Hofboeken en Markeboeken in Overijsel

___↓___


|pag. 40|

Hofboeken en Markeboeken in Overijsel.

     De hofboeken en markeboeken vormen een belangrijke bron voor de rechtsgeschiedenis van Overijsel. De hofboeken kunnen eenigszins worden vergeleken met de registers van volontaire en contentieuse rechtspraak van de stad- en landgerichten, maar zij bevatten bovendien de aanteekeningen van de, alleen door hofhoorigen verschuldigde, prestaties van opvaart, versterf, erfwinning en vrijkoop. Aangezien de hofhoorigheid met al haar oude gebruiken tot in het begin der 19e eeuw in Overijsel, in het bijzonder in Twenthe, heeft stand gehouden, is het duidelijk dat deze hofboeken een onontbeerlijke aanvulling zijn van de bovengenoemde registers der stad- en landgerichten.
     In Twenthe 1 [1.      Een uitvoerig overzicht over de geschiedenis der hofhoorigheid in Twenthe geeft de Leidsche dissertatie van mr. W.H.J. MASSINK, Hoorige rechten in Twenthe (1927).]) kende men zes bisschoppelijke hoven, n.l. die van Ootmarsum, Oldenzaal, Borne, Delden, Goor en Weddehoen, die oorspronkelijk tot de bisschoppelijke domeinen behoorden, bij de overdracht van Overijsel aan KAREL V in 1528 in diens bezit kwamen en na de afzwering van PHILIPS onder de provinciale domeinen kwamen te ressorteeren. Aan het hoofd van elken hof stond een hofmeier, tevens hofrichter, die o.a. verplicht was tot het bijhouden der hof­boeken2 [2.      Vergelijk de resolutiën van Gedep. Staten van Overijssel van 1726 en 1750, afgedrukt bij DE BLÉCOURT, Bewijsstukken, II, blz. 149—151. Deze verplichting komt reeds voor in de nader te noemen instructie van den rentmeester van Twenthe van 26 Augustus 1553 (art. XI).]), waaruit hij extracten opzond aan Gedep. Staten, om gebruikt te worden bij de verpachtingen der diensten van opvaart, versterf, erfwinning en vrijkoop.
     De „vrijheid, gelijkheid en broederschap”, die in 1795 haar intrede deed, bracht geen verandering in de positie der hofhoorigen. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het karakter van minderwaardigheid en onvrijheid van de hofhoorigen reeds in de 18e eeuw geheel was verdwenen; de hofhoorigen bleven alleen verplicht tot het doen der casueele prestaties in den ouden vorm en nog op 27 januari 1811 vinden we in het hofboek van Weddehoen aanteekening van een opvaart met beding van twee „vrije” kinderen3 [3.      DE BLÉCOURT, Bewijsstukken, II, blz. 167.]). Eerst met de invoering der Fransche wetgeving kwam er verandering; krachtens decreet van 18 October 1810 (art. 53) waren alle oude rechterlijke instellingen afgeschaft en de Fransche wetgeving en rechtspraak bij decreet van 6 januari 1811 4 [4.      FORTUIJN, Verzameling van wetten en besluiten van Franschen oorsprong, I, blz. 69.]) met ingang van 1 Maart d.a.v. ingevoerd. Daarmede

___↓___


|pag. 41|

waren ook de hofgerichten van het tooneel verdwenen en was de hoorigheid op een dood spoor geloopen. Hoe het met de hoorigen en hunne goederen verder is gegaan, kan hier buiten bespreking blijven5 [5.      Men zie daarover FOCKEMA ANDREAE, Bijdragen tot de Nederl. rechtsgeschiedenis, III, 126 en MASSINK, a.w., blz. 137 en vlg.]); wij willen hier alleen de vraag behandelen wat er van de hofboeken is geworden.
     Ingevolge de nieuwe Fransche wetgeving moesten naar de rechtbanken van eersten aanleg worden overgebracht alle protocollen van de opgeheven gerichten, waaronder dus ook begrepen waren die van de hofgerichten. Dat dit niet elken hofrichter duidelijk was, blijkt uit een schrijven van 8 Mei 1812 van den „procureur” bij de rechtbank te Almelo aan den gewezen hofrichter van Borne, waarbij deze wordt verzocht en desnoods gelast, de protocollen, registers, papieren, enz. van zijn vernietigd rechtsgebied onverwijld ter griffie te deponeeren.6 [6.      Deze brief is afgedrukt bij MASSINK, a.w. blz. 138.])
Het is steeds betwijfeld, of de hofrichters hieraan hebben voldaan. MASSINK (a.w. blz. 138) meent — in navolging van SNUIF7 [7.      C.J. SNUIF. De bisschoppelijke hoven in Twenthe en meer speciaal de hof te Borne, ald., blz. 100. (Versl. en Meded. Ov. Regt en Gesch., deel XXIX).]) — dat hieraan geen gevolg is gegeven, omdat er op de griffie van de rechtbank te Almelo niets van bekend was en de weinige overgebleven protocollen ook niet van daar afkomstig zijn, maar meerendeels door den heer SNUIF „in de verstrooiÏng” zijn teruggevonden.
     Deze meening is evenwel niet juist. Bij een onlangs aan de rechtbank te Almelo gebracht bezoek werd aldaar nog een aantal registers en losse stukken gevonden, die tot het reeds vroeger naar de Rijksarchiefbewaarplaats overgebrachte archief van de rechtbank van eersten aanleg aldaar (1811 – 1838) bleken te behooren en thans aan het Rijksarchief zijn overgedragen. Daaronder bevond zich, behalve een bijna volledige reeks van de processen-verbaal van de naar de rechtbank te Almelo in 1811 overgebrachte rechterlijke protocollen van de opgeheven stad- en landgerichten, ook een reçu van H.R.G. PAGENSTECHER, als daartoe gequalificeerd door den hoofdadministrateur der domeinen bij missive van 23 Juni 1814, waarbij eerstgenoemde verklaart van den griffier der rechtbank te Almelo te hebben ontvangen de volgende protocollen en documenten: van den hof Borne 4 protocollen, hof Delden 4, hof Goor 2, hof Weddehoen 3, hof Oldenzaal 3, hof Ootmarsum 9 protocollen, 11 testamenten en 14 stuks geregtsacten. Het domeinbestuur zal deze protocollen noodig hebben gehad voor de regeling van den afkoop der door de voormalige hoorigen aan het domein verschuldigde prestaties en voor

___↓___


|pag. 42|

de daaruit voortgevloeide processen. Nog in 1841 waren bijna al deze protocollen in het bezit van mr. H.J. RAEDT, advocaat fiscaal der domeinen, blijkens een 1 Sept. 1841 opgemaakte en door hem onderteekende lijst 8 [8.      Deze lijst thans in het Rijksarchief in Overijssel (Aanwinsten 1885).]), met vermelding van de jaren, waarover ze loopen. Op deze lijst ontbreken die van den hof Borne, maar er is aan toegevoegd een „register der huisgenoten, behorende onder den hof van de Prabsdij te Oldenzaal”. Mr. RAEDT is nalatig gebleven, deze protocollen weder aan het domeinbestuur of aan de rechtbank te Almelo terug te geven, en toen hij in 1855 stierf, werden ze publiek verkocht!
     Op bovengenoemde lijst van 1841 komt als no. 1 voor een „legerboek en register bevattende specificatie der goederen, behoorende onder den hof van Ootmarssum”. Dit uiterst belangrijke hofboek — waarvan de twee eerste bladzijden ontbreken — werd in 1878 door bemiddeling van mr. R.E. HATTINK, advocaat te Almelo, van een particulier aangekocht ten behoeve van het Rijksarchief en is in het bezit òf van den rentmeester van Twenthe òf van den hofmeier van Ootmarsum geweest. Bij de instructie van 26 Augustus 1553 voor JOHAN VAN REEDE, rentmeester van Twenthe9 [9.      Zie deze instructie in Overijselsche rekeningen en andere stukken, afkomstig uit de Hollandsche rekenkamer, 1528-1581, invent. no. 224, fol. 120 verso. (Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven, 1923, deel II).]), werd hem n.l. opgedragen met behulp van de hofmeiers op te teekenen de goederen, erven, bosschen, etc., tot de verschillende hoven behoorende, de conditiën van het gebruik en de namen der occupateurs, hunne vrouwen en kinderen, met vermelding of zij hoorig waren of niet (artt. VIII en IX), terwijl art. X luidde: „Van welcke opteyckenninghe zy drie registerboucken maecken zullen, daervan die meyers elcxs van de zynen een hebben ende houden zal, die rentmr eene ende die luyden van de rekeninge in Hollandt een van al den upscryvingen”. Het register zal dus omstreeks 1554 opgemaakt zijn.
     Een tweede volledig exemplaar van dit hofboek berust reeds meer dan drie eeuwen in het oud-provinciaal archief; het is blijkens het eerste blad door den hofmeier van Ootmarsum JOHAN HUESKEN, opgemaakt ten behoeve van de Hollandsche rekenkamer te ’s-Gravenhage, die tijdens KAREL V belast was met het afhooren der rekeningen van de Overijselsche rentmeesters en is door de Staten van Overijsel reeds in 1613 uit de Hollandsche rekenkamer in bruikleen ontvangen blijkens een nog bewaard gebleven copie van het reçu.
Het wordt daarop als volgt beschreven: „Item noch een register geïntituleert Hoffboucken van de landerijen ende houven in der

___↓___


|pag. 43|

Twenthe, ende namentlic onder Oetmerssen, groot CLXV beschreven bladeren”.10 [10.      In den inventaris van de in de voorgaande noot vermelde Overijselsche rekeningen en andere stukken, afkomstig uit de Hollandsche rekenkamer, 1528—1581, wordt dit hofboek evenwel niet vermeld.]) Het bestaan van een derde exemplaar is niet bekend.
     De vraag, of ook de andere hofmeiers zich zoo consciëntieus van hun taak hebben gekweten als die van den hof Ootmarsum kan niet worden beantwoord, aangezien van het bestaan van dergelijke hofboeken mij niets gebleken is, met uitzondering alleen van den hof Oldenzaal, waarvan een eenigszins geschonden exemplaar, eveneens uit de 16e eeuw dateerende, in de Rijksarchiefbewaarplaats aanwezig is, afkomstig van de in 1632 uit de Rekenkamer van Roermond naar Overijsel overgebrachte registers en rekeningen. Vermoedelijk is het dus het exemplaar van den Spaanschen rentmeester ROELOF BITTER, die bij den opstand tegen Spanje aan ’s Konings zijde gebleven is en die zijn rekeningen door de Rekenkamer te Roermond liet afhooren.11 [11.      Zie de inventaris van Het z.g. Spaansch archief in Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven, 1924, deel II. Het hofboek wordt op dezen inventaris echter niet vermeld.])
     Van de op de lijst van 1841 vermelde hofprotocollen zijn voorts slechts een drietal in het Rijksarchief terecht gekomen. Mr. HATTINK schonk in 1885 het protocol van den hof Ootmarsum over de jaren 1618 — 1633 benevens een protocol van den hof Oldenzaal over de jaren 1746 – 180712 [12.      Dit deel is gepagineerd 87-296 en heeft blijkbaar deel uitgemaakt van het protocol over de jaren 1721-1807, vermeld op de lijst van 1841; het eerste gedeelte is er op zichtbaar ruwe wijze afgesneden.]), beide door hen uit de nalatenschap van mr. RAEDT bij de publieke veiling in 1855 aangekocht,13 [13.      Zie de correspondentie van den Rijksarchivaris in Overijsel, uitgaande brieven 8 Juli 1885.]) terwijl een protocol van den hof Ootmarsum over de jaren 1740—1792, dat in het stadsarchief van Ootmarsum was terecht gekomen, in 1896 door B. en W. werd overgedragen aan het Rijksarchief. De overige protocollen gingen meerendeels verloren, doch enkele kwamen successievelijk in het bezit van den voor eenige jaren overleden historicus C.J. SNUIF te Enschede, wiens erfgenamen thans nog in het bezit van dezelve zijn, n.l. 2 protocollen van den hof Weddehoen, 3 van den hof Delden en 1 van den hof Oldenzaal. Bij zijn laatste bezoek aan het Rijksarchief in Overijsel deed de heer SNUIF — die steeds op onbaatzuchtige wijze de door hem opgespoorde archivalia van eenig belang, na gebruik, aan het Rijksarchief placht af te staan — mij nog de toezegging, de in zijn bezit zijnde hofboeken aan het Rijksarchief in Overijsel te zullen schenken. Helaas heeft zijn al te spoedig gevolgd overlijden de uitvoering van dit voornemen verhinderd. Vele jaren geleden had hij reeds aan dit voornemen gevolg willen geven, maar de toenmalige

___↓___


|pag. 44|

Rijksarchivaris — aldus de heer SNUIF — zou deze schenking niet hebben willen aanvaarden. Hier moet zonder eenigen twijfel aan een van beide zijden een ernstig misverstand in het spel zijn geweest. Immers de door den hofrichter gehouden protocollen behoorden tot zijn ambtsarchief en bij de opheffing van zijn ambt in 1811 zijn ze dan ook terecht naar de rechtbank van eersten aanleg te Almelo overgebracht, vanwaar ze op de hierboven beschreven wijze zijn verdwenen.
     Naast de oudtijds bisschoppelijke hoven in Twenthe bezat ook de proosdij te Oldenzaal een niet onbelangrijke hof met 26 onderhoorige erven, terwijl eveneens het kapittel van Oldenzaal een hof met hoorige erven bezat. Over deze hoven is een en ander medegedeeld in het reeds aangehaalde artikel van den heer SNUIF (zie blz. 41 noot 3) en door mr. MASSINK14 [14.      Een advies van Mr. J.W. RACER over de hoorigheid 1805 (Versl. en Meded. Ov. Regt en Gesch., deel XLV, blz. 232).]), waarbij beiden evenwel over het hoofd zien, dat proosdij en kapittel twee verschillende zaken zijn15 [15.      Deze vereenzelviging is vermoedelijk te wijten aan RACER, die in zijn boven aangehaald advies nu eens spreekt over de proosdijgoederen, dan weer over de kapittelsgoederen en mogelijk beide in zijn advies heeft willen omvatten.]).
     De goederen van de proosdij, zoowel als die van het kapittel, zijn bij het accoord van 1663 tusschen de Ridderschap en de Staten definitief aan eerstgenoemde toegewezen, maar na het verdwijnen van de Ridderschap in 1795 onder het beheer der Staten en later mede aan het domein gekomen. Op de lijst van 1841 komt alleen een register der huisgenoten, onder de proosdij van Oldenzaal behoorende, voor, welk register eveneens is verdwenen. Te verblijdender was het derhalve, dat het Rijksarchief voor eenige weken werd verrijkt door de schenking van twee nog bewaard gebleven hofboeken der proosdij, loopende over de jaren 1609—1729, benevens een hofboek van het kapittel van Oldenzaal over de jaren 1718 – 1760, alle vermoedelijk afkomstig van mr. RACER en via de familie PALTHE in de Oudheidkamer van Oldenzaal terechtgekomen, die ze thans welwillend ter beschikking van het Rijksarchief heeft gesteld. Dat deze registers aan de voorgeschreven overbrenging naar de griffie te Almelo blijkbaar zijn ontsnapt, is waarschijnlijk het gevolg geweest van de omstandigheid, dat zij zich toen ter tijd reeds niet meer in het bezit van den laatsten hofrichter bevonden maar in dat van mr. RACER, vanwaar ze na lange omzwervingen thans in de Rijksarchiefbewaarplaats zijn gedeponeerd.
     Tenslotte nog een enkel woord over de markeboeken. Onder de in de Rijksarchiefbewaarplaats aanwezige markeboeken zijn een vrij groot aantal 18e eeuwsche copieën. Vermoedelijk zijn deze, althans

___↓___


|pag. 45|

ten deele, naar de origineelen gecopieerd ingevolge publicatie van Ridderschap en Steden van 12 April 1758, waarbij o.a. werd bepaald dat, ter voorkoming van disputen over de bewaring van de markeboeken, het origineele markeboek zou worden gesteld in handen van den schout van het kerspel en bij diens overlijden zou moeten worden overgeleverd aan diens opvolger, „en dat een dubbeld daarvan gemaakt en behoorlijk geauthentiseerd op kosten van de erfgenaamen sal werden gesteld in handen van de oudste gecommitteerde goedheer en na desselfs overlijden door sijne erfgenaamen of repraesentanten sal werden overgelevert aan de oudste gecommitteerde goedheer alsdan in wezen sullende zijn en dus altoos moeten verblijven in handen van de oudste gecommitteerde goedheer in der tijd”.
     Al is waarschijnlijk niet in alle marken aan deze voorschriften uitvoering gegeven, zoo is het uit het vorenstaande toch begrijpelijk, dat deze markeboeken eensdeels onder de gemeentebesturen of burgemeesters als opvolgers van de schouten zijn komen te berusten, anderdeels in handen van particulieren zijn verbleven. Niettemin is een vrij aanzienlijk getal markeboeken, meerendeels door schenking, in het Rijksarchief terechtgekomen. Vele marken zijn reeds in de vijftiger jaren der vorige eeuw verdeeld en aangezien het behoud der marke-archieven ook Gedeputeerden Staten van Overijsel ter harte ging, stelden zij bij besluit van 13 April 1859 de provinciale archiefbewaarplaats beschikbaar voor het deponeeren van de archieven der ontbonden marken. Enkele markebesturen gaven hieraan gevolg; deze archieven berusten thans in de Rijksarchiefbewaarplaats.
     Bij de wet van 10 Mei 1886, Staatsblad no. 104, die ten doel had de verdeeling van de nog in stand gebleven marken te bevorderen, werd in art. 35 bepaald: „alle boeken, kaarten en papieren, die tot het markbeheer behoord hebben, worden overgebracht naar de verzameling van ’s Rijks oude archieven in de provincies, waarin de markgronden of het grootste deel daarvan gelegen waren. Belanghebbenden hebben recht tot kostelooze inzage en tot het verkrijgen van afschriften of uittreksels voor hunne rekening.” Of hieraan steeds de hand is gehouden en of deze bepaling ook van toepassing is op de vóór 1886 ontbonden marken, zou ik niet bevestigend durven beantwoorden. Zoolang een uitdrukkelijke wetsbepaling in dezen ontbreekt, zal het m.i. voor de Rijksarchieven zaak zijn, de marke-archieven langs minnelijken weg te verkrijgen, opdat zij ten algemeenen nutte kunnen worden gebruikt. De bewaarplaatsen der markeboeken worden, althans wat Overijsel betreft, vermeld door Mr. VAN ENGELEN VAN DER VEEN in zijn beschrijving van de marken in Overijsel (Geschiedkundige atlas van Nederland).
 
A. HAGA.
 

  • Haga, A. (1932). Hofboeken en Markeboeken in Overijsel. Nederl. Archievenblad, XL, 40-45.
Category(s): Overijssel
Tags: ,

Comments are closed.