde namelijk een nieuwe vestiging voor het vrouwenklooster in het kerspel Katen. Het gebouw lag, evenals een aantal andere kerkelijke gebouwen, aan de overkant van de IJssel in een Stichtste enclave die de Zwollenaren tot hun invloedssfeer rekenden. Het stadsbestuur verordonneerde in de kloosterbepalingen dat geen enkele vrouw uit de stad zich mocht aansluiten bij de kloosters en niemand mocht ze op wat voor manier dan ook helpen. Ook andere zusterhuizen kregen strenge regels opgelegd, zoals een ledenstop en controle van het stadsbestuur. Het conflict met de bisschop werd uiteindelijk opgelost maar de houding van het stadsbestuur ten opzichte van de eerder

|pag. 38|

genoemde problemen met kerkelijke en geestelijke instellingen stond nog overeind.119 [119. Ten Hove, Geschiedenis van Zwolle, 161-162.]
     In dit hoofdstuk blijkt dat het stadsbestuur een stevige greep had op de kerkmeesters, de gasthuizen, de broederschappen, de dienstdoende priesters over de diverse altaren, het Sint-Gregoriushuis en het Oldeconvent. Bij al deze voorbeelden was er een direct belang voor het stadsbestuur om hier controle over te hebben. Alleen de aanstelling van de pastoors moest het stadsbestuur overlaten aan het Lebuïnuskapittel uit Deventer. Nieuw gestichte gemeenschappen of kloosters begin vijftiende eeuw, waren eveneens aan de macht van het stadsbestuur ontrokken.

|pag. 39|

[scriptie in bewerking]
____________
– Essen, J.H. van (2012) Permanent pragmatisme: De machtscontinuïteit van Zwolse patriciaatsfamilies in het stadsbestuur en hun verwevenheid met kerkelijke en geestelijke instellingen (1399-1500). (Masterscriptie), Geschiedenis, Faculteit der Letteren, Universiteit van Groningen, Groningen.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.