II. Het Kloostergebouw te Windesheim

HOOFDSTUK II.

HET KLOOSTERGEBOUW TE WINDESHEIM.

_________

     O Windesem, vinea Dei sempiterna, attende
quomodo propter saeculi persecutionem in devotos
tende, quomodo nunc a filiis benedicta sis et
dilatata; attende, quomodo mater sis honorificata,
ante caeteras dilecta et exaltata.

Joannes Busch, Chronicon Windese
     mense Antv. 1621, p. 39.

_______________↓_______________


|pag. 60|

[blanco]

_______________↓_______________


|pag. 61|

     Gerrit de Groote rustte in het graf 1 [1.      De voornaamste bronnen voor het onderwerp, dat in dit Hoofdstuk zal worden behandeld, zijn: Wilhelmus Vornken, Epistola de prima, institutione monasterii in Windesem (afgedrukt in Bijlage I), cap. XV—XVII; Busch, Chronicon Windesemse, Antv. 1621, p. 25-74, 121—133, 145—149; v. Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle, Zwolle, 1767, dl. II en III, passim. Merkwaardige bijdragen leveren: de ongenoemde schrijver der Overysselsche chronycke (in Dumbar, Analecta, Dav. 1719, tom. II), p. 445, 447; Arent toe Bocop, Croenick der byscoppen van Uttert (in den Codex diplomaticus Neerlandicus van het Historisch genootschap te Utrecht, Serie II, dl. V, Utr. 1860), blz. 412—414; Lindeborn, Historia episcopatus Daventriensis, Col. Agr. 1670, p. 312—315; Bondam, Verzameling van onuitgegeevene stukken, Utr. 1779, dl. IV, blz. 194 v, 232 v; [G. Dumbar Junr], Tegenwoordige staat van Overyssel, Amst. 1781, dl. II, blz. 95—101. Zeer te bejammeren is het, dat G. Dumbar Senr door den dood verhinderd werd, het vierde deel zijner Analecta uit te geven, waarin hij beloofd had, „plura de hoc monasterio” te zullen leveren.
Zie zijne Analecta, tom. II, p. 317.]
), en allen, die zich weleer om hem hadden geschaard, vereenigden zich thans om den uitnemenden man, dien hij zelf met stervende lippen als zijn plaatsvervanger had aangewezen 2 [2.      Busch, in zijn Chron. Wind. p. 64, zegt van hem: „de cuius consilio tunc cuncti pariter pendebant;” op p. 82 noemt hij hem „fervens et omnium devotorum tunc pater;” op p. 45: „magnus ille pater familias.”]). Florens Radewijns was bij den dood zijns meesters niet veel meer dan vier en dertig jaar oud 3 [3.      Zie boven, blz. 44, noot 2.]), maar nooit had de Elia-mantel op een beteren Elisa kunnen vallen. Ofschoon weer een geheel ander persoon dan De Groote, vereenigde hij in zich al de gaven van verstand en hart, die voor de thans op hem rustende taak noodig waren. Hij had wijsheid en tact, vroomheid en ernst, vriendelijkheid en waar-

_______________↓_______________


|pag. 62|

digheid, menschenkennis en doorzicht, kracht en beleid, geloof en moed 4 [4.      Bijdragen tot de kennis van Radewijns’ karakter vindt men bij Thom. a Kempis, Vita Florentii (in de verschillende uitgaven der Opera omnia van Thom. a Kempis), cap. XI—XXVIII, passim. Voor de geschiedenis van zijn leven en werken zijn onmisbaar het genoemde Vita; Rud. Dier, Scriptum (in Dumbar, Analecta, tom. I), passim; Busch, Chron. Wind, passim. Over zijne geschriften zie men vooral Moll, Kerkgesch. v. Ned. vóór de Hervorming, dl. II, st. ii blz. 362 v. Eene goede monographie over dezen hoogst merkwaardigen man zou alleszins wenschelijk zijn.]). Zijn gansch voorkomen gaf den indruk van mannelijke braafheid; zijne geheele verschijning boezemde vertrouwen in. Een woord van hem had opbeurende kracht; bij het volgen van zijnen raad bevond ieder zich goed 5 [5.      Thom. a Kempis, Vita Florentii, cap. XXIV, § 3.]), en als hij sprak, dan was het, alsof de Heilige Geest sprak door middel van hem 6 [6.      Thom. a Kempis, l. l. cap. XXIII, § 1.]).
     En hij stond niet alleen, maar had het geluk, reeds aanstonds omringd te zijn van mannen, die zich met hem in dezelfde richting bewogen, en met hem arbeidden in éénen geest. Van de velen noemen wij slechts enkelen; later zullen wij er meerderen leeren kennen. Dagelijks ging hij om met den eenigszins zonderlingen, maar geestrijken Johan Brinckerinck 7 [7.      Een uitvoerig Vita Joannis Brinckerinck kan men vinden in H. S. n°. 8849—’59 der Bourgondische bibliotheek te Brussel, fol. 25—40. Het wordt gevolgd door allerlei woorden van hem en bijzonderheden aangaande, hem, uit zijn omgang met de zusters te Deventer en te Diepenveen, wier rector hij was, fol. 42—53 Voorts zie men nog fol. 173v—176v. Ook Thom. a Kempis schreef een kort Vita domini Joannis Brinckerinck (in zijne Opera omnia), en in zijn Chronicon Montis S. Agnetis (achter het Chron. Wind.) zijn p. 175 seq. aan Brinckerinck gewijd. Men zie verder Busch, Chron. Wind. p. 25, 190, 191; Rud. Dier, Scriptum (in Dumbar, Analecta, tom. I), p. 15—21 ; Vita Elisabethae van Heenvliet (achter het Chronicon ducum Brabantiae, uitgeg. door Matthaeus, Lugd. Bat. 1707), p. 238, 246, 247, 249 seq, 252, 258—263; Moll, Johannes Brinckerinck en zijn klooster te Diepenveen (in den Kalender voor de protestanten in Nederland, jaarg. III, 1858, blz. 66—85): denzelfden, Leeringen van Johannes Brinckerinck, uit zijne onuitgegevene collatiën verzameld (aldaar, blz. 86—92); denzelfden, Acht collatiën van Johannes Brinckerinck (in Kist en Moll, Kerkhistorisch archief, dl. IV, 1866, blz. 97—167).]), den braven en regtschapenen Hendrik Klingebijl 8 [8.      Zie over hem Busch, Chron. Wind. p. 25—74 passim, 384—392.]), den rijken en beschaafden Hendrik van Wilsem 9 [9.      Zie over hem Busch, l. l. p. 25—61 passim, 417—423.]), den niet minder gegoeden en

_______________↓_______________


|pag. 63|

vrijgevigen Berthold ten Hove 10 [10.      Zie over hem Busch, l.l. p. 25-57 passim, 276, 424-429, waar hij Bertholdus ten Have heet. Wilhelmus Vornken, Epistola de prima institutione etc. (afgedrukt in Bijlage I), cap. XVI en XVIII, noemt hem Bertholdus ten Hove, misschien wel naar zijn grondbezit „de hof to Windesem” en waarschijnlijk meer juist. Denzelfden naam draagt hij in den brief, waarbij bisschop Floris van Wevelinkhoven aan Florens Radewijns c.s. verlof geeft tot het bouwen van een klooster in Salland (gedeeltelijk afgedrukt in de Kronyk van Arent toe Bocop, Utr. 1860, blz. 413v, en geheel in Bijlage III), alsmede op de Naamlijst der reguliere kanunniken te Windesheim, afgedrukt in Bijlage V.]), den vromen en vrijzinnigen Gerard van Zutphen 11 [11.      Zie over hem Thom. a Kempis, Vita domini Gerardi Zutphaniensis (in zijne Opera omnia); Revius, Daventria illustrata, Lugd. Bat. 1651, p. 36-60 (alwaar p. 41-55, 55-58, zijne opstellen over het lezen der H. Schriften in de landtaal en het bidden in de landtaal); v. Heussen, Historia episcopatus Daventriensis (in zijne Historia episcopatuum foederati Belgii, Lugd. Bat. 1719, tom. II), alwaar p. 88-94, 94-96 eene verbeterde uitgave der twee genoemde opstellen; Ullmann, Reformatoren vor der Reformation, Hamb. 1841, Bd. II, S. 115-124; Delprat, Broederschap van G. Groote, Arnh. 1856, blz. 42 v, 349-352; Koning, Specimen de Gerardi Zutphaniensis vita, scriptis et meritis, Trai. 1858; Vos, Gerhard Zerbolt (in het Kerk-historisch jaarboekje, nieuwe reeks, jaarg. I, Schoonh. 1864, blz. 102-138).]), en vele anderen, die indertijd door De Groote waren bekeerd en hem vereerden met geheel hun hart 12 [12.      Busch, Chron. Wind. p. 25. Vornken in zijne Epistola, cap. XV, noemt bepaaldelijk Hendrik van Wilsem en Goswin Tyasen als steunsels van den kring. Beiden waren aanzienlijk, rijk en vroed. Over Tyasen zie men eenige bladzijden verder.]).
     Het was met deze mannen, dat Florens Radewijns dikwijls samensprekingen hield over de beste wijze, om het goede werk, dat door God was begonnen, tot zijne eer en tot heil van velen voort te zetten. En als zij dan daarover beraadslaagden, dacht het hun altijd het best, een klooster van eene of andere kerkelijk goedgekeurde orde, liefst van die der reguliere kanunniken te bouwen, onder welks schaduw alle vromen bescherming, en binnen welks muren zij eene veilige schuilplaats zouden kunnen vinden 13 [13.      Dit schijnt de ware voorstelling van de zaak te zijn, en zoo wordt zij ook gegeven door Vornken in zijne Epistola, cap. XV. Men zie zijne merkwaardige woorden. Nergens wordt de tendensachtige traditie, dat De Groote stervende bevolen heeft, een klooster te bouwen (zie boven, blz. 46-49), sterker gelogenstraft dan hier.]). Zij gedachten daarbij tevens, dat hun vereeuwigde meester ditzelfde plan had gehad 14 [14.      Dit voegt Vornken, l.l, er zeer bepaald bij, en het wordt ook elders bevestigd. Zie vooral Petrus Horn, Vita Gerardi Magni M S. cap. XIV; Thom. a Kempis, Vita Gerardi Magni, cap. XV, § 3; denzelfden, Chron. Montis S. Agnetis, p. 153. Een van De Groote’s welgestelde vrienden, dezelfde Lambertus Stuurman, van wien hij later de pest overerfde, had zelfs reeds bij ’s mans leven op diens verzoek bij testamentaire beschikking een legaat voor den eventueelen kloosterbouw bepaald (Chron. Wind p. 20), en meester Gerrit zelf was eenigen zijner volgelingen te Zwolle behulpzaam geweest in het zoeken naar eene geschikte plaats, om er afgezonderd te gaan wonen (Chron. Mont. S. Agn. p. 4-6, 7). Ware hij blijven leven, het klooster zou dáár allicht zijn verrezen, en men zou dan niet van Windesheim, maar van den Nemelenberg hebben gehoord. Doch hoe dit zij — want wie zal zeggen, wat geschied zou wezen, als iets, dat geschied is, niet geschied ware ? — zeker is het, dat het plan om een klooster voor reguliere kanunniken te bouwen, geheel in den geest, ja overeenkomstig het voornemen van De Groote was. Verg. boven, blz 49.]).

_______________↓_______________


|pag. 64|

     Na lang en rijp beraad werd met aller goedvinden besloten, zulk een klooster zoo spoedig mogelijk te doen verrijzen 15 [15.      Busch, Chron. Wind. p. 25 seq. Het lange beraadslagen over de vraag, niet hoe, maar of men een klooster zal bouwen, pleit óók niet voor een bepaalden en dringenden wensch, door een stervende geuit.]), en wij zien dan ook in het tweede jaar na De Groote’s dood, d.i. in 1386, Johan Brinckerinck met eenige anderen het land doorgaan, ten einde er eene geschikte plaats voor te zoeken. Inderdaad vonden zij er eene op de Veluwe bij Hattem. De toestemming, om aldaar te mogen bouwen, werd van Willem van Gulik, hertog van Gelre, gevraagd en verkregen. Doch toen heer Florens in eigen persoon met zes der zijnen tot den bisschop van Utrecht ging, zonder wiens goedvinden volgens kerkelijk recht geen klooster binnen zijne diocese mocht opgericht worden, kreeg hij, juist op grond van ’s Bisschops belangstelling in de zaak, een weigerend antwoord. Niet op het gebied van eenig wereldlijk heer, maar op zijn eigen terrein in Salland 16 [16.      Salland (het oude Salon of Salahom, waarover men de noodige aanwijzingen kan vinden bij v.d. Bergh, Handboek der Middel-Nederlandsche geographie, 2de druk, ’s Grav. 1872, blz. 177-182) is met de daartoe behoorende steden, dorpen, kloosters enz. te kennen uit de reeds aangehaalde Kronyk van Arent toe Bocop. blz. 384-387, alsmede, wat later tijden betreft, uit [G. Dumbar Junr], Tegenwoordige staat van Overijssel, dl. IV, st. i (Leiden, 1803), blz. 1-136.]) wilde hij het klooster zien verrijzen. Volledige toestemming gaf hij, mits men dáár bouwde. Hij beloofde hun zelfs, dat hij alsdan de zaak op alle mogelijke wijzen bevorderen, hun „patroon en geestelijke vader” wezen, hun klooster en kloostergoederen tot geestelijk

_______________↓_______________


|pag. 65|

goed maken, hen voor altijd van alle lasten en schattingen vrijstellen, hen alleen voor het bisschoppelijk hof van Utrecht in rechten betrekken, hen door zijne ambtlieden tegen alle geweld en overlast beschermen zou, enz. En hij liet dit alles niet bij vluchtige woorden en mondelinge beloften, maar beschreef het in een giftbrief met uithangend zegel, gedagteekend 30 Juli 1386 17 [17.      Deze giftbrief is gedeeltelijk afgedrukt in de Kronyk van Arent toe Bocop, blz. 413 v. Ik zal hem geheel doen volgen in Bijlage III. Uit vergelijking van dezen brief en het Chron. Wind. p. 27, 49, blijkt, dat de voorstelling der zaak door Busch niet volkomen juist is.]).
     Tot de zes mannen nu, die Florens Radewijns met zich naar Utrecht had genomen, behoorde ook de reeds genoemde Berthold ten Hove. Deze, weleer door Gerrit de Groote bekeerd, had bij vaderlijk erfdeel een aanzienlijk grondbezit ontvangen, gelegen onder het gebied van den Bisschop, in het door dezen aangewezen Salland. Dit grondbezit 18 [18.      Het heette „de hof to Windesem.” Zie Wilhelmus Vornken, Epistola de prima institutione etc. cap. XVI.]), bestaande uit een groot aantal akkers met hun toebehooren, vertegenwoordigde eene waarde van meer dan drie duizend Rijnsche guldens 19 [19.      Chron. Wind. p. 28, 427.]), doch de jeugdige eigenaar stond het voor altijd aan de broederen af, om er het nieuwe klooster voor reguliere kanunniken op te bouwen. Ook een ander rijk man uit denzelfden Deventerschen kring, de vroeger genoemde Hendrik van Wilsem, weleer schepen van Kampen en thans een vurig bevorderaar der aangevangen zaak, gaf vijftien bunders land ten beste, en er werd besloten en bepaald, dat het klooster zou verrijzen in het dorp Windesheim, behoorende tot de parochie van Zwolle, onder de diocese van Utrecht, op het vroeger grondbezit van Berthold ten Hove 20 [20.      Chron. Wind. p. 28 seq. Het woord „heim” komt, gelijk bekend is, veelvuldig in plaatsnamen voor, hetzij in zijn oorspronkelijken staat, zooals in Bentheim, Hildesheim, Udenheim, hetzij met verkorten klank, zooals in Gorinchem, Lochem, Doetinchem, hetzij meer onkenbaar, zooals in Rossem (Rotheim), Wilsum (Wildesheim), Renkum (Redincheim). Kiliaen vertaalt het door „sepes, septum, sepimentum.” Van Hasselt in zijne uitgave van Kiliaen’s Etymologicum, Traj. 1777, p. 225, haalt verschillende schrijvers over dit onderwerp aan.]).
     Alzoo voorzien van alles, wat voorloopig noodig was, koos men zes mannen uit21 [21.      Chron. Wind. p. 40.]), die het meest bekwaam werden geacht, om

_______________↓_______________


|pag. 66|

op het terrein zelf de plaats nader te bepalen, en zoowel een bestek voor het klooster als een begin met het bouwen te maken.
Deze zes waren de reeds genoemde Hendrik Klingebijl, Hendrik van Wilsem en Berthold ten Hove, benevens Werner Keynkamp, weleer rector der parochieschool te Kampen 22 [22.      Zie over hem mijne Epistolae Gerardi Magni XIV, p. 49-57, en de aldaar aangehaalde plaatsen.]), Johan van Kempen, ouderen broeder van den beroemden Thomas a Kempis 23 [23.      Over Johannes a Kempis handel ik meer uitvoerig beneden in Hoofdstuk V.] en Hendrik de Wilde, dien wij, evenals de anderen, nog meermalen zullen ontmoeten 24 [24.      Zie over hem het Chron. Wind. p. 57 seq, 411—416.]).
     De zes mannen begaven zich naar het aangewezen oord, en bevonden het met eenige wilgenboomen bezet 25 [25.      Geheel Salland zal naar wilgenboomen aldus zijn genoemd. Salahom = wilgenstreek. Zie Wijnne, Geschiedenis der Nederlanden, Gron. 1873, dl I, blz. 92.]); menschenwoningen waren er niet. Slechts bij den opzichter van het landgoed konden zij een armoedig onderkomen vinden, totdat zij zichzelven van woningen zouden hebben voorzien, hutten en huisjes van ruwe planken, op eenvoudige wijze met klei en rijsjes samengevoegd, en met stroo gedekt. Daar gebruikten zij hun nederig maal; dáár rustten zij des nachts van hunne vermoeienissen uit 26 [26.      Alles ontleend aan het Chron. Wind. p. 40-42.]). Ook eenige aanzienlijke devote zusters steunden hun werk, door het verrichten van vrouwelijken arbeid 27 [27.      Chron. Wind. p. 41, 47. Zelfs toen het klooster reeds bewoond werd, maar men nog geene leekebroeders voor de huishoudelijke werkzaamheden bezat, namen deze en andere bejaarde vrome zusters uit Zwol den dienst in de keuken, de brouwerij, de bakkerij en het waschhok waar, doch afgescheiden van de broeders, met wie zij niet eens te zamen aten (l.l. p. 44 seq.).]).
     In het landschap verhief zich eene hoogte, die, naar men verhaalde, nooit door het water van den IJsel was overstroomd. Deze kwam hun voor, de meest geschikte plaats voor het klooster te wezen. Zij maten haar meer dan eens van alle kanten op, berekenden den hoogsten stand van het waterpas der rivier 28 [28.      Verg. Delprat in de Bijdragen van Nijholf, nieuwe reeks, dl. V (1868), Boekbeschouwing, blz. 83.]), en bepaalden met onderling goedvinden, waar de kerk en de verschillende gebouwen zouden moeten verrijzen. Hoe groot die

_______________↓_______________


|pag. 67|

kerk diende te zijn, en welke gebouwen er al zoo behoorden te wezen, werd alles in overleg met Florens Radewijns en andere zaakkundige mannen vastgesteld 29 [29.      Chron. Wind. p. 42.]). De eenvoudige landlieden in den omtrek wisten inmiddels te verhalen van engelverschijningen, die zij daar ter plaatse dikwijls gezien, van engelenzangen, die zij er menigvuldig gehoord hadden 30 [30.      Chron. Wind. p. 30 seq. Windesheim was niet het eenige klooster, welks plaats reeds te voren door engelen werd aangewezen. Mariënborn bij Arnhem, Nieuwlicht bij Hoorn, St. Agnietenberg bij Zwol, Nazareth bij Bredevoort en vele andere deelden, zoo verhaalde men, in hetzelfde voorrecht. Chron. Wind. l.l.]) en het spelend vernuft der broeders vermeide zich in het maken van allerlei afleidingen van het woord Windesem, ten bewijze der gepastheid van dien naam voor het doel, dat zij met hun klooster beoogden.31 [31.      Chron. Wind. p. 36-39. Ziehier een paar staaltjes: Windesem = Win de Sem (gij, die uit Sem zijt, doe winst); Windesem = Vinea Dei Sempiterna.
Verg. over dergelijke vernuftsspelingen met namen mijne Gerardi Magni epistolae XIV, p. 119.]
).
     Inmiddels stroomden der nieuwe stichting allerlei giften en legaten toe. Lambertus Stuurman, van wien Gerrit de Groote de pest had overgeërfd maar die zelf was genezen 32 [32.      Zie boven, blz. 47, noot 2.]), schonk honderd Fransche schilden; een ander tweehonderd; een derde honderd zes en dertig. Hendrik van Wilsem, een der zes afgevaardigden tot den opbouw, verkocht al wat hij had, en gaf het met zijne akkers en verdere grondbezittingen, ten behoeve van het klooster, aan Florens Radewijns en de broederen over.
Sommige zijner bloedverwanten, zoo mannen als vrouwen, ook anderen, die hem niet in den bloede bestonden, volgden zijn voorbeeld en begiftigden het nieuwe gesticht, vóórdat het nog was verrezen, zoodat alles, wat tot den bouw en gedeeltelijk zelfs tot het voortdurend bestaan daarvan noodig was, uit het bijeengebrachte kon worden bestreden 33 [33.      Alles ontleend aan het Chron. Wind. p. 42—45.]).
     Met lust en ijver arbeidde men voort. Meermalen zond Florens Radewijns, „de groote huisvader”, gelijk Busch hem treffend noemt 34 [34.      Chron. Wind. p. 45.]), broeders des gemeenschappelijken levens uit Deventer, om de bouwenden te helpen. Vaak kwam hij ook zelf,

_______________↓_______________


|pag. 68|

om hen op te beuren, tot volharding aan te sporen en vromelijk te sterken 35 [35.      Chron. Wind. p. 45.
]
). Het gevolg was, dat men, na het groote werk ongeveer in Maart 1387 te hebben aangevangen 36 [36.      Namelijk in de quadragesima van 1387, d.i. in de vasten vóór Paschen, dus vóór 7 April van dat jaar.]), reeds in October van datzelfde jaar, d.i. na omstreeks zes maanden, tot de inwijding kon overgaan 37 [37.      Chron. Wind. p. 56; conf. p. 121. De tijdsopgaven bij Delprat, Broederschap van G. Groote, blz. 215, zijn onjuist.]). Immers toen reeds was men gereed met de kerk en haar westelijken trans 38 [38.      Trans (meestal „ambitus,” maar ook „transitus,” bijv. em>Chron. Wind. p. 129, 131, 404) is eene afgesloten ruimte of zuilengang om een koor, eene kerk of een klooster. De transen dienden als gangen voor geestelijken en kloosterlingen tusschen hun heiligdom en hunne woningen, alsmede tot begraafplaatsen. Zie, wat in dit opzicht Windesheim betreft, eenige bladzijden verder.]), met drie huizen, de eetzaal en de brouwerij, alsmede met de bakkerij, die destijds tevens voor keuken moest dienen. Alles was opgetrokken van steen met pannen daken, uitgezonderd de drie huizen en de bakkerij, die met riet waren gedekt 39 [39.      Chron. Wind. p. 47.]).
     Toen men bijna zoover was, togen Florens Radewijns en de zes mannen naar den bisschop van Utrecht, ten einde dezen nederig te verzoeken, het klooster door zijn suffragaan te doen wijden. De Bisschop echter, die het van den aanvang af wèl met hen gemeend had en zich over hun voorspoedigen arbeid hartelijk verblijdde, bevond dat hunne geldmiddelen niet toereikend, waren voor zulk een klooster, en weigerde daarom voor alsnog, tot de wijding over te gaan. Ook dit bezwaar evenwel kwam men door eene schenking van tweehonderd gulden, die eene belangstellende vrouw met hare twee zonen ten behoeve der Stichting in des Bisschops handen afstond, te boven, en de Bisschop zelf, die, gelijk wij gezien hebben, reeds vroeger alles, wat men ontvangen had, tot geestelijk goed gemaakt, en het daardoor voor immer van alle lasten en diensten, waarmede de wereldsche goederen plegen bezwaard te zijn, had ontheven, gaf hun nu nog den raad, dat zij trachten moesten, datgene, wat zij verder zouden verkrijgen, niet onder het gebied van éénen vorst, maar zooveel mogelijk onder dat van meerdere heeren te hebben liggen,

_______________↓_______________


|pag. 69|

opdat zij bij voorkomende onlusten of oorlogen niet ineens van alles mochten beroofd worden 40 [40.      Chron. Wind. p. 48—50. De voorstelling van Busch is ook hier, blijkens den vroeger vermelden giftbrief van Floris van Wevelinkhoven d.d. 30 Juli 1386 (zie Bijlage III), niet geheel juist.]).
     Zoo waren dan nu alle dingen tot de wijding gereed. De zes mannen zouden bij deze plechtige gelegenheid tevens hunne kloostergelofte afleggen als reguliere kanunniken der orde van den H. Augustinus. Doch al waren zij door Florens Radewijns volledig in een goed en heilig leven ingeleid, zij wisten niets van de voorschriften der Orde. Er werd dan besloten, dat zij naar het klooster Eemstein tusschen Dordrecht en Geertruidenberg zouden gaan41 [41.      Chron. Wind. p. 50. Zie over dit klooster beneden in het Aanhangsel onder N°. 7. Het werd later, ten gevolge van den St. Elisabethsvloed in 1421, naar Zwijndrecht verplaatst.]), om aldaar eerst het noodige te leeren. Dit klooster toch, dat eveneens door reguliere kanunniken bewoond werd, was nog slechts weinige jaren oud en in de reinheid zijner eerste liefde. Evenals de Windesheimers er heengingen, om er in de regelen der Orde te worden onderricht, hadden de Eemsteiners uit Groenendaal, het regulieren-klooster van Ruysbroeck, de noodige inlichtingen ontvangen 42 [42.      Chron. Wind. p. 51. De Groenendaalsche broeder, die naar Eemstein werd gezonden, om er de nieuwe kloosterlingen te onderrichten, was Godfried Wevel, leerling van Ruysbroeck, weleer biechtvader van Maria van Brabant, weduwe van Reinald III van Gelre. Zie Wichmans, Brabantia Mariana, Antv. 1632, p. 812; Latomus et Hoyberge, Corsendonca, Antv. 1644, p. 68 seq; Hoyberge, Compendium Chronici Bethleemitici, a Petro Impens conscripti (Bourg. bibl. M. S. n°. 1278), p. 2, 10, 22; Memoriale Viridis Vallis (Bourg. bibl. M. S. 2e Série, n°. 184), fol. 121v.]). Ook was het den broederen te Deventer zeer goed bekend, dat hun hoog geëerde meester Gerrit de Groote den Eemsteiners steeds een goed hart had toegedragen, gelijk zelfs zijne brieven konden getuigen 43 [43.      Chron. Wind. p. 160; Kon. bibl. te ’s Gravenhage, H. S. n°. 1541, fol. 155, 205.]). Redenen genoeg, om de zes mannen tot hen te zenden. En zoo geschiedde het ook. Zij trokken de Middelzee, thans de Zuiderzee, over 44 [44.      Chron. Wind. p. 50. Het klinkt vreemd, dat zij, van Deventer of Zwol naar Geertruidenberg reizende, de Zuiderzee overtrokken. Dit was echter niet ongewoon. Toen de broeders op den St. Agnietenberg bij Zwol in 1461 van de kanunniken te Utrecht de oude houten reliekenkist der H. Agnes hadden gekregen, brachten zij deze uit de genoemde stad per schip door Holland over de zee naar hun klooster. Zie Thom. a Kempis, Chron. Mont. S. Agnetis, p. 123.]), werden aller-

_______________↓_______________


|pag. 70|

vriendelijkst ontvangen, overal rondgeleid, in alles onderwezen. Zij leerden, hoe zij bij den koordienst moesten staan, zitten en buigen, welke diensten zij te volbrengen, welke gewoonten zij te volgen hadden; zij leerden der reguliere kanunniken zang en ritueel, en keerden vervolgens over Deventer naar Windesheim weder 45 [45.      Chron. Wind. p. 51 seq.]).
     Dáár was het den 17den October 1387 feest 46 [46.      Chron. Wind. p. 56. Zie ook Chron. Mont. S. Agnetis, p. 153 seq.]). De kerk zou dien dag worden ingewijd, en de zes eerste bewoners van het klooster zouden eveneens hunne wijding ontvangen. Reeds in den vroegen morgen zag men van rondom zoowel de nieuwsgierigen als de belangstellenden, mannen en vrouwen, ouden en jongen, aanzienlijken en geringen, opgaan naar de plaats, waar de plechtigheid zou worden volbracht 47 [47.      Chron. Wind. p. 60.]). Toen het oogenblik, waarop de heilige handeling een aanvang zou nemen, was gekomen, verscheen de suffragaan van den bisschop van Utrecht 48 [48.      Hij heette Hubertus, Yppusensis episcopus. Zie Chron. Wind. p. 56, 122; verg. boven, blz. 42, noot 1, en beneden, blz. 75, noot 3.]) in vol pontificaal, en wijdde de kerk en het hoogaltaar ter eere van Maria en den H. Augustinus. Tevens verklaarde hij eerstgenoemde tot patrones van het klooster en de kerk, gelijk laatstgenoemde de patroon der gansche orde der reguliere kanunniken was. Nog drie andere altaren wijdde hij, twee in de kerk en één in het kapittelhuis; eveneens het reeds voltooide westelijke deel van den trans der kerk, alsmede het algemeene kerkhof 49 [49.      „Pro vulgaribus sepeliendis.”]).
Na afloop van dit uitvoerig ceremoniëel maakte hij zich gereed tot het bedienen van de mis, en het priesterlijk gewaad aangedaan hebbende, trad hij naar het hoogaltaar 50 [50.      Alles ontleend aan Chron. Wind. p. 56 seq; verg. Vornken, Epistola, cap. XVII.]).
     Hoe indrukwekkend het oogenblik, en hoe gewichtig zijn persoon mocht wezen, toch richtten allen eensklaps hunne aandacht op een geheel ander punt. Florens Radewijns, die ook zelf priester was, met eenige anderen, die dezelfde waardigheid bekleedden, traden binnen met de zes mannen, voor wie het plechtigst uur

_______________↓_______________


|pag. 71|

huns levens was aangebroken 51 [51.      Den diepsten indruk maakte de verschijning van den rijken en aanzienlijken Hendrik van Wilsem, weleer schepen van Kampen, die de grootheid der wereld ging verlaten, om een armoedig kloosterleven te gaan leiden. Chron. Wind. p. 60 seq.]). Reeds dagen te voren hadden zij zich voor deze ure bereid 52 [52.      Chron. Wind. p. 53—56.]); thans was zij dáár. In het diep gevoel van de beslissende daad, die zij gingen volbrengen, traden zij voort tot aan den voet van het altaar, waar voor elk hunner een ordekleed gereed lag. Radewijns en de priesters, die met hem waren, stelden hen aan den wijbisschop voor; eerbiedig knielden de zes mannen neder; er hadden eenige gebruikelijke ceremoniën plaats. Daarna zich tot Hendrik Klingebijl wendende, zeide de suffragaan: » Leg af den ouden mensch met zijne werken, en doe aan den nieuwen mensch, die naar God geschapen is in de rechtvaardigheid en heiligheid der waarheid”53 [53.      Chron. Wind. p. 57; eene samenvoeging van Ef. 4: 22, 24, en Col. 3: 9, 10.]). Te gelijker tijd ontnam hij hem het wereldsch gewaad en hing hem het ordekleed der reguliere kanunniken om de leden. Onmiddellijk daarop legde Hendrik Klingebijl, voor het altaar staande, in handen van den wijbisschop de volgende gelofte af, die hij van eene strook perkament voorlas: » Ik, broeder Hendrik Klingebijl van Höxter 54 [54.      Höxter lag in het toenmalige Saksen (zie Rud. Dier, in Dumbar, Analecta, toM. I, p. 7), in het tegenwoordige Westfalen (zie Kramers, Geographisch woordenboek der geheele aarde, Gouda, 1855, blz. 407), aan de Weser. Een halfuur vandaar bevond zich de beroemde benedictijner-abdij Corvey, thans een aanzienlijk slot.]), priester, beloof met de hulp van God voortdurende kuischheid, armoede zonder eigen bezit, en gehoorzaamheid aan den wettig aan te stellen overste en zijne opvolgers volgens den regel van den H. Augustinus, en volgens de bepalingen van dit huis, die het Kapittel verordenen zal”55 [55.      Chron. Wind. p. 57 seq. Onder het woord Kapittel moet hier natuurlijk nog niet het latere Generaal-kapittel verstaan worden, waarover in Hoofdstuk VI zal worden gehandeld, maar het Klooster-kapittel, d.i. de vergadering der kloosterlingen onder voorzitterschap van den prior.]).
     Nadat deze belofte was afgelegd, droeg de suffragaan, op bevel van zijnen bisschop, aan broeder Hendrik het bestuur en de zielzorg over de andere broederen op, en benoemde hem tot rector van het klooster, totdat zijne medekloosterlingen zich op kanonieke

_______________↓_______________


|pag. 72|

wijze een overste zouden hebben gekozen. Thans met de hoogste macht over het klooster bekleed en zelf priester zijnde, deed Klingebijl met de vijf overigen, wat de wijbisschop met hem had gedaan, en elk hunner las, evenals hij, de plechtige gelofte van kuischheid, armoede en gehoorzaamheid van eene strook perkament 56 [56.      Chron. Wind. p. 58 seq.]).
     Men merke wèl op, hoe voorzichtig en verstandig deze gelofte was gesteld. De broeders beloofden geene gehoorzaamheid aan den bisschop van Utrecht, maar aan hunnen overste, dien zij zelven later op wettige wijze zouden kiezen. Evenzoo onderwierpen zij zich aan geene bepalingen, door anderen gemaakt, maar alleen aan die, waarin zij zelven de hand zouden hebben, d.i aan de bepalingen van hun eigen kapittel 57 [57.      Chron. Wind. p. 59.]). Het getuigt van een echt Nederlandschen geest. Doch hierover later. Wie in volgende jaren, op den eersten Zondag na den 16den October Windesheim bezocht, vond er alles in feestelijke vreugde. De suffragaan namelijk had bevolen, dat de dorpelingen de gedachtenis van deze kerkwijding jaarlijks op dien dag vieren zouden 58 [58.      Chron. Wind. p. 62. Als eene bijzonderheid wordt vermeld, dat de zoo nauw met Windesheim verwante kloosters op den St. Agnietenberg en te Diepenveen eveneens op den eersten Zondag na den 16den October het feest hunner kerk- en altaarwijding vierden. Zie Thom. a Kempis, Chron. Mont. S. Agnetis, p. 39 seq. Later werd in al de conventen, behoorende tot het kapittel van Windesheim, de wijding hunner kerk op den verjaardag zelven door de in- en omwonenden plechtig herdacht. De wijze, waarop dit geschiedde, vindt men beschreven in den Ordinarius Wyndesemensis, Dav. 1521, fol. 29. Onder anderen werd er bij die gelegenheid gedurende acht dagen van den toren gevlagd.]).

____________

     Tot dusverre — het kon nauwelijks anders — hebben wij het kloostergebouw met zijne bewoners te zamen genomen. Van nu af gaan wij ze beiden afzonderlijk beschouwen; en terwijl wij in de drie eerstvolgende hoofdstukken aan de bewoners onze aandacht zullen wijden, werpen wij hier een blik op de inrichting, de uitbreiding en de verdere geschiedenis van het klooster, uitsluitend als gebouw opgevat.
     Reeds zagen wij, dat de Stichting op den dag der inwijding

_______________↓_______________


|pag. 73|

bestond uit eene kerk met een gedeelte van den trans, voorts uit drie huizen met eene eetzaal 59 [59.      Refectorium, en vandaar „réventer” of „reefter” genoemd.]), alsmede uit eene brouwerij en eene bakkerij, die tevens als keuken diende. Het geheel vormde een vierkant 60 [60.      Chron. Wind. p. 121.]). Ook het kerkhof was alreede aanwezig, en in de kerk, die een rond gewelf had, uit balken van wagenschot opgetrokken 61 [61.      Chron. Wind. p. 48.]), stonden drie altaren. Eén daarvan, het hoogaltaar in het koor, was, evenals de gansche kerk, aan de Moeder Gods en den H. Augustinus gewijd 62 [62.      Volgens Vornken, Epistola, cap. XVII, was de kerk aan de H. Drievuldigheid en de Maagd Maria toegeheiligd.]). Van de twee overige, die aan weerszijden van het koor in de kerk stonden, was het eene aan Johannes den Dooper en Johannes den Evangelist, het andere aan de maagden Agnes en Katharina opgedragen. Nog een vierde altaar, niet in de kerk maar in het toenmalige kapittelhuis, was opgericht ter eere van de vier leeraren der Kerk, Gregorius, Ambrosius, Hiëronymus en Bernardus 63 [63.      Chron. Wind. p. 48, 56 seq.]).
De cellen, waarin de broeders des daags schrijven, des nachts rusten, en zich aan godsdienstige overdenkingen overgeven zouden, lagen destijds op de bovenverdieping van het huis aan de oostelijke zijde — later werden zij naar het midden verplaatst — en de rector en de procurator 64 [64.      Zoolang er nog geen prior was benoemd, stond Hendrik Klingebijl als rector aan ’t hoofd. Zie over de betrekking van procurator beneden in Hoofdstuk III.]), ten einde over alle zaken beter het oog te kunnen laten gaan en bij de hand te zijn, als er bezoekers kwamen, hadden hunne afgeslotene cellen beneden 65 [65.      Chron. Wind. p. 65.]).
     Een der eerste nieuwe gebouwen, die de broeders optrokken, was een molen, opdat zij hun eigen koren zouden kunnen malen. Hierbij ontmoetten zij echter een rechtskundig bezwaar. De heer van Voorst namelijk, gehoord hebbende dat zij er plan op hadden, werkte hen tegen, bewerende dat de wind in Salland hem toekwam en dat niemand aldaar zonder zijne toestemming een molen mocht bouwen. De zaak werd voor Floris van Wevelinkhoven, den bisschop van Utrecht, gebracht. Doch deze, hevig

_______________↓_______________


|pag. 74|

verontwaardigd, antwoordde, dat niemand op den wind binnen zijn gebied het minste recht had, dan hij en de Utrechtsche kerk.
Terstond gaf hij voor zich en zijne opvolgers een gezegelden open brief aan het klooster Windesheim, inhoudende dat het op de aangewezen plaats gerustelijk een molen bouwen, en dien zonder iemands tegenspraak vrij gebruiken en ten eeuwigen dage bezitten mocht. Deze open brief was van 9 October 1391 66 [66.      Chron. Wind. p. 73.]).
     Onder geen zijner priors heeft Windesheim in alle opzichten zóózeer gebloeid, als onder den hoogst merkwaardigen en achtenswaardigen Johan Vos van Heusden 67 [67.      Hij bekleedde het prioraat van 1391 tot 1424. Zie uitvoerig over hem beneden in Hoofdstuk V.]). Ook wat het uitwendige betreft, nam het onder zijn bestuur in omvang en nuttige verbeteringen toe. Ziende, dat het klooster, in den korten tijd van nog geen jaar geheel opgetrokken, veel te bekrompen was, om de steeds toenemende menigte van klerken, convers- en leekebroeders 68 [68.      Zie over deze verschillende soorten van kloosterbewoners beneden in Hoofdstuk III.]), die er God wenschten te dienen, te kunnen bevatten, was hij er reeds vroegtijdig op bedacht, een nieuw koor, en bij gevolg meer woonsteden voor de broeders te bouwen 69 [69.      Chron. Wind. p. 121. Hoe grooter koor in de kerk, hoe meer reguliere kanunniken, in twee rijen geschaard, er dienst konden doen. Doch naarmate hun aantal werd uitgebreid, moesten ook de cellen vermeerderd worden.]). Hij raadpleegde hierover met heer Florens en de medekloosterlingen, en dezen vonden het goed. Toen alzoo was besloten, de zaak ten uitvoer te brengen, werd er over de beste wijze, waarop dit geschieden kon, rijpelijk beraadslaagd, en vooral het oordeel ingewonnen van die broeders, welke van zulke dingen het meest verstand hadden. Inderdaad werden de grondslagen van het koor in hunne volle lengte en breedte en in voegzamen vorm gelegd, en in korten tijd zag men daarop den ganschen bouw met bijbehooren uit hout en steen verrijzen 70 [70.      Chron. Wind. p. 121 seq.]). Dit was het koor, zooals het, toen Johan Busch zijne kroniek van het klooster schreef, d.i. in 1464 71 [71.      Chron. Wind., einde der Praefatio.]), nog stond 72 [72.      Chron. Wind. p. 121.]), en zooals wij gissen dat het zal zijn gebleven. Bij deze gelegenheid werden tevens drie

_______________↓_______________


|pag. 75|

van de vier reeds bestaande altaren overgebracht naar de plaatsen, waar zij zich in hetzelfde jaar 1464 nog bevonden 73 [73.      Het Chron. Wind. p. 122, spreekt van al de vier. Volgens het zoo aanstonds te noemen afschrift in de boekerij van het Seminarie te Warmond bleef het altaar der vier kerkleeraars in de kapittelkamer staan.]).
     Aan deze vier altaren voegde Johan Vos nog vier andere toe 74 [74.      Chron. Wind. p. 122. Wat de namen betreft, volg ik niet Busch, maar de meer waarschijnlijke opgave in het bedoelde afschrift.]), namelijk een nieuw hoogaltaar in het koor, aan de Maagd Maria, den H. Augustinus en al de Apostelen gewijd; voorts een altaar van het H. Kruis, een van Sint-Maarten en Sint-Nicolaas, en een in het schip der kerk, aan de HH. Stephanus, Laurentius en Vincentius opgedragen. Al dit nieuw bijgebouwde, koor en altaren, alsmede een gedeelte van den koortrans, dat tot begraafplaats moest dienen, werd op den 23sten October 1399 met de gebruikelijke kerkplechtigheden gewijd door denzelfden suffragaan van den bisschop van Utrecht, die twaalf jaren vroeger de wijding van het destijds bestaande voltrokken had 75 [75.      Namelijk Hubertus, episcopus Yppusensis (Chron. Wind. p. 56, 122), of volgens het randschrift om zijn zegel (waarvan eene afbeelding in het bedoelde afschrift) Hubertus Lebene, episcopus Uppusensis. Zie over hem v. Heussen en v. Rijn, Batavia sacra, Antw. 1715, dl. II, blz. 390-393.]).
Hij schonk bij die gelegenheid veertig dagen aflaat aan alle waarlijk boetvaardigen, die op verschillende feesten en heilige dagen deze plaatsen bezoeken, ze met giften of legaten bedenken, of er de godsdienstoefeningen bij wonen zouden 76 [76.      Chron. Wind. p. 122. Van deze koor- en altaarwijding werd eene acte opgemaakt, die in de handen van K. van Alkemade moet zijn geweest. Immers op de verkooping der boeken en handschriften, van hem en P. van der Schelling afkomstig (Amsterdam, Januari 1848), werd voor het Seminarie te Warmond aangekocht n°, 240, „Beschrijving van het klooster Windesheym” (zie Kronyk van het Historisch genootschap, jaarg. IV, 1848, blz. 26; jaarg. V, 1849, blz. 457). Dit handschrift, groot 5$\frac{1}{2}$ blz. in folio, is echter geene beschrijving, maar bevat een onduidelijk, met de hand van v. Alkemade vervaardigd afschrift van de genoemde acte van 23 Oct. 1399, alsmede van een contract van 5 Maart en een transfixbrief van 10 April 1398, beiden betrekking hebbende op Windesheim. Voorts vindt men er kopie eener opgave „in margine” van de namen der acht altaren van het klooster, en penteekeningen van de bij de drie oorspronkelijke stukken behoorende zegels, ook van dat des kloosters. Dit laatste heeft den vorm van een aan beide zijden puntig ovaal. Men ziet er Maria met het kindeke op den arm, staande in een tempel. Onder den tempel ligt een regulier kanunnik geknield, blijkens een spreukband tot haar biddende: „ave maria.” Het omschrift is: BTE : MARIE : IN : WINDE || SEM : ORDINIS : SANCTI: AUGUSTINI. Ik heb van dit afschrift, dank zij de welwillendheid van den Heer J.W.L. Smit, hoogleeraar aan het genoemde Seminarie, gebruik kunnen maken. Vooral het stuk van 5 Maart 1398 is merkwaardig. Het bevat eene overeenkomst tusschen Reynaldus van Drinen, cureit van de parochiekerk te Zwol, en Johannes van Heusden, prior van Windesheim, laatstgenoemde tevens uit naam van zijn convent. De overeenkomst wordt gesloten, ten einde twist en tweedracht te vermijden, en behelst de volgende bepalingen: Het klooster te Windesheim zal nooit of nimmer eene doopvont mogen hebben; de prior en de zijnen zullen nooit buiten den kring hunner broeders en leekebroeders aan iemand uit de parochie de biecht afnemen, of de eucharistie of het laatste oliesel toedienen mogen; voorts zullen zij voor het volk noch preeken, noch doen preeken, noch openbare sermoenen houden met toevoeging van het symbolum, dat gemeenlijk genoemd wordt het „Geloof,” uitgezonderd op de jaarlijksche feestdagen der kerkwijding en van hunne patrones. Daarentegen zullen de broeders en leekebroeders, alsmede allen, die in het klooster komen te sterven of er wenschen begraven te worden, aldaar vrijelijk ter aarde worden besteld. Ook het houden van collatiën en exhortatiën, niet slechts voor hunne medekloosterlingen maar ook voor eventueel aanwezige vreemdelingen, staat hun vrij. Ten slotte wordt de verdeeling van de kerkelijke opbrengsten en inzamelingen bij begrafenissen, eerste missen en dergelijke, tusschen de beide partijen nauwkeurig geregeld. — Aangaande het kloosterzegel nog dit: Te vergeefs heeft Dr. W.J.A. Huberts te Zwolle naar een bruikbaren afdruk daarvan in het stedelijk en het provinciaal archief voor mij gezocht. Het zegel, hangende aan n°. 1484 van het archief te Deventer (Inventaris, Dev. 1870, blz. 248), zoo berichtte mij de Heer J. Poelhekke aldaar, is vrij ongeschonden, en komt nagenoeg, ofschoon niet geheel, met de penteekening bij v. Alkemade overeen. Aan beide Heeren voor hunne nasporingen mijn vriendelijke dank.]). Bisschop Fre-

_______________↓_______________


|pag. 76|

derik van Blankenheim vermeerderde dit getal met nogmaals veertig dagen 77 [77.      Chron. Wind. p. 122.]).
     Johan Vos deed meer. In het koor richtte hij een eenvoudig maar voegzaam gestoelte met eikenhouten kappen en leuningen voor de koorbroeders op. Ook het hoogaltaar versierde hij met eene zeer fraaie, vergulde tafel, voorzien van de beeltenissen van Maria en Augustinus; evenzoo de kerk met de beeltenissen van den Gekruisigde, de H. Maagd, en de Heiligen, aan welke de verschillende altaren waren gewijd 78 [78.      Chron. Wind. p. 123.]). Voorts liet hij aan de oostelijke zijde van het klooster eene nieuwe slaapzaal bouwen, en maakte die aan den zuidelijken en den westelijken kant daar-

_______________↓_______________


|pag. 77|

mede in hoogte gelijk, zoodat de eerste verdieping der drie gebouwen slechts één doorloopenden dormter 79 [79.      Dormter (van „dormitorium”) is de gebruikelijke naam voor „slaapzaal.”
]
) vormde in de gedaante van een hoefijzer en in cellen verdeeld 80 [80.      Chron. Wind. p. 122, 128 seq, 147.]).
     Maar wij willen trachten, zoo goed mogelijk eene voorstelling van het geheel te geven, gelijk het destijds, d.i. omstreeks 1413, bestond. Men denke zich dan de kerk in de richting van het westen naar het oosten. Aan het westelijk einde staat de toren; in het oostelijk gedeelte ligt het koor. Binnen de kerk, om het koor, loopt een breede gang of koortrans. Buiten de kerk, zuidelijk, bevindt zich eene opene ruimte, met vruchtboomen beplant 81 [81.      Chron. Wind. p. 57, 131.]). Deze ruimte is haaksgewijze omgeven door een zuilengang of kloostertrans, die de gemeenschap vormt tusschen het klooster en de kerk, en tevens tot begraafplaats voor de broederen dient 82 [82.      Men begroef te Windesheim op vijf verschillende plaatsen. Hoogst verdienstelijke priors, zooals Johan Vos en Willem Vornken, werden bijgezet in het koor (Chron. Wind. p. 343, 503). Minder uitstekende vonden eene rustplaats in den trans om het koor (l.l. p. 404). De eigenlijk gezegde kloosterlingen of profesbroeders bestelde men ter aarde in den kloostertrans buiten de kerk (l.l. p. 367, 384, 416, 434, 475, 478, 533, 575); ook aan clerici (zie over hen in Hoofdstuk III) gunde men deze plaats (l.l. p. 589, 600). Aan de westelijke zijde der kerk, d.i. aan den kant van den toren, was het algemeene kerkhof voor degenen, die in het klooster wenschten begraven te worden (l.l. p. 57; zóó bijv. Johan Cele, de vermaarde rector der parochieschool te Zwol, p. 628). Eindelijk nog was er eene rustplaats voor de leekebroeders en conversen (zie over hen eveneens in Hoofdstuk III), óók trans genoemd en, naar het schijnt, gelegen tusschen het hoofdgebouw en de keuken en eetzaal der genoemde broeders (l.l. p. 131, verg. ook p. 129 infra).]). Onmiddellijk aan dezen trans grenzen de drie vleugels van het gebouw. Wij beginnen thans met den oostelijken vleugel, d.i. met dien achter het koor. Het benedengedeelte daarvan bevat eene sacristie en eene kapittelkamer, benevens eene cel voor den prior, en nog twee andere cellen 83 [83.      Chron. Wind. p. 128.]). Het zuidelijk gebouw vinden wij ingenomen door eene algemeene kamer tot verwarming 84 [84.      Calefactorium of „warmhuis”, gelijk men het o.a. genoemd kan vinden in de lijst der goederen van het klooster Bethlehem bij Zwolle, achter de Kronijk van Gerardus Coccius, Dev. 1860, blz. 60.]) en twee eetzalen, ééne voor de reguliere kanun-

_______________↓_______________


|pag. 78|

niken, ééne voor de conversbroeders 85 [85.      De reventer der conversbroeders schijnt achter die der reguliere kanunniken te zijn geweest; althans zij lag naar het zuiden. Zie Chron. Wind. p. 128.]). Onder den grond alhier is een groote, goed verwulfde kelder tot bewaring van spijzen, dranken en andere dergelijke zaken 86 [86.      Chron. Wind. p. 128.]). Eindelijk aan den westelijken vleugel van het gebouw gekomen, zien wij in het benedengedeelte daarvan meerdere cellen voor devote clerici, met het uitzicht naar het westen 87 [87.      Ibidem.]). Boven de drie vleugels te zamen bevond zich, gelijk wij reeds opmerkten, eene verdieping, die, in vijf en twintig cellen naar de letters van het alphabet verdeeld, den profesbroeders tot woon-, werk- en slaapplaats diende 88 [88.      l.l. p. 128 seq.]).
Voorts was er, eveneens door een trans met tusschenliggenden boomgaard van het hoofdgebouw gescheiden, een reventer voor de leekebroeders en een voor de zieken, alsmede, tusschen deze beiden in, eene keuken, waar voor al de eetzalen gekookt, en de gaande en komende man onthaald werd 89 [89.      l.l. p. 129, 131, 146.]). Nog had men een vrij lang en breed bouwmanshuis voor de leekebroeders en hunne noodzakelijke werkzaamheden. In het midden daarvan was de dorschvloer; aan de twee kanten de stallen voor het vee, en bovenop vier zolders, om het koren te bergen 90 [90.      Ibidem.]).
Voorts verhieven zich twee groote poorten, en bij ééne daarvan stond de woning van den portier, die de aankloppenden terstond binnen liet, en dagelijks aan verschillende armen, die daar niet zelden in grooten getale kwamen, zonder iemand af te wijzen, uitdeeling hield van overgeschoten brood, vleesch, visch, boter, kaas en ander eten 91 [91.      l.l. p. 129, 336 seq. Over de liefdadigheid en gastvrijheid van Windesheim, zie beneden in Hoofdstuk IV.]). Het geheele klooster nu was omgeven door een steenen muur. Aan de eene zijde daarvan, waar het water langs vloeide, bevonden zich waschhokken en eenige andere huisjes tot verschillend gebruik. Tusschen het bouwmanshuis en de keuken lag een klein eikenboschje 92 [92.      l.l. p. 129.]).

_______________↓_______________


|pag. 79|

     Ziedaar, hoe het klooster Windesheim onder zijn prior Johan Vos van Heusden werd en was. In 1413 werd al het nieuw aangebrachte door den suffragaan van den Utrechtschen bisschop gewijd 93 [93.      l.l. p. 130 seq. De Bisschop was Frederik van Blankenheim; de suffragaan heette Matthias, Biduanensis episcopus. Van de geldzucht en inhaligheid van dezen laatste verhaalt Busch merkwaardige staaltjes. Hij noemt hem dan ook een simoniacus, en deelt mede, welk kwaad einde de man wegens deze zonde had (p. 131 seq). Zie voorts aangaande hem Thom. a Kempis, Chron. Mont. S. Agnetis, p. 38; v. Heussen en v. Rijn, Batavia sacra, dl. II, blz. 404—410; Moll, Johannes Brugman, dl. II, blz. 122 v.]). De uitstekende man had óók nog plan, het buitengebouw, dat voor de leekebroeders en de gasten diende, wat hooger en ruimer te maken, en bovenal de kerk van den grond op te vernieuwen. Hij had er zelfs de voornaamste materialen, zooals driehonderd vijftig duizend gebakken steenen en driehonderd vijftig ton kalksteen, duizend planken van wagenschot en allerlei balken, posten en andere stukken hout in geen gering getal voor bijeen, maar mocht het geluk niet smaken, ook deze verbeteringen aan te brengen 94 [94.      l.l. p. 129 seq.]).
     Zijn tweede opvolger, Willem Vornken 95 [95.      Zie over hem beneden in Hoofdstuk VI.]), was een geheel ander man. Deze, eerst rijk naar de wereld, daarna zich begevende tot vrijwillige armoede, ging hierin zóó ver, dat hij zich bij voorkeur voedde met onsmakelijke spijzen, en zich steeds kleedde met een gering en versleten gewaad. Deze zelfde overdrijving paste hij op het klooster toe. Hij liet geene nieuwe, flinke gebouwen zetten, maar eenige kleine huisjes, en dat nog maar alleen, als de nood hem drong. De oude, nederige hutten der vaderen trachtte hij zooveel mogelijk in aanwezen te houden. Hij overdreef de zaak zóózeer, dat hij, om de vroegere bouwplannen te verijdelen, de reeds aanwezige bouwstoffen van lieverlede en bij gedeelten verwijderde. De duizend planken verkocht hij, en eenige duizenden steenen leende hij aan verschillende kloosters, om er nieuwe kerken en woningen van te maken 96 [96.      Chron. Wind. p. 145 seq.]).
     De broeders zagen het met leedwezen aan. Dikwijls spraken zij er met elkander over; meermalen ook met den prior zelven.
Zij verzochten hem nederig maar dringend, dat hij ten minste

_______________↓_______________


|pag. 80|

een weinig van zijne strenge opvatting zou laten vallen, en, indien al niet eene nieuwe kerk, dan ten minste de lage met riet gedekte woningen aan de westzijde des kloosters, waar de gasten geherbergd, en die aan de zuidzijde, waar zij gespijzigd werden, uit de nog aanwezige bouwstoffen zou laten optrekken. Eindelijk gaf hij toe, maar ging, ten einde er zelf geen last van te hebben, gedurende den bouw eenige ver verwijderde kloosters der vereeniging bezoeken, en liet inmiddels het bestuur der zaak aan zijn supprior en zijn procurator over 97 [97.      l.l. p. 146.]). Dezen voldeden aan den hun opgedragen last, en in den zomer van 1435 werden de oude huizen tot den grond toe geslecht, en nieuwe opgebouwd, die in het volgende jaar tot voltooiing kwamen 98 [98.      l.l. p. 147.]).
     Wat de kerk betreft, — ook ten opzichte van deze moest de prior wel toegeven. Het aantal kloosterbewoners en gasten was dagelijks, en vooral bij de jaarlijksche vergadering van het generaal-kapittel, zóó groot, dat zij al te klein werd. Zoo liet hij dan in 1442 of ’43 aan de zuidzijde een geheel nieuw gedeelte aanzetten. Dit gedeelte had den vorm van een halfrond. Het was breed en hoog, met een steenen dak en vele glazen vensters. Er stond een altaar in, dat door den suffragaan van den Bisschop 99 [99.      Hij heette Joannes, Korkagensis episcopus. Chron. Wind. p. 147. Zie over hem Thom. a. Kempis, Chron. Mont. S. Agnetis, p. 95 seq; v. Heussen en v. Rijn, Batavia sacra, tom. II, p. 525 v.]), die al het nieuw aangebouwde op den 26sten Juni 1443 kwam wijden, aan de Maagd Maria, Sint-Michaël en al de Engelen werd toegeheiligd. Bij dezelfde gelegenheid beklom de suffragaan ook den toren, wijdde de daarin hangende klok, gaf haar den naam » Maria,” en schonk veertig dagen aflaat aan allen, die bij haar gelui driemaal met gebogen knieën » Ave Maria” zouden bidden 100 [100.      l.l. p. 147 seq. Over de geschiedenis der klokken, hare wijding, haar gebruik, enz. zie men vooral de degelijke monographie van Otte, Glockenkunde, Leipz. 1858; wat ons vaderland betreft, Jeromimo de Vries, Onze klokken (in het Kerkhistorisch jaarboekje, jaarg. II, Schoonh. 1865, blz. 137-164).]).
     Ook aan reliquieën ontbrak het Windesheim niet. Men had er meer dan veertig hoofden van martelaren met vele beenderen, alsmede verschillende andere overblijfsels en beeltenissen van hei-

_______________↓_______________


|pag. 81|

ligen, die zoowel door de latere als door de vroegere bewoners devotelijk werden vereerd 101 [101.      Verg. over hetzelfde verschijnsel bij de broeders van het gemeenschappelijke leven te Deventer, Dumbar, Analecta, tom. I, p. 35, 66, 80.]). Want men hield zich geloovig overtuigd, dat men wegens de verdiensten en de voorspraak der heiligen, wier gebeente men bezat, en der patronen, aan welke het klooster, de kerk en de altaren waren toegewijd, door God van allerlei zichtbare vijanden verlost, en met tijdelijke en geestelijke goederen gezegend worden zou 102 [102.      Chron. Wind. p. 148 seq.]).
     Het geschrevene moge voldoende zijn, om eene voorstelling te geven van het uitwendig voorkomen des kloosters, gelijk het zich in 1443 vertoonde en in 1464 nog bestond. Kort na dit laatste jaar, namelijk in 1467, begon men eindelijk ook de kerk te vernieuwen, en in 1485 maakte men een aanvang met haar te verwulven 103 [103.      Overysselsche chronycke (in Dumbar, Analecta, tom II), p. 445 en 447.]). Wij voegen er nog bij, wat later meer uitvoerig ter sprake zal komen, dat reeds vele jaren vroeger, onder het prioraat van den genoemden Willem Vornken, ten gevolge van den bekenden strijd tnsschen de drie Overijselsche hoofdsteden en den Paus over de keuze van een bisschop, waarin de Windesheimsche broeders met vele anderen de zijde van den Paus hielden en daarom door de hoofdsteden werden verbannen, het klooster van 1429 tot ’32 heeft ledig gestaan, zijnde de prior met de zijnen naar het klooster Frendeswege bij Nordhorn in het graafschap Bentheim vertrokken, waar zij met liefde geherbergd werden, terwijl zij een nieuw convent bij Bredevoort oprichtten 104 [104.      Chron. Wind. p. 141-144, 566 seq.]). Toen echter de volgende paus toegegeven, en den bisschop, dien de steden begeerden, bevestigd had, keerden zij naar Windesheim terug.
     Intusschen waren de bezittingen des kloosters niet weinig toegenomen door de giften en legaten, die welgestelde vromen, zoo vrouwen als mannen 105 [105.      Chron. Wind. p. 43-45, 48 seq, 126 seq.]), ja ook rijke geestelijke en vorstelijke personen hadden geschonken 106 [106.      l.l. p. 125 seq, 126. De op laatstgenoemde plaats bedoelde vorst was Willem VI, graaf van Holland. Zijne gift aan het Overijselsch klooster zal wel een gevolg zijn geweest van zijne betrekking tot Hendrik Mande, weleer schrijver aan zijn hof en thans bewoner van Windesheim. Zie Chron. Wind. p. 452, en beneden in Hoofdstuk V.]), alsmede door het geld en

_______________↓_______________


|pag. 82|

goed, dat menige rijke bewoner, hetzij donaat of profesbroeder, had aangebracht 107 [107.      Chron. Wind. p. 28, 43, 45, 46, 74, 112, 125, 417, 427, 440, 477, 591. Opmerking verdient de wijze, waarop de schenking aan het klooster in den beginne plaats had. De zoo aanstonds te noemen Goswin Tyasen (of Gossen Tays, gelijk hij in de Kronijk van Arent toe Boecop, blz. 416, heet), wettig afstand van zijn vaderlijk erfdeel doende ten behoeve van Windesheim, deed dit in tegenwoordigheid van een notaris en getuigen, „cum stramine de terra suscepto et priori tributo” (Chron. Wind. p. 74). Verg. aangaande het zinnebeeldig gebruik van den halm het bekende verhaal van Margaretha van Kleef, weduwe van graaf Albrecht van Beieren in 1404 (Wagenaar, Vaderlandsche historie, dl. III, blz. 355), en zie ook Nijhoff, Bijdragen, dl. IX (1854), blz. 162. — Een staaltje der woede van familieleden wegens het schenken van geld en goed aan het klooster, zie Chron. Wind. p. 591.
]
). Bij gebrek van eene lijst dier bezittingen is het ons onmogelijk, ze nauwkeurig te bepalen. Toch blijkt het, dat zij reeds vóór 1421 zóó uitgebreid moeten geweest zijn, dat niet slechts in de behoeften der kloosterlingen kon worden voorzien, maar dat de meer eenvoudigen tegen vermeerdering meenden te moeten waarschuwen. In het genoemde jaar namelijk 108 [108.      Hij werd volgens de naamlijst der broeders (afgedrukt in Bijlage V) ingekleed in 1393, en verkeerde omstreeks acht en twintig jaren in de Orde (Chron. Wind. p. 444). Hij moet dus in 1420 of ’21 gestorven zijn. Zie voorts over hem l.l. p. 74, 84, 420, 440-444; Vornken, Epistola de prima institutione etc. cap. XV; Thom. a Kempis, Chron. Mont. S. Agnetis, p. 7.]) stierf te Windesheim Goswin Tyasen, uit een rijk en aanzienlijk Zwolsch geslacht gesproten en eenigen tijd procurator des kloosters. Deze, een warm voorstander van » de heilige armoede,” ried den broederen af, naar vermeerdering van erven, akkers en inkomsten te staan 109 [109.      Wat er te zijnen tijde, behalve geld, zoo al aan het klooster werd geschonken, blijkt o.a. uit het Chron. Wind. p. 74: „Plura etiam alia bona in Herdenberghe cum agris, hortis, pascuis, aquis, viminibus, viis et aliis prouentibus, suis temporibus monasterio nostro sunt donata.”]), en vermaande hen, zich veeleer te beijveren, de wereld en al wat in haar is te verachten 110 [110.      Chron. Wind. p. 442.]). Ongetwijfeld waren zijne eigene levensbehoeften zeer gering, zoodat men uit zijnen wensch niet al te veel aangaande den rijkdom des kloosters mag afleiden; doch zóóveel toch blijkt er uit, dat het reeds in die dagen minstens genoeg had, om, ook zonder ver­

_______________↓_______________


|pag. 83|

meerdering van bezit, met al zijne bewoners te kunnen blijven bestaan. Ongeveer honderd jaren daarna, in 1510, toen de drie Overijselsche steden, Zwolle, Deventer en Kampen, eene groote som bijeen zouden brengen en daartoe bij de kloosters geld moesten opnemen, leende Windesheim alleen haar twee duizend goudguldens 111 [111.      v. Hattum, Geschiedenissen der stad Zwolle, Zwolle, 1767, dl. II, blz. 90.]), een bedrag, dat naar de geldswaarde van die dagen heel wat overigen rijkdom doet vermoeden.
     En zoo zijn wij van zelve genaderd tot de geschiedenis van het kloostergebouw in de zestiende eeuw. Hier vinden wij het niet slechts, evenals andere kloosters, bij herhaling gebruikt tot het houden van staatkundige vergaderingen 112 [112.      Zoo bijv. in 1509, 1511, 1525, 1534, 1535, 1544, 1558, 1566, 1574, 1577, 1579. Zie v. Hattum, a.w. dl. II, blz. 99, 309, 368; III, blz. 25, 30; [Molhuysen], Register van charters en bescheiden in het oude archief van Kampen, Kampen, 1863, dl. III, blz. 46, 96, 202, 229, 245; v. Asch v. Wijck, Archief voor kerkel. en wereldl. geschiedenis van Nederland, Utr. 1850, dl. I, blz. 306; III, blz. 165.]), maar wat meer beteekent, door onlusten en oorlogen lijdende.
     Het was met name in de Geldersche oorlogen, dat Windesheim op verontrustende wijze betrokken werd. De » zwarte hoop,” beruchter gedachtenis 113 [113.      Zie over den „zwarten hoop” of de „legio nigra” bovenal Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Arnh. 1830, dl. VI, st. ii, blz. IX—LXI passim, en de aldaar aangehaalde bronnen, waarbij thans gevoegd kan worden Worp van Thabor, Kroniek van Friesland, boek V (Leeuw. 1871), blz. 142-144, 146, 148, 154, 161, 162.]), bezocht in 1517 Salland en hield zich bij die gelegenheid een nacht in het klooster op 114 [114.      v. Hattum, a.w. dl. II, blz. 111 v. Verg. Overysselsche chronycke op. 1515 (Dumbar. Analecta, tom. II, p. 465).]). Veel erger nog werd het tien jaren later, toen hertog Karel van Egmond, ten einde Zwolle, dat hij reeds van de oost- en de noordzijde had ingesloten, ook van de zuidzijde allen toegang te ontnemen, de kerk van Windesheim versterkte. In December 1527 sloegen die van Kampen, bijgestaan door eenigen van Deventer en Zwolle, het beleg er voor, kregen ook nog verderen toevoer van hulp, maar trokken toch op een valsch gerucht af 115 [115.      v. Hattum, a.w. dl. II, blz. 330.]).
     Vele jaren gingen voorbij. De nieuwe richting op kerkelijk gebied, die na lange voorbereiding in Duitschland ontstaan was,

_______________↓_______________


|pag. 84|

had zich weldra ook in Nederland verspreid. Omstreeks 1566 had zij aldaar den strengen vorm van het calvinisme aangenomen, had zich krachtdadig, soms zelfs gewelddadig verheven, had tijdelijk voor Alva moeten onderdoen, maar was in 1572 opnieuw doorgebroken en vooral in Holland en Zeeland inheemsch.
Prins Willem met zijne meer milde en voor dien tijd uiterst verdraagzame godsdienstige gevoelens was niet bij machte, in de twee genoemde gewesten den stroom te keeren. In de andere provinciën, waar hij vooral door zijn zwager, graaf Willem van den Berg, veroveringen trachtte te maken, hoopte hij en hij heeft er ook later altijd zijn best toe gedaan — gelijke rechten voor roomschen en onroomschen te bedingen. Doch het lag niet in de harten der toenmalige menigte. Vandaar eensdeels, dat men zich niet altijd hield aan de verdraagzame beloften, die men te goeder trouw had gedaan, en ten andere dat, ondanks al de pogingen tot het invoeren van den zoogenaamden religievrede, waarbij de rechten der beide partijen waren gewaarborgd, en ondanks het voortreffelijk artikel 13 der unie van Utrecht, het Nederlandsche volk tijdens de Republiek een protestantsch volk is geweest. De gereformeerde strooming was, niettegenstaande de meest welgemeende pogingen, nu eenmaal niet te keeren, en de Staten en steden moesten al blijde zijn, wanneer de menigte zich liet tevreden stellen met scherpe plakkaten tegen de roomschen, zonder dat deze ooit zoo scherp ten uitvoer werden gebracht 116 [116.      Verg. Fruin, Tien jaren uit den tachtigjarig en oorlog, 1861, blz. 286-295.]).
     Wij hebben deze schijnbaar noodelooze uitweiding gemaakt, om verklaring te geven van het feit, dat de regeering van Zwol zich den 11den Augustus 1572 bij onderteekend verdrag met den graaf van den Berg verbond, alle priesters, kloosters en geestelijke personen ongemoeid te zullen laten 117 [117.      Het verdrag is afgedrukt bij v. Hattum, a.w. dl. III, blz. 120-123.
Reeds in 1566, bij de algemeene vrees voor beeldstormerij en plundering van kerken en kloosters, hadden de drie Overijselsche steden op zich genomen, de naburige conventen, waaronder ook Windesheim, ingeval van nood door ruiters te zullen doen beschermen. Zie v. Hattum, a.w. dl. III, blz. 31.]
), en dat zij desniettemin onder opzicht van één der burgemeesters in de kerk van het klooster Windesheim alle altaren liet breken. De burgemeester deed

_______________↓_______________


|pag. 85|

ze naar zijn huis brengen. Toen de stad drie maanden later weer aan de Spanjaarden kwam, haalde men ze vandaar terug 118 [118.      Zie v. Hattum, a.w dl. III, blz. 126.]).
     Toch waren de goede dagen van weleer voor altijd vervlogen.
Het moge al aan ernstigen twijfel onderhevig zijn, wat van overigens zeer vertrouwbare zijde wordt bericht, dat de Staten van Overijsel in 1577 al de goederen van Windesheim in bezit hebben genomen 119 [119.      v. Hattum, a.w. dl. III, blz. 169, naar het schijnt op gezag van Arent toe Boeop, van wiens Croenick thans nog slechts het eerste deel, 690-1495 bekend is (zie Kronyk van Arent toe Boeop Utr. 1860, Inleiding, blz. VIII v)
Het eenige, wat wij weten, is, dat de prior superior van Windesheim, uit naam van zijn kapittel, in December 1577 aan de Staten van Overijsel heeft verzocht, dat het klooster op den St. Agnietenberg [welks goederen bij de oprichting der nieuwe bisdommen aan den bisschop van Deventer waren toegewezen; vandaar de woorden „pour estre restituez en leur entier”] gerestaureerd, de priesters in hunne bezittingen gerestitueerd, en hij middelerwijl in de administratie der inkomsten van genoemd klooster gesteld mocht worden. Van Windesheim is geen sprake, en dit schijnt juist te bewijzen, dat daar alles nog onaangeroerd was. De Algemeene Staten, in wier vergadering van 4 Januari 1578 de zaak door de afgevaardigden van Overijsel gebracht en aangedrongen werd, stonden het verzoek, zooveel de administratie betreft, bij provisie en onder voorwaarde van rekening en verantwoording toe. Zie Bondam, Verzameling van onuitgegeevene stukken, Utr. 1779, dl. IV, blz. 194 v, 232 v.]
), zeker is het, dat zij, ten einde het noodige geld voor het beleg van Deventer te vinden, eenige gemachtigden benoemden, om het van de kloosters te leenen, en dat Windesheim hiertoe, bij lastbrief van 18 Augustus 1578, vierhonderd goudguldens opbrengen moest 120 [120.      v. Hattum, a.w. dl. III, blz. 167 v. Verg. over de geldmiddelen van Windesheim in 1510, a.w. dl. II. blz. 90.]). Wijl de aldus verkregen penningen der gezamenlijke conventen niet toereikend werden bevonden, besloten de Staten den 24sten Augustus tot eene algemeene schatting 121 [121.      Het woord „uitzetting,” dat niet anders dan „schatting” beteekent, is door Delprat (Broederschap van G. Groote, blz. 233) als klooster-ontruiming opgevat. Zijne voorstelling aangaande de laatste lotgevallen van Windesheim is hierdoor onjuist.]), waarvan geenerlei inkomsten, bezittingen of goederen, dan alleen de havezaten der landdags-edelen, en de landerijen, binnen de vrijheid der drie hoofdsteden gelegen, zouden worden uitgezonderd 122 [122.      v. Hattum, a.w. dl. III, blz. 169 v.]). Ook hierin moet dus Windesheim

_______________↓_______________


|pag. 86|

hebben gedeeld. Evenzoo zal het wel zijn offer hebben gebracht aan het algemeene hoofdgeld, dat de Staten van Overijsel, om het beleg van Deventer te kunnen rekken, den 24sten October daaraanvolgende uitschreven 123 [123.      v. Hattum, a.w. dl. III, blz. 171 v.]). Dit alles nochtans betrof slechts grootere of kleinere sommen gelds, maar weldra namen de omstandigheden eene meer dreigende houding aan. Den 15den Juni 1580 brak er te Zwolle een hevig oproer uit. De roomsche burgers aldaar stelden zich tegen de gereformeerde in het geweer; men werd handgemeen, vuurde met grof geschut op elkander, en verijdelde de pogingen, die tot herstel der eendracht werden aangewend. De gereformeerden, uit Kampen en Deventer hulp ontvangen hebbende, behielden de overhand, plunderden de huizen der roomschgezinden, en vernielden de beelden, altaren en sieraden der St. Michiels- of Groote kerk 124 [124.      Alles ontleend aan v. Hattum, a.w. dl. III, blz. 197-200.]). Op deze weinig prijzenswaardige wijze zegevierde te Zwolle, gelijk in zoovele andere plaatsen, de » nieuwe godsdienst,” en de eerste zorg der vroedschap was, voor het onderhoud van predikanten de noodige schikkingen te maken. Zij besloot, hiertoe de goederen van zeker klooster en van eenige vicarieën aan te wenden. Ook die van een ander convent nam zij ten behoeve der stad in bezit, ofschoon tegen uitkeering van een goeden onderstand aan de kloosterlingen. Op gelijke wijze werd in het volgende jaar 1581 met al de andere kloostergoederen gehandeld. De bestaande religieusen onderhield men, doch verbood hun, nieuwe aan te nemen of rentbrieven te vervreemden 125 [125.      Alles ontleend aan v. Hattum, a.w. dl. III, blz. 209.]). Dit, wat Zwolle betreft. Inmiddels hadden de Staten van Overijsel in hetzelfde jaar 1581 besloten, eenige kloosters, die »in deze tijden tot schuilplaatsen en sterkten voor den vijand dienden en der steden zeer nadeelig waren”, te doen afbreken 126 [126.      [G. Dumbar Junr], Tegenwoordige staat van Overijssel, Amst. 1781, dl. II, blz. 77.]). De naam Windesheim wordt op de lijst dezer kloosters niet uitdrukkelijk genoemd, en men heeft daarin versterking gezocht voor de gissing, dat het weleer zoo beroemd convent vóór 1581, of zelfs reeds vóór 1580, met uitzondering van enkele gedeelten, gesloopt zal wezen 127 [127.      Tegenwoordige staat enz. dl. II, blz. 101.]). Wat ons betreft,

_______________↓_______________


|pag. 87|

wij doelen in deze gissing niet, omdat wij uit het ontbreken van den naam in dit bepaald redeverband niet al te veel durven besluiten, en wijl het niet zeker blijkt, dat ook het herhaald verzoek van den Raad der stad aan den aartshertog Matthias, om zich de bezittingen en inkomsten van Windesheim ten nutte te mogen maken 128 [128.      v. Hattum, a.w. dl. III, blz. 210.]), onder bijvoeging dat de monniken toch verloopen waren 129 [129.      Tegenwoordige staat enz. dl. II, blz. 100.]), en met aanbieding om de kloostergoederen ten behoeve van arme studenten en het aanleggen van stads-vestingwerken te gebruiken 130 [130.      v. Hattum, a.w. dl. III, blz. 210. Met de „arme studenten” zullen wel bedoeld zijn onvermogende jongelingen, die men wilde doen opleiden ter vervulling van predikantsplaatsen in het eigen gewest. Het aanleggen van stadsvestingwerken was eveneens eene zeer gebruikelijke bestemming van de kloostergoederen en de kloosterafbraak in die dagen.]), het gewenscht gevolg hebben gehad.
Daarenboven schijnt de vroedschaps-resolutie van 24 Januari 1580, waarbij aan de kloosterlingen van Windesheim, om welke reden dan ook, verboden werd binnen Zwol te overnachten 131 [131.      v. Hattum, a.w. dl. III, blz. 188.]), recht te geven tot de onderstelling, dat hun kloostergebouw althans destijds nog moet hebben bestaan. Intusschen kan hun aantal niet meer groot zijn geweest. Voor zooverre zij aan hunne gelofte getrouw zijn gebleven, hebben zij zeker in een of ander convent der vereeniging een goed heenkomen gezocht. In eene Zwolsche vroedschaps-resolutie van 4 Augustus 1580 werden zij, gelijk gezegd is, beschouwd als reeds verloopen 132 [132.      Tegenwoordige staat enz. dl. II, blz. 100.]).
     Uit oorspronkelijke bescheiden, die wij later ter sprake zullen brengen 133 [133.      Zie beneden, in Hoofdstuk VI.]), blijkt, dat de generaal der Windesheimsche congregatie zich nog jaren daarna » prior van Windesheim” noemde, wat wel niet meer dan een titel bij herinnering van het verleden en in hoop op de toekomst zal zijn geweest. De kloosterrekeningen van 1585 tot ’99, berustende op het Provinciaal archief van Overijsel, zijn opgemaakt door Theodoricus Weysse, » kloosterdienaar” 134 [134.      Misschien is hij wel dezelfde als „Frater Teodericus Wijck,” die blijkens de naamlijst der koor broeders te Windesheim, afgedrukt in Bijlage V, aldaar in 1541 was ingekleed.]). Is hierin wellicht eene aanwijzing, dat Windesheim

_______________↓_______________


|pag. 88|

met zijne goederen in 1584 door de Staten van Overijsel genaast, maar onder administratie van een der voormalige kloosterlingen gelaten is? Hoe dit zij, bij resolutie van 17 Juli 1599 werd door de Ridderschap en de Steden van het gewest de eerste Staatsche ambtman of rentmeester over de genoemde goederen aangesteld 135 [135.      Zie Tegenwoordige staat enz. dl. II, blz. 101. Men vindt over het laat tot stand komen der Hervorming in Overijsel een lezenswaardig opstel van Molhuysen in den Overijsselschen Almanak voor 1841. blz. 112-124.]).
Hij heette Gerrit Haene. Zijne rekeningen (1600-1608) ontbreken, doch die van zijne opvolgers loopen van 1609 tot 1805 geregeld voort136 [136.      Volgens vriendelijke mededeelingen van Dr. W.J.A. Huberts, stedelijk archivaris te Zwolle.]).
     Naar alle waarschijnlijkheid is de tegenwoordige kerk der Hervormde gemeente te Windesheim het ziekenhuis van het voormalig klooster 137 [137.      Lindeborn, Historia episcopatus Daventriensis, p. 315.]). Voorts zijn er nog enkele andere gebouwen aanwezig, die tot het gesticht behoord hebben, bijv. een gedeelte der pastorie 138 [138.      v.d. Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, dl. XII (1849), blz. 490.]). Tot vóór eenige jaren lag er in het dorp voor de woning van zekeren landbouwer een stoepsteen, die weleer in de kerk des kloosters het graf van den hoogst merkwaardigen Dirk van Herxen 139 [139.      Meer dan menig ander verdient Dirk van Herxen monographisch te worden behandeld. Wie zich tot deze taak aangordt, make vooral gebruik van de Narratio de inchoatione status nostri door Jacobus Traiecti alias Voecht (Kon. bibl. te ’s Gravenhage, H. S. n°. 346), fol. 11r-20v, 27v—32r, vergeleken met H. S. n°. 8849-8859 der Bourg. bibl. te Brussel, fol. 104v-116r, 121r-122v, 232r-233v. Een zeer kort verslag van eerstgenoemd handschrift vindt men in den Overysselsche almanak voor 1845, blz. 92—98; een meer uitvoerig gaf Delprat in het Archief van Kist en Royaards, dl. VI (1835), blz. 278-302.
Over de schriften en liederen van Dirk van Herxen raadplege men met Moll, Kerkgesch. v. Ned. vóór de Herv. dl. II, st. ii, blz 369 v, 412, 419, en de aldaar aangehaalde schrijvers. Eensdeels om het aldaar geleverde naar vermogen te vermeerderen, anderdeels om eene opene ruimte op de twee volgende bladzijden te vullen, voeg ik er het volgende aan toe. Valerius Andreae in zijne Bibliotheca Belgica, Lov. 1643. p. 823 (nageschreven door Foppens, Bibl. Belg. Brux. 1739, tom. II p. 1116) noemt een werkje van Dirk v. Herxen, getiteld Septimana Christiana, waarvan hij eene Fransche vertaling heeft gezien, uitgegeven te Douai, 1592. Ziehier de aanleiding tot dit werkje: „Circa ultima ergo vite sue tempora optauit corde, et ore expressit, absolui a regimine, ut deo et sibi melius vacaret, gustando quam suauis est dominus, et celestibus inhereret …
Verum quia intellexit, quod fratres nostri nullo modo admitterent suam cessionem, seipsum in camera sua deuotissime exercuit, et quamuis semper, tamen iam circa finem vite sue deuotius et peculiarius se in passione domini exercuit.
Nam et tunc composuit illum tractatum de duplici modo se exercitandi, in ea ponens ibi septem puncta secundum septem dies septimane et vnumquidque cum quatuor articulis, sicut ipse signauit in manu depicta, quam inuenimus post mortem eins” (Jacobus Traiecti, l.l. fol. 29v, 30r). Deze Quaedam devota exercitia domini Theodorici Herxen, quae sunt inventa post mortem ejus, bevonden zich ten jare 1829 in een H. S., afkomstig uit Heer-Florenshuis te Deventer en destijds in bezit van den Leidschen hoogleeraar H.W. Tydeman (zie J. Clarisse, in Kist en Royaards, Archief, dl. I, 1829, blz. 397, 394). – Dezelfde Valerius Andreae noemt in navolging van Trithemius, De scriptoribus ecclesiasticis (in ’s mans Opera historica, ed. Freher, Francof. 1601, pars I, p. 374) een ander werkje van v. Herxen, ten titel voerende De moriendi desiderio. Hierover vervolgt Jacobus Traiecti aldus: „Tunc quoque composuit orationem valde deuotam pro eo, qui iam desiderat oportune mori” (l.l. fol. 30r). — Campbell, in zijne Annales de la typographie Néerlandaise au XVe siècle, La Haye, 1874, n°. 1652, p. 470 suiv, vermeldt van v. Herxen: Exercitium dominice passionis secundum articulos distinctum [Deventer, Rich. Paffroet] 1492. — Eindelijk nog dit. In het fraterhuis te Zwolle waren weleer al de werken van den vereerden tweeden rector, afgeschreven door den vierden, Hendrik van Herxen, in één band aanwezig, gelijk blijkt uit het volgende: „Quam continuus et diligens fuit in opere patet eciam ex libellis et tractatulis quos composuit et scripsit, et ex collacionibus quas de diuersis materijs collegit et apte in teutonicali lingua transtulit. Quos tractatus apud nos habemus, et multa alia deuota scripta et exercicia nobis dereliquit. Qui libri et tractatuli congruum esset ut hic recitarentur, nisi nimis longum forel. Porro apud nos habentur scripti in vno volumine, faciliter ibi inueniendi” (Jacobus Traiecti, l.l. fol. 14r). „Nam inter alia cum magno labore [Henricus de Herxen, rector noster quartus] scripsit…. Item opuscula domini theoderici de herxen, patris nostri, in vno volumine” (Jacobus Traiecti, l.l. fol. 54v).]
), tweeden rector van het fraterhuis te Zwolle,

_______________↓_______________


|pag. 89|

had gedekt 140 [140.      Moll, Johannes Brugman, dl. I, blz. 90. Ook aangaande dezen steen levert Jacobus Traiecti (l.l. fol. 31v) eene gewenschte aanwijzing. Hij schrijft namelijk over den dood van Dirk van Herxen het volgende: „Transijt autem anno domini M° cccc° lvij°, etatis autem sue anno arbitror lxxvi°, in regimine domus nostre xlvij°. Reliquit domum nostram bene compositam et fratribus, senibus et iuuenibus bene exercitatis et probatis, et deuotis viris ornatam. Qui patrem karissimum sepelierunt in windesim in sepulchro predecessoris sui, domini gerard calker. Vbi in medio ecclesie sub vno lapide corpora eorum in pace sepulta sunt, et viuent nomina eorum in eternum.” Het randschrift van den grafsteen, door Moll t.a.p. gedeeltelijk opgegeven, moet dus indertijd ongeveer aldus zijn geweest: [HIC] IACENT VENERABILES ET DEVOTI VIRI THEODORUS (?) DE HERKEN ET DOMINUS [GERARDUS SCADDE DE CALKER].]). Deze steen, ofschoon slechts een fragment, is

_______________↓_______________


|pag. 90|

later, evenals nog een ander gedeelte eener oude grafzerk, dat zich door daarop uitgebeitelde wapenschilden en andere sieraden onderscheidde, in den muur der catechisatiekamer gemetseld 141 [141.      Een en ander geschiedde door de bemoeiingen van de Commissie der Koninklijke Akademie van wetenschappen voor de overblijfselen der oude vaderlandsche kunst, en met medewerking van HH. Kerkvoogden der Hervormde gemeente.]).
Meerdere voorwerpen van dezelfde soort, hier en daar verspreid, waren te zeer afgesleten, of ook te verbrokkeld, om eene gelijke zorg te worden waardig geacht 142 [142.      Volgens welwillend verstrekte inlichtingen van den Heer H.W. Stork, emeritus-predikant van Windesheim.]).
     En dit is het dan, wat er overbleef van een gesticht, dat bijna twee eeuwen aan het hoofd stond van eene der meest beroemde en invloedrijke kloostervereenigingen, een gesticht, waar jaar aan jaar afgevaardigden uit meer dan negentig conventen van Noord-Nederland, Zuid-Nederland en Duitschland plachten saam te komen, om over de belangen van hun kapittel te beraadslagen! Zoo gaat de heerlijkheid dezer wereld voorbij. Maar wat niet kan vergaan zijn, is het goede, dat in meer dan één opzicht door dit gesticht werd verspreid. Al laat het zich niet meer met den vinger aanwijzen, het is toch zeker niet verdwenen; en al is de menschheid van thans verder dan die van toen, de menschheid van thans vergete nooit, dat zij niet zou zijn wat zij is, als de menschheid van toen er niet ware geweest.

Category(s): Windesheim
Tags:

Comments are closed.