XI. Johannes Schonenborch, de compagnon van Geert van Wou, van Wou’s leerlingen en verwanten


HOOFDSTUK XI

JOHANNES SCHONENBORCH, DE COMPAGNON
VAN GEERT VAN WOU,
VAN WOU’s LEERLINGEN EN VERWANTEN

De oudst gedateerde klok, waarop de namen van Geert van Wou en Johannes Schonenborch tezamen aangetroffen werden, was wellicht een klok te Kremke (Kr. Stenburg), gegoten in het jaar 1506.1 [1. A. Rauchheld en F. Ritter, Glockenkunde Ostfrieslands, in: Upstalsboomblätter, für Ostfr. Geschichte, Heimatschutz und Heimatkunde, 14. Band, 1928/29, blz. 165.] Daar deze klok verloren is gegaan en het overgeleverde opschrift stellig niet vlekkeloos werd overgenomen, is contrôle echter niet meer mogelijk.
Wel staat vast, dat Johannes Schonenborch in dit jaar tezamen met Arnt van Wou twee klokken voor Husum in Oost-Friesland heeft gegoten. Over de afkomst van Johannes Schonenborch bestaat geen enkele zekerheid. In het Necrologium van de Bovenkerk te Kampen worden een Lambert Schonenberch en een Grete Schoneberges genoemd, die omstreeks 1500 moeten hebben geleefd.2 [2. J. Nanninga Uitterdijk, Het necrologium van de St.-Nicolaaskerk te Kampen, o.c., blz. 105 en 132.] De naam kwam in de 15de—17de eeuw ook in het noorden van ons land en in Oost-Friesland voor.
In een Groninger akte van 1527 worden Wolter Schonenborch en zijn vrouw Hille Jarges genoemd,3 [3. G.A. Groningen, Reg. Feith 1527, No 41.] terwijl in de 17de eeuw een Johannes Schonenborch en zijn zoon Wolter burgemeesters van Groningen waren.4 [4. Vriendelijke mededeling van de gemeentearchivaris van Groningen.] Een Oostfriese oorkonde van 24 april 1477 noemt een notaris Schonenberch, die vermoedelijk te Emden woonde 5 [5. E. Friedlaender, Ostfriesisches Urkundenbuch, 2. Band (1471—1500); Emden 1881, blz. 86, No 990.] en het is misschien ook de moeite van het vertellen waard, dat zich volgens Haupt, te Uetersen in Holstein een altaarbeker bevindt, die door Johannes Schonenborch en zijn broeder Hendrick werd geschonken.6 [6. F. Uldall, Nederlandsche klokken in Holland, Duitsland, Zweden en Denemarken, in: Verslagen Rijksverzamelingen van Geschiedenis en Kunst, deel XXXIII (1910), blz. 31.]
Ten slotte blijkt uit de geschiedenis van de Utrechtse Ridderhofsteden, dat ook in het Sticht Schonenborchs voorkwamen.7 [7. E.B.F.F. Wittert van Hoogland, Bijdragen tot de geschiedenis der Utrechtsche Ridderhofsteden en Heerlijkheden, deel 2, blz. 54 en 574.] Pogingen om familierelaties tussen

|pag. 123|

_______________↑_______________

alle bovengenoemde Schonenborchs en de Kamper klokgieter van die naam aan te tonen, liepen echter op niets uit. Reeds eerder werd vermeld, dat Johannes Schonenborch in 1498 in het Kamper Schepenmemorie werd opgenomen. Hij moet toen dus reeds een man van aanzien zijn geweest. Mogelijk was hij een stiefzoon van Geert van Wou, zoals uit een Duitse bron zou kunnen blijken.
In dit zelfde jaar, op 24 april 1498 verkopen hij en zijn vrouw Stenalt een jaarrente van 12½ herenpond aan Peter Peterss. en Heyle zijn vrouw, uit een huis en erf, waarin zij toen woonden en dat gelegen was in de Nieuwstraat, tussen Gerlach Claisz. en Sanct Cuneren Memorie.8 [8. Charters en Bescheiden Kampen, deel 9: Armenkamer, No 170.] In 1499 wordt het echtpaar Schonenborch in het St. Cunera memorie opgenomen.9 [9. G.A. Kampen, St.-Cuneramemorie, fol. 33 verso.]
Op 8 augustus 1510 verkochten Johannes Schonenborch en zijn vrouw Steynalt Voncke aan de Memoriemeesters van het St. Mertensmemorie 7 gouden Rijnse gulden rente van hun hof en erf, die bij elkaar gelegen waren in de Nieuwstraat, strekkende van de Nieuwstraat tot aan de Geert van de A.straat (de tegenwoordige Geerstraat).10 [10. G.A. Kampen, Register van oplatingen 1438—1811, fol. 105 verso, Inv. Don, deel I, No R.A. 55.]
Op 27 april 1525 wordt melding gemaakt van 6 pond erfrente ’s jaars uit „Johan Clockegieters en Steynaltvonckenhof, gelegen in de Heylensteeg.11 [11. Charters en Bescheiden Kampen, deel 9: Armenkamer No 281.]
Uit de klokopschriften blijkt, dat Johan Schonenborch en Geert van Wou tussen 1507 en 1518 geregeld samenwerkten, maar vanaf het laatstgenoemde jaar verlegde de eerstgenoemde zijn werkterrein gedeeltelijk naar Oost-Friesland, hoewel een vrij intensief contact met Van Wou bleef bestaan. Waarschijnlijk hangt deze activiteit van Johan Schonenborch in Oost-Friesland samen met het verblijf van zijn zoon Wolter aldaar, die in Emden woonde, zoals uit een Kamper archiefstuk blijkt.12 [12. Idem, deel 2, No 1459 en 1461.
Wolter Schonenborch speelde rol als bemiddelaar bij een twist tussen de stad Kampen en jonker Oemken (Hero van Dorhem). Begin 1519 zond heer Hero de klokgieter Wolter Schonenborch naar Kampen om te trachten deze ruzie bij te leggen.]
In 1518 goot Johan Schonenborch met deze zoon een drietal klokken voor de Grote Kerk te Emden. Het zogenaamde Rekeningenboek van proost Poppo Manninga vermeldt hierover: „Ao 1517 vordingeden wy 3 nyge doeken vorget. (= voorgetekend) up noten. Hyrop to ungelt gaen, int erste van Symen Potgeter gekoft 234 punt koppers, dat 100 punt voir 5 rhinsgulden un 1 ort, 40 krumstert vor den gulden, summa 12 rgl. un 8 kr.
Dat is nu al betaelt.” De kosten werden door leningen gedekt, waarbij het rijke grondbezit van de kerk als onderpand werd gegeven.13 [13. Upstalsboomblätter 1928/29, o.c., blz. 146/147.]
Daar Kampen en Oost-Friesland een behoorlijk eind uit elkaar liggen, doet het enigszins onwezenlijk aan Johan Schonenborch na 1518 zowel als zelfstandig gieter in Oost-Friesland te zien optreden en daarnaast nog te moeten consta-

|pag. 124|

_______________↑_______________

teren, dat hij als compagnon Geert van Wou herhaaldelijk in die jaren assisteerde. Ik heb al eens de veronderstelling uitgesproken, dat deze meester wel bereid was Geert van Wou sr. ter zijde te staan, maar niet wilde samenwerken met zijn gelijknamige zoon Geert. Toen deze laatstgenoemde steeds meer door zijn vader naar voren geschoven werd, heeft Schonenborch hieruit wellicht de consequenties getrokken en vertrok hij naar Emden. Alleen dan, wanneer de oude Van Wou een beroep op hem deed, bleef hij bereid deze ter zijde te staan.
Dit zou kunnen betekenen, dat alle klokken, die na 1517 de namen van Geert van Wou en Johannes Schonenborch dragen, inderdaad nog door de oude Van Wou gegoten zijn, terwijl de klokken, die in deze periode alleen de naam van Geert van Wou dragen, door de jonge Geert vervaardigd werden.
Mogelijk is Johan Schonenborch op het laatst van zijn leven nog in dienst van de stad Groningen getreden. Burgemeesters en Raad van Groningen besloten op St. Severusdag (=22 oktober) 1526 deze gieter elke maand twee goudgulden uit te betalen tot St. Michaelsdag (=29 september) 1527 14 [14. F.J. Blok, Rekeningen der stad Groningen, o.c., blz. 60 en 61.] De laatste betaling werd volgens deze rekening op dinsdag na St. Pontianus (= 14 januari) gedaan. Waarschijnlijk is de klokgieter dus in het begin van het jaar 1527 gestorven. Zijn laatstbekende klok draagt het jaartal 1526.
Ook zijn zoon Wolter komt in de stedelijke rekening van Groningen over het jaar 1526/1527 voor. Dezen wordt op zaterdag voor Valentijndag (= 14 februari) 4 rijnse gulden uitbetaald.15 [15. Idem, blz. 60.] Wellicht volgde hij zijn vader als bussenschut op. Volgens Van Rensen zou deze Wolter getrouwd zijn geweest met een zekere Gheseke, een dochter van Eylert to Roude. Hij woonde in een huis in de nabijheid van de Grote Kerk te Emden, dat hij geërfd had van zijn neef Johann von Petkum. Deze laatste mededeling zou er op kunnen wijzen, dat de Schonenborchs oorspronkelijk uit Oost-Friesland stamden. Wolter zal zijn vader niet lang hebben overleefd, in 1528 wordt zijn weduwe 197 rijnse gulden uitbetaald „van yserwerk” dat hij in de tijd van Johan Karsten en Bruen Kremer aan de kerk te Emden geleverd had.16 [16. Upstalsboomblätter 1928/29, o.c., blz. 150, noot 1.]

De leerlingen van Geert van Wou

Toen het Utrechtse Domkapittel in 1507 aan Geert van Wou verzocht om naar de Domstad te komen en deskundige klokgieters mee te nemen, die in staat waren het gelui te beoordelen, dat Van Wou in 1505 voor de St. Maartenskerk had gegoten, antwoordde Mr. Geert in zijn brief, gedateerd 20 maart, dat hij geen onpartijdige meesters mee kon nemen, daar die „hyer”, en vermoedelijk bedoelde hij daarmede in Oost-Nederland, niet te krijgen waren, aangezien zij allen zijn knechten waren geweest en hun ambacht van hem hadden geleerd.

|pag. 125|

_______________↑_______________

Ook waren een aantal van hen nog aan hem verwant.17 [17. Zie blz. 91.] Een zowel zeer zelfbewust als eerlijk antwoord! Wie echter meent dat, gelezen deze uitspraak van Van Wou, het niet moeilijk moet zijn om een hele reeks namen van klokgieters te noemen, die aanvankelijk knecht bij Mr. Geert waren geweest en later buiten Kampen zelfstandig hun beroep gingen uitoefenen, komt bedrogen uit! Zeker, we kunnen van een aantal niet te Kampen woonachtige gieters vermoeden, dat zij Van Wou als leermeester hebben gehad, een vermoeden, dat dan meestal gebaseerd is op het feit, dat deze meesters lettertypen, ornamenten en reliëfs gebruikten, die kenmerkend voor Geert van Wou zijn. Vele Duitse schrijvers doen dit en komen zo tot de conclusie, dat de Lübeckse gieter Hinrich van Kampen, de Osnabrückse meester Johann Frese en de Münsterse klokgieter Westerhues hun ambacht van Geert van Wou geleerd moeten hebben. Geen van deze auteurs heeft echter met behulp van archiefstukken het bewijs kunnen leveren, dat hun beweringen juist zijn.
Met de zogenaamde verwanten van Van Wou is het een min of meer analoog geval. Er hebben inderdaad buiten Kampen een aantal meesters gewoond, van wie men kan vermoeden, dat zij familie, en misschien wel leerlingen van Mr. Geert zijn geweest. Zo werkte in Utrecht in het begin van de 16de eeuw een zekere Willem van Wou, en kwamen in het Noorden van ons land Arndt en Peter van Wou voor, die klok- en geschutgieter waren. Geen enkel archiefstuk bevestigt echter de veronderstelling, dat deze gieters familie van Mr. Geert van Wou te Kampen waren, hoe waarschijnlijk dit ook is, want èn hun achternaam èn hun beroep wijzen wel heel sterk in deze richting.
Afgezien van de jonge Geert van Wou, die het klokgietersbedrijf te Kampen in 1527 voortzette en aan wie wij een apart hoofdstuk zullen wijden, is het dus stellig geen eenvoudige zaak klokgieters aan te wijzen van wie vaststaat, dat zij òf leerlingen òf verwanten van Van Wou geweest zijn. Ik ben er mij dan ook van bewust een aanvechtbare keus te doen, als ik de Zutphense gieter Segewin Haitisern wel als een leerling van Van Wou wil beschouwen, daar wij van deze gieter in dit verband alleen met zekerheid weten, dat hij in de tijd van Geert van Wou sr. te Kampen woonachtig was. Wat de verwanten van Van Wou betreft, de gelijkluidende achternaam en het beroep van Willem, Arndt en Peter van Wou zijn toch wel zo frappant, dat ik er goed aan meende te doen deze gieters als mogelijke familieleden van de meester te bespreken, hoewel genealogisch het bewijs niet te leveren bleek te zijn.

Segewin Haitisern (Hatiseren)

De naam van deze meester komen wij voor het eerst in het Kamper archief tegen. In het jaar 1507 wordt namelijk Segewin Haitisern als lid van het Kamper St. Cunera memorie ingeschreven.18 [18. G.A. Kampen, St.-Cuneramemorie, fol. 38 verso.] Aangezien zijn oudst-gedateerde

|pag. 126|

_______________↑_______________

klok uit het jaar 1512 stamt, zullen wij wel mogen aannemen dat Haitisern aanvankelijk in dienst van Geert van Wou is geweest, de grote analogie tussen sommige reliëfs op de klokken van beide meesters versterken dit vermoeden.
Kort nadat Haitisern als lid van het Kamper St. Cuneramemorie ingeschreven werd, namelijk op 26 december 1508, benoemde hertog Karel van Gelre „Segewalt Hartyseren”, zoals hij in het betreffende stuk wordt genoemd, tot zijn officiële geschutgieter „om onsen buyssen, groit ind cleyn, woe ons dat believen sall, op onsen anghst ind kost tot gyeten ind voert beret tot maken…” Andere voorwaarden, waarop hij door de hertog in dienst genomen werd, waren de volgende: Haitisern zou een jaarlijks salaris van 100 enckele gulden ontvangen en ter tegemoetkoming van hem en zijn vrouw in hun levensonderhoud 40 zilveren gulden. Voorts zou hij elk jaar twee nieuwe kledingstukken ontvangen „van onse divisien”.19 [19. R.A. Gelderland. Hert. Archief voorl. no. 15, fol. 122 verso.
Afschrift bij Nijhoff, o.c., deel 6, eerste stuk, No 634.]
Dit laatste zal wel betekend hebben dat Mr. Segewin een soort uniform moest dragen. Ongewoon was dit stellig niet. Toen Jan Tolhuis in 1541 door de stad Utrecht als klok- en geschutgieter werd aangesteld, luidde een van de voorwaarden „ende sel oick noch gecleet worden, in manieren als dezer stede deurweerders gecleet worden, als sy buyten deser stadt in stadszaken reysen”.20 [20. C.N. Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten, o.c., blz. 191.] De hertog zou verder Haitisern een plaats aanwijzen, waar hij moest wonen, maar daar zou hij dan ook een vrij huis hebben.
Mocht de vorst tijdelijk van zijn dienst geen gebruik willen maken, dan kreeg Mr. Segewin het recht geschut en andere zaken (en hierbij zullen wij wel in de eerste plaats aan klokken moeten denken) voor eigen risico te vervaardigen en te verkopen. Deze voorwaarden herinneren sterk aan die, welke gesteld werden bij de benoeming van Jan Tolhuis in Utrecht.
Waarschijnlijk kan men Haitisern als geschutgieter van Hertog Karel min of meer als de opvolger van Geert van Wou beschouwen. Wij hebben al gelezen, dat deze laatstgenoemde voor het uitbreken van de Bourgondisch-Gelderse oorlog een der belangrijkste wapenleveranciers van de hertog van Gelre was, maar dat Mr. Geert bij het uitbreken van deze oorlog de leveranties, althans officieel, moest stopzetten.21 [21. Zie blz. 88.] De goede ervaringen, die Gelre’s Heer ongetwijfeld met het geschut van Van Wou heeft gehad, moeten het Karel aanlokkelijk hebben gemaakt als zijn officiële geschutgieter een meester aan te stellen, die het ambacht bij Mr. Geert van Wou had geleerd.
Waarschijnlijk heeft de hertog zijn nieuwe geschutgieter Zutphen als woonplaats aangewezen. In 1515 betaalde de Overrentmeester van deze stad gelden uit aan „Mr. Segewin Haitiseren” omdat hij gewerkt had aan „een nyen bussen” en om „tot Deventer drait te koepen doe men die nye slange laestmals solde laten gieten…”22 [22. G.A. Zutphen, Overrentmeesterrekening 1515, Inv. No 1088, fol. 23 verso.] In 1516 kopen te Zutphen Mr. Segewin en Mense zijn vrouw een los-erfrente, die „meester Segewin Haitisern, Lysbeth syn echte huys-

|pag. 127|

_______________↑_______________

frou en Joanna syn dochter” in 1537 weer verkopen.23 [23. D.W. Wittop Koning jr., De klokkengieters Segewin en Frans Hatiseren, in: Oud-Holland, Tweemaandelijksch Tijdschrift voor Nederlandsche Kunstgeschiedenis, Jaargang LIX, afl. I—VI (1942), blz. 54.] Uit deze stukken blijkt dat Haitisern minstens tweemaal getrouwd geweest moet zijn.
Blijkens het Burgerboek van Zutphen werd Mr. Segewin in 1517 als burger van deze stad ingeschreven.24 [24. Idem, blz. 54.] Het toevoegsel „twz tot blyven” is niet geheel duidelijk. Misschien hield dit verband met zijn bijzondere positie als geschutgieter van hertog Karel, die het recht had hem over te plaatsen, wanneer hij wilde en garandeerde men hem in Zutphen het behoud van het burgerrecht, ook wanneer de hertog hem een andere woonplaats aanwees. Alles wijst er echter op, dat Haitisern zijn gehele verdere leven te Zutphen woonachtig is geweest. Hij bezat er ook huizen en moet een vermogend man zijn geweest.
Uit twee akten, respectievelijk gedateerd 7 februari 1526 en 13 februari 1537, blijkt, dat hij in de Kuiperstraat woonde.25 [25. Idem, blz. 54.]
In het Zutphense archief bevindt zich een eigenhandig geschreven brief van Haitisern, die op 1 juni 1537 aan de secretaris van Wezel, Herman Broyel werd geschreven.26 [26. Gepubliceerd door W.E. Smelt, Een originele brief van Segewin Hatyser, in: Bijdragen en Mededeelingen Gelre, deel XXXVIII (1935), blz. 313 en 314.] Uit deze brief blijkt, dat een overleden broer van deze Herman Broyel, Johan genaamd, bij Haitisern in de leer was geweest en dat de Wezelse secretaris meende dat Haitisern deze broer nog veel geld schuldig was voor geleverde klokspijs en verdiend loon. Haitisern bestreed deze vordering. Hij ontkende niet, dat hij van de overleden Johan 2.200 pond klokspijs had gekocht (vermoedelijk bestemd voor een door hem in 1537 te Wezel gegoten klok), maar betoogde, dat hij op 5 Philipsgulden en 23 brabantse stuivers na, deze klokspijs geheel had betaald. Het restant wilde hij gaarne aan Herman Broyel overmaken, want hij was een eerlijk man. Maar Haitisern ontkende ten sterkste, dat hij wijlen Johan Broyel nog loon schuldig zou zijn. Hij had deze Johan voor het tijdvak van 6 jaar in dienst genomen, toen deze nog een jongen was en alleen enige opleiding had genoten bij (de klokgieter) Johan Fresen te Osnabrück. Toen hij wat profijt van de knaap kreeg, had het jongmens valse sleutels laten maken van de kasten, waarin Haitisern zijn maten en tekeningen bewaarde. Daarna had Johan met allerlei gemene middelen getracht van de klokgieter af te komen en ten slotte zijn ontslag genomen, hoewel hij nog twee jaar bij hem in dienst moest blijven.
Mr. Segewinus verklaart verder in deze brief dat, indien Johan behoorlijk zijn tijd bij hem had uitgediend, hij stellig en met liefde zijn leerling alle maten van klokken en geschut zou hebben meegedeeld. Het speet hem genoeg, dat de zaken nu zo gelopen waren.
Deze brief leert ons iets over de verhouding meester-leerling in de l6de-eeuwse klokgieterswereld. De leertijd duurde minstens zes jaar en het was gebruikelijk,

|pag. 128|

_______________↑_______________

dat na afloop daarvan de leerling op de hoogte was van de door zijn leermeester gebruikte maten en berekeningen, die als een kostbaar geheim door de meester achter slot en grendel werden bewaard.
Het is moeilijk uit deze brief op te maken, hoeveel een leerling verdiende.
Herman Broyel pretendeerde, dat Haitisern zijn overleden broer nog 6 Philipsgulden loon schuldig was gebleven. Misschien had de Zutphense klokgieter geweigerd Johan zijn loon over het afgelopen jaar uit te betalen, aangezien hij binnen de af gesproken termijn was weggelopen.
Mr. Segewin moet tussen 1540 en 1547 gestorven zijn. Op 10 december 1540 verkopen Derrek Wessel, gehuwd met Grieteke, Mr. Zegewyn Haitisern, gehuwd met Lysken, nog een huis in de Kuiperstraat,27 [27. Wittop Koning, o.c., blz. 54.] maar in 1547 wordt gesproken van „Lyesken naegelaten weduwe zelige meister Zegewyn Haitysern, Thoenis oer soen ind Mense oer dochter…”28 [28. Idem, blz. 54.] Ook blijken er in dit laatstgenoemde jaar nog twee onmondige kinderen, Guede en Johan, in leven te zijn.29 [29. Idem, blz. 54.]
De achternaam van Haitiserns eerste vrouw Mense bleek niet te achterhalen te zijn, de veronderstelling, dat zij een dochter was van Geert van Wou van Kampen, blijkt niet uit de door mij opgestelde genealogie van het geslacht Van Wou. De mogelijkheid blijft echter bestaan; in 1532 woonden er immers erfgenamen van Mr. Geert te Zutphen.30 [30. Zie blz. 96.] Zijn tweede vrouw zal van zich zelf Wessels hebben geheten. Een van de dochters van Haitisern, Mense, trouwde naar alle waarschijnlijkheid omstreeks 1560 met de Deventer klok en geschutgieter Willem Wegewaert.31 [31. M.M. Doornink-Hoogenraad, Deventer klokgieters en hun gieterij, o.c., blz. 88.] Zijn zoon Thoenis werd potgieter en verwierf eveneens in 1560 het burgerrecht van Deventer.32 [32. Wittop Koning, o.c., blz. 54.] De klokgietersgeschiedenis kent ook nog een Frans Haitisern, die misschien een neef van Mr. Segewin was.33 [33. Idem, blz. 54/55.]
Hoe lang Haitisern geschutgieter van Karel van Gelre is geweest, kan moeilijk meer nagegaan worden. Hij was het in ieder geval nog in 1522, want toen schreef zijn vrouw aan de hertog, die haar man naar Zwolle had ontboden, dat de meester niet direct kon komen, daar hij bezig was, om twee grote klokken voor Varsseveld te gieten. Zij verzoekt dan ook om uitstel.34 [34. R.A. Gelderland, Archief Hertog Karel, Inv. Losse stukken reg. No. 884] Blijkens een post in de stadsrekeningen was hij in die tijd wel degelijk te Zwolle werkzaam: Item gegeven M. Segewyn den bussengeter an synen verdenst, facit 148 rgl en 20 st…35 [35. F.A. Hoefer, Mededeelingen omtrent het Zwolsche geschut, o.c., blz. 66.]
Het aantal klokken dat Haitisern heeft gegoten, is niet groot. Zijn geld zal hij hoofdzakelijk met het gieten van geschut hebben verdiend.

|pag. 129|

_______________↑_______________

DE VERWANTEN VAN GEERT VAN WOU

Willem van Wou van Utrecht
Bij de bespreking van Geert van Wou’s activiteit in Utrecht, maakte ik reeds terloops melding van een klokgieter Willem van Wou die in 1504 in laatstgenoemde stad werkzaam was.36 [36. Zie blz. 87.] Aangezien de vermoedelijke vader van Geert van Wou eveneens Willem heette, maar in Nijmegen woonde, zullen wij deze klokgieter gemakshalve Willem van Wou van Utrecht noemen. Identiek met de Nijmeegse klokgieter kan hij niet zijn, deze stierf in 1461. Welke familierelatie er heeft bestaan tussen de Utrechtse Willem van Wou en Geert van Wou van Kampen, heb ik helaas niet kunnen ontdekken. Genealogisch staat wel vast, dat het in de 16de eeuw in het geslacht Van Wou gebruikelijk was de oudste zoon Willem te noemen. Ik vermoed, dat dit op een 15de-eeuwse traditie in de familie terugging. Mogelijk is deze Willem van Wou van Utrecht dus een oudere broer van Geert geweest en genoemd naar de vader, de Nijmeegse Van Wou. Misschien was het echter een neef. Wanneer deze Willem van Wou van Utrecht sterft, laat hij nog minderjarige kinderen na, zodat het vermoeden bestaat, dat hij op middelbare leeftijd is overleden.
Het is zeker dat deze Willem van Wou niet zijn hele leven in Utrecht heeft gesleten. Op „Des Manendags na Magdalena (= 22 juli) 1503 vermeldt het Raads-dagelijks boek van Utrecht, dat Willem van Wou, klokgieter van Zwolle, tussen deze datum en beloken Pinksteren a.s. (12 juni 1503) burger van de stad zal worden.37 [37. G.A. Utrecht, ’s Raads Dagelijks Boek 1503, blz. 148 recto.] Omstreeks het jaar 1503 zal deze Willem van Wou dus van Zwolle naar Utrecht zijn verhuisd. In het Zwolse archief werden geen stukken aangetroffen, die op deze gieter betrekking hebben, maar de korte afstand van Zwolle naar Kampen versterkt toch wel het vermoeden, dat er familierelatie bestond tussen deze Van Wou en Mr. Geert van Kampen.
Op 6 mei 1504 staat de Utrechtse raad toe, dat deze Willem van Wou het singel zal mogen gebruiken om zijn klokken te gieten 38 [38. Idem, blz. 165 verso.] en de verhuizing zal vóór 26 oktober hebben plaats gevonden, want op die datum geeft het Utrechtse stadsbestuur een verklaring af, dat drie ossen, een vet varken, benevens een oude klok, die door de schipper Claes Jan Broers van Zwol te Hasselt waren ingescheept en door de kastelein van Muiden werden vastgehouden, aan hun burger Willem van Wou toebehoorden en dat hij daarmede „die Gelresche niet provianderen en zei”.39 [39. G.A. Utrecht, Certificaat d.d. 26 oktober 1504. Cat. archief Utrecht I, No 22, fol. 10 verso.]
In december van ditzelfde jaar schonk de raad onze klokgieter 6 gulden vanwege de onkosten, die hij had gemaakt om zijn „clockoeven” te verplaatsen.40 [40. G.A. Utrecht, Rekeningen 2° kameraar 1504/05; Cat. archief Utrecht I, No 626, blz. 12 verso.]

|pag. 130|
_______________↑_______________

Voor de veronderstelling, dat deze Willem van Wou vóór zijn komst naar Utrecht, aanvankelijk in het oosten van ons land werkzaam was, pleit ook dat zijn oudst bekende klokken, gegoten in het jaar 1502, in de nederlandse hervormde kerk te Zuidwolde in Drente hangen.
Willem van Wou zal vóór 26 augustus 1510 gestorven zijn. Op die datum werden voogden aangesteld over zijn minderjarige kinderen, die helaas niet met name genoemd worden.41 [41. G.A. Utrecht, ’s Raads Dagelijks Boek 1510, fol. 146.]
In de provincie Utrecht hangen nog verscheidene klokken van deze gieter.
Volgens de fabrieksrekening van het kapittel van St. Jan 1504/1505 leverde Willem van Wou, waarschijnlijk nog in het jaar 1504, een accoord van 5 klokken, tezamen wegende 1.442 pond en 10 pannen (lagers) tezamen 41 pond zwaar. Hiervoor ontving hij twee oude klokken, tezamen 601 pond en een totaal bedrag van 157 rijnse guldens en 6 wit voor de arbeid, de levering van de spijs, het stemmen, wegen enz. Mr. Heinrick de busmaker, die wij wel zullen mogen identificeren met de latere Utrechtse klok- en geschutgieter Mr. Hendrick de Borch, leverde de klepels, het ijzerwerk en de hoofden (= luidassen) voor de klokken.42 [42. C.N. Fehrmann, De Utrechtse klokgieters en hun verwanten, o.c., blz. 255.] Deze zelfde Mr. Heinrick bussemaker trad met Herman van Werchoven als borg op, toen de Utrechtse raad in het jaar 1503 Willem van Wou het burgerrecht toezegde.
Een zoon van deze Willem van Wou zal Henricus Wouw zijn geweest, die in 1522 als erfgenaam van Willem wordt genoemd.43 [43. Idem, blz. 181.] Ook deze was klokgieter, maar klokken van een Henricus van Wou zijn tot nu toe nimmer gesignaleerd.
Mogelijk waren ook Peter en Aernt (Arnt, Arend) van Wou, die omstreeks 1508 te Groningen werkzaam waren, zonen van deze Utrechtse gieter.

Arnt (Aernt, Arend) van Wou
De naam van deze gieter komt op een aantal klokken voor, die hoofdzakelijk in het noorden van Nederland en Duitsland hangen. Wij troffen hem reeds in 1506 als compagnon van Johannes Schonenborch aan bij het gieten van een klok voor Husum in Sleeswijk.44 [44. Zie blz. 123.] Een bewijs, dat hij ook relaties met Kampen had.
Arnt van Wou moet in Groningen hebben gewoond, want op 31 maart 1509 ontving meester Arent van Wou, bussengieter te Groningen, het restant van zijn vordering, groot 20 rijnse guldens, voor het gieten van negen slangen, die hij voor de stad Emden gegoten had.45 [45. F. Ritter, Zur Erinnerung an den Tot Herzog Heinrichs von Braunschweig vor Lehrort am 23. Juni 1514, in: Upstalsboomblätter IV, Jahrgang, blz. 6.] Evenals Geert van Wou, was hij dus ook geschutgieter. Maar dit is helaas ook alles wat wij van hem weten. Zijn laatst-bekende klok hangt in Stiens (F.) en draagt het jaartal 1509. Een klok uit 1518, die te Nicholaston (Wales) hangt, wordt misschien ten onrechte aan hem toegeschreven.

|pag. 131|

_______________↑_______________

Peter van Wou
Van deze gieter weten wij alleen dat hij in 1513, tezamen met Arent van Wou, geschut aan de stad Emden leverde.46 [46. Ritter, o.c., blz. 6.] Waarschijnlijk woonde hij ook in Groningen en was Arent zijn broeder. Hij is vermoedelijk alleen geschutgieter geweest, want klokken zijn niet van hem bekend.

|pag. 132|

_______________↑_______________

 
– Fehrmann, C.N. (1967). De Kamper klokgieters, hun naaste verwanten en leerlingen. (Proefschrift Universiteit van Amsterdam, Amsterdam). Kampen: Kok.

Category(s): Niet gecategoriseerd

Comments are closed.