HOOFDSTUK II.
HET KLOOSTERGEBOUW TE WINDESHEIM.
O Windesem, vinea Dei sempiterna, attende
quomodo propter saeculi persecutionem in devotos
tende, quomodo nunc a filiis benedicta sis et
dilatata; attende, quomodo mater sis honorificata,
ante caeteras dilecta et exaltata.
Joannes Busch, Chronicon Windese
mense Antv. 1621, p. 39.
[blanco]
Gerrit de Groote rustte in het graf 1), en allen, die zich weleer om hem hadden geschaard, vereenigden zich thans om den uitnemenden man, dien hij zelf met stervende lippen als zijn plaatsvervanger had aangewezen 2). Florens Radewijns was bij den dood zijns meesters niet veel meer dan vier en dertig jaar oud 3), maar nooit had de Elia-mantel op een beteren Elisa kunnen vallen. Ofschoon weer een geheel ander persoon dan De Groote, vereenigde hij in zich al de gaven van verstand en hart, die voor de thans op hem rustende taak noodig waren. Hij had wijsheid en tact, vroomheid en ernst, vriendelijkheid en waar-
digheid, menschenkennis en doorzicht, kracht en beleid, geloof en moed 4). Zijn gansch voorkomen gaf den indruk van mannelijke braafheid; zijne geheele verschijning boezemde vertrouwen in. Een woord van hem had opbeurende kracht; bij het volgen van zijnen raad bevond ieder zich goed 5), en als hij sprak, dan was het, alsof de Heilige Geest sprak door middel van hem 6).
En hij stond niet alleen, maar had het geluk, reeds aanstonds omringd te zijn van mannen, die zich met hem in dezelfde richting bewogen, en met hem arbeidden in éénen geest. Van de velen noemen wij slechts enkelen; later zullen wij er meerderen leeren kennen. Dagelijks ging hij om met den eenigszins zonderlingen, maar geestrijken Johan Brinckerinck 7), den braven en regtschapenen Hendrik Klingebijl 8), den rijken en beschaafden Hendrik van Wilsem 9), den niet minder gegoeden en
vrijgevigen Berthold ten Hove 10), den vromen en vrijzinnigen Gerard van Zutphen 11), en vele anderen, die indertijd door De Groote waren bekeerd en hem vereerden met geheel hun hart 12).
Het was met deze mannen, dat Florens Radewijns dikwijls samensprekingen hield over de beste wijze, om het goede werk, dat door God was begonnen, tot zijne eer en tot heil van velen voort te zetten. En als zij dan daarover beraadslaagden, dacht het hun altijd het best, een klooster van eene of andere kerkelijk goedgekeurde orde, liefst van die der reguliere kanunniken te bouwen, onder welks schaduw alle vromen bescherming, en binnen welks muren zij eene veilige schuilplaats zouden kunnen vinden 13). Zij gedachten daarbij tevens, dat hun vereeuwigde meester ditzelfde plan had gehad 14).
Na lang en rijp beraad werd met aller goedvinden besloten, zulk een klooster zoo spoedig mogelijk te doen verrijzen 15), en wij zien dan ook in het tweede jaar na De Groote’s dood, d.i. in 1386, Johan Brinckerinck met eenige anderen het land doorgaan, ten einde er eene geschikte plaats voor te zoeken. Inderdaad vonden zij er eene op de Veluwe bij Hattem. De toestemming, om aldaar te mogen bouwen, werd van Willem van Gulik, hertog van Gelre, gevraagd en verkregen. Doch toen heer Florens in eigen persoon met zes der zijnen tot den bisschop van Utrecht ging, zonder wiens goedvinden volgens kerkelijk recht geen klooster binnen zijne diocese mocht opgericht worden, kreeg hij, juist op grond van ’s Bisschops belangstelling in de zaak, een weigerend antwoord. Niet op het gebied van eenig wereldlijk heer, maar op zijn eigen terrein in Salland 16) wilde hij het klooster zien verrijzen. Volledige toestemming gaf hij, mits men dáár bouwde. Hij beloofde hun zelfs, dat hij alsdan de zaak op alle mogelijke wijzen bevorderen, hun „patroon en geestelijke vader” wezen, hun klooster en kloostergoederen tot geestelijk
goed maken, hen voor altijd van alle lasten en schattingen vrijstellen, hen alleen voor het bisschoppelijk hof van Utrecht in rechten betrekken, hen door zijne ambtlieden tegen alle geweld en overlast beschermen zou, enz. En hij liet dit alles niet bij vluchtige woorden en mondelinge beloften, maar beschreef het in een giftbrief met uithangend zegel, gedagteekend 30 Juli 1386 17).
Tot de zes mannen nu, die Florens Radewijns met zich naar Utrecht had genomen, behoorde ook de reeds genoemde Berthold ten Hove. Deze, weleer door Gerrit de Groote bekeerd, had bij vaderlijk erfdeel een aanzienlijk grondbezit ontvangen, gelegen onder het gebied van den Bisschop, in het door dezen aangewezen Salland. Dit grondbezit 18), bestaande uit een groot aantal akkers met hun toebehooren, vertegenwoordigde eene waarde van meer dan drie duizend Rijnsche guldens 19), doch de jeugdige eigenaar stond het voor altijd aan de broederen af, om er het nieuwe klooster voor reguliere kanunniken op te bouwen. Ook een ander rijk man uit denzelfden Deventerschen kring, de vroeger genoemde Hendrik van Wilsem, weleer schepen van Kampen en thans een vurig bevorderaar der aangevangen zaak, gaf vijftien bunders land ten beste, en er werd besloten en bepaald, dat het klooster zou verrijzen in het dorp Windesheim, behoorende tot de parochie van Zwolle, onder de diocese van Utrecht, op het vroeger grondbezit van Berthold ten Hove 20).
Alzoo voorzien van alles, wat voorloopig noodig was, koos men zes mannen uit21), die het meest bekwaam werden geacht, om
op het terrein zelf de plaats nader te bepalen, en zoowel een bestek voor het klooster als een begin met het bouwen te maken.
Deze zes waren de reeds genoemde Hendrik Klingebijl, Hendrik van Wilsem en Berthold ten Hove, benevens Werner Keynkamp, weleer rector der parochieschool te Kampen 22), Johan van Kempen, ouderen broeder van den beroemden Thomas a Kempis 23 en Hendrik de Wilde, dien wij, evenals de anderen, nog meermalen zullen ontmoeten 24).
De zes mannen begaven zich naar het aangewezen oord, en bevonden het met eenige wilgenboomen bezet 25); menschenwoningen waren er niet. Slechts bij den opzichter van het landgoed konden zij een armoedig onderkomen vinden, totdat zij zichzelven van woningen zouden hebben voorzien, hutten en huisjes van ruwe planken, op eenvoudige wijze met klei en rijsjes samengevoegd, en met stroo gedekt. Daar gebruikten zij hun nederig maal; dáár rustten zij des nachts van hunne vermoeienissen uit 26). Ook eenige aanzienlijke devote zusters steunden hun werk, door het verrichten van vrouwelijken arbeid 27).
In het landschap verhief zich eene hoogte, die, naar men verhaalde, nooit door het water van den IJsel was overstroomd. Deze kwam hun voor, de meest geschikte plaats voor het klooster te wezen. Zij maten haar meer dan eens van alle kanten op, berekenden den hoogsten stand van het waterpas der rivier 28), en bepaalden met onderling goedvinden, waar de kerk en de verschillende gebouwen zouden moeten verrijzen. Hoe groot die
kerk diende te zijn, en welke gebouwen er al zoo behoorden te wezen, werd alles in overleg met Florens Radewijns en andere zaakkundige mannen vastgesteld 29). De eenvoudige landlieden in den omtrek wisten inmiddels te verhalen van engelverschijningen, die zij daar ter plaatse dikwijls gezien, van engelenzangen, die zij er menigvuldig gehoord hadden 30) en het spelend vernuft der broeders vermeide zich in het maken van allerlei afleidingen van het woord Windesem, ten bewijze der gepastheid van dien naam voor het doel, dat zij met hun klooster beoogden.31).
Inmiddels stroomden der nieuwe stichting allerlei giften en legaten toe. Lambertus Stuurman, van wien Gerrit de Groote de pest had overgeërfd maar die zelf was genezen 32), schonk honderd Fransche schilden; een ander tweehonderd; een derde honderd zes en dertig. Hendrik van Wilsem, een der zes afgevaardigden tot den opbouw, verkocht al wat hij had, en gaf het met zijne akkers en verdere grondbezittingen, ten behoeve van het klooster, aan Florens Radewijns en de broederen over.
Sommige zijner bloedverwanten, zoo mannen als vrouwen, ook anderen, die hem niet in den bloede bestonden, volgden zijn voorbeeld en begiftigden het nieuwe gesticht, vóórdat het nog was verrezen, zoodat alles, wat tot den bouw en gedeeltelijk zelfs tot het voortdurend bestaan daarvan noodig was, uit het bijeengebrachte kon worden bestreden 33).
Met lust en ijver arbeidde men voort. Meermalen zond Florens Radewijns, „de groote huisvader”, gelijk Busch hem treffend noemt 34), broeders des gemeenschappelijken levens uit Deventer, om de bouwenden te helpen. Vaak kwam hij ook zelf,
om hen op te beuren, tot volharding aan te sporen en vromelijk te sterken 35). Het gevolg was, dat men, na het groote werk ongeveer in Maart 1387 te hebben aangevangen 36), reeds in October van datzelfde jaar, d.i. na omstreeks zes maanden, tot de inwijding kon overgaan 37). Immers toen reeds was men gereed met de kerk en haar westelijken trans 38), met drie huizen, de eetzaal en de brouwerij, alsmede met de bakkerij, die destijds tevens voor keuken moest dienen. Alles was opgetrokken van steen met pannen daken, uitgezonderd de drie huizen en de bakkerij, die met riet waren gedekt 39).
Toen men bijna zoover was, togen Florens Radewijns en de zes mannen naar den bisschop van Utrecht, ten einde dezen nederig te verzoeken, het klooster door zijn suffragaan te doen wijden. De Bisschop echter, die het van den aanvang af wèl met hen gemeend had en zich over hun voorspoedigen arbeid hartelijk verblijdde, bevond dat hunne geldmiddelen niet toereikend, waren voor zulk een klooster, en weigerde daarom voor alsnog, tot de wijding over te gaan. Ook dit bezwaar evenwel kwam men door eene schenking van tweehonderd gulden, die eene belangstellende vrouw met hare twee zonen ten behoeve der Stichting in des Bisschops handen afstond, te boven, en de Bisschop zelf, die, gelijk wij gezien hebben, reeds vroeger alles, wat men ontvangen had, tot geestelijk goed gemaakt, en het daardoor voor immer van alle lasten en diensten, waarmede de wereldsche goederen plegen bezwaard te zijn, had ontheven, gaf hun nu nog den raad, dat zij trachten moesten, datgene, wat zij verder zouden verkrijgen, niet onder het gebied van éénen vorst, maar zooveel mogelijk onder dat van meerdere heeren te hebben liggen,
opdat zij bij voorkomende onlusten of oorlogen niet ineens van alles mochten beroofd worden 40).
Zoo waren dan nu alle dingen tot de wijding gereed. De zes mannen zouden bij deze plechtige gelegenheid tevens hunne kloostergelofte afleggen als reguliere kanunniken der orde van den H. Augustinus. Doch al waren zij door Florens Radewijns volledig in een goed en heilig leven ingeleid, zij wisten niets van de voorschriften der Orde. Er werd dan besloten, dat zij naar het klooster Eemstein tusschen Dordrecht en Geertruidenberg zouden gaan41), om aldaar eerst het noodige te leeren. Dit klooster toch, dat eveneens door reguliere kanunniken bewoond werd, was nog slechts weinige jaren oud en in de reinheid zijner eerste liefde. Evenals de Windesheimers er heengingen, om er in de regelen der Orde te worden onderricht, hadden de Eemsteiners uit Groenendaal, het regulieren-klooster van Ruysbroeck, de noodige inlichtingen ontvangen 42). Ook was het den broederen te Deventer zeer goed bekend, dat hun hoog geëerde meester Gerrit de Groote den Eemsteiners steeds een goed hart had toegedragen, gelijk zelfs zijne brieven konden getuigen 43). Redenen genoeg, om de zes mannen tot hen te zenden. En zoo geschiedde het ook. Zij trokken de Middelzee, thans de Zuiderzee, over 44), werden aller-
vriendelijkst ontvangen, overal rondgeleid, in alles onderwezen. Zij leerden, hoe zij bij den koordienst moesten staan, zitten en buigen, welke diensten zij te volbrengen, welke gewoonten zij te volgen hadden; zij leerden der reguliere kanunniken zang en ritueel, en keerden vervolgens over Deventer naar Windesheim weder 45).
Dáár was het den 17den October 1387 feest 46). De kerk zou dien dag worden ingewijd, en de zes eerste bewoners van het klooster zouden eveneens hunne wijding ontvangen. Reeds in den vroegen morgen zag men van rondom zoowel de nieuwsgierigen als de belangstellenden, mannen en vrouwen, ouden en jongen, aanzienlijken en geringen, opgaan naar de plaats, waar de plechtigheid zou worden volbracht 47). Toen het oogenblik, waarop de heilige handeling een aanvang zou nemen, was gekomen, verscheen de suffragaan van den bisschop van Utrecht 48) in vol pontificaal, en wijdde de kerk en het hoogaltaar ter eere van Maria en den H. Augustinus. Tevens verklaarde hij eerstgenoemde tot patrones van het klooster en de kerk, gelijk laatstgenoemde de patroon der gansche orde der reguliere kanunniken was. Nog drie andere altaren wijdde hij, twee in de kerk en één in het kapittelhuis; eveneens het reeds voltooide westelijke deel van den trans der kerk, alsmede het algemeene kerkhof 49).
Na afloop van dit uitvoerig ceremoniëel maakte hij zich gereed tot het bedienen van de mis, en het priesterlijk gewaad aangedaan hebbende, trad hij naar het hoogaltaar 50).
Hoe indrukwekkend het oogenblik, en hoe gewichtig zijn persoon mocht wezen, toch richtten allen eensklaps hunne aandacht op een geheel ander punt. Florens Radewijns, die ook zelf priester was, met eenige anderen, die dezelfde waardigheid bekleedden, traden binnen met de zes mannen, voor wie het plechtigst uur
huns levens was aangebroken 51). Reeds dagen te voren hadden zij zich voor deze ure bereid 52); thans was zij dáár. In het diep gevoel van de beslissende daad, die zij gingen volbrengen, traden zij voort tot aan den voet van het altaar, waar voor elk hunner een ordekleed gereed lag. Radewijns en de priesters, die met hem waren, stelden hen aan den wijbisschop voor; eerbiedig knielden de zes mannen neder; er hadden eenige gebruikelijke ceremoniën plaats. Daarna zich tot Hendrik Klingebijl wendende, zeide de suffragaan: » Leg af den ouden mensch met zijne werken, en doe aan den nieuwen mensch, die naar God geschapen is in de rechtvaardigheid en heiligheid der waarheid”53). Te gelijker tijd ontnam hij hem het wereldsch gewaad en hing hem het ordekleed der reguliere kanunniken om de leden. Onmiddellijk daarop legde Hendrik Klingebijl, voor het altaar staande, in handen van den wijbisschop de volgende gelofte af, die hij van eene strook perkament voorlas: » Ik, broeder Hendrik Klingebijl van Höxter 54), priester, beloof met de hulp van God voortdurende kuischheid, armoede zonder eigen bezit, en gehoorzaamheid aan den wettig aan te stellen overste en zijne opvolgers volgens den regel van den H. Augustinus, en volgens de bepalingen van dit huis, die het Kapittel verordenen zal”55).
Nadat deze belofte was afgelegd, droeg de suffragaan, op bevel van zijnen bisschop, aan broeder Hendrik het bestuur en de zielzorg over de andere broederen op, en benoemde hem tot rector van het klooster, totdat zijne medekloosterlingen zich op kanonieke
wijze een overste zouden hebben gekozen. Thans met de hoogste macht over het klooster bekleed en zelf priester zijnde, deed Klingebijl met de vijf overigen, wat de wijbisschop met hem had gedaan, en elk hunner las, evenals hij, de plechtige gelofte van kuischheid, armoede en gehoorzaamheid van eene strook perkament 56).
Men merke wèl op, hoe voorzichtig en verstandig deze gelofte was gesteld. De broeders beloofden geene gehoorzaamheid aan den bisschop van Utrecht, maar aan hunnen overste, dien zij zelven later op wettige wijze zouden kiezen. Evenzoo onderwierpen zij zich aan geene bepalingen, door anderen gemaakt, maar alleen aan die, waarin zij zelven de hand zouden hebben, d.i aan de bepalingen van hun eigen kapittel 57). Het getuigt van een echt Nederlandschen geest. Doch hierover later. Wie in volgende jaren, op den eersten Zondag na den 16den October Windesheim bezocht, vond er alles in feestelijke vreugde. De suffragaan namelijk had bevolen, dat de dorpelingen de gedachtenis van deze kerkwijding jaarlijks op dien dag vieren zouden 58).
Tot dusverre — het kon nauwelijks anders — hebben wij het kloostergebouw met zijne bewoners te zamen genomen. Van nu af gaan wij ze beiden afzonderlijk beschouwen; en terwijl wij in de drie eerstvolgende hoofdstukken aan de bewoners onze aandacht zullen wijden, werpen wij hier een blik op de inrichting, de uitbreiding en de verdere geschiedenis van het klooster, uitsluitend als gebouw opgevat.
Reeds zagen wij, dat de Stichting op den dag der inwijding
bestond uit eene kerk met een gedeelte van den trans, voorts uit drie huizen met eene eetzaal 59), alsmede uit eene brouwerij en eene bakkerij, die tevens als keuken diende. Het geheel vormde een vierkant 60). Ook het kerkhof was alreede aanwezig, en in de kerk, die een rond gewelf had, uit balken van wagenschot opgetrokken 61), stonden drie altaren. Eén daarvan, het hoogaltaar in het koor, was, evenals de gansche kerk, aan de Moeder Gods en den H. Augustinus gewijd 62). Van de twee overige, die aan weerszijden van het koor in de kerk stonden, was het eene aan Johannes den Dooper en Johannes den Evangelist, het andere aan de maagden Agnes en Katharina opgedragen. Nog een vierde altaar, niet in de kerk maar in het toenmalige kapittelhuis, was opgericht ter eere van de vier leeraren der Kerk, Gregorius, Ambrosius, Hiëronymus en Bernardus 63).
De cellen, waarin de broeders des daags schrijven, des nachts rusten, en zich aan godsdienstige overdenkingen overgeven zouden, lagen destijds op de bovenverdieping van het huis aan de oostelijke zijde — later werden zij naar het midden verplaatst — en de rector en de procurator 64), ten einde over alle zaken beter het oog te kunnen laten gaan en bij de hand te zijn, als er bezoekers kwamen, hadden hunne afgeslotene cellen beneden 65).
Een der eerste nieuwe gebouwen, die de broeders optrokken, was een molen, opdat zij hun eigen koren zouden kunnen malen. Hierbij ontmoetten zij echter een rechtskundig bezwaar. De heer van Voorst namelijk, gehoord hebbende dat zij er plan op hadden, werkte hen tegen, bewerende dat de wind in Salland hem toekwam en dat niemand aldaar zonder zijne toestemming een molen mocht bouwen. De zaak werd voor Floris van Wevelinkhoven, den bisschop van Utrecht, gebracht. Doch deze, hevig
verontwaardigd, antwoordde, dat niemand op den wind binnen zijn gebied het minste recht had, dan hij en de Utrechtsche kerk.
Terstond gaf hij voor zich en zijne opvolgers een gezegelden open brief aan het klooster Windesheim, inhoudende dat het op de aangewezen plaats gerustelijk een molen bouwen, en dien zonder iemands tegenspraak vrij gebruiken en ten eeuwigen dage bezitten mocht. Deze open brief was van 9 October 1391 66).
Onder geen zijner priors heeft Windesheim in alle opzichten zóózeer gebloeid, als onder den hoogst merkwaardigen en achtenswaardigen Johan Vos van Heusden 67). Ook wat het uitwendige betreft, nam het onder zijn bestuur in omvang en nuttige verbeteringen toe. Ziende, dat het klooster, in den korten tijd van nog geen jaar geheel opgetrokken, veel te bekrompen was, om de steeds toenemende menigte van klerken, convers- en leekebroeders 68), die er God wenschten te dienen, te kunnen bevatten, was hij er reeds vroegtijdig op bedacht, een nieuw koor, en bij gevolg meer woonsteden voor de broeders te bouwen 69). Hij raadpleegde hierover met heer Florens en de medekloosterlingen, en dezen vonden het goed. Toen alzoo was besloten, de zaak ten uitvoer te brengen, werd er over de beste wijze, waarop dit geschieden kon, rijpelijk beraadslaagd, en vooral het oordeel ingewonnen van die broeders, welke van zulke dingen het meest verstand hadden. Inderdaad werden de grondslagen van het koor in hunne volle lengte en breedte en in voegzamen vorm gelegd, en in korten tijd zag men daarop den ganschen bouw met bijbehooren uit hout en steen verrijzen 70). Dit was het koor, zooals het, toen Johan Busch zijne kroniek van het klooster schreef, d.i. in 1464 71), nog stond 72), en zooals wij gissen dat het zal zijn gebleven. Bij deze gelegenheid werden tevens drie
van de vier reeds bestaande altaren overgebracht naar de plaatsen, waar zij zich in hetzelfde jaar 1464 nog bevonden 73).
Aan deze vier altaren voegde Johan Vos nog vier andere toe 74), namelijk een nieuw hoogaltaar in het koor, aan de Maagd Maria, den H. Augustinus en al de Apostelen gewijd; voorts een altaar van het H. Kruis, een van Sint-Maarten en Sint-Nicolaas, en een in het schip der kerk, aan de HH. Stephanus, Laurentius en Vincentius opgedragen. Al dit nieuw bijgebouwde, koor en altaren, alsmede een gedeelte van den koortrans, dat tot begraafplaats moest dienen, werd op den 23sten October 1399 met de gebruikelijke kerkplechtigheden gewijd door denzelfden suffragaan van den bisschop van Utrecht, die twaalf jaren vroeger de wijding van het destijds bestaande voltrokken had 75).
Hij schonk bij die gelegenheid veertig dagen aflaat aan alle waarlijk boetvaardigen, die op verschillende feesten en heilige dagen deze plaatsen bezoeken, ze met giften of legaten bedenken, of er de godsdienstoefeningen bij wonen zouden 76). Bisschop Fre-
derik van Blankenheim vermeerderde dit getal met nogmaals veertig dagen 77).
Johan Vos deed meer. In het koor richtte hij een eenvoudig maar voegzaam gestoelte met eikenhouten kappen en leuningen voor de koorbroeders op. Ook het hoogaltaar versierde hij met eene zeer fraaie, vergulde tafel, voorzien van de beeltenissen van Maria en Augustinus; evenzoo de kerk met de beeltenissen van den Gekruisigde, de H. Maagd, en de Heiligen, aan welke de verschillende altaren waren gewijd 78). Voorts liet hij aan de oostelijke zijde van het klooster eene nieuwe slaapzaal bouwen, en maakte die aan den zuidelijken en den westelijken kant daar-
mede in hoogte gelijk, zoodat de eerste verdieping der drie gebouwen slechts één doorloopenden dormter 79) vormde in de gedaante van een hoefijzer en in cellen verdeeld 80).
Maar wij willen trachten, zoo goed mogelijk eene voorstelling van het geheel te geven, gelijk het destijds, d.i. omstreeks 1413, bestond. Men denke zich dan de kerk in de richting van het westen naar het oosten. Aan het westelijk einde staat de toren; in het oostelijk gedeelte ligt het koor. Binnen de kerk, om het koor, loopt een breede gang of koortrans. Buiten de kerk, zuidelijk, bevindt zich eene opene ruimte, met vruchtboomen beplant 81). Deze ruimte is haaksgewijze omgeven door een zuilengang of kloostertrans, die de gemeenschap vormt tusschen het klooster en de kerk, en tevens tot begraafplaats voor de broederen dient 82). Onmiddellijk aan dezen trans grenzen de drie vleugels van het gebouw. Wij beginnen thans met den oostelijken vleugel, d.i. met dien achter het koor. Het benedengedeelte daarvan bevat eene sacristie en eene kapittelkamer, benevens eene cel voor den prior, en nog twee andere cellen 83). Het zuidelijk gebouw vinden wij ingenomen door eene algemeene kamer tot verwarming 84) en twee eetzalen, ééne voor de reguliere kanun-
niken, ééne voor de conversbroeders 85). Onder den grond alhier is een groote, goed verwulfde kelder tot bewaring van spijzen, dranken en andere dergelijke zaken 86). Eindelijk aan den westelijken vleugel van het gebouw gekomen, zien wij in het benedengedeelte daarvan meerdere cellen voor devote clerici, met het uitzicht naar het westen 87). Boven de drie vleugels te zamen bevond zich, gelijk wij reeds opmerkten, eene verdieping, die, in vijf en twintig cellen naar de letters van het alphabet verdeeld, den profesbroeders tot woon-, werk- en slaapplaats diende 88).
Voorts was er, eveneens door een trans met tusschenliggenden boomgaard van het hoofdgebouw gescheiden, een reventer voor de leekebroeders en een voor de zieken, alsmede, tusschen deze beiden in, eene keuken, waar voor al de eetzalen gekookt, en de gaande en komende man onthaald werd 89). Nog had men een vrij lang en breed bouwmanshuis voor de leekebroeders en hunne noodzakelijke werkzaamheden. In het midden daarvan was de dorschvloer; aan de twee kanten de stallen voor het vee, en bovenop vier zolders, om het koren te bergen 90).
Voorts verhieven zich twee groote poorten, en bij ééne daarvan stond de woning van den portier, die de aankloppenden terstond binnen liet, en dagelijks aan verschillende armen, die daar niet zelden in grooten getale kwamen, zonder iemand af te wijzen, uitdeeling hield van overgeschoten brood, vleesch, visch, boter, kaas en ander eten 91). Het geheele klooster nu was omgeven door een steenen muur. Aan de eene zijde daarvan, waar het water langs vloeide, bevonden zich waschhokken en eenige andere huisjes tot verschillend gebruik. Tusschen het bouwmanshuis en de keuken lag een klein eikenboschje 92).
Ziedaar, hoe het klooster Windesheim onder zijn prior Johan Vos van Heusden werd en was. In 1413 werd al het nieuw aangebrachte door den suffragaan van den Utrechtschen bisschop gewijd 93). De uitstekende man had óók nog plan, het buitengebouw, dat voor de leekebroeders en de gasten diende, wat hooger en ruimer te maken, en bovenal de kerk van den grond op te vernieuwen. Hij had er zelfs de voornaamste materialen, zooals driehonderd vijftig duizend gebakken steenen en driehonderd vijftig ton kalksteen, duizend planken van wagenschot en allerlei balken, posten en andere stukken hout in geen gering getal voor bijeen, maar mocht het geluk niet smaken, ook deze verbeteringen aan te brengen 94).
Zijn tweede opvolger, Willem Vornken 95), was een geheel ander man. Deze, eerst rijk naar de wereld, daarna zich begevende tot vrijwillige armoede, ging hierin zóó ver, dat hij zich bij voorkeur voedde met onsmakelijke spijzen, en zich steeds kleedde met een gering en versleten gewaad. Deze zelfde overdrijving paste hij op het klooster toe. Hij liet geene nieuwe, flinke gebouwen zetten, maar eenige kleine huisjes, en dat nog maar alleen, als de nood hem drong. De oude, nederige hutten der vaderen trachtte hij zooveel mogelijk in aanwezen te houden. Hij overdreef de zaak zóózeer, dat hij, om de vroegere bouwplannen te verijdelen, de reeds aanwezige bouwstoffen van lieverlede en bij gedeelten verwijderde. De duizend planken verkocht hij, en eenige duizenden steenen leende hij aan verschillende kloosters, om er nieuwe kerken en woningen van te maken 96).
De broeders zagen het met leedwezen aan. Dikwijls spraken zij er met elkander over; meermalen ook met den prior zelven.
Zij verzochten hem nederig maar dringend, dat hij ten minste
een weinig van zijne strenge opvatting zou laten vallen, en, indien al niet eene nieuwe kerk, dan ten minste de lage met riet gedekte woningen aan de westzijde des kloosters, waar de gasten geherbergd, en die aan de zuidzijde, waar zij gespijzigd werden, uit de nog aanwezige bouwstoffen zou laten optrekken. Eindelijk gaf hij toe, maar ging, ten einde er zelf geen last van te hebben, gedurende den bouw eenige ver verwijderde kloosters der vereeniging bezoeken, en liet inmiddels het bestuur der zaak aan zijn supprior en zijn procurator over 97). Dezen voldeden aan den hun opgedragen last, en in den zomer van 1435 werden de oude huizen tot den grond toe geslecht, en nieuwe opgebouwd, die in het volgende jaar tot voltooiing kwamen 98).
Wat de kerk betreft, — ook ten opzichte van deze moest de prior wel toegeven. Het aantal kloosterbewoners en gasten was dagelijks, en vooral bij de jaarlijksche vergadering van het generaal-kapittel, zóó groot, dat zij al te klein werd. Zoo liet hij dan in 1442 of ’43 aan de zuidzijde een geheel nieuw gedeelte aanzetten. Dit gedeelte had den vorm van een halfrond. Het was breed en hoog, met een steenen dak en vele glazen vensters. Er stond een altaar in, dat door den suffragaan van den Bisschop 99), die al het nieuw aangebouwde op den 26sten Juni 1443 kwam wijden, aan de Maagd Maria, Sint-Michaël en al de Engelen werd toegeheiligd. Bij dezelfde gelegenheid beklom de suffragaan ook den toren, wijdde de daarin hangende klok, gaf haar den naam » Maria,” en schonk veertig dagen aflaat aan allen, die bij haar gelui driemaal met gebogen knieën » Ave Maria” zouden bidden 100).
Ook aan reliquieën ontbrak het Windesheim niet. Men had er meer dan veertig hoofden van martelaren met vele beenderen, alsmede verschillende andere overblijfsels en beeltenissen van hei-
ligen, die zoowel door de latere als door de vroegere bewoners devotelijk werden vereerd 101). Want men hield zich geloovig overtuigd, dat men wegens de verdiensten en de voorspraak der heiligen, wier gebeente men bezat, en der patronen, aan welke het klooster, de kerk en de altaren waren toegewijd, door God van allerlei zichtbare vijanden verlost, en met tijdelijke en geestelijke goederen gezegend worden zou 102).
Het geschrevene moge voldoende zijn, om eene voorstelling te geven van het uitwendig voorkomen des kloosters, gelijk het zich in 1443 vertoonde en in 1464 nog bestond. Kort na dit laatste jaar, namelijk in 1467, begon men eindelijk ook de kerk te vernieuwen, en in 1485 maakte men een aanvang met haar te verwulven 103). Wij voegen er nog bij, wat later meer uitvoerig ter sprake zal komen, dat reeds vele jaren vroeger, onder het prioraat van den genoemden Willem Vornken, ten gevolge van den bekenden strijd tnsschen de drie Overijselsche hoofdsteden en den Paus over de keuze van een bisschop, waarin de Windesheimsche broeders met vele anderen de zijde van den Paus hielden en daarom door de hoofdsteden werden verbannen, het klooster van 1429 tot ’32 heeft ledig gestaan, zijnde de prior met de zijnen naar het klooster Frendeswege bij Nordhorn in het graafschap Bentheim vertrokken, waar zij met liefde geherbergd werden, terwijl zij een nieuw convent bij Bredevoort oprichtten 104). Toen echter de volgende paus toegegeven, en den bisschop, dien de steden begeerden, bevestigd had, keerden zij naar Windesheim terug.
Intusschen waren de bezittingen des kloosters niet weinig toegenomen door de giften en legaten, die welgestelde vromen, zoo vrouwen als mannen 105), ja ook rijke geestelijke en vorstelijke personen hadden geschonken 106), alsmede door het geld en
goed, dat menige rijke bewoner, hetzij donaat of profesbroeder, had aangebracht 107). Bij gebrek van eene lijst dier bezittingen is het ons onmogelijk, ze nauwkeurig te bepalen. Toch blijkt het, dat zij reeds vóór 1421 zóó uitgebreid moeten geweest zijn, dat niet slechts in de behoeften der kloosterlingen kon worden voorzien, maar dat de meer eenvoudigen tegen vermeerdering meenden te moeten waarschuwen. In het genoemde jaar namelijk 108) stierf te Windesheim Goswin Tyasen, uit een rijk en aanzienlijk Zwolsch geslacht gesproten en eenigen tijd procurator des kloosters. Deze, een warm voorstander van » de heilige armoede,” ried den broederen af, naar vermeerdering van erven, akkers en inkomsten te staan 109), en vermaande hen, zich veeleer te beijveren, de wereld en al wat in haar is te verachten 110). Ongetwijfeld waren zijne eigene levensbehoeften zeer gering, zoodat men uit zijnen wensch niet al te veel aangaande den rijkdom des kloosters mag afleiden; doch zóóveel toch blijkt er uit, dat het reeds in die dagen minstens genoeg had, om, ook zonder ver
meerdering van bezit, met al zijne bewoners te kunnen blijven bestaan. Ongeveer honderd jaren daarna, in 1510, toen de drie Overijselsche steden, Zwolle, Deventer en Kampen, eene groote som bijeen zouden brengen en daartoe bij de kloosters geld moesten opnemen, leende Windesheim alleen haar twee duizend goudguldens 111), een bedrag, dat naar de geldswaarde van die dagen heel wat overigen rijkdom doet vermoeden.
En zoo zijn wij van zelve genaderd tot de geschiedenis van het kloostergebouw in de zestiende eeuw. Hier vinden wij het niet slechts, evenals andere kloosters, bij herhaling gebruikt tot het houden van staatkundige vergaderingen 112), maar wat meer beteekent, door onlusten en oorlogen lijdende.
Het was met name in de Geldersche oorlogen, dat Windesheim op verontrustende wijze betrokken werd. De » zwarte hoop,” beruchter gedachtenis 113), bezocht in 1517 Salland en hield zich bij die gelegenheid een nacht in het klooster op 114). Veel erger nog werd het tien jaren later, toen hertog Karel van Egmond, ten einde Zwolle, dat hij reeds van de oost- en de noordzijde had ingesloten, ook van de zuidzijde allen toegang te ontnemen, de kerk van Windesheim versterkte. In December 1527 sloegen die van Kampen, bijgestaan door eenigen van Deventer en Zwolle, het beleg er voor, kregen ook nog verderen toevoer van hulp, maar trokken toch op een valsch gerucht af 115).
Vele jaren gingen voorbij. De nieuwe richting op kerkelijk gebied, die na lange voorbereiding in Duitschland ontstaan was,
had zich weldra ook in Nederland verspreid. Omstreeks 1566 had zij aldaar den strengen vorm van het calvinisme aangenomen, had zich krachtdadig, soms zelfs gewelddadig verheven, had tijdelijk voor Alva moeten onderdoen, maar was in 1572 opnieuw doorgebroken en vooral in Holland en Zeeland inheemsch.
Prins Willem met zijne meer milde en voor dien tijd uiterst verdraagzame godsdienstige gevoelens was niet bij machte, in de twee genoemde gewesten den stroom te keeren. In de andere provinciën, waar hij vooral door zijn zwager, graaf Willem van den Berg, veroveringen trachtte te maken, hoopte hij en hij heeft er ook later altijd zijn best toe gedaan — gelijke rechten voor roomschen en onroomschen te bedingen. Doch het lag niet in de harten der toenmalige menigte. Vandaar eensdeels, dat men zich niet altijd hield aan de verdraagzame beloften, die men te goeder trouw had gedaan, en ten andere dat, ondanks al de pogingen tot het invoeren van den zoogenaamden religievrede, waarbij de rechten der beide partijen waren gewaarborgd, en ondanks het voortreffelijk artikel 13 der unie van Utrecht, het Nederlandsche volk tijdens de Republiek een protestantsch volk is geweest. De gereformeerde strooming was, niettegenstaande de meest welgemeende pogingen, nu eenmaal niet te keeren, en de Staten en steden moesten al blijde zijn, wanneer de menigte zich liet tevreden stellen met scherpe plakkaten tegen de roomschen, zonder dat deze ooit zoo scherp ten uitvoer werden gebracht 116).
Wij hebben deze schijnbaar noodelooze uitweiding gemaakt, om verklaring te geven van het feit, dat de regeering van Zwol zich den 11den Augustus 1572 bij onderteekend verdrag met den graaf van den Berg verbond, alle priesters, kloosters en geestelijke personen ongemoeid te zullen laten 117), en dat zij desniettemin onder opzicht van één der burgemeesters in de kerk van het klooster Windesheim alle altaren liet breken. De burgemeester deed
ze naar zijn huis brengen. Toen de stad drie maanden later weer aan de Spanjaarden kwam, haalde men ze vandaar terug 118).
Toch waren de goede dagen van weleer voor altijd vervlogen.
Het moge al aan ernstigen twijfel onderhevig zijn, wat van overigens zeer vertrouwbare zijde wordt bericht, dat de Staten van Overijsel in 1577 al de goederen van Windesheim in bezit hebben genomen 119), zeker is het, dat zij, ten einde het noodige geld voor het beleg van Deventer te vinden, eenige gemachtigden benoemden, om het van de kloosters te leenen, en dat Windesheim hiertoe, bij lastbrief van 18 Augustus 1578, vierhonderd goudguldens opbrengen moest 120). Wijl de aldus verkregen penningen der gezamenlijke conventen niet toereikend werden bevonden, besloten de Staten den 24sten Augustus tot eene algemeene schatting 121), waarvan geenerlei inkomsten, bezittingen of goederen, dan alleen de havezaten der landdags-edelen, en de landerijen, binnen de vrijheid der drie hoofdsteden gelegen, zouden worden uitgezonderd 122). Ook hierin moet dus Windesheim
hebben gedeeld. Evenzoo zal het wel zijn offer hebben gebracht aan het algemeene hoofdgeld, dat de Staten van Overijsel, om het beleg van Deventer te kunnen rekken, den 24sten October daaraanvolgende uitschreven 123). Dit alles nochtans betrof slechts grootere of kleinere sommen gelds, maar weldra namen de omstandigheden eene meer dreigende houding aan. Den 15den Juni 1580 brak er te Zwolle een hevig oproer uit. De roomsche burgers aldaar stelden zich tegen de gereformeerde in het geweer; men werd handgemeen, vuurde met grof geschut op elkander, en verijdelde de pogingen, die tot herstel der eendracht werden aangewend. De gereformeerden, uit Kampen en Deventer hulp ontvangen hebbende, behielden de overhand, plunderden de huizen der roomschgezinden, en vernielden de beelden, altaren en sieraden der St. Michiels- of Groote kerk 124). Op deze weinig prijzenswaardige wijze zegevierde te Zwolle, gelijk in zoovele andere plaatsen, de » nieuwe godsdienst,” en de eerste zorg der vroedschap was, voor het onderhoud van predikanten de noodige schikkingen te maken. Zij besloot, hiertoe de goederen van zeker klooster en van eenige vicarieën aan te wenden. Ook die van een ander convent nam zij ten behoeve der stad in bezit, ofschoon tegen uitkeering van een goeden onderstand aan de kloosterlingen. Op gelijke wijze werd in het volgende jaar 1581 met al de andere kloostergoederen gehandeld. De bestaande religieusen onderhield men, doch verbood hun, nieuwe aan te nemen of rentbrieven te vervreemden 125). Dit, wat Zwolle betreft. Inmiddels hadden de Staten van Overijsel in hetzelfde jaar 1581 besloten, eenige kloosters, die »in deze tijden tot schuilplaatsen en sterkten voor den vijand dienden en der steden zeer nadeelig waren”, te doen afbreken 126). De naam Windesheim wordt op de lijst dezer kloosters niet uitdrukkelijk genoemd, en men heeft daarin versterking gezocht voor de gissing, dat het weleer zoo beroemd convent vóór 1581, of zelfs reeds vóór 1580, met uitzondering van enkele gedeelten, gesloopt zal wezen 127). Wat ons betreft,
wij doelen in deze gissing niet, omdat wij uit het ontbreken van den naam in dit bepaald redeverband niet al te veel durven besluiten, en wijl het niet zeker blijkt, dat ook het herhaald verzoek van den Raad der stad aan den aartshertog Matthias, om zich de bezittingen en inkomsten van Windesheim ten nutte te mogen maken 128), onder bijvoeging dat de monniken toch verloopen waren 129), en met aanbieding om de kloostergoederen ten behoeve van arme studenten en het aanleggen van stads-vestingwerken te gebruiken 130), het gewenscht gevolg hebben gehad.
Daarenboven schijnt de vroedschaps-resolutie van 24 Januari 1580, waarbij aan de kloosterlingen van Windesheim, om welke reden dan ook, verboden werd binnen Zwol te overnachten 131), recht te geven tot de onderstelling, dat hun kloostergebouw althans destijds nog moet hebben bestaan. Intusschen kan hun aantal niet meer groot zijn geweest. Voor zooverre zij aan hunne gelofte getrouw zijn gebleven, hebben zij zeker in een of ander convent der vereeniging een goed heenkomen gezocht. In eene Zwolsche vroedschaps-resolutie van 4 Augustus 1580 werden zij, gelijk gezegd is, beschouwd als reeds verloopen 132).
Uit oorspronkelijke bescheiden, die wij later ter sprake zullen brengen 133), blijkt, dat de generaal der Windesheimsche congregatie zich nog jaren daarna » prior van Windesheim” noemde, wat wel niet meer dan een titel bij herinnering van het verleden en in hoop op de toekomst zal zijn geweest. De kloosterrekeningen van 1585 tot ’99, berustende op het Provinciaal archief van Overijsel, zijn opgemaakt door Theodoricus Weysse, » kloosterdienaar” 134). Is hierin wellicht eene aanwijzing, dat Windesheim
met zijne goederen in 1584 door de Staten van Overijsel genaast, maar onder administratie van een der voormalige kloosterlingen gelaten is? Hoe dit zij, bij resolutie van 17 Juli 1599 werd door de Ridderschap en de Steden van het gewest de eerste Staatsche ambtman of rentmeester over de genoemde goederen aangesteld 135).
Hij heette Gerrit Haene. Zijne rekeningen (1600-1608) ontbreken, doch die van zijne opvolgers loopen van 1609 tot 1805 geregeld voort136).
Naar alle waarschijnlijkheid is de tegenwoordige kerk der Hervormde gemeente te Windesheim het ziekenhuis van het voormalig klooster 137). Voorts zijn er nog enkele andere gebouwen aanwezig, die tot het gesticht behoord hebben, bijv. een gedeelte der pastorie 138). Tot vóór eenige jaren lag er in het dorp voor de woning van zekeren landbouwer een stoepsteen, die weleer in de kerk des kloosters het graf van den hoogst merkwaardigen Dirk van Herxen 139), tweeden rector van het fraterhuis te Zwolle,
had gedekt 140). Deze steen, ofschoon slechts een fragment, is
later, evenals nog een ander gedeelte eener oude grafzerk, dat zich door daarop uitgebeitelde wapenschilden en andere sieraden onderscheidde, in den muur der catechisatiekamer gemetseld 141).
Meerdere voorwerpen van dezelfde soort, hier en daar verspreid, waren te zeer afgesleten, of ook te verbrokkeld, om eene gelijke zorg te worden waardig geacht 142).
En dit is het dan, wat er overbleef van een gesticht, dat bijna twee eeuwen aan het hoofd stond van eene der meest beroemde en invloedrijke kloostervereenigingen, een gesticht, waar jaar aan jaar afgevaardigden uit meer dan negentig conventen van Noord-Nederland, Zuid-Nederland en Duitschland plachten saam te komen, om over de belangen van hun kapittel te beraadslagen! Zoo gaat de heerlijkheid dezer wereld voorbij. Maar wat niet kan vergaan zijn, is het goede, dat in meer dan één opzicht door dit gesticht werd verspreid. Al laat het zich niet meer met den vinger aanwijzen, het is toch zeker niet verdwenen; en al is de menschheid van thans verder dan die van toen, de menschheid van thans vergete nooit, dat zij niet zou zijn wat zij is, als de menschheid van toen er niet ware geweest.
