Twente in de eerste jaren na het twaalfjarig bestand

___↓___


|pag. 117|

TWENTE IN DE EERSTE JAREN NA HET
TWAALFJARIG BESTAND.

______

     Officieel liep het twaalfjarig bestand op den 9den April 1621 ten einde. Vermoedelijk zou niet direct wederom met de krijgsverrichtingen worden aangevangen, want men hoopte nog op een definitieven vrede, zeker op eene verlenging van de „trèves”, waartoe, naar men zei, de koningen van Engeland en Frankrijk hunnen invloed deden gelden.
     Wat hiervan waar is, waag ik niet te beslissen, doch zeker is, dat deze beide vorsten veel tot het sluiten van het bestand hadden meegewerkt en dat zij de besprekingen zoo veel mogelijk hadden begunstigd.
     Nu was reeds bij het begin van het bestand gebleken, dat men zich van den werkelijken toestand geen goed beeld had gevormd of wel, er was door beide partijen aan de overeenkomst niet dezelfde waarde gehecht.
     Er was bepaald, dat elke partij de landschappen, steden en heerlijkheden, waarvan zij op het oogenblik meester was, met de daaronder hoorende vlekken, dorpen en gehuchten ten platten lande zou blijven bezetten, hetgeen door de Staatschen werd uitgelegd, dat de Noordelijke Nederlanden zouden worden beschouwd als gebied, waarop noch de Spanjaarden, noch de Aartshertogen eenig recht pretendeerden en dat de rechten der Aartshertogen in Twente zich niet verder uitstrekten dan over Oldenzaal en zijn „Wijchbold”.
     En toch was nog slechts kort te voren gebleken, dat de Twentsche steden Ootmarsum, Enschede, Goor, Rijssen en Delden de Aertshertogen als hun heer erkenden, dezen verzocht hadden om erkenning hunner privilegiën, waarvan de inwilliging dateerde van 16 Februari 1609, terwijl de mede-

___↓___


|pag. 118|

deeling daarvan aan de stadjes zelf plaats had, toen het Bestand reeds was gesloten, (Ik vond dit stuk alleen in het oud-archief van Delden, de andere archieven bevatten niets hierover).1 [1.      Zie ook missive van de aartshertogen over de houding gedurende het bestand 1610 Maart 3 Oud Archief Delden.]) Bijlage I.
     Ook op het punt van den godsdienst had blijkbaar misverstand geheerscht. De Aartshertogen hadden er op gerekend, dat in Twente alleen de katholieke godsdienst zou mogen worden uitgeoefend, zooals de advocaat-fiscaal van den Raad van Brabant, Maas, die persoonlijk als gevolmachtigde der Aartshertogen aan de onderhandelingen van het accoord had deelgenomen, 16 Augustus 1610 aan de Staten Generaal schreef.2 [2.      Zie placcaat van Ridderschap en Steden v. 1610 Aug. 25, naar aanleiding van een rondschrijven Van Philippus Rovenus van 27 Aug. 1610 (nieuwe stijl).])
     De Staatschen hadden juist een tegenovergestelde meening en oordeelden direct na inluiding van het Bestand met de invoering van den Gereformeerden godsdienst ernst te moeten maken.3 [3.      1609 Mei 29, Oud Archief Deventer No. 65, 1609-31 Oud Archief Delden No. 30.])
     Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat er reeds spoedig behoefte bestond aan eene preciseering van de voorwaarden van het Bestand, welke 24 Juni 1610 werden aangenomen en 6 Augustus daarna werden geratificeerd.
     Zooals ik reeds aantoonde bij mijn studie over de Benoeming van Schepenen in Enschede in de Verslagen en Mededeelingen van 1909 bl. 101, stonden in den beginne blijkbaar de beide partijen als gelijken naast elkaar. Ieder benoemde zijn Schepenen en de door hen af te leggen eed was voor beiden aanneembaar. Langzamerhand zou dat echter veranderen en nam de invloed der Staatschen toe.
     Volgens mededeeling van den Enschedeschen stadssecretaris

___↓___


|pag. 119|

Albertus de Laer voor het stadsgericht van Enschede was het gericht niet langer dan één jaar van de beide richters (dat wil zeggen èn van dien van Staatsche èn van dien van Spaansche zijde) bediend geweest. De Heeren Staten hadden verboden, dat de richter van Con. Majesteits zijde ten gerichte zoude zitten binnen Oldenzaal of in het Landgericht en niemand uit dit gericht mocht daar voor het gericht geciteerd worden.
     Het feit, dat de Cancelarij van Cancelier en Raden in 1614 naar Roermond werd verplaatst en dat alleen de Raden Derck van Thill en Jacques Schuiten te Oldenzaal bleven resideeren tot gemak der justiciabelen, zal hiermede wel in verband staan.
     Op het eind van het Bestand was vrijwel de Staatsche invloed bevestigd en was alleen Oldenzaal nog Spaansch.
     Hier rustte men zich echter uit voor herwinning van den verloren invloed. Als Drost van Twenthe zetelde hier Johan Mulert op de Voorst, naast dezen de Superintendent van de Overijsselsche Contributiën Otto van Egmont, als titulair-Drost van Salland.
     Tegen den tijd, dat het Bestand ten einde liep, werden brieven van Sauvegarde aangevraagd. Wij lezen in de Overijsselsche Bijdragen VIII bl. 260, dat 28 Maart 1621 de Aartshertogen deze aan Salland hadden verleend en mogen aannemen, dat dit ook met Twente het geval was. 30 Mei 1610 berichtte t.m. de Richter van Borne, Herman Rammelman, aan Burgemeesteren, Schepenen en Raad van Delden, dat de brieven van Sauvegarde voor het land van Twente aan den Drost (te Oldenzaal) waren overgegeven, die ze door den Gouverneur aldaar zou laten authentiseeren.4 [4.      Oud Archief Delden.])
     Kenmerkend voor den geest dier dagen is, dat men beide partijen door geschenken gunstig hoopte te stemmen. De bijeenkomsten der Twentsche stadjes in dezen tijd hadden

___↓___


|pag. 120|

vrijwel tot eenig doel het bepalen van den aard en de distributie der giften, die steeds uit hammen bestonden.5 [5.      Oud Archieven van Delden, Ootmarsum en Goor.])
     31 Maart 1619 werd overeengekomen om aan de Drosten van Haaksbergen en van Twenthe en aan Heeren Gedeputeerden 5 schinken van acht pond of zes van zeven pond te vereeren uit naam van de vijf stedekens van Twente, Delden en Goor hadden de hunne gezonden aan Gedeputeerden, Rijssen de zijne aan Jonker van Heerde, Enschede zou de zijne zenden aan den Drost van Twente.
     12 April 1619 schreven Burgemeesteren, Schepenen en Raad van Enschede aan die van Ootmarsum om te Goor samen te komen en dan samen een kar of wagen te nemen om persoonlijk de hammen te overhandigen.
     De officieren te Oldenzaal moesten eveneens gunstig gestemd worden, 28 Mei 1621 werd te Enschede overeengekomen, dat men afgevaardigden naar Oldenzaal zou zenden ten huize van Otto Lubbertz, waar vermoedelijk Otto van Egmont resideerde en dat men elk drie schinken zou meebrengen, terwijl men den Drost Mulert eene vereering in zilver zou geven. Burgemeester, Schepenen en Raad van Enschede hadden dit reeds gedaan en die van Delden besloten hunnen goudsmid naar Oldenzaal te zenden om het patroon te zien.6 [6.      Oud Archief Delden.])
     Doch ook verder strekte zich de zorg voor een goede stemming uit; 1627 werd zelfs overwogen of het gewenscht was haver en schinken te vereeren aan den Gouverneur binnen Lingen en den anderen officieren.
     Onderwijl was het Bestand verstreken en al spoedig gevoelde men wederom de oorlogsweeën. De officieren van den vijand eischten ½ mud contributie extra ordinair, terwijl de aanslag van Twente in de generale middelen en bezaaide landen maandelijks ½ stuiver hooger was dan in Salland en Vollenhove.

___↓___


|pag. 121|

     Ook gevoelde men het als een bezwaar, dat de Spaanschen een rond bedrag te Oldenzaal eischten, terwijl men gewend was aan een omslag.
     Men ziet, heel vertrouwd vond men den toestand niet.
Albertus de Laer, de Enschedesche stadssecretaris deelde bij een proces mee, dat hij niet in staat was zijne zegels en brieven over te leggen, daar hij, „evenals vele zijner naeburen deze beij Uthganck der Treves buiten landes geschicket hadde”. Hij zou ze thans (dat was in 1623) wel uit Burg Steinfurt terug willen halen, doch de wegen waren zoo onveilig, dat men niet zonder gewapend geleide daarheen kon gaan.
     In 1624 werd van Spaansche zijde geinformeerd hoe men er over dacht om Cancelier en Raden wederom binnen Oldenzaal te doen resideeren 7 [7.      Oud Archief Kampen 5746 1624 Maart 18.]). 1 Juni 1626 werden de richters van Enschede en Borne door officieren uit Oldenzaal opgelicht en naar Oldenzaal gebracht8 [8.      Oud Archief Kampen 6254 1626 Juni 1.]).
     Toen was de maat echter vol. Ernst Casimir van Nassau werd afgezonden om Oldenzaal op den vijand te veroveren en 1 Augustus 1626 volgde de capitulatie.
     Wel was hiermede de oorlog nog niet ten einde en moest men nog steeds contributie betalen, zooals blijkt uit een schrijven van Otto van Lingen van 30 Juni 16309 [9.      Oud Archief Kampen 6709 1630 Juni 30.]), maar de druk was over.
     Dat men deze sterk gevoeld had, blijkt ook uit bijgaand schrijven aan Burgemeesteren en Raad van Goor. In een geschil tusschen de stad Goor en den Heer van Huis Heekeren had de Drost van Twente uitspraak gedaan en Gedeputeerden deze bevestigd, doch de magistraat had zich niet gerust gevoeld en de zaak wederom bij het Hof te Oldenzaal aanhangig gemaakt.

___↓___


|pag. 122|

     Onder verwijzing naar zijn placaat van 18 Maart 1624 verbiedt de Drost van Staatsche zijde Burgemeesteren, Scheepenen en Raad voor het Hof van Oldenzaal te verschijnen.10 [10.      Het archief van Delden bevat een beschikking van Johan Mulert van Voerst van 12 September 1622 in burgerlijke zaken.]])11 [11.      Dat van Ootmarsum eene marginale apostille, gegeven te Oldenzaell 28 April 1623 door den Heer Drost van Zallandt, verwalter van het Drostampt Twente en geteekend Otto van Egmont.])
     Eerst door de vermelde verrassing van Oldenzaal in 1626 door Ernst Casimir, gevolgd door de inname van Groenloo door Fredrik Hendrik in 1627, verloren de Spanjaarden hunne positie in den Oosthoek voorgoed.
 
C.J. SNUIF.
 

___↓___


|pag. 123|

BIJLAGE I.

     Op de Supplicatie, overgegeven ende gepresenteert aen Ertshertogen onze genaedichste Heeren en Souveraine princen in hunnen Secreten Raedt van wegen Burgemeesteren, Schepenen en Raden der respective vijf Stedekens. In den Lande van Ouerijssel naementlijck Oetmaersen, Enschede, Ghoer, Rissche en Delden, inhoudende, hoe dat zij van allen ouden tijden zoo van voirsaeten van hare hoochheiden, als die Bisschoppen van Stichte van Utrecht Ouerijssel Lantsheeren derselver Ende naer date des opdrachts van Lande aen hochgedachtiger Matt. den Keijser Carolus den vijffden Ende daernae bij Con. Mat. gesuccedeert op haere hoocheden zijn versien gewest en gebleven bij hueren respective previlegien en oude heercomen en gebruick, Ende In Sonderheit beschreven en erkent gewest tot Landtsaeker vergaderingen en in deselve mede geraempt en gestempt. Ende daer bij oock behoord en bij continuatie erkent te blijven. Des en nijet tegenstaende bevinden die Suppl. ten hun desen aengaende int versuymen ofte vergetten teghen Recht en Billickheit gemerckt zij als anderen moeten gheven en gelden. Ende ouersulcx oock te meer als reden dat zij mede geroepen en gekent worden naer olden en Immemorialen gebruycke en heercomen. Ende betrouwende sich die Suppl. ten dat haerer-hoocheden meyninghe niet en is hen meer als andere te priveren en benemen huer previlegien en gebruick, zoo waeren zij Suppl.ten ten einde van daerinne gestifft en gemaintenert te worden ten goeden exemple van anderen haere toevlucht nemende tot haere hoocheijden dezelve zeer oitmoedelick biddende Ten fine dezelve zouden gelieven hun te vergunnen haere voirschrijven Raden in Ouerijssel Mr. Theodoro van Thill en Diderick Hertgers residerende tot Oldenzael hun ordonneren en autoriseren voir zo veel des noot mach wesen, dat hun blickende van voors. vrijdicheit en possessie zij deselve daerinne zouden holden en mainteneren Ende in cas van

___↓___


|pag. 124|

swaerigheit of differentie partijen ofte her gemachtighde vor hen doen comen en die in hun differentie gehoert en tot dien, gesien huer documenten en bewijssaecken en alles wes daeraen cleft, gesien hun respective te ordonneren zo zij in goeder justitie zullen bevinden te behoeren, houdende en doende houden midlertijt alle voirderen geschil en exsecutie in state en surseantie ter tijt en wijlen alles gesien anders sal wesen geordineert, Haere Hoochijden voerschr. tegens waerheit is overgemercket en daerop gesat tot advis van voergemelde twee Raetsluyden Derick Hartgers en Derick van Thil, naerdien zij hun ieders voerst en volcomenlick hadden geinformeert, hebben geordineert en ordonneeren mits desen den Drost van Twenthe dat hij aengaende de uytsattinge en repartitie des Lantsschattingen, Exactien en Ongelden, zal schuldich sin t onderholden           gemeente en hem den volgents te reguleren, den voirs. Suppl. ten sampt andere geïnteresseerden de in dat toebehooren zal ontdeckende en mede te kennen gevende waertoe de successive Ingewilligde penningen zullen worden geemployeert opdat zij mogen weten oft zij tot deselve te contribueren schuldich zijn en dat zij boven oude costuymen niet en worden belast en beswaert.
     Aller Incorformiteyt van het oudt gebruick en maintien van doene hierbevorens geobserveert.
     Gedaen in de Stadt van Brussele den zevensten dach Februarii XVI C negen.
     Was dussen principael versegelt durch een opgedrucket papier met een Rode Ostije Endt onderstondt geschreven T. Berti.
     Gecollationeert ys Jegenwordige Copie tegens haer principael en yij daermedde vergelickende befunden Bij mij Nicolai Linden Aldenzal. Notar. public. quod in fidem subscripsit 1609 31 August.

     Naar het origineel op perkament, zich bevindende in het oud archief der stad Delden.

___↓___


|pag. 125|

BIJLAGE II.

Ernveste, vrome und discrete Borgemeijsteren, Schepenen
unde Raedt der Stadt Ghoer, Mine gunstige gude
Vrunden, tot Ghoer.

___________

     Ernveste, Vrome unde discrete gunstige gude Vrunden.
Ick bin In geloeff-werdige ervaringe gekomen, dater nhu onlangs sekere Sententie binnen Oldenzael van ennige Officieren aldaar, die sich intitulieren Raeden des Coeninx.) tusschen U.E. und Herman van Ensse solde sin Uytgesproken warbij die proceduyren in deselve saeke wettelicken angevangen ende gedeterminirt ende wat an Unser sijde gedaen is wordt, gecassert ende annullirt Welckes in gienerleij manieren to liden anstaet Uijt redenen diewilen dese questie al voirlanges bij den Trefues vor den Drost Ripperda is disputabel gemaeckt ende aldair vor sin Ed gedient hefft.
Und entlich doer die heren Gedeputierden deser Landtschap is gedecidirt und affgedaen.
     Ende aldewilie Ick darbeneffens verstehe, dat dieselve anwesende Raeden U.E. sollen to laste gelecht hebben, omme in sekeren korten tit vor haer te principale to andtworden und sich als daer in recht, widders in tolaeten strijdende solckes directelick tegens mijn placcaet van den 18 Martii lestleden, so ick uyt laste van Ridderschap ende Steden, representierende die Staten van den Lande, auerall in mijn anbevolen Ambt hebbe doen publicieren ende affigieren So laste Ick U. E. hirmede ambtshalven bij die Pene van hondert golden realen, dat U.E. dese inholt van sulcken sententie nijet en sollen gehorsamen offt ennige terminen van rechte binnen Oldenzael respicieren ende waernhemen Sonder sich in desen holden ende dragen conform mijn placcaet vors. Offt anders doende Sal ick nijet alleine die vorg. pene an U.E. promtelick doen exsecutieren, maer sall darbeneffens oick andersins tegen U.E. prosedieren,

___↓___


|pag. 126|

als ick tot sterkinge deser Landtschaps Hochheit ende maintenu van mijn placcaet bevinden sall to behoeren. Darna sich U.E. tot vermijdinge van schade moege weten te regulieren. Mit bevelinge des almachtigen Datum Deventer den 26 July 1624 was onders U.E. gunstiger Vrundt.
     Robert van Ittersum to Nienhuys, Drost des Landts van Twente.
     Op Papier. Oud Archief van Goor.
 

  • Snuif, C.J. (1928). Twente in de eerste jaren na het twaalfjarig bestand. Versl. en Meded. VORG, 44, 117-126.
Category(s): Twente
Tags: ,

Comments are closed.