ALS GRIFFIER DER STATEN.
Over het ontslag van den griffier Doornebus en de redenen die daartoe hebben geleid, is nog weinig bekend. In de lijst der griffiers, klerken en kamerbewaarders der provincie 1) wordt vermeld, dat hij werd „gelicentieert wegens verscheiden fouten in het Register (van Resolutien?) van dat jaar”.
Iets naders hierover vinden wij uit het Kamper archief medegedeeld door mr. J. Nanninga Uitterdijk in zijn artikel over „de Landskist”2). Het leek derhalve niet overbodig, de oorzaken eens op te sporen, die de Staten hebben genoopt tot het ontslag van een harer hoogstgeplaatste ambtenaren.
Derck Doornebus, alias Theodorus Huberti of Derck Hubrechts, was reeds in 1596 door de Staten tot klerk aangesteld met ingang van 1 Januari 1597. Den 10en Juni daarop legde hij voor Gedeputeerde Staten den eed af, belovende alle Landszaken die ter zijner kennis mochten komen, geheim te zullen houden, terwijl hem tevens een commissie- en instructiebrief werd uitgereikt (zie Bijlage I). Daaruit blijkt, dat hij zijn salaris van de Landschap ontving, terwijl de griffier hem kost en inwoning moest verschaffen. Het samenwonen met den griffier zal echter wel niet van langen duur zijn geweest, want twee jaar later trad hij in het huwlijk. In het Zwolsche huwlijksregister staan in November 1599 namelijk ingeschreven: Derck Doornebus, schrijver van den griffier van Overijssel en Margaretha Cottingh, d.v. Andries Cottingh, beide uit Deventer. Het is te begrijpen, dat hij van het hem gegeven tractement moeilijk kon rond-
komen, zoodat op een daartoe door hem gedaan verzoek de Gedeputeerden, na machtiging van Ridderschap en Steden, de Staten van Overijssel, het tractement bepaalden op 300 car. gk terwijl hem tevens 50 car. gl. extra werden toegelegd, omdat hij het laatste jaar genoodzaakt was geweest, telkens met de vergaderingen van Ridderschap en Steden of hare Gedeputeerden naar elders mede te trekken 3).
Tot volle tevredenheid van zijne superieuren heeft hij zijn ambt vervuld, zoodat hij op de vergadering van Ridderschap en Steden te Wijhe den 8 April 1608 in plaats van wijlen Derck Roelinck tot griffier der Landschap werd benoemd „op alsulcke gages ende emolumenten als van oldes tot hetselve ampt syn behoerende”. Een nieuwe eed werd van hem niet gevorderd; men achtte dit blijkbaar niet noodig, daar hij reeds als klerk den eed van geheimhouding had afgelegd.
Maar later kwam men tot andere gedachten en op den landdag te Deventer werd 20 Maart 1610 in handen van den drost van Salland de eed alsnog gepresteerd.
Wat was er gebeurd? Was er een bepaalde aanleiding om den griffier 2 jaar na zijn aanstelling nog eens den eed af te nemen?
Een afdoend antwoord op deze vraag kan niet worden gegeven, maar het is zeker meer dan toevallig, dat in het register van resolutien vlak achter den nieuw afgelegden eed staat genoteerd, dat geen particulieren, noch uit de Ridderschap, noch uit de Steden eenige Landschapsregisters, protocollen of akten, bij den griffier berustende, mogen lichten, maar alleen zoo noodig, daarvan visie nemen. En spoedig trokken zich nu donkere wolken boven het hoofd van den griffier tezamen.
Op de Landsklaring, gehouden binnen Deventer, werd 4 September 1612 „gesproecken van de geruchten, die tot laesie van den griffier allenthalve werden uytgestroyt ende goetgevonden, dat de bedieninge syns officiums sal blyven
vacant, ter tyt toe hy sich van tgeene so hem by Ridderschap ende Steden desvals operlegt, gepurgeert sal hebben”.
Welke die geruchten waren en waarvan hij werd beschuldigd, zullen wij aanstonds zien. De griffier werd dus geschorst en Berent Voet tijdelijk met diens bezigheden belast. Op de vergadering van Ridderschap en Steden van 6 November 1612 werd de „purge” van den griffier onvoldoende bevonden en Berent Voet tevens bij provisie als griffier van Gedeputeerde Staten aangewezen. Den 17 Augustus 1613 werd Doornebus definitief ontslagen („die greffier Doornebus is synes denstes gelicentieert ende verlovet”) en vier dagen later Herman Roelinck tot zijn opvolger benoemd.
Welke waren nu de beschuldigingen, die den griffier op de landsklaring in 1612 ten laste waren gelegd? Wij vinden deze omschreven in de uitspraak door Ridderschap en Steden 11 Maart 1616 gegeven, waarin hij bij verstek schuldig werd bevonden aan kindermoord, echtbreuk, verduistering van gelden en vernietiging van ’s Landschaps papieren. Voorwaar geen kleinigheden! Laten wij de beschuldiging van kindermoord achterwege, waarvan ons geen verdere bewijzen in handen gekomen zijn, dan blijft er inderdaad nog genoeg over, om zijn afzetting te rechtvaardigen. In het Liber excessuum oppidi Zwollensis vindt men anno 1612 inderdaad een beschuldiging van echtbreuk vermeld: „het is ter clachte gecommen dat Derck Doerneboes griffier syn echte toe buyten gegaen heeft.” De zaak werd echter door de Zwolsche schepenen „omme redenen” uitgesteld en verder werd over deze kwestie niets vermeld. Des te meer echter valt er over de Landschapspapieren en -gelden mede te deelen. Reeds op de Landsklaring binnen Deventer waren conservatoire maatregelen genomen om verdere vervreemding der Landschapspapieren te verhinderen. Een groot deel van het Staten-archief bevond zich toen ten huize van Berent van Enschede binnen Deventer; alle processtukken werden door den drost van Salland naar het raadhuis overgebracht, maar aangezien er
zich nog een groote hoeveelheid registers, rekeningen, charters etc. ten huize van genoemden Berent van Enschede bevonden, die nergens geschikt geborgen konden worden, werden zij daar voorloopig gelaten en verzegeld. Hetzelfde geschiedde met de Landschapspapieren, die zich te Zwolle bevonden.4)
Ook het finantieel beheer van Doornebus liet veel te wenschen over. (De griffier was n.l. belast met het ontvangen der leenjura en hem waren ook enkele andere kleine finantieele administraties opgedragen). Zelfs had hij zich niet ontzien, eenige ordonnantiën ten behoeve van Wycher ten Zwege uitgegeven, te innen en in zijn eigen zak te steken.5)
Dit alles was voor Doornebus echter geen bezwaar aan Gedeputeerde Staten te verzoeken hem zijn tractement over het jaar 1612 alsnog uit te keeren benevens eenige vergoeding voor huishuur wegens vergaderingen ten zijnen huize gehouden! Dat in dit verzoek niet werd getreden, spreekt vanzelf, terwijl hem tevens te kennen werd gegeven dat hij „to vooren sal moeten doen pertinente reeckenonge van verscheyden pennongen, die hy onder syn recepissen gelicht heeft; als oick to sullen verreeckenen van de sesthienhondert gl. spruitende uyt de reeckenonge van den rentmeester Wolffs, by denselven mede ontfangen, ende van de heergewaden ende gerechticheiden der belheenongen 6); desgelycken mede van seeckere twiehondert achtentwintich goltgulden sesthien st. die hy noch bevonden wort schuldich to wesen van de affgeloste pandtpennongen, van welcke hy voir een tyt het bewindt gehadt.”7) Toen hij een week later
zijn verzoek herhaalde en Gedeputeerde Staten daarop ordonneerden, dat hij over 8 dagen ter hunner vergadering binnen Kampen moest verschijnen om van zijn gevoerd beheer rekenschap af te leggen, verscheen in zijn plaats Tonnis de bode van Zwolle, presenterende een memorie van Doornebus benevens eenige bijgevoegde papieren, waarmee Gedeputeerde Staten echter geen genoegen namen, maar gelastten, dat hij in persoon moest verschijnen.
Inderdaad verscheen hij in de vergadering van Ridderschap en Steden den 22 Maart 1614, alwaar van hem werd verlangd de registers van de verpachting der gemeene middelen over te leveren en rekenschap der door hem gevoerde administraties af te leggen, waarop de griffier ten antwoord gaf, dat het overleveren der registers hem onmogelijk was, daar hij niet wist waar ze gebleven waren, terwijl hij tevens eenige bezwaren te berde bracht over het verrekenen der bedoelde gelden. Daar Ridderschap en Steden echter bij hun eisch bleven en hij op de eerstvolgende Landsklaring binnen Deventer ingedaagd zijnde, niet in persoon verscheen en zijne gevolmachtigden Claes Graet en de licentiaat Bartholomeus Lantingh evenmin aan den gestelden eisch, overlevering der registers, etc. voldeden, werd eindelijk besloten alle goederen van den griffier ten platten lande door den drost van Salland en die in de steden door de respectieve magistraten in beslag te doen nemen.8)
Blijkbaar is deze resolutie niet direct geëffectueerd, zoodat de stad Kampen het noodig oordeelde, den drost van Salland en de stad Deventer te vermanen het genomen besluit uit te voeren.9) Doornebus had naar alle waarschijnlijkheid van dit voornemen kennis gekregen en eenige dagen later was dan
ook een belangrijk deel van zijne bezittingen ten platten lande gerechtelijk getransporteerd!
Eerst in de vergadering van Gedeputeerde Staten van 31 October 1614 deelde de drost van Salland mede, dat hij aan genoemd besluit had voldaan en de meiers verboden had de pacht aan den gewezen griffier te betalen. Vermoedelijk ten gevolge van de geschillen over de souvereiniteit in verband met het beheer en de inkomsten der geestelijke goederen tusschen de Ridderschap eenerzijds en de Steden anderzijds, kwam eerst op den landdag in Maart 1615 de zaak Doornebus opnieuw ter sprake en besloot men hem tegen den volgenden landdag peremptoir te citeeren om de hem ten laste gelegde beschuldigingen te ontzenuwen. Doornebus bleef echter absent, maar in de vergadering van Ridderschap en Steden verschenen wederom eenige gevolmachtigden om zijn verdediging op zich te nemen, daar zij de procedure als een civiele zaak beschouwden, die derhalve door gevolmachtigden kon geschieden. Ridderschap en Steden waren echter van een geheel andere meening en beschouwden de zaak ten eenenmale te zijn crimineel, weigerden de door de gevolmachtigden overgelegde schrifturen aan te nemen en besloten tegen Doornebus bij verstek verder te procedeeren.10)
Twee dagen later viel de beslissing van Ridderschap en Steden. De gewezen griffier werd bij verstek aan het hem ten laste gelegde schuldig verklaard, terwijl zijne goederen tot nader order gesequestreerd bleven (zie Bijlage II).
Eerst het volgend jaar werd een nadere resolutie in dezen genomen, nadat gebleken was, dat Doornebus reeds een deel zijner goederen had vervreemd; aan Gedeputeerde Staten werd opgedragen, hiernaar een onderzoek in te stellen, terwijl het huis binnen Deventer door den magistraat aldaar zou worden verhuurd.11)
Uit het door Gedeputeerde Staten ingesteld onderzoek bleek, dat Doornebus in Salland verscheidene landerijen had bezeten. Het erve Eyssink in het kerspel Heino had hij aan den drost van IJsselmuiden, Unico van den Ruitenberch, gecedeerd in ruil voor een goed op de Veluwe in het kerspel Wilp; de overdracht had voor den schout van Heino 7 Oct. 1614 plaats gevonden. De meiers van het erve werden daarop geciteerd om voor Gedeputeerde Staten te verschijnen, om onder eede te verklaren aan wien zij de pacht van de laatste jaren hadden betaald, waarop zij ten antwoord gaven dat de geldpacht, groot 48 ggl. voor het jaar 1615 aan den gewezen griffier was betaald, doch de graanpacht aan den drost Ruitenberch, terwijl die over het jaar 1616 geheel aan laatstgenoemde was voldaan.
Betreffende het goed Slijckhuis in den Ham verklaarde de meier, dat hij de pacht voor de jaren 1614 en 1615 aan Doornebus had betaald en voor 1616 hem die wel beloofd maar niet betaald had, waarop hem werd geordonneerd de voornoemde pacht, groot 20 ggl. als ook die voor de volgende jaren te betalen aan Johan Richters, den rentmeester der pastorie- en vicariegoederen.
In het schoutambt Raalte bezat Doornebus eenige groote landerijen. Het erve Reymerdinck was blijkbaar reeds onder het beheer van den schout van Raalte gesteld; hij leverde althans aan Gedeputeerde Staten een annotatie in van de inkomsten van dat erve over de jaren 1615 en 1616 ten bedrage van 362 gl. 10 st. en 12 p. In mindering hiervan kwamen voor gerechtskosten en het timmeren van een schaapskot 44 gl. 17 st. en voor verteeringen van Ridderschap en Steden op twee bijeenkomsten in 1616 ten huize van Doornebus gehouden 300 gl. zoodat er nog resteerde 17 gl. 13 st. 12 p.
Het erve Hobberdinck, eveneens onder Raalte gelegen, had hij reeds 25 Mei 1614 verkocht en 10 October van hetzelfde jaar gerechtelijk overgedragen aan Thomas van Hairsholte voor 2400 gl. van welke som laatstgenoemde op
Kerstmis 1615 aan Doornebus 1200 gl. had betaald en voor het resteerende hem een hypotheek had beloofd tegen 5 % rente. Daar de hypotheek echter nog niet verleend was, werd Thomas van Hairsholte mede gelast, de rente van de resteerende 1200 gl. aan Johan Richters te betalen.12 Doornebus’ huis binnen Deventer was intusschen verhuurd aan Johan van Raesfelt13) en de huur daarvan bij resolutie van Gedeputeerde Staten van 5 Februari 1619 nader bepaald op 70 ggl. ’s jaars.
Zoo had de Landschap zich althans eenigermate schadeloos weten te stellen voor de finantieele en archivarische zonden van haren gewezen griffier. Maar deze was daardoor in moeilijke omstandigheden gekomen. Hij diende dan ook op de vergadering van Ridderschap en Steden den 15 Mei 1618 een remonstrantie in, daarbij verzoekende „uyt christelicke mededogentheit” de sequestratie zijner goederen op te heffen, opdat hij zijn vrouw en kinderen van het noodige onderhoud zou kunnen voorzien. Op de najaarsvergadering van Ridderschap en Steden 14) werd hierover beslist en „uyt commiseratie ende mededoegentheit” het beslag voor de helft opgeheven. En daarmede verdween de zaak Doornebus uit de resolutien van Ridderschap en Steden, voorloopig althans. Want 12 jaar later deden de kinderen van Doornebus, die intusschen was overleden, opnieuw pogingen om de sequestratie der overige goederen opgeheven te krijgen. Ridderschap en Steden wilden hierin echter niet treden dan nadat zij „in plaets van dezelve goederen ende tott een amende aen deze Lantschap sullen betaelen eene somme van een duisent rijxdaelers”. Deze voorwaarde was hun blijkbaar te bezwarend, want op verscheidene volgende
landdagen herhaalden zij hun verzoek, doch zonder succes.15)
Maar eindelijk vonden hunne dringende smeekbeden gehoor; op den landdag van 13 Maart 1634 werd „uyt gratie geaccor(deer)t, dat de supplianten die resteerende toegeslagen goederen ten platten lande gelegen, gevolght sullen worden, mits dat de penningen ende renthen onder die erffgenamen van Thomas van Haersolte uytstaende, voor de helffte tott behoeff deser Lantschap gevordert sullen worden”. En hiermede nam de zaak Doornebus definitief haar einde.
A. HAGA.
Alsoo Diderick Roelinck, greffier der Landtschap van Overyssell, in plaetze van Jan Rall, soo vertrecken wilde, eenes anderen klercks ofte schriivers nodich was ende dan verscheidene bequame persoonen vuyt Hollandt ende van elders soodanigen dienst geerne annemen wilden, hebben Ridderschap ende Steden van Overyssell op eenen Lantdach binnen Campen den XXIIen Octobris anno 96 geholden doer eenige vuyt haeren middell mett voerweten des greffiers aengenomen ende nemen aen midts desen Derrick Hubrechts, van Deventer, op conditiën datt synen dienst den eersten January 97 anvangende, hie syne residentie ende verpleginge in kost, dranck ende slapinge by gemelten greffier sall hebben, ende van dese Landtschap jaerlicks twee ende vyftich dalers, den daler ad dertich stuyvers, baven drinckgelden, schryffgelden ende andere emolumenten den klercken ofte onderschryvers toekomende, genieten ende ontfangen. Des wortt hie geholden alles getrouwelyck nae hett bevell der heeren Gedeputeerden van de Landtschap ofte des greffiers te schryven ende alle der Landtschaps saken, daer hie aver gaett, het sy met horen, lesen ofte schryven, secreet te holden, voorts alles te doene datt een goet klerck ofte onderschryver geboert te doene, gelyck hie oeck sulckes mett handtastinge te doene heeft angenomen. Actum Campen op den Lantdach als voren anno 1596.
Register van resolutien van Gedeputeerde Staten,
10 Juni 1597.
Also Derck Doirnebus, gewesene greffyr peremptorie geciteert was om op tegenwoordigen Landtdach in eygener persone to compareeren ende syne onschult ende genouchsame purge to doene van sodane beschuldingen, als hem op des Landes Claronge in anno XVIcXII binnen Deventer ende volgents op verscheiden Landtdagen to laste gelacht sinnen, to weten dat hy van eenige was gescholden voir een Landsdieff, kindermoirder ende ehebreecker, ende dat hy oick dair beneffens van de Landtschap beschuldicht was, dat hy des Landes pampieren ende registren ter quader trouwen verbracht ende vernichticht hadde, als anders etc. Dairop dan deselve Doornebus met opene deuren eens, twie, drie ende viermaelen over recht angeeyscht synde, niet en is gecompareert, oick over de gedaene scheldonge met den schelder getransigeert ende verdragen is, verclaeren Ridderschap ende Steden den voirn. Doornebus in de voirss. beschuldichde poincten in contumaciam vellich ende verwonnen, ordonneerende dat syne goederen alnoch by provisie in toeslach geholden sullen worden, reserveerende sich hair Ed. de vordere actie als sy namails to rade sullen vinden.
Register van resolutien van Gedeputeerde Staten,
11 Maart 1616, fol. 118 v°.
- Haga, A. (1928). De afzetting van Derk Doornebus als griffier der Staten. Versl. en Mededel. VORG, 45, 221-231.
