De registers van ondertrouw, opgemaakt volgens de publicatie
van de Provisioneele Representanten van het Volk
van Overijssel van 19 Mei 1795.
Sedert het Kon. Besl. van 20 Juni 1919, St. Bl. no. 389 (later vervangen door het Kon. Besl. van 31 Mei 1929, St. Bl. no. 269) zijn van een drietal provinciën „Beschrijvingen” der doop-, trouw- en begraaf-registers etc. verschenen en hebben we gelegenheid kennis te nemen van de wijze, waarop de verschillende bewerkers de ietwat onwillige stof in het kader van één gezamentlijke beschrijving hebben weten op te stellen. In het bijzonder heeft de heer ABR. MULDER in zijn inleiding tot de Retroacta van den Burgerlijken Stand in Zeeland een uitvoerige motiveering gegeven van de door hem bij de indeeling der stof gegeven methode.
Zonder aan deze motiveering iets te kort te willen doen, lijkt mij — althans voor Overijssel — een indeeling naar de oorspronkelijke herkomst, de kerkelijke gemeenten, de aangewezen weg, ongeveer op de wijze als door den heer H. BROUWER voor Zuid-Holland is gedaan.
Het is niet de bedoeling, daarop hier verder in te gaan, doch slechts te wijzen op enkele moeilijkheden, die zich bij een eventueele beschrijving der Overijsselsche doop- trouw- en begraafboeken etc. voordoen, in het bijzonder wat betreft de trouw- of ondertrouw-registers van het gerecht.
Het huwen voor het gerecht was in Overijssel aanvankelijk uitzondering. Alleen enkele groote steden hadden voorschriften gegeven voor sommige categoriën van personen, die voor het gerecht konden of moesten trouwen, terwijl verschillende resolutiën van Ridderschap en Steden (de Staten van Overijssel) den Mennonieten voorschreef, hunne huwlijken in de publieke kerken of voor het gericht te doen plaats hebben. Of deze zich stipt aan dit voorschrift hebben gehouden, valt te betwijfelen, gezien het feit, dat behalve in de zoogenaamde hoofdsteden slechts enkele van die registers van huwelijken, voor het gerecht voltrokken, bewaard zijn gebleven.
Geheel anders werd dit, toen de Provisioneele Representanten van het Volk van Overijssel bij publicatie van 19 Mei 17951) het huwlijk voor een burgerlijk contract verklaarden en bepaalden, dat voortaan alle ingezetenen van den Christelijken godsdienst, zonder onderscheid, die in het huwelijk wenschen te treden, gehouden zullen zijn, zich vooraf in ondertrouw te doen opnemen voor een der gerichten
in de steden of op het platteland, dat er drie afkondigingen van de huwlijksgeboden moeten plaats hebben, zoowel bij de gerichten, waar de ondertrouw plaats heeft als in de kerken waartoe de betreffende personen behooren en waar zij wonen of het laatste jaar gewoond hebben, en dat na onverhinderden voortgang dier proclamatien het huwlijk gesloten kon worden, hetzij voor het gericht, hetzij in de kerk.
In het laatste geval moest binnen zes weken door de partijen een certificaat van het voltrokken huwlijk aan het gericht worden ingeleverd, opdat hiervan aanteekening kon geschieden in het protocol.
Bij deze regeling, die minder streng was dan de Hollandsche, sloten zich later in hoofdzaak de Utrechtsche2) en de Friesche regeling aan.
Met ingang van 15 Juni 1795 werd deze regeling van kracht.
Sinds dien datum vindt men dus alle huwlijken ingeschreven in de gerechtelijke registers van ondertrouw — althans in theorie.
De vraag doet zich thans voor, waar deze registers van ondertrouw, opgemaakt volgens de publicatie van 19 Mei 1795, moeten worden ingedeeld. De rechterlijke indeeling toch was in Overijssel een geheel andere dan in het westen van ons land. Buiten de steden, die eigen rechtspraak hadden, was het platteland verdeeld in een aantal, soms vrij uitgestrekte, schout- of richterambten3), waarin dikwijls verschillende kerkdorpen lagen. In het schoutambt Olst lagen b.v. de kerkdorpen Olst en Wesepe. Een indeeling van het ondertrouw-register van het schoutambt Olst bij de kerkelijke trouwboeken van Olst (met verwijzing hiernaar bij Wesepe) ware even willekeurig als een indeeling bij Wesepe (met verwijzing hiernaar bij Olst). Veel bezwaarlijker wordt een indeeling, indien in het betreffende schoutambt tevens een — eigen jurisdictie bezittende – stad ligt. Nemen wij b.v. het schoutambt Zwollerkerspel, waarin, behalve de stad Zwolle, de kerken van Mastenbroek en Windesheim lagen. Niet alleen de inwoners van Mastenbroek en Windesheim, doch ook allen, die in de buurtschappen in de onmiddellijke nabijheid — doch buiten het stadsgebied — van Zwolle woonden en aldaar ter kerk gingen en hun
kinderen lieten doopen, lieten thans meerendeels zich voor het gericht van Zwollerkerspel (waaronder zij behoorden) en niet voor dat der stad Zwolle in ondertrouw opnemen. Van vele ouders, wier kinderen in Zwolle gedoopt werden, zal men dus de ondertrouw voor het gericht van Zwollerkerspel vinden en zoodoende zou, naast Mastenbroek en Windesheim, ook Zwolle met evenveel of — juister gezegd — even weinig recht aanspraak kunnen maken, om het register van ondertrouw van Zwollerkerspel bij hare trouwregisters te zien ingedeeld. Met verschillende verwijzingen zou men den gebruiker van de „Beschrijving” dan in het goede spoor moeten houden, zonder nochthans het register een juiste plaatsing te verzekeren. Wanneer we tenslotte dan nog wijzen op het uitgestrekte gericht Kedingen, waarin twee — eigen jurisdictie bezittende — steden, Goor en Rijssen, benevens drie kerkdorpen, Markelo (in het zuiden), Wierden en Enter (in het noorden) lagen (en dat na den Franschen tijd in 4 gemeenten Markelo, Goor, Rijssen en Wierden is verdeeld), dan lijkt het mij welhaast niet voor tegenspraak vatbaar, dat de indeeling der registers van ondertrouw van 1795 en volgende jaren naar de vroegere kerkelijke of de tegenwoordige burgerlijke gemeenten ongewenscht en in hooge mate onpraktisch is.
Er blijft dus niets anders over, dan deze registers terug te brengen naar de archieven, waarvan ze gekomen zijn4) en hier het herkomstbeginsel te doen zegevieren, wat tevens de meest praktische oplossing is. Bij de inventariseering van het rechterlijk archief der stad Ommen is dit dan ook reeds geschied5) Het verdient dan voorts wellicht overweging aan een eventueele „Beschrijving” der doop-, trouw- en begraafboeken etc. een kaartje van Overijssel toe te voegen met de steden en schout- en richterambten, benevens de daarin liggende kerkdorpen, zoodat de gebruiker van die „Beschrijving” gemakkelijk kan nagaan, welke gerechtelijke registers van ondertrouw voor zijn onderzoek het meest in aanmerking komen. Te meer schijnt dit gewenscht, nu nagenoeg alle kerkelijke trouwregisters der Hervormden van 1795 en volgende jaren in Overijssel in de kerkelijke archieven zijn blijven berusten.
A. HAGA.
- Haga, A. (1930). De registers van ondertrouw, opgemaakt volgens de publicatie van de Provisioneele Representanten van het Volk van Overijssel van 19 Mei 1795. Nederl. Archievenblad, XXXVIII (2), 93-95.
