De toestand der geneeskunde in Twente in de Zeventiende eeuw

___↓___


|pag. 92|

DE TOESTAND DER GENEESKUNDE IN
TWENTE IN DE ZEVENTIENDE EEUW.

DE CHIRURGIJN ADOLPH DE MEIJER TE GOOR
VAN 1663—1698.

_____

     Over het algemeen is omtrent den toestand der geneeskunde in de landprovinciën buiten de groote steden in bovengenoemd tijdvak zeer weinig bekend en een grooten dunk heeft men er niet van.
     Daarom treft het ons zoo, wanneer we zeer onverwacht in de gelegenheid zijn om kennis te nemen niet van een enkele aanteekening, maar van het dagverhaal van de geheele praktijk van een „meester” uit dien tijd.
     Zijn ons in Goor voor het begin der 17e eeuw zelfs geen namen van chirurgijns bekend (op Petri 1650 wordt als eerste Jan Couper „barbier”, gemeensman), het toeval brengt ons in 1663 onverwacht in kennis met Adolph of Aleff de Meijer en we zijn in staat over dezen zooveel bouwstof samen te brengen, dat zoowat zijn geheele leven voor ons open ligt.
     Wij danken dit aan het feit, dat zijn schoonzoon jaren later bij de afwikkeling der nalatenschap het schuld- of rekenboek van de Meijer, dat is zijn boekhouding naar den stijl dier dagen, in het stadgericht moest deponeeren en het bleef daar liggen tot op onzen tijd.1 [1.      In curia vertoont den 12 Martii 1708 ter presentie van Burgmrn, Joan ten Noever, Jan ten Thije, Werner Jalinck Sen., Werner Jalinck Jun. A. POTHOFF, Secr.])
     Die rekenboeken toch hadden „bewijs-kracht”, vooral wanneer ze door een eed werden versterkt en meermalen komt het voor, dat we in oude rechtsboeken lezen, dat die of die zijn rekenboek had getoond.

___↓___


|pag. 93|

     Dat boek van Adolph de Meijer heeft vermoedelijk zijn geheele praktijk door voldoende ruimte aangeboden, zoodat wij deze er geheel in kunnen overzien, behalve van de oorlogsjaren, toen hij zijn kladboek was kwijt geraakt. Hij was n.l. niet gevlucht, maar had brieven van sauvegarde genomen.
     Voor in het boek staan, evenals in den familiebijbel, de gebeurtenissen van geboorte en dood aangeteekend (bijlage 1), die in het gezin hebben plaats gevonden, dan volgen eerst meer regelmatig, later eenigszins verspreid, als om plaats te winnen en open ruimten nog te benutten, de aanteekeningen van wat in de praktijk voorviel en vooral hoe de belooning werd geregeld. Daartusschen vinden we nu eens eene mededeeling over hetgeen de dienstbode nog te goed had, dan wat de een of ander aan pacht schuldig was gebleven, einde0lijk worden we ingelicht over enkele uitgezette gelden.
     Adolph de Meijer was de tweede zoon van Jan de Meijer, hofmeijer van den Hof te Goor en Elisabeth Stuers en werd geboren te Goor den 26 Mei 1638. Op 24-jarigen leeftijd huwde hij met Johanna Brandt, dochter van Jan Brandt, schout van Markelo, die hem twee zoons en vier dochters schonk. Hij stierf in April van het jaar 1700, zijne vrouw overleefde hem eenige jaren om in 1714 te overlijden.2 [2.      Mr. H. Kronenberg. Uittreksels uit het „Kerkenboek van Goor.” Wapenheraut 1915, bl. 4 v.
     1662 Dom XII Trin. (17 Aug.) geproclameert Adolph Meijer chirurgijn, soon van zal. Jan Meijer in sijn leven hofrichter ende p.t. Borgmr. tot Goor ende Janna Brants, dochter van Jan Brant, Schultis tot Marckel cop 23 Trin. (2 Nov.)]
)
     De Hofmeijer dier dagen behoorde tot de gezeten burgerij; was hij aan de eene zijde heerenboer, aan den anderen kant was hij, als voorzitter van het Hofgericht, verwant aan de juridische kringen. Vandaar dat wij regelmatig, vooral jongere zonen van hen aantreffen onder de studeerende jongelingschap. Zoo had b.v. een der zonen van een vorigen hofmeijer van Goor te Burg-Steinfurt aan het Arnoldinum gestudeerd,

___↓___


|pag. 94|

waartoe hij in staat was gesteld, doordat de vrouwe van Almelo, Agnes van Westerholt, Wed. van Rotger Torck, hem de inkomsten had toe gewezen van de Vicarie Beatae Mariae Virginis in de kerk te Goor, waarover zij als collatrice de beschikking had.
     Vaak ontdekt men in deze „vereeringen”, zooals ze werden genoemd, eenige continuiteit, even als in de plaats van studie.
Ik informeerde daarom of te Burg-Steinfurt ook de lijst der leerlingen aan deze bekende onderwijsinrichting was bewaard gebleven, doch tot mijn spijt kreeg ik bericht, dat deze sedert het begin der negentiende eeuw was verloren gegaan.
     In zooverre gaf mij deze inlichting nog eenige aanwijzing, dat zij tevens inhield, dat van 1635—1645 het Arnoldinum wegens de bezetting van Steinfurt tijdelijk naar Schüttorf was overgebracht, waardoor allicht de boven genoemde continuïteit kan zijn verstoord.
     Ook de lijsten der studeerenden aan de verschillende universiteiten in ons land gaven mij geen uitsluitsel. Vermoedelijk heeft hij aan eene andere inrichting dus zijne opleiding genoten; zijne terminologie en het gebruik van Latijnsche vaktermen, stempelt hem echter tot een gestudeerd man.
     Door zijne familiebetrekkingen stond hij midden in het burgerlijk leven van Twente en tal van patiënten worden als Oom, Neef, Cousijn enz. aangeduid.
     Voor hen, die met Twentsche families bekend zijn is het wellicht van belang, dat de Richter Herman Cost te Borne door hem Neef werd genoemd, dat de chirurgijn Holst in Ootmarsum door hem eveneens met Neef werd betiteld, dat de predikant Eijbergen in Diepenheim Neef heette enz. om van de verschillende familieleden in Goor maar te zwijgen.
     Daar behoorde zoo wat alles wat van eenige beteekenis was, tot zijne familie. Toen hij dan ook in 1663 genoodzaakt was om te zamen met zijn stiefvader, Gerhardt Velthuys, een proces te voeren tegen zijne nicht Agnis Pothoff, gehuwd met Hendrik Cuyper, deden zij aan den Drost van

___↓___


|pag. 95|

Twente het verzoek om hun een ander gericht aan te wijzen, daar vrij wel de geheele magistraat van Goor tot hunne familie behoorde. Deze wees hun toen Delden aan.
     Bij het begin van zijn praktijk ging hij met zijn neef Christoffer Pothoff een contract aan om elkaar tot wederopzeggens „kunst om kunst” van dienst te zijn, zonder daarvoor elkander te betalen. Neef Pothoff zou hem in processen of andere rechtszaken en in schriften van requesten, hij dezen in ziekten, accedenten, kwetsuren enz., dienen, zoo lang zij beiden bekwaam zouden zijn voor hun vak. Wanneer een van beiden echter onbekwaam mocht worden, zou het contract geacht worden te zijn verbroken en zou het elk der partijen vrijstaan zich andere hulp te verschaffen.
     Wanneer zijn rekenboek door ons van het begin tot het einde is doorgewerkt, treft het ons, dat, moge zijn inzicht al door de ondervinding zijn gescherpt, zijne medicamentatie van het begin tot het einde vrijwel dezelfde bleef. Welk een verschil met den tegenwoordigen tijd!
     Vermoedelijk zal het gemis van vaklitteratuur daaraan niet vreemd zijn.
     Wij weten niet of Adolph de Meijer bij zijne vestiging te Goor nog andere heelmeesters daar aantrof; wel is ons bekend, dat later een jongere n.l. Gerrit Hessels zich daar vestigde, met wien de M. van tijd tot tijd samen werkte.
     Over de destijds in andere plaatsen van Twente gevestigde geneeskundigen worden we ingelicht, doordat de Meijer van tijd tot tijd met hen in consult ging, evenals dit het geval was met eenige doktoren in de Steden.
     Indien we mogen aannemen, dat hij zich in 1663 had gevestigd, dan had hij blijkbaar spoedig een goeden naam. Niet alleen in Goor, maar overal in het rond vinden wij zijne patiënten. Vooral onder den adel op de toen in Twente zoo talrijke havezathen, had hij een groote praktijk.
     We hebben dan tevens gelegenheid om getuige te zijn van de groote gastvrijheid op deze kasteelen, waar nu deze

___↓___


|pag. 96|

dan gene door de Meijer werd behandeld, terwijl wij anderzijds onderricht worden op welke edelmanswoning een bepaald persoon op een bepaald moment verblijf hield. Om een voorbeeld te noemen, de vrouw van den Drost van Haaksbergen treffen we nu eens aan op de Oldemeule dan weer op Weleveld, welke beide haar toebehoorden.
     Op het Weleveld hadden we de Schele’s verwacht, doch deze treffen we aan op Warnink(hof) of het Sladenhuis bij Hengelo. Eerst later zouden de Schele’s weder op Weleveld hun intrek nemen.
     Zooals ik reeds opmerkte, waren de havezathen in Twente destijds zeer talrijk, maar speciaal om Goor en Diepenheim waren in dien tijd de machthebbers der provincie gevestigd. Daar troffen we aan de Drosten van Twente en Salland, Haaksbergen en Vollenhove, soms ook die van Lingen. Daar vonden we den Landsschrijver en den Fiscaal. (Dan wordt het ons duidelijk, dat men van het Twentsche Haagje kon spreken, eene vergelijking, die nu vrijwel mank gaat). Maar dan begrijpen we ook de sterke ineenzinking, die plaats vond, toen „het Hof”, als we het zoo noemen mogen, Goor had verlaten en ten deele in Ootmarsum zijn standplaats had gezocht. (Drost v. Heijden Hompesch).
     Als we de ziektegeschiedenissen dezer machthebbers in het rekenboek naslaan, kunnen wij ook van hen getuigen, dat niets menschelijksch hun vreemd was. Toch komt ons een glimlach op het gelaat, wanneer we zien, dat de Meijer door den Heer van het Weldam, Unico Ripperda, naar Deventer werd ontboden, omdat hij zijn hoofd had gestoten aan de bovenzijde der bedstede, terwijl hem een paar jaren te voren de gordijnroede van het ledikant op het hoofd was gevallen.
     Op sommige gezinnen schijnt een fatum te rusten, wellicht een gevolg van inteelt of slecht begrepen hygiëne. Om ook daarvan een voorbeeld te geven: de kinderen van Rechteren waren de een na den ander mismaakt. Was het eene kind met een paar beugels te helpen, een ander had behoefte

___↓___


|pag. 97|

aan een geheel harnas. Eerst had de Meijer het met bordpapier in het keurs geprobeerd, doch dit was niet afdoend gebleken. De beugels moesten elk jaar bijgewerkt worden Had de Meijer daarvoor in Goor de hulp van den bekenden klokkenmaker Jurriën Sprakel tot zijn dienst, voor de kinderen van Rechteren ging hij persoonlijk naar den smid te Zwolle en als deze het ijzerwerk klaar had, maakte een schoenmaker „het stevelken” daarbij.
     Ongevallen kwamen nog al eens voor. Er zijn er daarbij, die ook in onzen tijd passen, zooals een boer, die van de hilde valt, iemand, die een flesch breekt en het glas in zijn hand krijgt, het verwonden van een oog met een mes enz.
Andere zijn door de verbeterde werkmethoden van onzen tijd ondervangen, zooals het toen nogal vaak voorkomen van het springen van den loop van een geweer. Sommige zouden wij alléén aan onzen tijd eigen achten, zooals het springen van drie handgranaten, waarbij de Vaandrig van Coeverden te Deventer zich dusdanig de handen verwondde, dat vier chirurgijns en Dokter van Essen uit Deventer hem moesten verbinden. Nadien heeft de Meijer deze patiënt nog van 1 November 1687—12 Aug. 1688 behandeld en noteerde deze daarvoor 140 gld. honorarium.
     De Heer van Ripperda werd door een paard in den rug geslagen.
     Had iemand zich ernstig gewond, dan werd eerst de wond zoo noodig met lueswater uitgewasschen3 [3.      Lueswater, zooals de naam aanduidt, oorspronkelijk tegen Lues, Morbus gallica of Syphylis bestemd, wordt onder verschillende voorschriften in het Lexicon van D. de Spina vermeld. Het bestaat uit een destillaat van een kruidenmengsel met Spaansche of witte wijn en zal dus tamelijk alkoholhoudend zijn geweest.]) en dan verbonden.
Was genezing ingetreden, dan werd een poeder gegeven voor het gestolde bloed en eindelijk werd met een warme hand gesmeerd „sal dienen om die schadelijke materie in de zenuwen en muskelen te verteren”, zie hier onze moderne massage.

___↓___


|pag. 98|

     Ook zeer ernstige ongelukken wist de Meijer tot een goed einde te brengen. Zoo was iemand een wagen over het lijf gegaan waarin 13 (het ongeluksgetal!) menschen zaten. Niet te verwonderen, dat deze heel ernstig gewond „inwendig en uitwendig tot dood bezeerd was”. De Meijer wist hem in 6 maanden weer op de been te helpen, hij noteerde daarvoor 30 gld. honorarium.
     De „jonkers” waren nog al eens doldriftig, naar het schijnt.
Jonker van Ensse van Heekeren sloeg een meisje van Hengel met het gevest van zijn rapier een gat in het hoofd. Maar ook de burgers gingen zich wel eens te buiten, zoo had de zoon van Hendrik van Coesfelt Fenneken Pothoff de neus van het hoofd gesneden. Ook op de jacht geschiedden nog al eens ongelukken; de zoon van den Heer van het Weldam schoot onder het gaan een klopper den voet af.
     Naar de gewoonte dier tijden was de Meijer tevens barbier.
Onder zijne klanten telde hij ook den Drost van Vollenhove, heer van het Weldam, die hem van 1674—1678 jaarlijks daarvoor 6 schepel rogge ter beschikking stelde.
     Dit brengt ons van zelf op de Naturalien~Wirtschaft.
Allerhande artikelen werden hem voor zijn arbeid in betaling gegeven. Van de boeren kreeg hij rogge, boekweit, vlas en kippen. Eenmaal, toen een klant dreigde insolvent te geraken, nam hij gras in betaling aan.
     Edelen uit de veenstreek voldeden met een schuit turf, kleine boeren met smaldoek (waarvan een el een stoter tot zes stuiver gold). Eenmaal kreeg hij een benneken schelvisch in betaling. Soms werd met steenen en pannen verrekend, waarvan de Meijer er als hij ze zelf niet noodig had, ook aan anderen afstond.
     Verscheidene patiënten moesten hem een of meer dagen met hunne paarden helpen.4 [4.      Over een nota van 50 Gulden werd men het eens voor het aldernaast 12 gulden in geld, een voer turf, een paar hoenders en drie dagen helpen met de paarden. Een andermaal werd geaccordeerd voor 2 ducatons en een haas.])

___↓___


|pag. 99|

     Was hij in hoofdzaak chirurg, we zien hem ook als internist, als bandagist en orthopedist; de hulp aan kraamvrouwen liet hij blijkbaar aan de wiesemoer over, geen enkele post daarover komt in zijn boek voor. Alleen gaf hij een drank om des te bekwamer te verlossen.
     Wel behandelde hij de zuigelingen. Het was toen nog geen gewoonte om in bepaalde gevallen een druppel zilvernitraatoplossing in de oogen van de jonggeborene te brengen; maar kregen een paar zuigelingen last van „inflamacy ende swolst”, dan moest een middel daartegen worden bereid.
Bij spruw gaf hij niet het kind, maar de min een medicament in den vorm van kruiden, die ze op wijn moest zetten, bij spasmus of termienen (stuipen) bond hij iets op de polsen.
     Wormen kende hij blijkbaar niet, wel „den worm” die uit het hoofd zou komen. Het was blijkbaar een ernstige ongesteldheid; bij het accoord, dat hij meermalen aanging over de vermoedelijke kosten, eischte hij een Rijksdaalder ook al ging het kind dood.
     De medicamentatie bestond in een kussentje, dat op den navel werd gelegd. Verder werd deze met linden- en mei- bloesemwater behandeld.
     Van de ons bekende kinderziekten kwamen kinderpokken en mazelen (de blekken) ook bij volwassenen nog veelvuldig voor. Om de ziekte te doen uitslaan gaf hij den patiënten tinctuur van saffraan.5 [5.      Ook in andere middelen om de pokken te doen uitslaan kwam saffraan voor. Zoo b.v. in het volgende, dat ik aan een kloosterreceptenboek ontleende: Venkel of anijszaad van elk zooveel als men tusschen drie vingers kan vatten koke men met zes of zeven vijgen in een pint bier. Als het gekookt is, zijge men het door en koke het dan weer op met wat suiker en SAFFRAAN.])
     Diphtheritus zal wel onder den algemeenen naam van Angina schuil gaan, ook wel genoemd „een kwade hals”. Het geneesmiddel er tegen was een gorgelwater. Soms werd onder de tong ader gelaten, werd aan de buitenzijde een pleister

___↓___


|pag. 100|

geappliceerd of werd gepapt. Om den brand der koorts weg te nemen, werd Sal Prunellae6 [6.      Sal Prunellae. Hoewel dit identisch wordt verklaard met Kalium nitricum tabulatum (Arends Synoniemen Lexikon No. 1462) is dit door zijn bereiding iets anders, daar in de gesmolten salpeter 5% zwavel wordt gebracht, die tot sulfaat zal worden geoxydeerd.]) in wijn of scharbier gegeven.
     De Roodvonk werd nog niet vermeld, wel trof ik deze ongeveer 100 jaar later in Ootmarsum veelvuldig aan.
     Van de andere besmettelijke ziekten noem ik in de eerste plaats de brandziekte of typhus. Deze eischte vele offers.
Evenals tegenwoordig waren er natuurlijk epidemiën. Bij het geringe locaal verkeer is het niet te verwonderen, dat bij eene infectie- ziekte als de typhus, die voornamelijk door contact werd overgebracht, waar ieder nog zijn eigen melk won enz., deze langzamerhand scheen op te schuiven b.v. van Diepenheim over Goor en dan verder naar Borne en Almelo.
De verschijnselen noemt de Meijer niet, maar hij geeft verschillende medicamenten. Zoo spoedig de koorts opkwam werd een dyaschordiaal7 [7.      Een preparaat van de toen in verschillende vormen gebruikte Folia Scordii. Hier is vermoedelijk bedoeld het Electuarium Diascordii, dat behalve verschillende aromatica ook 1 % opium bevatte.]) gegeven, een zweetdrank, die veelvuldig aanwending vond, bij benauwdheid gaf hij een cordiaal8 [8.      Cordiale. Het voorschrift in de Pharmacopoea Antverpiensis geeft den schrijver Kornelis Elzevier, apotheker en chymist te Amsterdam, aan wiens Lexicon ik verschillende voorschriften voor de door de Meijer gebruikte middelen ontleende, de woorden in den mond: Maer waer in bestaat nu het Cordiael, in de drie vingergrepen bloemen, die gedroogd zijnde niets en versch weinig te beduiden hebben ? Zeker, men mocht dit afkooksel wel een anderen naem dan dien van Cordiael gegeven hebben.]) waarin ik geen enkel thans gebruikt hartmiddel kan terugvinden) verder een drank voor de hitsige koortse, een koeldrank, een drank voor de dorst enz.
     Steeds was het een gevreesde ziekte en het zal ons dus niet bevreemden, dat de Meijer aan zijn neef Stuer in Lonneker9 [9.      Bedoeld zal zijn Joan Stuer, gehuwd met Margarita Bramcamp, eerder wed. van Gerrit Hofmeijer van Espelo.])

___↓___


|pag. 101|

een kannetje stuurde „daarin een preservatief voor deze krankheit” en 6 pillen om in het begin van de ziekte in te nemen. Dat was in 1680 het topjaar in de geheele praktijk van de Meijer.
     Wellicht is het van belang het aantal gevallen, dat de Meijer onder zijne behandeling had op te nemen. Zie bijlage II.
     Eenmaal onderscheidt hij speciaal „Russische brandziekte;” of dat onze Typhus exanthematicus is naast de Typhus abdominalis of Febris typhoidea?
     Deze duurde 7 weken, de gewone 13 à 14 dagen.
     Een ziekte, die bijna niet meer van onzen tijd is, is de scheurbuik of het schuerbuet. Het kwam veelvuldig voor, de tanden zaten los, het tandvleesch zweerde. Er werden koppen gezet en Elixir Proprietatis10 [10.      Elixir Proprietatis. Vermoedelijk het thans nog gebruikte voorschrift van Paracelsus, een tinctuur van Aloe met Myrrha en Saffraan.
     In het voorschrift van Zwelfferus, dat door Jungken in zijn lexicon wordt vermeld, wordt nog bovendien metallisch kwik meegekookt. We zien daar dus reeds de kwikkuur naar voren komen, die nog steeds zijn belang heeft behouden.]
) gegeven om te beletten, dat de losse tanden zouden uitvallen. Ook in andere gevallen nam hij de zorg voor de tanden op zich; hij maakte ze schoon, verwijderde den aanslag er van en gaf eene Tinctura odontalgica of Mondwater. Tegen slechte kiezen gaf hij Tinctura Myrrhae en Aloes (voor caries ossium).
     Eene ziekte, die we van tijd tot tijd genoemd vinden, is de Morbus gallica of Lues. De medicamentatie bestond in een decoct van Radix Sarsaparillae, Lignum Guajaci, Radix Chinae enz., dat ik in hoofdzaak in het begin van mijn loopbaan zelf nog wel heb gekend.
     Koorts vinden we zeer vaak vermeld. Behalve de gewone vinden we gesproken van derdedaagsche en alledaagsche.
De Meijer gelukte het de diagnose daarop „uit het water te maken”, evenals het hem mogelijk was een derdedaagsche

___↓___


|pag. 102|

in een alledaagsche te veranderen, beide voor de moderne medici niet meer bereikbare resultaten.
     Onder Sluupkoortse zou ik de tering (tuberculose) willen rekenen, hoewel ook eenmaal de teringhe genoemd wordt.
Wellicht is het ook binnenkoorts of malaria. Het voorkomen op de Oldemeule geeft te denken.
     Morbis commitalis of hartvanck is onze beroerte. Was de mond gesloten, dan werd deze opengebroken. Het duurde even als in onzen tijd vaak maanden, voor de patiënt weer beter was en de geheele artsenijschat werd er op beproefd. De slapen van het hoofd en de zenuwen van de hals werden met een soort spiritus gewreven.
     Onder roeringe of geraaktheid zou ik eene aandoening der zenuwen willen verstaan. Daartegen gaf hij eene tinctura preservatief drie malen daags twee lepels in de maanden December, Januari en Februari bij het wassen en afgaan van de maan te nemen, terwijl de ruggegraat werd gesmeerd met unguent. paraliticum.
     Gelijk een volgeling der humoraal pathologie, die onderscheidde cholerische, phlegmatische, melancholische en sanguinische temperamenten, zoo vermeldt de Meijer galachtige en scherpe humoren; vermoedelijk bedoelde hij de eerst en de laatst genoemde.
     Voegen we hieraan nog toe, dat de Meijer bekend was met struma, met isschyas en met haemorhoiden, dat hij onderscheidde scrophulae of kropzweren als tegennatuurlijke gezwellen van de klieren van de hals, dan resten ons nog zijne dietische middelen.
     Miste een genezen patiënt de eetlust, dan werd hem een pulvis vitae voorgeschreven, dat een tijd lang ’s morgens nuchter met Spaanschen wijn werd ingenomen. Het was tevens goed voor de hoest en om den lever te sterken.
Klaagde iemand over zijn maag, hij kreeg Elixer Proprietatis Paracelsi, dus een laxans.
     Personen, die zuinig op hun lichaam waren, namen in de

___↓___


|pag. 103|

Meimaand een Meidrank, waarvoor M. de kruiden bestelde, die hem 36 Stuivers kostten en waarbij hij 4 St. voor zijn moeite nam.
     Kwam de oude dag met zijn kwalen, dan meldde zich eerst het graveel aan. Oleum nigrum en spiritus yndakus werden er tegen voorgeschreven.
     Een kussentje met kruiden om de zijde daarmee te stoven en Aqua Cardui benedicti met Sal Absynthi en Sal Cardui benedicti, ziedaar een ander middel tegen deze kwaal.
     Anderen klaagden over de moeielijkheid „het water te maken”, de Meijer schreef dat toe aan slijm en materie der nieren in de blaas, hij werkte met warme compressen.
     Bij de bekende spreuk: bene purgat, bene curat (wie goed voor den afgang zorgt, geneest veel) moet het ons niet verwonderen, dat laxantia veelvuldig werden toegepast. Zijn middel, bestaande uit sennebladen, rabarber, cremor tartari en tamarinde zou ook nu nog geen slecht figuur maken.
     Moest bij vastgezette koude de borst worden „geopend”, hij gaf manna. Kortademigheid werd genezen met balsamum Locatelli, bij Pleuris deed hij eene lating en legde een warm verband in de zijde.
     Den Heer van Raesfelt werden de „schillen van de oogen genomen”, hetgeen wij slechts in het figuurlijke kennen. Wat hij er onder verstond waag ik niet te zeggen. Bij een andere oogaandoening legde hij een blaartrekkende pleister achter de ooren, hetgeen onder het volk nog wel voortleeft.
     Een loopend oor werd behandeld met spiritis mixtum soldianum, een doof oor werd behoorlijk schoon gemaakt.
     Meermalen werd hij geroepen om iemand den huich te lichten. Ook gaf hij daarvoor een poedertje; hij scheen er een vorm van kanker in te zien.
     Breuken kwamen oudtijds niet minder voor dan thans, doch zij werden niet geopereerd. Zorg was dus te dragen voor een goede breukband. Wilde de breuk niet inblijven, dan werd de band met compressen voorzien.

___↓___


|pag. 104|

     Was een breuk uitgegaan, dan werd met een zakje met heet zand deze gestoofd en dan, vaak met veel moeite, weer ingebracht.
     Tegen de kanker was ook toen geen afdoend middel gevonden; de Meijer had blijkbaar nog al succes met het snijden daarvan. Een patiënt, die daartoe niet wilde overgaan, moest hij aan deze ziekte verliezen.
     De Meijer had een middel „om de memorie te versterken”, hoe veel zou de kennis hiervan wel ons zijn waard geweest, hij geeft de samenstelling echter niet op.
     Vermoedelijk maakte hij slechts weinige middelen zelf en ik heb een flauw vermoeden, dat deze hem werden geleverd door een apotheker in Deventer, genaamd Meijns.
     Mijn overzicht zou niet volledig zijn, als ik geen gewag maakte van de keurbare wondinge,11 [11.      Landrecht van Overijssel II Dl. XIII Tit. V. Also een Richter of Schout gehouden is, met twee goede mannen de wondinge van een barbier te laten punten ende besien, of sij keurbaar is of niet.
     Een keurbare wond zal zijn in het lijf een lid diep, in het hoofd boven het oog een lid lang en het lid zal zijn het eerste, het nagellid van den langsten vinger.]
) het twistpunt der rechters van dien tijd. Toen een keurbare wondinge moest worden geconstateerd, waren hierbij behalve het gericht twee burgemeesters van Diepenheim vertegenwoordigd; een andermaal werd van papier een mal van de wond gemaakt, om in het gericht te vertoonen.
     Nu we toch aan de gerechtelijke geneeskunde toe zijn, wil ik vermelden, dat de M. ook met sectie werd belast.
     Van meer vreedzamen aard was zijne arbitrale uitspraak over het meesterloon, dat een collega toekwam.
     Bezien we even welke diensten de Meijer als huidarts presteerde, dan hebben we eerst de schurft, een ziekte, die in vroegeren tijd zeer verbreid was. Een Unguentum ad Scabiem treffen we op vele oude doktersrekeningen aan. Gewoonlijk gaf men er aan den naam van harnasy.

___↓___


|pag. 105|

     Dan hebben we de elephantiasis of melaatschheid, waarbij de M. zijn patiënt van het hoofd tot de voeten in de zalf zette.
     Het schijnt, dat hij verband met syphylis vermoedde, want inwendig gaf hij 2$\frac{1}{2}$ Liter van het boven reeds vermelde sarsaparil decoct.
     Belroos werd aan een „kwade hand” toegeschreven, terwijl hij, wat wij infectie noemen, toeschreef aan „de koude lucht”.
Onwillekeurig had hij in den brandewijn, waarmee hij een verband nat maakte, een voorlooper van ons spiritusverband gevonden.
     Bij sommige verwondingen kwam wild vleesch in de wond, hij gaf een poederken om te gebruiken „aan de groote teen om spongieus vleesch op te drogen”.12 [12.      Onder het volk gebruikt men hiervoor broodsuiker.])
     Gangreen werd met den naam van vuur aangeduid.
     Van de door hem gebruikte zalven noem ik naast een trek- en een heelzalf, een brandzalf e.d. ook de unguentum paralyticum om bij verlammingen te gebruiken.
     Als pijnstillende middelen kende hij Laudanum Paracelsi, dat geen opium bevatte. In het algemeen waren de aromatica in zijn apotheek sterk vertegenwoordigd.
     Zijne geneesmiddelen bracht hij meest zelf mee. In het algemeen waren het zalven, die in potten, dranken die in flesschen, poeders, die in papier werden afgegeven. Ook gaf hij groote pillen, z.g. boli of brokken, deze werden in mosselschelpen gedispenseerd.13 [13.      Op de wijze van de schulpjeszalf van Cleban.]) Brak iemand een flesch, dan moest hij daarvoor 3 st. betalen.
     Was eene verwonding het gevolg van een vechtpartij of iets dergelijks, dan sprak hij door zijne rekening zijn oordeel uit over het aandeel van dader en slachtoffer, eenmaal kreeg de dader eene rekening van 12 gld. terwijl de patiënt 10 gld. op zijne rekening kreeg.

     Treffend is het vertrouwen, dat zijne patiënten in hem

___↓___


|pag. 106|

hadden. Dit blijkt b.v. wel uit een eigenhandig schrijven van den Drost van Haaksbergen, dat eindigt: „Ik bidde nochmaels om op spoedighste over te komen of mogelijk UEd. mij uit dese miseri koste helpen. UEd. sal mij daerdoor oneintlijck verobligeren en sal al mijn leven an UEd. daervoor danckbaerheit betonen. In hoope van UEd. haest hier te sijn”.
(get.) Beverforde.
     Het adres luidde „Monsieur Adolph de Meijer, chirurgin tres renomé a Goer. Cito, cito, cito”. Het zou niet mogen baten.

     Ook lezen we dit uit een brief, die aan hem werd gezonden, toen hij 1687 te Deventer was in verband met het ongeluk den zoon van den Heer van Stoeveler overkomen.
Een patiënt in Rijssen had hem zeer noodig en, waar de brief van een gewoon sterveling misschien niet genoeg kracht had, werd hem een schrijven gezonden namens de goede vrienden van den patiënt en door burgemeester Berent Helmich geteekend.
     Reeds merkte ik op, dat de Meyer vaak door zijne collega’s in consult werd geroepen; ook hij zelf had geen bezwaar een ander zijn licht te doen schijnen, wanneer hij niet wist, hoe een zaak aan te pakken.
     Ook hiervan een voorbeeld:
     Anno 1697 dem 17 Martii mijn vrou van de Venebrughe mij versocht om te komen op Hengelo om het blinde ooge te visiteren. Daer gekomen den 20 martii. Den 20 martii doctor Ebel van Stenverden ende ick samen ouer den toeval van het ooge (ende naeffelbreuk) geconsuleert.
     den 21 martii haar hoog welgeboren op het Weldam een viskatorium in haer neck gesaet ende den 23 een roockinge gemaeckt om den septille roock door een trechter in het ooge te trecken, soll dienen voor de blintheit van het ooge om het puiterite voecht de achter het ooge gevallen toe doen verteren enz.

___↓___


|pag. 107|

     Het lichten van de staar was nog niet uitgevonden 14 [14.      Dit zou eerst in 1745 door Daviel worden bereikt.]) en men moest de dof geworden lens er toe brengen door eigen gewicht te zakken, zoodra ze rijp was, eene behandeling, die men reeds in de oudheid kende.
     Tot slot hoe hij iemand aan zijn hoofd opereerde:
     Anno 1696 in December Katterolff sin soone de Witte bij mij ’s avonds late gekomen op den Duis, mij versocht om ’s nachts met hem te rijen nae Haexbarghe bij sijn vaeder, de welcke hij mij seijde dat hij gheslaegen waer en buiten verstant.
… ick ende chirurgijn Muller ’s morgens het hooft los gemaeckt en in het visiteeren bevonden een quetsure ofte wonde en een contusie …. ick ende Muller daer saemens offer geconsuleerd om het hooft open te sniden .. ick dan een bloetstillinghe verdicgh gemaeckt, Rolff sin hoeft cruis op gesneden en ick het pericranium van het cranium met een ijsterment (instrument) gebloot ende aff ghedaen, bevonden sanguinis cogulatis op het beckeneel oft cranium …. Muller en ick de patiënt verbonden …. na dato Rolff weder sin verstant gekregen.
     Voor mij is dat de text bij een bekende schilderij van Rembrandt uit het Rijksmuseum, waar een in het front liggend hoofd wordt geopereerd.

     Zijne tarieven waren niet hoog en naar draagkracht berekend. Meermalen werd men het reeds vooraf eens over de kosten en ook met de wijze van betaling n.1. met naturalia.
Hij splitste zijne nota’s in vergoedingen voor paardenhuur, tijdverlies, geneesmiddelen enz. en in honorarium zouden wij zeggen, hij noemde het meijsterloon. Vooral bij verafwonende patiënten was tijdverlies of vacatie van belang. Om tevens eens te laten uitkomen hoe ver zijn praktijk zich uitstrekte volge hier een stuk uit de rekening van den Heer van Schoonheten:

___↓___


|pag. 108|

     Anno 1682
     sien welgeboren de Heer van Schoonheten bedient ouer een accedent an die tonghe en ghedaen dese naevolgende visiten:
 

diepenheim 21 visiten 20,-.-
Schoonheten 24 visixten a 50 st. 60,-.-
Swolle 13 daegen 39,-.-
Nienhuis 6 daegen a 50 St. 15,-.-
Deventer 3 daegen ad cost 9,-.-
peerdehuier voor 46 visiten 46,-.-
voor gedaene en geleverde medicijnen 18,-.-
voor een decoctum china enz. 2,-.-
209,-.-
Anno 1690 hier op ontfangen van die heer op den land-
daech tot Deventer 18,-.-

  
     In het algemeen kwamen de gelden slecht binnen, ze liepen van jaar in jaar. Zoo betaalde de Drost van Vollenhove in 1689 zijne rekening van 1665 tot 1689 15 [15.      Wellicht is het hier de gelegenheid om terloops de aandacht te vestigen op den oeconomisch zwakken toestand, waarin destijds, doch ook later, de adel in Twente verkeerde. Vrijwel zonder uitzondering hadden zij moeite met het betalen hunner rekeningen, zooals uit het Rekenboek van de Meijer blijkt, doch ook hun geldschieters moesten jaren op rente en aflossing wachten. Aan de kerkelijke administratien hunner gemeenten waren zij vaak jaren intrest schuldig. Geen wonder dan ook, dat menige boedel insolvent bleek te zijn met als gevolg een verkoop der vaste eigendommen, een weghakken van het hout enz. De 17e eeuw aan het eind en de achttiende eeuw in zijn geheel is de tijd, dat in Twente de eigengeerfde boer opkwam, omdat de heer het niet kon houden.
     Doch evenzoo is deze tijd die van het verdwijnen van tal van havezathen die, in het algemeen slecht onderhouden, den tand des tijds niet konden weerstaan.
     Enkele rekten hun leven, doordat nieuwe geslachten als de van Aersens, de Van der Wijcks, de Hambroicks de plaatsen der berooide edellieden van de stam der Ripperda’s, van Coeverdens en Schele’s innamen, doch ook op hun beurt slechts weer voor een paar geslachten.
     Waar lag daarvan de oorzaak? Mijns inziens bij de geringe ontwikkeling van den landbouw, waardoor de bodem niet meer kon opbrengen dan een of meer eeuwen geleden, terwijl het leven duurder werd en meer gecompliceerd.]
).
     Het is niet te verwonderen, dat er van tijd tot tijd slechte posten onder waren; het stadgericht van Deventer had zijne vordering echter preferent verklaard.
     Waren het minder groote bedragen, dan liet hij door den onderrichter panden nemen.
     Liet men hem roepen en bracht de toestand van de patiënt mee, dat men zijn komst kon afgelasten, dan was hij zoo

___↓___


|pag. 109|

vrij toch eene nota in te dienen voor het werk en het veerdich maken van de medicijn.
     Gaan we thans de algemeene behandeling zijner patiënten na, dan wordt meermalen ader gelaten of werden koppen gezet. Dan werden lavementen gegeven en zetpillen ingebracht. Verbinden deed hij steeds zelf, soms was hij tevens ziekenbroeder en bleef dagen, soms zelfs weken op een kasteel. Zoo was hij in 1682 van 14 Februari – 30 Juni voortdurend op Twickel. (zie bijlage III).
     Zijn praktijk werd dan ten deele door zijn zoon waargenomen, vermoedelijk had hij ook een leerling, n.l. den lateren chirurgijn Holst uit Ootmarsum. Hadden ze zijn hulp noodig, dan werd hij even weggeroepen.
     Weer in andere gevallen was zijn huis tevens verpleeghuis.
Op verzoek van den Heer van Salk, bleef Juffer Isabella van Welvelde 3 weken in zijn huis in kost, tegen een kostgeld van 1 Rksdlr. per week.
     Derck toe Laar lag daar 4 weken op de pronkkamer als patiënt. Met een decoct van sarsaparilla, chinawortel, sassafras, zoethout, anijszaad enz. werd dien patiënt een zweetkuur bereid. Daarna ging hij naar zijn zusters huis over, waar de Meyer hem nog 10 dagen een nakuur liet doen.
     Men zal moeten toegeven, dat de Meyer een zwaar leven had. Hij was blijkbaar gezond van gestel, slechts eenmaal noteerde hij (in 1679) dat hij zelf ziek was.
     Hij had een goede praktijk, toch is hij geen vermogend

___↓___


|pag. 110|

man geworden. In 1694 was hij in de 1000 pennink16 [16.      Iets als onze vermogensbelasting.]) aangeslagen voor ƒ 1.5. —. Zijn huis had twee schoorsteenen en geen bijzondere gemakken 17 [17.      Vergelijkbaar met de haardsteden, die vroeger in de personeele belasting werden aangeslagen.]).
     Had hij wat overlegd, dan gaf hij het op renten zoo b.v. aan Helmich Helmichs en Berendina Cuipers, de voorvaderen der tegenwoordige van Heeks 150 gld.
     Blijkbaar was hij geen duitendief. De armen behandelde hij om godswil.
     Als een erkenning hiervoor vereerde hem de Drost Bentinck de Vicarie van het altaar der drie Koningen in de St. Plechelmikerk te Oldenzaal, zooals hij zelf schreef, „omdat ik die ou(d)ste en aarfarste chirurgin van twente waar en dat ik verscheyden Aermen bedient hadde in twent en diepenhem voor 8 jaeren lanck.” Bijlage IV.
     In 1700 is hij gestorven. Naar gewoonte dier dagen werd een rouwceduul opgemaakt, die door een bode werd rondgedragen en waarop men zijn condoleance aanteekende, ook werden rouwbrieven geschreven en zijn vrouw teekende in het schuldboek aan: „den soefentienden aepryl wonsdaeges oem halff aechte ynt yaer hondertt ys mijnen leven man oefrleden Aelef Dee meijer En op Den seventhvynthychsten sonsdaeges begrafen.”
     Een werkzaam leven was hiermede afgesloten. Zijn grafstede is onbekend, zijn naam vergeten en toch was hij in zijn tijd een groot man.
 
Enschede.C.J. SNUIF.
 

___↓___


|pag. 111|

BIJLAGE L

     Anno 1663 den 13 Februari is onze dochter Johanna geboren.
     Anno 1665 den 28 Augusti is onse sone Jan Berent geboren.
     Anno 1668 den 2 Januari is onse sone Reint Berent geboren.
     Anno 1670 den 28 April is onse dochter Catrijne Idilja geboren.
     Anno 1672 des vridaghes voor pinxteren is onse dochter Geertruit Elisabeth geboren.
     Anno 1674 is onse dochter Catrijn geboren
     ynt jaer 1638 den 26 meij is geboren Adolph de meijer.
     Anno 1683 den 12 Augusti is mijn moeder overleden en 27 Augustus begraven.
     Anno 1684 den 8 Augusti is mijn stiefvader overleden.
     Den 17den April Woensdag ½ 8 (ynnt jaerhondertt) (1700) is mijn man Alef de Meijer overleden en den 27 Sondags begraven.

___↓___


|pag. 112|

BIJLAGE II.

 

Behandelde gevallen van Brandziekte (typhus).
1665 geen 1676 geen 1687 1
1666 geen 1667 geen 1688 geen
1667 2 1678 2 1689 geen
1668 geen 1679 3 1690 geen
1669 2 1680 7 1691 1
1670 geen 1681 1 1692 2
1671 geen 1682 2 1693 4
1672 1 1683 4 1694 3
1673 geen 1684 1 1695 geen
1674 geen 1685 geen 1696 1
1675 geen 1686 1


 
___↓___


|pag. 113|

BIJLAGE III.

     Anno 1687 in October met die heer van Stuveler gevaren nae Deventer om die vendrich van Coevorden joncker Willem sin hant te visenteren, met die heer van stuveler weder nae Goor gevaeren om mijn patiënten te verbinden ende medicin te lagen. Die heer van stuveler aen mij versocht om weder nae Deventer te riden om het swaere accedent mede te verbinden ende goeden raet mede te geven het welcke door het springen van drie hantgranaten die vendrich sin hant seer myserabel gequetst. Ende vier wecken tot Deventer moten bliven en met ons vier chirurgins neffe ons docter van Essen die patiënte 2 mael daeges samen verbonden en geconsyleert, hebbe nae dato mijn heer van Coverden bedient enz.

     Sin welgeboren den heer droste van twent saliger bedient over verscheiden accidenten, anvanck nemende met den 14 februarii 1682 en eindende met den 30 junii in alles welcke tijt bijna altoes op het huis te twickeloe ben geweest soo beij daegen als nacht, uitgesondert een dach ofte ses ofte sijven, soo dat mar stellen op dat huis geweest 136 daegen en des daeges voor mien dienst twie gulden maeckende in deese 136 daegen 272 voor die geleverde medicamenten in die vernomde tijt apliciert bestande in cataplasmata, unguenta en emplastra wordt mar voor dieselve met discretie gestelt des daeges tijen stuiver maeckende in die vernomde dagen een summa van68.-.-
     enz.

     Anno 1681 die heer droste van follenhooffe, heer van diepenhem meij laeten haelen, dat sin hooch Edele het podegra hadde. Daerop geappliceert om die groete pijne te stillen

___↓___


|pag. 114|

ende daervor ingegeven, drie nachten op diepenhem geweest om dickwils die cataplasma ofte verbant te vernijen daer ettlicke mael bij geweest, verdient 3 Rksdlr fct ƒ 7.10.—.
     Als de Drost van Twente in 1681 en ook in 1682 in Benthem is, laat hij de Meijer daar bij zich komen, die daar 4 dagen blijft.
     (Of deze daar toen misschien ook al de baden gebruikte?)

___↓___


|pag. 115|

BIJLAGE IV.

Register der vicarie vant Altaer der drie Koningen tot Oldenseel door die doodt van Dr. Gerlacius komende te vaceeren.

     uyt Hesselinck van Rossum jaerlix 6 mudde rogge twee mudde garste twee mudde haver.
     uyt Frilinck in Vasse vief mudde rogge schepel sloptiende kleine mate en na onse mate 5 mudde 2 spint met de smallen tiende dien bloettiende.
     uyt Hulsman in Roetum 3 mud 1 schepel rogge twee mudde garste en na onse mate 3 mudde 2 spint wort genoemt spijkermate.
     uyt Kockelinck bij Ootmarsum gehoorig die kerkmrn derselviger kerke 2 sch. rogge 9 sch. garste slopthiende en na onse mate 6 sch. 1 sp.
     Opkomsten in gelde.
     uyt Dalhuis in Lutta jaerlix ein dalder.
     uyt arent Albertinck nu meckelhorst 2 rijders den eenen op fest van Philippus en Jacobus, den anderen op kruysverheffinge.
     uyt Frilinck in Noortdoerninge 2 rijders jaarl op fest van Philippus en Jacobus voor paschen?
     Luycken Hengelman in Lutte nu Arent Hengelman 1 rijder voor pensioen opt fest van Pontianus.
     uyt Wifferman in Boeningen 2 rijders voor pension op st. Peter ad cathedram.
     uyt Meijerman in Beuningen 3 ggld voor pension op peter ad cathedram uyt Mensman in vasse 1 rixd. voor pension.
     t officie celebrationis 2 schep, rogge, wordt betaald een gulden.

___↓___


|pag. 116|

     uyt den hillighen geest tot Ootmarsum 2 schep, rogge 9 schep. garste sloptiende en na onse mate 6 sch. 1 spint.
     dese vickerije van het altaer der drie koningen heeft mij de heer Drost Bentinck geffen voor dat ick die ouste en aarfarste chirurgin van twente waar en dat ik verscheijden Aermen bedient hadde in twent en diepenhem voor 8 jaerent lanck.
 

  • Snuif, C.J. (1928). De toestand der geneeskunde in Twente in de Zeventiende eeuw. Versl. en Meded. VORG, 44, 92-116.
Category(s): Twente
Tags: ,

Comments are closed.