Uit de geschiedenis der oude provinciale archieven in Overijssel

___↓___


|pag. 156|

Uit de geschiedenis der oude provinciale archieven
in Overijssel.

     Het onderstaande is een bewerking — op verzoek van den redacteur van dit blad — van mijn artikel: De Rijksarchiefbewaarplaats in Overijssel, verschenen in het verzamelwerk „Overijssel1 [1.      Overijssel (Uitgevers-maatschappij Æ.E. KLUWER, Deventer 1931).]). Het beoogt geenszins te zijn een volledige geschiedenis van de oude provinciale archieven, doch wil slechts het belangrijkste uit die geschiedenis naar voren brengen.
     In den tijd, dat de Utrechtsche bisschoppen het gezag in Overijssel uitoefenden, kan er eigenlijk van een archief der Provinciale Staten niet worden gesproken; de ambtenaren des bisschops voerden de administratie en alle bescheiden uit dien tijd (judicialen, leenregisters, rekeningen, etc.) berusten dan ook in het archief der bisschoppen van Utrecht, bewaard op het Rijksarchief aldaar2 [2.      Zie hierover uitvoerig de inleiding bij Mr. S. MULLER FZN.: Catalogus van het archief der bisschoppen van Utrecht (1906).]). Hetzelfde geldt voor den tijd, dat Overijssel onder de regeering van keizer KAREL V en PHILIPS II stond. Hunne stadhouders voerden hier het bewind, bijgestaan door een secretaris, die tevens als griffier der leenen fungeerde en bij de oprichting van het college van Kanselier en Raden in 1553 ook dat college als secretaris diende, terwijl de contrôle op het financieel beheer der rentmeesters en andere comptabelen werd opgedragen aan de Hollandsche Rekenkamer te ’s Gravenhage. Ridderschap en Steden — zooals de oude Provinciale Staten eertijds werden genoemd — werden gewoonlijk door den stadhouder opgeroepen tot het houden van Landdagen en Klaringen en zijn secretaris hield van het daar verhandelde aanteekening in de z.g. judicalen. De Staten zelve hielden daarvan geen aanteekening, doch merkwaardigerwijze vinden we in het judiciaal opgeteekend, dat de griffier GYSBERT ROELINCK3 [3.      Zijn aanstelling en commissie door den Koning te Brussel gegeven is van 4 Maart 1562. (Zie Overijsselsche Rekeningen enz., gekomen uit de Hollandsche Rekenkamer, Invent. no. 44 fol. XCVII in Verslagen omtrent ’s Rijks oude Archieven, 1923, deel II.)]) 16 October 1563 den eed aflegt aan Ridderschap en Steden „dat hie die Landtschap ende Steden int opteickenen van den acten ende sonst officii halven

___↓___


|pag. 157|

trouwelicken sal dienen”. Daarentegen hielden de secretarissen der steden Deventer en Kampen wel aanteekening van het op Landdagen en Klaringen verhandelde en de z.g. „reizeboeken” van Deventer, beginnende bij 1542 en de „dagvaartboeken” van Kampen, beginnende bij 1528, bevatten dan ook een schat van gegevens uit dien tijd.
Dikwijls zijn ze uitvoeriger dan de officieele registers, terwijl ze ook resolutien bevatten betreffende de bijeenkomsten („maelstat”), die de drie hoofdsteden Deventer, Kampen en Zwolle dikwijls hielden tot het bespreken hunner gemeenschappelijke belangen. Vermoedelijk heeft ook Zwolle eertijds dergelijke boeken of registers bezeten; in het archief dier stad berust thans nog een „dagvaartboek” van September — October 1534, doch andere dagvaartboeken uit den tijd van vóór den opstand zijn thans niet meer aanwezig.
     Eerst in Augustus 1578, nadat ook Overijssel zich van het Spaansche gezag begon af te wenden, begint een zelfstandige administratie van Ridderschap en Steden, de Staten van Overijssel, doordat de griffier op de vergaderingen der Staten, die thans op eigen gezag bijeenkomen, regelmatig aanteekening gaat houden van het aldaar verhandelde. De griffier, GIJSBERT ROELINCK, die reeds onder ’s Konings stadhouders als zoodanig werkzaam was, heeft bij den opstand tegen Spanje de zijde der Staten gekozen en ongetwijfeld is het aan deze gelukkige omstandigheid te danken, dat de Staten ook in het bezit zijn gekomen van een belangrijk aantal officieele bescheiden uit het tijdperk 1528-1578. Langen tijd zijn deze stukken in zijn particulier bezit en in dat van zijn zoon en opvolger DIRK ROELINK gebleven, totdat de Gedeputeerde Staten 18 Mei 1607 besloten, laatstgenoemde aan te schrijven alle judicialen en leenregisters naar Kampen op te zenden, om daar op „het Collegie”, de vergaderplaats van Gedeputeerde Staten, in goede bewaringe te verblijven. Toen hieraan geen direct gevolg werd gegeven, gelastten zij 8 Juli 1607 den rentmeester van Salland en den Gedeputeerde van Zwolle, ANTHONIS VAN BRAECKEL, „om ten huise van den olden greffier als oeck van vrou Willems to visiteeren ende to lichten alle charters ende pampieren dese Landtschap eenichsins concerneerende ende dzelve neffens alle registers, so well lheen als judicialen in seeckere kiste to besluiten ende ter vergaderonge alhyr te doen brengen, alwaer dzelve van nu voortaen in bewaronge sal verbliven”.
     In den aanvang van den opstand tegen Spanje hebben de Staten ook getracht de oude judicialen en leenregisters, op Overijssel betrekking hebbende, die zich meerendeels in de Hollandsche Rekenkamer te ’s Gravenhage bevonden, machtig te worden. Reeds in de instructie van de Gecommitteerden ter Generaliteit van 18 Maart

___↓___


|pag. 158|

15794 [4.      Zie resolutien van Ridderschap en Steden 23 Maart 1579.]) wordt hun opgedragen het daarheen te leiden, dat deze landschap weder moge worden toegesteld „die olde registeren, soe leen als judiciale, diversoria ende alle andere pampyren ende schriften deser landtschap concernerende ende toecommende wesende hierbevoirens gebracht in Hollandt in de Rekencamer”, terwijl blijkens de resolutien van Ridderschap en Steden van 1 November 1594, de drost van Vollenhove en dr. SCHARFF uit Deventer geauthoriseerd worden „om met den Raetsheer OEM binnen Utrecht, dwelcke noch etlicke olde leenregisteren ende andere olde boecken, dese lantschap concernerende, in handen heeft, te handelen om dselve weder in handen van de Lantschap te crygen, als oick die noch in den Hage sijn”. Deze bemoeiingen hebben blijkbaar weinig succes gehad; eerst in Januari 1613 werden — blijkens een nog aanwezig afschrift van het afgegeven reçu — een 9-tal registers en rekeningen uit de Hollandsche Rekenkamer ontvangen, blijkbaar als gevolg van de resolutie van Ridderschap en Steden van 5 Nov. 16125 [5.      Zie Mr. S. MULLER FZN. Catalogus van het archief der bisschoppen van Utrecht, blz. XXXVI. Onjuist is de mededeeling aldaar, dat van de in 1613 afgestane stukken slechts drie bewaard zijn gebleven. Een berust thans in het bisschoppelijk archief (no. 406), een is in 1924 afgestaan aan het Rijksarchief in Drente en drie berusten nog in het Rijksarchief in Overijssel, terwijl vier rekeningen verloren zijn gegaan. (Vgl. Inventaris GRASWINCKEL, blz. 201 en 202).]). Uit een omstreeks 1623 te griffie opgemaakten, geheel op perkament geschreven, inventaris blijkt evenwel, dat de meeste judicialen en leenregisters vanaf het midden der 15e eeuw zich toen reeds in Overijssel bevonden; waarschijnlijk zijn de bisschoppelijke leenregisters en judicialen reeds in het bezit geweest van den griffier GIJSBERT ROELINCK, die ze voor zijn administratie zal hebben noodig gehad en zijn zij zoodoende in het archief der Staten terecht gekomen. Nog enkele bisschoppelijke registers werden in 1867 uit het Rijksarchief in den Haag ontvangen, doch in 1890 werd alles, wat oorspronkelijk tot het bisschoppelijk archief behoorde, aan het Rijksarchief in Utrecht afgestaan.6 [6.      Oudere en nieuwere afschriften en extracten uit al deze registers bevinden zich in het Rijksarchief in Overijssel.])
     Er zij hier op gewezen, dat onder de in 1613 uit de Hollandsche Rekenkamer ontvangen stukken zich slechts enkele rekeningen bevonden. De groote, voor Overijssel zoo belangrijke collectie rekeningen uit het tijdperk 1528—1581, deel uitmakende van het archief der Hollandsche Rekenkamer, werd eerst in 1859 en 1867 door het Rijksarchief in den Haag aan het toenmalige provinciale archief te Zwolle in bruikleen afgestaan, alwaar zij thans nog berust.7 [7.      Zie de inventaris van Jhr. Mr. D.P.M. GRASWINCKEL: Overijsselsche rekeningen en andere stukken, afkomstig uit de Hollandsche Rekenkamer, 1528-1531, gedrukt in Verslagen omtrent ’s Rijks oude Archieven, 1923, deel II.])

___↓___


|pag. 159|

     Op een andere niet minder belangrijke collectie rekeningen zij hier voorts de aandacht gevestigd, die, ofschoon evenmin deel uitmakende van het Staten-archief, voor de geschiedenis van Overijssel van niet minder belang is, dan die uit de Hollandsche rekenkamer.
Wij bedoelen de rekeningen en andere stukken, afkomstig uit de rekenkamer te Roermond. Een groot deel van Overijssel, vooral van Twente, bleef bij den opstand tegen Spanje nog langen tijd door Spaansche troepen bezet, terwijl in het noorden Steenwijk geruimen tijd in Spaansche handen is gebleven. In alle drie kwartieren Salland, Twenthe en Vollenhove waren dan ook — naast de Staatsche — Spaansche drosten, rentmeesters en ontvangers aangesteld, die hunne rekeningen lieten afhooren door de rekenkamer te Roermond. Toen in het begin der 17e eeuw Overijssel langzamerhand van Spaansche troepen werd bevrijd en in 1632 bovendien Roermond in handen van FREDERIK HENDRIK viel, werden dan ook de meeste dezer rekeningen en andere stukken, op Gelderland en Overijssel betrekking hebbende, vandaar naar Arnhem gevoerd. Weldra richtte men zich nu tot Kanselier en Raden in Gelderland met het verzoek „om aen dese provintie te laten volgen de registren, reeckenongen ende papijren, die dese provintie mogen toucheeren ende tot Romunde gevonden sijn.8 [8.      Zie de inventaris van Mr. H.C. HAZEWINKEL: Het z.g. Spaansch archief, afgedrukt in de Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven, 1924, deel II.])
Blijkbaar is aan dit verzoek voldaan: inventarissen van de uit Roermond afkomstige archivalia en van die, welke ter afhooring nog voorloopig in de Rekenkamer werden achtergelaten, zijn bewaard gebleven, terwijl de Overijsselsche klerk JOAN TEN VELDE van de overgenomen rekeningen en papieren een nieuwe inventaris opmaakte.
Deze archivalia, thans nog bekend onder den naam van het z.g. Spaansch archief, berusten eveneens nog in het Rijksarchief-depot in Overijssel. 9 [9.      Zie de resolutien van Gedep. Staten van 7 Augustus 1632 en die van het Hof van Gelderland van 14 Augustus 1632.])
     Keeren wij thans terug tot de lotgevallen van het Staten-archief. De vergaderingen van Ridderschap en Steden werden tijdens de Republiek gewoonlijk in een der drie hoofdsteden Deventer, Kampen of Zwolle gehouden; in den aanvang echter ook dikwijls in kleine plaatsen als Heino, Raalte, Wijhe en Ommen, terwijl de onzekere tijdsomstandigheden het somtijds zelfs noodig maakten, deze vergaderingen buiten het grondgebied der provincie, o.a. te Heerde en Hattem, te houden.
In de 16e en het begin der 17e eeuw waren op deze vergaderingen buiten de afgevaardigden der drie steden gewoonlijk niet meer dan een tiental edelen aanwezig; velen waren in krijgsdienst of woonden

___↓___


|pag. 160|

in het door de Spanjaarden bezette gebied, zoodat voor deze vergaderingen een particulier huis voldoende ruimte bood. Als zoodanig vinden we — blijkens de oude rekeningen — in Zwolle meermalen melding gemaakt van het huis van zekere vrouw WILLEMS10 [10.      Dat hier ook archivalia werden bewaard, bleek reeds uit de aangehaalde resolutie van 8 Juli 1607.]), terwijl in Deventer meermalen in het huis van BERENT VAN ENSCHEDE werd vergaderd. Ook de woning van den griffier diende somtijds tot vergaderplaats.11 [11.      Deze vergaderplaatsen dienden ook tot bergplaats der archieven. Vgl. mijn artikel: De afzetting van Derck Doornebus als griffier der Staten. (Verslagen en Mededelingen Ov. Regt en Gesch., deel XLV, blz. 223 en 224.)])
     Eenige verbetering kwam in dezen toestand, toen in 1593 een vast college van Gedeputeerde Staten werd opgericht, dat mede afwisselend in de drie hoofdsteden vergaderde. Een poging, 11 Sept. 1610 ter Staten-vergadering gedaan, om Zwolle als vaste zetel voor Gedeputeerden aan te wijzen, mislukte.12 [12.      Vgl. Tegenwoordige Staat van Overijssel, I, 441 en 442.]) Aan dit college, waarbij de griffier der Staten tevens als secretaris fungeerde, was o.a. het beheer der financiën en het afhooren der rekeningen der verschillende rentmeesters en ontvangers opgedragen; een rekenkamer bestond in Overijssel tijdens de Republiek niet.
     In Kampen kreeg dit college in 1630 een vast verblijf in het Broederklooster13 [13.      Zie Register van charters en bescheiden in het oude archief van Kampen, VIII, 140 (22 Juni 1630).]), dat daardoor den naam van „het Collegie” verkreeg en dat tevens als vergaderplaats der Staten en als archiefbewaarplaats dienst deed. De telkens wisselende vergaderplaats van Ridderschap en Steden en van de Gedeputeerde Staten, die het noodig maakte steeds het geheele archief mede te voeren, hebben op de orde in het archief natuurlijk een zeer nadeeligen invloed uitgeoefend.
Van de losse stukken uit den eersten tijd der republiek is veel verloren geraakt, al is het niet onwaarschijnlijk, dat in de archieven der drie voormalige hoofdsteden nog wel een en ander is achtergebleven.14 [14.      Vele belangrijke stukken staan evenwel in de oudste resolutieboeken afgeschreven.])
     De schrijver van den Tegenwoordige Staat van Overijssel is van meening — een meening, die door alle latere schrijvers is overgenomen — dat de resolutie van Ridderschap en Steden van 1 Mei 1668 bepaalde, dat het archief voortaan te Kampen zou verblijven, terwijl alleen de noodigste papieren naar de vergaderplaats der Staten vervoerd zouden worden. Dit is echter onjuist. Wij moeten deze resolutie bezien in verband met de toenmalige scheuring in de Staten-vergadering.
De meerderheid vergaderde toen te Kampen en de resolutie gelastte

___↓___


|pag. 161|

den griffier gedurende den Landdag te Kampen te blijven, de zegels na afloop aan den voorzitter van het college van Gedeputeerde Staten ter hand te stellen en de griffiepapieren te Kampen te laten „en niet eenige pretense vergadering van Ridderschap en Steden te respicieeren”15 [15.      Bedoeld is de vergadering der minderheid, die te Zwolle bijeen was.]). Het was dus slechts een tijdelijke maatregel. In de resolutiën van Gedeputeerde Staten van 4 Maart 1675 leest men dan ook: „goedtgevonden bij dese tegenwordige herstellinge der Regeringe, dat de charters en papieren, tot de greffie gehorende, t’elkens van jaer tot jaer ter plaetse van den Landtdagh sullen worden getransporteert, alwaer dienvolgens van die tijdt aff de vergaderinge van de ordinaris Gedeputeerden t’elkens ook jaerlijx in de respectieve steden sal beginnen”, een gewoonte, die onafscheidelijk verbonden moest zijn aan de telkens wisselende vergaderplaatsen van Staten en Gedeputeerden, al liet men in lateren tijd de oudste stukken, die voor de vergaderingen van geen direct belang konden zijn, dan ook te Kampen blijven. Ook in Zwolle hadden Gedeputeerden thans een vast verblijf gevonden in een gedeelte van het Bagijne convent in de Praubstraat, dat bewoond zou worden door den kamerbewaarder EGBERT GELDERMAN16 [16.      Zie de resolutien van Gedeputeerde Staten van 4 Maart 1675.]), terwijl de Staten-vergaderingen te Deventer en Zwolle aldaar op de raadhuizen gehouden werden.17 [17.      Zie den uitgaanden brief aan het Staatsbewind, geïnsereerd in de Notulen van het Departementaal Bestuur van 16 Maart 1803.])
     Een groote ramp bedreigde de archieven bij den inval der Fransche, Keulsche en Munstersche troepen in ons land in 1672. Nagenoeg de geheele provincie, de drie hoofdsteden inbegrepen, werd door vreemde troepen bezet, de besturen in de steden en op het platteland omgezet en zelfs een nieuwe leenkamer ingesteld.18 [18.      Zie Jhr. Mr. D.P.M. GRASWINCKEL, Leenzegel van Overijssel tijdens de Munstersch-Keulsche overheersching. (Verslagen en Mededeelingen Ov. Regt en Gesch. 40e en 45e stuk.)]) Fransche troepen namen bezit van „het Collegie”, de vergaderplaats der Gedeputeerden te Kampen, alwaar zich een aanzienlijk gedeelte van het archief bevond.19 [19.      Het hier volgende is ontleend aan de resolutien van Gedeputeerde Staten van 17 Mei 1674 — 5 Maart 1675 en Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, XI, blz. 157, 168 en 169.])
Herhaalde pogingen van de magistraat te Kampen, om de archieven naar het Raadhuis te doen overbrengen, mislukten. Eerst na het vertrek der Franschen konden de door den Prins nieuw aangestelde Gedeputeerden hunne zorgen weder aan de griffie besteden. Reeds 17 Mei 1674 werden eenige gecommitteerden aangewezen, de stukken in de griffies te Zwolle en Kampen, die na het vertrek der vreemde

___↓___


|pag. 162|

troepen onmiddellijk waren verzegeld, te inventariseeren. Een kist met stukken, die door de Munsterschen uit de woning van wijlen den grjffier ROELINCK was weggehaald, werd door van TWENHUIJSEN, die een rol had gespeeld tijdens de overheersching, teruggebracht en naar Kampen gedirigeerd. Dr. HOEFSLAG, die tijdens de vreemde overheersching secretaris van Zwolle en griffier van de leenkamer was geweest, werd 11 Juni gelast, de leenregisters terug te geven. Hij moest daarvoor een reis naar Munster ondernemen en het gelukte hem eerst na veel moeite de leenregisters terug te krijgen. Ook de advocaat-fiscaal, Dr. TOLLIUS, zoo juist door den Prins benoemd om een onderzoek in te stellen naar de gesties der verschillende comptabele ambtenaren, was in het bezit geweest van verschillende registers, die door hem in den oorlog naar Coevorden waren gebracht. Ook deze werden teruggegeven behoudens enkele, die hij voor de richtige uitvoering van zijn nieuwe functie noodig had. Andere bescheiden, door de heeren VAN RHEMEN en STEENBERGEN bezeten, waren reeds vóór den inval bij burgemeester VRIESE gebracht, doch bleven voorloopig zoek. Zoo waren dan langzamerhand de meeste archivalia der provincie weer in behouden haven aangeland, doch de bewaarplaats van het college te Kampen bleek nu alras te klein, zoodat Gedeputeerde Staten 22 December 1675 besloten aan Kampen te schrijven, de bewaarplaats der archieven te vergrooten „vermits dieselve van tijdt tott tijdt comen te accresceren”.
     Intusschen had 4 Juni 1674 reeds de inventarisatie der griffie te Kampen plaats gevonden; die te Zwolle volgde eerst 1 en 10 September. Beide inventarissen zijn bewaard gebleven. Hieruit blijkt, dat de oudste registers en stukken toenmaals te Zwolle waren, terwijl zich aldaar ook een groote hoeveelheid processtukken, waarschijnlijk op de Klaring betrekking hebbende, bevonden. Vermoedelijk waren deze tijdig uit Deventer, dat het eerst door den vijand bedreigd werd, naar Zwolle vervoerd, ofschoon daarvan uit de resolutiën niets blijkt.
Te Kampen bevonden zich meerendeels rekeningen, acquitten, registers van ordonnantiën en andere stukken uit de 17e eeuw benevens een groote hoeveelheid stukken betrekkelijk processen, die blijkbaar voor Gedeputeerde Staten waren gevoerd. Reeds in 1675 deed de stad Kampen moeite, een deel der brandschatting, die zij aan de Franschen had betaald en die mede had gediend tot conservatie der griffie, van de Staten terug te erlangen, doch eerst 23 Maart 1681 besloten deze, haar voor haar bemoeiïngen in dezen f 1000 uit te keeren welk bedrag haar — aangezien de stad Zwolle haar consent eerst in 1684 gaf — in laatstgenoemd jaar werd uitbetaald.
     Of er met dit alles ook eenige werkelijke orde in de griffie was

___↓___


|pag. 163|

geschapen, moet eenigszins worden betwijfeld, gezien het feit, dat Gedeputeerde Staten 5 Maart 1695 het noodig oordeelden den griffier, klerken en kamerbewaarder te gelasten, „alle charters en papieren, welke ter griffie (te Kampen) berustende zijn, te examineren en nae te zien, daarvan te formeren een pertinent inventaris en registers, voorts de boeken en papieren van een en deselve natuire by malkanderen in aparte casten te stellen en deselve by gemelte te maken inventaris te nombreren en van alles alhier rapport te doen”, terwijl bij resolutie van Ridderschap en Steden van 19 April 1700 werd besloten de griffie te Zwolle in een beteren staat te brengen. Door de gewoonte, om jaarlijks een groot gedeelte van het archief van de eene naar de andere plaats over te brengen, is het echter twijfelachtig, of deze ordening eenig duurzaam effect heeft gehad. Immers 16 April 1767 voelde JAN DANIEL VAN HOVEN, gewezen professor in de geschiedenis aan het gymnasium academicum te Lingen, wonende te Kampen, zich geroepen, om zich aan te bieden als „archivarius” om de griffiepapieren te Kampen te ordenen, op welk request echter nooit een beslissing is gevallen.
     Omtrent de oude bewaarplaats van de privilege- en andere brieven van Overijssel en van hare drie kwartieren zouden we geheel in het duister tasten, ware het niet, dat ANTONI VAN MIERLOO, de klerk der Staten, omstreeks de tweede helft der 17e eeuw een lijst had opgemaakt van 22 met name genoemde charters, die toen onder den heer RIPPERDA — vermoedelijk is bedoeld de verwalter-drost van Twenthe, UNICO RIPPERDA — berustten.20 [20.      Rijksarchief in Overijssel, Ms. inventaris no. 286.]) Vermoedelijk zijn ook deze stukken bij den inval der Keulsche en Munstersche troepen naar Zwolle overgebracht. Op den reeds vermelden inventaris van 10 September 1674 komt n.l. voor „een koffer met pauselijke en keiserlijke bullen”, waarin naar alle waarschijnlijkheid de oude privilege­brieven gezeten hebben. Het is de eenige inventaris, waarin van dergelijke stukken melding wordt gemaakt, en zij zijn ongetwijfeld na den oorlog weer ten huize van een der drosten bewaard geweest, waardoor het tevens verklaarbaar wordt, dat er in het Staten-archief nagenoeg geen enkele dezer privilegebrieven wordt gevonden, maar dat ze voor een deel nog berusten ten huize van graaf VAN RECHTEREN op het kasteel Almelo.
     Met een enkel woord moge hier voorts melding worden gemaakt van de Deventer landskist,21 [21.      Zie hierover mr. J. NANNINGA UITTERDIJK: De Landskist. (Verslagen en Mededeelingen Ov. Regt en Gesch. 19e stuk.)]) waarvan in de geschiedbronnen een enkele maal wordt gewag gemaakt. Reeds op de Klaring van 21

___↓___


|pag. 164|

November 153022 [22.      Vgl. mr. J.I. V. DOORNINCK, Overijssel onder Karel V. (Deventer, 1889), ald. blz. 103.]) deden Commissarissen en Raden des Keizers van hunne belangstelling in den inhoud dezer kist blijk geven, doch Ridderschap en Steden verklaarden zich niet bereid de stukken af te staan, doch stonden alleen toe, er afschriften van te maken.
Overigens schenen Ridderschap en Steden zelve van den inhoud der Landskist — die alleen bij hooge uitzondering werd geopend — slechts een vage voorstelling te hebben, toen zij meenden in 1571 de kist te moeten openen om te doen zien, of hierin wellicht ook lands-privileges geborgen waren, die met goed gevolg gebruikt zouden kunnen worden tegen de invoering der Crimineele Ordonnantie van koning PHILIPS. De inhoud bleek uitsluitend te bestaan uit stukken, die tot het bisschoppelijk archief behoorden en zij zijn dan ook in 1894 in bruikleen afgestaan aan het Rijksarchief te Utrecht.23 [23.      Mr. S. MULLER FZN., Catalogus van het archief der bisschoppen van Utrecht, blz. X, XI en XXXIX.])
     Tijdens den opstand tegen Spanje waren de kloosters — behalve die, welke binnen de steden gelegen waren — langzamerhand ook onder het beheer der Staten gekomen en daarmede ook de klooster­archieven, voor zooverre ze tenminste niet reeds door de kloosterlingen waren weggevoerd. Over het beheer dezer kloostergoederen ontstond weldra twist tusschen de Steden en de Ridderschap, totdat in 1663 een overeenkomst tot stand kwam, waarbij een deel der kloostergoederen onder het uitsluitend beheer der Ridderschap kwam, terwijl het andere deel onder dat der Staten bleef. De Ridderschap was n.l. niet alleen een deel der Staten, maar vormde ook een afzonderlijk lichaam met een eigen griffier, die vóór 1707 dezelfde persoon was als de griffier der Staten. Vanaf het midden der 17e eeuw is het archief der Ridderschap grootendeels bewaard gebleven.
Nog vóór de omwenteling van 1795, toen de Ridderschap de vergadering der Staten verliet, was een deel van haar achief in October van het vorige jaar reeds naar Lingen vervoerd en in een gesloten kist ten huize van prof. S.F. MEILING gedeponeerd.24 [24.      Vgl. de secrete resolutien van de Ridderschap van 25 en 26 Sept. 1794.]) De Provisioneele Representanten des volks van Overijssel — zooals de Staten zich thans noemden – hadden nu ook het beheer der voormalige ridderschapsgoederen aan zich getrokken en zonden daarop 20 Juni 1797 een gemachtigde naar Lingen met verzoek tot afgifte van genoemde kist, hetgeen door prof. MEILING werd geweigerd, daar de gemachtigde geen speciale order had van de deponenten.25 [25.      Zie de resolutiën van de Provisioneele Representanten van 17 Octob. 1797.]) Nadat de Provisioneele Representanten waren opgevolgd door het Intermediair Administratief

___↓___


|pag. 165|

Bestuur, kwam de kwestie opnieuw ter sprake, en nadat de richter van Delden J.A. VERSTEGE door genoemd bestuur blijkens de resolutiën van 31 Juli en 3 Augustus 1798 met de vereischte volmacht was voorzien, werd de kist 10 Augustus daarop ter griffie gedeponeerd.
     Intusschen bleef mr.P. PUTMAN, griffier der voormalige Ridderschap, met de gedeeltelijk administratie der Ridderschaps-goederen, alsmede met het ambt van leengriffier belast, totdat hij bij Staatsbesluit van 18 Juni 1805 no. 4 werd gepensionneerd, en hem werd gelast, de onder hem berustende leenregisters en daarbij behoorende papieren aan den Raad van Financiën in Overijssel over te geven, met qualificatie op den secretaris van dien Raad om den post van leengriffier verder waar te nemen.26 [26.      Zie de Notulen van den Raad van Financiën van 12 Sept. 1805.]) Op 29 October 1805 rapporteerde de secretaris, onder overlegging van een inventaris van het archief der leenkamer, dat hij deze stukken had overgenomen, doch dat hij wegens den grooten omvang van het archief der Ridderschap, dat zich in drie groote kasten in het huis van den heer PUTMAN te Deventer bevond, dit niet zoo spoedig had kunnen inventariseeren, maar zoo spoedig mogelijk dit zou overnemen.
     Naast de vergaderingen van de geheele Ridderschap hield deze ook in de drie kwartieren Salland, Twenthe en Vollenhove afzonderlijke vergaderingen van de aldaar gevestigde leden. Van deze kwartiers-vergaderingen der Ridderschap is door het ontbreken der archieven slechts weinig bekend; alleen het archief der Ridderschap van het kwartier Vollenhove is (vanaf het midden der 17e eeuw) grootendeels bewaard gebleven; de resolutieboeken en de rekeningen werden in 1854 door Mr. G.W. BARON VAN DEDEM aan het provinciaal archief geschonken, terwijl de ingekomen brieven in 1860 op het stadhuis te Vollenhove gevonden en naar het provinciaal archief overgebracht werden.
     Nog moet hier melding worden gemaakt van een belangrijke verzameling stukken, die men hier allicht niet zou verwachten, n.1. die betreffende de Bentheimsche domeinen. De Staten bezaten n.1. een aanzienlijk aantal domeinen, meerendeels hofhoorige goederen, in de nedergraafschap Bentheim, eensdeels afkomstig van de kloosters Windesheim, Sibculo en Albergen, anderdeels behoorende tot de domeinen van Salland en Twenthe, voornamelijk onder den hof van Ootmarsum behoorende.27 [27.      Over den verschillenden aard dezer goederen zie men een belangrijk advies van mr. J.W. RACER in Verslagen en Mededeelingen Ov. Regt en Gesch. 2e stuk, bl. 17.]) Aan het bezit dezer goederen was het recht van „premier stende” in den Bentheimschen landdag verbonden,

___↓___


|pag. 166|

als gevolg van welke vertegenwoordiging copieën van de Bentheimsche landdagsrecessen aan de Staten werden gezonden. Na de verheffing van WILLEM III tot stadhouder heeft men bij resolutie van 3 November 1677 deze goederen — benevens de leengerechtigheid van Nieuwenhuis c.a., alsmede die van Lingen — aan den stadhouder geschonken, doch na diens kinderloos overlijden keerden ze tot de provincie terug, terwijl bij resolutie van 7 November 1747 ze weer aan WILLEM IV en al diens wettige nakomelingen werden afgestaan.
Bij de omwenteling van 1795 werden alle goederen van den stadhouder, de Bentheimsche domeinen inbegrepen, tot nationaal domein verklaard, doch in 1802 het beheer weer aan Overijssel gegeven onder oppertoezicht van den Thesaurier-generaal en de Raden van Finantiën,28 [28.      Zie de resolutien van het Departementaal Bestuur van 19 Juli 1802.]) terwijl kort daarna alle charters en papieren de administratie dezer domeinen betreffende, naar Overijssel werden opgezonden.29 [29.      Alsvoren, 21 Juli en 15 September 1802.]) De laatste rentmeester, G. VAN ASSEN, heeft tot het einde van 1811 het bewind over deze goederen gevoerd, die daarna rechtstreeks onder het beheer van den Directeur van het Staatsdomein schijnen gekomen te zijn.30 [30.      Notulen van den Prefect van 19 lanuari 1811. no. 10.]) Daar de „lijfeigenschap” in het hertogdom Berg – Kleef (waaronder Bentheim toen ter tijd behoorde) bij Keizerlijk Decreet van 12 December 180831 [31.      Afschrift van een Duitsche vertaling van dit Decreet werd door den rentmeester toegezonden aan den Landdrost van Overijssel blijkens het Verbaal der Domeinen van 15 Grasmaand 1809, no. 2. Het genoemde Keizerlijk Decreet ontbreekt in het Bulletin des lois.]) was afgeschaft en daarmede de inkomsten grootendeels vervielen, heeft het bewind van den rentmeester over de jaren 1809-1811 waarschijnlijk alleen de afwikkeling zijner administratie betroffen.32 [32.      Dit klopt ook met het feit, dat de laatste rekening van den rentmeester G. VAN ASSEN loopt over het jaar 1808. Zij werd eerst 6 Maart 1815 door den Raad en Rekenkamer der Domeinen afgehoord en gesloten, waarbij de rendant bijna f 3900 schuldig bleef. Hierover is nog in 1840 met de erfgenamen van G. VAN ASSEN geprocedeerd voor de Rechtbank te Almelo. (Bundel processtukken en correspondentie, afkomstig van mr. H.J. RAEDT, advocaat-fiscaal der domeinen, gevonden tusschen de in 1928 uit het gemeente-archief van Ootmarsum ontvangen rechterlijke stukken.)]) Naast de reeds genoemde landdagsrecessen zijn een groot aantal rekeningen en andere stukken betreffende deze domeinen, loopende van het einde der 17e tot het begin der 19e eeuw, bewaard gebleven. Voor een gedeelte zijn deze stukken eerst in 1873, verpakt in twee groote kisten, op den zolder van de provinciale griffie ontdekt.
     Een tweetal belangrijke aanwinsten heeft het oude provinciale archiefdepôt in lateren tijd verworven, die hier even gememoreerd dienen te worden. In 1860 werd van den ontvanger der registratie

___↓___


|pag. 167|

en domeinen te Zwolle het z.g. „domein-archief” overgenomen, dat meerendeels bleek te bestaan uit stukken, behoord hebbende tot het archief van den rentmeester der domeinen in Twenthe. Tot dit archief moeten eertijds ook hebben behoord een groot aantal hofboeken van de Twenthsche hoven, die in het bezit zijn geweest van mr. H.J. RAEDT, advocaat-fiscaal der domeinen, blijkens een 1 September 1841 door hem opgemaakte lijst33 [33.      Zie deze lijst onder de Aanwinsten 1885. Verslagen omtrent ’s Rijks Oude Archieven 1885 blz. 65).]). Slechts drie van deze hofboeken zijn in het Rijksarchiefdepôt te Zwolle terechtgekomen, terwijl een niet onbelangrijk gedeelte thans nog in de collectie van wijlen den heer C.J. SNUIF te Enschede en in de Oudheidkamer te Oldenzaal berusten.
     De tweede aanwinst, het archief van den ambtman van het stift Essen, werd mede in 1860 verworven door aankoop van de dames LANTMAN, dochters van den laatst overleden ambtman. Over den aard van dit archief moge worden verwezen naar den gedrukten inventaris34 [34.      Zie mijn inventaris van Het archief van den ambtman van het stift Essen, afgedrukt in de Verslagen omtrent ’s Rijks Oude Archieven, 1926, deel II.]).
     Gaan wij thans over tot de bespreking van de centralisatie van het Staten-archief. In de jaren 1798—1811 heeft, als gevolg van de opeenvolgende staatsregelingen, een telkens wisselende administratie het bestuur over de provincie gevoerd. Van April 1799 tot Juni 1802 strekte het bestuur van het „Departement van den Ouden IJssel” (hoofdplaats Zwolle) zich bovendien uit over een groot gedeelte van Drenthe, Friesland en Gelderland, terwijl van Juni 1802 tot Augustus 1805 het voormalige landschap Drenthe met Overijssel was vereenigd. De rechtspraak van de Klaring was vervallen en 1 October 1799 een „Gerechtshof der Bataafsche Republiek in het Departement van den Ouden IJssel geïnstalleerd, ingevolge publicatie van het Uitvoerend Bewind van 23 September tevoren35 [35.      Mr. Dr. J.C. OVERVOORDE De rechterlijke indeeling na 1795 (Geschiedkundige atlas van Nederland) maakt geen melding van dit Gerechtshof, dat speciaal werd opgericht ter behandeling van delicten, vermeld in de publicatie van het Uitvoerend Bewind van 23 Augustus 1799.]). Dit gerechtshof, zetelend te Kampen, moest in 1802 plaats maken voor een „Departementaal Hof van Justitie”, zetelend te Deventer, totdat NAPOLEON aan dit alles een einde maakte en decreteerde: la Hollande est réunie à l’Empire.
Daarna werd in 1811 de Fransche administratie en wetgeving hier te lande ingevoerd, die, althans wat de wetgeving en de rechterlijke organisatie betreft, van blijvenden invloed in ons land zijn geweest.
De archieven van al deze opeenvolgende bestuurslichamen zijn mede in het oude provinciale archiefdepôt bewaard gebleven.

___↓___


|pag. 168|

     Krachtens art. 3 en 4 der Staatsregeling van 1798 was intusschen Zwolle tot hoofdplaats van het departement aangewezen. Nadat het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek bij besluit van 4 April 1799 Zwolle eveneens tot zetel van de commissie tot administratie der financiën van het voormalig gewest Overijssel had aangewezen, besloot laatstgenoemde 8 April 1799, de geheele griffie naar Zwolle over te brengen en zoo mogelijk een geschikte localiteit te vinden, alwaar tegelijk ook het departementaal bestuur zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten.
     De bekrompenheid van het gebouw, waar eertijds Gedeputeerde Staten te Zwolle vergaderden en dat tot bergplaats diende van de steeds aangroeiende archieven, was oorzaak dat de 1e Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks bij secreet besluit van 26 Februari 1800, bekrachtigd door de 2e Kamer 4 November 1800, het Departementaal Bestuur machtigde, voor zijn vergaderingen en berging zijner archieven een nieuw gebouw op landskosten aan te koopen. Daarvoor viel het oog op het huis van den heer J.A.Z. VAN ISSELMUDEN, staande in de Koestraat naast de Luthersche Kerk, dat blijkens besluit van het departementaal bestuur van 5 December 1800 werd aangekocht voor f 10.500. Dit gebouw bleek al spoedig veel te klein, zoodat alle archieven er bij lange na niet geborgen konden worden. Toen het Collegie te Kampen verbouwd zou worden tot een zetel van het Departementaal Hof van Justitie — welk Hof tenslotte niet te Kampen maar te Deventer werd gevestigd – was men dan ook wel genoodzaakt, de stad Kampen 2 Juli 1801 te authoriseeren, het gedeelte der griffie, dat zich nog in voornoemd gebouw bevond, naar het stadhuis over te brengen en daar tot nader order onder zich te houden.
     Den 28 Januari 1803 stelde het Departementaal Bestuur een commissie in, om een geschikt gebouw te zoeken voor zijn vergaderingen en die van de nieuwe departementale rekenkamer, dat tevens ruimte zou bieden voor een behoorlijke berging zijner archieven. Toen blijkens de resolutien van 18 Februari het Staatsbewind had bericht, dat dit gebouw voor eigen rekening diende te worden aangekocht, zond het Departementaal Bestuur 16 Maart een uitvoerige missive aan het Staatsbewind, waarin het den treurigen toestand van het gebouw in de Koestraat uiteenzette; na een kort historisch overzicht van de voormalige Staten-vergaderingen en de bergplaatsen der archieven, wees het Departementaal Bestuur er op, dat de toestand thans zóódanig was, dat tijdens de vergaderingen dikwijls de vereischte papieren staande de vergadering uit het „College” (in de Praubstraat) gehaald moesten worden, dat thans de departementale

___↓___


|pag. 169|

inkomsten veel te gering waren om de kosten voor een nieuw gebouw te dragen, dat de voormalige inkomsten van het gewest geheel ten voordeele van het Staatsbewind waren gekomen en dat het derhalve thans ook de kosten voor een nieuw gebouw diende te dragen.
     Blijkbaar zag men in den Haag de juistheid van dit betoog in, want bij besluit van 5 Mei werd toestemming verleend tot aankoop van een geschikt perceel tot een maximum bedrag van f 20.000.
Intusschen had de bovengenoemde commissie van het Departementaal Bestuur 3 Mei 1803 reeds geadviseerd tot aankoop van het huis van wijlen den landdrost A. SLOET VAN TWEENIJENHUISEN, staande in de Dieserstraat, voor f 16.000; een overeenkomst met den huurder maakte het mogelijk, het gebouw 1 September te betrekken. Overeenkomstig dit voorstel werd dan ook besloten. Als gevolg van dezen aankoop besloot het Departementaal Bestuur 4 November 1806 de griffie uit Kampen „zoo doenlijk” naar Zwolle over te brengen.
Eerst in 1841 bleek het mogelijk het restant der archieven dat nog te Kampen was achtergebleven, naar Zwolle over te brengen, echter niet dan nadat eerst 509 zware paketten, meest acquitten bevattende, waren vernietigd.
     Het gebouw in de Dieserstraat, dat mede tot woning van den landdrost en later van den gouverneur diende en dat reeds in 1809 verschillende reparaties moest ondergaan, bleek voor de steeds toenemende behoeften ter administratie weldra weer te klein. Blijkens het Verbaal van den landdrost van den 3en van Grasmaand 1810 had deze zich reeds voor eenigen tijd met een privaat schrijven tot Lodewijk Napoleon gericht met het verzoek, om voor ’s lands rekening het naastgelegen pand van mevrouw de weduwe FABIUS voor f 8500 aan te koopen. Bij besluit van 18 Maart 1810 no. 1 werd dit goedgekeurd en tevens f 1500 beschikbaar gesteld voor de noodige reparatiën, etc. Toen na het vertrek der Franschen op het einde van 1813 kort daarop ook de archieven der voormalige kwartierdrosten en onderprefekten op de griffie arriveerden, bleek de aankoop van het aangrenzende gebouw „de Roode Haan” geen overbodige weelde meer. De zolder van dit gebouw heeft tot 1874 tot berging der archieven gediend, doch na de verbouwing van de oostelijk gelegen perceelen werden ze in het nieuwe, thans nog bestaande, gebouw der griffie gedeponeerd, vanwaar ze in 1898 naar de tegenwoordige bewaarplaats, de Sassenpoort, zijn overgebracht.36 [36.      Vgl. ELBERTSVAN DER POT, Historische Wandelingen in en om Zwolle (2e druk 1910), blz. 145 en vlg.])
     Intusschen bleek de griffie na het vertrek der Franschen, vooral

___↓___


|pag. 170|

door de opeenhooping der archieven, in de grootste wanorde te verkeeren, zoodat het de administratie dikwijls niet dan met de grootste moeite gelukte, de vereischte stukken te vinden. Spoedig daarop werden dan ook buitengewone geëmployeerden aangesteld, om in dezen chaos eenige orde te scheppen. Met prijzenswaardigen ijver, doch zonder de daartoe vereischte bekwaamheid, hebben zij een „register van boeken en banden” opgemaakt en het grootste gedeelte van de losse stukken, ruim 18000, in een aantal rubrieken onderverdeeld en voetstoots, zonder zelfs een chronologische volgorde in acht te nemen, kortelijks beschreven en van nummers voorzien.
Deze arbeid is, wat de losse stukken betreft, in twee dikke folianten neergelegd, doch is praktisch zonder eenige waarde; en door de stukken met de bijlagen geheel uit hun verband te rukken, is zelfs een onherstelbare schade aan het archief toegebracht. Toen bij Koninklijk Besluit van 23 December 1826 no. 181 den Gouverneurs der provinciën werd gelast, onverwijld de provinciale, stedelijke en gemeente-archieven in orde te doen brengen en daarvan nauwkeurige lijsten of registers te doen opmaken, werd bij schrijven van den Gouverneur van 15 Augustus 1827 1e divisie no. 7 een afschrift van bovengenoemd „register van boeken en banden benevens een extract-inventaris van de geïnventariseerde losse stukken aan den Minister van Binnenlandsche Zaken toegezonden.
     Eindelijk, in 1838, zag men in, dat het aanstellen van een ter zake deskundige geen langer uitstel kon lijden. Bij besluit van 5 Juli van dat jaar stelden de Staten van Overijsel f 400 beschikbaar voor een aan te stellen provincialen archivaris, terwijl het Rijk een gelijke som voor dat doel beschikbaar stelde. Veertien dagen later werd daarop door Gedeputeerde Staten als zoodanig benoemd mr. JAN VAN DOORNINCK, voorloopig voor 5 jaren. Na afloop van dien termijn werd de post bestendigd en VAN DOORNINCK heeft meer dan 30 jaren zijn beste krachten aan het provinciaal archief gewijd. Vermelding verdienen het door hem uitgegeven Tijdrekenkundig register op het oud provinciaal archief van Overijssel (1225—1527), dat nog steeds een belangrijke hulpbron is voor de middeleeuwsche historie van Overijssel, terwijl hij in 1848 aan Gedep. Staten overleverde een „Catalogus der folianten van het provinciaal archief” welke catalogisatie later eveneens werd uitgebreid tot de losse stukken. Beide catologi zijn, vooral door de aanwezigheid van een „register” (index) en door de vele opmerkingen, die de archivaris tusschen de beschrijving invoegde, nog van belang.
     Het is hier niet de plaats de verdere lotgevallen van de oude provinciale archieven, die in 1880 onder Rijksbeheer werden gesteld,

___↓___


|pag. 171|

te behandelen. Men vindt die kortelijks beschreven in mijn aangehaald artikel in het werk Overijssel, terwijl men voor nadere bijzonderheden kan raadplegen de Verslagen uitgebracht door Gedeputeerde Staten op de zomervergadering der Provinciale Staten van Overijssel en van 1878 af de Verslagen omtrent ’s Rijks oude Archieven.
 
A. HAGA.
 

  • Haga, A. (1931). Uit de geschiedenis der oude provinciale archieven in Overijssel. Nederlandsch Archievenblad, XXXVIII, 156-171.
Category(s): Overijssel
Tags:

Comments are closed.