Door Ridderschap en Steden, de Staten van Overijssel, werd 20 Maart 1635 vastgesteld een ordonnantie op den impost van den 50sten penning1) van alle verkopingen, verpandingen, schenkingen etc. van onroerende goederen benevens van alzulke goederen, die bij collaterale successie, huwelijksche voorwaarden, maagscheidingen etc. werden verkregen, welke belasting, voor wat betreft de collaterale successie, bij notificatie van Gedep. Staten van 6 Juni 1667 is verhoogd tot den 40sten, 30sten of 20
Aanvankelijk werd deze belasting, die 1 Augustus 1635 in werking trad, gecollecteerd; in de steden naar het schijnt door speciaal daartoe aangestelde collecteurs, terwijl op het platteland de schouten en richters als zoodanig optraden. De gelden werden afgedragen aan den ontvanger van den 50sten penning, als hoedanig de griffier der Staten fungeerde2sten penning aangesteld en op 20 Juni 1724 (in gevolge resolutie van 25 Juli 1714) dit ontvangerschap gecombineerd met dat van den havenaccijns.]), terwijl de rekeningen van den ontvanger werden afgehoord door Gedep. Staten3). Niettegenstaande de straffen, bij talrijke publicaties bepaald, werd de belasting op groote schaal ontdoken, terwijl
ook geklaagd werd, dat de schouten en richters de overtredingen „met oochluyckinghe oversien”. Bij publicatie van Gedep. Staten van 3 Augustus 1653 werd daarop bekend gemaakt, dat voortaan de impost geheel zou worden verpacht, terwijl bij de nieuwe ordonnantie van 16 October 1655 den secretaris van Zwolle, mr. JACOB VRIESEN, advocaat-fiscaal der provincie, speciaal de recherche der achterstallige belastingen werd opgedragen.
In 1705 werd een commissie ingesteld om een nieuwe ordonnantie te ontwerpen, die dan ook het volgend jaar in druk verscheen (zonder datum; herdrukt in 1725 met drie nadere publicaties). Om tegemoet te komen aan de bezwaren der belastingschuldigen, dat hun de namen der pachters, aan wien de aangiften der verkopingen en collaterale successieën moesten gedaan worden, dikwijls niet bekend waren, werd bij art. 22 dezer ordonnantie bepaald, dat deze aangiften ook zouden kunnen geschieden bij de gerichten ter plaatse, waar de goederen zijn gelegen, met opgave van den prijs of de hoegrootheid van het goed, terwijl bij publicatie van 27 Maart 1722 deze mogelijkheid in een verplichting werd omgezet en den magistraten schouten en richters werd gelast, daartoe een afzonderlijk protocol aan te leggen.
Deze z.g. registers van den 50sten penning, die dus loopen over de jaren 1722 tot 1806 (de invoering der ordonnantie op de collaterale successie van 4 Oct. 1805), willen wij aan een korte bespreking onderwerpen in verband met de vraag, in welk archief zij het best op hun plaats zijn. De kwestie vertoont groote overeenkomst met die over de plaatsing der Hollandsche gaardersarchieven, waarover in dit blad herhaaldelijk is geschreven 4) en waarover ook in de vergadering van Rijksarchivarissen in 1925 is gesproken5). Vooraf zij opgemerkt dat de secretarissen in de steden en de schouten en richters ten platte lande niet pachters van den impost waren — bij publicatie van 27 Sept. 1725 was hun dit zelfs uitdrukkelijk verboden — maar dat zij alleen tot het houden der registers geordonneerd waren, waaruit de pachters desgewenscht afschriften konden krijgen. Wegens de onnauwkeurigheid, waarmede verscheidene registers in den aanvang werden gehouden, werd bij publicatie van Gedep. Staten van 29 Mei 1731 nog voorgescheven, dat zij (nevens den prijs of de grootte van het goed) moesten bevatten: 1° den naam van den aangever, 2° datum der aangifte, 3° datum van het sterfgeval, 4° datum van de verkooping.
Ook hier, evenals bij de gaardersarchieven, doet zich nu de vraag voor, of deze registers behooren tot de stedelijke archieven en die der schout- en richterambten òf dat zij beschouwd dienen te
worden als ambtsarchieven. Geen van beiden is m.i. het geval. Tot de eerstgenoemde archieven staan zij formeel in geen enkel opzicht in betrekking 6). De secretarissen, schouten en richters traden hier niet als zoodanig op, maar krachtens uitdrukkelijken door Ridderschap en Steden gegeven last. De combinatie met het secretaris-, schout- of richterambt was dan ook louter een toevallige. Ook als ambtsarchieven komen de registers evenwel niet in aanmerking. Ze zijn nooit als zoodanig beschouwd, hetgeen duidelijk blijkt uit het feit, dat den houders der registers telken jare bij publicatie werd bekend gemaakt, dat zij extracten uit hunne registers moesten inzenden aan Gedep. Staten, gesterkt door hun certificaat dat daarin alles was vermeld, wat hun in het afgeloopen jaar was aangegeven en dat, voor zoover hun bekend was, geen te doene aangiften waren verzwegen. Deze extracten dienden vermoedelijk als grondslag voor de verpachtingen en schijnen daarna vernietigd te zijn of verloren gegaan; alleen over de jaren 1792-1805 zijn zij, nagenoeg volledig, nog in de archieven van Gedep. Staten en opvolgende colleges voorhanden.
De Staten of hunne Gedeputeerden hebben op deze registers zelve nooit aanspraak gemaakt; zij waren voor hen dan ook van geenerlei belang, nu telken jare gecertificeerde extracten uit die registers aan hen werden toegezonden en zij zijn m.i. dan ook te beschouwen als particuliere archieven. Sommige zijn dan ook in particulier bezit gebleven, zooals hiernà zal blijken. De persoonlijke band met de secretarieën en de schout- en richterambten heeft echter ook hier ten gevolge gehad, dat een groot gedeelte dezer registers in de stedelijke archieven en die der schout- en richterambten is achtergebleven en dus het beste waren te beschouwen als een aanhangsel bij die archieven. Tot zoover de theoretische zijde van het vraagstuk.
Het eigenaardige geval doet zich echter voor, dat nagenoeg alle registers van den 50sten penning zich reeds ten Rijksarchieve bevinden. Langs verschillende wegen zijn zij daar evenwel gekomen. In de eerste plaats hebben enkele secretarissen, schouten en richters niet gehoor gegeven aan het voorschrift afzonderlijke registers aan te leggen maar de gedane aangiften eenvoudig geregistreerd achter in een der rechterlijke protocollen. Een ander gedeelte der registers werd bovendien in 1811 tegelijk met de rechterlijke archieven naar de nieuw opgerichte rechtbanken overgebracht en is zoodoende ingevolge Kon. Best. van 8 Maart 1879, Staatsblad n°. 40 mede in het
Rijksarchief terecht gekomen. Nog meerdere registers bevinden zich aldaar, waarvan de herkomst met voldoende zekerheid is vast te stellen. Bij de overbrenging der Rijksarchieven in 1898 van het Gouvernementsgebouw naar de Sassenpoort, de tegenwoordige Rijksarchiefbewaarplaats, stond in de kamer van den Rijksarchivaris, die in het buitenland vertoefde, een groote gesloten kast, die naast vele andere deelen ook een groote hoeveelheid registers van den 50sten penning bleek te bevatten, meerendeels uit de 2de helft der 18de eeuw7).
Aangezien deze registers niet vermeld werden in de gedrukte inventarissen der oude rechterlijke archieven, overgenomen van de Arrondissements-rechtbanken van Zwolle en Almelo8), noch onder de latere aanwinsten, moest een verklaring van hunne aanwezigheid daar ter plaatse gevonden worden. Uit een in genoemde kast mede aanwezige portefeuille met brieven, gericht aan den Gouverneur der provincie, bleek nu dat deze bij besluit van 10 Augustus 1819, 2e Divisie no. 222 (Provinc. Blad no. 79) aan de schouten en stedelijke besturen had verzocht om toezending van de registers van den 50sten penning, waarin de aangiften over de jaren 1786—1791 vermeld staan, opdat de Directeur der Directe Belastingen daarvan gebruik zou kunnen maken bij de samenstelling van het kadaster. Verschillende schouten en gemeentebesturen hebben daaraan voldaan9), anderen verwezen den Gouverneur naar de rechtbanken, aan wie zij de registers reeds in 1811 hadden overgedragen. De Gouverneur heeft daarop ook bij de rechtbanken deze registers opgevraagd en zoo ligt de veronderstelling voor de hand, dat zij na gebruik door den Directeur der Belastingen weder aan den Gouverneur zijn teruggezonden; te meer lijkt deze veronderstelling de juiste, aangezien zich in bovengenoemde kast tevens bevonden de reeds aangehaalde „extracten” van den 50sten penning over de jaren 1792-1805, enkele verpondingsregisters, registers van nieuw getimmerde huizen en aangegraven landen en vele rekeningen van de halve stuiver op de gemaakte vierkante roeden turf (welke belasting diende tot waarborg van de betaling der verponding van de verveende landen), die waarschijnlijk alle voor het genoemde doel, het samenstellen van het kadaster, dienst gedaan hebben. De in 1838 aangestelde eerste provinciale
archivaris mr. J. v. DOORNINCK maakt van de aanwezigheid van deze registers van den 50sten penning dan ook reeds melding op blz. 2 van zijn in 1848 opgemaakten „Catalogus der Folianten van het Provinciaal Archief.”10)
Een samenloop van omstandigheden heeft er dus toe geleid, dat nagenoeg alle registers van den 50sten penning — voor zoover zij tenminste bewaard gebleven zijn — zich reeds ten Rijksarchieve bevinden. Die van Zwolle en vermoedelijk ook die van Kampen berusten nog op het gemeente-archief, die van het schoutambt Colmschate en van Deventer zijn in bruikleen afgestaan aan het archief van laatstgenoemde stad. In de overige gemeente-archieven kan zich nog een enkel exemplaar bevinden maar groot zal dit aantal niet zijn. Reeds de voormalige Rijksarchivaris mr. L. v. HASSELT heeft in de jaren 1890-1900 bij de opsporing der achtergeblevene rechterlijke archieven deze registers, voor zoover nog aanwezig, mede overgenomen. De wenschelijkheid de registers thans wederom naar de meerendeels ongeordende archieven der gemeenten terug te brengen, zal zeker niemand willen betoogen. Voor de registers van de voormalige schout- en richterambten lijkt mij dit zelfs uitgesloten; hunne archieven toch zijn in 1811 vrijwel in hun geheel naar de rechtbanken overgebracht, daar zij nagenoeg uitsluitend van rechterlijken aard waren. Datgene n.l. wat — als zijnde van administratieven aard — door Burgemeesteren, Schepenen en Raad (al of niet in samenwerking met de Gezworen Gemeente) werd behandeld, geschiedde op het platteland niet door de schouten en richters maar door en in de kerspelen of de marken.
Wat er van de archieven der schout- en richterambten dan ook nog in de tegenwoordige gemeente-archieven is achtergebleven, is van uiterst geringen omvang en ter wille van de eenheid ware het zeker te wenschen, dat deze restanten met de reeds naar het Rijksarchief overgebrachte gedeelten tot een geheel werden hereenigd. Voor de registers van den 50sten penning der schout- en richterambten is het Rijksarchief dan ook de aangewezen plaats en zij dienen als aanhangsel tot de archieven dier schout- en richterambten beschouwd te worden.
Ook naar hunnen inhoud passen zij daar volkomen bij. Nu de bedoelde registers van de steden zich ook reeds voor het grootste gedeelte op het Rijksarchiëf bevinden, ware het ter wille van de uniformiteit gewenscht, ook deze als een aanhangsel bij de rechterlijke archieven in te deelen en voor zoover zij nog in de stedelijke archieven aanwezig mochten zijn, naar de Rijksarchiefbewaarplaats over te brengen.
A. HAGA.
- Haga, A. (1928). De Registers van den 50sten penning in Overijssel. Nederl. Archievenblad, XXXV (4), 228-232.
