DOOR DEN AMBTMAN VAN
HET STIFT ESSEN.
Het stift Essen in Westfalen bezat sinds overoude tijden in Salland uitgebreide bezittingen, n.l. de hoven te Olst, Irthe en Archem, oorspronkelijk hofhoorige goederen, die in den loop der tijden meerendeels in leen- en tinsgoederen waren veranderd. Alleen een deel der goederen, behoorende tot den hof te Archem, hebben tot het einde der 18de eeuw het karakter van hofhoorig goed bewaard. Het beheer over al deze goederen werd namens het stift uitgeoefend door een ambtman 1), die ook bij het leen- en hofgericht voorzat.
Met behulp van leenmannen of hofgenooten spande hij de bank en wees vonnis, na de stukken vooraf aan een ordelwijzer te hebben overgedragen, die dan gewoonlijk het advies van rechtsgeleerden daarover inwon.
In 1629 nu deed zich een merkwaardig proces voor. Assken en Gosen Lamber(t)ink, mede namens hun broeders en zusters, vroegen bij inleidend request aan den ambtman om tegen een nader door hem te bepalen dag te citeeren jonker Lubbert Ulger, als zijnde bezitter van het volschuldige erve Alferink, hoorende in den hof te Archem — waarmede genoemde Lubbert Ulger tijdens hunne minderjarigheid zich had laten beleenen en waartoe requestranten als erfgenamen van wijlen hun vader Gosen Alferink meenden gerechtigd te zijn. Op den vastgestelden dag verschenen beide partijen en nadat de ambtman tevergeefs hen had trachten te bewegen,
het geschil in der minne te schikken, nam het proces het gewone verloop. Den 4 Mei 1630 werd het gesloten en de stukken verzegeld, om aan twee rechtsgeleerden „ter beleering” te worden overgegeven. Toen echter 30 September daarop de stukken met de sententie3 ter zitting van het leengericht inkwamen, deed zich hier een eigenaardig incident voor.
De aanleggers beweerden dat de processtukken niet behoorlijk verzegeld waren geweest, zoodat zij zonder het zegel te schenden er uit genomen konden worden en dat zij zich derhalve naar land- en hofrecht alle rechtsmiddelen daartegen voorbehielden. Na eenige discussiën over dit punt „wort bijt gerichte gedecreteert, aen dewelcke partijen haer geschillen hebben geremittiert, datte sententie sal uttgelesen worden, voorbeholden beijdes zijts partijen haer beneficiën de haer nae hoff- ende landtrechte competiren, sonder dat over het sluijten ende openen deses processes wijder questie sal geopponiert mogen worden, ter wijlen het gerichte wel weet, dat hetselve oprecht ende sincere is toegegaen, ende het proces bijt gerichte niet is vertoent ofte gesien geweest dan op dato deses.”
Onmiddellijk daarop werd de sententie uitgesproken, waarbij de aanleggers blijkbaar.2) in het ongelijk waren gesteld.
Nu wilden zij van dit vonnis in hooger beroep komen bij Ridderschap en Steden, de Staten van Overijssel of dengene, bij wien zulks naar landrecht behoorde. Dit scheen een novum. De verweerder althans beweerde, dat zulks nooit was voorgekomen, de aanleggers daarentegen dat — al mocht het waar zijn, dat van een vonnis van dit leengericht nog nooit geappelleerd was — dit aan het bestaan van het recht van appel geen afbreuk deed, dat bovendien steeds van een lagere op een hoogere leenbank appel was, ook volgens het nieuwe landrecht en dat tenslotte, mocht de leenbank der abdis van Essen hiervan uitgezonderd zijn, er in elk geval
appel zou zijn op de abdis zelve. Hiertegen wierp de verweerder op, dat in het nieuwe landrecht van de Essensche hofhoorige goederen geen sprake is en dat in dezen evenmin appel op de abdis zelve mogelijk was.
Het is wellicht niet zonder belang, de wederzijds aangevoerde argumenten in hun geheel hier te laten volgen :
\begin{cases}
\text{Arent Buijs, camener} \\
\text{Jr. Hendnck Knoppert}\
\end{cases}$
Anleggeren appellieren van die sententie aen Ridderschap ende Steden, ofte aen dengenigen daer sulx nae lantrecht behoert.
Verweerder bedankt de sententie ende versocht copiam, ende staen den anleggeren geen appel toe, vermits noijt gehoert ofte gepractisiert, dat van dese adelicke bancke eenig appel valt.
Partij advers als ein abuijs in rechten synde, laet sulx in synen onweerden, vermits niet allene de gemene rechten, maer oock lestleden int nije landrecht expresselic geordonniert is, dat men ab inferiore ad superiorem van de lege-leenbancke tot de hooge leenbancke wel mach appellieren, inhariert oversolx syn interponierde appel, ende versocht hetselve te admitteren met adiudicatie van costen.
Verweerder persistiert bij syn voorige ende seijt offwel verscheijden proceduijren voor dese adelicke bancke voor desen gevallen syn geweest, dat dannoch daer over noijt enige appellen syn geinterponiert ofte geadmittiert geweest, daer bij doende tot straffe van anleggers voorgeven, dat wel bijt nije landtrecht toegelaten is dat men vande lege leenbancke mach appelleren, maar seijt nergents vande Essendische hoffhoerige goederen ijets gestatueert te syn off gestatueert te connen worden, vermits de abdisse van Essen
int stucke van haer jurisdictie geen superioren hoffheer erkent, inmiddels expressen eijsch makinge van costen.
Partije advers secht, hoewel niet en constiert, dat het eerste lit van verweerders voorgeven waer sij, niettomin soe is kenlic, so iemant syn recht versuijmt mochte hebben, dat sulx dese partijen niet nadelich mach syn, maer desen ongeachtet het voorgeschreven recht mach observiert worden.
Accepterende dat het nije landtrecht absoluijtelicken al mede in leensaecken soo wel als in andere saecken het appel admittiert, soe mach nu vorders niet releveren dat die Essendische goederen daerinne niet solden gedacht syn, vermits kenlick dat alle de andere onder-leenheeren soe wel in dese landtschap als anders daer onder geseten, int generael daer onder gecomprehendiert syn, ende wan schoen de abdisse daer van mochte eximiert te syn mochte erachtet worden, so soll evenwel het appel van desen gerichte aen Oer Vorstelicke Genade comen te devolveren, als in rechten resoluijt synde, quod a delegato ad delegantem et a vicario ad principalem detur appellatio, sulx dan so synde persistiert bij syn voorige conclusie.
Verweerder persistiert bij syn voorige ende nempt pro confesso aen dat anleggers niet hebben connen straffen, off voor desen syn verscheijden dergelijcke saecken voor dese adelicke bancke gedisputiert geweest ende daer over van ondenckelicke jaeren noijt eenige appellen syn gevallen ende veel minder togelaten, — seggende wijders tot straffe van anleggers vorder voorgeven, dattet verweerder in desen genoech sij, dattet geallegierde nije landtrecht van geen Essens hoffhoerige goederen expresse gestatueert ofte willen statueren, om redenen hierboven verhaelt, daerbij doende dat de richter in desen niet en comt als een delegate judex, maer als volmachtiger, behalven dat in rechten niet bevonden sal worden quod a delegato universali seu ad universitatem rerum detur appellatio, — persisterende
oversolx wie boven, met expressen overmaligen eijsch van costen.
Vijf weken later gaven ambtman en leenmannen voornoemd hunne beslissing: „dewijle gene exempelen syn gebleecken dat van gewesene sententien bij ofte voor de abdisse van Essen ofte oeren amptman gedaen, eenich appel in voorgaende tijden is gevallen ofte thogestaen, dat sij sich daeromme beswaert vonden t’ selve appel te gestaden ofte tho consenteren”.
Maar de gesuccumbeerden (Assken en Gosen Lambertinck) lieten het hier niet bij. Zij richtten een request aan Ridderschap en Steden met verzoek om voorziening tegen de uitspraak van den ambtman. De Gedeputeerde Staten, die het request 17 Januari 1631 in behandeling namen, besloten hen weer te verwijzen naar Ridderschap en Steden, waarbij zij tevens zoowel den triumphant (Lubbert Ulger) als den ambtman van het stift Essen verzochten, de gronden aan te voeren waarop zij meenden, dat appel van de voornoemde sententie was uitgesloten. Laatstgenoemde schijnt hieraan geen gevolg te hebben gegeven, maar Lubbert Ulger diende een contra-request in.
Op verschillende vergaderingen van Ridderschap en Steden,3) zoowel als van de Gedeputeerde Staten 4) kwam het geschil ter sprake en nadat partijen hunne bewijsstukken hadden ingediend, werd 31 October 1631 door Ridderschap en Steden besloten, dat de Gedeputeerde Staten, hetzij met of zonder advies van rechtsgeleerden, hieromtrent zouden disponeeren.
Nadat zulk een advies was ingewonnen en de ambtman van het stift Essen nogmaals was uitgenoodigd zijn exemptie van het recht van appel aan te toonen, viel eindelijk 20 Maart 1635 de beslissing van Ridderschap en Steden, luidende als volgt:
„Opte requeste van Essen ende Goosen Lambertinck, versoeckende alnoch expeditie aengaende het appel van de sententie gepronuntieert bij den amptman vande abdisse van Essen, sullen supplianten in appel in claronge worden aengenomen, onvercortet d’ abdisse van Essen haer gesustineerde recht van exemptie des appels, soo deselve daer van t’ eenigen tijt souden konnen doen blijcken”.
De opmerking van Fr. Gersz 5) — onbekend met de voorgeschiedenis van deze beslissing — dat de laatste zinsnede bijna als bittere ironie klinkt, lijkt dan ook geenszins gerechtvaardigd. Integendeel hebben de Staten van Overijssel de abdis en haren ambtman ruimschoots in de gelegenheid gesteld hunne bezwaren in te dienen en bleken zij zelfs ook nu nog bereid het genomen besluit in te trekken, mits de abdis van haar recht duidelijk deed blijken. Maar hiervan schijnt nooit iets te zijn gekomen.
Eindelijk, na ruim vier jaren, scheen dus de procedure in appel een aanvang te kunnen nemen, maar opnieuw rezen er bezwaren. Althans op den landdag te Deventer kwam 19 Maart 1636 nogmaals een request van de gebroeders Lambertinck in zake voornoemd appel in behandeling, waarop werd geappostilleerd: „wort alnoch gehouden in bedencken totte naeste claronge”. Welke nieuwe moeilijkheden er waren gerezen en hoe het proces verder verliep, is mij niet gebleken.
Ook de door partijen overgelegde bewijsstukken en het advies der rechtsgeleerden in zake de toelaatbaarheid van appel, die over deze kwestie meer licht zouden kunnen verspreiden, schijnen niet meer aanwezig te zijn. Maar tot een procedure in appel is het toch gekomen. Dit blijkt uit een oude inventaris van de processen berustende in de kasten van klaringe uit het midden der 17de eeuw. Vermoedelijk heeft het proces zich jaren lang voortgesleept tusschen de
wederzijdsche erfgenamen en is men eindelijk tot een accoord gekomen. In de judicieel-registers van de klaring, (waarin 2 hiaten van 1634—1639 en van 1662—1668) noch onder de aanwezige processtukken is echter iets van deze kwestie te vinden. Maar de Essensche leenregisters bevatten de volgende akte van 13 Januari 1664: „Sijn erschenen Asken Goossensz. Lamberdinck, voorts Roeloffien Goossens en genoemde Roeloffien geassisteert met haren eheman Coert Woltersz, haren vercoren ende toegelaten mombaer in desen en bekanden tosamen ende elck in besonder, dat sij voor hun ende hunne erffgenamen ten eenemaell affstant gedaen hadden en deeden alsulx alnoch bij desen, van alle alsoedanige actien, praetensien, rechten ende gerechticheijden als sij tosamen off elck besonder hebben ofte gehadt hebben op ’t erve ende goet Alfferinck toe Lemele, ende sulx ten behoeve ende rechten profijte van jonker Werner Ulger”.
En hiermede was aan dit geschil, dat bijna 35 jaren had geduurd, tenslotte een einde gekomen.
Maar de ambtman van het stift Essen schijnt zich niet bij de bovenvermelde uitspraak van Ridderschap en Steden van 20 Maart 1635 te hebben neergelegd, want tien jaren later vond hij in een nieuw proces eveneens zich „beswaert t’ versochte appel anthonemen”. De beslissing van Ridderschap en Steden bleef evenwel gehandhaafd en werd dan ook in de uitgave van het landrecht van 1724 opgenomen onder no. 5 van de nadere reglementen, resolutien en ampliatien, die achter het landrecht werden gevoegd.
A. HAGA.
- Haga, A. (1927). Appèl van sententies, gewezen door den ambtman van het stift Essen. Versl. en Mededel. VORG, 44, 99-105.
