Toen Geert van Wou in 1527 overleed, liet hij zijn aanzienlijke bezittingen aan zijn vier zonen, Willem, Jasper, Jan en Geert, en aan zijn twee dochters Mette en Jutte, na. Zijn jongste zoon Geert zette, zoals reeds eerder gezegd, het klok- en geschutgietersbedrijf van zijn vader voort.
Kampen had op het tijdstip van de dood van de oude Van Wou juist een zeer moeilijke tijd achter de rug. Wij hebben er reeds op gewezen, dat de stad sinds de tweede helft van de 15de eeuw duidelijk op haar retour was, een achteruitgang, die niet uitsluitend mag worden toegeschreven aan het geleidelijk aan minder goed bevaarbaar worden van de IJssel en haar mondingen, maar veel meer aan een verschuiving van het economisch zwaartepunt in de noordelijke Nederlanden van het oosten naar het westen, een verschuiving, die reeds omstreeks 1500 een feit was geworden. De relatieve achteruitgang van Kampen in de tweede helft van de 15de eeuw, valt dan ook samen met een grote opbloei van de Hollandse en Zeeuwse handel in deze periode.1
Deze, dus reeds lang ingezette relatieve achteruitgang van Kampen, leidde min of meer tot een economische catastrofe in de periode van 1497 — 1528 toen de oorlog tussen Bourgondië-Habsburg aan de ene kant, Gelre aan de andere kant, aan de stad een enorme schade toebracht, daar in dit tijdperk zowel haar zee- en rivierhandel als haar landhandel bij tijd en wijle volkomen stagneerden.
Vooral in de jaren 1520 — 1528 kwam de stad wel erg in het nauw! Zwolle koos op een gegeven ogenblik de zijde van de hertog van Gelre, terwijl tussen 1522 en 1523 de Sont voor de Kamper schepen gesloten werd, waardoor tijdelijk een zeer essentiële tak van handel onmogelijk werd. Zoals zo vaak leidden de zeer slechte economische toestanden, die het gevolg van deze gebeurtenissen waren, tot ongeregeldheden in de stad zelf, waarbij — en het is feitelijk voor het eerst in haar geschiedenis, dat wij er van horen — de gilden een belangrijke politieke rol speelden.
Wel verbeterde in 1524 de toestand weer enigszins, toen Zwolle de Gelderse hertog wederom de rug toekeerde en er dank zij de bemiddeling van de aartsbisschop van Trier, een tijdelijke vrede tussen de bisschop van Utrecht en Karel van Gelre werd gesloten, maar in 1527 steeg de nood weer hoog, toen
|pag. 133|
hertog Karel opnieuw het Oversticht binnenviel. De elect-bisschop Hendrik van Beieren, bleek volkomen onmachtig te zijn om zijn onderdanen daadwerkelijk te hulp te komen en in 1528 vond het historisch moment plaats, waarop ridderschap en steden van Overijssel de stoel van St. Maarten verlieten en keizer Karel V als hun landheer erkenden. Diens veldheer, Schenck van Toutenburg, wist spoedig daarop de Geldersen geheel uit Overijssel te verdrijven, waarna Karel van Gelre te Gorkum vrede sloot en alleen Drente behield.
Van een spectaculair herstel van de Kamper handel en scheepvaart was echter, nadat de orde en rust in het Oversticht terugkeerden en de scheepvaart over de Zuiderzee weer onbelemmerd plaats kon vinden, geen sprake meer. De Gelderse oorlogen bleken als een katalysator gewerkt te hebben op het relatieve verval van de stad, dat reeds in de tweede helft van de 15 de eeuw inzette, zodat nu een absoluut verval intrad, hetgeen zich vooral openbaarde in een sterke achteruitgang van de Oosthandel. De jaren van Kampens grootheid waren definitief voorbij; na 1528 werd de stad een economisch centrum van de tweede rang, dat in de loop van de 16de en 17de eeuw nog verder aftakelde, naarmate haar vaarwater verzandde. En het gemis aan goede landwegen deed zich nu wel zeer schrijnend voelen.
Het is natuurlijk zeer de vraag of deze gang van zaken ook invloed heeft gehad op de levensvatbaarheid van het klok- en geschutgietersbedrijf van de Van Wou’s te Kampen. De grote onveiligheid zal ongetwijfeld Geert van Wou in zijn activiteit hebben belemmerd; wij hebben in zijn brieven aan het Utrechtse Domkapittel kunnen lezen, hoezeer hem dit benauwde. Toen Karel van Gelre ook het Oversticht onveilig ging maken, zal ook hier zijn arbeidsterrein wel ingeschrompeld zijn. Het aantal klokken, dat Van Wou in de periode 1507 — 1520 goot, is dan ook niet groot. De meeste vervaardigde hij in Friesland, waar de burgeroorlog een geweldige opruiming onder het bestaande klokkenbezit der kerken had gehouden.
Maar daar staat tegenover, dat de geschutgieterij van Van Wou in deze crisistijd wel gebloeid zal hebben. Door het ontbreken van bruikbaar materiaal over deze periode bezitten wij helaas geen exacte gegevens, die deze veronderstelling kunnen bevestigen.
Zeker is wel, dat de oude Van Wou als een zeer vermogend man gestorven is.
Dit blijkt uit het aanzienlijke huizenbezit van zijn kinderen, de jaarrenten, die zij hadden geërfd en dus uit hun vaders tijd stamden en de vele achterstallige vorderingen, die zij reeds tijdens het leven van hun vader, maar vooral na diens dood, trachtten te innen. Wel kan in dit verband natuurlijk worden opgemerkt dat, afgezien van zijn huizenbezit, de oude Van Wou volgens onze begrippen zijn kapitaal nu niet bepaald solide had belegd en de jaarrenten en achterstallige schulden voor zijn nabestaanden zeer dubieuze activa bleken te zijn. Bijzonder goed is het de kinderen van Van Wou dan ook niet gegaan;
|pag. 134|
voortdurend zien wij kinderen van Mr. Geert na zijn dood huizen verkopen of hypotheken nemen. Willem en Jan van Wou zijn zelfs tot armoede vervallen.
Willem eindigde zijn leven als schrijver op de Venepoort, Jan stierf praktisch zonder middelen in Kamperveen.2 De jonge Geert, die de klok- en geschutgieterij van zijn vader overnam, was er ogenschijnlijk nog het beste aan toe.
Hij zal het ambacht grondig hebben geleerd en tal van klokken dragen dan ook zijn naam. Machtige geluien heeft hij echter zelden vervaardigd, hij was een goed vakman, zonder meer. In het buitenland heeft hij sporadisch gegoten.
Als geschutgieter trad hij stellig niet op de voorgrond en hierdoor was de economische basis van zijn bedrijf heel wat smaller dan die van zijn vader.
Opvallend is ook, dat hij vrijwel onmiddellijk na de dood van Mr. Geert sr. met een compagnon, Jan ter Steghe genaamd, ging samenwerken, wellicht een aanwijzing, dat deze jonge Geert van Wou heel wat minder zeker van zichzelf was dan Mr. Geert van Wou sr.
Reeds in 1528 werd Van Wou’s zoon en opvolger in het Kamper schepenmemorie opgenomen.3 „Obiit in Frisia” luidt een aantekening uit latere jaren; hij is inderdaad omstreeks 1551 te Emden overleden.
In 1535 blijkt Mr. Geert jr. gehuwd te zijn met Ymme (Immeke) van Bolten.4
Op de 5de juni van dat jaar verkoopt het echtpaar aan Rutger Willemsz en diens vrouw Aleydt een jaarlijkse rente van 12 gouden Rijnse guldens uit twee huizen en erven, gelegen aan de Oudestraat en met het werkhuis doorlopend tot de Nieuwstraat. Een van zijn buren was zijn zuster Mette. Het klokgietersbedrijf van Mr. Geert jr. moet dus aan de Oudestraat hebben gelegen en mogelijk was dit tevens de plaats, waar ook zijn vader zijn bedrijf had uitgeoefend.
Uit een overdracht, gedateerd 7 augustus 1543,5 blijkt dat Geert van Wou sinds 17 mei 1533 eveneens het huis, bewoond door Mette van Wou, in eigendom had, maar dit op de eerstgenoemde datum weer aan haar (tweede) man Herman van Assendorp, terug verkocht. In dit stuk wordt gesproken van een leemhuis, dat tot de twee panden, bewoond door Geert van Wou, behoorde.
Hier zal dus de gieter het leem, benodigd voor het vormen van zijn modellen, hebben bewaard. Behalve deze panden bezat Van Wou, blijkens het Boek van Oplatingen, nog een molen met toebehoren, gelegen aan de Steendijk, dus aan de noordelijke rand van de stad. Deze molen kocht de klokgieter op 6 februari 1542 en zij was op 29 mei 1546, toen hij Kampen reeds lang verlaten had, nog in zijn bezit, want op de laatstgenoemde datum verkocht hij een rente van 11 gulden uit deze molen aan zijn broer Jasper, gehuwd met Anna Warnersen, een dochter van de bekende Kamper boekdrukker Peter Warnersen.6
|pag. 135|
De vrouw van Geert van Wou, Imme van Bolten, zal omstreeks 1540 overleden zijn, in dat jaar, werd, volgens de rekeningen van de St. Nicolaaskerk, de kerkgerechtigheid betaald voor de begrafenis van „Meyster Gerdt van Wou syn huisfrou Imme”.7 Uit het huwelijk zijn drie kinderen bekend: Grietken, Claesgen en Immeke; zonen heeft Mr. Geert jr. vermoedelijk niet gehad.
Immeke huwde later met Peter Albertsen Vrese.8
In een volgend hoofdstuk zullen wij kunnen lezen, dat Geert van Wou omstreeks 1543 de stad heeft verlaten, waardoor het klok- en geschutgietersbedrijf hier ter stede tijdelijk tot stilstand is gekomen. Eerst zullen wij echter nog een aantal klokken bespreken, die Mr. Geert en zijn compagnon Jan ter Steghe tijdens hun verblijf te Kampen hebben gegoten. De keuze werd wederom bepaald door het al of niet aanwezig zijn van belangrijke archiefstukken, die op het gieten van deze klokken betrekking hebben.
Hoorn 1528 en 1531
In zijn bekende werk „Beschrijving van klokken en klokkenspelen”, heeft de Hoornse 18de-eeuwse klokkenist en organist Juriaan Spruyt een aantal stukken gepubliceerd, die sindsdien verdwenen zijn en waaruit blijkt dat Geert van Wou jr. in 1528 een contract met de burgemeester van de stad Hoorn sloot om tien klokken voor de Grote kerk aldaar te gieten. Velius vermeldt in zijn „Chronijk van Hoorn” dat in 1528 de kerkmeesters besloten een toren aan de Grote kerk te maken „daer langen tijd van gesprooken was”;9 deze kwam in 1531 gereed, waarna het uurwerk werd ingebracht, dat op 10 februari 1532 voor het eerst in gebruik werd genomen „’t selve van den voorgenoemde Mr. Jacob van Edam seer konstelijk gewrocht en soo gemaekt, dat men daer alderley voysen op stellen mogt”.10 Wij zullen dan ook wel mogen aannemen, dat de tien klokken, die Hoorn in 1528 bij de Kamper meester heeft besteld, de voorslag van dit uurwerk zijn geweest. De klokken werden dus reeds gegoten, vóór de toren gereed was.
Groot zijn zij stellig niet geweest. Volgens het op 2 december gesloten contract (een chyrograaf), mochten zij tezamen slechts 3500 — 4000 pond zwaar zijn.11
|pag. 136|
Dit zal wel de reden zijn geweest, waarom zij niet te Hoorn, maar te Kampen werden gegoten. Voor elke 100 pond te vergieten spijs, welke de gieter van de burgemeesters zou ontvangen, zou hij een loon van twee gulden ontvangen.
Voor elke honderd pond nieuwe spijs beurde hij 10 gulden. Vermoedelijk bezat de stad Hoorn dus een of meer oude klokken, die ingeleverd werden om vergoten te worden en leverden Van Wou en zijn compagnon de nog ontbrekende spijs. De knechten van de meester zouden 4 Philipsgulden drinkgeld ontvangen.
Hoewel hun toren nog lang niet gereed was, drongen de burgemeesters op spoedige levering aan. De klokken moesten „ad cathedram Petri (= 22 februari) eerst comen(de), aecht dagen voer of nae onbegrepen”, te Kampen worden af geleverd. Als getuigen fungeerden heer Jacob Jansz orgelmaker, priester, en meester Frans, organist.
Waarschijnlijk is men te Hoorn wel tevreden geweest over de voorslag, die de Kamper gieter voor de Grote Kerk gegoten heeft. In 1531 althans werd hem en zijn compagnon Jan ter Steghe tevens opgedragen een grote uurklok te gieten,12 die 4.531 pond woog.
Spruyt copieerde, behalve dit contract, tevens een aantal stukken, die op de betaling van deze leverantie betrekking hadden. Op 9 maart 1531 verklaarden Geert van Wou en Jan ter Steghe van Claes Heijnz., burger van Hoorn, vanwege de regering van deze stad ontvangen te hebben 100 gulden, waarna deze in ontvangst genomen had een klok wegende „vijfde half dusent en ene dertich pond, dat hon(n)dert voer tijen philips gulden”. Als drinkgeld voor de knechten inden de meesters bovendien nog 30 stuivers.13
Daar wel aangenomen mag worden, dat ditmaal geen oude klokspijs ingeleverd werd, bedroeg de totale vordering der Kamper meesters voor het gieten van de grote klok waarschijnlijk 45.31 x 10 Philipsgulden = ruim 453 gulden, waarvan dus direct 100 gulden werden betaald.
Op de voorhand hadden de gieters vermoedelijk ook reeds 100 koopmansgulden gekregen, want Spruyt copieerde eveneens een kwitantie van een zekere Hans Blyfernicht van Amsterdam, waarin deze verklaarde op St. Pontianusdag, dus op 14 januari 1531, honderd koopmansgulden te hebben ontvangen van de stad Hoorn ten behoeve van meester Gert van Wouwe, klokgieter te Kampen.14
Deze Hans Blyfernicht blijkt in 1541 herbergier in Kampen te zijn 15 en wij zien hier dus, zoals zo vaak in de middeleeuwen voorkwam, een waard als makelaar optreden.16
De betaling van het restant van hun schuld, heeft de burgemeesters enige zorgen gebaard. Op 14 augustus 1531 ontvingen zij een missive van Popius
|pag. 137|
Occo te Amsterdam, waarin deze hun mededeelde, dat het hem bekend was, dat Gerrit van Wou en Jan ter Steghe, klokgieters te Kampen, een uurklok voor Hoorn hadden gegoten, die zij 6 jaar lang „gave ende goet” garandeerden.
Voor dit laatste waren zij bereid geweest een borg te stellen. Popius Occo verklaarde nu in zijn brief deze borg te willen zijn en een schadeloosstelling te zullen betalen „indien die kloek gebreckelick worde ende die voerss. klockgieters die kloeke niet en vergoeten of voldoen”.17
Deze brief blijkt enige ontsteltenis in Hoorn te weeg te hebben gebracht. Ik heb zo’n vermoeden, dat de Kamper klokgieters reeds eerder de Hoornse magistraat om hun geld hadden gemaand, maar dat men toen als bescheid had gegeven eerst maar eens voor een solide borg te zorgen. Niet zozeer uit bezorgdheid over de duurzaamheid van hun klok, dan wel, omdat men het geld op dat moment eenvoudig niet had en een uitvlucht om niet te betalen noodzakelijk was. Maar toen de Kampenaren daarna met Popius Occo als borg kwamen aanzetten, raakten de burgemeesters lelijk in de knoop. Deze Popius Occo was namelijk niemand anders dan de bekende l6de-eeuwse Amsterdamse bankier en groothandelaar Pompejus Occo. Hij stamde uit een Oostfries geslacht en woonde in het huis „Het Paradijs” in de Kalverstraat. Occo was in zijn tijd een van de meest vooraanstaande figuren in Amsterdam, een schatrijk zakenman en onder meer factor en bankier van koning Christiaan II van Denemarken.
Daarnaast was hij echter ook een ware Maecenas, een begunstiger van geleerden en kunstenaars.18 Een man als Pompejus Occo kon je niet zonder meer op zijn geld laten wachten en reeds op 16 augustus schreef Pieter de Jonge hem namens de burgemeesters van Hoorn een allervriendelijkst briefje, waarin hij Occo mededeelde, dat de Kamper klokgieters hun verzocht hadden het restant van het geld dat hun toekwam, aan Occo ter hand te stellen, maar dat dit zeer moeilijk ging, aangezien de stad op het moment dat geld niet had. Zo de Amsterdammer echter bereid was de burgemeesters tot de volgende maand uitstel te verlenen, dan kon hij er vast op vertrouwen, dat hem het nog verschuldigde bedrag thuis zou worden gebracht.19 Waarschijnlijk heeft de bankier hierin toegestemd, want op 28 september 1531 tekende hij een kwitantie, waarin hij verklaarde, dat de burgemeesters van Hoorn hem, ten behoeve van Geert van Wou en Jan ter Steghe, 166 gulden en 17 stuivers current hadden uitbetaald.20 Waarschijnlijk betekende dit ook, dat de stad Hoorn aan al haar verplichtingen had voldaan.
Het wekt natuurlijk wel enige verbazing, dat onze Kamper klokgieters een man als Pompejus Occo bereid hadden gevonden als hun borg op te treden.
De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat dit toch door bemiddeling van de stad Hoorn geschiedde, maar men zou zich ook kunnen afvragen of Geert van Wou jr. wellicht reeds daarvóór in relatie met deze Amsterdamse koopman
|pag. 138|
heeft gestaan. En dan denken wij in de eerste plaats aan zijn oom Thoenis, aan wie zijn moeder Clara in 1507 zo’n roerende brief schreef. Maar ook de Oostfriese afkomst van Occo kan in dit verband in het geding worden gebracht. Johannes Schonenborch, mogelijk de stiefzoon van de oude Van Wou, was misschien uit deze landstreek afkomstig en in ieder geval waren hij en zijn zoon Wolter er goed bekend.
Onder de voorwaarden van het contract, welke in de missive van 14 augustus 1531 van Pompejus Occo aan de burgemeesters van Hoorn worden genoemd, zijn er twee toch wel opmerkelijk. In de eerste plaats de lange tijdsduur, 6 jaar, die de klokgieters hun klok moesten garanderen tegen gebreken en in de tweede plaats de eis, dat zij een borg zouden stellen voor het geval deze klok in het ongerede zou raken en dit financiële gevolgen zou hebben. Misschien waren de Hoornse burgemeesters zeer voorzichtige lieden, die hun risico tot een minimum wilden beperken, maar uit het feit, dat de Kamper compagnons deze vrij ongebruikelijke voorwaarden accepteerden, blijkt toch wel, dat deze opdracht hun zeer welkom was.
De voorslag, die Van Wou en Ter Steghe in 1528 voor de Grote kerk te Hoorn goten, is spoorloos verdwenen. Velius bericht, dat in 1602 een nieuw speelwerk voor de Grote kerk gereed kwam door Wigger Albertsz, een ingezetene van de stad „seer aerdig en konstelijck” vervaardigd.21 Ter gelegenheid hiervan werden verscheidene, naar Velius meent, wel 4 of 5 nieuwe klokken gegoten. Wellicht zijn toen reeds een aantal klokken van de voorslag van Van Wou opgesmolten. De rest zal wel verdwenen zijn, toen Pieter Hemony in 1671 een carillon, bestaande uit 32 speelklokken, voor de Grote Kerk te Hoorn afleverde.22
De uurklok, die volgens Velius op 1 mei 1531 werd gewijd en aan Johannes de Doper was opgedragen 23 (hetgeen niet uit het opschrift blijkt en ook vermoedelijk onjuist is 24), is met het Hemony-carillon tijdens de grote torenbrand van 1836 ten onder gegaan.
Delft 1539
Op 3 mei 1536 teisterde een verschrikkelijke brand de stad Delft, waarbij zowel de Oude als de Nieuwe Kerk zwaar beschadigd werden. Een aantal klokken gingen toen eveneens verloren.
In zijn bekende werk „Beschrijvinge der Stadt Delft” vermeldt Dirck van Bleysweijck, dat zich in zijn tijd op de klokkenzolder van de Oude Kerk nog een aantal grote en zware klokken bevond.25 Twee ervan hadden de brand
|pag. 139|
van 1536 klaarblijkelijk overleefd, een derde droeg het opschrift: „Anno xvcxxxvi wilt wel verstaen / Heeft my den brant heel doen vergaen / Maar doer genaden van boven hoych gepresen / Ben ic Maria ’t jair xxxix gerezen / gerrit van wou ende ian ter stege goeten my”.
Van Bleyswijck deelt verder mede, dat hij niet weet, hoeveel klokken in totaal voor de grote brand in de toren van de Oude Kerk gehangen hadden, maar volgens zijn overtuiging moeten zij een muzikaal accoord hebben gevormd.
Uit het bovengenoemde opschrift blijkt, dat de Kamper klokgieters Geert van Wou en Jan ter Steghe omstreeks 1539 in Delft werkzaam geweest moeten zijn, toen men daar alles in het werk stelde, om de schade aan kerken en huizen te herstellen en ook het klokkenbezit op peil te brengen.
Van Bleyswijck heeft de goede gedachte gehad om een drietal contracten, die nu spoorloos zijn, over te schrijven. Zij hebben betrekking gehad op het gieten van nieuwe klokken voor de Oude Kerk vlak vóór en direct ná de brand.
Uit een contract van 9 februari 1536 blijkt, dat de kerkmeesters kort vóór de catastrofe een overeenkomst hadden gesloten met de Mechelse klokgieter Mr. Medardus Waghevens.26 Deze verplichtte zich hierbij een drietal nieuwe klokken voor de Oude Kerk te Delft te gieten. De grootste klok zou 12 — 13.000 pond mogen wegen, de daarop volgende 9—10.000 pond en de kleinste 6—7.000 pond. De twee kleinste zouden moeten accorderen op de grootste en gedurende een half jaar zouden de drie klokken voor risico van de gieter geluid moeten worden. Indien zij binnen deze termijn barstten of vals bevonden zouden worden, verplichtte de gieter zich ze zo vaak te hergieten tot zij wel voldeden aan de gestelde eisen.
De kerkmeesters zouden voor de benodigde klokspijs zorgen (gebroken klokken hadden zij waarschijnlijk genoeg) terwijl de gieter voor elke honderd pond gewicht een carolusgulden als loon zou ontvangen. Tevens zou hem een huis ter beschikking worden gesteld, waar hij zijn klokken zou kunnen maken.
Van zijn kant beloofde Medardus echter „alle yserwerck dat tot der klokkengieten behoeft en instrumenten dienden van der kunsten wegen dair toe behoort” te lenen en te leveren. De Mechelse meester verplichtte zich verder met dit ijzerwerk en deze instrumenten „half vasten ten langste”, dus uiterlijk 26 maart, in Delft te verschijnen en niet eerder te vertrekken, voordat hij de klokken had gegoten en deze voor de eerstkomende Pinksterdag (—4 juni) af te leveren. Mocht de meester een van de bepalingen, die in het contract waren opgenomen niet nakomen, dan verbeurde hij 100 carolusgulden, voor welk geld hij voor de Raad van Mechelen goede borgen zou moeten stellen.
Ogenschijnlijk hadden de kerkmeesters van de Oude Kerk met hun klokgieter geen slechte keus gedaan. Medardus behoorde immers tot een beroemd geslacht van klokgieters, dat reeds bijna een eeuw in Mechelen was gevestigd. Te Delft heeft deze Medardus echter de goede naam van de Waghevens niet weten hoog te houden. Toch was het waarschijnlijk niet zijn schuld, dat de drie klokken,
|pag. 140|
die hij voor de eerstkomende Pinksterdag beloofd had af te leveren, op die datum niet klaar waren. De grote brand van 3 mei gooide roet in het eten en de kans is groot, dat ook het klokhuis, waarin de gieter zijn vormen maakte, in vlammen opging.
Op 8 december 1537 sloten de kerkmeesters een nieuw contract met de meester en zijn vrouw.27 De laatstgenoemde was waarschijnlijk Christine Snijders. Vermoedelijk hielp zij haar man daadwerkelijk bij het maken van de vormen en het gieten. Uit het toen gesloten contract blijkt, dat op die datum nog slechts twee klokken klaar waren. De meester zou ze ophangen en zo zij niet de juiste toon bleken te hebben, beloofde hij dat te zullen verhelpen en wel geheel op eigen kosten.
Wat er toen is gebeurd, meldt de geschiedenis niet, maar het heeft er alle schijn van, dat Waghevens er niet in slaagde zijn opdrachtgevers te voldoen, waarschijnlijk accordeerden zijn klokken niet en hij moet af gedropen zijn met achterlating van zijn mislukte klokken. Reeds op 4 oktober 1538 sloten de kerkmeesters toen een contract met twee nieuwe meesters en wel met Geert van Wou en Jan ter Steghe uit Kampen.28 Op één woordje na, dat hij waarschijnlijk niet kon lezen, schreef Van Bleyswijck ook dit contract over.
De Kamper gieters zouden gieten „sesse clocken, die groetste clocke wegende twalef duysent ende…, wesende twee thoenen ende een halve thoene laegere, dan die clocke Ursula inder Nieuwer kerkcke, althans bij voirsz. meesters geghoeten, weghende VIm IIc en xxxv pont, welcke voirsz. clocken wesen sal gamma ut, d’anderde clocke daernae zal weesen cefa ut, luydende ut fa. Voerts d’ander clocken nae deze tweede clocken cefa ut voirsz., zullen luydende wesen re, mi, fa, sol, la, welcke voirsz. clocken den groetsten met den mynsten de voirsz meesters gieten zullen op guedt eenparigh geluyt accordt en resonnancie elck in syn thoene luydende, sucx dat behoert tot hare coste en pericule”.
Indien de klokken niet aan het contract voldeden, moesten de klokgieters ze net zolang overgieten tot zij goed bevonden waren. De financiële voorwaarden nam Van Bleyswijck niet over, maar volgens Boitet zouden de Kamper gieters tweemaal zoveel gietloon bedongen hebben als hun onfortuinlijke voorganger. Ook nu zouden de kerkmeesters voor de benodigde klokspijs zorgen. Zij leverden hiervoor „die van d’oude clocken gebleven” was, dus vermoedelijk de stukgeslagen klokken, die door Medardus Waghevens waren gegoten, en hetgeen „onder de gemeente nog geprokureert zoude werden”. Met andere woorden ook deze maal zou een inzameling onder de parochianen georganiseerd worden.
Boitet komt met het bekende verhaal aandragen dat, behalve geld, koperen en metalen potten, ketels, bekkens en kandelaars, sommige burgers, teneinde zich bijzonder verdienstelijk te maken, ook zilvergeld schonken, opdat de klokken, door toevoeging van het laatstgenoemde metaal „door schelder en aangenamer geluit te bevalliger in hun oren mogt klinken”.29 En hij voegt er aan toe, dat
|pag. 141|
uit sommige oude papieren gebleken zou zijn, dat dit ook juist was.
Wanneer men afziet van het getal „sesse” is dit contract, hoe ingewikkeld het er op het eerste gezicht ook moge uitzien, toch wel duidelijk. De daarin genoemde toonbenamingen waren immers voor die tijd de gebruikelijke! De absolute toonhoogten werden genoemd met de letters g, a, b, c, enz. en de relatieve toonhoogten met ut (do), re, mi, fa, sol en la. De eerste toonhoogten waren dus (hoewel toen nog in theorie) gebonden aan genormaliseerde frequentie, de tweede slechts aan onderlinge frequentieverhoudingen. De reeks do, re, mi, fa, sol enz. kon dus op elke willekeurige frequentie (dus absolute toon) opgebouwd worden. Daar de oudste gezangen oorspronkelijk meestal slechts de omvang van zes tonen hadden (een hexachord), waren aanvankelijk de relatieve tonen ut, re, mi, fa, sol, la voldoende. Later echter, toen de gezangen een grotere omvang kregen, diende men meer tonen in te voeren. Men deed dit door een ingewikkeld stelsel, dat terug te voeren is op de bekende middeleeuwse muziektheoreticus Guido van Arezzo.
Men nam namelijk de absolute toonreeks G, A, B enz. en ging vanuit enkele muzikaal belangrijke tonen van die reeks telkens een hexachord opbouwen, namelijk dus:
| G | A | B | c | d | e | f | g | a | bes | b | c’ | d’ |
| ut | re | mi | fa | sol | la | |||||||
| ut | re | mi | fa | sol | la | |||||||
| ut | re | mi | fa | sol | la | |||||||
| ut | re | mi | enz. |
De toon G werd dan genoemd G-ut, c werd ce-fa-ut enz. Het laatste werd in het contract verbasterd tot cefaut, terwijl in plaats van de latijnse G. de Griekse werd gekozen, dus Gamma-uit.
Op basis van het bovenstaande, zou men het contract als volgt kunnen lezen:
De gieters zullen leveren „zeven klokken, waarvan de grootste 12.000 pond en nog iets meer zou wegen en 2½ toon lager zou moeten klinken dan de Ursula-klok van de Nieuwe Kerk en ten opzichte van die klok als G-ut zou moeten klinken. De daarop volgende klok zou een ce-fa-ut moeten zijn, maar gebruikt worden als ut-fa, dus als basis van een toonreeks. Vervolgens zouden de overige klokken na de genoemde ce-fa-ut-klok gebruikt worden als re, mi, fa, sol, la…”
Laten wij de oude toonbenamingen buiten beschouwing, dan zou men kunnen zeggen, dat de gieters opdracht kregen zeven klokken te leveren, waarvan de grootste 12.000 pond of iets meer zou mogen wegen en een kwart interval lager zou moeten klinken dan de Ursula-klok van de Nieuwe Kerk. Deze klok moest daarom de toonhoogte g° krijgen. De daarop volgende klok moest dan een c1 zijn en de basis vormen van de verdere toonreeks d1, e1, f1, g1 en a1.
De enige moeilijkheid is, dat in het contract, althans volgens Van Bleyswijck, gesproken wordt van zes nieuw te gieten klokken, terwijl dit, indien bovenstaande uitleg de juiste is, er zeven moeten zijn. Het is stellig niet onmogelijk,
|pag. 142|
dat Van Bleyswijck het woord „sesse” verkeerd gelezen heeft en het contract wel degelijk „seven” vermeldde.
Over het gieten van dit gelui van zes of zeven klokken is helaas verder niets bekend, daar de kerkelijke rekeningen van de Oude Kerk over deze periode verloren zijn gegaan. Boitet trof in zijn tijd nog slechts één van al deze klokken op de zolder van de toren aan en vertelt, dat deze in 1719, daar ze gebarsten was, omgegoten werd. Dit geschiedde ongetwijfeld door de Amsterdamse gieter Jan Albertsz. de Grave, die in het genoemde jaar 3 nieuwe klokken voor de Oude Kerk te Delft goot. De andere vijf of zes klokken moeten dus reeds eerder verdwenen zijn.30
Uit het contract, dat Geert van Wou en Jan ter Steghe op 4 oktober 1538 met de kerkmeesters van de Oude Kerk sloten, blijkt, dat deze twee Kamper meesters daarvóór reeds een klok, Ursula genaamd, voor de Nieuwe Kerk aldaar hadden gegoten. Uit de rekening van deze kerk wordt duidelijk, dat Van Wou en Ter Steghe niet één, maar zelfs vier klokken, die waarschijnlijk een gelui vormden, voor de laatstgenoemde kerk hebben vervaardigd.31
Wanneer de kerkmeesters precies het contract sloten, is niet meer na te gaan, maar op 3 en 4 juni gingen zij en de onderpastoor hun parochianen langs om geld voor deze nieuwe klokken op te halen.32 Op 21 juni had een inzameling te Delfgaauw plaats. Kort hierna zullen de vier klokken gegoten zijn. Zij kregen de namen Jezus, Maria, Ursula en Martinus en wogen respectievelijk 10447, 8013, 6236 en 4919 pond. De meesterklokgieter Gerrit van Wou zou voor elke honderd pond te vergieten klokspijs 7 sch. 6 d. groten (= 7 schellingen, 6 duiten groten)33 ontvangen en het restant van de spijs, de „layckaye” zou hij mogen behouden. In totaal zou hij 112 pond groten ontvangen en zijn knechten als drinkgeld 26 sch. 8 d. groten. Van Wou en „syn maet genaemt meester Jan” ontvingen direct 52 pond, 15 sch. en 5 d. groten. Het restant zou hun in drie termijnen worden uitbetaald en wel op 1 mei 1541, 1 mei 1542 en 1 mei 1543.34 Maar de grootste klok, Jezus genaamd, scheurde binnen het jaar, waardoor de kerkmeesters volgens de bepalingen van het contract, het gieten van deze klok niet behoefden te betalen. Zij losten dan ook op 8 september 1542 het restant van hun schuld met 19 pond, 1 sch. 10 d. af. In totaal zullen de Kamper gieters dus slechts 71 pond 16 sch. 15 d. groten hebben gebeurd.35 Veel winst zal het gieten van deze vier klokken hun dan ook niet hebben opgeleverd: eens temeer bleek het gieten een riskant bedrijf te zijn. Ook de Maria- en de Ursulaklok is geen lang leven beschoren geweest.
|pag. 143|
In 1548 goot Jan Moer, een kleinzoon van Gobelinus Moer uit ’s-Hertogenbosch, een nieuwe Jezusklok voor de Nieuwe Kerk.36 Uit de rekeningen blijkt, dat toen ook de Mariaklok in de smeltkroes ging. Weer werden de Delftenaren door pech achtervolgd, Jan Moer moest tot driemaal toe deze klok hergieten, voordat zij deugdelijk werd bevonden.37
Zeventien jaar later, in 1565, kwam Moer opnieuw naar Delft om een klok te gieten, die de naam Ursula ontving.38 Volgens de rekeningen leverden de kerkmeesters toen een klok, eveneens Ursula geheten in, die 5.996 pond woog.
Hoewel het gewicht niet helemaal klopt, zal de ingeleverde klok wel de Ursula zijn geweest, die Van Wou en Ter Steghe omstreeks 1538 voor de Nieuwe Kerk gegoten hadden. Over het lot van de Martinusklok vond ik geen gegevens.
Kampen 1540
Omstreeks het jaar 1540 moeten Geert van Wou en Jan ter Steghe een klok voor de St. Nicolaas- of Bovenkerk in hun vaderstad hebben gegoten.
Uit de kerkelijke rekeningen der jaren 1537—1541 blijkt, dat in deze periode zowel herstellingen aan het orgel als aan het uurwerk van de St. Nicolaaskerk verricht werden. Zo vermeldt de rekening van 1537 onder de rubriek „oncosten ant uurewerck gedaen” een aantal posten, waaruit men kan opmaken, dat het uurwerk uit de toren werd gehaald en door twee mannen naar het „Geertshuis” werd gebracht, dus naar het huis van Mr. Geert van Wou.39 Vermoedelijk werd het daar door de stadsuurwerkmaker, misschien wel Mr. Geert zelf, grondig onder handen genomen.
In 1539 reisde de organist Mr. Dubbelt naar de orgelmaker Mr. Hendrick Nijhoff om over herstellingen aan het orgel te spreken en in 1540 werd deze Hendrick Nijhoff 17 herenpond, 9 brab. stuivers en 10 plakken uitbetaald voor het renoveren van het orgel.40
In het kader van deze muzikale verbeteringen, goten Mr. Geert en Jan ter Steghe waarschijnlijk in 1540 een nieuwe klok voor de kerk.
Op vrijdag post visitationis Marie (= 2 juli) betaalde de met de boekhouding belaste kerkmeester, aan Mr. Gosen 15 stuivers brab. val. uit „um id clocken of te brengen”.41 Vermoedelijk slaat deze post op het uit de toren halen en het transport van een klok. Onmiddellijk daarna volgt de mededeling „noch so luiverdt meister Gerdt clockgyter id kloeken end wecht dusent xvii ℔ ind
|pag. 144|
kostet my in de wage te brengen, ind vor meyster Gerts huse, XII st. curr.”
Men krijgt de indruk, dat deze klok daarna eerst naar de waag werd gebracht en vervolgens bij Mr. Geert werd afgeleverd, om tot een nieuwe klok vergoten te worden. Dit blijkt uit een volgende post, waarin wordt vermeld „noch ontfangen van meister Gerdt van Wow de clocke id re, und wecht XIIc und VII pont, so synt V pont tot drinckgelt gegaen, und ick hebbe meister Gerdt clockgiter und meister Johan gegeven vor Xc pont, id hondert drie copmans gulden, noch vor 11c pont vor or (= onze) spise, id hondert XV copmansgulden hollants gelt, summa or beiden betaelt, LIII copmansgulden, den st. br. XV pl.”42
Na het inleveren van de oude klok zullen Geert van Wou en Jan ter Steghe dus een nieuwe klok hebben gegoten op de toon re, die 1207 pond woog. De knechten van de gieters ontvingen als drinkgeld de waarde van 5 pond klokspijs. Een merkwaardige berekening. De kerk leverde Van Wou en Ter Steghe in de eerste plaats 1.000 pond spijs. Het vergieten van deze spijs kostte haar 3 koopmansgulden de honderd pond, dus in totaal 30 koopmansgulden.
Ongetwijfeld was deze klokspijs afkomstig van de oude klok. De gieters zelf zullen twee honderd pond nieuwe spijs geleverd hebben; voor het vergieten hiervan rekenden zij 15 koopmansgulden de honderd pond, dus in totaal weer 30 koopmansgulden. Het is dan ook niet geheel duidelijk, waarom hun slechts 53 koopmansgulden werd uitbetaald. De klok bleek niet aan de gestelde eisen te voldoen, want op „wonsdach na Pauli” (= 26 januari 1541) beloofden Mr. Geert en Mr. Jan, daar de klok „eyn cleyn weinig te hoge ys van eyn octave van it ut” dat zij de klok op haar juiste stemming zouden brengen, al moest dit ook twee jaren duren. Zij zouden hiervoor niets in rekening brengen.43
Na het wijden kwamen de provisoren van de kerk met de pastoor in de pastorie bijeen en dit gezellig samenzijn kostte de kerk 2 herenpond en 13 stuivers.44
In 1541 goot Jan ter Steghe een klokje voor de St. Nicolaaskerk, dat bij het heilig sacrament gebruikt moest worden.45 In ditzelfde jaar moeten de beide gieters een aantal klokken voor de St. Petruskerk te Hamburg hebben gegoten, voor zover ik heb kunnen nagaan de enige buitenlandse opdracht, die zij ooit aanvaard hebben. Suhr vermeldt dat in 1842, toen deze kerk verbrandde, negen klokken door het vuur werden verteerd, waarvan twee het opschrift droegen: „Int jaer ons Heeren 1541 darin gaten Gerdt van Wou und Jan ter Cleahr mi”.46
In een Kamper getuigenis van 27 januari 1542 wordt inderdaad gesproken van een vorm die twee à drie maanden tevoren klaar was gekomen en waarin Mr. Geert en Mr. Jan de Hamburgerklok zouden gieten.47
|pag. 145|
– Fehrmann, C.N. (1967). De Kamper klokgieters, hun naaste verwanten en leerlingen. (Proefschrift Universiteit van Amsterdam, Amsterdam). Kampen: Kok.
