De Rijksarchiefbewaarplaats in Overijssel

___↓___


|pag. 172|

DE RIJKSARCHIEFBEWAARPLAATS
IN OVERIJSSEL

DOOR

Mr. A. HAGA.

     Alvorens de geschiedenis en de beteekenis van de rijksarchiefbewaarplaats in deze provincie uiteen te zetten, is het wellicht niet overbodig, de beteekenis van het woord „archief” even onder de oogen te zien. Een archief is het geheel van geschreven, geteekende en gedrukte bescheiden, ex officio ontvangen bij of opgemaakt door eenig bestuur of een zijner ambtenaren, dat bestemd was, onder dat bestuur te blijven berusten.
     Elke administratie, ook de tegenwoordige, vormt dus een archief; niet alleen het rijk, provincie, gemeenten, waterschappen, rechterlijke colleges en notarissen, maar ook handelsvennootschappen, kooplieden en vele anderen vormen een meer of minder uitgebreid archief.
     Naast deze archieven staan de huisarchieven, berustende op een oud huis of kasteel en dikwijls van verschillende families afkomstig, benevens de z.g. familie­archieven, die een neerslag vormen van de werkzaamheden der verschillende familieleden, zoowel als particulier als in hun verschillende functies en die naast semi-officiëele ook dikwijls nog officiëele stukken bevatten.
     Wij zullen in het volgende ons in hoofdzaak bepalen tot de archieven, bewaard in de voormalige provinciale, thans rijksarchiefbewaarplaats te Zwolle, om tenslotte nog enkele woorden te wijden aan de in deze provincie aanwezige gemeente­archieven.
     De oude archieven der provincie van vóór 1814, thans onder rijksbeheer, worden te Zwolle bewaard in de Sassenpoort, het fraaie laat-middeleeuwsche bouwwerk, dat nog steeds de bewondering van stadgenoot en vreemdeling opwekt. Een lange lijdensweg heeft het oude provinciale archief afgelegd, voordat het daar in 1898 een veilige bewaarplaats vond. Alvorens het oog te laten gaan langs dezen lijdensweg, is het noodig, zich een beeld te vormen van de oude Provinciale Staten en hun administratie. Wij zullen ons hierbij in hoofdzaak beperken tot den tijd der republiek, omdat eerst sedert dien tijd van een afzonderlijke administratie der Provinciale Staten gesproken kan worden. Ten tijde dat Overijssel nog onder de Utrechtsche bisschoppen behoorde, voerden de ambtenaren des bisschops de administratie, en de oude bescheiden uit dien tijd, op Overijssel betrekking hebbende, bevinden zich dan ook in het archief der bisschoppen

___↓___


|pag. 173|

van Utrecht, bewaard op het rijksarchief aldaar. (Afschriften en extracten uit al deze registers bevinden zich in de rijksarchiefbewaarplaats in Overijssel).
     Toen Overijssel in 1528 onder keizer Karel V kwam en ’s keizers stadhouders, en later die onder koning Philips II, hier het bewind voerden, werd de administratie gevoerd door een secretaris, die in dienst stond van den stadhouder en die tevens als griffier der leenen fungeerde, later ook van het college van Kanselier en Raden, terwijl de controle op het financieel beheer der rentmeesters en andere comptabelen werd opgedragen aan de Hollandsche rekenkamer te ’s-Gravenhage.
     Van de vergaderingen van Ridderschap en Steden — zooals de oude Provinciale Staten eertijds werden genoemd — die door ’s keizers stadhouder werden samengeroepen, werden door de Staten zelve geen notulen of aanteekeningen gehouden.
Wel deden zulks de secretaris des stadhouders en de secretarissen der groote steden Deventer en Kampen, en de z.g. „reizeboeken” van Deventer en de „dagvaartboeken” van Kampen bevatten dan ook een rijke bron voor de geschiedenis van dien tijd. Van Zwolle zijn dergelijke boeken evenwel niet bekend.
     Een gelukkige samenloop van omstandigheden heeft evenwel gemaakt, dat Ridderschap en Steden ook een belangrijk deel der officiëele bescheiden uit dien tijd (1528—1578) in bezit hebben gekregen. De griffier Gysbert Roelinck, die omstreeks 1562 als zoodanig optrad, heeft nl. bij den opstand tegen het Spaansche gezag de zijde van de Staten gekozen en de onder zijn berusting zijnde officiëele bescheiden onder zich gehouden. Langen tijd zijn ze blijkbaar in zijn particulier bezit en in dat van zijn zoon en opvolger Dirk Roelinck gebleven, totdat de Gedeputeerde Staten 18 Mei 1607 besloten, laatstgenoemde aan te schrijven, alle judicialen en leenregisters naar Kampen op te zenden om aldaar op „het collegie”, de vergaderplaats van Gedeputeerden, te verblijven. Toen hieraan niet direct gevolg werd gegeven, besloten zij den 8en Juli, den rentmeester van Salland en den gedeputeerde van Braeckel naar Zwolle te zenden om ten huize van den griffier alsmede van zekere vrouw Willems1 [1.      Uit de rekeningen blijkt, dat ten huize van deze „vrou Willems” te Zwolle dikwijls vergaderingen van Ridderschap en Steden werden gehouden, gelijk te Deventer ten huize van Berent van Enschede.]) te visiteeren en te lichten alle desbetreffende charters en papieren en die naar Kampen te brengen. Onder deze archivalia hebben zich waarschijnlijk ook bisschoppelijke registers bevonden; reeds in 1579 hadden de Staten getracht deze bisschoppelijke registers, die zich ten deele in de Hollandsche rekenkamer, ten deele bij den raadsheer Oem te Utrecht bevonden, machtig te worden. Nog in 1613 ontvingen zij een 9-tal registers en rekeningen uit de Hollandsche rekenkamer en blijkens een omstreeks 1623 ter griffie opgemaakten inventaris waren de meeste leenregisters en judicialen zoowel uit den bisschoppelijken tijd als uit het tijdperk 1528—1578 toen reeds in Overijssel. Nog enkele registers werden in 1867 uit het rijksarchief in Den Haag ontvangen, doch in 1890 werd alles, wat oorspronkelijk tot het bisschoppelijk archief behoorde, aan het rijksarchief in Utrecht afgestaan.
     Eerst in Augustus 1578, nadat ook Overijssel zich van het Spaansche gezag

___↓___


|pag. 174|

begon af te wenden, begint een zelfstandige administratie van Ridderschap en Steden, de Staten van Overijssel. De griffier hield van het op de landdagen en klaringen verhandelde aanteekening in de resolutieboeken en klaring-registers (oudtijds judicialen genoemd) en sedert de instelling van het college van Gedeputeerde Staten in 1593 ook van de vergaderingen van dat college. Een rekenkamer bestond in Overijssel tijdens de republiek niet; het beheer der financiën en het afhooren van de rekeningen der verschillende rentmeesters en ontvangers geschiedde door Gedeputeerde Staten. Door de inbezitneming der kloosters, met uitzondering van die, welke binnen de steden waren gelegen, kwamen de Staten ook in het bezit der kloosterarchieven, voorzoover deze tenminste tevoren niet door de kloosterlingen waren weggevoerd. Over het beheer dezer kloosters ontstond later veel twist tusschen de Steden en de Ridderschap, totdat in 1663 een definitieve regeling tot stand kwam en een deel der kloostergoederen onder het uitsluitend beheer der Ridderschap kwam, terwijl het andere deel onder dat der Staten bleef. De Ridderschap was nl. niet alleen een deel der Staten, maar vormde ook een afzonderlijk lichaam met een eigen griffier, die vóór 1707 dezelfde persoon was als de griffier der Staten. Vanaf het midden der 17e eeuw is het archief der Ridderschap grootendeels bewaard gebleven. Nog vóór de omwenteling van 1795, toen de Ridderschap de vergadering der Staten verliet, was een deel van haar archief in October van het vorige jaar reeds naar Lingen vervoerd en in een gesloten kist ten huize van prof. S.F. Meiling gedeponeerd. De Provisioneele Representanten des volks van Overijssel, — zooals de Staten zich thans noemden — hadden nu ook het beheer der voormalige ridderschapsgoederen aan zich getrokken en zonden daarop 20 Juni 1797 een gemachtigde naar Lingen met verzoek tot afgifte der genoemde kist, hetgeen door prof. Meiling werd geweigerd, daar de gevolmachtigde geen speciale order had van de deponenten. Nadat de Provisioneele Representanten waren opgevolgd door het Intermediair Administratief Bestuur, kwam de kwestie opnieuw ter sprake en nadat de richter van Delden, J.A. Verstege, door genoemd bestuur blijkens de resolutiën van 31 Juli en 3 Augustus 1798 met de vereischte volmacht was voorzien, werd de kist 10 Augustus daarop ter griffie gedeponeerd.
     Naast de vergaderingen van de geheele Ridderschap hield deze ook in de drie kwartieren Salland, Twenthe en Vollenhove afzonderlijke vergaderingen van de aldaar gevestigde leden. Van deze kwartiersvergaderingen der Ridderschap is door het ontbreken der archieven slechts weinig bekend, alleen het archief der Ridderschap van het kwartier Vollenhove is (vanaf het midden der 17e eeuw) grootendeels bewaard gebleven: de resolutieboeken en de rekeningen werden in 1854 door Mr. G.W. baron van Dedem aan het provinciaal archief geschonken, terwijl de ingekomen brieven in 1860 op het stadhuis te Vollenhove gevonden en naar het provinciaal archief overgebracht werden.
     Keeren we thans terug tot de lotgevallen van het Staten-archief. Van een centrale bewaarplaats van dit archief is gedurende het geheele tijdperk der republiek nimmer sprake geweest. De Staten vergaderden meerendeels in een van de drie hoofdsteden Deventer, Kampen en Zwolle en voor elke vergadering

___↓___


|pag. 175|

werd het geheele archief van de eene plaats naar de andere vervoerd. Onjuist is dan ook de mededeeling van den schrijver van den Tegenwoordige Staat van Overijssel, overgenomen door alle latere schrijvers, dat Ridderschap en Steden 1 Mei 1668 besloten, dat voortaan alleen de noodigste papieren vervoerd zouden worden, terwijl de rest te Kampen zou blijven. De betreffende resolutie gelastte — in verband met de toenmalige scheuring in de Statenvergadering — den griffier alleen, gedurende den landdag te Kampen (waar de meerderheid der Staten vergaderde) te blijven, de zegels na afloop aan den voorzitter van het college van Gedeputeerde Staten ter hand te stellen en de griffiepapieren te Kampen te laten en niet eenige pretense vergadering van Ridderschap en Steden te respiciëeren. Blijkens de resolutiën van Gedeputeerde Staten van 4 Maart 1675 was de oude gewoonte van het telkens vervoeren der griffie ook toen nog in zwang en zij is dat tot het allerlaatst der 18e eeuw gebleven, al schijnt men in de 18e eeuw de oudste registers en stukken, die voor de vergaderingen van Ridderschap en Steden of hun Gedeputeerden van geen direct belang waren, gewoonlijk te Kampen op het college bewaard te hebben. Het spreekt vanzelf, dat een dergelijke methode alles behalve bevorderlijk is geweest voor een goede orde in het archief. Van de losse stukken, vooral uit den eersten tijd der republiek, is veel verloren geraakt, al kan worden aangenomen, dat op de stadhuizen der drie voormalige hoofdsteden nog wel een en ander is achtergebleven.
     Het is voorts opvallend, dat er van de oude privilege- en andere brieven van Overijssel en haar drie kwartieren nagenoeg geen enkele in het statenarchief aanwezig is. De reden hiervan moet gezocht worden in het feit, dat zij niet ter griffie werden bewaard, maar ten huize van een der drosten. De klerk van Mierloo heeft nl. omstreeks de 2e helft der 17e eeuw een lijst van 22 charters opgemaakt, welke toen ter tijde onder den heer Ripperda — vermoedelijk is bedoeld de verwalter-drost van Twenthe Unico Ripperda — berustten. Deze voor Overijssel zoo belangrijke stukken berusten thans nog voor een deel ten huize van graaf van Rechteren op het kasteel Almelo.
     De Deventer landskist, waarvan in de geschiedenis herhaaldelijk sprake is, bevatte daarentegen geen Overijsselsche, maar bisschoppelijke archiefstukken, die dan ook in het laatst der vorige eeuw aan het rijksarchief in Utrecht in bruikleen zijn afgestaan.
     In het begin van den opstand tegen Spanje bleef een groot gedeelte van Overijssel, vooral van Twenthe, nog door Spaansche troepen bezet en het bewind over die streken werd dan ook gevoerd door de drosten en rentmeesters en andere ambtenaren van den koning van Spanje, die hun rekeningen lieten afhooren door de rekenkamer te Roermond. Toen in het begin der 17e eeuw Twenthe langzamerhand van de Spaansche troepen werd bevrijd en in 1632 bovendien Roermond in handen van Frederik Hendrik viel, werden dan ook de meeste dezer rekeningen en andere stukken, op Overijssel betrekking hebbende, naar Arnhem en kort daarop van daar naar de griffie in Overijssel vervoerd, waar deze collectie thans nog bekend is onder den naam van het z.g. Spaansch archief.
     Een groote ramp bedreigde de archieven bij den inval der Fransche, Keulsche

___↓___


|pag. 176|

en Munstersche troepen in ons land in 1672. Sommige steden brachten haar archieven in veiligheid. Met het statenarchief is dit niet het geval geweest. Althans het gedeelte, te Kampen aanwezig, is in handen der Franschen geweest en herhaaldelijk werd getracht, het archief, dat zich op het college, de vergaderplaats van Gedeputeerden, bevond en dat door de Franschen in bezit was genomen, naar het raadhuis te doen overbrengen. Dit schijnt echter niet eerder te hebben plaats gehad dan na het vertrek der Franschen. Nauwelijks waren de vergaderingen van de door den Prins nieuw aangestelde Gedeputeerden aangevangen, of men begon onmiddellijk zijn zorgen aan de griffie te besteden. In de resolutiën van Gedeputeerde Staten vindt men hierover talrijke bijzonderheden. Reeds 17 Mei 1674 werden eenige gecommitteerden aangewezen, de stukken in de griffies te Zwolle en Kampen, die na het vertrek der vreemde troepen onmiddellijk waren verzegeld, te inventariseeren. Een kist met stukken, die door de Munsterschen uit de woning van wijlen den griffier Roelinck was weggehaald, werd door den heer van Twenhuisen teruggebracht en naar Kampen gedirigeerd.
Dr. Hoefslag, die tijdens de vreemde overheersching secretaris van Zwolle en griffier van de leenkamer was geweest, werd 11 Juni gelast, de leenregisters terug te geven. Hij moest daarvoor een reis naar Munster ondernemen en het gelukte hem eerst na veel moeite, de leenregisters terug te krijgen. Ook de advocaat-fiscaal dr. Tollius, zoo juist door den Prins benoemd, om een onderzoek in te stellen naar de gesties der verschillende comptabele ambtenaren, was in het bezit geweest van verschillende registers, die door hem in den oorlog naar Coevorden waren gebracht. Ook deze werden teruggegeven behoudens enkele, die hij voor de richtige uitvoering van zijn nieuwe functie noodig had. Andere bescheiden, door de heeren van Rhemen en Steenbergen bezeten, waren reeds vóór den inval bij den burgemeester Vriese gebracht, doch bleven voorloopig zoek. Zoo waren dan langzamerhand de meeste archivalia der provincie weer in behouden haven aangeland, doch de bewaarplaats van het college te Kampen bleek nu alras te klein, zoodat Gedeputeerde Staten 22 December 1675 besloten aan Kampen te schrijven, de bewaarplaats der archieven te vergrooten „vermits dieselve van tijdt tott tijdt comen te accresceren”.
     Intusschen had 4 Juni 1674 reeds de inventarisatie der griffie te Kampen plaats gevonden; die te Zwolle volgde eerst 1 en 10 September. Beide inventarissen zijn bewaard gebleven. Hieruit blijkt, dat de oudste registers en stukken toenmaals te Zwolle waren, terwijl zich aldaar ook een groote hoeveelheid processtukken, waarschijnlijk op de klaring betrekking hebbende, bevonden. Vermoedelijk waren deze tijdig uit Deventer, dat het eerst door den vijand bedreigd werd, naar Zwolle vervoerd, ofschoon daarvan uit de resolutiën niets blijkt. Te Kampen bevonden zich meerendeels rekeningen, acquitten, registers van ordonnantiën en andere stukken uit de 17e eeuw benevens een groote hoeveelheid stukken betrekkelijk processen, die blijkbaar voor Gedeputeerde Staten waren gevoerd. Reeds in 1675 deed de stad Kampen moeite, een deel der brandschatting, die zij aan de Franschen had betaald en die mede had gediend tot conservatie der griffie, van de Staten terug te erlangen, doch eerst 23 Maart 1681 besloten

___↓___


|pag. 177|

deze, haar voor haar bemoeiingen in dezen f 1000 uit te keeren, welk bedrag haar — aangezien de stad Zwolle haar consent eerst in 1684 gaf — in laatstgenoemd jaar werd uitbetaald.
     Of er met dit alles ook eenige werkelijke orde in de griffie was geschapen, moet eenigszins worden betwijfeld, gezien het feit, dat Gedeputeerde Staten 5 Maart 1695 het noodig oordeelden, den griffier, klerk en kamerbewaarder te gelasten, de griffie (te Kampen) te inventariseeren, de stukken te nummeren en in kasten te leggen, etc. Hetzelfde werd voor de griffie te Zwolle voorgeschreven bij resolutie van Ridderschap en Steden van 19 April 1700. Door de gewoonte, om jaarlijks een groot gedeelte van het archief van de eene naar de andere plaats over te brengen, is het echter twijfelachtig, of deze ordening eenig duurzaam effect heeft gehad. Immers op 16 April 1767 voelde Jan Daniël van Hoven, gewezen professor in de geschiedenis aan het gymnasium academicum te Lingen, wonende te Kampen, zich geroepen, om zich aan te bieden als „archivarius” om de griffiepapieren te Kampen te ordenen, op welk request echter nooit een beslissing is gevallen.
     Buiten de omvangrijke bemoeiingen van Ridderschap en Steden en haar Gedeputeerden met alle kanten van het staatkundig en maatschappelijk leven van haar tijd, waarvan de archieven den neerslag vormen, is er één zijde, die daarbij niet uit het oog moet worden verloren. Haar bemoeiingen beperkten zich niet alleen tot de provincie, maar als deel van de Republiek der Vereenigde Nederlanden hadden zij ook haar afgevaardigden in de Staten-Generaal, den Raad van State en de andere centrale regeeringscolleges. Een uitgebreide correspondentie was hiervan het gevolg en naast de officiëele stukken, die haar in afschrift werden medegedeeld, zijn het vooral de brieven van haar gecommitteerden ter generaliteit, die de „dessous” van menige zaak op bijzondere wijze belichten.
     Alvorens over te gaan tot de bespreking van de centralisatie van het statenarchief, moet nog met een enkel woord melding worden gemaakt van een belangrijke verzameling stukken, die men hier allicht niet zou verwachten, en wel de Z.g. Bentheimsche stukken. De Staten bezaten nl. een aanzienlijk aantal domeingoederen in de nedergraafschap Bentheim, eensdeels afkomstig van de kloosters Windesheim, Sibculo en Albergen, anderdeels behoorende tot de domeinen van Salland en Twenthe. Aan het bezit dezer goederen was het recht van „premier stende” in den Bentheimschen landdag verbonden, als gevolg van welke vertegenwoordiging copieën van de Bentheimsche landdagsrecessen aan de Staten werden gezonden. Na de verheffing van Willem III tot stadhouder heeft men in 1677 deze goederen benevens de leengerechtigheid van de nedergraafschap alsmede die van Lingen aan den stadhouder geschonken, doch na diens kinderloos overlijden keerden ze tot de provincie terug, terwijl bij resolutie van Ridderschap en Steden van 7 November 1747 ze weder aan Willem IV en al diens wettige nakomelingen werden afgestaan. Bij de omwenteling in 1795 werden alle goederen van den stadhouder, de Bentheimsche domeinen inbegrepen, tot nationaal domein verklaard, doch in 1802 het beheer weer aan Overijssel gegeven onder oppertoezicht van den thesaurier-generaal en de Raden van finantiën.

___↓___


|pag. 178|

Nevens de reeds genoemde landdagsrecessen zijn een groot aantal rekeningen en andere stukken, meerendeels afkomstig van den rentmeester der Bentheimsche domeinen, bewaard gebleven. De stukken loopen van het einde der 17e tot het begin der 19e eeuw.
     In de jaren 1798—1811 heeft, als gevolg van de opeenvolgende staatsregelingen, een telkens wisselende administratie het bestuur over de provincie gevoerd.
Van April 1799 tot Juni 1802 strekte het bestuur van het „Departement van den Ouden IJssel” (hoofdplaats Zwolle) zich bovendien uit over een groot gedeelte van Drenthe, Friesland en Gelderland, terwijl van Juni 1802 tot Augustus 1805 het voormalige landschap Drenthe met Overijssel was vereenigd. De rechtspraak van de klaring was vervallen en in 1799 een gerechtshof der Bataafsche Republiek in het departement van den ouden IJssel ingesteld, zetelend te Kampen, dat echter reeds in 1802 plaats moest maken voor een Departementaal Hof van Justitie, zetelend te Deventer, totdat Napoleon dit alles met één pennestreek vernietigde en decreteerde: la Hollande est réunie a l’Empire. Daarna werd in 1811 de Fransche administratie en wetgeving hier te lande ingevoerd, die althans, wat de wetgeving en de rechterlijke organisatie betreft, van blijvenden invloed in ons land zijn geweest. De archieven van al deze opeenvolgende bestuurslichamen berusten mede in het rijksarchiefdepót.
     Krachtens art. 3 en 4 der staatsregeling van 1798 was intusschen Zwolle tot hoofdplaats van het departement aangewezen. Nadat het uitvoerend bewind der Bataafsche Republiek bij besluit van 4 April 1799 Zwolle eveneens tot zetel van de commissie tot administratie der financiën van het voormalig gewest Overijssel had aangewezen, besloot laatstgenoemde 8 April 1799, de geheele griffie naar Zwolle over te brengen en zoo mogelijk een geschikte lokaliteit te vinden, alwaar tegelijk ook het departementaal bestuur zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten.
     De bekrompenheid van het gebouw, waar eertijds Gedeputeerde Staten te Zwolle vergaderden en dat tot bergplaats diende van de steeds aangroeiende archieven, was oorzaak, dat de 1e Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks bij secreet besluit van 26 Februari 1800, bekrachtigd door de 2e Kamer 4 November 1800, het Departementaal Bestuur machtigde, voor zijn vergaderingen en berging zijner archieven een nieuw gebouw op landskosten aan te koopen. Daarvoor viel het oog op het huis van den heer J.A.Z. van Isselmuden, staande in de Koestraat naast de Luthersche kerk, dat blijkens besluit van het departementaal bestuur van 5 December 1800 werd aangekocht voor f 10 500. Dit gebouw bleek al spoedig veel te klein, zoodat alle archieven er bij lange na niet geborgen konden worden. Toen het college te Kampen verbouwd zou worden tot een zetel van het Departementaal Hof van Justitie — welk hof ten slotte niet te Kampen, maar te Deventer werd gevestigd — was men dan ook wel genoodzaakt, de stad Kampen 2 Juli 1801 te authoriseeren, het gedeelte der griffie, dat zich nog in voornoemd gebouw bevond, naar het stadhuis over te brengen en daar tot nader order onder zich te houden.
     Den 28 Januari 1803 stelde het Departementaal Bestuur een commissie in,

___↓___


|pag. 179|

om een geschikt gebouw te zoeken voor zijn vergaderingen en die van de nieuwe departementale rekenkamer, dat tevens ruimte zou bieden voor een behoorlijke berging zijner archieven. Toen blijkens de resolutiën van 18 Februari het Staatsbewind had bericht, dat dit gebouw voor eigen rekening diende te worden aangekocht, zond het Departementaal Bestuur 16 Maart een uitvoerige missive aan het Staatsbewind, waarin het den treurigen toestand van het gebouw in de Koestraat uiteenzette: na een kort historisch overzicht van de voormalige statenvergaderingen, en de bergplaatsen der archieven, wees het Departementaal Bestuur er op, dat de toestand thans zóódanig was, dat tijdens de vergaderingen dikwijls de vereischte papieren staande de vergadering uit het college gehaald moesten worden, dat thans de departementale inkomsten veel te gering waren om de kosten voor een nieuw gebouw te dragen, dat de voormalige inkomsten van het gewest geheel ten voordeele van het Staatsbewind waren gekomen en dat het derhalve thans ook de kosten voor een nieuw gebouw diende te dragen.
     Blijkbaar zag men in Den Haag de juistheid van dit betoog in, want bij besluit van 5 Mei werd toestemming verleend tot aankoop van een geschikt perceel tot een maximum bedrag van f 20 000. Intusschen had de bovengenoemde commissie van het Departementaal Bestuur 3 Mei 1803 reeds geadviseerd tot aankoop van het huis van wijlen den landdrost A. Sloet van Tweenijenhuisen, in de Dieserstraat staande, voor f 16 000; een overeenkomst met den huurder maakte het mogelijk, het gebouw 1 September te betrekken. Overeenkomstig dit voorstel werd dan ook besloten. Als gevolg van dezen aankoop besloot het Departementaal Bestuur 4 November 1806 de griffie uit Kampen „zoo doenlijk” naar Zwolle over te brengen. Dat deze overbrenging niet de daar aanwezige archivalia in hun geheel heeft betroffen, zal nader blijken.
     Het gebouw in de Dieserstraat, dat mede tot woning van den landdrost en later van den gouverneur diende en dat reeds in 1809 verschillende reparaties moest ondergaan, bleek voor de steeds toenemende behoeften der administratie weldra weer te klein, Blijkens het verbaal van den landdrost van den 3en van Grasmaand 1810 had deze zich reeds voor eenigen tijd met een privaat schrijven tot koning Lodewijk Napoleon gericht met het verzoek, om voor ’s lands rekening het naastgelegen pand van mevrouw de weduwe Fabius voor f 8500 aan te koopen. Bij besluit van 18 Maart 1810 no, 1 werd dit goedgekeurd en tevens f 1500 beschikbaar gesteld voor de noodige reparatiën etc. Toen na het vertrek der Franschen op het einde van 1813 kort daarop ook de archieven der voormalige kwartierdrosten en onderprefecten op de griffie arriveerden, bleek de aankoop van het aangrenzende gebouw „de Roode Haan” geen overbodige weelde meer. De zolder van dit gebouw heeft tot 1874 tot berging der archieven gediend, doch na de verbouwing van de oostelijk gelegen perceelen werden ze in het nieuwe, thans nog bestaande, gebouw der griffie gedeponeerd, van waar ze in 1898 naar de tegenwoordige bewaarplaats, de Sassenpoort, zijn overgebracht.
     Intusschen bleek de griffie na het vertrek der Franschen, vooral door de opeenhooping der archieven, in de grootste wanorde te verkeeren, zoodat het de administratie dikwijls niet dan met de grootste moeite gelukte, de vereischte stukken

___↓___


|pag. 180|

te vinden. Spoedig daarop werden dan ook buitengewone geëmployeerden aangesteld, om in dezen chaos eenige orde te scheppen. Met prijzenswaardigen ijver, doch zonder de daartoe vereischte bekwaamheid, hebben zij een „register van boeken en banden” opgemaakt en het grootste gedeelte van de losse stukken, ruim 18 000, in een aantal rubrieken onderverdeeld en voetstoots, zonder zelfs een chronologische volgorde in acht te nemen, kortelijks beschreven en van nummers voorzien. Deze arbeid is, wat de losse stukken betreft, in twee dikke folianten neergelegd, doch is practisch zonder eenige waarde; en door de stukken met de bijlagen geheel uit hun verband te rukken, is zelfs een onherstelbare schade aan het archief toegebracht. Toen bij Koninklijk besluit van 23 December 1826 no. 186 den gouverneurs der provinciën werd gelast, onverwijld de provinciale, stedelijke en gemeente-archieven in orde te doen brengen en daarvan nauwkeurige lijsten of registers te doen opmaken, werd bij schrijven van den gouverneur van 15 Augustus 1827, Ie divisie no. 7, een afschrift van bovengenoemd „register van boeken en banden” benevens een extract-inventaris van de geïnventariseerde losse stukken aan den minister van binnenlandsche zaken toegezonden.
     Eindelijk, in 1838, zag men in, dat het aanstellen van een ter zake deskundige geen langer uitstel kon lijden.
Bij besluit van 5 Juli van dat jaar stelden de Staten van Overijssel f 400 beschikbaar voor een aan te stellen provincialen archivaris, terwijl het rijk een gelijke som voor dat doel beschikbaar stelde. Veertien dagen later werd daarop door Gedeputeerde Staten als zoodanig benoemd Mr. Jan van Doorninck, voorloopig voor 5 jaren. Na afloop van dien termijn werd de post bestendigd, en v. Doorninck heeft meer dan 30 jaren zijn beste krachten aan het provinciaal archief gewijd.
     Van Doorninck was geen onbekende voor Overijssel. In 1809 te Deventer geboren, was hij in 1836 te Leiden summa cum laude tot doctor in het Romeinsch en hedendaagsch recht gepromoveerd op een dissertatie over de Historia instituti Cancellarii et Consiliariorum in Transisalaniam a Carolo V et Philippo II introducti, na reeds in 1834 de gouden eeremedaille te hebben verworven voor de

___↓___


|pag. 181|

beantwoording eener door de Groningsche hoogeschool uitgeschreven prijsvraag.
Na zijn benoeming begon hij direct met groote voortvarendheid en ijver, de archieven in een eenigszins bruikbare en overzichtelijke positie op te stellen, voor zoover de ruimte hem zulks veroorloofde. In 1841 bracht hij ook de provinciale archieven, die nog steeds te Kampen waren achtergebleven, naar Zwolle over, nadat eerst 509 zware paketten, meest acquitten bevattende, waren vernietigd. In 1848 leverde hij een „Catalogus der folianten van het provinciaal archief” aan Gedeputeerde Staten over, welke catalogisatie later eveneens werd uitgebreid tot de losse stukken. Beide catalogi zijn, vooral door de aanwezigheid van een „register” (index) en door de vele opmerkingen, die de archivaris tusschen de beschrijving invoegde, nog van belang.
     Zagen wij tot nog toe het provinciaal archief organisch samengegroeid uit de verschillende deelen, die ten nauwste samenhingen met de werkzaamheden van het provinciaal bestuur en zijn ambtenaren, onder van Doorninck werden — hetgeen later in veel sterker mate het geval zou zijn — ook andere archieven opgenomen, die geen deel uitmaakten van het provinciaal archief, doch niettemin van het grootste belang voor Overijssel waren. De Overijsselsche rekeningen en andere stukken uit het tijdperk van 1528—1580, die deel uitmaakten van het archief van de Hollandsche rekenkamer en die in het rijksarchief in Den Haag berustten, werden in de jaren 1859 en 1867 aan de provincie in bruikleen afgestaan. In 1860 werd van den ontvanger der registratie te Zwolle het z.g. domeinarchief overgenomen, terwijl in hetzelfde jaar de onderhandelingen met de dames Lantman over den aankoop van het archief van den ambtman van het stift Essen tot een goed einde werden gebracht — om slechts enkele van de allerbelangrijkste aanwinsten te noemen.
     Een overzicht te geven van de werkzaamheid van mr. van Doorninck, zou de perken van dit artikel verre te buiten gaan. Was tot nog toe, buiten de werken van Gerhard Dumbar (grootvader en kleinzoon), mr. Burchard, Joan van Hattum en mr. Jan Willem Racer slechts weinig over de historie van Overijssel gepubliceerd, mr. van Doorninck heeft getracht, in deze leemte zoo veel mogelijk te voorzien. Een menigte artikelen, vruchten van zijn ijverige nasporingen, verschenen in den Overijsselschen Almanak voor Oudheid en Letteren. Een werkzaam aandeel nam hij voorts aan de publicaties van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, in 1857 opgericht. Zijn werkzaamheid voor het archief legde hij neer in het Tijdrekenkundig register op het oud provinciaal archief van Overijssel (1225-1527), dat nog steeds een belangrijke hulpbron is voor de middeleeuwsche historie van Overijssel. Groot is het aantal rapporten en memories over de meest verschillende onderwerpen, die hij aan de Staten van Overijssel of hun gedeputeerden heeft ingeleverd, waarvan helaas slechts een klein gedeelte in druk is verschenen. Voor een uitvoerig overzicht over van Doorninck’s werkzaamheden moge verder worden verwezen naar het hierachter vermelde Levensberigt.
     Na zijn dood in 1869 werd door Gedeputeerde Staten in hetzelfde jaar tot zijn opvolger benoemd zijn neef mr. Jan Izaak van Doorninck op een salaris van

___↓___


|pag. 182|

f 1400, de rijkstoelage inbegrepen. De nieuwe functionnaris was in 1840 te Deventer geboren en promoveerde summa cum laude te Utrecht in 1866 tot doctor in het Romeinsch en hedendaagsch recht op een dissertatie: De staatkunde der Nederlandsche Republiek van 1697—1795, in betrekking tot het evenwigt van Europa. Onder zijn beheer heeft het archief een zeer groote uitbreiding gekregen, doordat krachtens het Koninklijk besluit van 8 Maart 1879, Staatsblad no. 40, de oude rechterlijke archieven van de steden en de drost-, schout- en richterambten, die reeds in 1811 krachtens besluit van Napoleon naar de nieuw opgerichte rechtbanken waren getransporteerd, vandaar naar de provinciale archief­bewaarplaats werden overgebracht.
     Ook mr. Jan Izaak van Doorninck heeft van zijn werkzaamheid blijk gegeven door talrijke publicaties, uitgegeven door de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, terwijl hij met den Kamper archivaris mr. J. Nanninga Uitterdijk gedurende een reeks van jaren de Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel heeft uitgegeven. Vermelding verdient voorts de uitgave der Cameraars-rekeningen van Deventer, later door anderen vervolgd, terwijl hij zich voor de Nederlandsche en Vlaamsche letterkunde verdienstelijk maakte door zijn werk Vermomde en naamlooze schrijvers opgespoord. Voor een overzicht zijner historische publicaties moge verder worden verwezen naar het hier achter vermelde artikel van mr. R.E. Hattink.
     In 1880 werd het provinciaal archief van Overijssel onder rijksbeheer gesteld en van Doorninck dus rijksambtenaar.
De chronologische ordening, zooals die tot nog toe bij de ordening van het Overijsselsch archief was toegepast, werd verlaten, om plaats te maken voor een meer systematische, wat geenszins naar den zin was van den archivaris. Het is hier niet de plaats, de werkzaamheden der verschillende archivarissen, die aan het rijksarchief in de provincie Overijssel hun krachten hebben gewijd, na te gaan.
Men vindt die uitvoerig beschreven in de sinds 1878 geregeld verschijnende Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven. Als rijksarchivarissen hebben achtereenvolgens gefungeerd mr. L. van Hasselt (1890—1900) en mr. C.P. Rutgers (1900—1907), terwijl de tegenwoordige functionaris dr. M. Schoengen vanaf 1908 als zoodanig werkzaam is.
     Men vraagt zich wellicht af, of na den arbeid der verschillende archivarissen de ordening der verschillende archieven nog steeds niet tot een goed einde is

___↓___


|pag. 183|

gebracht. En dan moet erkend worden, dat wij hier, wat de definitieve ordening der archieven betreft, nog slechts aan het begin staan. De redenen hiervan zijn velerlei. Er is reeds op gewezen, dat de chronologische ordening van het archief, door de eerste provinciale archivarissen aangevangen, omstreeks 1880 werd opgegeven om langzamerhand plaats te maken voor een, die meer overeenstemde met de moderne begrippen omtrent archiefordening, zooals die zijn neergelegd in de Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven, een werk, waarvan de waarde ook in het buitenland thans algemeen erkend wordt. De z.g. inventariseering der heeren Stolte en Scriverius van omstreeks 1826 heeft de moeilijkheden van een definitieve ordening der talrijke losse stukken van het statenarchief in niet geringe mate vermeerderd. Een definitieve inventariseering der omvangrijke rechterlijke archieven kan eerst plaats hebben, wanneer tegelijkertijd ook de betreffende gemeentearchieven worden geordend, aangezien daarin nog talrijke stukken van rechterlijken aard bij de scheiding van 1811 zijn achtergebleven. Ten einde den archivaris, wiens tijd door velerlei wetenschappelijke en administratieve werkzaamheden in beslag wordt genomen, in dezen tegemoet te komen, werd in 1920 een commies-chartermeester aangesteld, die speciaal met de inventariseering werd belast.
     Een groote verandering in het archiefwezen bracht de archiefwet van 1918; deze strekt haar bemoeiingen ook uit over de provinciale, gemeente- en waterschaps-archieven. De openbaarheid van alle publiekrechtelijke archieven staat op den voorgrond, uitleening van archivalia naar andere archieven en bibliotheken is mogelijk gemaakt, de opleiding der archiefambtenaren is geregeld en de mogelijkheid geopend, meerdere archieven naar de rijksdepóts in de provincies over te brengen. Van deze laatste bevoegdheid is reeds een ruim gebruik gemaakt door de overbrenging te gelasten van de notariëele archieven van 1811-1842, de archieven der hoven van assises, rechtbanken en vredegerechten van 1811-1838 en van de oude doop-, trouw- en begraafboeken van vóór 1811, die ten tijde van Napoleon naar de gemeentehuizen waren overgebracht.
     Ten slotte werd er in 1926 door Gedeputeerde Staten ingevolge Koninklijk besluit van 6 September 1919, Staatsblad no. 557, in deze provincie ook een inspectie der gemeente- en waterschapsarchieven ingesteld, waarbij de rijksarchivaris in deze provincie als inspecteur werd benoemd, wiens jaarverslag mede wordt afgedrukt in de Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven. Hieruit zien wij eerst, wat er al niet door brand of verwaarloozing in Overijssel is verloren gegaan! Behalve de archieven der voormalige drie hoofdsteden Deventer, Kampen en Zwolle, die zeer omvangrijk en van veel belang zijn, zijn er slechts enkele gemeenten, die nog op een behoorlijk archief kunnen bogen. Daaronder moeten in de eerste plaats worden genoemd Hasselt en Steenwijk, en in mindere mate ook Ootmarsum, Oldenzaal en Vollenhove. De archieven der gemeenten, die uit de voormalige schout- en richterambten zijn ontstaan, bevatten nagenoeg geen archivalia van vóór 1811. De verklaring van dit feit moet gezocht worden in de omstandigheid, dat de archieven der vroegere schout- en richterambten nagenoeg uitsluitend van rechterlijken aard waren en derhalve in 1811 vrijwel in hun

___↓___


|pag. 184|

geheel naar de nieuw opgerichte rechtbanken zijn overgebracht en sedert 1879 in het rijksarchiefdepôt in deze provincie berusten. Voor de toestanden op het platteland zijn echter de marken-archieven van veel belang. Een gedeelte daarvan berust op het rijksarchief, terwijl er voorts nog verscheidene in de gemeente-archieven worden gevonden.
     Aan de wetenschappelijke ordening van deze gemeente-archieven moet nog de eerste hand worden gelegd. Alleen van de oude archieven van Steenwijk, Vollenhove en Ommen bestaan moderne archiefinventarissen. Deventer en Kampen bezitten sinds jaren een eigen archivaris, doch Zwolle moet het sinds meer dan een kwart eeuw zonder een dergelijken titularis stellen. Een in 1870 samengestelde Inventaris van het Deventer archief en het Register van charters en bescheiden in het oude archief van Kampen kunnen ons omtrent den rijken inhoud dezer archieven nader inlichten, doch doen tevens den wensch geboren worden, dat van deze voor de geschiedenis zoo belangrijke archieven, alsmede van het Zwolsche archief, nog eens een moderne archief-inventaris het licht moge zien.
     Het nut van het behoud van al deze archieven uiteen te zetten, mag zeker overbodig geacht worden voor hem, die de beoefening der geschiedenis niet slechts als een onschuldige liefhebberij ziet, maar ook als een middel om door het verleden het heden beter te leeren begrijpen. Maar niet alleen van historisch belang is het behoud van al deze archieven, er zijn ook groote practische belangen mee gemoeid, want vele eigendomsbewijzen en andere rechten en verplichtingen kunnen alléén uit de oude archieven tot klaarheid worden gebracht. Als een voorbeeld zij hier gewezen op de rechten, die de stad Kampen in 1839 pretendeerde op het Kampereiland en die door een onderzoek in haar archieven werden bevestigd. Het bezit van dit eiland is nog steeds voor de stad Kampen van onschatbare waarde.
     Moge dit enkel voorbeeld, dat nog met talrijke ware te vermeerderen, een aansporing voor de gemeenten zijn, al het mogelijke aan te wenden tot het behoud harer archieven.

LITERATUUR.

     Behalve in de eerste plaats de archieven zelve, zijn geraadpleegd:

  • Mr. G. Dumbar, Tegenwoordige staat van Overijssel.
  • Mr. S. Muller Fz., Catalogus van het archief der bisschoppen van Utrecht.
  • Jhr. Mr. D.P.M. Graswinckel, Overijsselsche rekeningen en andere stukken, afkomstig uit de Hollandsche rekenkamer (Verslagen rijks oude archieven 1923, deel II).
  • J. Smit, Bijdrage tot de geschiedenis van de in 1572 uitgeweken Hollandsche regeerings-colleges en de restitutie van hunne archieven (Nederlandsch archievenblad 1927-1928).
  • F.A. Ebbinge Wubben, Iets omtrent het provinciaal archief van het gewest Overijssel (Verslagen en mededeelingen Overijsselsch Regt en Geschiedenis, 6e stuk).
  • Mr. J. Nanninga Uitterdijk, De landskist (Verslagen en mededeelingen idem, 19e stuk).
  • Mr. J.I. van Doorninck, Levensberigt van mr. Jan van Doorninck (Handelingen der maatschappij der Nederlandsche letterkunde 1869/’70).
  • Mr. R.E. H(attink), Mr. J.I. van Doorninck, 1840-1889 (Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, deel X).
  • Haga, A. (1931). De Rijksarchiefbewaarplaats in Overijssel. In. Mr. G.A.J. van Engelen van der Veen, Mr. G.J. ter Kuile & R. Schuiling (Reds.), Overijssel (pp. 172-184). Deventer: Kluwer.
Category(s): Overijssel

Comments are closed.