Vervolging van boekdrukkers te Kampen wegens het drukken van fameuse libellen en geuzenliederen, 1566-67

Bron gebruikte scans:

VERVOLGING VAN BOEKDRUKKERS TE KAMPEN

WEGENS HET DRUKKEN VAN FAMEUSE LIBELLEN

EN GEUZENLIEDEREN, 1566—67.

DOOR

Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.

_________

     Vrijheid van drukpers is niet altoos in ons vaderland aanwezig geweest, integendeel, het is een voorrecht van den lateren tijd. Gedurende de Republiek bestond in ons land geene vrijheid van drukpers, en dat ze niet aanwezig was tijdens de Spaansche overheersching heeft zijn zeer gegronde reden.
     In die dagen van strjjd tegen vreemd geweld, en worsteling eener ontluikende godsdienstige richting met het gezag eener gevestigde en machtige kerk, was de drukpers voor den patriot en protestant een gewenscht en krachtig middel om zijne denkbeelden in korten tijd aan duizenden mede te deelen, waarom ze dan ook met des te strenger oog door het Spaansch bewind werd gecontroleerd.
     Twee merkwaardige persdelicten uit die dagen wensch ik hier mede te deelen, daar ik vermeen dat ze door de eigenaardige tint die het geheel beheerscht, als eene niet

|pag. 193|

onbelangrijke bijdrage tot de kennis van den toenmaligen toestand van ons vaderland kunnen worden aangemerkt.
     In den nazomer van het jaar 1566, verscheen bij den boekdrukker Peter Warners, wonende te Kampen in de Broederstraat in den Witten Valck, een werkje, waarvan hem de uitgave veel verdriet zoude verschaffen. Het was getiteld: »Van den dry Pauwsen, offte verclaringe van die mennichfoldige looze pracktijcken van d’inquisitie.’’ (1 [1. In het Lib. Memor. Vet. fol. 67, wordt de titel eenigzins anders opgegeven. De titel door     mij opgegeven is die welken Warners zelf bezigt. In ’t Lib. Memor. Vet. dan, leest men: ,,Hiernae het boexken by Peter Warnerss gedrucket geintituliert, der Goesen handelingen, [Vgl. Catalogus van de pamfletten van Is. Meulman, no. 128], enz. van woirde to woirde gelesen. Dit gelesen synde hefft men mitter wairheit gespoert woe famoes tselve was, ende niet allene heelt van drie Pauwesen als sich Peter hadde laeten verluiden.’’[/pag])
     De inhoud van dit blauwboekje is mij niet bekend, ([ref](Waarschijnlijk is het hetzelfde dat in de collectie van den heer Meulman voorkomt, no. 124. Daarvan bestaat ook een Hoogduitsche vertaling onder den titel: ,,Drey Bapstumb, das ist ein verklerung vilfeltiger listiger und böser Practicken antreffende die Inquisition’’ etc. De oorspronkelijke Fransche text ,,Les Subtilz moyens’’ etc. is door den heer Rahlenbeck op nieuw uitgegeven in de Collection des Memoires relatifs à l’Histoire de Belgique. – R. F.)]
) doch het zal, gelijk er zoovele in die dagen verschenen, zeker eene toespeling bevat hebben op den toestand der Nederlandsche provincien. Trouwens de stof was niet nieuw, want Warners had het gedrukt naar een elders verschenen exemplaar.
     Te Kampen, waar men in die dagen een flinken en vaderlandschgezinden magistraat had, die geen lust gevoelde om ketterjacht te maken en zijne medeburgers ten gevalle van ’t vreemde gezag, om nietswaardige redenen op te knoopen, stoorde men zich niet aan het verschenen werkje, dat intusschen met graagte gekocht en gelezen werd.
     Doch ziet wat gebeurt? een colporteur, om ’tzoo eens

|pag. 194|

uit te drukken, di van Warners eenige exemplaren had gekocht om er zijn winst mede te doen, wordt te Leeuwarden in de uitoefening zijner affaire gestuit, en op het blokhuis in bewaring gesteld.
     Zoodra had men niet gezien dat het werkje dat hij ventte te Kampen was gedrukt, of de stadhouder Johan van Ligne graaf van Aremberg, zond den Koninklijken Raad Mr. Henrick van Till naar deze stad af, ter fine van informatie. Den 27en September kwam van Till te Kampen aan en vervoegde zich bij Schepenen en Raad, die op zijn verzoek terstond Peter Warners op het raadhuis ontboden. Warners bekende het boekje gedrukt te hebben, doch verklaarde dit naar een elders gedrukt exemplaar, en niet voor eigen rekening, maar voor een vreemden hem onbekenden kramer gedaan te hebben.
     Schepenen en Raad bepaalden hierop dat hij naar Stadrecht borg voor zijn persoon zoude stellen, waarop Peter van Wyringen zich verbond om Warners ten allen tijde wanneer zulks gevorderd werd weder voor het gerecht te brengen. Daarmede eerst tevreden, stelde men de zaak uit tot dat de stadhouder Hasselt zoude bezoeken, waar hij eene klaring van dijkzaken had uitgeschreven. Deze gelegenheid greep men aan om den 9en October van stadswege naar hem af te vaardigen: Arend toe Boecop en Coenraad van der Vecht, ten einde over dit feit de stad bij hem te verontschuldigen.
     Natuurlijk, de stadhouder wist niet dat men zoo iets te Kampen ongestraft toeliet, en had zeker niet gedacht dat het noodig was dat hij zelf deze zaak, die hem toevallig bekend was geworden, moest doen vervolgen, te minder, daar reeds den 9 Mei 1563 op straffe van goed en bloed verboden was, buiten verlof van den raad eenige boeken te drukken. (2 [2. Dig. Nov. p. 212.])

|pag. 195|

     De stadhouder ontving de afgezanten welwillend, doch drukte hen ter deeg op het hart, om de zaak ten spoedigste en scherpelijk te vervolgen, zooals zij den 11 Oct. in den raad rapporteerden. Schepenen en raad bevalen alstoen dat de boekdrukker tegen den eerstvolgenden rechtdag voor de lage bank zoude gedagvaard worden. Doch daar de lage bank alléén zitting hield op Maandag, Woensdag en Vrijdag, en er toen juist wegens invallende ossemarkten en heilige dagen vele vacantiën voorvielen, kon de zaak eerst dienen op den 23 Oct. Men zond intusschen den 12 Oct. wederom afgevaardigden naar den stadhouder om hem te berichten dat de boekdrukker gedagvaard was.
     Op den 23 October dan verscheen Warners voor de lage bank, waar hem te laste gelegd werd; »dat he sekere famose boexkens gedruckt hadde dairjnne hoochlofflicher gedachten Kon. Key. Mat. Keyser Carolus en Kon. Mat. van Hispanien onse allergenedichsten erffheren neffens andere fursten ende heeren grotelicken geiniureert ende smaedelicken gediffamiert worden,’’ op welke beschuldiging hij tegen den volgenden dag naar de hooge bank werd verwezen.
     Hier verzocht hij dat in de eerste plaats zijn borg mocht worden ontslagen, daar hij zelf was verschenen, hetgeen de raad toestond, mits hij zelf geldelijk of een ander persoonlijk voor zich borg stelde, waarop Cornelis Tymans en Sybrant Salincks borgen voor hem werden.
     Hiermede liet men hem vooreerst gaan met bevel om tegen den naastvolgenden rechtdag terug te komen, terwijl intusschen Gaspar Schepeler en Arend toe Boecop naar den stadhouder werden gezonden om hem over de zaak te rapporteeren. Deze personen verzekerden den stadhouder dat de zaak wederom op den laatsten October zoude dienen.
     Den laatsten October verschijnt Mr. van Till van des stadhouders wege te Kampen met eene instructie waarin

|pag. 196|

deze te kennen geeft dat de boekdrukker niet zoo onschuldig is als hij voorwendt, want dat hem de beleedigende inhoud van het geschrift bekend was, en hjj als onderdaan des Konings zoo iets niet mocht ondernemen in ’t licht te geven. Tevens gelast hij om hem uitdrukkelijk te ondervragen of hij den inhoud zelf heeft samengesteld of wie anders, en dat hij voor de maker zal gehouden worden, zoo hij geen ander weet te noemen. Hij beveelt verder aan van Till om aan den raad te kennen te geven dat het zijn verlangen is dat de delinquent streng worde gestraft, en dat zoo Schepenen en Raad de zaak niet ernstig vervolgen, hij stadhouder er in zou voorzien, en van hun verzuim zoude kennis geven daar waar dat behoorde, terwijl het hun in dat geval min aangenaam zoude vergaan.
     Men ziet, de last was vrij kras, de stadhouder stond er op dat er spoedig en streng gestraft werd, doch lacy! de afgevaardigden hadden zich wederom vergist (?) Den laatsten October kon de zaak (gelijk men den stadhouder had bericht) niet dienen, want het was Allerheiligen avond, waarop geen rechtdag werd gehouden.
     Den 5en November verscheen Warners weder voor de hooge bank, doch de zaak werd toen tot den 16 November uitgesteld.
     Op dezen dag verdedigde hij zich met te kennen te geven dat hij het boekje wel voor schandelijk hield, doch dat dit voor hem van geen nadeelig gevolg behoorde te zijn, daar hij zelf het niet had opgesteld, noch doen opstellen, terwijl hij ook meende dat fameuse libellen iets geheel anders waren, nl.: »briefkens die men stilleswjjgens uit quaetheijt seijet achter strate, off die men cleeft, anslaet, offte stellet heymelick voir dueren oft poerten;’’ en dat daaronder zijn boekje volstrekt niet viel, want dat dit overal vrij, openbaar, onverhinderd en onverboden, bij groote hoopen verkocht en gelezen werd, en dat dus de groote menigte van geestelijke en wereldlijke personen, die het gekocht, en niet

|pag. 197|

terstond verscheurd hadden, zoo ’t een fameus libel was, evenzeer diende gestraft te worden.
     Op het aandringen van den Raad, dat hij den kramer zoude noemen van wien hij het exemplaar had gekocht, dat hij had nagedrukt, antwoordde hij eerst, dat hij zich daarin bezwaard gevoelde, doch gaf eindelijk te kennen, dat hem »durch erinnering in memorie gecomen’’ was, dat de kramer uit Brabant afkomstig was en Hubert van Breda heette, die deze boekjes openlijk voor het stadhuis te Kampen verkocht, en aan eenige andere drukkers van Kampen bestelling tot nadruk gedaan had.
     Daar evenwel die drukkers de hun bestelde exemplaren voor eigen rekening verkocht hadden, kon de kramer ze ter bestemder tijd niet krijgen, en sprak ze deswege te Kampen voor ’t gericht aan, waar ze tot schadevergoeding werden veroordeeld, terwijl hij nu de bestelling aan Warners opdroeg.
     Hierop rustte de zaak weder eenigen tijd, wat den stadhouder aanleiding gaf in twee missives aan den raad, van 23 en 24 Nov., zijn ongenoegen te kennen te geven over den slakkengang van dit proces, onder bedreiging, dat zoo men nu niet terstond de zaak vervolgde, hij de regentes van Parma er van kennis zoude geven.
     Den 28 Nov. werd de zaak dan ook wederom behandeld. Warners verscheen en verdedigde zich op de volgende karakteristieke gronden. Deze boekjes, zeide hij, waren te Kampen openlijk voor ieders oogen verkocht geworden, voor het stadhuis, daar nevens in de Schepensteeg, binnen de Vischpoort, op de Vischbanken, binnen in ’t Vleeschhuis en op meer andere plaatsen, terwijl men ze ook langs de straten ventte »opentlijk overluydt gelijck met almanakken en Prognosticatien roepende: hier wat nyeuws! koopt hier van den dry pauwsen en van die Inquisitie!’’ enz. dat ieder er van kocht, en dat de raad dit nooit heeft belet, zoodat hij, die een Kamper burger was, niet konde denken dat wat

|pag. 198|

den vreemdeling geoorloofd was, den burger verboden zoude zijn.
     De raad zoude, volgens hem, ook niet kunnen ontkennen dat hij met den verkoop van dergelijke geschriften bekend was, want de burgemeester Coenraad Van der Vecht had voor eenigen tijd als Warners met den Scholte van Kampen van de Vischpoort kwam, gezegd, wijzende op een stalletje voor het stadhuis, waarop een kramer eene groote menigte spotprenten te koop aanbood ,waarop Granvelle, de bisschoppen en andere geestelijke personen de inquisitie en de plakkaten trachtten staande te houden, terwijl de geuzen ze naar den grond poogden te trekken: »Zie hier, heer Scholte, daar is wat nieuws te koop van de geuzen.’’
     Dat kort geleden, toen een andere kramer in ’t vleeschhuis te Kampen eene dergelijke verzameling had uitgestald, waaronder zich o.a. buiten de bovengenoemde, bevonden: een waarop de geuzen de roomsche kerk in ’t zand trokken; een ander waarop een wolf of een vos de mis deed; een derde waarop de pausselijke mis werd begraven, terwijl monniken en prelaten daarover treurden, enz. de burgemeester Hendrik de Wolff daar was gekomen, ze had bezien, en weer was vertrokken zonder iets er tegen te doen.
     Hij vond het dus vreemd dat men juist hem vervolgde wegens dat boekje, waarvan de inhoud, zoo als hij verzekerde, den Keizer, den Koning noch iemand anders trof, en dat bovendien niet door hem was samengesteld.
     Het was ook geen boekdrukkers gewoonte, zeide hij, eerst alles ter deeg na te lezen voor men het uitgaf: »wanttet onses dinges niet en is, mijn heren, alles op het nauste te judiceren dat ons wordt anbestaedet te drucken, offtet guet offt quaet, waer oft gelogen sij, des wij ons oeck ghien verstant toe schrijven connen oft dorven.’’
     Ik geloof ook niet dat de raad zijn daad meer strafbaar vond dan die der vreemde kramers, maar men vervolgde hem omdat deze zaak ter kennis van den stadhouder was

|pag. 199|

gekomen en deze uitdrukkelijk de vervolging vorderde.
     Toen hij dan op deze wijze zijn verdediging had voorgedragen, vonnisde de raad, na zijn boekje te hebben doen voorlezen, en na overweging van het verhandelde, dat hij vooreerst in hechtenis zoude gesteld worden op de Hagenpoort.
     Intusschen had zich voor het stadhuis een dreigende volksmassa verzameld, waaronder de mare rondging dat Warners eigenlijk niet om dat boekje vervolgd werd, dat dit slechts een wassen neus was, doch dat hij inderdaad om de godsdienst was aangetast.
     De raad nieuwsgierig te vernemen wat dit beduidde, zond er haren secretaris op af om naar de oorzaak te vernemen en hun wensch aan te hooren. Deze kwam dra terug met het bericht, dat de vrienden van Warners den raad begeerden te spreken. Toen aan dit verlangen gehoor verleend werd, kwamen niet alleen zijn vrienden, maar ook een groot deel van de volksmassa boven op het stadhuis, allen begeerende voor Warners borg te worden naar stadrecht, en zoo schepenen en raad met twee borgen niet tevreden waren, wilden zij hem tot veertig of vijftig pond verborgen over acht personen.
     Ondertusschen namen het rumoer en de volksmenigte op straat steeds toe, zoodat de raad Arend toe Boecop en Henderik Wolff afvaardigde, met verzoek dat men zich niet tegen de nakoming der even uitgesprokene sententie mocht verzetten; doch het baatte niet, de vrienden van Warners wilden borg voor hem worden, of althans ze wilden hem vooreerst eershalven naar zijn huis brengen, terwijl ze borg wilden zijn dat ze hem des avonds op de Hagenpoort zouden leveren.
     Doch de raad wilde hierin niet treden, en liet Warners met zijn vrienden boven komen (terwijl eene groote menigte volgde) en verzocht hem zich volgens gewezen vonnis naar de Hagenpoort te begeven, met verzoek aan ieder om zich hiertegen niet te verzetten. Hierop verzocht men de menigte af te treden en beval den gerechtsdienaars den delinquent

|pag. 20|

naar de aangewezene gevangenis te geleiden Doch toen de menigte het raadhuis verliet, omsingelden sommigen Warners en drongen hem tusschen zich in den trap af, zoodat de dienaars geen handen aan hem konden slaan, en daar ze zich omkeerden om den raad dit te berichten, konden ze hem niet naoogen waar hij bleef. Zij begaven zich nu naar zijn huis om hem daar te zoeken, doch ontvingen van anderen het vroolijk bericht dat Warners de stad reeds uit was.
     Zoo was dan na lang geschrijf en gewrijf de vogel toch nog ontsnapt. Was de raad daaraan geheel onschuldig? Wij gelooven het niet: uit den geheelen loop der zaak blijkt dat hij de vervolging met tegenzin deed, en al heeft hij zijne ontsnapping al niet rechtstreeks gewild, door zijne lijdelijke houding maakte hij haar mogelijk. Intusschen begreep men dat de stadhouder, op het vernemen dezer mare, alles behalve gesticht zoude wezen, waarom men Arend toe Boecop en Henderik de Wolff op nieuw naar hem afvaardigde om de stadsregeering bij hem te verontschuldigen.
     Doch de schrandere en ridderlijke Johan van Ligne was de man niet om zich met schoon schijnende woorden van des raads afgezanten tevreden te stellen. Hij antwoordde hun o.a. op hun wijdloopig excuus, dat deze zaak hem veel leed deed, en dat hij de regentes van Panna er terstond van in kennis zoude stellen, die het zeer zeker in ongenade zoude opnemen; op hun verzekering dat ze alles hadden gedaan, wat ze naar stadrecht konden doen, zeide hij: »Gij Kampenaars hebt altijd bij mij gebeden en gelamenteerd om u toch uwe stadrechten te laten behouden; welnu, ik heb dat gedaan, doch nu zie ik eerst welk soort van stadrecht gij er op na houdt, volgens ’t welk men overtuigde booswichten laat loopen.’’
     Hij begeerde verder dat men de personen die Warners van den trap gedrongen hadden zoude openbaar maken en de stad uitbannen, terwijl hij hun verzekerde dat hij liever zijn stadhouderschap vaarwel zoude zeggen, dan dergelijke

|pag. 201|

handelingen ongestraft te laten, en geen klaring of landdag verkoos te houden voor de zaak tot een goed einde gebracht was.
     Toen de gezanten den 4 December weer in Kampen waren teruggekeerd, deden zij des namiddags rapport aan den raad, waarop men bevel gaf, zoo noodig, de schutterij en de gilden bijeen te roepen en Peter Wamers met klokkenslag uit de stad Kampen en hare vrijheid verbande, om daarin niet weder te verschijnen op strafte des doods, verbiedende een iegelijk hem te huizen, te hoven of te herbergen bij de zwaarste straffen.
     Het kwam vervolgens schepenen en raad ter ooren dat Sybrant Salincks, gehuwd met eene dochter van Peter Warners, en Warner van Wouw, een zoon van zijn zuster, hem tusschen hun beiden in van den trap hadden geholpen, terwijl Jan Janss, een zwager van Warners zich ook eenige voor hem gevaarlijke woorden zou hebben laten ontvallen. Zij gaven daarom last aan hun dienaren om zich te versterken en deze personen te arresteeren; doch ook zij waren reeds verdwenen.
     Hierbij schijnt de zaak gebleven te zijn. Wel verzocht de stadhouder den 10 December om deze personen te straften, doch den 18 December bericht hij aan de regeering van Kampen, dat de hertogin van Parma haar de zaak niet aanrekende, maar verzocht in vervolg van tijd tegen dergelijke overtredingen te waken en de rust in de stad te handhaven.
     Tot het in ’t leven roepen van deze mildere stemming zal zeker het feit, dat men in de eerste dagen van December dezes jaars te Zwolle de kerken plunderde, het zijne wel hebben bijgedragen; men dacht zeker te Kampen iets te moeten toegeven om niet alles te verliezen.
     Toch werd aan de uitgewekene bloedverwanten van Warners, die zich even als hij zelf naar Emmerik hadden begeven, in 1567 nog niet vergund om wederom in de stad te komen.
     Evenwel woonde in datzelfde jaar een zoon van hem in

|pag. 202|

Kampen, die de stad niet schijnt verlaten te hebben, de boekdrukkerij aldaar uitoefende en om dezelfde reden als vroeger zijn vader, doch voor hem met beteren uitslag, werd aangeklaagd wegens het drukken van fameuse liedekens.
     Die historie was kortelijk deze. Den 1 December 1567 werd op last van den drost te Harlingen, Georg van Espelbach, zekeren Cornelis Pieters gevangen genomen, omdat hij verbodene liedekens zong. In zijne bekentenis verklaarde hij dat hij, tien stuivers verdiend hebbende, en even zooveel ontvangen hebbende van zijn vader te Bolsward, daarvoor te Bolsward liedekens had gekocht, die gedrukt waren te Kampen bij den zoon van Peter Warners, en dat hij, nadat zijne sorteering was uitverkocht, voor het overgewonnen geld nieuwe had laten drukken te Steenwijk, in drie soorten in eene oplaag van duizend exemplaren voor een Carolusgulden; welke hij overal in Friesland in steden en in dorpen had verkocht en gezongen.
     Den 9 December verscheen ten gevolge dezer confessie de Koninklijke Raad mr. Hendrik van Till te Kampen met eenen lustbrief van kanselier en raden van Overijssel, om onderzoek in deze zaak te doen. De raad van Kampen gaf hem evenwel te kennen, bij monde van haren burgemeester Lodewijk Voerne, dat zij geen hof van kanselier en raden erkende, en dus ook niet zijnen lastbrief. De raadsheer repliceerde hierop dat men dit zoo naauw niet moest nemen, en verzocht hem te willen erkennen in zijne qualiteit zonder eenige prejudicie over ’t erkennen der macht van kanselier en raden, hetgeen de raad dan ook eindelijk goed vond.
     Den volgenden dag citeerde hij Berent Peters op het raadhuis, doch deze wist hem te overtuigen dat de liedekens niet bij hem gedrukt waren, o.a. door aan te toonen dat hij met geheel andere letters drukte, dan die voor het drukken dezer blaadjes waren gebezigd. De zaak was hiermede afgeloopen en had geen verdere gevolgen.

|pag. 203|

     Van ieder dezer drie soorten van geuzenliederen is op het archief te Kampen, onder de stukken betreffende deze zaak, een exemplaar voorhanden.
     Het een bevat een opwekking tot eendracht, en ademt een zachten beminnelijken geest; het tweede beschrijft de treurige gevangenneming van de Batenburgen en hunne gezellen in het begin van Mei 1567 te Harlingen op last van den stadhouder Aremberg geschied. Zoo als bekend is wilden zij per schip de wijk nemen naar Emden doch werden door verraad van den schipper te Harlingen op het drooge gezet. Eerst werden zij te Harlingen, daarna te Leeuwarden en eindelijk te Vilvoorden gevangen gehouden, om op den 28 Mei 1568 te Brussel op ’t schavot te sterven. Het derde bevat eindelijk een jammerklacht over den nederlaag die het geuzenleger, tot ontzet van Valenchijn opgerukt, den 28 December 1566 tegen Noircarmes leed.
     Alle drie zijn zij dezer dagen voor het eerst weder naar de exemplaren daarvan op het Kamper Archief berustende, in ’t licht gegeven in de nieuwe uitgave der geuzenliederen door den heer van Lummel, werwaarts wij verwijzen.

______________

– Uitterdijk, J.N. (1875) Vervolging van boekdrukkers te Kampen wegens het drukken van fameuse libellen en geuzenliederen, 1566-67. Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, 2e reeks, 8, 192-203

Category(s): Kampen
Tags: , , ,

Comments are closed.