Kamper Stedelijke Ambtenaren. Namen en Aanstellingsvoorwaarden 1538-1697

KAMPER STEDELIJKE AMBTENAREN

NAMEN EN AANSTELLINGSVOORWAARDEN

1538-1697

Kamper genealogische en historische bronnen deel 14

Uitgegeven met medewerking van het archief der gemeente Kampen

1995

[Blanco]

Inleiding

Transscripties van oude archiefstukken (registers, charters, brieven) zijn voor hen die de bronnen bestuderen met een wetenschappelijk doel, van veel nut, want de teksten kunnen dan ook buiten het archief gelezen worden. Men moet er echter wel zeker van zijn dat het werk door een deskundig transscribent is verricht. Voor hen die het oude schrift niet kunnen lezen en het middel-Nederlands niet beheersen, kan een bewerking van oude archiefbescheiden in de vorm van regesten, goed of zelfs beter bruikbaar zijn. Vooral genealogen, waartoe ik ook mijzelf reken, maken veel gebruik van bronnenbewerkingen.
Het leek mij daarom nuttig, mede omdat het veel tijd zou besparen, van het register dat ik op een bepaald moment onder ogen kreeg en waarin ik veel interessante gegevens aantrof, een voor iedereen te begrijpen bewerking te maken. Het betreft inventaris nummer 306 van het oud-archief van Kampen, dat bekend staat onder de naam Ordinarius Antiquus ac Conditionis Officiatorum. De ordinarius, zoals ik het registers maar zal noemen, bevat voornamelijk de namen en aanstellingsvoorwaarden van Kamper stedelijke ambtenaren uit de periode 1539-1697. Maar ook een aantal raadsbesluiten met betrekking tot die ambtenaren, enkele aantekeningen die verband houden met de rechtspraak, inventarislijsten van de Sint-Nicolaaskerk en de wedeme (pastorie), een lijst van dijkplichtigen en nog wat verspreid staande aantekeningen over andere zaken zijn in de ordinarius opgenomen.

Enkele tekstgedeelten zijn al eerder gepubliceerd. Zo gaf W. Jappe Alberts in 1961 een tekstdeel uit dat kan worden beschouwd als een agenda voor de Raad (zie bladzijde 1 noot 1). Van dit tekstdeel heb ik slechts de eerste regels van iedere folio opgenomen. Mr. J. Nanninga üitterdijk, de toenmalige archivaris van de gemeente Kampen, publiceerde in 1875 een transscriptie van de inventarislijst van de Sint-Nicolaaskerk 1 [1. Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, tweede deel, (Zwolle, 1875), blz. 30-42.]. De tekst van dit gedeelte heb ik geheel bewerkt (zie bladzijde 98-102). Verder heeft Nanninga üitterdijk, al dan niet samen met mr. J.I. van Doorninck, de ordinarius gebruikt voor het samenstellen van zijn naamlijsten van Kamper secretarissen, voorspraken, artsen, apothekers, vroedvrouwen, chirurgen, scherprechters en Franse schoolmeesters2 [2. Zie: Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, 14 delen (Zwolle, 1874-1907)].

De ordinarius bestaat uit een aantal oorspronkelijke (16e eeuwse) folio’s, genummerd in romeinse cijfers, waaraan een groot aantal later tussen- en bijgebonden bladen en blaadjes zijn toegevoegd.
Op bladzijde 10 van de bewerking begint de oorspronkelijke

___↓___


|pag. b|

inhoudsopgave met een verwijzing naar de oorspronkelijke folio’s.
Zonder de romeinse cijfers door te halen, is later de gehele ordinarius in arabische cijfers hernummerd. Tussen haakjes heb ik beide nummeringen aangegeven.

Het hoofdonderwerp van de ordinarius is dus de aanneming van stedelijke ambtenaren.
In de regel werden de ambtenaren aangenomen door een commissie van twee of meer raadsleden. Als het een belangrijke functie betrof, werd met de gegadigde of met de door de Raad aangezochte persoon onderhandeld over het salaris en de arbeidsvoorwaarden.
De commissie bracht daarna aan de Raad verslag uit, waarna dat college besliste over de aanstelling. Voor minder belangrijke functies werden geen onderhandelingen gevoerd. Er werd slechts verwezen naar het loon en de voorwaarden van de voorganger van de aangestelde.
Hoewel het uit de ordinarius niet blijkt, werd wel degelijk naar stedelijke functies gesolliciteerd. Dat blijkt uit de sententieregisters3 [3. Rechterlijk Archief Kampen, inv.nrs. 29-51 (1523-1811).], waarin dikwijls staat vermeld dat bepaalde personen op hun verzoek werden voorzien met een stedelijk ambt.
Aanzienlijke personen, ook van buiten Kampen, vroegen soms aan de Raad om een baantje voor hun gunstelingen. Zo vroeg in 1580 de Sallandse drost Eggerich Ripperda aan de Raad om de eerst vrijkomende roedendragersplaats te geven aan zijn dienaar.
Als een stedelijke ambtenaar ontslag kreeg, werd hem dat door de Raad aangezegd. Als het ontslag het gevolg was van wangedrag of wanprestatie, dan waren daar meestal wel enkele waarschuwingen aan vooraf gegaan. Op voorspraak van ‘goede lieden’ of na een deemoedig verzoek van de ontslagene, werd deze soms weer aangenomen. Hij moest dan beterschap beloven. Wel werd hem op het hart gedrukt dat een volgende ontslagaanzegging niet weer zou worden ingetrokken.
Loonsverhoging of -verlaging waren zaken waarover de Raad besliste. In tijden van oorlog of voedselschaarste werden de lonen wel eens aangepast.
In de regel werden contracten in eerste instantie aangegaan voor een bepaalde tijd. Later werd aan een ambtenaar soms een contract voor het leven aangeboden. Als de Raad erg edelmoedig was of als de gegadigde voor een functie daar uitdrukkelijk om verzocht, werd soms een plaats in het gasthuis in het vooruitzicht gesteld voor het geval iemand door ziekte of ouderdom zijn taak niet meer kon uitvoeren.
Door gewijzigde omstandigheden verdwenen een aantal functies.
Toen de stad geen harnassen meer bezat, verviel de functie van stadsharnasmaker. Zo vervielen ook de functies van armbostier of boogmaker en die van bussenschut. Natuurlijk kwamen er ook functies bij.

Achter in dit boek heb ik registers op persoons- en zaaknamen opgenomen. Niet alle personen die in het originele boek voorkomen, heb ik in de bewerking met namen genoemd. Zo leek het

___↓___


|pag. c|

mij niet zinvol om de namen van de commissieleden te vermelden.
Zij waren zonder uitzondering leden van de Raad en van dat college is een nauwkeurige lijst van namen en functiejaren afgedrukt in het boek Van Raad tot Municipaliteit4 [4. K. Schilder, Van Raad tot Municipaliteit (Kampen, 1985).]. Ook vond ik het niet nodig om in het zaken- en beroepenregister de functies van burgemeester, schepen, cameraar en rentmeester op te nemen.
Deze functies komen erg vaak voor en werden ook uitgeoefend door leden van de Raad. Bij de commissieleden heb ik een uitzondering gemaakt voor hen die belast waren met het aannemen van predikanten. In de eerste jaren na de Reformatie, toen de Raad nog katholieke en protestantse leden had, kan uit het zitting hebben in een dergelijke commissie misschien iemands religie of gezindheid worden afgeleid. Ook als een aantekening niet gedateerd bleek te zijn, heb ik de namen van de commissieleden vermeld.

Mijn dank gaat uit naar mr. C. van Heel, de provinciale archieveninspecteur van Overijssel, die een afschrift van een in het latijn gestelde brief tot een regest terugbracht, en naar de Kamper archivaris drs. J. Grooten en zijn medewerkers drs. D. Haze en drs. Th.M. van Mierlo, die altijd bereid waren mij met raad bij te staan.

Kampen, november 1994.                    K. Schilder
[blanco]

_↓_


|pag. 1|

OUD ARCHIEF KAMPEN, Inventaris nummer 306

[Titelblad]
Ordinarius Campensis ac Conditiones Officiatorum.

Bona verba quaso iratia.

[Binnenschutblad, beschadigd].
….inter cesaream maiestatem et regem Gallie, anno XXXVIII conclusam
…e, et exultate quia modo, cessante bello, pax descendit de relis
amicus aquile, canete vobis volucres.

Hoc tempore dux Gelrie a filio suo captus fuit.
Deciam in conspectum altissimi.

Hoc tempore Carolus dux Gelrie natus fuit.
Ecce patet natus Carulus princeps nominatus.

Hoc tempore Ffranciscus rex Ffrancie a cesare captus fuit.
Aquila conculcavit lilium
Depare inter imperatorem et
regem Francie celebrata anno ut supra
Psalmus
Ecce principes tui congregati sunt, et convenerunt in unum.

[Aantekening over markten te Kampen; uit het midden van de 16e eeuw]
Paarden- en veemarkten twee keer per jaar. n.1. op de maandag voor Palmdag en op Mathaeusavond, wezende 20 september oude stijl.
De drie ossenmarkten houdt men op de eerste drie maandagen na Michaelis, zoals van ouds.
Leermarkten houdt men op maandag voor midvasten, op 18 juni, op 26 augustus en op 5 november.

‘Up avende Agneti gifft men den doctoren ende
… den rentemeisters gelinck den schepenen elix 1 take wijns’.

[Fol.1 Begint met: 5 [5. Op Fol.1 begint de Ordinarius oppidi Campensis, uitgegeven in de serie: Fontes minores medii aevi, XII, De ordinarii van Kampen uit de 15de en léde eeuw, door W. Jappe Alberts (Groningen, 1961).
Getranscribeerd zijn – volgens Alberts – de volgende folio’s.
1r, 1v, 2r, 2v, 3r, 3v, 4r, 4v, 5r, 5v, 6r, 6v, 7r, 7v, 8r.
Hij heeft zich vergist, want folio 2r van Alberts is in het oorspronkelijke register Fol.3r, Fol.3r is Fol.4r, etc. Idem zijn de verso zijden van genoemde folio’s door Alberts verkeerd genummerd.
De folio’s 2r, 2v en 2a bevatten aantekeningen in het originele register die niet door Alberts zijn opgenomen.]
‘Ordinarius oppidi Campensis ….

[Fol.1v Begint met:] ‘Item etlicke daghen voer meye ….
[Het vervolg staat op fol.3]

[Fol.2]
09.12.15.., De Raad heeft met algemene stemmen besloten om voortaan de wijnheren de bijzitterspensie te laten betalen. Bijzitters bij het verhuren van accijnsen, stadslanden, visserijen, etc., maar ook bij het verkopen van huizen en erven.

_↓_


|pag. 2|

[Beschadigde bladzijde]
[In de marge]: 16.03.1592, De Raad heeft besloten dat secretarissen en anderen hun niet verteerde wijn in geld kunnen opnemen.

18.02.1559, De Raad heeft besloten om wanneer twee schepenen met een secretaris in huizen van burgers of inwoners binnen de muren een inventaris moeten maken, zij een take wijn moeten hebben. Als zij inventariseren buiten de muren, dan moeten zij 2 taken hebben. Voor het verbreken van zegels idem een en twee taken. Dienaars die er bij betrokken zijn, moeten een mengele hebben binnen de muren en een quarte buiten de muren.

[Fol.2v]
15.10.[ca.1587], De Raad heeft besloten dat men de wijn zoals hierboven vermeld is, zal betalen volgens de wijnprijs van 1586.

06.08.1562, Als iemand voor de Lage Bank wordt gedaagd vanwege de stad, en niet compareert om de beschuldiging aan te horen die de burgemeesters op hem hebben, zal hij direct op zijn koer [boete] gezet worden.

28.11.1587, De Raad heeft besloten, omdat men vroeger grote kosten maakte als de cameraars en rentmeesters hun rekenschap aflegden, dat men nu de raadsleden en secretarissen een quarte wijn zal geven als zij op de raadskamer de rekening afhoren.

[Fol.2a]
29.11.1561, De Raad heeft besloten om ieder jaar in mei zorg te dragen dat de paalmeester in Amsterdam een of twee steuren krijgt. De Amsterdamse paalmeesters noteren de goederen die aan onze burgers toebehoren en in vreemde schepen verscheept worden en geven daarvan onze tollenaar bericht.
Deze kan zich daarnaar reguleren; onze burgers zijn in Amsterdam vrij van paalgeld betaling, maar in Kampen niet.

[Vervolg van fol.lv]
[Fol.3 Begint met:] ‘Wanneer enighe parthijen den papegoye schieten ….

[Fol.3v Begint met:] ‘Sacramenti. Op des hilligen Sacrament dach ……

[Fol.4 Begint met:] ‘Exaltationis Sancte Crucis. Soe holdt men ……..

[Fol.4v Begint met:] ‘Omnium Santorum. Des daghes na ……..

[Fol.5 Begint met:] ‘Item op Unser Liever Vrouwen dach ……

[Fol.5v Begint met:] ‘Drie conynghen dach. Des sonnendages voer …..

[Fol.6 Begint met:] ‘Item, scepenen ende raede, met beyde gemeenten ….
[In de marge staat] ‘Ende als die selve koermeisters oiren eedt gedaen hebben, salmen hem voerlesen een artyckel staende in keiserlijcke maiesteits mandement, int IIIIe blat, gepubliceert op sondach Reminiscere anno XLI. Ende is gedruckt, vermeldende dat geene suspecte persoenen van heresie offt abuijse inden raede sitten sullen. Ende oick geregistreert in ff. fol.CXVII’6 [6. Vergelijk Alberts, noot 15, met een foute transcriptie.].

[Fol.6v Begint met:] ‘Item voert laten de koermeysters …

[Fol.7 begint met:] ‘Opten anderden sonnendach na ……

[Fol.7v Begint met:] ‘Conversionis Sancti Pauli. Item omtrent ……

_↓_


|pag. 3|


[Fol.8 Begint met:] ‘Item alsdan verspreect men mede …

[Fol.8v Begint met:] ‘Item de burgermeysters indertijt ……

[Fol.9 Begint met:] ‘….. is, bij XL lb., ter stadt …….

[Fol.9v]
19.10.1555, De Raad bepaalt met algemene stemmen dat raadsleden die zonder consent van de burgemeesters indertijd absent blijven als zij ‘verbood’ [opgeroepen] zijn, een quarte wijn zullen hebben verbeurd. Zij moeten de waarde van die wijn zoals die dan geldt, aan geld in de bus doen. Als zij te laat op een vergadering komen, hebben zij een mengelen wijn verbeurd. Ook de waarde daarvan moeten zij in de bus doen. Dit geldt ook voor de secretarissen.

28.02.1556, De Raad bepaalt dat een raadslid of een secretaris die zonder consent afwezig is bij een processie om de stad, een take wijn zal verbeuren en bij een processie om het kerkhof een quarte wijn. [In de marge staat:] ‘Is veranderd zoals te zien in het vierde volgende blad, aan de onderzijde’

26.10.1557, De Raad heeft besloten om geen uitheemse personen voor burgers aan te nemen of zij moeten eerst een bewijs van goed gedrag overleggen, dat is afgegeven in de plaats waar zij eerst hebben gewoond.

[Fol.10]
Ordonnantie van de brand.
06.10.1558, Bij brand moeten schepenen, raden, secretarissen en roedendragers bijeenkomen bij het schepenhuis, om te beraadslagen wat men te doen heeft en om te zorgen dat muiterij voorkomen wordt. Alleen zij die direct door de brand getroffen worden, mogen wegblijven.
Er worden vier sleutels gemaakt van de opslagplaats van de brandemmers, -haken en -ladders. Deze oplagplaats bevindt zich achter het schepenhuis aan de stadsmuur. De twee burgemeesters inder tijd en de beide wachtmeesters krijgen die sleutels in bewaring.

Er is tevens bepaald dat de aftredende burgemeesters de nieuwe burgemeesters de sleutels van de kisten waarin de poortsleutels liggen, moeten laten thuisbezorgen. Ook de sleutels van de opslagplaats van brandladders, etc., moeten zij hen laten bezorgen.

[Fol.10v]
08.05.1559, Tot op heden was het de gewoonte binnen Kampen om tijdens de acht dagen vóór en de acht dagen na de vier hoogtijden geen eden af te nemen.
Hierdoor werden in- en uitheemse partijen tijdens hun rechtszaken gehinderd. Ook werden scheeps- en tolbrieven niet onder ede ontvangen, tot bezwaar van de handel.
Nu heeft de Raad besloten dat men voortaan in genoemde perioden wel mag zweren op scheeps- en tolbrieven en bij het afnemen van getuigenissen in rechtszaken, doch alleen als het dringende zaken betreft. De acht dagen vóór de hoogtijd van Pasen blijven echter uitgezonderd voor het doen van eden.

10.06.1561, Op bevel van de Raad is aan Jan Petersz, de zoon van Peter Cock, de wachtdienst in de poort Boven opgezegd.

[Fol.11] Lijst van dagen waarop de processies worden gehouden vanuit de Sint- Nicolaaskerk, waarin door schepenen en raden moet worden meegelopen.
Kerstdag, Drie Koningendag, Onze-Lieve-Vrouwe-Lichtmisdag, Aswoensdag, Zondag Reminiscere, Onze-Lieve-Vrouwe-Annunciationisdag, Palmzondag, Paasdag, Sint-Marcusdag, Heilig-Kruis-Inventionisdag, De drie kruisdagen, Hemelvaartsdag, Pinksterdag, Op de dinsdag na Pinksteren, Kermisdag, Tevens op die dag ’s avonds, Ook op de morgen daarna, Heilig-Sacramentsdag, Zondag octave Trinitatis, Dag van de octave van het Heilig-Sacrament, Sint-Lebuinusdag, Onze-Lieve-Vrouwe-Visitationisdag, Onze-Lieve Vrouwe-Assumptionis, De drie vrijdagen voor Sint-

_↓_


|pag. 4|


Jacobsdag, Onze-Lieve-Vrouwe-Nativitatis, Heilig-Kruis-Exaltationisdag, Des avonds op Sint-Michielsdag, Sint-Jeronimusdag, Aller-Heiligendag, Ook op die dag des avonds, Aller-Zielendag, Sint-Maartensdag, Zondag voor Sint-Catharinadag (dan is er kermis bij de Sint-Nicolaaskerk), Sint-Nicolaasdag, Onze-Lieve-Vrouwe-Conceptionisdag. [Bijgeschreven:] Nota. Sint-Elizabethsdag, ut in folio ab hinc tertio.

[Fol.11v]
Processies vanuit de minderbroederskerk.
Op de vierde zondag na Paaskermis en op Sint-Franciscusdag.

Op 28.01.1561 is op voorspraak van E. Henrick de Wolfsz aan Johan Luitgensz toegezegd dat de eerstvolgende vacante plaats van roedendrager, wachtmeester of een andere functie waarvoor hij geschikt zal worden bevonden, aan hem zal worden gegeven. Intussen moet Johan op eigen kosten naar Antwerpen of een andere plaats reizen om daar bij een bekwame pasteienbakker het pasteibakken en het koksvak te leren.
De E. Henrick de Wolfsz staat als borg voor Johan in.

[Fol.12]
09.03.1560, Gecommiteerden uit de Raad die de fuiken van de Ensers en Emmeloorders moeten weghalen.
Als gecommiteerden van de Raad en een secretaris worden uitgezonden om de netten en fuiken van Ensers en Emmeloorders weg te halen van plaatsen waar zij niet mogen vissen, zullen zij zowel in de zomer als in de winter een heren pond als vergoeding krijgen. De grens van het Kamper water ligt op een gemiddelde waterdiepte van 3½ el. Alle fuiken en netten die in water staan dat minder diep is, worden weggehaald en meegenomen. Stadsdienaars die moeten assisteren, krijgen per dag een quarte wijn. Er moet zoveel voedsel worden meegenomen dat allen, inclusief de piloten en tremekers [roeiers/scheepshulpen], voldoende te eten hebben. In elk schip dat uitgezonden wordt, zal men twee taken wijn en een vierendeel tienplakkenbier meenemen.
Alle fuiken en netten die weggehaald worden, moeten door de stadsdienaars worden schoongespoeld en opgeslagen tot profijt van de stad. De cameraars en rentmeesters moeten aantekening houden van het aantal fuiken en netten dat gedurende hun ambtsjaar in beslag is genomen. Zij mogen er niets van weggeven.

10.09.1562, De Raad heeft besloten dat men voortaan naar alle partijen die door de Lage Bank inzake panden, bieden, dagleggen of andere zaken tot een boetebetaling zijn veroordeeld, onmiddelijk een gerichtsdienaar zal zenden om geld of panden te eisen. Als er geen geld of panden te verkrijgen zijn, zal men de veroordeelden ‘uitcloppen’ [uit de stad zenden]. Dit was op 04.03.1533 al door de Raad en Gemeenten besloten, zoals te lezen is in het Liber Memorandarum Antiquo, op folio LXXXV. Boetes die door de Hoge Bank geëist worden, zal men van de veroordeelde partijen vorderen op de wijze als de pachten en renten uit de stadsgoederen gevorderd worden.
[In de marge:] Op 09.01.1581 is dit statuut vernieuwd en geratificeerd.

[Fol.12v]
Ordonnantie van het visiteren der processen.
04.03.1563, De Raad besluit dat men voortaan aan het eind van de hoorzitting op de vierde rechtdag, dat is de rechtdag waarop men stads-, gast- en burgerzaken behandelt, zal afroepen dat er voor die dag geen nieuwe zaken in behandeling worden genomen. Er worden dan alleen stukken van lopende processen gevisiteerd en ‘ordelen geclaert’, volgens opgave van de burgemeesters inder tijd, die de voorgaande dag een van de secretarissen opdracht hebben gegeven om de stukken klaar te leggen.
De burgemeesters inder tijd mogen niemand die op de dag voor de vierde rechtdag in Kampen is en wiens zaak de volgende dag zal worden behandeld, toestemming geven om uit de stad te reizen, behalve als het zeer dringende aangelegenheden betreft.

_↓_


|pag. 5|


Over de bestikking van de stadszanden.
17.02.1564, De Raad heeft besloten dat voortaan slechts een van de twee aangestelde weerdmeesters toezicht moet houden op de arbeiders die voor de stad de landen en zanden bestikken [bepoten]. Hij krijgt daarvoor een vergoeding van 12 stuivers per hele dag, maar moet zelf zijn eten en drinken bekostigen. Voor een halve dag toezicht houden, krijgt hij 6 stuivers. Als beide weerdmeesters op de stadslanden moeten zijn om zaken te regelen, krijgen beiden 12 stuivers per hele en 6 stuivers per halve dag.

[Fol.13]
Over gedaan beslag op één dag.
13.06.1564, De Raad heeft besloten dat voortaan allen die op dezelfde dag, bij schijnen der zon, laten panden, een gelijk recht aan de gepande goederen zullen hebben.

Over de dijkgraven op de eilanden.
18.07.1564, De Raad heeft besloten dat voortaan de dijkgraaf en weidemeesters van Seveningen, van de beide Essen, Riethoop en Nieuwe Land, evenals die van de Heultjes met de twee slagen van Snatenrijs, die van het Raas met Ruidenhoop en die van de Warder, Welle en Modderkuil, van de eerste drie schouwen zullen genieten 2 heren ponden per persoon voor onkosten en een take wijn voor pensie.
De heemraden uit Raad en Gemeente krijgen per persoon een take wijn, de heemraden uit de huisluiden [boeren] elk een mengelen wijn en de schrijver een quarte wijn.
De schouwen worden aangekondigd op een voor het wijnhuis te hangen ‘cedule’.

[Fol.13v]
03.08.1564, De Raad heeft besloten dat voortaan schulden van accijnsen en boeten aan de stad, mogen worden voldaan met rentebrieven (uitgegeven in 1510 en andere jaren) en met pensiën die men nog tegoed heeft.

17.03.1565, De Raad heeft bepaald dat schepenen, raden, secretarissen en stadsmedici een boete van een take wijn moeten betalen als zij zonder geldige redenen niet meelopen in de processie om de stad. Voor niet meelopen in de processie om het kerkhof wordt een boete van een quarte wijn opgelegd. De cameraar moet de namen van hen die afwezig zijn noteren en de waarde aan geld van de opgelegde boete in de gewone schepenbus deponeren. Later zal de boete worden verrekend met de pensie van de betreffenden. Afwezigheid voor dringende zaken, ter beoordeling van de burgemeesters inder tijd, zal niet worden bestraft.

20.09.1567, De Raad besluit om het nieuwe boek van stadsrechten, dat door de raadsheer dr. Herman Kruser is ontworpen, een dezer dagen te visiteren. De burgemeesters inder tijd moeten de leden van de daartoe benoemde commissie oproepen als er gelegenheid is om bijeen te komen. De leden en de aanwezige secretaris krijgen een mengelen wijn voor elke vergadering die zij bijwonen. De secretaris moet hun namen noteren.

[Fol.14]
30.10.1568, Over procederen voor de Lage Bank.
De Raad heeft besloten dat voortaan niemand van de Raad voor de Lage Bank een der partijen zal ‘verbidden’, maar hij moet ‘een yder up sijn anholden mit schaede laeten procedieren’.
[In de marge:] Op 09.01.1581 is dit statuut vernieuwd.

15.01.1569, Over de dijkgraaf van de Zwartendijk.
De Raad heeft besloten dat de dijkgraaf van de Zwartendijk voortaan van zijn drie ‘principael ordinarise schouwen’ een take wijn per schouw als pensie zal genieten. De heemraden uit Raad en Gemeente krijgen daarvoor elk een quarte wijn en de dienaar een mengelen wijn. De dijkraaf zal echter niets genieten van de opgelegde boetes. Als de dijkgraaf niet kan beschikken over de stadswagen, mag hij op stadskosten een andere wagen huren. Deze ordonnantie zal duren zolang de stad de dijken zelf in onderhoud heeft.

_↓_


|pag. 6|


17.02.1571 Over inbranden van vee.
De Raad heeft bepaald dat het inbranden van vee op de Melm voortaan op één dag moet gebeuren. Dat geldt ook voor de Greente en voor Soeveningen. De aankondigingen voor het inbranden zullen tijdig worden opgehangen.
De weidemeesters zullen op de dagen dat er wordt ingebrand dubbele pensie genieten. Als er in de Broeken wordt ingebrand, mag men geen maaltijd houden, maar mag er alleen een klein ontbijt zonder wijn worden genuttigd op de plaats van het inbranden. Vlees of vis mag men niet laten bereiden. Ook de hoofdlieden zullen op de dagen dat er wordt ingebrand dubbele pensie genieten.
De tollenaars die terugkomen van de uitbakening van het Diep, mogen in een van de herbergen een maaltijd zonder wijn nuttigen.

21.07.1573, Over de stokmeesters van de Raad.
De Raad bepaalt, na verschil van mening over het stokmeestersambt, dat raadsleden die tot stokmeesters worden gekozen, in hun ambtsjaar in functie zullen blijven tot ‘de stock over al ledich is’. Gedurende de tijd dat een stokmeester de functie van burgemeester inder tijd vervult, is hij van zijn functie van stokmeester ontheven, maar als daarna de stok niet leeg is, moet hij het stokmeestersambt weer op zich nemen.
Als de Raad vernieuwd wordt, moeten de stokmeesters aftreden. De burgemeesters inder tijd hebben echter de macht om hen te continueren of anderen te kiezen.

[Fol.14v]
16.11.1573, [Stuk in het latijn; aanhef:] Egidius de Monte, Dei et sedis apostolicae gratia, episcopus Daventriensis ……… [Het stuk, dat door gaat tot op fol.15v, gaat over het volgende:]
Over het feest van de heilige Elisabeth (19 november).
Egidius de Monte, bisschop van Deventer, geeft aan de pastoors en alle geestelijken, de burgemeesters, raden en het hele volk van Kampen, voorschriften voor de plechtige viering van het feest van de heilige Elisabeth in de Nicolaaskerk en in de O.L.Vr.-kerk en met een processie.
Ook de minorieten, de broeders Brigittijnen en de Cellebroeders in Kampen en alle broederschappen, dienen aan de processie deel te nemen.
Tenslotte belooft de bisschop een aflaat van 40 dagen aan alle gelovigen in Christus die op die dag de vespers bij wonen.
Gegeven te Deventer op maandag 16 november 1573.
Ondertekend: Johannes Triesman, notaris7 [7. Mr. Caspar van Heel was bereid om van dit stuk een verkorte versie in het Nederlands te maken.].

[Fol.15v]
13.11.1574, De Raad heeft besloten dat vanaf nu de cameraars en rentmeesters moeten afrekenen met de wijnheren als de oude burgemeesters inder tijd afgaan en de nieuwe aantreden. Zij moeten alle wijn die verschonken is tijdens de negen weken van de oude burgemeesters, hetzij op reizen, in vergaderingen of op andere wijze tot last van de stad gekomen, door een secretaris in het rekenboek van de wijnheren laten schrijven en laten ondertekenen.

07.07.1576, De Raad heeft bepaald dat zij die burger willen worden het daarvoor verschuldigde geld direct in contanten aan de cameraar moeten voldoen. Er zal hen geen uitstel van betaling worden verleend.

21.02.1577 Over de dijkgraaf van Mastenbroek.
De Raad heeft goedgevonden dat de dijkgraaf van Mastenbroek voortaan voor hem en voor zijn schrijver een stadspaard zal mogen gebruiken. Als de stad geen paarden over heeft, moet de dijkgraaf ten behoeve van zijn schrijver een paard kopen of lenen. Dit paard mag in de stadsstal worden gestald op kosten van de stad.

_↓_


|pag. 7|


[Zonder datum] Wij moeten er aan denken om onze stads privilegiën te laten conformeren als de keizer zal sterven en er een nieuwe keizer wordt gekozen.

18.01.1578. Over de tollenaar uit de Raad en over de heemraad van Mastenbroek.
De Raad heeft besloten om de functie van tollenaar in de volgende jaren bij jaarlijkse toerbeurten te geven aan hen die nu in de Raad zitting hebben en die functie nog niet eerder bekleed hebben. Daarna beginnen de toerbeurten bij het oudste lid van de Raad.
De heemraad van Mastebroek zal met meerderheid van stemmen door de Raad worden gekozen.
De andere door raadsleden te vervullen ambten zullen worden verdeeld in twee groepen. De ene groep functies zullen de zeven oudste schepenen vervullen en andere groep zal worden vervuld door de vijf jongste schepenen en de twee raden.

[Fol.16]
14.01.1581 Tollenaar uit de Raad en dijkgraaf van Mastenbroek.
De Raad heeft bepaald dat de oudste van zijn college, hetzij dat hij schepen of raad is, die het officie van tollenaar nog niet heeft vervuld, voor die functie zal worden gekozen. Ook de oudste van de schepenen en raden die nog geen dijkgraaf van Mastenbroek is geweest, zal voor die functie gekozen worden.

30.10.1581, De Raad heeft goedgevonden dat de erfgenamen van predikanten naast de pensie van het kwartaal waarin deze is overleden, ook nog een halfjaar pensie ontvangen.

13.05.1582, De stadsboden zullen van een mijl (uit en thuis) drie stuivers beuren, zij zullen wachtvrij zijn als zij buiten de stad zijn en zij krijgen ieder jaar 2 heren ponden voor ‘broesekens’ [laarzen].

05.01.1583, Over appel van het schoutengericht.
De Raad heeft met instemming van de Gezworen Gemeente bepaald dat voortaan van ieder proces dat bij appel van het Schoutengericht aan de Raad wordt doorgewezen, en waarin de eis minder dan 100 goudguldens bedraagt, 2 goudguldens aan het gericht moeten worden betaald. Bij bedragen boven de 100 gulden zullen de partijen 4 gulden moeten betalen. Partijen moeten deze kosten samen dragen en betalen vóór de stukken worden ingezien.
De partij die het proces verliest, moet uiteindelijk de kosten van 2 of 4 gulden alleen dragen. Aan de andere partij zal het geld dan worden teruggegeven.

[Fol.16v]
10.12.1589, De Raad heeft bepaald dat het dijkgraaf- en heemraadschap van Seveningen volgens de oude ordonnantie zal rouleren, te weten de dijkgraaaf zal een schepen en de heemraad een raad zijn. Als allen die nu in de Raad zitten hun beurt hebben gehad, zal men weer beginnen met de oudsten van hen die dan in de Raad zitten, zonder onderscheid te maken tussen schepenen en raden. De oudste zal dan dijkgraaf en de op een na oudste heemraad worden.
Mochten er mensen in de Raad worden gekozen die er al eerder zitting in gehad hebben en die weer hun oude plaats op de ranglijst krijgen, dan rouleren die pas mee in het dijkgraaf- en heemraadschap als eerst allen die nu in de Raad zitten aan de beurt zijn geweest.

16.03.1592 Ordonnantie op onverteerde wijnen.
De Raad heeft bepaald dat leden van de Raad, secretarissen en anderen aan wie door de stad wijn geschonken wordt, de wijn die zij niet hebben genuttigd in geld mogen opnemen. Zij krijgen het geld dat de wijn waard was op het moment dat zij het kregen aangeboden.

[Fol.17]
18.12.1589, Over crediteuren.
De Raad heeft op het punt van de preferentie der crediteuren verklaart dat de crediteuren die bij het leven van hun schuldenaars tegen hen hebben geprocedeerd en die binnen jaar en dag met panding in de zaak zijn doorgegaan en de

_↓_


|pag. 8|

stadsdienaars die gepand hebben hun vergoeding daarvoor hebben betaald, voorrang zullen hebben bij het verkrijgen van hun geld uit de boedel van de overledene.
Zij die het eerst de zaak hebben aangespannen zullen ook het eerst betaald moeten worden. Na voorgenoemde categorie schuldeisers komen zij die gerichtelijke bekentenissen of verwin hebben, ook weer in volgorde van wie het eerst de zaak heeft aangespannen of recht heeft verkregen. Daarna komen zij die beslag hebben gedaan volgens stadsrecht. Alle aanspraken van huishuur, ‘reale verbantenissen ende anders’, blijven in de oude gerechtigheid van preferentie.

06.09.1600, De Raad heeft bepaald dat alle goederen die behoren tot een erfhuis of tot het huis van een fugitieve [voortvluchtige], waar zij ook zijn gelegen of onder wie zij ook zijn berustende, mede behoren onder die huizen wanneer er beslag aan wordt gedaan.

[Fol.17v is niet beschreven]

[Fol.18]
Conditiën waarop de hoplieden der soldaten in de stad worden toegelaten.
De hopman moet de burgemeesters inder tijd met handtasting beloven de stad trouwe en holt te zijn.
Hij moet beloven dat hij niets zal doen dat tot vermindering van de hoogheid van de stad zal leiden, zoals arresteren van mensen in de stad en haar vrijheid.
Zonder consent van de burgemeesters mag hij geen burgers of inwoners of anderen die van de vijand zijn overgekomen, aannemen.
Soldaten moeten zelf logies zoeken en hun naam en hun logeeradres bij de secretaris laten noteren.
De hopman moet zich verplichten om bij gerucht van een aanval op de stad zijn soldaten ook buiten de stadsvrijheid te laten optreden.
Hij mag geen meel of brood uit Holland binnen de stad laten brengen.
Hij moet ook zorgen dat zijn soldaten niet op strooptocht gaan.

Hoogte van de serviesgelden voor militairen.
De hopman met zijn jongen 36 st.
De luitenant met zijn jongen 36 st.
De vendrich met zijn jongen 26 st.
De sergeanten elk 9 st.
De adelborsten en corporaals elk per week 7 st. en in de zevende week 8 st.
De soldaten elk 6 st.

Namen van de kapiteins, luitenants en ritmeesters, etc. die hier in garnizoen lagen en de handtasting deden in het college van de Raad, 1587-1654.
De luitenant en vendrich van Jorgen Root, 21.10.1587.
Jacques Moers, 20.05.1588.
Gerhardt van Baynum, 21.09.1588.
Roellandt Fanster, 09.11.1588.
Hopman Johan van Apell en hopman Marten Cobbe, anno 1590, naar vermogen van de beide registers.
Hopman Johan Thonijssen, 12.10.1593.
Jacques Moers, 03.08.1594.
Hans van Minnen, luitenant van de compagnie van Marten Cobbe, 17.02.1606.
Hopman Westerbeecke en capitein Isebrandt van Telingen, 11.11.1606.
Hopman Woldenburch, 16.12.1606.
Hopman Otto Brahe, 11.05.1607.
Hopman Roeloff van Leeuwen, 20.08.1609.
De luitenant van capitein Waldorffer, 20.09.1610.
Capitein Waldorffer, 22.09.1610.
De luitenant van Fredrick van Nijvelt, 14.08.1611.
Cornelis van Egmont, luitenant van wijlen Telingen, 15.08.1611.
De vendrich van Monnickhoven, 09.05.1612.
De vendrich van hopman Appel, 23.12.1612.
Hopman Appel, 17.01.1613.
Ritmeester Abraham Paignet, 26.03.1613.

_↓_


|pag. 9|


De luitenants van de compagnieën van Van Nijvelt en Plettenburch, 16.10.1613.
Capitein Guilliaum Loivelare, 16.07.1616.
Capitein Archibalt Bethune, 20.02.161? [jaartal weggesneden].
Capitein Henrick van Ittersum, 27.06.1619
Hopman Ohem Keesen, 27.06.1619.
De luitenant van capitein Luterbach, 27.06.1619 ? [jaartal weggesneden].
De luitenant van capitein Randtwijck, 11 juli 1621.
De Engelse capitein Slinsbij, 09.02.1622.

Op 21 juli [zonder jaartal] hebben de volgende capiteins en luitenants, alhier in garnizoen komende met patent van prins Henrick, de handtasting gedaan. Capitein Eisma, capitein Bisma, capitein Ludolp Potter, de luitenant van de overste Eysinga en de luitenant van de rijngraaf.

Ritmeester Hauttepenne 03.12.[zonder jaartal].
Capitein Edwart Ram, 02.02.[zonder jaartal].
De vendrich van capitein Eduwert Nielson, 01.07.[zonder jaartal].

Op 05.11.1626 deden de volgende militairen handtasting.
Zijn genade Lelio Pompeo.
Monsieur Hatte Penne.
Commandeur Eduwart Ram.
Ritmeester Ripperdae.
Ritmeester Coenders.
Capitein Nelsen ………
De luitenant van graaf Willem.
Capitein Heringa.
Capitein Bourmannia.
Juliurs Eisinga.
De luitenant van Boetsma.
Scholte Eisma.
De luitenant van Henderson.

Capitein Wilhelm van Haersolte, 16.11.1636.
Reijnolt Huninga, 16.09.1648.

Op 19.09.1654 hebben de volgende militairen de eed gedaan.
Ritmeester Sijmon van Haersolte.
Capitein Miset.
De luitenant en cornet van ritmeester Haaren.
De luitenant van capitein Miset.
De luitenant en vendrich van capitein Utterwijck.

[Fol.20]
23.07.1562, Mr.Johan Berendtzen alias Loeffzen, is voor vier jaar, op de oude voorwaarden, aangenomen als voorspraak. Ingaande nu en eindigende op Pasen 1566.
Hij behoeft geen gevangenen aan te tasten of te begeleiden. Zijn pensie bedraagt 15 lb. op Pasen en 15 lb. op Michaelis. Op Michaelis a.s. zal hij (uit goedgunstigheid van de Raad) zijn eerste termijn beuren. Hij mag alleen met consent van de burgemeesters uit de stad reizen. Hij moet de afgesproken jaren uitdienen, tenzij de Raad anders bepaalt.

06.05.1564, Op zijn sollicitatie is Peter Lollensz als voorspraak aangenomen.
Hij zal de de burgers trouw dienen. De Raad heeft aan hem en zijn zoon de burgerschap geschonken. Hij heeft de eed op dag voorschreven gedaan.
[Marge:] Op 08.11.1565 krijgt mr. Peter Lollensz dezelfde pensie als de andere voorspraken.

[Fol.20v]
23.02.1571, Henrick [van den Dam] is aangenomen tot voorspraak op een pensie van 12 c.g. in twee termijnen, n.l. op Johannis en op Kerstmis. Hij mag van zijn klanten niet meer vragen voor zijn diensten als dat wat gebruikelijk is. Hij

_↓_


|pag. 10|

behoeft geen gevangenen te helpen.

22.07.1581, Mr. Johan Holm is door gecommitteerden uit de Raad aangenomen als voorspraak, op de oude voorwaarden. Hij behoeft geen gevangenen te helpen. De Raad consenteert in de benoeming op 26.07.1581.

13.07.1582, De pensie van de gezworen voorspraak mr. Jan ten Hove is door gedeputeerden uit de Raad vermeerderd tot 25 g.g. De Raad consenteert op 14.07.1582.

[Fol.20a.]
TABULA OFFICIATORUM.
[De nummers verwijzen naar de folio’s]
Secretarissen 1-4, 69
Kapelaan van Jeruzalem 4
Stadsmedici 5, 11
Schoolmeesters 6, 67, 88, 97
Muntmeesters en ijzersnijders 9
Roedendragers 10
Chirurgijns 13
Busmeesters 14
Armbostier/boogmaker 15
Messagiers/briefdragers 16
Voorspraken 17
Truffelmeesters 19
Leidekkers 20
Stratemakers 21
Apotheker 22, ..[afgesneden]
Poortsluiters 23
Wachters 24, ..[afgesneden]
Wachtmeesters 107
De koster Boven 25
Uurwerkstellers 27, ..[afgesneden]
Harnasmaker 27
Zadelmaker 28
Scherprichter 29
Stalknecht 30
Stadskuiper 31
Marktmeestersknecht 31
Moeders op de Belt 32
Vijfde waardijn 32
Dijken bij de Coeborch 33
Wachter op de Zwartendijk 34
Vroedvrouwen 35, ..[afgesneden]
Consistoriaal 36
Hoefsmid 36
Weerdmeesters of hoofdmeesters 37
Stadsweteringen 38
Sluiters van de ameiden 38
Gevangenwachter 39, ..[afgesneden]
Stadstimmerman 102, 107,..[afgesneden]
Uitrijders 40
Herder op Seveningen 41
Steigermannen 42
Vinnekijkers 42
Doodgravers 43
Tollenaarsknecht 44, ..[afgesneden]
Organist 45, ..[afgesneden]
Bakens op het Diep 46
Dijken die behoren bij het Coelvoetswater 48
Hoornblazers 51
Huisraad in de Wedeme 53

_↓_


|pag. 11|


Moltmeters 55
Stadsijker 56
Wachters in het Sint-Nicolaasbroek 57
‘Van den rosschen roeder uutten broecken’ 43
Landmeters 40
Stadsvoerman Derck Loysse 47
Diepmaker mr. Hans van der Gouw 73
Bewaarder van het Sint-Nicolaasbosch 74
Schoolmeesters 76, 115
Schouten 99
Ornamenten in de Sint-Nicolaaskerk 90
Wachters in Brunnepe 66
Rector 80, 1..[afgesneden]
Johan Bruynsz 62
Weesmeester Joachim Jansz 108
Wacht- en brandmeester Peter van Wouw 52
Peeter Joostsz 75
Peter van de Vene 75
Karmannen 75
Opzichters en verloders van de bommezijnen 56
Inmaner van de ecclesiastique goederen 56, 57
Ziekentrooster, ná fol.6
Eed van de bijvaders 56, 57
Eed van de poortschrijvers, ná fol.24
Eed van de brievenbestellers 16
Waagmeesters in de Veen- en Cellebroederspoort 55
Eed van de wollenlakens 56
Eed van de accijnsknechten 71
Eed van de makelaar 99
Eed van de zegelaar en loder van de duffels 56
Eed van de ……… 56
Ordonnantie van het kolenmeten 113
Eed van de visitateurs van de wollen lakens en de vuile wol 56
Vinnekijkerseed 41
Eed van de stadsteller van het eikenhout, ná fol.75
Eed voor de stads………, ná fol.75
Eed van de zoutzieder 113
Eed van vreemdelingen die alhier op de markt zout verkopen 77
Zaadmeter 117
Eed van de turfmeter 56
Spinbaas in het Armen Weeshuis 118
Vasbander 30, 2

[Fol.22, oud I]
Secretarissen

14.12.1538, Johan Bredae als secretaris gecontinueerd op een jaarlijkse pensie van 70 hlb. Voor het consistoriaalschap krijgt hij 14 hlb. per jaar. Alles op zijn oude voorwaarden. De opzeggingstermijn is een half jaar.
[In de marge:] Obiit XXa julij anno XVcXLo ante meridiem circiter undecimam.
Requescat in sancta pace amen.

28.01.1539, Gheert Hermansz als secretaris gecontinueerd, op een jaarlijkse pensie van 55 h.lb., in twee termijnen te betalen. Alles op zijn oude voorwaarden. De opzeggingstermijn is een half jaar. Coram senatu.

21.03.1539, Cornelius Meus voor zes jaar aangenomen als secretaris op de daarvoor gebruikelijke voorwaarden, op een pensie van 30 goudguldens per jaar voor de twee eerste jaren en 35 goudguldens per jaar voor de vier laatste jaren.
Betalingstermijnen zijn Michaelis en Pasen.

16.12.1544, De raad heeft magistro Cornelio voor zijn huishuur 10 hlb. per jaar

_↓_


|pag. 12|


toegezegd.

27.12.1540, Mr. Reyner Bogerman van Dockum, legum doctor, is voor zes jaar aangenomen als secretaris, ingaande Lichtmis 1541, op een pensie van 60 goudguldens per jaar, te ontvangen in vier termijnen, als Mei, Johannis, Omnium Sanctorum en Lichtmis, en voor huishuur 7 goudguldens per jaar.
Hij moet schrijven, lezen en reizen voor de stad, volgens de voorwaarden van de schrijfkamer, voor de gebruikelijke vergoedingen. Coram senatu.

[Fol.22v, oud IIv]
06.08.1547, Mr. Dubbolt Dubboltsz is voor zes jaar aangenomen als secretaris, op een pensie van 35 heren ponden op Pasen en 35 heren ponden op Michaelis. Voor huishuur krijgt hij 17 heren ponden. Coram Tijmen van den Vene en Henrick Kuynerturff.
07.11.1552, Mr.Dubbolt is voor zes jaar gecontinueerd als secretaris.

09.09.1551, Mr. Henrick van Vyenden van Munster is voor zes jaar aangenomen als secretaris, op een pensie van 35 heren ponden op Pasen en 35 lb. op Michaelis.
Voor huishuur krijgt hij jaarlijks 17 heren ponden

[Fol.23, oud II]
28.07.1556, Mr. Johan Rueper is voor zes jaar aangenomen als secretaris, op een pensie van 35 heren ponden op Pasen en 35 heren ponden op Michaelis. Voor huishuur krijgt hij 17 heren ponden per jaar.

27.02.1557, Mr. Nicolaus van Urck is voor zes jaar aangenomen als secretaris, op een pensie van 28 heren ponden op Pasen en 28 heren ponden op Michaelis. Voor huishuur krijgt hij 10 heren ponden per jaar.

28.03.1557 (Op sondach Letare Hierusalem), Afgevaardigden van de Raad vergaderden in de gastenkamer van het Observantenklooster met mr. Henrick van Vyenden over de verlenging van zijn dienst van secretaris. Hij werd op de oude voorwaarden opnieuw als secretaris aangenomen, maar nu voor zijn leven. Hij kon slechts ontslagen worden als hij grote enormiteiten of fouten zou begaan. In criminele zaken zou hij niet meer worden betrokken, zoals zijn collega’s wel. De Raad zal bij de beide Gezworen Gemeenten proberen te bewerkstelligen dat men mr. Henrick nimmer in de Raad zal verkiezen. Hij zal een register aanleggen waarin hij verslag zal doen van alle dagvaarten en reizen waarbij hij zal worden betrokken. Als pensie krijgt hij 30 goudguldens op Pasen en 30 goudguldens op Michaelis. Verder krijgt hij een vrije woning, waaruit zijn erfgenamen na zijn overlijden pas na een jaar moeten vertrekken. De woning zal zo gebouwd worden dat mr. Henrick er tevreden mee zal zijn.
De afgevaardigden deden op dinsdag 30.03.1557 verslag aan de Raad, die met de voorwaarden instemde.

[Fol.24, oud III]
17.03.1567, Afgevaardigden van de Raad hebben mr. Reyner Jacobsz als secretaris gecontinueerd voor zijn leven. Hij moet alle reizen en dagvaarten die de Raad hem opdraagt doen en registreren. Als pensie krijgt hij 60 goudguldens per jaar, te betalen in twee termijnen (Pasen en Michaelis), ingaande op Pasen van dit jaar. Voor huishuur krijgt hij 10 heren ponden per jaar. Hij krijgt ook zijn deel van het geld dat de secretarissen jaarlijks ontvangen op Martini als vergoeding voor hun materialen.

[Fol.24v, oud IIIv]
08.01.1576, Omdat de stad de diensten van secretarissen niet kan ontberen, is met consent van de Gezworen Gemeenten besloten dat men hen niet in de Raad zal kiezen.

28.05.1576, Mr. Berent van Coesfelt is voor zijn leven aangenomen als secretaris, op een pensie van 28 heren ponden op Michaelis en 28 heren ponden op Pasen, ingaande op a.s. Michaelis. Voor huishuur krijgt hij 10 heren ponden op Pasen.

_↓_


|pag. 13|

Als hij zich in zijn dienst goed bewijst, kan de Raad zijn pensie verhogen.
Voorwaarde is dat hij zich eerst op eigen kosten naar een goede stad zal begeven om daar gedurende een half jaar de Franse taal te leren. De Raad behoudt het recht hem bij wangedrag of wanprestatie te ontslaan. Mr. Berent deed op datum voorschreven de eed.

[Fol.24, oud IIII en 24v, zijn onbeschreven]

[Na Fol.24v, op een meegebonden blaadje:]
04.02.1606, Henrick van Hoochstraeten is door afgevaardigden van de Raad voor drie jaar aangenomen als secretaris, ingaande a.s. Pasen, op de gebruikelijke pensie.
De Raad consenteerde op 05.02.1606.
Omdat Henrick nog zaken in Holland te regelen had, heeft hij de eed pas gedaan op 23.04.1606

[Idem, verso]
02.11.1615, Jacob Maler, de zoon van wijlen de secretaris mr. Reyner Jacobsz, is bij provisie aangenomen als secretaris, op de gebruikelijke pensie.
Hij deed op datum voorschreven de eed.

20.11.1623, Johan Hoff is bij provisie aangenomen als secretaris, in de plaats van de overleden secretaris Jacob Maler, op de gebruikelijke pensie. Hij deed de eed op datum voorschreven.
Marge: Overleden op maandag 10.10.1659, des avonds om 11 uur.

[Fol.26]
10.08.1624, Plechelmus Keylewer, der rechten doctor, is bij provisie aangenomen als secretaris, op een pensie zoals gebruikelijk is voor een tweede secretaris.
Hij zal voortaan alleen aan de stad Kampen verbonden zijn. Plechelmus deed de eed op 21.08.1624.

16.11.1627, Johannem a Bredae, der rechten doctor, is bij provisie aangenomen als secretaris, op de pensie daarop staande. Hierop deed hij de eed.
Marge: Overleden 01.05.1649 des avonds om half tien.

17.05.1649, Reutger van Breda, zoon van wijlen de secretaris Joan van Breda, is bij provisie aangenomen als secretaris, op de gebruikelijke jaarlijkse pensie.
Hierop deed hij de eed.
Marge: In 1675 door de prins van Oranje gekozen tot griffier van Overijssel.
Overleden 19.01.1693, tussen half vijf en vijf uur in de morgen.

[Fol.26v]
15.11.1659, Albartum Hoff, zoon van wijlen de secretaris Jan Hoff, is bij provisie aangenomen tot secretaris, op de gebruikelijke pensie. Hierop heeft hij de eed gedaan.

23.02.1675, De secretarissen Albert Hoff en Johan Steenbergen zijn door de prins van Oranje in hun functie hersteld. Zij deden de eed van zuivering en de gebruikelijke eed van secretaris. Herman Nuis J.U.Dr. is mede door de prins tot secretaris aangesteld. Ook hij deed de eed.

[Fol.27, oud IIII]
Schepenkapelaan.

Anno XVcXCII [moet zijn 1492] is meester Henryck Boest aangenomen als kapelaan in de Jeruzalemskapel of Schepenkapel. Hij krijgt 25 lb. pensie op Midwinter, 17 lb. voor huishuur en 3 lb. voor onraad.
De oude voorwaarden van de kapelaan en van de kleinodiën vindt men in het Olde Officiatorum. [Het handschrift is van omstreeks 1550]
Marge: Henricum Beust is overleden 06.02.1544.

_↓_


|pag. 14|

13.05.1581, Henrick van Vienden is door afgevaardigden van de Raad voor zijn leven aangenomen als secretaris, op een pensie van 28 goudguldens per jaar en 10 heren ponden voor huishuur. Als hij zich in zijn dienst bewezen heeft, kan de Raad hem een hogere pensie toekennen. Henrick zal zo spoedig moegelijk zijn dienst in Leeuwarden opzeggen en zich hier vestigen. Hij zal aan de Raad schrijven wanneer hij kan beginnen. Nadat hij zich hier heeft gevestigd, zal hij zich tot a.s. Pasen in een Franse stad vestigen om de Franse taal te leren. Als de Raad hem schrijft om eerder uit Frankrijk terug te komen, moet hij zich daaraan houden. De Raad zal hem voor zijn verblijf in Frankrijk met een geldsbedrag vereren. Al het vorenstaande is echter tot wederzeggen van Raad, die consenteerde in de benoeming op 15.05.1581.

[Fol.27v, oud IIIIv]
Voorwaarden voor de medicus.

De medicus moet, ook in tijden van pestilentiën, alle zieken die hem laten roepen, visiteren.
Voor een visite en voor water bezien mag hij een mengelen wijn rekenen.
Waar hij twee of drie keer per dag komt, mag hij een heren pond per week vragen.
In tijden van pestilentie mag hij dubbel loon vragen.
Van arme lazersen [melaatsen], die hij in opdracht van de Raad moet ‘proeven’, mag hij geen geld vragen, van rijken mag hij een redelijke vergoeding vragen.
Met gedeputeerden van de Raad moet hij twee keer per jaar, of vaker als de Raad dat vraagt, de apotheek visiteren.
Hij mag zelf geen ‘materialia’ koken of deelgenoot van de apotheker zijn.
Hij moet de zieken helpen met groene kruiden en hen daarvan de namen noemen of anders moet hij hen een recept geven voor de apotheek. De apotheker moet de recepten aan een draad ophangen, voor het geval het recept nogmaals nodig is.
Verder moet de medicus handelen volgens oude gewoonten.
Hij mag niet zonder consent van de Raad uit de stad reizen.
De Raad behoudt zich het recht voor om naast de medicus nog een andere medicus aan te nemen.

08.06.1581, Bartolt Kistemaker is door afgevaardigden van de Raad voor zes jaar tot secretaris aangenomen, op een pensie van 28 heren ponden op Michaelis en 28 heren ponden op Pasen en 18 heren ponden voor huishuur. De Raad kan hem opslag geven.
De Raad consenteerde op 09.06.1581. Bartolt deed op dezelfde dag de eed.

[Fol.28, oud V]
Stadsmedicus.

1538, Mr. Jasper van Arnhem, doctor, is aangenomen als stadsphisicus op een pensie van 90 heren ponden per jaar, ingaande Michaelis 1538, op dezelfde voorwaarden als mr. Jan.

15.05.1544, Mr. Justus of Judocus Zacharus is voor zes jaar aangenomen als stadsphisicus, op dezelfde voorwaarden als zijn voorgangers Mr. Johan en Mr. Jaspar. Hij krijgt 20 ponden groot vlaams, dat is 120 karolus guldens van 20 stuivers hollands, te betalen in vier termijnen, als Michaelis, Midwinter, Pasen en Johannis. Per termijn is dat 42 heren ponden en 12 st. brab.
De stad zal hem 10 of 12 karolus guldens geven om vanuit Groningen, waar hij nu woont, naar Kampen te verhuizen.
Hij is op Decollacionis Johannis, te weten op 29 augustus in Kampen gekomen. De Raad beloofde hem om geen bijmeesters, of -meesteressen, landlopers, empyreurs, of dergelijke hier te laten praktizeren.

07.05.1550, Afgevaardigden van de Raad verlengen de overeenkomst met de stadsphisicus doctor mr. Justus of Judocus Zacharus op de volgende voorwaarden.
Hij moet de stad trouw dienen, zoals mr. Johan Wolfs, mr. Jaspar en anderen voor hem gedaan hebben, gedurende acht jaar, aanvangende op Nativitatis Johannis anno

_↓_


|pag. 15|

1550 en krijgt daarvoor 200 heren ponden in vier termijnen te betalen, als Michaelis, Kerstmis, Pasen en Johannis. Hij mag jaarlijks zes weken uit de stad afwezig zijn. Naast hem mogen geen bijmeesters, ampireurs of landlopers in de stad praktizeren.

[Fol.28v]
10.09.1551, Doctor mr. Johan Golt is voor zes jaar aangenomen als stadsphisicus op de volgende voorwaarden. Hij moet de stad en burgerij trouw dienen, zoals mr. Joest en mr. Jaspar en anderen voor hem gedaan hebben. Hij mag slechts met consent van de burgemeesters indertijd uit de stad reizen. Slechts de medicus mr. Jaspar mag op hun verzoek nog kranken bezoeken; aan anderen (bijmeesters, empireurs, landlopers e.d.) wordt niet toegestaan om hier te praktizeren. Als pensie krijgt hij 120 koopmansguldens van 20 st., te betalen in vier termijnen, te weten Michaelis, Kerstmis, Pasen en Johannis.
Hij is in Kampen komen wonen op Michaelis, zodat zijn eerste termijn vervalt op Kerstmis.

De voorwaarden van mr. Gijsbert Lappe staan op Fol.XI.

[Fol.29, oud VI]
Schoolmeesters.
08.04.1538, Meester Johan Evertsz is door de provisoren en kerkmeesters van de Sint-Nicolaaskerk wederom voor zes jaar aangenomen als rector, ingaande op a.s. Pasen. Hij moet zijn dienst een half jaar tevoren opzeggen.

28.04.1538, Mr. Melchior is voor zes jaar aangenomen als schoolmeester, ingaande a.s. Pasen, op dienstvoorwaarden zoals hij die met Mr. Johan Evertsz zal overeenkomen. Hij mag geen andere scholen erbij aannemen en moet een halfjaar opzeggingstermijn in acht nemen.

28.04.1538, Mr. Henrick Aelbertsz is aangenomen om in dezelfde school les te geven aan de jongens in A.B.C., Benedicite, Confiteon, himmsten, Duytsch en rekenen. Hem wordt vergund om in plaats van wijlen heer Gheert Petersz de getijden te zingen. Hj zal mede helpen zingen Sexta en Nona. Daarvoor moet mr. Johan Evertsz hem ieder jaar uit eigen buidel twee goudguldens geven. Het schoolgeld van de jongens die Duytsch en rekenen leren zal mr. Henrick hebben, gelijk mr. Melchior het zal hebben van de jongens die Latijn leren. Als mr. Johan Evertsz ontslag neemt, mogen ook de beide schoolmeesters ontslag nemen, met inachtneming van hun opzeggingstermijn.
Alle hiervoor genoemde leerlingen moeten met mr. Henrick op alle heilige dagen en avonden in het koor zingen.

Fol.29v, oud VIv]
01.04.1544, Mr. Johan Evertsz is door provisoren en kerkmeesters van de Sint-Nicolaaskerk voor zes jaar gecontinueerd in zijn dienst van rector. Hij heeft een half jaar opzeggingstermijn. Hij krijgt van de stad jaarlijks op Pasen 6 heren ponden.

15.05.1550, Mr. Johan Evertsz is door provisoren en kerkmeesters van de Sint-Nicolaaskerk voor zes jaar gecontinueerd in zijn dienst van rector van de school van de Sint-Nicolaaskerk. Hij heeft een half jaar opzeggingstermijn. Hij krijgt van de stad jaarlijks 64 heren ponden in twee termijnen, te weten Michaelis en Pasen.

De voorwaarden van rector Christiani de Beesten vindt men op Fol.LXVII.

[Fol.30]
09.08.1623, Op last van de Raad is Jacob Evertsen voor een jaar aangenomen als ziekentrooster. Hij zal daarvoor genieten 250 c.g. uit de ecclesiastique goederen, te betalen in vier termijnen, als Michaelis, Kerstmis, Pasen en Johannis. Hij krijgt geen huishuur of brandstof vergoed. Zijn dienst loopt af op 09.08.1624.

_↓_


|pag. 16|

03.02.1688, De Raad heeft Pieter Michielsen aangenomen als ziekentrooster op een jaarlijks tractement van 200 c.g., te betalen uit de eccl. goederen.

[Fol.31]
05.09.1556, Peter Warnertsz heeft een grammaticaboek gedrukt, dat door wijlen mr. Johan a Lymberich was geschreven en dat in de beide scholen van Kampen werd gebruikt, met consent van de provisoren van beide kerken, van de pastoor mr. Andries Fabri, mr. Gerryt Morrhe en andere geleerden. Dit boek en de Colloquia Sebaldi heeft Peter met grote kosten gedrukt. Na de dood van de rector zijn deze boeken, in tegenspraak met eerdere beloften, vervangen door andere grammatica of grammaticis rudimenta, tot grote schade van Peter Warnertsz, die zich hierover bij de Raad beklaagt.
De provisoren van beide kerken, als afgevaardigden van de Raad, bepalen nu dat voortaan geen andere grammatica, grammaticis rudimenta of elementalia, in de beide Kamper scholen door de schoolmeesters aan de jongens mogen worden voorgelezen dan die door Peter Warnertsz zijn gedrukt. Welke boeken vanaf het begin, naast de Methodu Donati door de schoolmeesters van beide scholen als leerboeken gebruikt moeten worden tot het moment dat Peter of zijn erfgenamen de voorraad, nu nog bedragende ongeveer vijfhonderd exemplaren, geheel verkocht zullen hebben. Mocht echter de rector van de Bovenschool van mening zijn dat enkele van zijn beste leerlingen betere boeken nodig hebben, dan mag hij voor hen lezen uit op een hoger peil staande grammaticaboeken, die echter door de jongens bij Peter Warnertsz moeten worden gekocht als deze die net zo goedkoop kan leveren als andere boekverkopers, te weten voor 2 plakken per katern. Met deze bepaling zal Peters schade gecompenseerd worden.

[Fol.32, oud VII]
A25.07.1556, De provisoren van de Sint-Nicolaaskerk, twee andere raadsleden, twee weesmeesters en de procurator van de wezen, hebben mr. Henrick van Heerde voor zes jaar wederom aangenomen als rector van het weeshuis bij de Sint-Nicolaaskerk op de volgende voorwaarden.
Hij moet zich houden aan de artikelen zoals die in de laatste fundatie beschreven zijn en die hij tot nu toe heeft achtervolgt. Hij zal jaarlijks van de stad 10 g.g. en van de Heilig-Kruismemorie 4 g.g. tot pensie hebben. De huiszittende armen zullen aan zijn pensie niet behoeven bij te dragen. Beide partijen hebben een opzeggingstermijn van een half jaar in acht te nemen. Omdat alle mensen sterflijk zijn, kan het gebeuren dat heer Henrick binnen die zes jaar komt te verlijden. De Raad zal dan zorgen dat zijn zuster of zijn dienstmaagd voor het dan lopende jaar met een goede woning worden voorzien. Als heer Henrick zelf ziek zal worden en zijn dienst niet langer kan doen, zal hij ook voor het lopende jaar betaald worden en een woning genieten, zonder dat de nieuwe rector daar enige bemoeienis mee zal hebben. De scholieren die wezen zijn, behoeven geen schoolgeld te betalen en mogen hun beloning voor het zingen in de kerk behouden. Deze kinderen mogen daarvoor door de rector of zijn gezellen niet achtergesteld of geslagen worden.
Heer Henricks broeder Johan doet veel voor de weeskinderen, zoals lezen e.d.
Daarom zal de Raad hem een proeve in een gasthuis bezorgen, maar hij moet wel zijn werk in het weeshuis blijven verrichten zoals hij tot nu toe heeft gedaan.

01.09.1562, Heer Henrick van Heerde is tot Pasen 1563 gecontinueerd als rector van het weeshuis, op de oude voorwaarden. Als hij denkt de dienst daarna niet langer te kunnen doen, zal hij dat de Raad een half jaar tevoren zeggen.

[Fol.33, oud VIII]
29.10.1556, De Raad bepaalt dat men voortaan de muzikers van beide kerken op de vier hoogtijdagen, als Pasen, Pinksteren, Onze-Lieve-Vrouwe-Assumptionis en Kerstmis, geen wijn meer zal geven om die samen te verdrinken, maar men zal de zangers en organisten van beide kerken op elke hoogtijdsdag een take wijn geven, die zij zelf mogen laten halen in de stadswijnkelder en drinken dat zoals elk dat zelf wil. Zij zullen dan wel verplicht zijn om de drie volgende dagen van elke hoogtijd met muziek en anders in de kerken te zingen tijdens de metten, lauden, hoogmis, vespers en completen.

_↓_


|pag. 17|

De burgemeesters indertijd zullen op iedere genoemde hoogtijd, als zij het schild in de kelder zetten, een of twee dienaars de wijn naar de kerken laten brengen. Deze moeten er op toezien dat er geen wijn verspilt of verslurpt wordt.
Zij moeten het overschot terugbrengen naar de wijnkelder. Na de hoogmis moeten de dienaars de kerfstokken naar de burgemeesters indertijd brengen, die ze aan de cameraars van dat jaar zullen geven om hun rekening met de wijnheer op te maken.

[Fol.34, oud IX]
Stadsmuntmeester en -ijzersnijder.

De ijzersnijder moet eigenhandig de poinchoenen snijden voor de penningen die de Raad heeft verordonneerd of nog zal verordonneren.
Hij moet eigenhandig de muntijzers of muntstempels snijden die voor de munt nodig zijn, tot genoegen van de Raad.
Hij moet van elke muntsoort voldoende stok- en onderijzers in voorraad hebben, zodat de waardijns, uit de Raad gekozen, daarover geen klagen hebben.
Hij moet de muntijzers goed bewaren en slechts afgeven aan de waardijns, houdende van alle muntijzers en datum van afgifte een register bij.
Bij het snijden mogen er geen fouten worden gemaakt aan het wapen, figuur of inscriptie, maar hij moet naar punt en letter werken volgens het hem geleverde patroon.
Hij mag geen muntijzers snijden voor vreemde prinsen, heren of steden, zonder consent van de Raad.
Na voorlezing van het bovenstaande heeft mr. Henrick Petersz zijn eed als muntsnijder van de stad Kampen gedaan. Actum 10.04.1599.
Marge: Op 06.04.1613 is mr. Henrick Petersz wederom als ijzersnijder aangenomen.

[Fol.35]
22.10.1627, Mr. Henrick Jacobsz Valckenier is aangenomen tot stadsijzersnijder.
Hij heeft de eed gedaan.

31.03.1675, Nycolaes Sluiter is aangenomen tot stadsijzersnijder en assayeur.
Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.36, oud X]
Roedendragers.
De ordonnantie van de roedendagers is geregistreerd in Ordinancio Antiquo op Fol.VIIo en VIIIo. Een ordonnantie van anno 1517 ligt erbij.

07.08.1539, Peter Jansz van den Bossch is in plaats van Rotger Schuerman aangenomen als roedendrager op de oude voorwaarden. Pensie: 15 lb. op Pasen, 15 lb. op Michaelis, 10 lb. voor kleding en 2½ lb. voor laarzen en godspenning.

05.04.1541, Geert Jansz is in plaats van wijlen Bernt Cappe aangenomen als roedendrager, op dezelfde voorwaarden en pensie als de andere roedendragers.

06.10.1541, Gheert Henricx Harnaschmaecker is aangenomen als roedendrager en stadsdienaar, op dezelfde voorwaarden en pensie als de andere roedendragers.

13.07.1549, Albert Bitter is aangenomen tot roedendrager en stadsdienaar op dezelfde voorwaarden en pensie als de andere roedendragers.

28.08.1563, Johan Luitgensz is aangenomen tot roedendrager en stadsdienaar op dezelfde voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft zijn eed gedaan voor de gehele Raad.
Marge: Johan Luytgensz heeft verzocht om, als het ambt van stadskok vacant wordt, hem dan als stadskok aan te stellen. Bij besluit van de Raad van 21.04.1573 wordt hem dat beloofd.

[Fol.36v, oud Xv]

_↓_


|pag. 18|


09.10.1567, Johan Arentzen heeft zijn eed [als roedendrager] gedaan volgens de bepalingen uit het Gulden Boek.

14.05.1569, De Raad heeft het volgende geordineerd.
De dienaar krijgt 2 st.br. waarneer hij alleen, buiten de stad, van stadswege, panden moet eisen. Als hij een schuit nodig heeft, zal hij die krijgen.
Als hem de panden worden geweigerd, moet hij samen met een andere dienaar opnieuw de panden eisen. Elk krijgt dan 4 st.br. De stad zal hen eventueel een schip en een schipper ter beschikking stellen. De schipper mag zich alleen met het schip bemoeien.
De vergoeding geldt voor elk huis waaruit zij de panden halen, maar moeten zij voor twee of meer cameraars panden halen uit hetzelfde huis, dan krijgen zij maar een keer de vergoeding.
Zodra een cameraar hen dat vraagt, moeten de dienaars op pad gaan om de panden te halen, zoveel als mogelijk is of wat de cameraar hen opdraagt.
Als zij aan het bovenstaande niet voldoen, worden zij ontslagen.

12.07.1572, De Raad heeft Johan Arentzen opnieuw aangenomen als roedendrager, van welke functie hij ‘geabsolveert en verlovet’ was. Als hij niet goed functioneert, zal de Raad hem ontslaan en nooit weer aannemen.

[Fol.37]
11.12.1572, Henrick Berentsz is aangesteld als roedendrager en stadsdienaar op de voorwaarden en pensie als de andere roedendragers.

24.01.1573, Nieuwe bepalingen voor de stadsdienaars.
Vanaf heden moeten de gehele dag drie dienaars op het raadhuis aanwezig zijn om opdrachten van de Raad en de burgemeesters indertijd uit te voeren. Deze drie mogen geen opdrachten (bieden of panden) van burgers uitvoeren als er andere dienaars op het raadhuis aanwezig zijn, tenzij de burgemeesters hen daartoe toestemming geven of wanneer een vrije dienaar in hun plaats de raadhuisdienst wil overnemen.
De dienaars die geen raadhuisdienst hebben, moeten wel op het raadhuis komen en de opdrachten van de burgers (bieden en panden) naar behoren uitvoeren.
Tijdens de hoogmis en de vespers moeten twee dienaars van de raadhuisdienst in de Sint-Nicolaaskerk aanwezig zijn, terwijl de derde op het raadhuis moet blijven.
De zes dienaars moeten de raadhuisdienst volgens een rooster doen. Als een van hen buiten de stad moet reizen, moet een ander zijn taak overnemen. Deze moet daarvan op tijd bericht krijgen.
Dat wat een dienaar verdient van burgers voor het doen van reizen, van pandgeld of van botgeld, dat mag hij houden, vergoeding voor het aanbieden van steuren, testamenten halen, in de ‘stock’ gaan, burgerschapswinning, e.d., zullen in een bus komen en onder alle roedendragers verdeeld worden.
De dienaars zullen altijd op pad gaan met hun ‘geweer’.
Als de gehele Raad vergadert, moeten alle dienaars op het raadhuis zijn. Zij mogen dan geen bier laten halen of ten gelage gaan.
Als dienaars van stadswege aangeboden wijn wegbrengen, mogen zij niet blijven maar moeten direct terugkomen.
Als dienaars een gelag houden met dienaars die wild komen presenteren van andere plaatsen of heren, moeten zij dat gelag zelf betalen.
Dienaars die van de burgemeesters opdracht krijgen om iemand te arresteren, moeten dat onverwijld doen, bij verlies van hun functie.
Als dienaars met gedeputeerden van de Raad op reis zijn, moeten zij hun tafel in dezelfde zaal nemen als de heren en zorgen dat deze op hun verzoek worden bediend. Zelf mogen zij geen wijn drinken of anderen aan hun tafel nodigen. Als de gedeputeerden op raadhuizen of elders in beraad zijn, moeten de dienaars in de buurt blijven. Zij mogen niet ten gelage of tot ontbijten gaan.
Dienaren die zich niet aan het bovenstaande houden, worden direct onslagen. Oude bepalingen, die niet vervangen zijn, blijven onverkort van kracht.
[In het bovenstaande zijn enkele aanvullingen uit 1574 opgenomen]

_↓_


|pag. 19|

[Fol.37v]
25.04.1573, Willem Lubbertsz is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij deed de eed op de voorschreven datum.

10.10.1579, De Raad bepaalt dat roedendragers die panden moeten halen vanwege de ‘capitatie’, dat niet mogen weigeren. Uitvluchten om hier onderuit te komen worden niet geaccepteerd. Voor ieder waarvan men panden haalt, krijgt de roedendrager 4 st. De roedendrager moet wel zorgen dat de gehaalde panden meer waard zijn dan de schuld waarvoor gepand wordt.
De belofte van een pond groot vervalt bij onwilligheid van de roedendragers.

07.11.1580, De Raad staat aan de E. en E. Eggerich Ripperda, drost van Salland, toe om de eerste roedendragersplaats die vacant wordt, te laten vervullen door zijn dienaar, die echter geschikt moet zijn en die door de Raad moet worden geaccepteerd.

[Fol.38]
Iris de Munck11.10.1580, Nieuwe voorwaarden voor de roedendragers.
De dienaars moeten vanaf nu weer altijd de ‘strype’ dragen, behalve wanneer gedeputeerden van de Raad met wie zij op reis zijn, hen bevelen die af te leggen.
De dienaars moeten tijdens bieden en panden altijd de roede gebruiken, zoals vanouds gewoonte was. Als een dienaar pandt of biedt zonder roede, moet hij de gerichtskosten betalen als een gedaagde daarover klaagt.
Ook moeten dienaars de roede in de hand houden als zij vanwege de stad aan iemand wijn aanbieden.

11.10.1580, De Raad heeft de jaarlijkse pensie van de dienaars verhoogd tot 40 lb., in twee termijnen te betalen, 10 lb. voor kleding en 4 lb. voor laarzen.

27.07.1581, Marten Engbertsz is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager. Hij heeft zijn eed gedaan op de voorschreven datum.

[Fol.38v]
02.06.1582, Bartholomeus van Putten is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

14.09.1592, Witgen Kreech is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

26.11.1601, Johan van Hensbergen is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

30.09.1580, Albert Henrixz is aangenomen om op de kamer te passen en voor de cameraars en rentmeesters schulden in te manen op zijn eigen kosten, maar wel beurende het normale pandgeld als hij panden haalt. Panden of dergelijke buiten de stadsvrijheid, zal hij doen op kosten van de stad. Hij behoeft niet te helpen bij vangen en spannen. Hij krijgt 25 goudguldens per jaar in twee termijnen (Pasen en Michaelis), 5 goudguldens voor kleding en 6 goudguldens voor huishuur.
Hij heeft de eed gedaan op 12.11.1580

[Fol.39.]
23.10.1602, Albert Henricksz is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

23.10.1602, Daniël Jansz is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.
[In de marge:] ‘Is zijns dienst verloevet’.

_↓_


|pag. 20|


[Fol.39v]
20.11.1602, Jaques de Meijer is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

13.08.1605, Jacob Petersz is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

08.03.1606, Goessen van Schoeler is opnieuw aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

[Fol.40]
16.05.1614, Wulff Melchiorsz, gewezen stadsbode, is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum. Hij is ook aangesteld tot gevangenwachter.

21.10.1614, Bitter Dercksz is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

[Fol.40v]
02.03.1615, Jacob Petersz is wederom aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

[Fol.41]
16.01.1617, Albert Bolt en Engbert Martensz zijn aangesteld tot stadsdienaars en roedendragers, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Zij hebben de eed gedaan op de voorschreven datum.

19.06.1622, Mr. Johan Breel, kok, is wederom aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

20.08.1622, Peter Petersz van Eyderstede is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

[Fol.41v]
04.01.1623, Albert Bolt is wederom aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.
Omdat de stad echter altijd maar zes roedendragers in dient heeft, mag Albert alleen de ‘strype’ en geen roede dragen. Hij mag alleen op uitdrukkelijk bevel van de Raad dienst doen in rechtzaken en gichten doen. Uit het hebben van zeven roedendragers mag geen verdere consequentie worden getrokken, want een aantal van zes blijft gewoonte.

22.10.1623, Henrick Clasen is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

[Fol.42]
30.12.1624, Peter Jansz van Bronckhorst is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

09.02.1626, Melchior Wolffs is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de

_↓_


|pag. 21|

voorschreven datum.

22.07.1630, Wessel Ulricks is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

[Fol.42v]
20.05.1637, Jorrien Petersz is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij zal echter vooreerst geen huishuur genieten. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

14.01.1641, Evert Engbertsz en Andries Jansz zijn aangesteld tot stadsdienaars en roedendragers, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Zij hebben de eed gedaan op de voorschreven datum.

03.09.1644, Jan Henricksen van Ane is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

[Fol.43]
19.05.1649, Jan Arentsen is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

04.05.1650, Gerrijt Hoffman is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

29.01.1652, Lambert Wesselsz is wegens impotentie van zijn vader Wessel Ulricksz, bij provisie aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij moet bij zijn vader, die op de Lieve-Vrouwenpoort woont, intrekken en deze verzorgen. De vader moet zijn zoon Herman en zijn dochters, die zelf de kost wel kunnen verdienen uit zijn woning verwijderen.

[Fol.43v]
05.07.1652, Antony de la Famme is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

22.11.1653, Jan Gerritsz Meijer en Herman Wesselsz zijn aangesteld tot stadsdienaars en roedendragers, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Zij hebben de eed gedaan op de voorschreven datum.

22.09.1665, Gerrit Berentsen is in plaats van Anthonij de Fama aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

[Fol.44]
01.03.1675, Hendrick Rijcken en Hermannus Berentsen zijn aangesteld tot stadsdienaars en roedendragers, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Zij hebben de eed gedaan op de voorschreven datum.

29.09.1676, Jan Wijsman is aangesteld tot stadsdienaar en roedendrager, op voorwaarden en pensie als de andere roedendragers. Hij heeft de eed gedaan op de voorschreven datum.

[Fol.45, oud XI]
21.06.1554, De hooggeleerde doctor, mr. Ghijsebertus Lappe, is aangenomen tot stadsphisicus, op de volgende voorwaarden.
Hij moet de stad en de burgers dienen zoals mr. Jaspar en mr. Joest, zijn voorgangers, hebben gedaan, maar hij behoeft geen pestlijders te bezoeken, omdat

_↓_


|pag. 22|

de pest besmettelijk is en hij dan misschien geen andere zieken kan helpen.
Hij mag alleen uit de stad reizen met consent van de burgemeesters. Men zal niet toestaan dat anderen in de stad praktizeren (bijmeesters, ampyreurs, landlopers, e.d.). Alleen als een zieke wil dat mr. Jaspar hem onderzoekt, dan mag deze dat in zijn aanwezigheid doen.
Twee keer per jaar moet hij met gecommiteerden de apotheek visiteren. Aan de apotheek mag hij geen deel hebben.
Hij mag de zieken groene kruiden voorschrijven en recepten voor de apotheker uitschrijven, die deze dan moet bewaren voor de volgende keer dat de zieke de medicijnen nodig heeft.
Hij moet arme melaatsen schouwen zonder vergoeding.
Hij moet, buiten pesttijden, zieken visiteren en water bezien, tegen een honorarium van een mengelen wijn. Waar hij vaker per dag komt, mag hij een heren ponden per week vragen.
Zijn pensie zal bedragen 100 goudguldens van 28 stuivers per jaar, te betalen in vier termijnen, t.w. Michaelis, Kerstmis, Pasen en Johannis.
Mr. Gijsbert moet acht jaar in dienst van de stad blijven. Hij heeft niet het recht om ontslag nemen. Hiervoor is Johan Woltersz borg.

[Fol.45v]
04.12.1559, Mr. Johan Golt, doctor in de medicijnen, is op zijn verzoek weer aangesteld tot stadsdoctor en phisicus met ingang van de dag waarop het contract van mr. Gijsbert Lappe zal zijn afgelopen. Hij moet dan de eed doen en beloven dat hij gedurende 10 jaar als stadsdoctor zal aanblijven. Zijn voorwaarden zijn dezelfde als die van zijn voorganger, terwijl hij ook dezelfde beloning zal genieten. Zijn borgen, voor de belofte dat hij 10 jaar zal aanblijven, zijn de E. Lodewich Voerne en de E. Arent tho Boicop.

[Fol.46, oud XII]
[Vervolg van de akte van doctor Golt] 14.10.1561, Vier leden van de Raad hebben samen met dr. Johan Golt de apotheek gevisiteerd. Na afloop verzocht Golt om in het vervolg geen bemoeienis meer behoeven te hebben met de apotheek, want hij had werk genoeg met zijn patiënten. De Raad staat dat toe en laat op verzoek van Golt dit registreren in het officiatorium.

[Fol.47v, oud XIIv]
23.02.1583, Gedeputeerden van de Raad nemen Henrick van Brae, doctor in de medicijnen, aan tot stadsdoctor, op dezelfde voorwaarden als waarop vroeger wijlen doctor Gijsbert Lappe is aangenomen, echter voor drie jaar.
De gehele Raad consenteert hierin op 24.02.1583.

[Fol.48, oud XIII]
Voorwaarden van de chirurgijn.
Hij moet, met zijn instrumenten, te water en te lande op kosten van de stad reizen naar plaatsen waar men hem nodig heeft.
Hij moet personen die tijdens stadsreizen gewond raken, tegen een redelijke vergoeding helpen.
Burgers die door hem geholpen worden, moeten hem redelijk loon geven. Bij onenigheid hierover zullen twee raadsleden optreden als scheidsrechters. Hij mag slechts met toestemming van de burgemeesters uit de stad reizen. Als er geen pest heerst, moet hij bewoners van de gasthuizen voor niets helpen, maar zij moeten wel de materialen vergoeden.
Hij moet de burgemeesters kennis geven van personen die binnen de vrijheid zijn verwond. Hij behoeft niet te helpen bij het vangen of geleiden van misdadigers en hij zal vrij van wachtdiensten zijn. Zijn jaarlijkse pensie, inclusief huurvergoeding en kledinggeld, bedraagt 40 heren ponden

Avond Mathei apostoli 1543,
Op bovengenoemde voorwaarden is mr. Henrick van Amedonck aangenomen als stadschirurgijn, voor de tijd van 6 jaar, tot wederzeggen van de Raad, tegen een pensie van 50 heren ponden in twee termijnen te betalen (Michaelis en Pasen), en een kledinggeld van 10 heren ponden.
18.06.1548, Mr. Henrick is met ingang van a.s. Pasen voor 6 jaar in zijn functie

_↓_


|pag. 23|

gecontinueerd op dezelfde voorwaarden.

21.04.1592, Gedeputeerden van de Raad hebben doctor Henrick van Brae voor drie jaar gecontinueerd in zijn dienst op zijn oude voorwaarden. Hij krijgt echter voortaan ieder jaar een last turf. Verder is afgesproken dat de voorwaarden van de apotheker ook onveranderd zullen blijven.

[Fol.48v, oud XIIIv]
05.03.1585, Gedeputeerden van de Raad hebben mr. Peter Thomass voor een jaar of twee jaar aangenomen als stadschirurgijn, op dezelfde voorwaarden als die van wijlem mr. Henrick van Amedonck. Zijn pensie bedraagt 50 heren ponden per jaar, te betalen in twee termijnen (Michaelis en Pasen) en 10 heren ponden kledinggeld.

15.08.1598, Gedeputeerden van de Raad hebben mr. Henrick Vette aangenomen tot stadschirurgijn, op een pensie van 25 heren ponden per jaar, te betalen in twee termijnen.

29.04.1604, Gedeputeerden van de Raad hebben doctor Artum Dalemium Delphensem aangenomen als stadsmedicus, voor een tijd van drie jaar. Hij krijgt per jaar voor pensie en huishuur 200 g.g. in vier termijnen, aanvangende 1 mei a.s.
Hij moet binnen een maand in Kampen komen wonen.
Voor het bezien van water mag hij 3 stuivers rekenen, voor een visite 4 stuivers of 20 stuivers per week als hij meerdere keren moet komen. Voor wat betreft de apotheek moet hij zich schikken naar de afspraken die met de vorige stadsmedicus zijn gemaakt.

24.08.1606, De Raad heeft doctor Artum Dalemium voor de tijd van 6 jaar in zijn functie gecontinueerd, ingaande Pasen 1607. Boven zijn pensie krijgt hij voor huishuur en brandstof 40 g.g.

[Fol.49]
1620, De stad heeft doctor Henricum Brahe voor de tijd van 6 jaar aangenomen als stadsmedicus, op een pensie van 200 dalers van 30 stuivers, te betalen in vier termijnen, beginnende met a.s. Johannis.

11.07.1625, De Raad heeft doctor Cornelium Nijhovium voor drie jaar aangenomen als stadsmedicus, op een pensie van 200 dalers van 30 stuivers, te betalen in vier termijnen, waarvan het eerste zal verschijnen op Michaelis a.s. Voor de bediening van de gasthuizen, het weeshuis en het werkhuis krijgt hij 50 c.g., eveneens in vier termijnen. Voor water bezien mag hij 3 stuivers en voor een visite 4 stuivers rekenen (Of 20 stuivers per week als hij vaak komt). In tijden van haastige ziekten mag hij meer rekenen. Verder wordt hem de burgerschap aangeboden voor de tijd die hij in Kampen woont. Wat betreft de apotheek zal hij zich houden aan de regels die zijn voorgangers in acht namen.

[Fol.49v]
30.12.1629, De Raad heeft mr. Roelof Hermsen, chirurgijn, aangenomen tot stadspestmeester. Hij moet alle pestlijders en lijders aan dergelijke ziekten bij dag en bij nacht helpen, zonder aanziens des persoons. Van rijken mag hij een redelijke vergoeding vragen, armen moet hij voor niets helpen (Om Gods wil).
In overleg met de stadsmedicus mag hij uit de stadapotheek medicijnen betrekken, die hij onder overlegging van een specificatie van de stadscameraar vergoed krijgt. Hij krijgt een pensie van 100 c.g. in twee termijnen, waarvan de eerste op Pasen a.s. en de tweede op Michaelis zal worden betaald. Mr. Roelof deed hierop de eed.

16.08.1656, Mr. Peter Cronenburch is aangesteld tot stadspestmeester, op een pensie als boven beschreven, waarvan de eerste termijn zal worden betaald op a.s. Michaelis en de tweede op Pasen 1657.

28.09.1658, Mr. Engbert Bisschop is aangesteld als stadspestmeester op een

_↓_


|pag. 24|

tractement van 100 c.g., waarvan 50 c.g. zullen worden betaald aan de weduwe van mr. Peter Cronenburch.

[Fol.50]
27.07.1633, De Raad heeft doctor Wilhelmum Puttium voor de tijd van 2 jaar aangesteld tot stadsmedicus, op een pensie van 200 dalers in vier termijnen (Michaelis, Kerstmis, Pasen, Johannis). Op a.s. Michaelis verschijnt de eerste termijn.
Voor water bezien mag hij 3 stuivers en voor een visite 4 stuivers vragen.
Met de apotheek zal hij zich bemoeien zoals zijn voorgangers deden.

[Fol.50v]
27.06.1606, Geduputeerden van de Raad hebben Asgen Post voor 6 jaar aangenomen tot busmeester, waarvan de eerste drie jaar tot opzeggen van de Raad.
Tot tractement krijgt hij 90 c.g. in 4 termijnen en voor buitengewone diensten 12 stuivers per dag.
De Raad consenteerde op 28.06.1606, waarop Asgen de eed deed.

05.02.1622, Eed waarop Symon Jansz van Leuwarden en Erastnus Loeff in de stad toegelaten zijn.
Wij zweren dat wij de Verenigde Nederlanden en de stad Kampen als getrouwe kannoniers zullen dienen.
[In de marge:] voor 32 dagen, 44 stuivers.

[Fol.51]
21.11.1631, De burgemeesters indertijd nemen doctor Eduwardum Nijenhovium en doctor Wilhelmum de Spina aan als stadsmedici.
Elk op een pensie van 200 c.g. in vier termjnen te betalen. De eerste termijn vervalt op Kerstmis a.s.
Voor water bezien en kranken bezoeken mogen zij resp. 3 en 4 st. rekenen. Met de apotheek moeten zij zich bemoeien zoals hun voorgangers deden.

04.10.1650, De Raad neemt doctor Henricum van Lidt / Lindt aan als stadsmedicus, op een jaarlijkse pensie van 400 c.g. in vier termijnen te betalen, waarvan de eerste verschijnt op Kerstmis a.s. Voor huishuur krijgt hij per jaar 150 c.g., de eerste keer te ontvangen op Michaelis 1651.
Voor water bezien mag hij 4 stuivers en voor zieken bezoeken 6 st. rekenen. Of 30 stuivers per week als hij er vaak komt. In tijden van haastige ziekten mag hij meer rekenen.
Voor wat de apotheek betreft moet hij zich houden aan de regels die zijn voorgangers moesten hanteren.

1656, Na het vertrek naar Amsterdam van de tweede gewone stadsmedicus doctor Egbertus Veen, heeft de andere stadsmedicus, dr. Antonius Vilerius, op zijn verzoek een tractementsverhoging gekregen van 300 naar 400 c.g. per jaar. Tevens krijgt hij voortaan 100 c.g. per jaar tot huishuur.

[Fol.52]
20.10.1661, De Raad heeft doctor Cornelius Veen naast doctor Anthonius Vilerius aangesteld tot stadsmedicus, op een tractement van 200 c.g. per jaar, te betalen in 4 termijnen (Kerstmis, Pasen, Johannis en Michaelis).

[Fol.53, oud XIIII]
Busmeesters.

De busmeester moet salpeter ‘luteren’, grof en fijn kruit maken, vuurpijlen, kloten, ballen en dergelijk ‘stichswerck’ maken. Verder moet hij met grof en klein geschut schieten als de stad dat van hem eist, binnen en buiten Kampen.
]Als hij voor de stad kruid en dergelijk bereidt, krijgt hij 5 stuivers per dag.
Als hij tegen de vijand optrekt, krijgt hij soldij, gelijk andere soldaten.
Verder moet hij reizen met de heren en krijgt dan vergoeding zoals de andere dienaars. Als hij reist krijgt hij 2 lb. per jaar als laarzengeld.

_↓_


|pag. 25|


Michaelis 1539, Op bovengenoemde voorwaarden is Hans, de zoon van wijlen mr. Hans, aangenomen als busmeester en roedendrager. Hij heeft de roede gekregen en ontvangt behalve de gewone roedendragerspensie ook nog 10 lb. als busmeesterspensie (Zijn termijnen zijn Pasen en Michaelis).

06.10.1541, Willem Schotteler is aangenomen als stadsbusmeester op bovengenoemde voorwaarden. Als pensie krijgt hij 25 lb., in twee termijnen te betalen (Pasen en Michaelis) en 10 lb. voor kledinggeld.

[Fol.53v]
Z.d., Herman Tymansz Stamp is aangenomen als busmeester, op een pensie als voren en 2½ heren ponden per jaar voor laarzen.

01.03.1552, Bernt van Stenforden is aangenomen om mede bij het geschut te zijn.
Hij krijgt een jaarlijkse pensie van 6 lb. op Pasen en 10 lb. voor kleding. Hij moet helpen vangen en spannen zoals de andere dienaars.

05.07.1554, Evert Valckener is voor een jaar aangenomen als stadsbusmeester op bovengenoemde voorwaarden. [De akte is niet afgemaakt]

15.07.1580, Gedeputeerden van de Raad zijn overeengekomen met mr. Bruyn van Hamele, bussenschut, dat hij boven het gewone salaris iedere maand (van 30 dagen) genieten zal een pond groot vlaams of 6 c.g. Als hij werkt in stadsdienst in de kruittoren of elders, krijgt hij de daarvoor geldende vergoeding, die hem op de ponden vlaams zullen worden gekort.
Zijn eed had hij gedaan op 16.06.1580.

[Fol.54, oud XV]
De boogmaker.

De boogmaker moet getrouw dienen, hij moet mee reizen en helpen misdadigers vangen en geleiden, zoals de andere roedendragers.

04.11.1580, Sebastiaen Dirckzen is voor een jaar aangesteld als stadsbusmeester, op een pensie van 16 keizersguldens per maand, een jaar gerekend op 12 maanden, ingaande 1 november 1.1. Voor het eerste jaar geeft de stad hem tevens twee tonnen stuiversbier.
Op de genoemde dag heeft mr. Sebastiaen de eed gedaan.

06.03.1581, Gedeputeerden van de Raad hebben Arent van Tuyll aangenomen als stadsbusmeester, op een pensie van 20 g.g. per jaar (In twee termijnen; Pasen en Michaelis), 10 lb. voor kleding en 4 lb. voor laarzen.
Als hij werkt [in het kryuthuis] of bij het geschut, krijgt hij 7 stuivers per dag. Hij behoeft geen wachtdienst te doen. Als hij uittrekt met troepen, krijgt hij naar gewoonte betaald. Hierop deed Arent de eed.

[Fol.54v, oud XVv]
22.12.1575, In acht genomen hebbende de dure tijden, heeft de Raad bepaald dat de stadsboden voortaan voor een reis naar Genemuiden of naar Zwolle zullen beuren uit en thuis 3 st.brab. Van alle andere reizen krijgen zij 2 stuivers brab. voor elke mijl dat hun doel van Kampen is verwijderd. Als zij naar het hof te Brussel of naar Antwerpen moeten, krijgen zij daarvoor een pond groot vlaams.
Boven hun mijlengeld krijgen zij voor elke nacht dat zij weg zijn 3 stuivers brab. voor nachtgeld. Het benodigde veergeld over rivieren en waden zal de stad hen betalen. Als zij op antwoord moeten wachten, krijgen zij per dag voor liggeld 6 st.brab. boven hun mijlgeld en nachtgeld. Voor Brussel en Antwerpen bedraagt het liggeld 7 st.brab.
Dit alles zal duren tot des Raads wederzeggen. Als toegemoetkoming in deze tijd van gevaarlijke wegen krijgt elke bode 6 heren ponden, zonder daaraan consequenties te mogen verbinden.

17.10.1584, Gedeputeerden van de Raad hebben Peter Jansz Brabander aangenomen

_↓_


|pag. 26|

tot stadsbusmeester op een pensie van 20 g.g. per jaar, te betalen in twee termijnen, 10 heren ponden kledinggeld en 4 heren ponden voor laarzen. Hij is vrijgesteld van burgerwachtdiensten. Als hij arbeid verricht, zowel in de zomer als in de winter en als hij bij het geschut is, krijgt hij per dag 7 st. Als hij uittrekt met de troepen, dan krijgt hij de gebruikelijke vergoeding.

[Fol.55]
27.09.1585, Gedeputeerden van de Raad nemen Johan Stuvesant aan als busmeester, op dezelfde voorwaarden en pensie als Peter Jansz geniet.

[Fol.56, oud XVI]
Briefdragers.

De briefdragers, messagiers of bijlopers krijgen tot mijlengeld een oude botdrager en voor een dag liggen twee oude botdragers. Zij zullen bij hun eed rekenschap doen van lopen en van liggen.

31.08.1540, Rotger Thonysz is aangenomen tot loper. Voor zijn kleding zal hij hebben 3 heren ponden per jaar. Hierop deed hij de eed.

22.06.1542, Berent Ottesz is aangenomen tot bijloper in plaats van Rotger Thonisz. Hij heeft de briefdragers eed gedaan.

24….1546, Henrick ten Busch is in plaats van wijlen Peter Lasman aangenomen als messagier. Hij moet de renten in het land van Vollenhove, Salland en Twente inmanen. Hij krijgt 20 lb. per jaar in twee termijnen (Nieuwjaar en Johannis) en 6 lb. voor kleding op Gregorii. Voor zijn stripe krijgt hij 1 g.g. Hierop deed hij de eed.

…07.1555, Claes Vrericsz is in plaats van Henrick ten Busch aangenomen om de stadsrenten in te manen in Salland, het land van Vollenhove en Twente, op een pensie van 20 heren ponden per jaar, te betalen in twee termijnen (Nieuwjaar en Johannis). Hij heeft de eed gedaan. Zijn vader Vrerick Droechscheer en zijn zwager Jonge Reyner zijn zijn borgen.

26.02.1547, Hans van Groningen is in plaats van wijlen Bernt Muller aangenomen als bode. Hij deed de eed.

[Fol.56v, oud XVIv]
26.01.1565, Johan Goch is in plaats van wijlen Geert Droess aangenomen als messagier, op een pensie van 8 heren ponden per jaar, te betalen in twee termijnen (Pasen en Michaelis) en 6 heren ponden kledinggeld. Zijn borg is Geert Leuwe. Johan heeft de eed volgens het stads Guldenboek gedaan.

19.02.1565, Henrick Claesz is aangenomen als messagier met ingang van Petri ad Cathedram a.s. Hij krijgt 8 heren ponden per jaar in twee termijnen (De eerste op Assumpt. Marie van dit jaar en de tweede op Petri ad Cath. 1566) en 6 heren ponden per jaar voor kleding. Hij heeft de eed gedaan volgens het Guldenboek.

22.10.1569, Henrick Jansz Tasschemaecker is aangenomen als stadsbode. Hij heeft de eed gedaan.

27.03.1577, Op verzoek van goede lieden heeft de Raad Johan Goch weer aangenomen als bode. Als hij zich weer tegen iemand van de Raad of een andere burger misdraagt, wordt hij voorgoed ontslagen en krijgt nooit weer een stedelijke functie.

[Fol.57]
24.09.1585, Joos Henrickxen van Deventer is aangenomen als stadsbode, op een pensie van 14 goudguldens per jaar, te weten 9 op Pasen en 5 op Michaelis. Hij heeft de eed gedaan.

_↓_


|pag. 27|

20.01.1595, Gerrith Jansz en Johan Gerritzen zijn aangenomen als messagiers en briefdragers.

28.01.1601, Wulff Melchiorsz is aangenomen tot stadsbode. Hij heeft de eed gedaan.

30.01.1601, Cornelis Henricksz is aangenomen tot stadsbode. Hij heeft de eed gedaan.

28.10.1603, Johan Thonijssen is aangenomen tot stadsbode. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.57v]
25.01.1605, Gerrit Maessen is aangenomen tot messagier en brievendrager. Hij heeft de eed gedaan.

19.12.1618, Op zijn verzoek en volgens apostille van de Raad is Arent Roeloffs aangenomen als ordinaris bode, messagier en brievendrager. Hij heeft op 29.12.1618 zijn eed gedaan.

26.08.1624, Hermen Lambertz is bij provisie aangenomen als ordinaris bode en brievendrager. Hij heeft de eed gedaan.

20.01.1625, Melchior Wolffs is aangenomen tot ordinaris bode en brievendrager. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.58]
03.02.1629, Johan Jansz Nest is bij provisie aangenomen tot brievendrager van de veerschippers en toezichthouder op de veerschepen, op de volgende eed:
Hij moet aanwezig zijn als de veerschepen tussen Kampen op Amsterdam aanleggen en afvaren. Hij moet de brieven aan de schipper meegeven en in ontvangst nemen.
[Aanvulling van 22.09.1671 tussen haakjes] (De brieven die hij uit Amsterdam krijgt, moet hij bestellen bij de geaddresseerden, zonder die aan anderen te laten zien). Hij moet zorgen dat de ligplaats voor het veerschip vrijblijft of vrijkomt. Van schippers die hun plaats niet willen afstaan aan het veerschip, mag hij 6 stuivers boete eisen, die hijzelf mag behouden. Hij moet ’s morgens om precies 9 uur / 11 uur het laatste touw van het vertrekkende veerschip losgooien.

15.08.1633, Arent Jansz is tot ordinaris bode en brievendrager aangenomen. Hij heeft de eed gedaan.

25.08.1657, Jan Jansz Nest is begunstigd met de dienst van het brievenbestellen, mits dat hij zijn moeder haar leven lang zal onderhouden en haar de halve profijten zal meegeven. Hierop deed hij de eed.

07.10.1671, Willem Janssen van den Berg is in de plaats van wijlen Jan Nest aangesteld tot brievenbesteller. Hij heeft de eed gedaan.

…03.1675, Benno Hagius van Vollenhove is in de plaats van Willem Jansen van den Berg aangesteld tot brievenbesteller. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.58v]
11.07.1636, Jan Arents is aangenomen tot ordinaris bode en brievendrager. Hij heeft de eed gedaan.

06.03.1647, Johan Carsten is aangenomen tot ordinaris bode en brievendrager. Hij heeft de eed gedaan.

19.05.1649, Claes Caspersen is aangenomen tot ordinaris bode en brievendrager. Hij heeft de eed gedaan.

_↓_


|pag. 28|

11.01.1655, Peter Alberts Bon is aangenomen tot ordinaris bode en brievendrager.
Zijn gewone tractement moet hij echter afstaan aan de impotente bode Jan Carsten, diens leven lang. Hij krijgt slechts de vergoeding voor het maken van reizen e.d. Hij heeft de eed gedaan.

30.09.1665, Henrick Rijcken is aangenomen als ordinaris bode. Hij heeft de eed gedaan.

17.02.1672, Jan Ibinck is in plaats van Claes de bode aangenomen tot ordinaris bode. Hij heeft de eed gedaan.

01.03.1675, Evert Janssen is in plaats van Hendrick Rijcken aangenomen als ordinaris bode. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.59, oud XVII]
De voorspraken.

De voorspraak moet de burgers dienen in zaken voor heren, steden en richters.
Als hij voor iemand buiten de stad moet reizen, moet die hem alle onkosten vergoeden. Als hij spreekt voor heren, zal hij genieten 2 heren ponden en als hij spreekt voor steden en richters 1 heren pond. Als hij naar Zwolle, Hasselt, Genemuiden, Vollenhove, Oosterwolde en verder moet reizen, dan zal hij ook hebben 1 heren pond, maar als hij dichterbij moet zijn, dan zal hij maar een half heren pond hebben. Hij moet ook, als hem dat gevraagd wordt, voorspraak voor de meiers van Kamper burgers zijn. Als zij hem niet kiezen, dan mag hij tegen hen spreken.
Als hij voor de burgemeesters of de Raad spreekt, zal hij een vleemse beuren en voor het schoutengericht een mengelen wijn. Hij mag van meiers van Kamper burgers en van gasten meer vragen als hij dat wil dan van Kamper burgers. Bij verschil van mening over zijn vergoeding is de Raad scheidsrechter. Hij moet gevangenen geleiden en aantasten en reizen gelijk andere stadsdienaars.
[In de marge:] Januari 1595, De Raad bepaalt dat voorspraken voor de Lage Bank een stuiver, voor de Hoge Bank 2 stuivers en voor het Scholtengericht ook 2 stuivers mogen vragen. Van vreemden mogen zij dubbel geld vragen. Zij mogen met hun opdrachtgevers geen afspraken maken over een betaling ineens, maar moeten op iedere rechtdag het vastgestelde bedrag beuren. In zaken die voor commissarissen dienen, mogen zij geen daghouders zijn.

01.02.1543, Kerstgen van Schindelen is aangenomen als voorspraak, op een pensie van 30 heren ponden per jaar in twee termijnen (Petri ad Vincula en Circumsisionis Domini). Hij behoeft geen gevangenen te leiden of aan te tasten.

[Fol.59v]
08.11.1544, Johan Kerckhoff is aangenomen als voorspraak in plaats van, en op dezelfde voorwaarden als wijlen Kerstgen van Schindelen, in gaande met a.s. Martini. Hij behoeft geen gevangenen te geleiden of aan te tasten. Zijn betalingstermijnen zijn Mei en Omn. Sanct.

[In rode inkt staat de aantekening dat het vervolg van de voorspraken op Fol.20 staat]

[Fol.60 is niet aanwezig]

[Fol.61, oud XVIII]
06.04.1582, Mr. Reint Martens is door gedeputeerden van de Raad voor drie jaar als voorspraak gecontinueerd. Hij zal voortaan genieten als pensie 25 g.g. per jaar in twee termijnen (Michaelis en Pasen). De Raad zal met de burgerhopman regelen dat Mr. Reint niet zelf behoeft te waken, maar een geschikt persoon in zijn plaats mag zetten.
Als Tijmen, de zoon van mr. Reint, zich in de stad vestigt, krijgt hij de burgerschap voor niets.

_↓_


|pag. 29|


06.04.1585, Gedeputeerden van de Raad continueren mr. Reijn Martensz voor een jaar als voorspraak.

09.02.1626, Mr. Yvum Sybrandum is door gedeputeerden van de Raad voor een jaar aangenomen als voorspraak, op de voorwaarden die daar voor gelden.

[Fol.63v, oud XVIIIv]
26.03.1585, Wilm Gerritsz Bosch van Amersfoerdt is door gedeputeerden van de Raad voor drie jaar aangenomen tot voorspraak. De opzegtermijn is 3 maanden. De pensie bedraagt 25 g.g. per jaar in twee termijnen, zoals de andere voorspraken ook genieten. De burgerschap van de stad wordt hem geschonken.

11.01.1586, Gerrith Jacobzen is door gedeputeerden van de Raad aangenomen tot voorspraak, op een jaarlijkse pensie zoals Rein Martensz heeft gehad. Zijn dienst gaat op heden in. De eerste pensie zal hij beuren op Johannis te midzomer. Ook de bepalingen betreffende de burgerwacht, zoals die golden voor Rein Martensz, zullen op hem van toepassing zijn.

04.03.1588, Mr. Gerrith Hellinck van Deventer is door gedeputeerden van de Raad voor een jaar aangenomen als voorspraak, op een jaarlijkse pensie van 25 g.g. in twee termijnen (De eerste op Pasen a.s. en de tweede op Michaelis). Voor hem zijn de bepalingen over wachthouden en betaling van de wekelijkse stuiver gelijk aan die van Mr. Adam Caldenbach.

19.06.1591, Mr. Henrick Gaem is door gedeputeerden van de Raad voor een jaar aangenomen als voorspraak, op de voorwaarden als die welke hebben gegolden voor mr. Gerrit Hellinck.

30.06.1598, Mr. Johan Mulner is door gedeputeerden van de Raad voor een jaar aangenomen als voorspraak, ingaande Michaelis a.s., op een pensie van 50 g.g. per jaar, te betalen in twee termijnen (Pasen 1599 en Michaelis daar op volgend). Voor zijn verhuizing naar Kampen krijgt hij 20 g.g., hij mag in een stadstoren wonen en men zal hem en zijn kinderen de burgerschap schenken. De Raad heeft hierin bewilligt op 01.07.1598.
Mr. Johan heeft 18.01.1599 de eed gedaan.

07.11.1613, Mr. Peter Vette is door gedeputeerden van de Raad voor 6 jaar aangenomen als voorspraak, ingaande op Pasen a.s., op een pensie van 50 g.g. per jaar (Pasen en Michaelis). Voor zijn verhuizing naar Kampen krijgt hij 30 g.g.
De Raad stemt hiermee in op 08.11.1613.

[Fol.62]
10.09.1633, De Raad heeft Gosewinum van Langenburch voor een jaar aangenomen tot voorspraak, op de voorwaarden zoals Ivo Sibrandus heeft gehad, ingaande a.s. Michaelis.

09.11.1640, De Raad heeft Henricum Crachtsen Stuirman I.U.L. voor een jaar aangenomen tot voorspraak, op de voorwaarden zoals die tegenwoordig gelden, en ingaande met Pasen 1641. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.62v]
09.11.1640, De Raad heeft Johannem Veene I.U.D. voor een jaar aangenomen tot voorspraak, op de voorwaarden zoals die tegenwoordig gelden, ingaande met Pasen 1641. Hij heeft de eed gedaan.

13.01.1653, De Raad heeft Everwijn van Benthem I.U.D. in plaats van Henrick Crachtsz Stuirman I.U.L., op de voorwaarden die tegenwoordig gelden aangenomen tot voorspraak, ingaande met Pasen a.s.

[Fol.63]
27.04.1656, De Raad heeft de E. Hermen de Baeck voor een jaar aangenomen als advocaat, op de voorwaarden en tractementen zoals de andere advocaten hebben.

_↓_


|pag. 30|


[Vide Fol.20]

[Fol.64, oud XIX]
De truffelmeester.
De truffelmeester moet de burgers, kerken en gasthuizen getrouw dienen als zij dat van hem begeren. Buiten de stad mag hij alleen met toestemming van de Raad werk aannemen.
Als er aan de stadspoorten, -torens of -muren iets te herstellen is dat een knecht kan doen, dan zal men die knecht een normale daghuur geven. Als een knecht het niet goed doet, moet de truffelmeester een andere knecht leveren. De muurmeesters zullen daarop letten. Als er hout van afbraak vrijkomt dat de stad niet wil hebben, dan mag [Willem ?] de truffelmeester het hebben.
Hij krijgt 10 lb. kledinggeld en een stadspoort tot woning. Als hij voor de stad werkt, krijgt hij per dag 8 st.brab.

15.02.1543, Meister Bernt van Coesvelt is voor zes jaar aangenomen als stadstruffelmeester. Hij krijgt 10 lb. kledinggeld en een stadswoning. Als hij voor de stad werkt, krijgt hij 7 st. brab. per dag.

01.03.1544, Meister Hans van Venloe is aangenomen tot truffelmeester, op een pensie en daghuur zoals wijlen mr. Bernt heeft gehad.

[Fol.64v, oud XIXv]
25.10.1571, Mr. Hans van Venloe is op de oude voorwaarden weer als stads truffelmeester aangenomen, te weten op de voorwaarden zoals die hebben gegolden voor wijlen mr. Berent van Coesfelt.

14.09.1581, Herman van Coesfelt is aangenomen tot stadstruffelmeester, op dezelfde voorwaarden als die welke golden voor mr. Berent van Coesfelt. Hij heeft de eed gedaan.

29.04.1585, Henryck Hermssz is aangenomen tot stadstruffelmeester, op de voorwaarden zoals zijn vader heeft gehad. Hij heeft op die voorwaarden, die hem werden voorgelezen, zijn eed gedaan.

01.12.1603, Johan Henricksz is aangenomen tot stadstruffelmeester op de voorwaarden zoals zijn vader heeft gehad. Hij heeft op die voorwaarden, die hem werden voorgelezen, de eed gedaan.

30.08.1613, Gerrit van der Elburch is aangenomen tot stadstruffelmeester, op de voorwaarden zoals zijn voorgangers die hebben gehad. Hij moet de justitie helpen gelijk andere officianten. Hij heeft de eed gedaan.

01.08.1614, Mr. Berent Gerrytsz is aangenomen als stadstruffelmeester, op de voorwaarden zoals zijn voorgangers die hebben gehad. Hij moet de justitie helpen als hem dat wordt gevraagd. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.65]
Voorwaarden waarop de stadstruffelmeester Johan Henricksz is aangenomen.
Hij zal 20 lb. per jaar hebben. Hij krijgt van Gregorii tot Lamberti 20 stuivers per dag, van Lamberti tot Martini 18 stuivers per dag, van Martini tot Lichtmis 16 stuivers per dag en van Lichtmis tot Gregorii 18 stuivers per dag.
Knechten en jongens moet hij aannemen ten overstaan van cameraars en rentmeesters. Hij mag van knechten, die in hun daghuur gekort worden zoals de meester, geen profijt hebben.
Zonder consent van de cameraars mogen hij en zijn knechten geen werk buiten de stad aannemen.
Hij moet elke maandag aan de cameraars en rentmeesters een specificatie geven van de namen van de knechten en het werk dat zij in stadsdienst verricht hebben.
Op die dag moet hij ook afspraken maken over de komende werkzaamheden.
Hij moet als eerste op het stadswerk verschijnen en als laatste weggaan en daarvan slechts met toestemming van de cameraars en rentmeesters absent zijn.

_↓_


|pag. 31|

Hij moet, als hem dat gevraagd wordt, met leden van de Raad op reis gaan, zowel bij dag als bij nacht.
Hij moet de eed doen dat hij het beste voor de stad zal doen.
Als hij buiten de stad wordt gezonden om te werken, zal hij loon krijgen zoals de Raad dan bepalen zal.
Op 13.05.1606 heeft stadstruffelmeester Johan Hendriksz op het bovenstaande, dat hem werd voorgelezen, de eed gedaan.

[Fol.65v]
28.02.1654, Anthoni Gerrits heeft na voorlezing van de voorwaarden de eed als stadstruffelmeester gedaan.

05.05.1655, Mr. Melchior metselaar deed de eed als truffelmeester.

[Fol.66, oud XX]
Leidekker.
Hij zal als hij dekt voor de stad per dag 6 Camper kromstaarten hebben. Als hij een meesterknecht heeft die voor de stad werkt, zal die 4 Camper kromstaarten genieten. Een jongen zal ook 4 Camper kromstaarten genieten. De stadsleidekker moet mee op reis als hem dat gevraagd wordt en als hij geen werk heeft ook helpen met het vangen en geleiden van misdadigers.

03.02.1542, Jacop en Henryck zijn voor 6 jaar aangenomen als stadsleidekkers, op dezelfde voorwaarden als voor hen Herman en Mathys als leidekkers hebben gehad.
Zij moeten de stadstorens, -huizen, schepenkapel en verder alles wat de stad te dekken heeft, dicht maken en -houden op hun eigen kosten, dat wil zeggen hun arbeid, leien en leinagels moeten zij leveren. Houtwerk, lood, ijzerwerk en grote nagels zal de stad betalen. Geheel nieuwe bouwwerken moeten zij dekken op stadskosten.
Herman en Mathijs, die oud en bedaagt zijn, en niet best meer kunnen werken, hebben nog een contract dat vijf jaar duurt. De Raad vermindert dat tot drie jaar. Als die drie jaar om zijn, zullen de dienst en voorwaarden van Jacob en Henryck ingaan. Hun jaarlijkse pensie zal 31 lb. bedragen (Op 1 maart).
Als gedurende de komende drie jaar Herman en Thijs van de stad werk aannemen, zullen zij Jacop en Henrick daar bij betrekken als helpers.

07.02.1544, De Raad heeft bepaald dat Henryck leidekker de dienst alleen zal waarnemen, want Jacob is uit de stad vertrokken.

[Fol.66v, oud XXv]
24.09.1614, Johan Jansz is aangenomen tot stadsleidekker. Bij provisie voor een jaar.

[Fol.67, oud XXI]
Stratemaker.

09.03.1540, Henrick van Utrecht is voor 6 jaar aangenomen als stadsstratemaker.
Hij moet de straat van de Coeborch tot aan de Venepoort, zo breed en vierkant als die nu is, dichtmaken en onderhouden. Als ter plaatse de dijkschouw gehouden wordt, zal ook de straat worden geschouwd. Door overstromingen weggespoelde gedeelten zal men hem niet aanrekenen. Voor het onderhoud van die straat zal de stad hem een opperknecht en zand en stenen ter beschikking stellen. Als hij een slecht stuk straat, na daarover te zijn verwittigd, niet direct hersteld, zullen de cameraars dat door een ander laten herstellen op zijn kosten.
Tot pensie krijgt hij 10 lb. op Michaelis en tot kledinggeld 10 lb. op Pasen.
Als de stad of de burgerij hem voor ander straatwerk nodig hebben, zal hij in de zomer 5 en in de winter 4 stuivers brabants per dag voor zijn loon mogen rekenen.
Hij moet, als de Raad hem dat beveelt, evenals de andere stadsdienaars, helpen misdadigers te vangen en te geleiden en mee uit gaan op stadsreizen. De stad zal hem een woning geven.

_↓_


|pag. 32|

01.03.1550, Herman Willemsz is voor 6 jaar aangenomen als stadsstratemaker. Hij krijgt 6 lb. kledinggeld en de Koornmarktspoort tot woning. Hij moet als stadsofficiant dezelfde zaken verrichten als de andere stratemakers, behalve de straat naar de Coeborch. Verder moet hij de burgers die hem nodig hebben naar behoren van dienst zijn.

[Fol.67v, oud XXIv]
09.02.1553, Herman Willemsz is voor een jaar in zijn dienst gecontinueerd.
Zonder toestemming van de burgemeesters mag hij niet uit de stad reizen.
[Hij was in 1550 al aangenomen voor 6 jaar !]

11.11.1581, Herman Willemsz is voor 3 jaar aangenomen als stadsstratemaker, op dezelfde voorwaarden en pensiën als wijlen Evert stratemaker. Hij krijgt ook de woning.

19.04.1594, Gedeputeerden van de Raad hebben Peter Willemsz van Deventer voor 6 jaar aangenomen als stadsstratemaker. Als pensie krijgt hij 10 lb. op Michaelis en 10 lb. op Pasen. Tevens krijgt hij een stadswoning. Als hij voor de stad werkt, krijgt hij in de zomer (van Petri tot Michaelis) 12 stuivers per dag en in de winter (van Michaelis tot Petri) 9 stuivers per dag. Van zijn knechten zullen zij die hetzelfde werk verzetten ook hetzelfde verdienen. De straatmeesters van de Raad zullen hun loon bepalen. Hij moet de stad ten dienste zijn zoals de roedendragers, boden, smeden en metselaars.

07.09.1602, Jan Jansz van Deventer is op dezelfde voorwaarden als hiervoor genoemd, aangenomen als stadsstratemaker. De eerste betalingstermijn zal verschijnen op Pasen 1603.

[Fol.68]
05.02.1557, Gedeputeerden van de Raad zijn met de stratemakers Herman en Evert overeengekomen dat zij de hen door de straatmeesters aangewezen straten en goten zullen maken op goede hoogte en zo dat het water kan weglopen. Burgers of anderen die eigenaars van de te repareren straten zijn, moeten voor zand, steenmot en stenen zorgen.
De stratemakers mogen voor het maken van een ‘ronde’ van 16 voeten lang en 16 voeten breed 9 stuivers brabants rekenen. Van een halve en een vierde ronde mogen zij rekenen naar verhouding. Van ‘gruepen en goeten’ mogen zij een voet rekenen voor twee voeten. Zij mogen van de burgerij geen hoger loon vrager.
Dit verdrag is hen op 11.02. voorgelezen.

07.06.1634, Mr.Michel Kerker [?] is aangesteld tot stadsstratemaker op de voorwaarden en pensiën die daarvoor gelden. Hij heeft de eed gedaan.

21.02.1645, Mr. Arent Bruijns is aangenomen als ordinaris stadsstratemaker op voorwaarden en pensiën als zijn voorgangers. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.69]
30.06.1647, Mr. Govert Sijbrantsz van Utrecht is aangesteld tot ordinaris stadsstratemaker op de volgende voorwaarden.
Hij mag van Midvasten tot Martini 24 stuivers per dag als arbeidsloon rekenen, zowel voor stads- als burgerwerk. Zijn knecht 20 stuivers per dag. Van Martini tot Midvasten 20 stuivers en zijn knecht 16 stuivers.
Van een roede in het vierkant te bestraten mag hij 42 stuivers rekenen. De roede gerekend voor 16 voeten en de voet voor 11 duimen. Het opbreken van de oude bestrating en het leveren van materialen komen voor rekening van de opdrachtgevers; hij en zijn knecht hebben daar geen bemoeienis mee, want hun werk is het zetten en stampen van de stenen. Zijn gereedschap zal op kosten van de stad onderhouden en gerepareerd worden. [Fol.69v] De stad zal hem per jaar 50 carelsguldens tot tractement geven, in twee termijnen te betalen (Pasen en Michaelis), waarvan het eerste zal verschijnen op Pasen 1648. Hij zal door de stad met een passende woning worden voorzien. Er zal zo veel mogelijk voor worden gezorgd dat hij niet zonder werk komt te zitten. Hij moet evenals zijn

_↓_


|pag. 33|

voorgangers de justitie helpen.

06.05.1665, Gerrijt Wijndeltsz is in plaats van zijn vader Wijndelt Henrixen aangenomen als stadsstratemaker. Hij moet de justitie helpen als hem dat gevraagd wordt. Als zijn vader met het gasthuis zal worden gebeneficieerd, zal op zijn tractement worden gedisponeerd.

[Fol.70]
03.07.1693, Willem Tennissen van Vollenho is, in plaats van wijlen Gerrit Wijnolts, voor een jaar aangesteld tot straatmeester, op voorwaarden en pensiën die daar voor staan. Hij moet de justitie assisteren.

25.08.1697, Laurens Hanssen Metselaar is in plaats van Willem Teunissen van Vollenhove aangesteld tot straatmeester, op de daarop staande voorwaarden en profijten. Hij moet de justitie assisteren.

[Fol.70v is onbeschreven]

[Fol.71, oud XXII]
De apotheker.

De apotheker moet in zijn apotheek in voorraad hebben alles wat een goede apotheker in Amsterdam, Deventer of Utrecht ook in voorraad heeft. Hij mag de medicijnen niet duurder verkopen dan de apothekers in genoemde steden. Burgers die de apotheker te duur vinden, mogen hun recepten naar genoemde plaatsen sturen en informeren wat de medicijnen daar kosten. Voor dezelfde prijs moet de Kamper apotheker die dan leveren. De stad heeft het recht om elk moment door twee raadsleden en de stadsmedicus de apotheek te laten inspecteren. Mankementen in zijn voorraad moet hij binnen een maand herstellen op een boete van 80 lb. De apotheker moet een bekwame knecht houden.
Andere apothekers mogen zich op dezelfde voorwaarden, zonder toestemming van de stadsapotheker, hier vestigen.

1548, Mr. Johan apteker is aangenomen als stadsapotheker, op bovengenoemde voorwaarden. Zijn pensie zal bedragen 12 lb. op Pasen en 12 lb. op Jacobi.

18.07.1564, Mr. Johan apoteker is door gedeputeerden van de Raad voor 6 jaar gecontinueerd als stadsapotheker. Hij moet de apotheek zelf waarnemen of dat door een goede knecht laten doen, zodat de doctoren geen klagen hebben. Hij krijgt tot pensie 18 lb. op Pasen en 18 lb. op Jacobi. De eerste pensie zal verschijnen op Pasen 1565. Als er een, twee, of ten hoogste driemaal klachten over hem komen, verliest hij de pensie van het betreffende jaar.

[[Fol.71v]
13.10.1576, Gedeputeerden van de Raad hebben de weduwe van mr. Johan van Zuirbeke voor een jaar aangenomen als houdster van de apotheek. Haar zoon Wychar van Zuirbeke of een bekwame knecht moeten de apotheek bedienen zoals wijlen haar man dat deed. Als haar zoon of de knecht niet aanwezig zijn als een van de medici hen nodig heeft, verbeurt zij een heren pond. Zij moet binnen de eerstkomende 6 weken haar winkel voorzien met alle benodigde materialen. Tot pensie krijgt zij 18 lb. op Pasen a.s. en 18 lb. op Michaelis.

[Fol.72, oud XXIII]
Poortsluiters.

Nadat des morgens de hoofdwachters de sleutels van de grote poorten gehaald hebben en deze poorten hebben ontsloten, moeten de poortsluiters de sleutels van waterpoorten van het huis van de burgemeester halen en de waterpoorten ontsluiten. De openingstijden zijn vastgesteld volgens de tijd van het jaar. Nadat zij de poorten hebben geopend moeten zij de sleutels weer naar het huis van de burgemeester brengen. Des avonds moeten zij de sleutels weer halen en de waterpoorten sluiten voordat de grote poorten dichtgaan. De sleutels blijven ’s

_↓_


|pag. 34|

nachts bij de burgemeester. Zij mogen zonder toestemming van de burgemeester voor niemand de poort openen om secreten [toiletten] te reinigen. De sleutels mogen niet van de bos worden gehaald.
De poortsluiters moeten de grote en kleine poorten openen en sluiten op door de Raad vastgestelde tijden.

12.01.1540, Aan Coert Kuper en Jan Wachter, poortsluiters, zijn deze voorwaarden voorgelezen. Zij zullen elk 40 lb. per jaar beuren, te betalen in 4 termijnen (Pasen, Johannis, Michaelis en Midwinter). Als kledinggeld krijgen zij 6 lb.
Hierop hebben zij de eed gedaan.

06.11.1543, Goosen Henrijxz is in plaats van wijlen Johan Wachter aangenomen als poortsluiter. Hij moet getrouw dienen en eventueel helpen bij het geschut; als er moet worden geschoten met een halve slang, met een cartouw of met ander geschut.

[Fol.72v, oud XXIIIv]
28.06.1548, Lubbert Mertensz is in plaats van Goessen Hermensz aangenomen als stadspoortensluiter op een jaarlijkse pensie van 40 heren ponden, in vier termijnen te betalen (Michaelis, Midwinter, Pasen en Johannis).

26.09.1553, Arent Brouwer is in plaats van wijlen Coert Sluyter aangenomen als stadspoortensluiter op dezelfde voorwaarden en pensiën.

26.11.1584, De Raad verbetert de pensie van de poortsluiters van 12% heren ponden tot 16 heren ponden, ingaande Petri 1585.

12.08.1589, De Raad heeft op aanhoudende verzoeken van de poortsluiters Henryck en Harmen hun pensie verhoogd tot 40 g.g., te betalen in twee termijnen, n.l. Pasen en Michaelis, ingaande op Michaelis a.s.

[Fol.73, oud XXIIII]
Wachters.
Voorwaarden.
De wachters Boven en Buiten zullen per nacht niet meer hebben van de burgers dan twee waken. Zij zullen volgens oude gewoonte ook de hoornblazer twee waken geven.
Wanneer zij voor de burgers wachters winnen, zal men die van Pasen tot Michaelis 4 plakken en van Michaelis tot Pasen 3 plakken per nacht geven.
Als de Raad bepaalt dat de burgers zelf moeten waken, dan mogen slechts plaatsvervangers worden gehuurd in uiterste noodzaak, en dan nog met instemming van de Raad. De wachters moeten de namen van de vervangers aan de Raad bekend maken. Deze vervangers moeten zonder tussenkomst van anderen, van hen die zij vervangen het waakloon beuren.
Zij zullen s’ nachts op het waakhuis blijven. Een waakt er tot middernacht en wekt daarna de andere, die dan waken moet. Zij moeten zorgen dat de omgang [patrouille] op tijd vertrekt. Zij moeten de omgang bevelen dat zij de sluitingen van de poorten controleren. Tijdens hun wacht moeten de wachters ‘onstuer en onleede’ bedwingen. De dag nadat zij ‘onstuer’ bedwongen hebben, moeten zij de namen van de onstuermakers aan de burgemeesters melden, of zij nu arm of rijk zijn. Met niemand mogen zij zelf een accoord sluiten.
Slechts met consent van de Raad mag iemand zijn post verlaten.
Als het nodig is moeten de wachters helpen bij het aantasten en geleiden van misdadigers.
Als er ’s nachts een poort geopend moet worden voor het schoonmaken van privaten [toiletten], moet men hen een mengelen wijn geven. Zij moeten deze vergoeding, en dat is opgenomen in hun eed, samen delen.
Hun loon zal bedragen 28 heren ponden per jaar, te betalen in vier termijnen, als Midwinter, Pasen, Midzomer en Michaelis. Voor kledinggeld krijgen zij 6 heren ponden op Martini.
[Het volgende, naderhand gemerkte tekstdeel, is waarschijnlijk per abuis bij de voorwaarden van de wachters opgenomen. Het behoort denkelijk tot de

_↓_


|pag. 35|

voorwaarden van de poortsluiters]
Zij moeten de klincketten dicht- en opendoen. Bij het sluiten moeten zij luid genoeg kloppen, zodat een ieder het horen kan. Slechts met consent van de burgemeesters mogen zij na sluitingstijd nog iemand in of uit de stad laten.

[Fol.73v, oud XXIIIIv]
27.07.1546, Arent Segersz is aangenomen tot wachter in de Hagen, op een pensie van 19½ heren ponden en 6 heren ponden kledinggeld per jaar. Hij moet, evenals wijlen Henryck Wesselsz deed, de baerdzen [boten] onderhouden.

18.12.1554, Dezelfde Arendt Segertzen, anders recht genoemd Arendt Gerritzen, is aangenomen om toezicht te houden op de haven en het nieuwe Rijckels Hoefft. Hij moet toezien dat er geen vuilnis in de haven of de IJssel wordt gegooid. Als loon krijgt hij het vierde deel van de op te leggen boetes, tot een maximum van een vierde deel van 100 schillingen. Verder mag hij ieder jaar twee koeien laten weiden op de Grient of op Soeveningen, mits hij dat vóór mei aangeeft. Hij moet overtreders (zij die vuilnis in het water gooien) aanbrengen volgens zijn eed.

[Fol.74, oud XXV]
De koster Boven.

Voorwaarden.
Hij moet de kerk en de kleinodiën van de kerk beheren en daar borgen voor stellen.
In de zomer moet hij iedere week of om de week de wijwatervaten schoonmaken.
Hij moet de ‘truggelaers’ verbieden om tijdens de kerkdienst te bedelen, bij verlies van hun nap of hoed en het daarin aanwezige geld. Voor dat werk mag hij zijn onderkoster, de doodgraver, de beul, of andere stadsdienaars te hulp roepen.
Hij moet de sacramentalia [misoffers] administreren en de cureit de helft van de brabantschen geven.
Hij moet in de kosterij wonen en slapen en ’s nachts een waakhond in de kerk houden.
Hij moet een hondezweep hebben om de honden, die tijdens de dienst blaffen of ander lawaai maken, uit de kerk te jagen.
Iedere dag moeten hij of zijn onderkoster op tijd voor de eerste mis in de kerk zijn.
Ook als de eerste mis gehouden is, moeten hij of zijn onderkoster in de kerk blijven, zodat er iemand aanwezig is wanneer de priesters, kerkmeesters of de parochianen iets te vragen hebben.
Op vrijdag en op andere dagen moet hij op de bede [collecte] en de kleinodiën van de kerk letten.
Hij moet het kleine klokje in het kruiswerk luiden of laten luiden als een priester zich aanmeld om een mis te doen.
Op werkdagen moet hij de kerk sluiten vóór de middag als de diensten zijn afgelopen. Na de middag, als men niet preekt, moet hij de kerk weer openen als men het eerste vesper doet.

[Fol.74v]
‘Dus pleecht men van oldes togader to vesper te luden’.
Op grote hoogtijdagen om één uur voor de eerste keer en om twee uur ‘to gader’.
Op kleine hoogtijdagen of wanneer de tafel open is op het hoge altaar om half twee voor de eerste keer en even na twee uur ‘to gader’. Op werkdagen om twee uur voor de eerste keer en om half drie ‘to gader’.
Hij (de koster) moet de kerkmeester onderdanig en behulpzaam wezen en met hun raad en consent een onderkoster houden.
Hij moet luiden voor de mis en de vesper als voorschreven staat of zoals hem de kerkmeesters bevelen, volgens de tijd van het jaar.
Hij mag de priester geen verschaalde wijn of slecht brood geven voor de mis of voor de ‘berichtinge’ van het volk.
De koster en onderkoster moeten zowel bij dag als bij nacht met de priesters meegaan om de zieken te voorzien van de sacramenten. Ook moeten zij helpen bij de doop.

_↓_


|pag. 36|

De kleinodiën en ornamenten van de kerk moet hij zelf te voorschijn halen en na gebruik weer opbergen. Hij mag die zonder consent van de kerkmeesters aan niemand uitlenen.
Hij en de onderkoster moeten de kerkmeesters helpen bij het inmanen van het verschuldigde kerkengeld en het geld van groeven.
Hij moet het uurwerk, dat erg kostbaar en kwetsbaar is, goed beheren en daar geen ander dan de onderkoster bij laten.

[Tussen Fol.74v en 75 staat op een strookje het volgende:]
14.11.1571, Andries Russefoert van Camerijck is aangenomen tot stadsscherprichter.

19.04.1572, Mr. David Vercher is voorlopig voor een jaar aangenomen tot scherprichter. Hij heeft beloofd om geen geschutte varkens voor geld te lossen.

[Fol.75, oud XXVI]
De uurwerkstellers [doorgehaald].

Het zilverwerk in de Sint-Nicolaaskerk.

Op Goede Vrijdag 1523 heeft Rombout de Voss, zangmeester en koster, aangenomen het stadszilverwerk te beheren. Zijn schoonvader Jan Boss is zijn borg.
Heer Jan Rynckhouwer heeft hem het volgende overgeleverd.
Het grote vergulde kruis.
Een klein zilveren kruisje.
Vier grote zilveren monstransen.
Een klein monstrans met kristal.
Een hoge zilveren kroes met een deksel.
Een vergulde kelk waaruit men ‘de luden’ wijn geeft.
Twee zilveren ‘claeskens’.
Een kleine zilveren kroes op voetjes.
Een met zilver beslagen notte [noot ?].
Twee zilveren pullen.
Twee zilveren wierookvaten.
Drie vergulde spannen.
Twee beslagen ‘mastren’ nappen.
Drie grote zilveren nappen en een klein schaaltje.
Zeven zilveren grote en kleine ‘steexkens’.
Een grote en drie kleine zilveren kelken met patenen.
Een zilveren ‘paes’.
De tafel met de zilveren vissen, rocken, harten, en anders.
Coram provisoren Lubbert van Hattem en Jaspar Jansz en kerkmeesters Jacob Hoppenbrouwer en Claes van den Veene.

[Fol.75v, oud XXVIv]
Van de eerste mis.
Heer Jan Rynckhouwer heeft aan heer Gheert Pelser overgeleverd voor de eerste mis twee zilveren pullen en een ronde zilveren ‘paes’.

14.06.1527, Meester Jan Voss van Mechelen is in plaats van zijn overleden broeder meester Rembolt aangenomen tot zangmeester, koster en bewaarder van het zilverwerk. Alles op voorwaarden zoals in Ordinario Antiquo, Fol.XXIo geschreven staat. Zijn borgen zijn heer Evert Witte en secretaris Johan Breda.

[Fol.76, oud XXVII]
Harnasmaker -doorgehaald-.

Uurwerkstellers.

De uurwerksteller moet de stadsuurwerken goed afstellen en beheren.

25.02.1542, Johan van Brandehorst, slotemaker en stadsuurwerksteller, krijgt

_↓_


|pag. 37|

naast zijn pensie van 15 lb. per jaar nu ook nog 3 lb. per jaar voor zijn kleding en strijpe. Hij moet de stad dienen zoals de andere stadsdienaars doen.
09.01.1551, Zijn kleding- en strijpegeld is verhoogd tot 6 lb. per jaar.

16.04.1554, Mr. Henrick Struijs is aangenomen als stadsuurwerksteller. Hij moet de stadsuurwerken ‘stellen ende regeren mijt kercken, sange ende anders, als sulx nae die tijdt behoert, dat het gancber bliven’.
Hij moet evenals de andere stadsdienaars helpen als men dat van hem eist.
Hij krijgt ieder jaar op Mei 15 lb. pensie en op Pasen 10 lb. kledinggeld.
Hij heeft zijn eed gedaan op bovengenoemde datum.

03.04.1555, Mr. Henrick Struijs krijgt vanaf nu 16 lb. per jaar. Hij heeft meer werk met het stellen van de uurwerken dan zijn voorgangers.
Zijn pensie verschijnt op 3 april. Hij moet te land en te water helpen met het geschut als de stad het van hem begeert. Hij moet een gezel houden en die leren hoe het uurwerk moet worden gesteld, voor het geval hij komt te overlijden.

De voorwaarden van mr. Johan Sloetemaeker kan men vinden in het LXXI blad.

[Fol.76v, oud XXVIIv]
De harnasmaker.

De stadsharnasmaker moet de stad getrouw dienen. Hij behoeft niet verder voor de stad te reizen dan een dag en een nacht afwezigheid uit de stad.

02.09.1563, Geert Harnesmaeker is aangenomen als stadsharnasmaker. Hij moet ook helpen bij het vangen en spannen, zoals de andere stadsdienaars. Als het van hem geëist wordt, moet hij een craele [leerjongen] houden om het vak te leren. Hij hoeft deze jongen niet in kost te nemen. De woning waarin hij nu woont, mag hij gebruiken tot des Raads wederzeggen. Hij zal jaarlijks de halve kleding van de stad genieten. Hierop deed hij de eed.

18.02.1580, Willem Kruke van Wesel is aangenmen als stadsharnasmaker [op voorwaarden als boven]. Hij krijgt 12 goudguldens per jaar in twee termijnen (Pasen en Michaelis) en de halve kleding en hij mag wonen in de woning waarin Hugo die voerman woonde.

[Fol.77]
Zadelmaker.

08.11.1586, Welmer Janssen heeft zijn eed gedaan als stadszadelmaker. Hij krijgt 10 lb. per jaar voor kleding, 6 lb. voor het lappen van de zadels en 2 lb. voor laarzen. Zijn voorwaarden zijn gelijk aan die van zijn voorgangers.

[Fol.77v is onbeschreven]

[Fol.78, oud XXVIII]
Zadelmaker.

17.07.1550, Hermen van Nuys is voor 6 jaar aangenomen als stadszadelmaker. Hij krijgt 10 lb. kledinggeld en 2 lb. voor laarzen per jaar en 6 lb. voor het lappen van de zadels. Als de stad dat van hem eist, moet hij reizen te paard maken. Verder moet hij de stad helpen zoals andere stadsdienaars verplicht zijn te doen.

23.04.1558, Thijs Dirckzen is voor 6 jaar aangenomen als stadszadelmaker, op voorwaarden en pensie als boven.

02.09.1563, Jan Saelmaeker is tot des Raads wederzeggen aangenomen als stadszadelmaker, op voorwaarden en pensie als boven.

29.11.1581, Niclaes van Niclaespoorte heeft de eed gedaan als stadszadelmaker.

_↓_


|pag. 38|

Zijn voorwaarden zijn gelijk aan die van zijn voorgangers.
Marge: 20.10.1582, Hij is van zijn eed ontslagen.

20.10.1582, Jan Jansz Saedelmaeker heeft de eed als stadszadelmaker gedaan. Zijn voorwaarden en pensie zijn gelijk aan die van zijn voorgangers.

[Fol.78v, oud XXVIIIv]
17.03.1548, Willem van Utrecht is aangenomen als scherprichter, op de voorwaarden waarop Bernt van Coesvelt was aangenomen.

05.01.1549, Hans Backstien van Overwesell is aangenomen als scherprichter. Boven wat hem in zijn voorwaarden als salaris wordt beloofd, krijgt hij op ieder van de vier hoogtijdagen nog 1 goudgulden.

[Fol.79, oud XXIX]
De scherprichter.

26.08.1540, Henryck Moysesz van Delfft is aangenomen als scherprichter.
Iedere week krijgt hij 1 lb., te betalen ‘van de kist’ in de wijnkelder. Tot woning krijgt hij des boedelstoren. Zijn kledinggeld zal bedragen 6 lb. en voor het maken van zijn kleding krijgt hij 1½ lb. Voor het omroepen dat de straten moeten worden gereinigd krijgt hij jaarlijks 1 postulaatsgulden.
Hij moet doen wat zijn voorgangers deden. Vertrekt hij van hier zonder verlof van de Raad, dan heeft hij zijn rechterhand verbeurd. Hiertoe zal men alle rechters vragen hem te berechten.
Na het wekelijks roepen dat men de straten voor en achter de huizen moet schoonmaken, moet de scherprichter controleren of het wel gebeurd is. Overtreders vallen in een boete van een vleemse, te betalen aan en tot behoef van de scherprichter. De scherprichter moet het vuilnis laten weghalen op kosten van de nalatigen.
Hij moet tot goeddunken van de Raad zijn leverreye [livrei/teken] dragen.
Van voerlieden die hij betrapt op het te hard rijden door de straten, zal hij een boete eisen van een stoter, facit ¼ lb.
Hij mag niet bij de Kloeke ten gelage gaan en niet in de huizen van goede lieden komen als zij dat niet willen hebben.
Hij mag niet onder de Kloeke, in het wijnhuis, op de Vismarkt, in het vleeshuis of in de kerken gaan spacieren of drinken als een jonker of een koopman, maar moet zich hoffelijk houden, zoals iemand met zijn functie betaamt.
Hij moet de ‘leverye’ dragen op zijn bovenste kleed of op zijn mouw, zodat men hem herkennen kan. Zonder consent van de Raad mag hij geen ander bier verkopen dan het bier dat hij in kannen in zijn huis haalt.

Maart 1542, Meester Jan van Dueren is aangenomen als scherprichter op bovengenoemde en op de volgende voorwaarden.
[Fol.79v, oud XXIXv] Hij moet er op toezien dat er geen koe- of paardemest of vuilnis achterblijft op de Welle, de Burgwal, Vloeddijk, steigers en stadsstraten en -wegen. Overtreders mag hij een boete van 2 lb. opleggen, waarvan hij de helft mag houden.
Niemand mag voor zijn deur varkens houden, op dezelfde boete, etc.
Niemand mag aan nieuwe bedelaars woning verhuren of langer dan 3 dagen onderdak verschaffen, op dezelfde boete, etc.
Niemand mag grote honden houden die in de kerken rumoer maken, op een boete van 10 lb., waarvan hij de helft mag houden.
Ouders van kinderen die in de kerken rumoer maken, vervallen in een boete van 10 lb, ect.
Arme lieden mogen bij verlies van hun nap of hoed niet bedelen in de kerken.
Niemand mag lege wagens laten staan voor de brug of Vispoort. Ze moeten gezet worden voorbij de Tollenaerspoort, op een boete van 2 lb.
Alle boetes moeten echter worden opgelegd met instemming van de Raad.

17.04.1544, Bernt van Coesvelt is aangenomen als stadsscherprichter, op de voorschreven voorwaarden.

_↓_


|pag. 39|

13.01.1550, Mr. Symon van Groningen is aangenomen als stadsscherprichter.

[Fol.80]
28.05.1585, Nicolaes van Dullen is aangenomen als stadsscherprichter op een pensie van 40 stuivers per week.

[Fol.81]
12.10.1580, Gerbrant Ypens is voor een jaar aangenomen als stadsscherprichter, op de voorwaarden die golden voor mr. Servaes. Hij krijgt 28 stuivers per week als pensie, maar mag geen hoeren houden.

13.10.1583, Bastiaën Baekenoeven is voor 6 jaar aangenomen als stadsscherprichter op de voorwaarden die met mr. Servaes waren aangegaan. Hij krijgt van de breuken van de drek en vuilnis 2 in plaats van 1 stuiver en voor elke door hem doodgeslagen hond 1 stuiver. Verder voor zijn kleding 20 lb. per jaar en tot pensie 28 lb. Hij heeft zijn eed gedaan.

[Fol.82]
18.10.1550, Mr. Thomas Kruys is aangenomen als stadsscherprichter op een pensie van 1 lb. per week en op ieder van de 4 hoogtijdagen 1 g.g.
20.06.1551, Mr. Thomas is als scherprichter gecontinueerd. Hij krijgt vanaf nu op de vier hoogtijdagen niets; zijn pensie wordt echter verhoogd tot 1 carolusgulden per week.

05.07.1558, Hans Scrams van Noerthuisen is op een pensie van 20 stuivers brabants per week aangenomen tot stadsscherprichter.

05.02.1560, Winterman van Groeningen is aangenomen tot stadsscherprichter op de oude voorwaarden, die hem zijn voorgelezen. Hij zal op verbeurte van zijn rechterhand zonder consent van de burgemeesters niet uit de stad gaan. Hij moet zich afzijdig houden van de burgers. Hij heeft de eed gedaan dat hij zijn dienst gedurende 4 jaar goed zal vervullen. De Raad moet hem zijn dienst 3 maanden van te voren opzeggen. Hij krijgt tot pensie 20 stuivers per week en voor zijn kleding 10 lb. per jaar.
[In de marge:] Hij is van zijn eed ontslagen 10.03.1562.
[In de marge:] Hij is voor de tweede maal van zijn eed ontslagen op 12.07.1565.

[Fol.82v]
13.09.1565, Mr. Servaes van Oldenhoven is voor 6 jaar aangenomen als scherprichter, op de volgende voorwaarden.
De Raad kan hem altijd ontslaan, mits drie maanden opzegtermijn in acht nemende. Hij moet altijd als de burgermeester inder tijd hem dat beveelt in de stad omroepen dat een ieder zijn straten, voor en achter, moet schoonmaken, op de oude keur. Voor iedere keer dat hij daartoe wordt opgeroepen mag hij uit de rentekamer een mengelen wijn halen.
Van hen die hun straat niet schoonmaken, mag hij een stuiver brabants als boete eisen. Daarna mag hij de straat laten schoonmaken voor de dubbele kosten, te betalen door de nalatigen.
Hij mag van voerlieden en molenaars die niet op hun paarden letten als zij met wagens en karren in de stad rijden een kwart heren pond boete eisen. Als zij niet willen betalen mag hij hun paarden uitspannen.
Tijdens de kerkdienst moet hij achter in de toren blijven. Hij mag op de Vismarkt, in het vleeshuis en onder de Clocke niet gaan drinken en zich gedragen als een jonker, maar moet zich gedragen zoals dat van een scherprichter wordt verwacht. In het wijnhuis moet hij op zijn aangewezen plaats zitten.
Hij moet goed met de burgers omgaan. De Raad wil over hem geen klachten krijgen.
Hij moet er op toe zien dat niemand vreemde bedelaars langer dan drie dagen herbergt of aan hen woonruimte verhuurt. De overtreders mag hij een boete van 2 lb. opleggen, waarvan hij ‘tot kentnisse van de Raet’ de helft mag houden.
Als de burgemeesters hem dat opdragen, moet hij in de stad nagaan of men loslopende grote honden houdt. Overtreders van het verbod om loslopende grote honden te houden, mag hij beboeten met 10 lb., waarvan hij ‘tot kentnisse van de

_↓_


|pag. 40|

Raet’ de helft mag houden. Als de Raad hem dat beveelt, moet hij de grote honden dood slaan, waarvoor hij dan een halve stuiver per hond krijgt.
Hij moet er op toezien dat men geen lege wagens voor de brug of voor de Vispoort zet. Lege wagens moet men zetten tussen de visbanken en Onze-Lieve-Vrouwenpoort.
Van overtreders mag hij een kwart heren pond boete voor iedere verkeerd gestalde wagen eisen.
Hij moet, als de Raad hem dat beveelt, zonder protest loslopende varkens schutten. Van het schutgeld ontvangt hij het vierde deel.
Op verbeurte van zijn rechterhand mag hij niet uit de stad wijken of reizen zonder toestemming van de burgemeesters.
Hij krijgt tot pensie 28 stuivers per week, die hem iedere week zullen worden betaald door de kistenzitter in de wijnkelder. Tot woning krijgt hij de boedelstoren met toebehoren, met uitzondering van het varkenshok, dat de stad wil houden om geschutte varkens in te jagen. Hij krijgt 10 lb. per jaar als kleedgeld. De levereye [livrei/teken] moet hij op zijn bovenkleed of op zijn mouw dragen, zodat hij te herkennen is.
Hierop deed mr. Servaes de eed.

28.08.1568, Mr. Servaes was door de Raad van zijn dienst ontslagen. Hij bad de Raad echter om te worden gecontinueerd. De Raad neemt hem weer aan als hij belooft om voortaan zijn dienst volgens zijn eerder gedane eed te doen en de varkens te schutten als de burgemeesters hem dat bevelen. Hij mag over de varkens niet ‘verdingen’.

06.09.1569, Mr. Hans Stevendael is op de voorwaarden die golden voor mr. Servaes voor 6 jaar aangenomen als scherprichter.
Hij moet de varkens schutten en mag daarover niet ‘verdingen’.
Hij moet de ‘levereye’ dragen op zijn rechter mouw.
Als de Raad hem eerder wil ontslaan, moet hem dat drie maanden tevoren worden aangezegd.
Hij heeft hierop de eed gedaan.

26.01.1570, Anthonys Snel van Bruyssel is op de voorwaarden die golden voor mr. Servaes voor 6 jaar aangenomen tot scherprichter.
Hij heeft de eed gedaan.

18.05.1570, Arent Jansz van Nymegen is op de voorwaarden als die welke voor mr. Servaes golden, voor 6 jaar aangenomen als scherprichter.

[Fol.83]
18.07.1642, Mr. Harmen van der Hoffstadt is in plaats van mr. Claes Claesen bij provisie aangenomen als stadsscherprichter op een tractement van 4 car. guldens per week en een kledinggeld van 30 car. guldens per jaar. Hij krijgt tevens een woning. Van de justitie aan misdadigers krijgt hij de vergoedingen die ook zijn voorgangers kregen.

06.05.1643, Het tractement van Harmen van der Hoffstadt is verhoogd van 4 naar 5 carelsguldes per week.

04.05.1644, Verdiensten van de scherprichter.
Voor het publiekelijk richten van een deliquent 6 carelsguldens. Voor het ophangen of onthalsen echter 2 ponden groot van elke deliquent.
Voor het op de kaak zetten 2 carelsguldens en 16 stuivers.
Voor iemand pijnigen in de Wiltvanck 1 carelsgulden en 8 stuivers.
Voor iemand te pijnigen in de ‘gaten’ of op een andere plaats 1 carelsgulden en 8 stuivers.
Voor het uit de stad leiden van een deliquent 1 carelsgulden en 8 stuivers.
De scherprichter krijgt tevens ieder jaar een halve last turf.
Voor de schepenmaaltijd krijgt hij een pond groot, een schapebout en een vierde deel bier.

[Fol.83v]

_↓_


|pag. 41|

12.03.1646, Henrick Christiaensz is op de voorwaarden die golden voor mr. Hermen van der Hoffstadt voor 6 jaar aangenomen tot stadsscherprichter.
01.08.1646, Henrick Christiaensen is wegens zijn kwade ‘comportementen’ van hier vertrokken en van zijn dienst ontzet.
Mr. Hermen van der Hoffstadt is op zijn oude voorwaarden bij provisie aangesteld als scherprichter.

[Fol.84]
25.05.1652, Mr. Hermen van der Hoffstadt is overleden. In zijn plaats is tot scherprichter aangesteld Tobias Jansen Sprong, zoon van wijlen de Utrechtse scherprichter mr. Hans Sprong.
Zijn voorwaarden zijn dezelfde als die waarop zijn voorganger werd aangenomen.

06.07.1666, Mr. Tobias Sprong is vertrokken. In zijn plaats is bij provisie tot scherprichter aangenomen mr. Jacobus Andriesen Kellenaer, op de voorwaarden van zijn voorganger.

[Fol.85]
Opzichter van de timmertoren.
Eed.
De opzichter moet zich trouw gedragen in het halen van hout, spijkers, ijzerwerk, etc. Hij moet van alles nauwkeurig aantekening houden en zijn administratie aan de cameraars overleggen. Hij mag materiaal slechts afgeven met consent van de cameraars.

13.11.1653, Dirrick Hermsen Vrijdach is aangenomen tot opzichter van de [timmer]toren. Hij heeft de hierboven staande eed gedaan.

[Fol.86, oud XXX]
De stalknecht.
De stalknecht moet de stal en de paarden getrouw bewaren. Hij mag zelf niets kopen van de zadelmaker of iemand anders. Hoenderen, varkens, schapen of ander gedierte mag hij niet in de stal houden.
Tot loon krijgt hij 30 lb. per jaar, half op Pasen en half op Michaelis. Voor laarzen en godspenning krijgt hij 2½ 1b, voor bezems 1 lb., voor kaarsen ½ lb., voor kleding 10 lb. en voor kost van de staljongen 10 lb.

28.07.1541, Sander van Galen is in plaats van wijlen Jan Bitter voor een jaar aangenomen als stalknecht.

09.03.1543, Willem Dircxz is in plaats van Sander aangenomen als roedendrager en stalknecht, op de bovengenoemde voorwaarden, ingaande a.s. Pasen. Hij heeft de eed gedaan.

16.07.1569, Albert Bitter is nog voor dit jaar gecontinueerd als stalknecht.
Voor zijn staljongen krijgt hij per jaar 10 lb. voor kleding en 18 lb. voor de kost. Voor het bewaren en toezicht houden op de ruinen krijgt hij 6 lb. per jaar.

14.05.1580, Gelmer Hasecamp is op de voorwaarden die voor Albert Bitter golden, tot wederzeggen van de Raad, aangenomen als stadsstalknecht. Boven de pensie krijgt hij per jaar nog 20 lb., zodat hij jaarlijks van de stad 50 g.g. zal beuren. Hij mag geen hoenders of varkens in de stal houden en hij mag de zadels van verkochte paarden ook niet zelf houden, maar moet die voor de stad bewaren.
Hij moet de haver die de boeren schuldig zijn ieder jaar voor de cameraar inmanen. De burgerschap is hem geschonken. Hierop deed hij de eed.

17.06.1573, Velten Cael is aangenomen als stadsscherprichter. Hij heeft de eed gedaan. Hij zal geen geschutte varkens voor geld lossen.

Anno 1575, in de Palmweek, De 20 stuivers per week die de scherprichter krijgt, zijn door de Raad verhoogd tot 24 stuivers per week.

_↓_


|pag. 42|

20.03.1574, Mathys Ross is aangenomen als scherprichter. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.86v, oud XXXv]
25.02.1606, Johan Helmersz is op de voorwaarden die voor wijlen zijn vader golden, voorlopig voor een jaar, aangenomen als stadsstalknecht. Hij heeft de eed gedaan.

13.04.1616, Christopher Boelij is bij provisie voor een jaar aangenomen als stadsstalknecht, op de oude voorwaarden, op een pensie van 100 carelsguldens en een halve last turf per jaar. Hij krijgt daarenboven ook nog reisgeld en betalingen voor accidentalia, zoals wijlen Johan Helmers en andere voorgangers hebben genoten. Hij moet verder de stad dienen gelijk de andere officianten. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.87 en 87v zijn niet beschreven]

[Fol.88]
De biervoerders eed.

‘Dat gij geenerhande byeren den accijs onderworpen zijnde, uut den brouwerijen op uwe wagens ofte sleen nhemen ofte dragen sullen …..’ [niet afgemaakt en doorgehaald].

[Zonder datum; h.s. uit begin 17de eeuw]
De eed van de stadspoortenschrijver.
Hij moet de stad trouw en houd wezen en van de morgen tot de avond bij de poort blijven en de namen van alle inkomende vreemdelingen noteren en aantekenen waar zij ter herberge gelegen of gelogeerd zijn. De daartoe aangewezen schrijver moet des avonds de aantekeningen in de schepenkamer brengen op de tijd dat het klokje luidt. Hij moet alle vreemde bedelaars, zowel mannen als vrouwen, zoveel mogelijk buiten de stad houden.

19.01.1626, Jan Claesen Cloeck is in plaats van wijlen Jan Berentz bij provisie benoemd tot schrijver in de Cellebroederspoort, op een tractement zoals zijn voorgangers genoten hebben. Hij heeft de eed gedaan.

15.08.1633, Arent Jansz is in plaats van wijlen Jan Dercksz bij provisie benoemd tot schrijver in de Veenepoort, op een tractement zoals zijn voorgangers genoten hebben. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.88v is niet beschreven]

[Fol.89]
08.10.1631, Johan van Noordthoren is bij provisie tot stadsstalmeester aangenomen, op dezelfde voorwaarden als welke golden voor de overleden stalmeester Jan Hendricks. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.89v]
[Zonder datum; h.s. uit begin 17de eeuw]
Ordonnantie voor de vasbander.
Hij moet zweren dat hij juist zal ijken en peilen en juist handelen bij het ‘affstecken ende inbrengen’ van wijn. Hij moet de stad trouw en houd zijn. Van de uitgeslagen wijnen moet hij aantekening houden.
Hij moet de burgers dienen bij het aanslaan van vaten wijn. Burgers mogen echter ook een ander hun wijn laten aanslaan.
Voor het afsteken van een half aam of minder moet hij hebben 1½ stuiver.
Van het inbrengen op zijn kisten 2 stuivers.
Van het inbrengen op zijn kisten van een a[n]cker 2 stuivers.
Van een half a[n]cker 1½ stuiver.
Van een half aam 3 stuivers.
Van een oxhoofd Franse of van een aam Rijnse wijn voor het afsteken 2 stuivers en van het inbrengen 4 stuivers.

_↓_


|pag. 43|


Van een pijpe wijn van het afsteken 3 stuivers en van het inbrengen 5 stuivers
[Fol.90] Voor het peilen [ijken] van wijn- en biervaten, hele, halve en vierde tonnen, alsmede van schepels zal hij het volgende genieten.
Van een hele of halve ton, bij de brouwers of bij de burgers thuis, 6 penningen.
Van een vierde of een achtste ton die hem thuis wordt gebracht 4 penningen. Van een nieuwe schepel 3 stuivers. Van een halve schepel 2 stuivers. Van een hele, halve of vierde spint 8 penningen. Van boter- of melkmaten 8 penningen.

28.09.1619, Henrick Jansz is op voorgenoemde voorwaarden en artikelen aangenomen tot stadsvasbander. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.90v]
Eed van de vasbander.
Hij moet zich als stadsvasbander in het ijken der maten en tonnen trouw en houd aan de stad houden.

20.01.1646, Dirck Janssen is op de voorgenoemde voorwaarden tot stadsvasbander aangenomen. Hij heeft de eed gedaan.

25.01.1672, Jan van Utrecht is tot stadsvasbander en adjunct van zijn vader aangenomen. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.90A]
08.10.1689, Jacob Goossensen Erckelens is door schepenen en raden tot vasbander aangesteld. Hij heeft in zijn plaats gesubstitueerd Jan Kock, die de gebruikelijke vasbanderseed heeft afgelegd.

[Fol.90Av is onbeschreven]

[Fol.91, oud XXXI]
Stadskuiper.

17.07.1550, Leonart van Libberick is voor 6 jaar aangenomen als stadsvasbander, tot des Raads wederzeggen. Tot pensie krijgt hij 6 lb. en tot kleding 10 lb. per jaar en een vrije woning. Als het van hem geëist wordt, moet hij helpen gevangenen aantasten en hij moet mee reizen.
28.06.1552, Aan Leonart van Libberig is voor zijn huishuur jaarlijks toegewezen 12 lb.

08.08.1603, Peter Leeman is voor een jaar aangenomen tot stadsvasbender, ingaande Michaelis a.s., op een pensie van 50 g.g., in vier termijnen te betalen. Als woning krijgt hij zaliger Jan Leonartsztoren. Hij is niet verplicht misdadigers te helpen vangen of geleiden.

13.10.1606, Claes Janssen is voor een jaar aangenomen als stadsvasbender, ingaande Michaelis a.s., op een jaarlijkse pensie van 30 g.g., te betalen in vier termijnen. Als woning krijgt hij de vasbenderstoren.
Hij heeft aan de stad de eed gedaan dat hij alle maten en tonnen goed zal ijken.
Hij moet de van buiten inkomende wijnen, die de tappers zullen vertappen en die de burgers zelf opslaan en verdrinken, etc., nauwkeurig aantekenen en de namen van de tappers en zelfopslaande burgers aan de cameraars en rentmeesters doorgeven, met opgave van de inhoud der vaten en de namen van hen aan wie de wijn is uitgesleten.

[Fol.91v, oud XXXIv]
De marktmeestersknecht.
01.02.1554, Luytken Kempe is aangenomen als marktmeestersknecht, op de voorwaarden die in de ordonantie voor zijn voorgangers staan.
Hij krijgt tot pensie 6 lb. op Petri en 6 lb. op Jacobi. Verder 1½ lb. op Michaelis voor het schouwen van de ossen, ½ lb. voor een covel en 2 lb. voor het bewaren van de zwanen. Hij deed de eed.

_↓_


|pag. 44|

15.10.1558, De burgemeesters indertijd hebben op bevel van de Raad de marktmeesters Luytken Kempe en Cornelis Geertsz ontslagen met ingang van a.s. Petri ad Cathedram.

23.02.1559, Lubbert Clotinck of Corvemaker is voor 6 jaar aangenomen als enige marktmeestersknecht in de plaats van Luitgen Kempe en Corneli0s Geertzen. Hij moet getrouw dienen volgens de hem overgeleverde ordonnantie, die hij bezworen heeft. Als pensie krijgt hij 6 lb. op Petri, 6 lb. op Jacobi, 1½ lb. op Michaelis voor het schouwen van de ossen en een half pond voor een covel.
22.06.1560, De Raad heeft hem voor zijn trouwe dienst een kledinggeld van 10 lb. per jaar toegezegd.
10.03.1562, Hij is op bevel van de Raad uit zijn dienst onslagen.

[Fol.92, oud XXXII]
De moeders op de Belt.

Van de Nije Beidt, door burgemeester Elert Cromme bekostigd, staan de voorwaarden in FFto. fol.IcXXXV [waarschijnlijk wordt bedoeld Digestum Novo].

14.03.1562, Lubbert Martensz is in plaats van Lubbert Cloetynck aangenomen om alleen marktmeester te zijn, en dat voor een periode van 6 jaar. Hij heeft de ordonnantie op de marktmeester bezworen. Hij moet letten op de stokvis die de visverkopers dagelijks verkopen en mag geen giften of gaven aannemen. Als hij handelt tegen zijn gedane eed, zal men hem straffen aan lijf en goed. Tot pensie krijgt hij 9 lb. op Petri en 9 lb. op Jacobi. Voor het schouwen van de ossen krijgt hij 1½ lb. op Michaelis, voor een covel krijgt hij een half pond en tot kleding 10 lb.
[In een ander h.s:] Voor messen 4 stuivers brabants.

26.03.1565, Albert van Steenbergen is naast Lubbert Martensz aangenomen als marktmeester, voor een periode van 6 jaar. Hij heeft de ordonnantie bezworen.
Hij moet in het openbaar en in het geheim toezicht houden op alle stadsviswateren. Overtredingen tegen de bepalingen op het vissen moet hij aan de burgemeesters melden. Hij mag geen giften of gaven aannemen. Als hij tegen zijn eed handelt, zal hij aan lijf en goed gestraft worden. Hij moet helpen bij het vangen en geleiden van misdadigers, zoals ook andere stadsdienaars verplicht zijn. Als pensie krijgt hij hetzelfde als Lubbert Martensz, te weten 9 lb. op Bartholomei, 9 lb. op Petri., voor een covel een half lb., voor kleding 10 lb. en voor het schouwen van de ossen 1½ lb. op Michaelis. Voor messen krijgt hij 4 st.br.

[Fol.92v, oud XXXIIv]
De vijfde waardijn.

19.10.1563, Gijsebert Hermansz is door de Raad aangenomen als vijfde waardijn op een pensie van 10 lb., waarvan de eerste pensie zal verschijnen op Michaelis 1564. Hij heeft de eed gedaan zoals beschreven in FF.Novo [Digestum Novo].

[Fol.93, oud XXXIII]
Van het bewaren en maken van de dijk bij de Coeborch.

De dijk boven de Zwaenenpoort tot aan het Overbroecks hek moet 8 voeten breed zijn.
Van het voornoemde hek tot aan de dijk van Herman van Uuterwyck moet de dijk 12 voeten breed zijn.
Herman van Uterwycks dijk en de andere daarbij gelegen dijken, tot aan het opperste van Buerhoeft, moeten 14 voeten breed wezen.
De voet aan de zijde van de IJssel moet 12 voeten breed zijn, ‘gepaelt, geryet ende gevult met ruwaer ende met eerde, een voet boven die paelen’, op een boete van 5 oude schilden.
De hoofden aldaar moet men op een boete van 5 oude schilden vullen met ruwaer, steenmot en aarde.

_↓_


|pag. 45|

Van het opperste van Buerhoeft tot aan de Enck moet de dijk 12 voeten breed zijn.
De dijk op de Enck, zover als de wade binnen dijks ligt, moet 16 voeten breed zijn.
Van naast de wade tot aan het eind van de schouw moet de dijk 12 voeten breed zijn.
Dit alles op de oude hoogte, dat is een zode hoger dan de straat.
Op een boete van een oude schild mag er niet op de straat worden gedijkt.
De dijk waar de ronneboem in staat, die verzonken is, moet twee voeten hoger wezen dan zijn buren aan beide zijden, opgehaald met 5 tuinen en met goed hout, en met ruwaer gevult.
Alle erfgenamen die hun dijk hebben liggen aan de Zwartendijk, moeten hun dijken maken op dezelfde hoogte als de stad haar dijk gemaakt heeft.
De aardschouw van de dijken Boven de Poort en de Zwartendijk zal men houden op maandag na Sint Bartholomeus a.s.
De schouw van de houtvoet van de dijk Boven de Poort zal men houden op maandag na Sint Michiel.
‘Elck schutte zijn schade’

[Fol.93v, oud XXXIIIv]
Wachters op de Coeborch.

08.03.1546, Roelof Twenth is weder aangenomen als stadswachter op de Coeborch.
Hij zal de dijken maken volgens oude gewoonte. Omdat echter de dijken ernstig doorgebroken zijn, krijgt hij voor loon en pensie 40 goudguldens per jaar in twee termijnen (Petri ad Cathedram en Jacobi), ingaande Jacobi a.s. Tevens krijgt hij 6 lb. kledinggeld en mag hij 3 koeien in het broek weiden. De doorgebroken dijk bij Peter Baecks huis aan de Zwartendijk zal men gedurende 6 jaar op stadskosten laten maken.

19.03.1552, Roeloff Twenth is voor 6 jaar gecontinueerd op bovengenoemde voorwaarden. Zijn termijnen van betaling zijn nu Mei en Martini.

23.10.1558, Gedeputeerden van de Raad handelden op het Tolhuis met Roelof Evertzen Twent over het gedurende 10 jaar schouwvrij maken van de stadsdijke, volgens een cedule die opgehangen was voor de stadswijnkelder.
Roelof eiste voor het maken van de dijk, waarvan 19 roeden werden uitgesloten, 120 lb.
De gedeputeerden boden hem 100 lb., welk bedrag zij later verhoogden tot 110 lb.
Roelof ging daar echter niet op in.
Hij eiste voor het schouwvrij maken van de dijken zijn oude pensie en inkomsten, uitgezonderd de 6 lb. kledinggeld.
[Fol.94, oud XXXIIII]
29.10.1558, Gedeputeerden van de Raad hebben na overleg met de gehele Raad Roelof het volgende voorgesteld. Hij en zijn vrouw en zijn erfgenamen krijgen een contract om gedurende 10 jaar de dijken te maken, ingaande op Petri ad Cathedram a.s., op de wijze zoals op 23.10. is besproken en op de voorwaarden zoals in genoemde cedule staan beschreven. Men zal hem echter geen hout leveren maar hij zal het hout uit de twee Elsbroekjes, gelegen bij de Coeburch, mogen halen. Het ene broekje ligt tussen de kade en de dijk en het anderen binnen dijks. Als loon krijgt hij 115 lb. per jaar, te betalen in twee termijnen (Mei en Martini in de winter). Hij krijgt geen kledinggeld.
Verder is afgesproken dat men de schouw zal houden op de door Roelof bepaalde tijd, mits de Raad de datum redelijk zal vinden.
Men zal het huis een gebint groter maken en het hem dicht opleveren. Het riet bekostigt de stad ook. Daarna moet Roelof het op eigen kosten onderhouden.
[Fol.94v, oud XXXIIIIv] Land dat Roelof zal aanpoten en aanwinnen, zal men hem redelijk vergoeden na het einde van zijn contract.
Hij zal genieten het huis met de hof waarin hij woont, waar de Koeborch eertijds op gestaan heeft. Ook krijgt hij drie koeweiden in het broek. Verder zal hij na oude gewoonte voor zijn andere beesten de weiden genieten. Hij moet daarvoor de dijkgraaf ter wille zijn.

_↓_


|pag. 46|

Als er waden in de dijk geschuurd worden zal men zich als goede naburen, onder en boven, gedragen.
Van de wijnkoop, op dit contract verdronken op het Tolhuis aan bier en wijn, moet Roelof de helft betalen.
Op 31.10. hebben gedeputeerden aan de Raad rapport uitgebracht, die daarop consenteerde.

07.02.1569, De cameraars hebben op bevel van de Raad aan Gerryt Gerrytsz van Aken en zijn vrouw en hun erfgenamen aanbesteed om voor een periode van 10 jaar de stadsdijken schouwvrij te maken, volgens de voorwaarden die op de cedule staan die voor de stadswijnkelder heeft gehangen. De overeenkomst gaat in op Petri ad Cathedram van dit jaar.
Gerryt krijgt hiervoor van de stad 166 lb. per jaar in twee termijnen, n.l. Mei en Martini, en 10 lb. kledinggeld per jaar. Verder krijgt hij 6 koeweiden in het Overbroek in plaats van de 3 koeweiden die in de cedule worden genoemd. Als hij zelf geen koeien houden wil, mag hij de weiden aan andere burgers overdoen.
Mocht het aantal roeden dijk dat gemaakt moet worden meer of minder zijn dan in de cedule wordt opgegeven, dan is dat verlies of winst voor Gerryt. De stad zal echter haar best doen om niet met meer dijken belast te worden dan van ouds gemaakt worden.
Als de Raad besluit om een ronneboem bij de Koeburch te plaatsen, dan moet Gerryt die openen en sluiten en daarvoor een eed doen. De stad zal de sloten en sleutels leveren.
Binnen 14 dagen moet Gerryt sufficiënte borgen stellen ter naleving van al deze voorwaarden.

21.08.1575, Gedeputeerden van Raad hebben aan Gerryt van Aken aanbesteed om de nieuwe wade bij Herman Bartoltsz’ huis te maken, beginnende bij de Willigenweg beneden de wade tot aan het land van Averenck en zijn adherenten, etc. Hij krijgt hiervoor 25 gouden guldens.

[Fol.95, oud XXXV]
Vroomoeders.

De vroomoeders, of zij nu met een, twee of drie zijn, moeten ten allen tijden de vrouwen bij staan, ook als zij ziek zijn, zonder onderscheid te maken tussen arm en rijk.

23.07.1543, Met moer Cornelis is overeengekomen dat zij in dienst zal blijven als stadsvroomoeder tot Pasen a.s. Zij zal intussen Grietken Bogemakers de neyster opleiden tot vroemoeder en haar haar boekje overleveren. Zij zal op Pasen 12 gulden current beuren.
Met Grietken is overeengekomen dat zij tot Pasen a.s., omdat zij dikwijls van haar werk wegmoet, 6 gulden zal beuren. Daarvoor moet zij, tot wederzeggen van de Raad, haar leven lang dienen als vroemoeder, ingaande Pasen a.s. Tot pensie krijgt zij 60 lb. per jaar, zoals ook moer Cornelis had, op dezelfde termijnen te betalen.
Grietken moet twee of drie jonge vrouwen het vak leren op haar eigen kosten.
Als zij oud geworden zal zijn en het beroep niet langer kan uitoefenen, zal de Raad haar een proeve vooraan in de Heilige Geest geven.

[Fol.95v, oud XXXVv]
23.10.1553, Grietgen Cremers is voor een jaar aangenomen als vroemoeder op een pensie van 6½ lb. op Pasen en 6½ lb. op Michaelis.

14.12.1553, Jutken Cluppels is aangenomen tot vroemoeder op een pensie van 6½ lb. op Pinksteren en 6½ lb. op Martini.

07.09.1554, Grietgen Cremers is voor 6 jaar als vroemoeder gecontinueerd op de voorschreven pensie.

26.10.1554, Jutken Cluppels is gecontinueerd als vroemoeder op een pensie van 10

_↓_


|pag. 47|

goudguldens per jaar, te betalen in twee termijnen, n.l. Pinksteren en Martini.
De eerste termijn zal verschijnen op Pinksteren 1555.

[Fol.96]
09.10.1558, Cathrina Rensborch is voor een jaar aangenomen als vroemoeder op de pensie die Juttken Cluppels heeft gehad.

25.08.1559, Jutken Cluppels is weer aangenomen tot vroemoeder op de voorschreven voorwaarden. Tot pensie krijgt zij 10 g.g. per jaar, te betalen in twee termijnen, t.w. op Petri ad Cathedram en op Onze Hoge Lieve Vrouwe, waarvan de eerste termijn zal verschijnen op Petri 1560.

[Fol.96v]
08.10.1561, Geertgen Roloffs (met voor deze zaak mr. Henrick van Vyenden als momber) is aangenomen als stadsvroedvrouw voor een periode van 6 jaar. Als zij niet bekwaam bevonden wordt, mag de Raad haar verloven en van haar dienst absolveren. Als zij wel gekwalificeerd bevonden wordt, mag zij niet uit de stad vertrekken. Tot pensie krijgt zij 10 g.g. per jaar, in twee termijnen te betalen, n.l. Pasen en Michaelis, waarvan de eerste termijn zal verschijnen op Pasen a.s.
Marge: 30.07.1566, Geabsolveerd van haar dienst.

11.09.1564, Catharina van Rensborch is weer aangenomen tot stadsvroemoeder voor een periode van 6 jaar. Tot pensie krijgt zij 5 g.g. op Petri en 5 g.g. op Onze Hoge Lieve Vrouwe. De eerste termijn zal verschijnen op Petri 1565.

[Fol.97]
18.04.1621, Anneken Henricks is aangenomen als stadsvroemoeder voor onbepaalde tijd, op dezelfde pensie als wijlen haar moeder genoot.

14.05.1631, Hilligen Hermans is in plaats van wijlen Trijne Jacob Bouwsens vrouw aangenomen als stadsvroemoeder, op voorwaarden en pensie als haar voorgangsters hebben genoten.

31.01.1635, Aeltgen Lubberts Manie is in plaats van de naar Vollenhove vertrokken Hilligien Herms aangenomen tot stadsvroemoeder in de Hagen en Brunnepe, op dezelfde voorwaarden als Hillgien Herms. Zij heeft de eed gedaan.

[Fol.97v]
08.01.1636, Heijle Goertsz is in plaats van wijle moer Judith als stadsvroemoeder aangenomen op dezelfde voorwaarden en pensie.

14.08.1637, Aeltien Herms is in plaats van wijlen Aeltien Lubberts als stadsvroemoeder aangenomen op dezelfde voorwaarden en pensie. Zij heeft de eed gedaan.

05.05.1638, De eerbare Josijntien Jacobs is op dezelfde voorwaarden als haar voorgangsters aangenomen tot stadsvroemoeder.

07.10.1647, Greetken Herms is op de gebruikelijke pensie aangenomen als stadsvroemoeder.

19.10.1647, Femmeke Roloffs is wegens het vertrek van Geertgen Hermens (naar de stad) aangenomen tot stadsvroemoeder in de Hagen en in Brunnepe.

[Fol.98]
01.10.1657, Margretha Loedewijckx is in plaats van wijlen Anna Hendrix aangenomen tot stadsvroemoeder op de gebruikelijke pensie.

[Fol.98v is onbeschreven]

_↓_


|pag. 48|

[Fol.99, oud XXXVI]
De consistoriaal [doorgehaald]

08.09.1565, Greetgen Cremers, anders Van Lochem, is gecontinueerd als vroemoeder, haar leven lang. Zij krijgt tot pensie 18 g.g. per jaar in twee termijnen te betalen, n.1. Michaelis en Pasen, waarvan de eerste termijn zal verschijnen op Michaelis van dit jaar 1565.

01.03.1567, Catharina van Rensburch is gecontinueerd als stadsvroemoeder op een jaarlijkse pensie van 20 g.g. in twee termijnen te betalen, n.1. Petri en Assumptionis Marie. De eerste termijn is reeds verschenen op Petri l.l. Zij is verplicht om overal waar men haar nodig heeft te komen, ook als er pest heerst.

04.04.1569, Geertgen Roloffs is voor twee jaar aangenomen als stadsvroemoeder op een pensie van 20 g.g. in twee termijnen, n.1. Assumptionis Marie en Petri ad Cathedram, waarvan de eerste termijn zal verschijnen op Assumptionis Marie a.s.
Zij is verplicht ook te komen als er pest heerst.

[Fol.99v, oud XXXVIv]
Hoefsmid.

De hoefsmid moet de stadspaarden ‘meesteren’ [behandelen bij ziekten], waarvoor men hem ‘buten loonen’ zal.
Hij moet voor de stad reizen als hem dat bevolen wordt, zoals de andere dienaars die stadskleding dragen.
Als hij paarden van burgers meestert, zullen de muurmeesters optreden als scheidlieden voor het geval hij het met de burgers niet eens wordt over zijn beloning.

30.07.1543, Goert Hermensz is aangenomen als stadshoefsmid op een pensie van 5 lb. op Johannis en 5 lb. op Kerstmis, een kledinggeld van 10 lb. en laarzengeld van 2 lb.

[Zonder datum], Gijsbert Petersz is in plaats van wijlen zijn vader aangenomen als stadshoefsmid, op een pensie van 5 lb. op Pasen, 5 lb. op Michaelis, 10 lb. voor kleding en 2 lb. voor laarzen. Hij heeft de eed gedaan.

02.05.1614, Willem Gisbertsz is in plaats van wijlen zijn vader aangenomen als stadshoefsmid, op dezelfde voorwaarden en pensie.

[Fol.100]
12.01.1626, Marten Willemsz is in plaats van wijlen zijn vader aangenomen als stadshoefsmid, op dezelfde voorwaarden als zijn voorgangers. Tot pensie krijgt hij 3 guldens en 10 stuivers op Pasen en 3 guldens en 10 stuivers op Michaelis.
Voor kleding 7 gulden en voor laarzen 28 stuivers.

14.11.1638, Mr. Warner Berentsz is in plaats van wijlen Marten Willemsz aangenomen als stadshoefsmid, op de voorwaarden en pensie als zijn voorganger. Hij heeft de eed gedaan.
Mr. Warner Berentsz is mede gecontinueerd in zijn dienst als stadsgrofsmid.

[Fol.100v]
26.08.1654, Berent Gerritsz Smit is in plaats van wijlen Warner Berentsz Smit aangenomen tot stadshoefsmid, op de voorwaarden en profijten daarop staande.

30.10.1665, Ariaen Vrijdach is in plaats van wijlen mr. Berent Gerritsz aangenomen tot stadshoefsmid, op de profijten daarop staande.

26.08.1687, Frerick Arentsen is in plaats van wijlen Jan Evertsen van Wijck aangenomen tot stadshoefsmid, op de profijten uitgedrukt in zijn request.

[Fol.101, oud XXXVII]

_↓_


|pag. 49|


Weerdmeesters.

23.09.1540, Wenemer Gheertsz is door de gehele Raad aangenomen tot stadsweerdmeester en dijkmeester. Hij heeft de eed gedaan dat hij goed toezicht zal houden op de daghuurders, dat zij op tijd op het werk komen en naar behoren zullen werken. Hij moet ook toezicht houden op het hout en riet en daarvan zonder consent van de dijkmeesters uit de Raad niets verkopen.

28.02.1555, Geert van Bronnoppe is aangenomen tot stadsweerdmeester en dijkmeester, op bovenbeschreven en de hierna volgende voorwaarden. Hij moet met zijn daghuurders of arbeiders het hout, de twijg en het riet, bij vimtaal [per aantal bossen], naar behoren houwen of snijden. De maat van de vimmen gaat volgens de band die men hem zal geven. Hij moet de eerste zijn die op het werk komt en de laatste die weg gaat. Iedere zondag moet hij op zijn eed verklaren wie gewerkt hebben en hoeveel dagen er gewerkt is. Hij moet er op toezien dat niemand hout of riet wegneemt en overtreders aangeven bij de burgemeesters of cameraars. Hij moet zijn arbeidsvolk goed regeren. Tot loon krijgt hij dat wat Wenemer heeft gehad.

[Fol.101v, oud XXXVIIv]
15.02.1567, Johan Laurensz is aangenomen als stadshoofdmeester op de volgende voorwaarden.
Hij moet zweren de stad getrouw te zullen dienen en mee te helpen materialen kopen voor de stad op de voordeligste wijze.
Hij moet goed toezichthouden op het arbeidsvolk, de eerste zijn die komt en de laatste die gaat. Iedere zaterdag moet hij opgeven aan de cameraar wie voor de stad hebben gewerkt, aan welk werk zij hebben gewerkt en hoeveel dagen. De arbeiders krijgen dan hun loon, waarbij de dijkmeester op zijn eed moet verklaren dat zij goed gearbeid hebben.
Hij mag zelf geen profijt van de arbeiders hebben en moet er op letten dat zij geen hout meenemen dat aan de stad toebehoort.
Hout, palen, ruwaer, etc. dat de stad laat houwen of snijden, moet hij behoorlijk laten banden. Hout, e.d. dat de stad koopt en ontvangt, moet hij tellen en noteren en het geschrift aan de cameraars of rentmeesters geven.
Hij mag geen hout verkopen op eigen initiatief.
Rieten daken van stads huizen of schuren moet hij dekken als hem dat bevolen wordt.
Hij krijgt van elke schuit een stuiver brabants per dag. Als hij voor de stad werkt, zowel ’s-zomer als ’s-winters, krijgt hij als loon 8 gosselers per dag.
Tot kleding krijgt hij 10 lb. per jaar. Hij moet waken, helpen met misdadigers vangen en verder de justitie helpen, zoals zijn voorgangers ook deden en de andere officianten verplicht zijn te doen.

25.02.1581, Willem Jacobzen krijgt van iedere schuit 1½ stuiver per dag en als loon 6 stuivers per dag, zowel ’s zomers als ’s winters. Voor zijn wagen krijgt hij 20 stuivers perdag.

[Fol.102, oud XXXVIII]
Het schoonhouden van de stads weteringen.

25.05.1574, De Raad heeft bepaald dat een hoofdmeester geen hout mag ontvangen dan dat wat door de cameraars en dijkmeesters is gekocht. De dijkmeester van de Gezworen Gemeente die voor dat jaar door de Raad is aangewezen voor de administratie van ontvangsten en uitgaven moet iemand aanwijzen voor het tellen en controleren van het hout, die iedere dag aan de dijkmeester verslag moet uitbrengen. Als hij de kwaliteit niet goed genoeg oordeelt, moet hij de dijkmeesters waarschuwen. De dijkmeester van de Gezworen Gemeente moet worden gehoorzaamd. Hij kan arbeiders ontslaan en aannemen. Als de hoofdmeester zich misdraagt, wordt ook hij ontslagen. Arbeiders die zelf ontslag nemen, komen niet meer in aanmerking voor stadswerk.

[Fol.102v, oud XXXVIIIv]

_↓_


|pag. 50|

Van het sluiten der ameiden.
[Niets ingevuld]

[Fol.103, oud XXXIX]
Gevangenwachter.

De stockmeester of gevangenwachter moet de gevangenen bewaren op zijn lijf en goed. Hij moet helpen gevangenen aantasten en geleiden. Hij krijgt het benodigde hout en ijzer. Van iedere gevangene die ‘geschat’ wordt krijgt hij tot sluitgeld een oud schild.
Van een gevangene die voor schuld of keur wordt vastgezet, krijgt hij een halve gulden.
Van gevangenen die hun lijf verbeurd hebben of van hen die onschuldig blijken te zijn, beurt hij geen sluitgeld.
Van gevangenen die op rantsoen komen, zal hij hebben 3 st.br. per dag en van gevangenen die de stad betaald 3 st. current per dag.
Hij krijgt als loon 15 lb. per jaar, half op Pinksteren en half op Martini, en tot kledinggeld 6 lb.

09.09.1558, Gedeputeerden van de Raad hebben mr. Florijs Eickenholt aangesteld tot stadstimmerman en gevangenwachter. De voorwaarden van de ordinaris, blz. XXXIX, zijn hem voorgelezen. Hij heeft daarop verzocht dat hij vrij zou zijn van het aprehenderen van gevangenen. De raad heeft na overleg besloten dat hij als hij aan de arbeid zal zijn, men hem zoveel mogelijk buiten het arresteren van gevangenen zal laten. Hij heeft hierop het gevangenbewaardersambt op de oude voorwaarden aangenomen.
Wat betreft het timmerambt is het volgende met hem afgesproken.
Hij krijgt daarvoor een jaarlijkse pensie van 29 g.g., te betalen in twee termijnen, n.l. op Pinksteren en op Martini. Voor zijn kleding krijgt hij 5 g.g. op Pasen. Verder een vrije woning. Als loon krijgt hij voor elke dag dat hij voor de stad werkt 5 st.br.
Hij heeft beloofd om in Kampen te komen wonen omstreeks Sint Maarten. Zijn pensie zal ingan als hij zijn dienst begint. Van knechten die hem in het stadswerk helpen, mag hij geen profijt hebben. De stad mag die knechten aannemen en ontslaan zonder zijn tussenkomst. Hij moet wel toezicht op hun werk houden.
Hij mag geen leerjongen hebben dan zijn eigen zoon, die beloond zal worden volgens goeddunken van de Raad. Spaanders mag hij tot eigen profijt aanwenden maar overblijfselen van het zagen die groter zijn dan een voet in het vierkant, behoudt de stad. Kleinere stukken mag hij zelf houden. Al het oude hout dat onbewerkbaar is, mag hij hebben tot discretie van de Raad. Hij mag niet uit de stad reizen of vreemd werk aannemen zonder toestemming van de burgemeesters.
Deze overeenkomst zal 6 jaar duren. De Raad consenteerde en mr. Florijs deed zijn eed op 16.03.1559.

[Fol.104, oud XL]
Van de uuthreyders [doorgehaald]. Landmeter [doorgehaald]

18.04.1566, Gedeputeerden van de Raad spraken met Mr. Floris Eyckenholt om deze te continueren als stadstimmerman en gevangenwachter op de volgende voorwaarden.
Als gevangenwachter zal hij de gevangenen bewaren op verlies van zijn lijf en goed.
Van elke gevangene die geschat wordt krijgt hij tot sluitgeld een oud schild.
Van elke gevangene die voor schuld of of koer gevangen wordt genomen krijgt hij een halve gulden.
Van gevangenen die het lijf verbeurd hebben of die onschuldig zijn, krijgt hij geen sluitgeld.
Van hen die zelf de kosten betalen krijgt hij sluitgeld, van hen die door de stad betaald worden, krijgt hij geen sluitgeld.
Van burgers, inwoners of vreemden die het kunnen betalen, zal hij 5 st.br. per dag moeten hebben. Voor hen van wie de kosten door de stad betaald worden, krijgt hij 4½ st.br. per dag. E.e.a. in verband met de dure tijden. Als de tijden beter worden, zal de Raad deze bedragen misschien herzien.

_↓_


|pag. 51|

Hij mag alleen diegene bij de gevangenen toelaten die van de Raad toestemming hebben of aangewezen worden.
Als er bij dag of bij nacht gevangenen moeten worden gearresteerd, moet hij evenals de andere stadsdienaren helpen, behalve (tot discretie van de Raad) wanneer hij aan de arbeid is.

Voor zijn functie als stadstimmerman krijgt hij per jaar 28 g.g., te betalen in twee termijnen, t.w. op Pinksteren en op Martini, voor kleding 5 g.g. op Pasen, en een vrije woning.
Als hij voor de stad werkt krijgt hij des zomers per dag (van Petri tot Michaelis) 7 st.br. Een of twee van zijn meesterknechten, die hij in kost heeft of van buiten laat komen, krijgen per dag 6 st.br. De andere knechten elk 5 st. br. In de winter (van Michaelis tot Petri) krijgt hij per dag 5 st.br. en de andere knechten 4 st.br.
Van knechten die de stad aanneemt en ontslaat mag hij geen profijt hebben, maar hij moet wel toezien dat zij goed werk leveren.
Hij mag maar één leerjongen houden, die beloont wordt volgens hen die daar over gaan.
Van wat de bijl en de zaag geven mag hij alles houden wat kleiner is dan een voet in het vierkant. Oud hout, dat onbewerkbaar is, mag hij houden tot discretie van de Raad.
Hij zal iedere week de houtzagers een cedeltje [bewijsje] geven van hun zaagarbeid voor de stad, waarnaar de cameraars hen uitbetalen.
Hij mag niet uit de stad reizen of vreemd werk aannmen zonder consent van de burgemeesters.
Deze dienst zal aanvangen op de hoogtijd van Pasen van dit jaar en 6 jaar duren.

Gelezen en goedgevonden door de Raad op 20.04.1566.
Op deze voorwaarden deed mr. Floris de eed op 03.08.1566.

[Fol.105, oud XLI]
Van de hierde [herder] op Soevenyngen.

Juni 1546, Tijmen Lubbertsz is door de cameraars en weidemeesters, met consent van de Raad, nog voor 10 jaar aangenomen op de oude voorwaarden, maar in plaats van vijf wil de stad nu ieder jaar zes van de beste ‘voell vullens’ hebben, [zes is verbeterd uit vijf]
Coram: Tymen van den Vene, Mr. Gheert Glauwe, Luytken van Wilsum en Mr. Gotschalck ten Indick.

15.10.1557, Tussen de stad en haar meier van Soevenyngen is onenigheid gerezen over de vraag of de stad vijf of zes veulens moet hebben. Het verlengingscontract van tien jaar, gesloten met wijlen Tyman Lubbertsz, is onduidelijk en de raadsleden die er toen over gingen, zijn meest overleden.
Nu wordt bepaald dat de vier veulens die ‘op het sesten voell betaelt synnen’, betaald zullen zullen blijven. De stad zal ook de schade op zich nemen van het veulen dat is verongelukt door de ‘spaenger des stadts vreen’ [sluiting van de omheining]. De stad moet van de meier hebben het vierde ‘voell’ dat hem in de uitzetting toekwam, maar de 18 rijderguldens die de stad van de vorige [van 1555] toekwamen, zullen ‘doeth ende tho niet’ zijn. De meier zal nog van de stad krijgen 10 ‘ridder guldens, van 23 stuivers per stuk.
Overeeneengekomen door Erenst van Isselmuiden, Egbert then Busch, mr. Godtschalck ten Indick, Harmen ther Barchorst, mr. Herman van der Vecht en de meier Wyllem Hermsen.

[Fol.105v]
Vinnekijkerseed.

De vinnekijker moet zijn ambt getrouw bedienen en ieder die hem daarom verzoekt, helpen volgens de van ouds daartoe staande voorwaarden.

[in hetzelfde handschrift] 14.01.1641, Berent Joachims van Bevergeerde is tot stadsvinnekijker aangesteld en heeft de eed gedaan.

_↓_


|pag. 52|

Eed van de vinnekijker, 02.10.1641 [datum doorgehaald].
De vinnekijker moet de beesten schouwen volgens de gedrukte ordonnantie van 07.06.1634 [doorgehaald] 28.08.1652, op de profijten daartoe staande.

Fol.106]
16.09.[z.j.], Derck Berentsz heeft de eed [als vinnekijker] gedaan. Hij is adjunct van Steven.

25.09.1649, Aelt Berentsz heeft de eed als beestenschouwer gedaan. Hij is adjunct van Steven.

06.10.1654, Dirck Berentsz heeft de eed gedaan als adjunct van Aelt Berentsz van het schouwen van de beesten en wat daar verder bij hoort, volgens de daarvan gemaakte ordonnantie.

[Fol.106v]
30.09.1656, Willem Claesz, de stadskok, heeft de eed gedaan van het schouwen van de beesten.

12.12.1657, Hartgert Janssen heeft de eed gedaan van beesten te schouwen en vinnen te kijken.

[Fol.107, oud XLII]
Ordonnantie van de stadskarman, die tevens steigerman Buiten is, volgens oude gewoonte.
Hij moet de volgende werken en straten schoonhouden. De brug vanaf de Mastenbroekerdijk tot aan de stad, de Vismarkt buiten de muren en de Vogelmarkt binen de muren, de Oudestraat rondom de torens en poorten en rondom het schepenhuis en waakhuis. Hij moet daar minstens twee keer per week reinigen als dat nodig is.
Buiten de stad moet hij reinigen van het Tolhuis, op de steigers en op de Welle tot aan de Nieuwe Haven, tevens rondom de poorten en langs de muren.
In de slachttijd moet hij slachtafval ruimen, verder moet hij ook mest en ander vuilnis ruimen. Als iemand ‘onredelijk’ vuil van de steiger in de IJssel gooit, moet hij die bekeuren met 10 stadsponden, waarvan hij de helft mag houden, na vermoge der publicatie van 18.10.1556.
Als de Raad hem dat opdracht, moet hij mesthopen van de Welle en steiger, binnen en buiten de poorten, op eigen kosten wegvoeren, behalve als hij iemand kan aanwijzen die die mest daar heeft neergegooid. Hij die dat gedaan heeft, krijgt opdracht om de mest binnen drie dagen af te voeren of de karman zal het doen en verhalen de onkosten dubbel op de weigerachtige. Hij mag voor de betaling laten panden.
Als iemand in de stad, van de Sint-Jacobsteeg tot aan de Hagenpoort, vuilnis of mest op straat opslaat, moet hij hen aanzeggen het weg te halen of hij zal het zelf weghalen en rekenen dubbel loon, etc.
Verder moet iedereen zijn eigen straat schoonmaken als dat omgeroepen wordt, op een boete van 2 stuivers brabants, ‘to appliceren tot den caerman’.
Als hij zijn werk veronachtzaamt en de Raad krijgt daar klachten over, wordt hij van zijn dienst ontslagen.
Zijn loon zal bedragen 18 lb. per jaar, te betalen op de termijnen die in de ‘stadtslappe’ staan.
Hij moet een kar hebben en een paard, dat hij mag weiden in het Uiterbroek.
Als hij voor de stad werkt, krijgt hij een butken voor elke kar zand, kalk of steenmot, of ander materiaal dat hij vervoert. Als hij een kar zand koopt, krijgt hij 1 stuiver brabants. Hij moet wekelijks bij de cameraars en rentmeesters verantwoording doen.
[Fol.108] Hij moet misdadigers en de voor de justitie benodigde stangen, raden en andere instrumenten vervoeren naar de plaatsen die hem worden aangewezen, zoals dat van ouds gebruikelijk is.
23.02.1559, Op deze ordonnantie is Rotger Geertsz voor zes jaar aangenomen als karman en steigerman. Hij heeft de eed gedaan.

_↓_


|pag. 53|


[Fol.108v is niet beschreven]

[Fol.109, oud XLIII]

Van de doodgraver [doorgehaald]

Ordonnantie voor de karman, door schepen en raden gemaakt 23.04.1592.
De karman moet iedere week de IJsselbrug schoonvegen.
Ieder week moet hij het vuil opvegen en wegvoeren van de straten bij het stadhuis, Vogelmarkt, Botermarkt, Nieuwe Markt, Vismarkt en van de Welle tussen de kraan en het tolhuis. Hij moet het over de IJsselbrug brengen en krijgt dan voor elke kar 1½ stuiver.
Hij moet de mest van de stadsstal afvoeren en geniet daarvoor het recht om twee paarden te weiden in het Uiterbroek.
Voor het vervoer van een kar zand, kalk, steen, lei of dergelijke, krijgt hij 1½ st.
Voor een wagen zand dat hij aan de stad levert krijgt hij 6 stuivers en voor een kar zand 3 stuivers.
Als hij iets vervoert met een slee en paard of iets versleept met een paard, krijgt hij 1½ stuiver. Idem met twee paarden 2½ stuivers.
Van ieder ‘voeder’ hout, steen of anders dat hij in de stad met een wagen vervoert, krijgt hij 3 stuivers. Idem in de broeken of op de Zwartendijk 4 stuivers.
Iedere week moet hij bij de cameraars een lijst van wat hij vervoert heeft indienen.
Hij moet opletten dat niemand vuilnis stort bij het raadhuis, op de markten of op andere plaatsen waar het niet mag. Overtreders moet hij, volgens zijn eed, aanbrengen, genietende de helft van de boetes.
Als er justitie wordt gedaan, moet hij de stad daarbij dienen als van ouds.
Ook moet hij verder de stad dienen als hem dat wordt bevolen.

[Fol.109v, oud XLIIIv]
Vanden rosschen roeder uutten broecken.
04.08.1550, Johan van Urck, Eernst van Isselmuden, Johan Thonisz en Henrick Hoppenbrouwer, als hoofdlieden van het Horstespel, hebben Johan van Hardenberch en zijn vrouw Lubbe aangenomen om de russen en distels uit het broek te houden.
Daarvoor mag hij jaarlijks, met de broekheren, in de voorweide drie koeien in het broek laten inbranden, zonder daarvoor iets te betalen. Hij mag tevens drie koeien weiden op Soeveningen, maar moet daarvoor betalen gelijk de andere burgers.

16.12.1553, De hoofdlieden van het Horstespel nemen Jan Willemsz en zijn vrouw Geze aan om de russen en distels uit het broek te houden op de voorwaarden als hierboven omschreven.

[Fol.110, oud XLIIII]
10.02.1553, Voorwaarden voor de bediening van het tolambt.
De tollenaar moet het ambt in eigen persoon bedienen. Hij mag geen anderen laten schrijven. Hij mag een jongen houden, maar die niet laten schrijven of laten ontvangen.
Hij moet alle tolgelden en paalgelden en dat wat er verder bijhoort, registreren en ontvangen en elk kwartaal de registers en ontvangen gelden aan de cameraars overhandigen.
Tollenaar Arendt van Oltzende heeft van de jaren 1548-1553 nog geen rekenschap gedaan. Hij moet nu met de cameraars en andere officieren van deze jaren verantwoording doen. Hij moet direct borgen stellen.
Hij moet alle bij het tolambt behorende lasten, zoals administratie van bakens en tonnen, voor zijn rekening nemen.
Hij moet iemand die de tol voorbij gaat zonder tolgeld te betalen, arresteren in persoon en goederen en daarover met de Raad overleggen. Hij krijgt daarvoor een vergoeding.
Hij mag niet meer tolgeld vorderen dan wat in de tolcedulen wordt bepaald.

_↓_


|pag. 54|

Hij mag op het tolhuis alleen ten gelage laten komen raadslieden en burgers van onbesproken gedrag. Hij moet zorgen voor kaarsen, kolen en en kaas, zoals van ouds gebruikelijk is.
Als beloning krijgt hij 31 goudguldens per jaar en voor de kleding van zijn jongen 4 goudguldens per jaar.
Als de tollenaar zich niet aan het bovenstaande houdt, wordt hij ontslagen. Hij moet dan nog wel de administratie tot het einde van zijn termijn inleveren.
Deze voorwaarden heeft Arendt van Oltzende aangenomen. Tot borgen heeft hij gesteld Henrick van den Dam en Jan Casse. Actum 20.02.1553.

De aanneming van mr. Johan Roeper als tollenaar vindt men op blad 72.

De aanneming van Lucas Krijt tot tollenaar op de Swartesluijs vindt men op Fol.LXXII.

[Fol.111, oud XLV]
De organist.

04.02.1565, Provisoren en kerkmeesters van de Sint-Nicolaaskerk en vertegenwoordigers van de Raad hebben mr. Wilhem Andriesz aangenomen als organist van de Sint-Nicolaskerk op de volgende voorwaarden.
Hij moet zich direct in de leer begeven bij een bekwame organist en daar een jaar metterwoon blijven op zijn eigen kosten, om te leren spelen zoals een goede organist behoort. Intussen zal de eerbare heer Goessen van Voerst of een goede gezel het orgel bespelen en daar goed toezicht op houden, zodat het orgel niet verder ‘bedorven’ wordt, voor dezelfde profijten en inkomsten als tot dusver Jacob Borchartsz jaarlijks heeft genoten.
Als over een jaar Wilhem Andriesz een bekwaam organist is geworden, zal hij voor drie jaar worden aangenomen op dezelfde profijten en inkosten als Jacob Borchartsz genoten heeft.
Als hij na die drie jaar nog bekwaam genoeg bevonden wordt, zal hem de kerk boven het tractement voorgenoemd nog 24 goudguldens van 28 stuivers extra geven, te betalen in vier termijnen per jaar. Deze extra betalingen zullen de kerkmeesters voor de komende vier jaar opzij leggen voor de reparatie van het grote orgel in de Sint-Nicolaaskerk.
Wilhem Andriesz moet het orgel bespelen en onderhouden op de volgende voorwaarden.
Hij moet zich houden aan het kerkregister of boek dat bij het orgel hoort als hij speelt voor de Metten, Laudibus, Missen, Vesperen en Loven, zowel in festis compositis als anders dat de kerk annex is, door persoonlijk te spelen op het orgel dat daarvoor gebruikt wordt. Hij moet tot ieders genoegen spelen, ook in de Loven en de donderdagse mis in de Heilige Geest.
Als hij ziek is of anderwijs niet kan spelen, mag hij met toestemming van de provisoren en kerkmeesters een ander bekwaam persoon laten spelen.
Met reparatie van defecten aan de orgels, door of buiten zijn schuld ontstaan, mag hij zich niet bemoeien.
De provisoren en kerkmeesters zullen altijd de sleutels van het orgel onder hun berusting houden. Als de organist zijn taak volbracht heeft, moet hij bij de dienstdoende kerkmeester de sleutel inleveren.
Als door schuld van de organist gebreken aan het orgel ontstaan, moet hij dat aan de provisoren en kerkmeesters melden, die dat dan op zijn kosten laten herstellen. Gebreken ontstaan buiten zijn schuld, zullen op kosten van de kerk worden hersteld.
Leerlingen of discipelen mag hij uitsluiten op het orgel toelaten tijdens de godsdienstoefeningen, als hij moet spelen, [het vervolg staat op fol.116]

[Fol.112]
22.11.1592, Johan Gijsbertzen is aangenomen tot een baker van het Diep, op dezelfde voorwaarden en pensie als de anderen. De nieuwe ordonnantie is hem voorgelezen. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.112v]

_↓_


|pag. 55|

23.11.1578, Johan Lubbertsz, Jan van Deventers zoon, is voor een jaar aangenomen tot een baker van het Diep, op dezelfde voorwaarden als eertijds Lubbert Albertsz. Hij zal van de stad genieten 8 goudguldens van 28 stuivers per jaar.
Hij heeft de eed gedaan.

03.02.1580, Jan Gijsbertsz is voor een jaar aangenomen tot baker van het Diep, op dezelfde voorwaarden als eertijds Lubbert Albertsz en Wycher Geertsz alias Neve. Hij heeft de ordonnantie van de piloten bezworen. Zijn pensie zal 12 g.g. per jaar bedragen.

[Fol.113]
23.04.1619, Peter Jansen Buijterdijck is benoemd tot een baakmeester, op dezelfde conditiën als de andere baakmeesters. De ordonnantie is hem voorgelezen. Hij heeft de eed gedaan.

11.10.1620, Albert Thijmensz is tot piloot of baakmeester aangesteld, op dezelfe voorwaarden en pensie als de andere baakmeesters. Hij heeft, nadat hem de ordonnantie was voorgelezen, de eed gedaan.

15.09.1642, Jan Stuve is in plaats van wijlen Peter Jansz Buijterdijck aangesteld tot baakmeester of piloot. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.1l3v]
22.06.1621, Henric Janssen is aangesteld tot piloot en baakmeester, op dezelfde voorwaarden als de andere baakmeesters. Hij heeft de eed gedaan.

04.10.1626, Albert Pannebacker is aangesteld tot piloot en baakmeester, op dezelfde voorwaarden als de andere baakmeesters. Hij heeft de eed gedaan.

21.03.1627, Bouwe Jacobsz is aangesteld tot piloot en baakmeester, op dezelfde voorwaarden als de andere baakmeesters. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.114]
12.12.1644, Peter Albertsz Pannebacker is aangesteld tot piloot en baakmeester, op dezelfde voorwaarden als de andere baakmeesters. Hij heeft de eed gedaan.

27.05.1645, Sijmon Janssen is aangesteld tot piloot en baakmeester, op dezelfde voorwaarden als de andere baakmeesters. Hij heeft de eed gedaan.

30.06.1693, Claes Jansen van Ee is in plaats van wijlen Jan Hoppehese aangenomen als piloot.

[Fol.114v]
21.12.1652, Geerloff Cornelijs en Berent Geerloffs aangenomen tot baakmeesters, op het daartoe staande tractement. Zij hebben de eed gedaan.

04.06.1656, Peter Jansz is aangesteld tot piloot en baakmeester, op het daartoe staande tractement.

18.05.1661, Jacob Direcksen is aangenomen tot piloot en baakmeester, op de daartoe staande tractementen.

03.09.1661, Thomas Jurriaenssen is in plaats van Peter Janssen aangenomen tot piloot en baakmeester, op het daartoe staande tractement. Hij heeft de eed gedaan.

17.05.1665, Gerrit Jurrisen is aangenomen tot piloot in plaats van Thomas Jurriansen.

[Fol.115]
16.03.1595, Roelof Wonder is aangenomen tot baakmeester, op een pensie van 25 goudguldens per jaar. Hij heeft de eed gedaan op de nieuwe ordonnantie, die hem

_↓_


|pag. 56|

was voorgelezen.

[Fol.115v]
06.10.1610, Gerbrant Jacobsz is aangenomen als baakmeester/ op dezelfde voorwaarden als de andere baakmeesters. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.116, oud XLVI]
De baker van het Diep.

Z.d, Lubbert Albertsz heeft aangenomen om gedurende het gehele jaar de grote en kleine stadsdiepen te bebakenen, op aanwijzing van de Raad. Daarvoor moet de tollenaar hem de bakens leveren. In het voorjaar moet de tollenaar hem ook de zeetonnetjes leveren, die hij dan moet uitzetten en in het najaar weer ophalen, op bevel van de tollenaar. Hij moet ook de bolbakens steken en toezicht houden op alle voorschreven baken en tonnen. Hij moet op zijn eed aan de burgemeesters melden wanneer hij ziet of hoort dat er bakens zijn weggedreven op weggehaald.
De tollenaar moet hem lonen met 12 lb. per jaar.
Opgemaakt in aanwezigheid van de olderlieden en leden van karveelschippersgilde.

Coram Geert Borchertsz.

[vervolg van Fol.111v] Hij moet zorgen dat er geen ongelukken gebeuren door vuur of kaarsen.
Wilhem heeft beloofd dat hij een vroom en eerlijk leven zal leiden en zijn dienst zal waarnemen zoals het ter ere Gods en de stad Kampen behoort. Als hij zich niet goed gedraagt, zal men hem van zijn dienst ontheffen en een ander in zijn plaats aanstellen.

19.02.1570, Gedeputeerden van de Raad hebben Wycher Geertsz alias Neve aangenomen tot een baker van het Diep, op dezelfde voorwaarden als de vorige bakers hadden.
Hij moet toezien dat er geen schepen aan de grond lopen. Verneemt of ziet hij dat dat toch gebeurt dat moet hij dat melden aan de burgemeester inder tijd of aan de tollenaar uit de Raad.
Hij moet ook melding maken van vissers die hun in stadswater gevangen vis overladen in veerschepen of aken, of op andere wijze buiten de Kamper markt om, van de hand doen, hetgeen in strijd is met de publicatie die daar over gemaakt is.
Tot loon krijgt hij ieder jaar 20 goudguldens en een kwart van de opgelegde boetes op overtredingen hierboven genoemd.
De Raad consenteerde in het bovenstaande op 21.02.1570. Wijcher deed de eed op 19.03.1570.

01.02.1593, De volgende baakmeesters hebben de eed gedaan op de nieuwe gemaakte ordonnantie.
Lubbert Goede, Michiel Thyessen, Wychar Meyne en Claes Jansz. Zij zullen ieder tot pensie hebben 25 goudguldens, te betalen in vier termijnen, zoals de stadslappe vermeldt. Als zij binnen de stad komen wonen, zullen zij vrij zijn van wachtdienst, behalve wanneer zij door vorst of ijsgang niet kunnen varen.

11.03.1594, Johan Gijsen en Jacob Bouwsz zijn aangenomen tot baakmeesters, op de nieuwe ordonnantie en voorwaarden, op een jaarlijkse pensie van 25 goudguldens.
Zij hebben de eed gedaan.

[Fol.1l6v, oud XLVIv]
Voorwaarden van Derck Loijsze.
17.03.1562, Gedeputeerden van Raad accorderen met Derck Loysse over de functie van stadsvoerman en wagenman.
Hem is voorgehouden dat hij zijn leven lang, zolang hij sterk en gezond is, voor de stad moet reizen, steuren wegbrengen, e.d., zowel in de zomer als in de winter.
Als er geen reizen te doen zijn, moet hij de stad dienen op andere wijze, met een wagen, back of andere kar, in het vervoeren van hout, steenmot, mest, water,

_↓_


|pag. 57|

etc., niets uitgezonderd.
Mocht hier ook geen werk in zijn, dan moet hij de kerkmeesters van het Heilige- Geestgasthuis helpen met dingen die hij kan en waarvoor hij gekwalificeert is.
Daarvoor zal hij zijn leven lang de proeve in het gasthuis hebben.
Tot pensie krijgt hij 16 lb. per jaar, te betalen in twee termijnen (Michaelis en Pasen), waarvan de eerste zal verschijnen op a.s. Michaelis. Tot kledinggeld krijgt hij 10 lb. en verder krijgt hij iedere twee jaar een paar laarzen, te betalen door de cameraar.
Als hij op reis is zal de stad zijn vertering betalen.
Hij moet goed toezicht houden op de stadspaarden.
Actum in senatu 20.03.1562.

[Fol.117]
1568, Gedeputeerden van de Raad hebben Roloff Jansz aangenomen tot stadsvoerman, op een jaarlijkse vergoeding van 10 lb. kledinggeld, een paar laarzen en een vrije woning. Als hij met de stadswagen uitvaart, zal hij een behoorlijke daghuur genieten, zoals de arbeiders van de stadshoofdmeester genieten. Als hij niet met de wagen werkt, dan zal hij voor een normale daghuur met de hoofdmeesters arbeiden.
Geregistreerd door Lodewijk Voerne op 04.04.1569.

[Fol.117v]
01.04.1622, Gedeputeerden van de Raad hebben Willem Wichersz aangenomen tot stadskarman, op dezelfde voorwaarden als zijn voorgangers.
Hij moet met zijn wagen en paarden de justitie helpen als hem dat gevraagd wordt en moet de straten bij het raadhuis, de Vispoort en de Vismarkt schoonhouden en de mest en vuilnis van de stadstal twee keer per week (op woensdag en op zaterdag) ophalen en wegvoeren. Daarvoor geniet hij hetzelfde weiderecht als zijn voorganger.
Als hij de stad met wagen of slede dient in het halen en vervoeren van zand, kalk, steen of hout, moet hij daarvan goede aantekeningen houden en die aan de cameraars en rentmeesters overgeven.

[Fol.118, oud XLVIII]
Coelvoetswater.

De volgende percelen behoren tot Coelvoets water. Daarvan beurt men jaarlijks naar roedental geld, volgens oude gewoonte.
Van de Koeburch naar de richting van de stad heeft de stad 55 roeden dijks.
Daarnaast Werner Jansz met 2½ roede en 6 voeten dijks. Dit ligt op Johan Willemsz’ huis in de Nieuwstraat, naast Herman ten Toirne.
Daarnaast heeft de Heilige Geest 5 roeden dijks.
Daarnaast Bette Plonijs met 6 roeden en 7 voeten dijks. Die liggen op haar huis.
Dan komt de Willigenwech met de hofstede waar de oude Koeburch op stond. De stad heeft daarnaast 7 roeden dijks liggen.
Daarnaast ligt Berent Witte met zijn land waar nevenaan hij 36 roeden dijks moet maken, met Briggiten 6 roeden.
Daarnaast Mette van Voorst met haar land, 15 roeden, met Tijmen.
Daarnaast Berent Henricxsz en Alfer Petersz naast hun land 15 roeden dijks.
Daarnaast Geert van Yngen naast zijn land 15 roeden.
Daarnaast, naast het stadshoofd, heeft de stad 16 roeden.
Daarnaast onze heer van Utrecht met 3 roeden dijks.
Daarnaast Herman Roede met 5½ roede en 6 voeten.
Daarnaast de Heilige Geest met 2½ roede.
Daarnaast Evert van den Vene met 15 voeten. Die behoren bij zijn maat in Brunnepe.
Daarnaast Herman Kunretorff met 2 roeden, die liggen op zijn huis bij Sancte Nicolauskercke bij het Olde Richthuys.
Daarnaast de Heilige Geest met 2½ roede.
Daarnaast Herman Roede met 2½ roede en 6 voeten.
Daarnaast Arent van Wilssem met 14 voeten. Die liggen op zijn huis.
Daarnaast Johan Henrycxz met een halve roede.

_↓_


|pag. 58|

Daarnaast Peter van Hasselt met 3 roeden op zijn huis liggende, met partijen Jutte opte Rijt.
Daarnaast Lutken van Kampen met 1 roede.
Daarnaast Herman Kruyse met 3 roeden op zijn huis liggende.
Daarnaast mijn heer van Utrecht met 3 roeden.
Daarnaast meister Egbert Sellen kinderen met 6 roeden op hun huis te Brunnepe liggende.

[Fol.118v, oud XLVIIIv]
Daarnaast meister Johan van der Wede met 15 voeten.
Daarnaast Mette van Voorst 12 voeten.
Daarnaast Sint Michielshuis 12 voeten.
Daarnaast heer Willem Beyken 10 voeten, liggende op zijn huis dat bij zijn altaar hoort.
Daarnaast Johan van den Vene 2 roeden.
Daarnaast Werner Arentsz die molre met 5 roeden, liggende op zijn huis in de Hagen op de hoek, tegenover de molen, waarin hij nu woont. Van deze 5 roeden behoort de pastoor van Sint Nicolaaskerk de waterrente van Koelvoetswater jaarlijks te beuren en Werner voorschreven hoort de dijk te maken.
Daarnaast Henryck Kuinretorff een halve roede, liggende op zijn huis.
Daarnaast Werner Jan[sz] een halve roede, liggende op zijn huis tegenover de Boedelstoren.

Summa van de hiervoor genoemde dijken van de stad 78 roeden, van de dijken van Johan van den Vene 30½ roede en 5 voeten en van de dijken van de pastoor 2 roeden. Dit heeft de stad op zich genomen.
Samen 110½ roeden en 5 voeten.

Daarnaast Sint Brigitten 12 voeten.
Daarnaast meister Johan van der Wede en Luytken Kleyssz’ erfgenamen 1 roede dijks.
Daarnaast Onze Lieve Vrouwememorie 4 roeden.
Daarnaast Sint Katharinagasthuis 1 roede.
Daarnaast Lambert Jacopsz messemaker een halve roede, liggende op zijn land.
Daarnaast meister Johan van der Wede en Luytken Kleysz’ erfgenamen 1 roede.
Daarnaast Sint Katharinagasthuis 2 roeden.
Daarnaast Johan van den Vene 7 roeden en 5 voet, liggende op zijn land binnen dijken civitas.
Daarnaast meister Johan van der Wede en Luytken Kleysz’ erfgenamen 1½ roede.
Daarnaast Sint Katharinagasthuis 1½ roede.
Daarnaast Johan van den Vene 23½ roede, liggende op zijn land binnendijks. In deze 23% roede ligt de pastoor van de Sint Nicolaaskerk met 2 roeden, liggende op zijn binnendijks land naast de dijk gelegen.

Deze percelen behoren, als voorschreven staat, bij Koelvoetswater.
Somma 267½ roede.

[Fol.119, oud XLIX]
Hiernaast, naar de richting van de stad, Geert Glasemaker met 26 roeden dijks, behorende bij zijn land daarnaast liggende.
Daarnaast Dirck Wernertsz met 3 roeden, liggende op zijn mate binnendijks.
Daarnaast Borgert Geertsz en Geert Schepeler met 3 roeden en 3 voeten, liggende op hun binnendijks land.
Daarnaast Dirck Wernartsz 3½ roede, liggende op zijn mate binnendijks.
Daarnaast liggen 2 bijstere roeden.
Daarnaast Sint Katharinagasthuis met 2 roeden.
Daarnaast Arent Dijck met 1 roede, liggende op zijn huis Boven de Poort.
Daarnaast, tot aan het Cruyce, ligt 1 roede. Die maakt Johan van Teye van de stad horst. Men zegt dat deze roede voor Johan Claesz Gortemaker is en dat die op zijn huis ligt waarin hij woont.

Summa summarum 308 roeden en 6 voeten. Een roede gerekend voor 18 voeten.

_↓_


|pag. 59|

Vanaf het kruis met het beeld, naar de Zwanenpoort, heeft elk zijn dijk op zijn landen buitendijks en de daarop staande huizen.

Ten eerst de dijk boven de Zwanepoort, tot naast het hek van het Overbroek moet, 8 voeten breed zijn.
Van het hek tot aan de dijk van Herman, naar de kant van de stad, 12 voeten.
Herman voorschrevens’ dijk en de dijk die daarbij ligt, tot aan het opperste van Buerhoeft, 14 voeten.
De voet, naar de IJssel gerekend, 12 voet breed, gepaald, geriet en gevuld met ruwaar, tot een voet boven de palen, op een boete van 5 oude schilden.
De hoofden aldaar moet men ook vullen met ruwaar, steenmot of aarde, op een boete van 5 oude schillingen.
Van het opperste van Buerhoofd tot aan de dijk, zullen de dijken 12 voet breed wezen.
De dijk op de Enck, zover als die wade binnen gaat, 16 voeten breed.
Naast de wade moet de dijk 12 voeten zijn. Alles samen op de oude hoogte. Dat is een zode hoger dan de straat. Niet op de straat te dijken, op een boete van een schild.
Men zal de schouw houden op maandag na Sint Michielsdag.

[Fol.119, oud XLIXv]
Van de IJsseldijk van de Venemade.
De stad heeft in de IJsseldijk van de Venemade bij de ronneboom een vierde roede, die behoort tot de Hulck, waar heer Ortwijn Fabri ook een vierdedeel van toebehoort. De Heilige Geest heeft een halve roede.
De stad heeft daar ook 2 roeden, tussen de Heilig Geest en Berent Swertken. Ook nog 2 roeden tussen Seyne Ygerman en Berent Swartken.
Ook nog 3½ roede tussen Geert Glasemaker en de begijnen op de Oort.
Ook 9 roeden tussen de buitenroede en de dijk van VII voeten die tot zijn land behoort.
Verder 14 roeden tussen Oendensdijk en Gerbrant Brinckman.
Ook een halve roede tussen Garbrant Brinckman en Werner Jansz. Verder 10 roeden tussen Dirck Wernertsz en Oendensdijk.
Verder 2 roeden tussen Mette van Voorst en Berentken Zwertken.
Verder naar grootte van het stadsland, de dijk op de Enck.
De corne [boete] van het stadsbroek bedraagt 3 oude vleemsen.
De corne op de Zwartendijk, van elke 50 roeden 1 heren lb.

Van de dijken Boven de Poort.
09.10.1507, Er is bepaald dat de broeke en corne van de dijk Boven de Venepoort een half heren pond zal bedragen. In de wederschouw dubbel geld. De Zwartendijk en de …….. hun recht.

Als er ongemaakte dijken zijn, zal de dijkgraaf die laten maken en nemen dan dubbel geld, volgens oude gewoonten.
De broekheren moeten de graven langs de Zwartendijk 14 voeten breed laten maken en de graven tussen de afzonderlijke broeken 12 voeten en de dwarsgraven 8 voet.
1510, Iedere burger die koeien in het broek heeft, moet een haackbus of een stalen boog hebben.

De brede graven van het broek, vanaf de Willigenweg [niet ingevuld]

De nieuwe meting van de dijk Boven de Poort, door gecommitteerden van de Raad gedaan in 1592, vindt men in het stadsboek van de resolutiën.

[Fol.120, oud L]
Over de drie roeden dijks bij het gericht, die op het huis van Herman Cruse liggen.
11.08.1540 (altera Laurentii), De dijkmeesters van Boven de Sint-Catharinapoort, te weten van de Raad mr. Gerryt Morre en Jacop Hoff, en van de Gemeente Johan van Olst en Frans Lentinck, vergaderden over de drie roeden dijks bij het gericht,

_↓_


|pag. 60|

die op het huis van Herman Kruse liggen.
Johan Kruse had de dijkmeesters verzocht om de verdeling van dit stuk dijk door loting te bepalen. Hijzelf moest 2 roeden en de gezamenlijke erfgenamen van Griete Kruse 1 roede van deze dijk onderhouden. Hij wilde weten waar zijn dijk begon.
Van de genoemde erfgenamen waren aanwezig Gheert Loose als momber van Claes Croesers erfgenamen, Engbert Croeser zelf, Geert van Essen in plaats van Egbert ten Bussche, schout Claes Witte als momber van de erfgenamen van wijlen Claes Kruse, jonge Claes Kruese, Dirck Geye voor de weduwe van Lodewijk Voren en de weduwe van Johan Voren, en de zoon van mr. Arent te Boecop als gevolmachtigde van zijn vader.
Op 19.08. werd geloot; Gheert Looze wierp daarvoor het mes op.
Johan Kruse vielen toe de twee roeden aan de zijde van de Coeborch, zodat naast hem liggen Luytgen van Campen boven met een roede en Griete Kruse’s erfgenamen beneden met een roede. Daarnaast ligt mijn genadige heer, nu keizerlijke majesteit, met drie roeden.
Dit alles is gerichtelijk bekend door mr. Gerrijt Morre, Jan van Olst, Frans Lentinck, Gheert Looze, Engbert Croeser, Gheert van Essen en Claes Witte. Actum 12.03.1543.

[Fol.120v, oud Lv is niet beschreven]

[Fol.121, oud LI]
De hoornblazer.

De hoornblazer moet getrouw dienen en blazen op alle hoeken van de straten die hem genoemd worden. Hij moet ook helpen bij het aantasten en geleiden van gevangenen als hem dat gevraagd wordt.
Hij krijgt als pensie 20 lb. per jaar in 4 termijnen, t.w. Pasen, Midzomer, Michaelis, Midwinter. Verder krijgt hij elke nacht twee waken, die hem de wachters zullen toeschikken.

05.05.1543, Henryck Henricx, wachter in Brunnepe, is aangenomen als hoornblazer op de voorschreven voorwaarden.

04.02.1550, Coert van Calcker is aangenomen als hoornblazer. Hij moet in de zomer blazen voor het raadhuis om 9 uur [boven staat 8 uur] ’s avonds en in de winter om 5 uur. ’s Nachts moet hij blazen om 11 uur, om 2 uur en ’s morgens als de wacht afgaat.
Tot pensie krijgt hij 24 lb. per jaar op voorschreven termijnen.

[Fol.121v, oud LIv is niet beschreven]

[Fol.122, oud LII]
Van de wachtmeesters.

Gheert Janssz Ligger en Floer Backer, wachtmeisters, hebben voor de burgemeesters hun eed gedaan.
Zij zullen zich houden aan de ordonnantie die door schepenen en raden op 28.05.1566 is gemaakt, deels is gepubliceerd op 14.07.1566, en in het Digesto Novo staat geregistreerd. Deze ordonnantie is hen voorgelezen.
Zij zullen hun uiterste best doen om te zorgen dat deze ordonnantie ook wordt opgevolgd door de wachters die in de ‘tooirnen liggen ende omgaen’, alsmede door de anderen.
Alles wat de burgemeesters indertijd hen opdragen, belangende hun wachtdienst, moeten zij uitvoeren.
Als de Raad bepaalt dat burgers zelf moeten waken, mogen zij niemand zonder consent van de Raad vrij van wachtdienst geven.
Zij moeten er op toezien dat de nachtelijke omgang naar behoren gebeurt en zij moeten alle ‘onstuir nae hoeren vermoegen op hoer wachte schutten’ en alle onregelmatigheden die in de nacht plaatsvinden, de volgende dag aan de burgemeesters aanbrengen.

_↓_


|pag. 61|

Zij moeten voor de middag degene die nachtwacht moeten doen, zowel de armen als de rijken, dat aanzeggen.
Zij zijn verplicht om als hen dat gevraagd wordt, te helpen bij het vangen en geleiden van misdadigers.
Zij mogen de nacht niet buiten de stad doorbrengen of zich van hun wacht absenteren zonder toestemming van de burgemeesters inder tijd.
Tot pensie krijgen zij 28 lb. per jaar in twee termijnen (Pasen en Michaelis) en 10 lb. voor kleding.
Floer Backer deed de eed op 03.07.1567 en Gheert Jansz Ligger op 17.07.1567.
12.03.1573, Henrick Janssz Droechscherer heeft de eed gedaan als wachtmeester volgens de ordonnantie gemaakt 28.05.1566, etc. Deze ordonnantie is hem voorgelezen. Hij heeft beloofd te doen zoals de vorige wachtmeester Geert Ligger heeft gedaan.

[Fol.122v, oud LIIv]
29.12.1587, Peter van Wouw aangenomen als wachtmeester op de volgende voorwaarden.
Hij moet toezien dat de turf, zonder dat er iets van wordt weggenomen, door de dragers naar de aangewezen plaatsen worden gebracht.
Hij moet ook toezien dat de turf ’s morgens en ’s avonds op de wachten, en niet naar elders, wordt gedragen en hij moet de sleutels van de turfzolders en turfhokken zelf in beheer houden.
Hij moet ’s avonds na het sluiten van de poorten het kleine wachtklokje ononderbroken luiden gedurende een half uur.
Als aan de stad kalk wordt geleverd, moet hij daarbij zijn om de hoeveelheden te noteren. Hij moet zijn aantekenigen aan de cameraars en rentmeesters geven.
Om negen uur ’s avonds (of op bevel van de burgemeesters vroeger of later) moet hij gedurende een half uur de grote waakklok luiden.
Hij moet elke week bij de cameraars en rentmeesters het salaris van de schrijvers en wachters halen en dat aan hen uitbetalen, volgens oud gebruik.
Verder moet hij zich houden aan de oude en nieuwe ordonnanties op de wachtmeesters en brandmeesters en zich ook houden aan de bevelen van de burgemeesters, cameraars en raadsleden die in de raadskamer zijn.
Tot pensie krijgt hij 30 stuivers per week, daarenboven nog 30 goudguldens per jaar en 5 goudguldens per jaar voor kleding, waarvan hij op a.s. Pasen 1588 zal ontvangen 20 goudguldens en op Michaelis daaropvolgend 15 goudguldens. Ook krijgt hij van de stad een halve last turf.

[Op een meegebonden briefje staat het volgende]
13.09.1628, Thijs Arentz heeft de eed gedaan als brandmeester. Hij moet van de turf die op de wachten e.d. wordt gedragen, nauwkeurig aantekening houden.

02.05.1633, Tijmen Jacobsz heeft de eed gedaan als brandmeester, etc.

[Fol.123, oud LIII]
Het huisraad in de wedeme.
21.02.1539, In presentie van de provisoren Tymen van den Vene en Johan Glauwe zijn aan heer Albert Araerdt de volgende stukken huisraad overgegeven.
36 oude en nieuwe boeken.
Fijn en onfijn tin 17½ lb.
Een waterketel van 4 emmers en een van ongeveer 2 emmers.
Een pot van 3 quarten en twee potten van bijna 3 quarten.
Een loden vat voor de kaarsen, wegende 15 lb. en nog 3 lb. was.
Een bekken van 5 lb.
Twee grote braadijzers waarin het spit gelegd wordt.
Een kleine brandroede.
Een metalen watervat van 5 lb.
Een lange tafel en twee oude banken in de zomerzaal.
Twee oude banken van vurenhout.
Een dwars ijzeren haal op de Brabantse manier met drie aanhangende halen.
Een houten spintken, hangende onder de trap in de keuken.
Een hoenderkooi.

_↓_


|pag. 62|

Een vierkante tafel met een houten vierkante schraag in de kamer.
Een ijzer voor de braadpan.
Een tang.
Een hangijzer.
Een schuimspaan.
Een ijzeren braadlepeltje.
Een kraan.
Een hofspade.
Een greep.
Een vleesavel.
Een ladder.
Een aker van een emmer die gegeven is voor een metalen oliepan die wijlen heer Johan Petersz had verloren.
Puntibus: Mr. Gerardo Kuynreturff en mr. Petro Sibrandi.

Maart 1540, De voorgenoemde voorwerpen zijn nog in de wedeme aangetroffen. De Raad heeft voor de wedeme nog het volgende aangeschaft.
Drie ketels, geleverd door Kempe koperslaeger, bevattende aan roodwerk 14 en 3/4 lb. en aan geelwerk 8½ lb. (een oude ketel van 9 Ib. is ingeleverd), samen gerekend voor 89½ stuiver brabants valuerend, de stuiver gerekend voor 15 plakken. Dit maakt 3 goudguldens en 12 stuivers brabants, de stuiver gerekend voor 14 plakken.
Twee potten, geleverd door Thonis potgieter, wegende 14½ lb., voor drie claeskens per lb. Van de maagd Trijne heeft hij een oude pot van 9 lb., ter waarde van 1½ claesken per lb. ontvangen. Aan hem is nog betaald 30 claeskens.

[Fol.123v, oud LIIIv]
Egbert Bisschop leverde aan de wedeme 8 tinnen schotels, 8 moesschotels, 6 dobbelieren, een mosterdpot, een zoutvat en 2 tinnen koppen, wegende samen 42 lb. min 4 lood fijn tin. Dit gerekend voor 4 stuivers brabants per lb.
Een koperen kandelaar die 5 stuivers brabants kostte.
Van 7½ el tafellaken, gerekend voor 9 stuivers brabants per el, maakte men drie tafellakens en 6 tafeldweelkens.
In de zaal 2 zetelstoelen, 2 beugelstoelen en in de keuken 2 vrouwenstoeltjes.
Drie bedden, een voor de pastoor, een voor de kapelaan en een voor de knecht van de pastoor. Voor het bed van de pastoor 2 paar lakens en 2 hoofdlakens met toebehoren, voor het bed van de knecht een paar lakens, een deken en een stuk wit.
In de keuken 2 dozijn houten telloeren, voor 11 claeskens gekocht.
Twee nieuwe bedden.
[ander handschrift]
De stad heeft voor de zaal nog laten maken een nieuwe bank. Verder gekocht een klerenkast.
Voor de keuken een trisoer van twee spinden.
Gekocht twee webbedoeken, waarvan gemaakt zijn 7 slaaplakens en 2 lange handdwelen, een paar oorkussenteiken, twee tafellakens in de keuken, twee pulnlakens op het bed van de kapelaan, een broodzak van 4 ellen en een klein zakje van een el. De rest is nog bij de meester.
Voor de keuken geleverd een spit en twee vleeskuipen.
[ander handschrift]
Drie saerssche dekens voor de bedden.
Een witte gestikte deken.
Anno 1543 een koetse beddestee en een bed daarop.
Drie grote beddesteden.
Een oude beddestee die daar van ouds geweest is.

Op donderdag na Pinksteren anno 1546 verschenen bij pastoor mr. Andream Fabri in de wedeme de E. Tyman van den Vene en Egbert ten Bossch, provisoren, om het voorgenoemde huisraad te controleren. De pastoor zei dat er niets weg was en dat er ook niets weggemaakt zou worden. De provisoren bleven ’s middags bij hem te gast en maakten ‘goet chiere’.

[Fol.124, oud LIIII]

_↓_


|pag. 63|

19.04.1548, Bij mr. Andream Fabri, pastoor van Sanct Nicolaes kerk, verschenen de provisoren Thyman van den Vene en Egbert ten Bossch om het huisraad in de wedeme te controleren, etc. Zij zijn ’s avonds bij de pastoor te gast gebleven en hebben goede sier gemaakt.

Op Mathei Apstoli anno 1551 hebben de provisoren van de Sint-Nicolaaskerk Tymen van den Vene en Egbert ten Busch het huisraad van de wedeme gecontroleerd.
Pastoor mr. Andries Fabri verklaarde dat er niets weg was. Hij nodigde hen ’s middags te gast.

Op Translationis Martini, zijnde 4 juli anno 1557, hebben mr. Godtschalck ten Indick, in plaats van Egbert ten Busch, en Hermen Kruise voor zichzelf, als provisoren van de Sint-Nicolaaskerk, naar oude gewoonte het huisraad in de wedeme gecontroleerd. Pastoor Andries Fabri, ziek te bed liggende, verklaarde dat er niet minder maar meer aanwezig was. Er was wel linnenwerk versleten en wat houtwerk gebroken. De beide provisoren hadden de dag tevoren ’s middags bij de kapelaan gegeten.

De lijst van het huisraad dat aan pastoor Aggeo is overgeleverd, vindt men op Fol.LXIIII van dit boek.

[Fol.124v, oud LIIIIv]
05.05.1562, Claes Igerman en (in plaats van Henrick de Wolffs) Gerrith Crachtzen, als provisoren van de Sint-Nicolaaskerk, Lodowich Voerne als cameraar en Leffer Sticker als rentmeester, zijn bij pastoor heer Aggeum van Sneeck in de wedeme geweest om de inboedel te controleren, volgens de lijst van fol.LXIIII met het daarachter staande lijstje.
Secretaris H. van Vyenden tekende dat hij ook present was.

[Fol.125, oud LV]
Moltmeter.
De moltmeter moet toezicht houden op het molt dat de brouwers naar de molens brengen en het meten. Hij moet verder de stad dienen als de andere dienaars, met reizen te voet en te paard, als hem dat gevraagd wordt. Zijn eed moet hij doen volgens digestum novo, Fol.LXIII.

07.10.1539, Willem van Ruenen is aangenomen als moltmeter op de voorgenoemde voorwaarden. Hij heeft de eed gedaan.

11.05.1540, Hans Meijer is in plaats van Willem voornoemd aangenomen als moltmeter, op dezelfde voorwaarden als Willem. Zijn dienst zal aanvangen op Petri ad Cathedram. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.125v, oud LVv]
20.04.1631, Tot waagmeesters in de Venepoort zijn aangenomen Floris Willemsz en Jan Dercksz [bovengeschreven staat:] (‘nu Arent Jansz’) en in de Cellebroederspoort Jan Petersz Vynck en Jan Clasz. Zij moeten het graan dat naar de molens gaat en het meel dat daarvan terugkomt, wegen.
Zij hebben de eed gedaan volgens de hieronder staande voorwaarden.
Zij moeten alles wat hen aangeboden wordt eerlijk en getrouw wegen, als koren, molt en meel en van alles nauwkeurig aantekening houden, zodat de stad niet tekort komt aan de accijns de burgers het goede gewicht krijgen.
Onregelmatigheden moeten zij melden aan degene die daartoe door de stad zijn aangesteld.
11.08.1638, De bovengenoemde wegers Floris Willemsz en Arent Jansz hebben de eed opnieuw gedaan. Als bevonden wordt dat zij tegen hun eed handelen, zullen zij niet alleen worden ontslagen maar ook, anderen ten voorbeeld, worden gestraft.

27.06.1636, Albert Claessen Soeteman is in plaats van Jan Peters Vinck aangenomen als waagmeester in de Cellebroederspoort. Hij heeft de eed gedaan.

29.09.1649, Wijcher Lubbertsz Bouman is in plaats van Jan Claesen Kloecke

_↓_


|pag. 64|

aangenomen tot waagmeester in de Cellebroederspoort. Hij heeft de eed gedaan.

01.11.1655, Lucas Jurriaens heeft de eed gedaan als waagmeester in de Cellebroederspoort.

09.11.1654, Jan Gerritsz is in plaats van wijlen zijn schoonvader Arent Jansz aangesteld tot waagmeeester in de Venepoort. Hij moet echter zijn [schoon]moeder naar behoren verzorgen.

[Fol.126]
11.04.1657, Lucas Janssen Harpste is ‘vermits quade comportementen’ van Wijcher Lubberts, in diens plaats aangenomen tot waagmeester in de Cellebroederspoort.
Hij heeft de eed gedaan.

29.04.1665, Albart Janssen is in plaats van Floris aangenomen als waagmeester in de Venepoort. Hij heeft de eed gedaan.

25.08.1665, Johannes van Eems is in plaats van Albert Janssen aangenomen als waagmeester. Hij heeft de eed gedaan.

19.12.1665, Jan Janssen is in plaats van Jan Gerrijts aangenomen als waagmeester. Hij heeft de eed gedaan.

14.09.1672, Willem Lamberts is in plaats van wijlen Wijcher Lubbertsz aangenomen tot waagmeester in de Cellebroederspoort. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.126v]
01.03.1675, Laurents Hermsen de Haene is in plaats van Lucas Janssen handschoemaeker aangenomen als waagmeester in de Cellebroederspoort. Hij heeft de eed gedaan.

22.01.1677, Cornelis Pastoor is in plaats van wijlen Jannes van Emst aangesteld als waagmeester.

[Fol.127, oud LVI]
De stadsijker.

Hij moet zweren dat hij goede gewichten zal maken en die goed zal ijken en stempelen volgens de stadsgewichten, op de oude voorwaarden.
Van de burgers mag hij voor het gieten van een pondsgewicht, waarvoor zij zelf het metaal leveren, het ijken en het stempelen, een kromstaart vragen, die nu geldt voor 10 plakken.
Van grotere gewichten mag hij een redelijk loon nemen.
Koperen gewichten die gegoten en recht zijn, moet hij stempelen voor een half butken, dat is nu 4 plakken.
Als de ijker gewichten giet van zijn eigen koper, dan mag hij boven het loon voor zijn arbeid het metaal berekenen voor de dan geldende prijzen.

06.02.1540, Kempe Hillebrants is op bovengenoemde voorwaarden door de Raad aangenomen als stadsijker. Hij heeft de eed gedaan.

19.07.1542, Gheert Rijnvis is aangenomen tot stadsijker van de tinnen kannen.
Hij mag voor het uitkloppen van ‘gekulde of gebuide’ kannen en die weer dicht te maken 3 plakken rekenen. Van kannen waar hij de C op slaat mag hij 1 plak rekenen. Voor het ijken van oliematen mag hij een oortje rekenen. Hij heeft gezworen recht te ijken.

Penultima julii [29 juli] anno 1555, Jan Garbrantssz cannegieter is in plaats van Gheert Rijnvis aangenomen als ijker. Hij mag voor zijn arbeid hetzelfde rekenen als zijn voorganger.

[Fol.127v, oud LVIv]

_↓_


|pag. 65|


18.12.1626, Geert Thonisz is aangenomen als stadsijker. Hij heeft de eed gedaan.

08.06.1667, Jan Ariaensen Broeckman is aangenomen als gezworen ijker. Hij heeft de eed gedaan.

08.02.1676, Adriaen Broeckman heeft als gezworen mede-ijker van zijn vader de eed gedaan.

[Fol.128]
Turfmeterseed.
Hij moet de zak goed vullen en als die gevuld is drie keer opschudden en dan verder opvullen met een rij turven tot boven de zak, zoals dat behoort.

28.06.1636, Claes Herms heeft de hiervoor staande eed gedaan en is in plaats van Lebuijs aangenomen als turfmeter.

29.07.[1636 ?], Toenijs Janssen heeft de eed als turfmeter gedaan.

10.08.1639, Wolter Claesen heeft de eed als turfmeter gedaan.

22.08.1639, Henrick Reinersz heeft als nieuw aangestelde turfmeter de eed gedaan.

18.07.1640, Guijrt Abelts heeft als nieuw aangestelde turfmeter de eed gedaan.

[Fol.128v]
01.05.1641, Henrick Robertz heeft als nieuw aangestelde turfmeter de eed gedaan [doorgehaald].

03.05.1641, Henrick Robertsz heeft als nieuw aangestelde turfmeter de eed gedaan.

13.11.1641, Jelte t’Sijtses heeft als nieuw aangestelde turfmeter de eed gedaan.

11.08.1642, Willem Aartsen heeft als nieuw aangestelde turfmeter de eed gedaan.

29.12.1645, Lucas Hermsz heeft als nieuw aangestelde turfmeter in plaats van wijlen Jaspar Jansz de eed gedaan.

[Fol.129]
07.04.1646, Jan Reijnerts heeft als nieuw aangestelde turfmeter de eed gedaan.

26.02.1648, Jan Claesen en Jan Berentsz hebben als nieuw aangestelde turfmeters de eed gedaan.

17.02.1653, Jan Janssen heeft als nieuw aangestelde turfmeter de eed gedaan.

08.06.1657, Jan Hermsz heeft als nieuw aangestelde turfmeter de eed gedaan.

[Fol.129v]
Frerick Jansen heeft als nieuw aangestelde turfmeter de eed gedaan.

22.03.1660, Henrick Janssen Vos heeft als nieuw aangestelde turfmeter de eed gedaan.

28.10.1662, Claes Jochemsz heeft als nieuw aangestelde turfmeter de eed gedaan.

25.04.1663, Hendrickien Claes heeft als nieuw aangestelde turfvulster de eed gedaan.

22.09.1664, Willem Aertsen heeft als aangestelde turfmeter de eed gedaan.

_↓_


|pag. 66|

[Fol.130]
11.10.1664, Frans Janssen heeft als aangestelde turfmeter de eed gedaan.

08.05.1665, Willem Willemsen heeft als aangestelde turfmeter de eed gedaan.

11.04.1666, Wolter Hendrix heeft als aangestelde turfmeter de eed gedaan.

17.11.1683, Jan Engelsman heeft als aangestelde turfmeter de eed gedaan.

14.07.1690, Jan Stoffersen is bij provisie, in plaats van Arent Gerritsen, aangesteld tot turfmeter.

[Fol.130v]
16.08.1690, Jan Hermsen, turfdrager, is in plaats van Willem Wolters begunstigd met de turfmetersplaats.

20.08.1690, Hans Berents heeft als aangestelde turfmeter de eed gedaan.

[Fol.131 en 131v zijn niet beschreven]

[Fol.132]
Ordonnantie op het verloden van de binnen deze stad gemaakte witte bommesijnen.

Anno 1622, De Raad heeft bij provisie verordonneerd dat tot bevordering van de nering van de bommesijn en de bommesijnwerkers alle stukken bommesijn moeten worden gemaakt op de lengte van ruim 20½ ellen en een breedte van drie vierde delen min een zestiende deel van el.
Alle bommesijn moet door opzichters, die door de Raad daartoe worden geauthoriseerd, worden verlood met een stadsstempel, mits van ieder stuk betalende 5 duiten, te weten 4 voor het verloden of zegelen en 1 voor degene in wiens huis de verloding plaats heeft.
De opzichters mogen bommesijn die niet aan de voorgeschreven lengte of breedte voldoet niet verloden. Als er fouten in de stukken zitten, mogen de opzichters daarover oordelen en ingeval het grote fouten zijn, het advies van de heren zegelaars inwinnen.
Op de voorschreven artikelen zijn Johan Olthuijs, Johan Coenradus en Johan Faesterman door de Raad aangesteld tot opzichters en verloders. Zij hebben aan de burgemeesters handtasting gedaan.

[Fol.132v]
28.09.1630, De Raad heeft zijn gerichtsdienaar Olrick Wessels geauthoriseerd om de bommesijden en de saijen te verloden. Hij zal van ieder stuk genieten een blanck.

[Fol.133]
Eed van hen die geauthoriseerd worden tot het meten van de wollen lakens en het maken van de tarra.

Hij moet een ieder onverweigerlijk trouw en oprecht dienen. De tarra moet hij aantekenen en zijn aantekeningen in de secretarie aan de secretaris geven. Alles vermoge de ordonnantie en het plakkaat van de Hoogmogenden gemaakt.

07.08.1631, Oloff Cruel en Wessel Ulrinkx zijn aangesteld tot meters van de wollen lakens. Zij hebben de eed gedaan.

16.12.1648, Jan Arenstein heeft als nieuw aangestelde meter van de Engelsche lakens, in plaats van Oloff Cruel, de eed gedaan.

16.12.1648, Jacob Steven Hagen, Henrick Eeckholt en Cornelis Henricks, hebben als door de Raad geauthoriseerde makers van de tarra de eed gedaan.

[Fol.133v]
30.06.1658, Jan Zael heeft als nieuw aangenomen meter van de duffelen de eed

_↓_


|pag. 67|

gedaan.

30.06.1658, Gerrit Bollinck, aangenomen in plaats van Jan Arenstein als meter van de lakens, heeft de eed gedaan.

02.08.1659, Jan van Arckelen en Claes Henricksen Spaniaert hebben als nieuw aangenomen terrameesters van de wollen lakens de eed gedaan.

10.03.1673, Arent Veen heeft als nieuw gekozen terrameester de eed gedaan.

[Fol.134]
Eed van de visitateurs van de fouten in de wollen lakens, door de Raad daartoe geauthoriseerd.

De visitateurs moeten de wollen lakens die in de volmolen worden gebracht nauwkeurig controleren op schade en op fouten die door het vollen zijn ontstaan en daarvan aantekening houden. Alles volgens het accoord dat op 14.05.1646 is gesloten met de E. Willem Jacobsen Worst en Goesen Hermsen, nadat de drapeniers bij de magistraat een request hadden ingediend.

17.05.1646 Coenraedt Croen, Berendt van Reen, Abraham Monnij, Jelis Brull en Hermen Hendriks, hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten in de wollen lakens.

05.06.1647, Jan Luitten van Groeningen en Lenert Bongarts hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten in de wollen lakens.

26.05.1648, Claes Hendricksen Spaniaert, Davidt Hulsener en Jan Erckelens, hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten in de wollen lakens.

[Fol.134v]
29.05.1649, Hendrick Hendricksen van den Nijenburch en Hans Peter Vijell hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten in de wollen lakens.

04.06.1650, Berent Jansen van der Ham, Gerrijt Leenderts en Lenaert Bongaerts, hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten in de wollen lakens.

14.05.1651, Hendrick Dirricksen van der Ham en Thoenijs de Ruijtter hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten in de wollen lakens.

09.06.1652, Jan Luijttien van Groeningen, Coenraedt Croen en Jurrien de Greeff, hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten in de wollen lakens.

24.05.1653, Leenert Brull en Frans Franssen hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten in de wollen lakens.

[Fol.135]
13.05.1654, Berendt van Reenen, Dirrick Petersen van den Swaenenberch en Matthijs Smit, hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten in de wollen lakens.

19.05.1654, Arnolt Schutts, Gerrit Lenardt en Hendrick Hendricksen, hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten in de wollen lakens.

08.05.1657, Toenis Ruijter en Erenst Jansz hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten in de wollen lakens.

20.08.1658, Dirck Petersen van Swanenburch, Thomas Helradt en Toenis Lenaertsz, hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten in de wollen lakens.

[Fol.135v]
27.07.1663, Toenis Lenarts Zein en Willem Lamberts van der Weerdt hebben de eed

_↓_


|pag. 68|

gedaan als visitateurs van de wollen lakens.

26.07.1664, Claes Hendricksen Spangier, Jan Gerritsen Reenen van Campen en Hendrick Coenders, de eed gedaan als visitateurs van de wollen lakens.

27.07.1665, Hendrick Henrixen en Gerrit Joosten hebben de eed gedaan als visitateurs van de wollen lakens.

27.07.1666, Fastert Jochemsen, Wessel Joesten en Jan Dircksen van Campen, hebben de eed gedaan als zegelaars.

26.07.1667, Hans Peter Fiel en Jan Leendertsen Sein, hebben de eed gedaan als visitateurs van de wollen lakens.

[Fol.136]
25.07.1672, Jan de Poele, Hillebrant Gerritsen en Hendrick Niewenburgh de jonge, hebben de eed gedaan als visitateurs van de wollen lakens.

16.09.1673, Hermen Luicksen en Jurrien Greve hebben de eed gedaan als visitateurs van de wollen lakens, [doorgehaald, in de marge staat ‘vacat’]

04.08.1674, Hendrick Hendricksz Nieuwenburgh, Erenst Willemsz en Jan Jansen van den Veen, hebben de eed gedaan als visitateurs van de wollen lakens.

27.08.1675, Claes Hendricksen Spanjaer en Tuenis Leenders hebben de eed gedaan als visitateurs van de wollen lakens.

26.07.1687, Claes Jansen, Jan Hulsenaer en Jan ter Meulen, hebben de eed gedaan als terrameesters.

[Fol.136v, 137 en 137v zijn niet beschreven]

[Fol.138]
Eed van de visitateurs van de wol, door de Raad daartoe geauthoriseerd.

De visitateurs moeten de grote en kleine balen wol die hier aankomen en door de drapeniers worden gekocht, tot zekerheid van zowel de kopers als de verkopers controleren op aanwezigheid van vuile wol. Zij moeten de hoeveelheid vuile wol taxeren zonder de wolzakken echter aan alle vier kanten te mogen losmaken en de schade aan de wol bepalen zonder overleg met de taxeermeesters. Alles volgens de apostille die de Raad op het request van de drapeniers heeft gegeven.

17.05.1646, Coenraedt Croen, Berendt van Reen, Abraham Monnij, Jelis Brull en Hermen Hendricksen hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol.

05.06.1647, Jan Luijtten van Groeningen en Lenert Bongart hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol.

26.05.1648, Claes Hendricksen Spaniaert, Davidt Hulsener en Jan Erckelens, hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol.

[Fol.138v]
29.05.1649, Hendrick Hendricksen van der Nijenburch en Hans Peter Viell hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol.

04.06.1650, Berent Janssen van den Ham, Gerrijt Leenaerts en Lenaert Bongaerts, hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol.

14.05.1651, Hendrick Dirricksen van den Ham en Thoenijs de Ruiter hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten van de wol.

09.06.1652, Jan Luijtties van Groeningen, Coenraedt Croen en Jurrien de Greeff

_↓_


|pag. 69|

hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten van de wol.

13.05.1654, Berent van Reenen, Dirrick Petersen van den Swaenenburch en Matthijas Smit, hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten van de wol.

[Fol.139]
26.05.1655, Henrick Dircksz Cirhoff en Laurens Richter hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten van de wol.

19.05.1656, Arnoldt Schutte, Gerrit Lenardts en Hendrick Hendricksen hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten van de wol.

27.07.1660, Jelis Brull, Lauwerens Richter en Joannes Seger, hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten van de wol.

26.07.1661, Thoenijs de Ruijter en Gerrijt Joosten hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten van de lakens.

27.07.1668, Jurrien de Greeve, Jan van Reinen en Joest Jacobsen Dop hebben de eed gedaan als visitateurs van de fouten van de lakens en van de wol.

[Fol.139v]
27.07.1669, Joost Jacobsen Dop en Jan Bever hebben de eed gedaan als visitateurs van de wollen lakens.

26.07.1670, Mattheas Smitt, Hermen Luijksen Groenvis en Johan de Greeff hebben de eed gedaan als visitateurs van de wollen lakens.`

26.07.1671, Hans Peter Fijll en Ernst Willemsen hebben de eed gedaan als visitateurs van de wollen lakens.

16.09.1673, Hermen Luicksen en Jurrien Greve hebben de eed gedaan als visitateurs van de wollen lakens.

[Fol.140]
31.07.1676, Jan de Poele, Hendrick Hendricksen en Hendrick Jansen hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol en de lakens.

28.07.1677, Mathijs Smit en Joest Jacobsen Doppe hebben de eed gedaan als visitateurs van de wollen lakens.

02.08.1678, Theunis Leendertsen, Jan Jelisen en Evert Wijnties hebben de eed gedaan als terrameesters.

26.07.1679, Jan de Pole en Lubbert ten Stege hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol en de lakens.

28.07.1680, Joost Jacobsen Dop, Claes Jansen Bitter en Michiel Middeldorp, hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol en de lakens.

[Fol.140v]
26.07.1681, Jan de Greve en Jan Berentsen Vinckenbergh hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol en de lakens.

26.07.1682, Clamer ter Heijde en Ernst Willemsen hebben de eed gedaan als gildemeesters van het laken- en duffelmakersgilde.

26.07.1682, Gerrit Veltman, Arent Hartgersen en Hermen Clasen hebben de eed gedaan van het loden der duffels.

26.07.1682, Evert Wijnties, Jan de Poele en Abram Bondam, hebben de eed gedaan als terrameesters.

_↓_


|pag. 70|

26.07.1683, Hendrik Panhuys, Hendrik Denijs en Jannes Berentsen, hebben de eed gedaan van het loden.

26.07.1683, Joest Jacobsen Dop, Willem Arentsen en Willem Middeldorp, hebben de eed gedaan als terrameesters.

[Fol.141]
26.07.1684, Henrick van Rhenen en Claes Jansz Bitter hebben de eed gedaan als visitators van de wol.

26.07.1684, Helmen Claessen, Arent Hartgertsen en Berent Pouwelsen, hebben de eed gedaan van het loden van de duffels.

29.07.1685, Michiel Middeldorp, Michiel Leendertsen Sain en Arent Hendricksen Nijenburgh, hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol.

29.07.1685, Hendrick Janssen Panhuijs, Dirck Gerritsen van Lingen en Johannes Kelder, hebben de eed gedaan van het loden van de duffels.

27.07.1686, Willem Arentsen van Diest en Frerick Janssen hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol.

[Fol.141v]
26.07.1688, Henrick Grobboss en Henrick Arentsen Schutt hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol.

30.07.1689, Arent Pastoor, Gerrit van den Brinck en Henrick Duijnkercker, hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol.

26.07.1690, Henrick van Dattelen en Claes Thijssen hebben de eed gedaan als visitateurs van de wol.

[Fol.142]
Eed van de zegelaar of verloder van de duffels, door de Magistraat daartoe geauthoriseerd, als mede van de zegelaars en prenter die door de neringe van tijd tot tijd daartoe zijn gekozen.

De bediening van het loden, verzegelen en prenten oprecht waarnemen naar vermoge der ordonnantie die de Magistraat aan de nering van het duffelmaken heeft verleend. [ander handschrift in de marge:] Mede in het maken van de terre van de grove wol. (Deze laatste zin is op 25.06.1650 toegevoegd).

15.11.1634, Oloff Cruel heeft de eed gedaan als zegelaar en verloder van de duffels zoals hier boven geschreven staat.

27.12.1634, Lucas Berentsz, Lenart Jansz, Rotger Hermsz, Paulus Petersz, Joest Hermsz en Tonis Wechhuis, de eed gedaan als zegelaars, door de nering daartoe gekozen.

27.01.1685, Abraham Suirman, Laurens de Hane en Gerrit Veltman, hebben de eed als zegelaars gedaan.

26.01.1686, Jan Harmsen de Hane, Marten Smit en Jan Berentsen Hartogh, hebben de eed als zegelaars gedaan.

[Fol.142v]
27.12.1634, Berent Hansen en Hermen Derricks hebben de eed gedaan als prenters, door de nering daartoe gekozen.

04.07.1635, Wessel Jansz, Albert Henricks en Rotger Willems, hebben de eed gedaan als zegelaars, door de nering daartoe gekozen.

_↓_


|pag. 71|

04.07.1635, Henrick van Scheppingen en Albert Jansen hebben de eed gedaan als prenters, door de nering daartoe gekozen.

27.07.1686, Hendrick Dennissen, Herman Claessen en Berent Pouwelsen, hebben de eed gedaan als zegelaars.

26.01.1687, Arent Hartgersen, Gerrit Veltman en Jan Teunisen Vooght, hebben de eed gedaan als zegelaars.

26.07.1687, Derck van Grolle, Dirck Backer en Louwijs Jansen, hebben de eed gedaan als zegelaars.

27.01.1688, Jan Hermsen Hane, Laurens Pastoor en Johannes Keller, hebben de eed gedaan als zegelaars van het duffelmakersgilde.

[Fol.143]
29.12.1635, Berent Franschen, Jan Berentsz en Dirrick van Munster, hebben de eed gedaan als zegelaars, door de nering daartoe gekozen.

29.12.1635, Coen Croen en Albert Jansen hebben de eed gedaan als prenters, door de nering daartoe gekozen.

02.06.1636, Lenert Janssen, Thoenijs Petersen en Lucas Berents, hebben de eed gedaan als zegelaars, door de nering daartoe gekozen.

02.01.1637, Jan van Nijenburch, Jan Croen en Rutger Herms, hebben de eed gedaan als zegelaars, door de nering daartoe gekozen.

26.07.1688, Herman Claessen, Henrick Dennissen en Berent Pouwelsen Coster, hebben de eed gedaan als zegelaars van het duffelmakersgilde.

26.01.1689, Arent Hartgers, Gerrit Veltman en Herman Laurensen de Hane, hebben de eed gedaan als zegelaars van het duffelmakersgilde.

30.07.1689, Abraham Suijrman, Court Dircksen Poortenaer en Dirck van Groll, hebben de eed gedaan als zegelaars van het duffelmakersgilde.

[Fol.143v]
26.06.1637, Gerrit Gerritsz, Joest Willemsz en Clamer Hamper, hebben de eed gedaan als zegelaars, door de nering daartoe gekozen.

29.12.1637, Lucas Berentsz, Johan Boemer en Johan Groen, hebben de eed gedaan als zegelaars of prenter, door de nering daartoe gekozen.

27.06.1637, Henrick van Lubeck, Rutger Hermansz en Thonis Petersz, hebben de eed gedaan als zegelaars of prenters, door de nering daartoe gekozen.

14.01.1639, Lenaert Janssen, Gerrijt Janssen en Berent Janssen, hebben de eed gedaan als zegelaars of prenters, door de nering daartoe gekozen.

26.07.1690, Laurens de Poole, Herman Claessen en Henrick Dennissen, hebben de eed gedaan als zegelaars.

27.01.1691, Dirck van Grol, Arent de Hane en Arent Hartgers, hebben de eed gedaan als zegelaars.

[Fol.144]
27.06.1639, Berent Frans, Jan van Nijenburch en Jan Bruyninck hebben de eed gedaan als zegelaars en Albart Jansz heeft de eed gedaan als prenter. Allen door de nering daartoe gekozen.

28.12.1639, Joost Willemsz, Hermen Jansz en Gerit Geritz hebben de eed gedaan

_↓_


|pag. 72|

als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

29.06.1640, Lenert Jansz, Berent Tisen en Derck Geritz hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

30.12.1640, Rutger Hermansz, Thonis Petersz en Hermen Cornelisz hebben de eed gedaan als zegelaars en Albert Jansz als prenter. Allen door de nering daartoe gekozen.
(Het vervolg van zegelaars, prenters en verloders staat op het andere blad [t.w. op fol.145])

[Fol.144v]
Eed van de schout-bij-nacht.

Ik zweer dat ik de stad Kampen trouw zal zijn en mijn taak zal vervullen volgens de ordonnanties die door de Raad zijn gemaakt of nog zullen worden gemaakt. Ik zal letten op alles waardoor de stad schade kan oplopen.

13.08.1636, Lucas Bloeme heeft de hierboven staande eed als schout-bij-nacht gedaan.

10.02.1637, Gerbrandt Witte heeft de hierboven staande eed als schout-bij-nacht gedaan.

24.11.1640, Jaques Arentz is aangesteld tot schout-bij-nacht in plaats van wijlen Gerbrant Witte. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.145]
29.12.1651, Joest Hermsz, Berent Jansz en Claes Jansen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

29.06.1652, Berent Thisen, Henrick Henricksz van Ona en Jan Keller, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

30.12.1652, Jan Berentsz Kruger, Hermen Jansz en Albert Gerritsz, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

25.06.1653, Jurrien Laurents, Joost Willemsen en Jan Boemer, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

[Fol.145v]
28.12.1653, Boldewijn Everts, Jan Dirricksen en Albart Janssen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

27.06.1653, Berendt Franssen, Dirrick Gerritsen en Jan Dreesen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

29.12.1654, Hermen Jansz, Henrick Henricksz van Ona en Reijner Jansz, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

02.07.1655, Berent Thisen, Claes Jansz en Albert Gerritsz, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

[Fol.146]
28.12.1655, Jan Berentsen Creuger, Jan Dircksen en Claemer Claemersen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

25.06.1656, Berent Franschen, Jan Dresen en Marten Louwe, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

29.12.1656, Hermen Janssen, Reijner Janssen ten Wolde en Jan Gerritsen van Nijenburch, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

_↓_


|pag. 73|

27.06.1657, Clamer van Dursten, Vaster Jochemsz en Albert Gerritsz, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

[Fol.146v]
28.12.1657, Jurrien Louwerens, Claemer Claemersen en Jurrien Jans, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

20.08.1658, Dirck Gerritsz, Rotger Willemsz en Marten Louwe, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

02.08.1658, Berendt Tijssen, Hermen Lucassen en Vaster Jochemsen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

28.07.1660, Jurrien Laurentsen Richter, Jan Gerritsen van Nijenburch, Claemer Claemertsen en Jan Hermsen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters.

26.07.1661, Jan Dirxen van Dorsten, Arent Berentsz en Jurrien Jansz, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters.

27.07.1663, Clamor Clamorsz, Jan Harmsz Haen en Laurents Berentsz Pool, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters.

27.01.1669, Fastert Jochemsen, Laurens Poele en Wessel Joesten, hebben de eed gedaan als zegelaars.

28.[07?].1667, Hermen Luuksz en Jan Harmsz Haen hebben de eed gedaan als zegelaars.

26.1.1683, Abram Suirman, Laurens Poele en Dirck Gerritsen van Lingen hebben de eed gedaan als zegelaars.

24.06.1667, Joost Beumer heeft de eed gedaan als zegelaar en prenter.

[Fol.147]
30.06.1641, Berent Jansz, Clamer Rampers en Jan Dercksz, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

28.12.1641, Rutger Willemsz, Boldewijn Everts, Henrick van Schuppingen en Albert Janssen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

26.06.1642, Albart van Steinvorden, Hermen Jansz van Dorsten, Albart Janssen en Hermen Lucassen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

02.01.1643, Joost Willemsz, Johan Berentsz Crueger en Johan Keller, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

[Fol.147v]
01.07.1643, Berent Thisen, Derrick Gerritsz en Henrick Henricksz, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

30.12.1643, Joost Hermensz, Clamer van Dorsten en Hermen Hermensz, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

01.07.1644, Jurrien van Munster, Albert van Stenvorden, en Boldewijn Evertz, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering van de duffelmakers daartoe gekozen.

29.12.1644, Jan Berentsen Croeger, Joost Willemsen en Harmen Lucassen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering van de duffelmakers daartoe gekozen.

_↓_


|pag. 74|

[Fol.148]
25.06.1645, Cornelis Hermensz, Berent Tisen en Johan Dercksz, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

24.07.1645, Wegens de indispositie van de vrouw van Johan Dirricksz is op zijn verzoek en op verzoek van de nering in zijn plaats gekozen als mede-zegelaar en prenter Jurrien Hermsen van Bevergerne. Deze heeft de eed gedaan.

31.12.1645, Dirrick Gerritsen, Hermen Janssen en Henrick Henricksen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

29.06.1646, Jan Boemer van der Lennip, Joost Hermsen en Claemer Hoppelston ter Heijde, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

25.01.1668, Rutger Willemsen, Laurentsz Berentsz en Frans van Lingen hebben de eed gedaan als zegelaars.

26.01.1671, Wessel Joesten, Arent Germers en Jan Wenneker, hebben de eed gedaan als zegelaars.

28.01.1674, Arent Jansz van der Nienburch en Arent Hermsen de Haen hebben de eed gedaan als zegelaars.

04.08.1674, Hendrick van Munster, Hermen Jansz en Boldewijn Boldewijns, hebben de eed gedaan als zegelaars.

21.07.1675, Abraham Suierman, Dirck Bolderop en Hendrick Panhuys, hebben de eed gedaan als zegelaars.

26.07.1676, Hendrick van Munster, Arent Jansen, Gerrit Veltman en Arent Hertgersen, hebben de eed gedaan [als zegelaars].

[Fol.148v]
28.12.1646, Boldewijn Evertsen, Jurrien Laurentsen en Jan Keller, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

17.03.1647, Jan Wechhuijs heeft de eed gedaan als prenter, door de nering daartoe gekozen.

24.06.1647, Berendt van Borcken, Hermen Luicassen en Jan Dirricksen van Dorsten, hebben de eed gedaan als zegelaars, door de nering daartoe gekozen.

03.01.1648, Berendt Tijssen, Dirrick Gerritsen en Frans Franssen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

25.06.1648, Joost Willemsen, Hermen Janssen en Hendrick Hendricksen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

[Fol.149]
30.12.1648, Jan Boemer van der Lennep, Jan Bruinck en Jan Dreesen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

26.06.1649, Jan Berentsen Crueger, Joost Harmsen en Thonijs Wechuijs, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

29.12.1649, Rutger Hermsen, Hartgert Arents en Jan Teller, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters, door de nering daartoe gekozen.

27.06.1650, Jurrien Laurentsen, Berendt van Borckel en Hendrick Hendricksen van Onna, hebben de eed gedaan als zegelaars, prenters en terremeesters, door de nering daartoe gekozen.

_↓_


|pag. 75|

27.07.1665, Arent Berentsz, Hermen Jansz en Berent Hertgersz, hebben de eed gedaan als zegelaars.

26.07.1671, Clamor Clamorsen, Laurents Arentsen Pastoor en Jan Hermsen de Haan, hebben de eed gedaan als zegelaars.

25.01.1670, Hermen Luijcksen Veltcamp, Frans Janssen van Lingen en Herman Claasen, hebben de eed gedaan als zegelaars en verloders.

02.10.1650, Cornelis Henricksz is in plaats van wijlen Berent van Borckel door de nering gekozen. Hij heeft de eed gedaan.

26.07.1670, Arent Janssen, Hermen Janssen en Arent Hermsen Haen, hebben de eed gedaan als zegelaars en prenters.

[Het vervolg van de zegelaars staat op Fol.151]

[Fol.149v]
Eed van de dienaar van de schout-bij-nacht.
Hij zweert dat hij de stad Kampen trouw zal zijn, de bevelen van de officieren zal opvolgens en alles zal doen om schade voor de stad te voorkomen.

13.08.1636, Jan Carsten en Hans Kiliaens zijn tot dienaars van de schout-bij-nacht aangenomen en hebben bovenstaande eed gedaan.

19.03.1640, Jan Henricksz van Hattem is in plaats van Hans Kiliaen, die op eigen verzoek is ontslagen, aangenomen als dienaar van de schout-bij-nacht. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.150]
26.11.1640, Johan Henricksz van Hattem en Hans Franken uit de Pals zijn aangenomen tot dienaars van de schultus [bij nacht], de E. Jaques Arents. Zij hebben de eed gedaan.

03.04.1641, Baltus Petersz van Swolle is aangenomen tot dienaar van de schultus, de E. Jacques Arentz. Hij heeft de eed gedaan.

08.02.1642, Ondanks verscheiden waarschuwingen bleef Baltus Petersen doorgaan met het veronachtzamen van dienst. Hij is ontslagen.

17.04.1666, Jan Hendricksen Vos is door de heren presidenten aangenomen als executeur en heeft de eed gedaan.

[Fol.150v]
Wij zweren dat wij onze merken, die door de zegels zijn aangeslagen, niet hebben afgesneden of laten afsnijden. Wij weten niet wie het gedaan hebben.

16.11.1636, Jurrien Hermssen van Bevergeerde, Jan Croen en Hendrick van Lubick, hebben de bovenstaande eed gedaan.

26.07.1661, Jan Dirxen van Dursten, Arent Berentsz en Jurrien Jansz, hebben [akte niet afgemaakt en doorgehaald].

29.07.1668, Hermen Jansz, Dirrick Hendricksen van Grol en Arent Hermsz Haen, hebben de eed gedaan als zegelaars.

29.07.1668, Hendrick Hendricken, Jan Berentsz Poel en Luyckas Flitser, hebben de eed gedaan als terremeesters.

27.07.1669, Jurrien Janssen, Jan Dirxen en Henrick van Munster, hebben de eed als zegelaar gedaan.

_↓_


|pag. 76|

[Fol.151]
25.01.1672, Hendrick van Munster, Hermen Claessen en Hendrick Panhuijs hebben de eed gedaan als zegelaars.

25.07.1672, Dirck Hendricksen van Grol, Jan Dircksz Puertenaer en Laurens de Haen, hebben de eed gedaan als zegelaars.

16.09.1673, Jan Wennicker, Abraham Suirman en Dirck Boldewijnsen, hebben de eed gedaan als zegelaars.

29.01.1675, Dirck Hendricksz van Grol, Jan Hermsen de Haen en Laurens Pastoor, hebben de eed gedaan als zegelaars.

28.07.1677, Dirck Boldewijns, Hendrick Panhuijs en Dirck Gerritsen, hebben de eed gedaan als zegelaars.

02.08.1688, Laurens Hermsen Haene, Gerrit Veltman en Hendrick Dennijs, hebben de eed gedaan als zegelaars.

[Fol.151v]
27.01.1679, Hendrick van Munster, Jan Bruins en Dirck van Groll, hebben de eed gedaan als zegelaars.

26.07.1679, Dirck Boldewijnsen, Hendrick Panhuijs en Court Dircksen Poortenaer, hebben de eed gedaan als zegelaars.

27.01.1680, Arent Germsen Holterman, Arent Hartgertsen en Dirck Gerritsen van Lingen, hebben de eed gedaan als zegelaars.

28.07.1680, Arent Germsen Holterman, Arent Hartgersen en Derck Gerritsen, hebben de eed gedaan als zegelaars.

26.01.1681, Laurens de Pool, Jan Bruijnsen en Louijs Jansen, hebben de eed gedaan als zegelaars.

26.07.1681, Dirck van Groll, Hendrick Janssen Panhuijs en Hendrick Dennissen, hebben de eed gedaan als zegelaars.

26.01.1682, Arent Harmsen de Hane, Arent Germersen en Marten Smitt, hebben de eed gedaan als zegelaars.

[Fol.152]
29.01.1684, Jan Hermsen de Hane, Laurens Pastoor en Jan Bruijnsen hebben de eed als gildemeesters van de zegelaars gedaan.

27.01.1690, Jan Hermsen de Hane, Laurens Pastoor en Johannes Keller, hebben de eed als zegelaars gedaan.

Voorwaarden voor de inmaner van de stads ecclesiastique goederen.

Hij moet alle ecclesiastique renten, pachten en andere inkomsten invorderen op zijn eigen kosten, genietende daarvoor jaarlijks een tractement van 300 car.gld.
Gerichtskosten die men niet van aangesproken partijen kan terugvorderen, zal men hem vergoeden. Hij moet daarvan goede aantekening houden.
Hij moet iedere maand, of zo vaak als de cameraars en rentmeesters dat van hem eisen, rekening doen van zijn ontvangsten en laten die in de stadslappe overschrijven. Het ontvangen geld moet hij dan overdragen aan de cameraars en rentmeesters of aan diegene die daartoe door hen gemachtigd zijn.
De inmaner moet alles aanwenden om te zorgen dat alle betalingen aan het eind van het jaar binnen zijn, zonder daar iets van in restanten te houden. Hij moet vooral zorgen dat alle betalingen binnen zijn voordat de rekening van de

_↓_


|pag. 77|

cameraars en rentmeesters in het net wordt geschreven.
[Fol.152v] De inmaner mag de huislieden de korting op verpondingen en morgengeld niet geven dan wanneer zij een kwitantie daarvan, getekend door de collecteur, kunnen tonen. Verder zal alleen korting worden verleend aan de laatste pachtsom van het lopende jaar en niet aan tussentijdse betalingen.
De inmaner moet goede borgen stellen aan de stad.

16.09.1622, Henrick Stercke is op bovenstaande voorwaarden tot inmaner van de stads ecclesiastique goederen, voorlopig voor de tijd van een jaar, aangenomen.
Zijn borgen zijn E. Goert Petersen en Marten Albertsen.

[Fol.153]
15.08.1632, Henrick Starcke is op zijn verzoek ontslagen als inmaner van de stads ecclesiastique goederen. Tot nieuwe inmaner heeft de Raad benoemd Dirrick Engberts Bisschop. Zijn borgen zijn E. Johan Saabe en Arent Joosten.

15.05.1647, Dirck Engberts Biscop is overleden. De Raad heeft Johan Henrix, die daartoe een request heeft ingediend, tot nieuwe inmaner benoemd. Zijn borgen zijn E. Florijs van der Maten, Cornelijs Berents Eeckmulder en Peter Henrix van Wijringen.

[Fol.153v]
De eed van de biervoerders.
Hij mag geen bier uit de brouwerijen dragen en op zijn wagen laden voor hij een schijn of cedule heeft ontvangen van degene die met de accijnsinvordering belast is. Hij moet er op letten dat er in plaats van dunne bieren geen dikke bieren worden vervoerd. Hij moet alle des daags ontvangen accijnscedulen zo gauw hij aan de kelder bij de accijsmeesters komt, aan hen overgeven. Verder moet hij zich als een getrouw biervoerder gedragen.

26.09.1623, De volgende bierdragers zijn op het loon daartoe staande, aangenomen en hebben hun eed gedaan als boven staat.
Herman Henricksz, Berent Berentsz, Wycham Jaspersz, Jacob Symonsz, Carst Lubbertsz, Johan Berentsz. [in een ander handschrift:] Hermen Carsten, Hermen Hermansz.

Geert Geertsz is in plaats van Wijchmont bijervoerder aangenomen en heeft de eed gedaan. Coram: Lubbert van Hardenberch en Reijner Henricksz.

19.02.1625, Johan Frericksz is aangenomen tot adjunct biervoerder van Carst Lubbertsz. Hij heeft de eed gedaan.

01.03.1675, Jan Janssen is aangenomen als biervoerder in plaats van Willem Albertsen Meyer. Hij heeft de eed gedaan.

09.03.1675, Frans Jansz heeft de eed gedaan als biervoerder.

12.11.1689 (?), Dirck Ariaen Haeck heeft de eed gedaan als dunne bier voerder.
Coram: Voorne en Van der Wende.

06.11.1680, Jan Daems heeft de eed gedaan als dunne bier voerder.

22.11.1683, Jan Theunissen de Sott heeft de eed gedaan als dunne bier voerder.

26.01.1692, Thomas Horby heeft de eed gedaan als dunne bier voerder.

[Fol.154]
06.04.1626, Derck Janssen is aangenomen tot biervoerder in plaats van wijlen Hermen. Hij heeft de eed gedaan.

04.11.1633, Albart Petersz is aangenomen tot biervoerder in plaats van wijlen Berent Berentsz. Hij heeft de eed gedaan.

_↓_


|pag. 78|

05.12.1634, De vier dragers van de dunne bieren hebben de eed gedaan dat zij geen dikke bieren zullen dragen, [geen namen genoemd].

10.10.1640, Jan Aerts heeft de eed gedaan en Gerrijt Herms heeft beloofd (hij heeft de eed al eerder gedaan) geen dikke in plaats van dunne bieren te dragen.

[Fol.154v]
15.07.1648, Jan Berentsz is in plaats van Gerrit Hermsen aangenomen tot dunne bier voerder. Hij heeft de eed gedaan.

23.06.1653, Karst Hermsz mag zijn impotente vader Hermen Karsten assisteren als dikke bier voerder, zonder daarvoor iets te genieten van de stad. Hij heeft de eed gedaan.

21.03.1654, Geert Geertsen is aangenomen als dikke bier voerder in plaats van zijn vader Geert Geertsen. Hij heeft de eed gedaan.

07.07.1656, Roelof Lubbertsz is in plaats van Jan Berentsen aangenomen tot dunne bier voerder.

12.05.1666, Willem Hermsen Groothuijs heeft de eed gedaan als voerder van de dunne bieren.

[Fol.155, oud LVII]
De wachter van Sanct Nicolaesbos.

19.02.1543, Peter Poss is in plaats van Arent Wagener voor 6 jaar aangenomen als wachter van het Sint-Nicolaasbos. Hij moet toenzien dat er geen hout uit het bos wordt gehaald. Hij mag zelf ook geen hout uit het bos halen of daaruit verkopen.
Overtreders moet hij aanbrengen bij de burgemeesters.
Hij mag op eigen kosten een huisje met een berg van 5 roeden op de dijk zetten.
Tot pensie krijgt hij 10 lb. per jaar op Petri ad Cathedram.

20.12.1656, Gerrit Petersz Jager is aangesteld tot assistent van de impotente dikke bier voerder Geert Geertsen. Hij heeft de eed gedaan.

07.12.1657, Albart Buijcksen is in plaats van Jan Aertsen aangenomen tot dunne bier voerder. Hij heeft de eed gedaan.

27.10.1658, Hermen Hermsz, de zoon van de biervoerder Hermen Hermsz, is in plaats van Albert Buicksz aangenomen tot dunne bier voerder. Hij heeft de eed gedaan.

‘De volgende aengenomene biervoerders staen geregistreert fol.58v’

[Fol.155v, oud LVIIv]
Van de wacht.

21.06.1539, De voltallige Raad heeft besloten dat raadsleden zelf hun wachtbeurt moeten doen. Zij mogen zich wel laten vervangen door een ander raadslid. Als ’s avonds de waakklok luidt, moet het raadslid dat wachtdienst heeft, op het waakhuis komen om de wacht te controleren en te zorgen dat een van stadsdienaars, die daartoe bekwaam is, de hele nacht in het waakhuis de wacht blijft houden. Als het raadslid hierin verzuimt, kost hem dat een take wijn, die mag worden verdronken door de aanwezige waker van de Gezworen Gemeente. De boetebepaling geldt ook voor het lid van de Gezworen Gemeente die met de wacht belast is.

19.01.1542, De kerkmeesters van de Sint-Nicolaaskerk hebben bij Henrick van Mullem en diens zoon Joachim een ‘vervreemde ende verbijsterde’ ton gebracht, die het volgende bevatte. Twee dozijn vertinde [stijg]beugels, een dozijn mondbitten zonder stangen, 25 paar sporen en vier groene hemden, die aan de

_↓_


|pag. 79|

armen zijn gegeven.
De kerkmeesters hebben de ton aan de Raad overgedaan en kregen daarvoor een pond groot. Als er later iemand met goede bewijzen aanspraak op de ton en de inhoud maakt, zal de stad die tevreden stellen zonder onkosten voor de kerk.
Hiervan zijn genomen 7 paar beugels, 5 paar sporen en 5 paar mondstukken. Aan de dienaars nog gegeven 4 paar sporen.

[Fol.156, oud LVIII]
06.12.1589, Reiner Gansneb gênant Tengnegel en Johan Witten, als burgemeesters inder tijd, en Johan de Wolffs en mr. Abel Hillebrants, als gedeputeerden van de Raad, hebben mr. Berendt Averkamp, apotheker, voor zes jaar in zijn dienst gecontinueerd. Te weten de eerste drie jaar vast en de laatste drie jaar met de mogelijkheid van wederzijds opzeggen. Alles op dezelfde voorwaarden als de vorige apothekers van ouds gehad hebben.
Zijn pensie zal bedragen 60 goudguldens van 28 stuivers per jaar, te betalen in twee termijnen, n.l. Michaelis en Pasen, waarvan de eerste termijn zal verschijnen op Michaelis 1590. Gedurende die zes jaar zal hij vrij zijn van burgerlasten als wacht en servicen, houdende het gebruik van de hof die hij nu heeft.
Hij moet een ieder die hem nodig heeft, helpen met recepten en het adviseren van medicijnen, de rijken voor geld en de armen om Gods wil.

[Fol.156v, oud LVIIIv]

[Vervolg van fol.155]
28.01.1661, Jan Claesz is in plaats van Hermen Hermsz aangenomen als dunne bier voerder. Hij heeft de eed gedaan.

10.08.1663, Willem Alberts is in plaats van Roeloff Oranien aangenomen tot dunne bier voerder. Hij heeft de eed gedaan.

11.09.1665, Eingbert Claessen is in plaats van Hermen Olgersen aangenomen als dunne bier voerder. Hij heeft de eed gedaan.

15.10.1666, Gerrit Willemsen is in plaats van Hermen Olgersen, die het dunne-biervoerderschap weer had bekomen, tot dunne-biervoerder aangesteld. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.157, oud LIX]
De poortsluiters.

De poortsluiters moeten in de zomer en in de winter ’s morgens op de vastgestelde tijd de sleutels van alle poorten halen van het huis van de burgemeester. Als zij ’s avonds de poorten sluiten, moeten zij de sleutels ook halen van het burgemeesters huis. De burgemeesters inder tijd stellen daarvan de juiste tijden vast.
Zowel ’s nachts als overdag moeten de sleutels van de poorten onder berusting blijven van de burgemeester inder tijd.
Zij mogen poorten niet langer open of dicht laten dan gedurende de vastgestelde tijd en niemand meer uit of in de stad laten na de vastgestelde sluitingstijd, behalve als de burgemeester inder tijd daarop uitdrukkelijk een uitzondering maakt.
Voor mensen die op het tolhuis of ergens anders buiten de muren zitten te drinken, mogen zij geen uitzondering maken, zelfs al zijn het leden van de Raad.
Als zij met hun sleutelbos rammelen, hebben zij te kennen gegeven dat zij gaan sluiten. Gedurende het sluiten moeten zij persoonlijk in de poort zijn.
Als iemand ’s avonds zijn secreet wil leeghalen en de mest uit de stad wil brengen, moet de burgemeester indertijd daarvoor toestemming geven.
De poortsluiters mogen geen sleutels van hun sleutelbos halen en geen gebroken sleutels of defecte sloten laten maken zonder consent van de Raad. Zij zijn verplicht om als hen dat gevraagd wordt, de justitie te assisteren.
Tot pensie krijgen zij 40 lb. per jaar, te betalen in vier termijnen, n.1.

_↓_


|pag. 80|

Pasen, Johannis, Michaelis en Kerstmis, en 6 lb. voor kleding op Gregorii.
Zij moeten er voor zorgen dat zij zich niet zo dronken drinken dat zij hun werk veronachtzamen. Zij moeten de eed doen op het bovenstaande.
[zelfde handschrift] 09.01.1556, Henrick Borchertsz en Jann Coepzenn zijn aangenomen als poortsluiters en hebben de eed op het bovenstaande gedaan.

[Fol.158, oud LX]
25.09.1561, Henrick Wulffzen is op bovenstaande voorwaarden aangenomen als poortsluiter. Hij heeft de eed gedaan.

10.10.1566, Henryck Coepzen is op bovenstaande voorwaarden aangenomen als poortsluiter. Hij heeft de eed gedaan.

12.10.1581, Berent Eylander is op bovenstaande voorwaarden aangenomen als poortsluiter. Hij heeft de eed gedaan.

25.01.1605, Bitter Jansz is op bovenstaande voorwaarden aangenomen als poortsluiter. Hij heeft de eed gedaan. Hij krijgt dezelfde pensie als zijn voorganger Henrick Coopsz.

[Fol.158v, oud LXv]
07.07.1614, Johan Bitter is in plaats van wijlen zijn vader Bitter Jansz aangenomen tot poortsluiter. Hij krijgt de pensie zoals zijn vader had. Op bovenstaande voorwaarden heeft hij de eed gedaan.

11.11.1614, Hubert Stockman is in plaats van wijlen Henrick Bloeme aangenomen als poortsluiter. Hij heeft de eed op het bovenstaande gedaan.

07.10.1637, Jan Willems is in plaats van wijlen Jan Bitters aangenomen tot poortsluiter. Hij heeft de eed op het bovenstaande gedaan.

03.08.1665, Gerrit Jansz Bladt is in plaats van zijn impotente vader Jan Willemsen Bladt tot poortsluiter aangenomen. Hij heeft de eed op het bovenstaande gedaan.

[Fol.159]
29.12.1652, Jacob Huberts is in plaats van zijn overleden vader Hubert Stockman aangenomen tot poortsluiter. Hij heeft de eed op het bovenstaande gedaan.

27.10.1655, Jacob Huibertsen poortsluiter heeft zijn plicht verzaakt en heeft bovendien niet alleen de majoors maar ook de burgemeester inder tijd onheus bejegend. Hij wordt ontslagen.

[Fol.159v]
Deze akte van cassatie is Jacob Huibertsen poortsluiter op 27.10.1655 in het college van de Raad voorgelezen.

08.06.1657, Allert Jansz is in plaats van Jacob Huiberts, die uit consideratie weer was aangenomen maar nu is overleden, aangesteld tot poortsluiter. Hij heeft de eed gedaan.

20.04.1674, Joost Cornelissen is in plaats van de overleden Gerrit Janssen Blat aangenomen als poortsluiter. Hij heeft de eed gedaan. Coram: Jan D. van de Wende en Ar. Juncker.

12.03.1670, Wolter Meijer is in plaats van de overleden Alert Bitter aangesteld tot poortsluiter. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.160, oud LXI]
Van de speellieden.

24.03.1556, De speellieden moeten ieder morgen omtrent half elf twee of drie liedjes op hun instrumenten spelen. Als het mooi weer is moeten zij spelen op de

_↓_


|pag. 81|

toren van het stadhuis en als het slecht weer is vanaf de stoep of voor de vensters van het stadhuis. Op vrijdagen en in de vasten behoeven zij niet te spelen, tenzij de Raad dat van hen verlangt.
Zij moeten ook voor het Heilig Sacrament spelen wanneer men dat omdraagt in de processies om de stad of om het kerkhof, waarbij ook de Raad meeloopt.
Op alle heiligendagen als er lof is, moeten zij spelen vanaf het orgel in de kerk zodra het lof gedaan is. Als er in de Bovenkerk geen lof is, moeten zij spelen in de Heilige Geest.
Als de twee nieuwe burgemeesters indertijd aantreden, moeten zij spelen in de wijnkelder. Ook moeten zij spelen tijdens de schepenmaaltijd en, wanneer de Raad dat begeert, als de stad heren of vrienden te gast heeft.
Twee van de jongste speellieden moeten op hun pijpen spelen als de schutterij de vogel opricht, bezig is met schieten of aangetreden is om heren, die de stad binnen komen te escorteren of tegemoet te trekken. Ook moeten zij als de stad hen nodig heeft, spelen bij andere gelegenheden.
Als zij met z’n vieren drie dagen lang spelen op een bruiloft, moeten zij een pond groot vlaams hebben (dat is 6 gulden current). Spelen zij met minder personen op minder dagen, dan beuren zij naar rato.
Als zij spelen voor gezelschappen of op banketten zonder loon te zijn overeengekomen, zullen twee raadsleden bemiddelen als er onenigheid over de betaling komt.
Zij moeten spelen wanneer hen dat door de Raad bevolen wordt. Een speelman die zonder goede redenen absent is, verbeurt een stuiver.
Als zij buiten de stad willen spelen op bruiloften of feesten, moeten zij dat vragen aan de burgemeesters indertijd en daarbij opgeven hoeveel dagen zij denken weg te blijven.
Zij moeten zweren dat zij de stad trouw zullen dienen en de stads ‘spangen verwaeren’ en na afloop van dienstverband weer aan de stad zullen overdragen.
[Fol.161, oud LXII] Op bovenstaande voorwaarden zijn door de Raad voor drie jaar tot stadsspeellieden aangenomen mr. Derck Spelt, Jan Woltersen en Nicasius harpensleger. Mr. Derck en Jan krijgen een jaarlijkse pensie van 24 goudguldend (van 28 st.br.) en Nicasius krijgt per 20 goudguldens in het eerste jaar, doch alleen als hij binnen een half jaar ‘tho nympt ende vaste wordt’, anders is de stad aan hem niet verbonden. Als hij wel binnen een half jaar ‘vaste’ wordt, krijgt hij evenveel als zijn gezellen.
Deze drie gezellen staan er voor in dat zij een vierde gezel zullen krijgen, die vast in zijn muziek en instrument is. Zij beloven ook dat een van hen zal spelen op de ‘sacque boute’.
De vierde man krijgt ook 24 goudguldens per jaar, te betalen in vier termijnen, te weten Mei, Vincula Petri, Omnium Sanctorum en Lichtmis. Verder krijgen zij elk 5 goudguldens per jaar voor kleding en een vrije woning in een der stadstorens voor twee van hen en 5 lb. huurgeld voor de andere twee.
Het jaar zal aanvangen op a.s. Mei. De wederzijdse opzegtermijn bedraagt een half jaar.
[In de marge van fol.160v staat:]
Juram coram; Claes Kruse en Claes Igerman, actum 15.05.1556.

[In de marge van fol.161 staat:]
De vierde is Arendt van Bruyssel, die aangenomen is met ingang van Mei. Zie de cameraarsrekening.

06.09.1558, Leo van Groeningen is aangenomen in plaats van en op dezelfde voorwaarden als Arendt van Bruissel. Hij heeft de eed gedaan.

[In de marge van fol.161v staat:]
03.08.1558, Willem Luchtemaker is in plaats van Jan Woltersz aangenomen. Hij heeft de eed gedaan.

[In de marge van fol.160:]
16.08.1559, De Raad zegt de dienst van speellieden tijdelijk op met ingang van mei 1560. Zij hebben zich niet aan de afgesproken voorwaarden gehouden.

_↓_


|pag. 82|

[Fol.161v, oud LXIIv]
Van Jan Bruinssz.

16.02.1557, Gedeputeerden van de Raad hebben een overeenkomst gemaakt met Jan Bruinssz, de zoon van wijlen Otto Smit, die de dienst van zijn vader wil overnemen.
Hij zal zich getrouw houden en goed gedragen in het grove werk als stadssmid.
Voor elk pond ijzer zal de stad hem een witte geven. Voor klein en subtiel werk krijgt hij wat hem tot discretie van deskundigen toekomt.
Geen werk leveren op eigen gezag, doch alleen op gezag van cameraars, rentmeesters of brugmeesters.
Hij moet van alles wat hij levert aantekening houden in een register, zoals tijd en plaats, namen van hen die het haalden en van hen die de opdracht gaven.
Ieder kwartaal wordt er aan de hand van zijn register door cameraars en rentmeesters met hem afgerekend.
Het materiaal zal als volgt betaald worden.
Dubbele brugnagels per stuk 1 st.br.
De halven daarvan een halve stuiver br.
Dubbele trapnagels per honderd 32 st.br.
De halven na advenant.
Honderd lastnagels 8 st.br.
Honderd middelnagels 4 witten.
Honderd schietspijkers 3½ st.br.
Honderd tengnagels 2 st.br.
Met bovenstaande prijzen is Johan tevreden. Zij zijn ook altijd aan wijlen zijn vader betaald.
Hij krijgt ieder jaar op Palmdag 10 lb. voor kleding. Zijn contract zal 6 jaar duren en begint op Petri ad Cathedram 1557.

17.03.1578, Gedeputeerden van de Raad zijn met Johan Bruinsz overeengekomen om hem voortaan voor ieder pond werks 18 plakken te betalen.

06.03.1603, Mr. Henrick Vrijdach is aangenomen als stadsgrofsmid op dezelfde voorwaarden als wijlen zijn schoonvader mr. Jan Bruijnsz.

24.07.1613, Johan Berentz is aangenomen tot stadsgrofsmid op dezelfde voorwaarden als zijn voorganger. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.162v]
11.10.1558, Schepenen en raden hebben, na dat het recht gehouden was, vergaderd over het werk van hun officianten en dienaren.
Jaarlijks omtrent Gereonis et Victoris vergadert de Raad over het continueren of ontslaan van officianten.
De zes roedendragers worden gecontinueerd, maar hen zal worden aangezegd dat zij hun werk, met name het inmanen van de stadsschulden, met grotere vlijt ter hand moeten nemen. Ook in hun andere werk moeten zij zich beter houden aan hun voorwaarden. Roedendrager Gerrit Harnssmaker [sic] krijgt vanaf nu geen pensie meer voor het schoonmaken van de stadsharnassen, want de stad heeft geen harnassen meer.
Ook de andere dienaren zal men ‘scharpe lectien voer holden’, zodat zij hun diensten beter uitvoeren. Als zij hun leven niet beteren, worden zij ontslagen.
De marktmeestersknechten worden op Petri ad Cathedram ontslagen. Zij doen hun werk onbekwaam. Er zal worden uitgezien naar een andere bekwame man voor de functie van marktmeester.
Ook steigerman Luitgen Jansz wordt ontslag aangezegd.

[Fol.163, oud LXIIII]
Van het huisraad in de wedeme.

13.09.1558, Provisoren van de Sint-Nicolaaskerk en de cameraar en rentmeester hebben aan pastoor heer Aggeo het volgende huisraad overgeleverd.
Aan fijn tin 77 en 3/4 pond, t.w. 11 kleine en grote schotels, 6 dobbelieren, 6

_↓_


|pag. 83|

moesschotels met oren, 6 koppen, 6 schenkkannetjes, 2 mengelenkannen en een wijnkan van een quarte, 2 zoutvaten, 3 pispotten.
Aan onfijn tin 8 en een half pond, t.w. 2 pispotten en een kan van een halve mengele.
Koperwerk: Een waterketel van ongeveer 4 emmers, een ketel van 2 emmers, een kleine ketel, een akerketel, een vijfakertje, een koperen pan, 3 metalen kandelaars, 5 koperen potten (de grootste van 4 quarten, twee van 2 quarten en 2 kleine potjes), een bekken van 5 pond.
Ijzerwerk: 2 grote ijzers waarin men het braadspit legt, een metalen watervat, een waterschepper, een groot ijzeren rooster, een ijzeren braadpan, een klein roostertje, een dwarse ijzeren haal waaraan drie halen hangen, een ijzer voor een braadpan, een klein ijzeren braadspit, een schuimspaan, een ijzeren lepel,
[Fol.163v, oud LXIIIIv] een hangijzer met een lenkhaal en een grote met een kleine tang.
Houtwerk: 5 nieuwe en 2 oude beugelstoelen, 3 oude zetelstoeltjes, een nieuwe zetelstoel voor de pastoor, een trisoer van twee spinden, een kleerkast in de winterzaal en een bank, een vierkante tafel met een schraag, twee dozijn ronde houten telloren, 2 nieuwe houten zoutvaten, 2 vleeskuipen, 2 oude banken in de keuken.
Bedden: Een beddestee op de pastoorskamer, met een nieuw bed, gevuld met nieuwe veren. Verder zoveel nieuwe gordijnen als voor het cabedde nodig zijn, een bedstede voor de maagd, een bedstede met een bed voor de jongen, een nieuwe peluw met twee nieuwe oorkussens op de kamer van de pastoor. Verder voor elk bed een peluw. Dan nog twee oude oorkussens voor de bedden van de jongen en de maagd, op het pastoorsbed een nieuw onderwit, een nieuwe dubbele rode deken, een enkele deken van dezelfde kleur, een oude rode deken op het bed van de maagd, een oude groene deken op het bed van de jongen.
Op de slaapkamer van heer Jelijs een bedstede met een bed, een peluw, twee oorkussens, een rode deken met blauw gevoerd en een onderwit, 4 paar lakens (goede en slechte), 4 oorkussensovertrekken.
Op de kamer van heer Andreas een bedstede met een bed, een klein oorkussen, een rode deken met nieuw wit gevoerd, een oude dubbele blauwe deken, 4 paar bedlakens (oud en nieuw), 3 kleine oorkussenovertrekken, 2 peluwlakens.
Op de kamer van heer Matheus een bedstede met een bed, een hoofdpeluw met een oorkussen, een rode deken met nieuw wit gevoerd, [Fol.164, oud LXV] 3 paar lakens (goed en slecht), 6 oorkussenovertrekken.
Op de gastkamer een bedstede met een goed bed, een peluw, een nieuwe rode deken met nieuw wit gevoerd.
Verder zijn aan de pastoor overgeleverd een pelle, 2 nieuwe pellen tefellakens, een dozijn pellen tafeldweelkens, 3 paar grote nieuwe bedlakens, 3 paar nieuwe koetslakens, 4 nieuwe hofftlakens, 6 nieuwe oorkussenovertrekken, 5 nieuwgemaakte kleine linnen handdweelkens.

[in een andere hand] Anno 1561 zijn aan pastoor heer Aggeo van Sneeck in de wedeme nog geleverd, betaald uit de camer van Claes Igerman en Evert van den Vene, de volgende stukken.
Vier schotels van fijn tin, wegende samen 19 lb.
Verder 2 nieuwe pellen tafellakens en een dozijn nieuwe pellen handdweelkens.
Als vervanging van 7 paar versleten laken zijn 7 paar nieuwe bedlakens geleverd.
In de vorige cedule is sprake van drie metalen kandelaars. Twee van die kandelaars waren zo vaak hersteld dat ze aan stukken hingen. Deze twee zijn bij de potgieter geruild (bijbetaald 20 st.br.) voor vier kandelaars, zodat er nu 5 kandelaars in de wedeme zijn.
Deze laatste visitatie van de wedeme geschiede 05.05.1562 door de provisoren van de Sint-Nicolaaskerk en de cameraar en rentmeester.

[Fol.164v, oud LXIIIIv is niet beschreven]

[Fol.165, oud LXV]
De wachter in Brunnepe.

Eed: Hij moet de wacht in Brunnepe getrouw doen, gaande van het ene eind tot het

_↓_


|pag. 84|

andere, zoals de gewoonte is. Hij moet letten op branden en heimelijke en openbare bijeenkomsten en vergaderingen, zowel bij dag als bij nacht.
Stadsballingen die hij in Brunnepe aantreft, moet hij direcht aangeven bij de burgemeesters. Ook overtredingen op de koeren moet hij melden. Verder moet hij recht gicht doen.
[in dezelfde hand] Z.d., Lambert Hermensz is aangenomen als wachter in Brunnepe, op een pensie van 6 en 1/4 lb. op Johannis, 6 en 1/4 lb. op midwinte, 6 lb. voor kleding en een half lb. voor een kovel.

30.09.1572, Cornelis Jansz is op de oude voorwaarden aangenomen als wachter in Brunnepe. Hij heeft de eed gedaan.

26.04.1574, Cornelis Aertzen is aangenomen tot wachter in de Hagen. Hij heeft de eed gedaan gelijk de wachter in Brunnepe. Zijn pensie zal evenveel bedragen als die van zijn voorgangers. De Raad heeft hem vergund een koe te weiden op Soeveningen, naast de andere twee koeien.

[In de marge staat een aanvulling op het eedformulier in een andere hand:]
Hij moet elke morgen met de andere wachters van Brunnepe aan de wachters op de Buiten IJsseltoren verslag uitbrengen van wat er tijdens zijn wacht gebeurd is en of er vreemd volk in Brunnepe gekomen is.

14.10.1587, Harman Schoenlapper is aangenomen als wachter in Brunnepe, op de oude voorwaarden.

[Fol.165v, oud LXVIv]
23.03.1670, Roeloff Egbertss is in plaats van de overleden Jan Aersen, aangenomen tot wachter of toeter in Brunnepe, op het daartoe staande tractement.
Mocht hij moeten blazen ten dienste van de stad Kampen buiten zijn gewone dienst, dan krijgt hij daarvoor geen vergoeding. Hij heeft de eed gedaan.

19.08.1689, Henrick Claessen is in plaats van de overleden Claes Lijffertsen aangesteld tot toeter in Brunnepe, op dezelfde tractementen als zijn voorganger.
Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.166, oud LXVII]
Voorwaarden voor de rector.

18.08.1559, Gedeputeerden van de Raad onderhandelen met de welgeleerde mr. Christiaen de Beesten over de functie van rector. (‘tot profijt ende behoeff der joegent’).
Men kan hem met zekerheid zeggen dat hij jaarlijks 68½ goudguldens zal krijgen ‘ratione beneficii Symonis et Jude’ [uit het beneficium S. et J.]. Men zal hem duidelijk aanwijzen vanwie hij het geld beuren moet. Mocht hij de volle som niet kunnen bekomen, dan zal de stad voor de rest instaan. De Raad behoudt echter het recht om met het beneficium te doen wat hij wil.
Verder zal de rector van elke jongen [leerling] die hij zelf les geeft 14 stuivers brabants per half jaar genieten en van elke jongen die les krijgt van de andere drie schoolmeesters 4 stuivers brabants per half jaar.
Van arme leerlingen mag hij, als hij dat wil, minder vragen. Voor de jongens die in het koor zingen moet hij ieder half jaar van zijn 14 stuivers er 2 afstaan aan de ‘rector chori’. Verder zal hij volgens oude gewoonten nog genieten de accidentalia van kermisgeld, Nieuw Jaar, crucelweggen, kaarsen, etc.
[Fol.166v, oud LXVIIv]
De fructus [het salaris] voor de andere schoolmeesters krijgt hij van de stad en van de [kerkmeesters van de] Sint-Nicolaaskerk. Hij betaald hen uit.
Als de Raad het voorschreven beneficium aan zich behoudt, zal men onderhandelen over het lezen en bedienen van de bijbehorende diensten en missen.
Op bovengenoemde voorwaarden heeft de Raad mr. Christiaen voor 2½ jaar aangenomen als rector, met ingang van a.s. Michaelis, durende tot Pasen anno 1562.
Hij heeft beloofd om goed toezicht te houden op zijn mede-schoolmeesters en op de leerlingen en een ordonnantie op te stellen in samenwerking met de provisoren

_↓_


|pag. 85|

van de Sint-Nicolaaskerk.

20.08.1559, De Raad consenteert in het aannemen van mr. Christiaen tot rector.
[Fol.167, oud LXVIII] Het beneficium van Simonis et Jude behoudt de stad; de daarbij horende diensten en missen zullen worden uitbesteed aan die geestelijke die dat zo goedkoop mogelijk wil doen. Diens loon zal door de cameraar jaarlijks worden betaald.
De voorwaarden zijn nomine publico ondertekend door secretaris Henrick van Vyenden en voor mr. Christaen door hemzelf.
Getekend: Heinrichus de Vyenden, secretarie publico; Christianus de Besten.

De aanneming van Mr. Lambert en mr. Jacob vann Nijmwegen vindt men op [Fol.1XXVI]
De aanneming van de rectoren op Fol.LXXX.

[[Fol.167v, oud LXVIIIv en Fol.168, oud LXIX, zijn niet beschreven]

[[Fol.168v, oud LXIXv]
Mr. Reynar Jacobzen.

11.05.1560, De Raad heeft besloten om Reyner Jacobzen (na aanhoudende en dringende verzoeken van hem en zijn familieleden) voor een periode van vier jaar een jaarlijkse bijdrage van 25 goudguldens in zijn studiekosten te geven, te betalen in twee termijnen per jaar, n.l. op Pasen en op Michaelis. Dit echter op voorwaarden dat hij een jaar de rechtenstudie zal volgen, daarna twee jaar in de leer zal gaan bij een bekwaam jurist en dat hij daarna nog een jaar de rechtenstudie zal volgen, zodat hij een bekwaam jurist en publiek notaris zal worden. Als hij zijn studie heeft voltooid en in leven blijft, moet hij zijn leven lang de stad Kampen dienen als secretaris of in een andere functie, op voorwaarde dat Raad en Gemeente hem daartoe geschikt genoeg achten. Als aanvangssalaris zal hij krijgen wat de jongste secretaris nu krijgt. Later zal hij meer gaan verdienen. [[Fol.169, oud LXX]
Als hij niet geschikt geacht wordt, mag hij gaan en staan waar hij wil, zonder de genoemde subsidie terug te moeten geven.
Hierop heeft Reyner de eed gedaan. De stad schonk hem 6 goudguldens.
Geregistreerd in totuis senatus door secretaris Nicolaum ab Urck.

[[Fol.169v, oud LXXv]
Van de uurwerkstellers.

02.05.1560, Na het vertrek van mr. Henrick Struyss heeft men mr. Johan Sloetemaiker bereid gevonden voortaan het uurwerk te stellen. Hoewel hij zijn werk goed heeft gedaan, is hem tot op heden nog geen vaste pensie toegezegd. Op zijn dringend verzoek heeft de Raad hem nu voor zes jaar aangenomen op een jaarlijkse pensie van 20½ goudgulden. Dit zal hem worden uitgekeerd in twee jaarlijkse termijnen, n.l. 16 heren ponden op 3 april en 15 heren ponden op 1 mei. Bovendien krijgt hij ieder jaar op Gregorii 10 lb. voor kleding.
Mr. Johan heeft beloofd om, zonder daarvoor iets te ontvangen, twee jongens uit het weeshuis of, als die niet bekwaam zijn, twee andere jongens op te leiden tot uurwerkstellers. Hij behoeft die leerjongens niet te voorzien van kost of kleding. Als, wat God verhoede, mr. Johan kwam te sterven, zou een van die jongens zijn taak moeten kunnen overnemen.
Gebreken aan het uurwerk moet hij melden aan de cameraar, die hem opdracht zal geven het gebrek te verhelpen, waarvoor hij een behoorlijk loon zal krijgen.
Het bovenstaande is door gedeputeerden van de Raad met mr. Johan overeengekomen.

09.02.1570, De Raad heeft mr. Johan zijn functie van uurwerksteller opgezegd per a.s. mei. Tot die tijd moet hij zijn werk getrouw blijven doen.

18.04.1570, Op zijn dringend verzoek en belofte om zijn werk vlijtig en goed te doen, heeft de Raad mr. Johan Slotemaeker als uurwerksteller gehandhaafd. Als er klachten over hem komen, wordt hij voorgoed ontslagen.

_↓_


|pag. 86|


[[Fol.170, oud LXXI, is niet beschreven]

[[Fol.170v, oud LXXIv]
Eed van de accijnsknecht.

De accijnsknecht moet als een getrouw burger en dienaar handelen bij het halen van de accijnscedulen van de brouwerijen en van de waagmeesters. Hij moet alle onregelmatigheden van de maalaccijns en de accijns op de bieren die hij ontdekt, melden bij hen die daartoe zijn aangesteld of bij de burgemeesters indertijd.

11.10.1632, Gedeputeerden van de Raad hebben Johan van der Hoeve aangenomen als accijnsknecht, op een pensie van 3½ carelsguldens per weeek. Hij heeft de eed op het bovenstaande gedaan.

11.05.1666, Daniël Jacobsen is door de brouwers aangenomen en heeft de eed zoals hierboven vermeld, gedaan.

Eed van de landschaps-accijnsknecht.
Z.d., Ik zweer dat ik zal letten op alle misbruiken voor wat betreft de accijns op de bieren en dat ik alles wat zal leiden tot vermindering van de inkomsten uit die accijns, zal melden.
Op deze eed is Hans Hermsz van Lemmingen aangenomen tot accijnsknecht.
Coram: Reijner Gansneb gnt Tengnegel en Gijsbert Hermsz Meijer.

20.01.1670, Berent van Tongeren heeft de bovenstaande eed als accijnsknecht gedaan.

[[Fol.171, oud LXXII]
Voorwaarden voor de tollenaar.

25.09.1560, Gedeputeerden van de Raad, op het tolhuis vergaderd, hebben mr. Johan Rueper voor 6 jaar aangenomen om het tolhuis te bedienen, ingaande Petri 1561.
Tijdens de laatste drie jaar kan de Raad hem echter ontslaan als hem dat een half jaar tevoren wordt aangezegd.
Hij moet het tolhuis in eigen persoon getrouw en vlijtig bedienen, zelf de ontvangst van alle tolgelden en paalgelden in het register schrijven en daarvan ieder kwartaal onder overdragd van de ontvangen gelden rekening doen bij de cameraar.
Hij mag, volgens oude gewoonte, een jongen aannemen als hulp, maar die mag niet ontvangen of schrijven.
Het werk van het bewaren van de bakens en tonnen en de administratie daarvan, dat bij het tolambt hoort, moet hij getrouw uitvoeren.
Personen die de tol voorbijvaren zonder tolgeld te betalen, mag hij arresteren.
Hij mag beslag leggen op hun goederen. De Raad moet hierin echter worden betrokken.
Hij mag niet meer tol heffen dan wat in de tolcedule wordt aangegeven. Als er gegronde klachten komen, moet hij het teveel betaalde terug geven en wacht hem een arbitrale correctie.
Hij mag alleen leden van de Raad en goede onbesproken burgers op het tolhuis laten komen in een gelag. Hij moet die personen bedienen met kaarsen, kolen en kaas, volgens oude gewoonte, en met hen discreet omgaan.
Mocht hij zich niet aan de voorwaarden houden, dan wordt hij onmiddelijk ontslagen. Hij moet echter rekenschap doen tot de dag van zijn ontslag.
Tot profijt van de stad moet hij rekenschap doen van baakgeld, van ‘buet’ en van ‘Deventer kokenen’ dat hij ontvangt. In de rekenschappen van de vorige tollenaars vindt men die niet.
Als loon krijgt hij 30 goudguldens per jaar en voor een jongen die hij houdt 10 gulden per jaar.
Omdat hij de gehele dag op het tolhuis moet zijn en daarom de stad niet volledig kan dienen als secretaris, wordt hem op zijn secretarispensie 13½ gulden per jaar afgehouden. Van zijn secretarispensie en de bijdrage voor zijn huishuur blijft hij voortaan 30 goudguldens houden, te betalen in twee termijnen, n.1. 30

_↓_


|pag. 87|

lb. op Pasen en 30 lb. op Michaelis.
Hij blijft verplicht om op rechtdagen en op andere dagen als men hem nodig heeft ‘boven’ te komen.

[[Fol.171v, oud LXXIIv]
02.05.1581, Lucas Krijt heeft aangenomen om de turftol en de extraordinaris tol aan de Swartesluijs te bedienen, tot behoef van de stad Kampen, op een loon dat nader door de Raad zal worden vastgesteld. Hij moet van de ontvangen tolgelden rekenschap doen aan de stad Kampen.
Hierop heeft hij de eed van trouw aan de stad gedaan.

[[Fol.172]
28.01.1610 [of 1611], Goesen Willemsz is aangenomen als tollenaar van de stad, op voorwaarden en tractement zoals zijn voorganger Albart van der Kuerbeecke.
Hij heeft de eed gedaan.

28.04.1624, Johan Albartz is aangenomen als tollenaar van de stad, op voorwaarden en tractement zoals zijn voorganger Goesen Willemsz. Hij heeft de eed gedaan.

[[Fol.172v]
27.06.1653, Steven Evertsz is aangenomen als tollenaar van de stad, op voorwaarden en tractementen als zijn voorganger Jan Albertsz. Hij heeft de eed gedaan.

07.07.1659, Henrick Jansz is aangenomen als tollenaar van de stad, op voorwaarden en tractementen als zijn voorganger Steven Evertsz. Hij heeft de eed gedaan.

02.12.1670, Jan van Tongeren is aangenomen als tollenaar van de stad, op voorwaarden en tractementen als zijn voorganger Henrick Jansz. Hij heeft de eed gedaan.

[[Fol.173, oud LXXIII]
Diepmaker

01.11.1562, Mr. Hans van der Gouwe, diepmaeker, is door gedeputeerden uit de Raad voor een jaar aangenomen als stadsdiepmaker.
Dit jaar zal hij tot pensie hebben 20 goudguldens in twee termijnen, n.1. op 1 mei en op Aller Heiligen. Verder krijgt hij kleding en een strijpe, gerekend voor 6 goudguldens. Hiervoor moet hij de stad bij staan met raad en daad in het werk van diepmaken van het Diep, de IJssel, de Burgel, de stadsgrachten en andere wateren. Hij moet de werken uitvoeren zoals hem dat geordonneerd wordt, op kosten van de stad. Als hij voor de stad arbeidt, zowel in de winter als in de zomer, krijgt hij tot loon 7 stuivers brabants. Zijn knecht, die hij meebrengt of hier aanneemt, zal als hij op het vlot werkt, een stuiver per dag meer verdienen dan de andere arbeiders. [[Fol.173v, oud LXXIIIv]
Mr. Hans belooft dat hij een jaar voor de stad zal blijven werken en slechts uit de stad zal verreizen na toestemming van de burgemeesters. Hierop doet hij de eed.

[[Fol.174, oud LXXIIII]
Bewaarder van het Sint-Nicolaasbos.

15.05.1564, Langhe Lubbert Janssz heeft aangenomen om gedurende 10 jaren het Sint-Nicolaasbos te bewaren, ingaande Petri ad Cathedram van dit jaar 1564 en eindigende met de andere stadslanden op Petri ad Cathedram, op de volgende voorwaarden.
Lubbert mag ‘tot sijn schoonsten’ gebruiken de weiding en de schrading van het Sint-Nicolaasbos, maar geen ander land. De stad wil het houtgewas in het bos en de schrading zelf houden. Lubbert moet er dag en nacht op letten dat er geen hout uit het bos wordt gehakt, geplukt of uitgetrokken. Hij moet op eigen kosten

_↓_


|pag. 88|

een omheining om de schradinge maken, maar de pachter van Calcarbosch en die van het achtsten slag van de hooilanden moeten hem wederwerk doen.
Hij moet overtreders van het verbod om hout e.d. uit het bos te halen, aanbrengen bij de burgemeesters. Van de opgelegde boeten krijgt hij de helft mee. Een publicatie daarover dateert van 16.04.1564.
Schade die ontstaat door verzuim van Lubbert, zal men verhalen op hem of zijn erfgenamen.
Lubbert zal van de cameraar van dit jaar 1564 een bedrag van 12 lb. krijgen en verder niets. Het huis waarin Lubbert nu woont, zal de komende 10 jaren blijven staan. Als de stad hout uit het bos of uit de schradinge wil laten halen, zal Lubbert als eerste gevraagd worden om daaraan mee te arbeiden.
Hierop deed Lubbert de eed.
[In de marge:] De 12 heren ponden zijn aan Lubbert betaald op 15.01.1565.

[Fol.174v, oud LXXIIIIv]
03.02.1575, Gedeputeerden van de Raad hebben Herman Willemsz de verhuiring van het Sint-Nicolaasbos verlengd met 10 jaar, op dezelfde voorwaarden als die van lange Lubbert Jansz, ingaande Petri ad Cathedram 1574.
Als er door storm stammen aan de dijk komen drijven, mag Herman die gebruiken.

08.01.1580, Gedeputeerden van de Raad hebben aan Herman Willemsz voor een periode van 14 jaar verhuurd het Sint-Nicolaasbos, het Calckarbos en het voorslag, op de volgende voorwaarden.
Herman zal volgens oude gewoonte deze bossen met houtgewas, weidinge, visserijen e.d. gebruiken ‘tot sijn schoonste’. Het eerste jaar gaat in op Petri ad Cathedram anno 1580. De eerste twee jaren behoeft hij niets te geven, maar de volgende jaren moet hij ieder jaar 30 vimmen hout leveren, te brengen naar het hoofd bij de IJsselbrug, het Herckenhoofd, de Enck of op een andere, door de cameraar aan te wijzen plaats. Het bos wordt verdeeld in zes stukken waarvan per jaar één stuk mag worden gekapt. Wat er aan het einde van de twaaf jaren nog over is, vervalt aan de stad.
Het huis en de willigen die de meier zal poten, worden hem na de twaalf huurjaren afgekocht door de stad. Voor elke hoofdwilg met twee-jarig gewas zal de stad een stuiver geven. Het huis zal worden getaxeerd door goede lieden.
[[Fol.175]. Als Herman het hout niet kan leveren, moet hij een daler van 30 stuivers geven voor elke niet geleverde vimme. Als hij meer dan 30 vimmen levert, mag hij het overschot korten in het volgende jaar. Aan anderen mag hij geen hout verkopen.
Herman is verplicht om in de laatste twee huurjaren op te letten dat onbevoegden geen hout, of houtgewas kappen of plukken. Als er schade ontstaat door verzuim van Herman, zal de stad dat verhalen op hem of zijn erfgenamen.
In 1581 heeft Herman 30 vimmen geleverd aan de cameraar van 1581. Aan de cameraar van 1580 leverde hij nog 3 vimmen.

[Fol.175v]
Eed van de zout en korenmeters.

De meters mogen alleen meten met door de stad geijkte maten. Zij moeten een ieder de rechte maat geven. Van hun werk moeten zij aantekening houden en rekenschap doen.

28.08.1621, Gisbert Geertz heeft de eed gedaan als zoutmeter ten dienste van de zoutketen.

05.09.1625 [of 1615 ?], Gerrit Jansz heeft de eed als zoutmeter gedaan.

18.12.1626, Goyken Arentz en Gerrit Jansz hebben de eed als korenmeters gedaan.

30.09.1639, Cornelis Gerritz heeft de eed gedaan als zoutmeter ten dienste van de zoutketen.

[Fol.176, oud LXXV]

_↓_


|pag. 89|

Van de nieuwe school.

26.09.1564, De Raad is met mr. Crijn de stadsmetselaar overeengekomen om voor a.s. Sint-Martensdag de school, waaraan gewerkt wordt, op zijn kosten onder dak te brengen, volgens het grote patroon dat hij aan de Raad vertoond heeft. Verder de school te maken naar de eis van het werk, met een dakvenster boven de deur.
Alles te maken tot ‘meysters prijs’. Hij is gehouden de wanden te ‘bewerpen’ en te witten, de latten te slaan, de pannen te strijken, de vensters en schoorsteen te maken en verder alles aan het werk te doen wat de truffel vereist. Voor dit alles zal hij van de stad genieten de som van 100 dalers van 30 stuivers, te betalen door de cameraar van 1564.

De overeenkomst is in bijwezen van mr. Crijn in de Raad gelezen en geaccordeerd.

17.03.1565, De Raad vergunt aan de erentveste en vrome joffer Anthonia van Wale, de weduwe van Herman Kruse, om zolang zij leeft een eigen bank te hebben in Sint-Nicolaaskerk bij het bakkersaltaar, volgens aanwijzing van provisoren en kerkmeesters. Het wordt haar vergund omdat wijlen haar man veel voor de kerk heeft gedaan en omdat zij nog veel voor de kerk wil doen.

[Fol.176v, oud LXXVv]
Peter Joostz.

03.04.1591, De Raad heeft, op verzoek van de burger Joost Stevensz, diens zoon Peter Joostsz aangenomen als [stadsalumnus]. Hij krijgt voor de voortzetting van zijn studie vooreerst 50 carelsguldens per jaar, aanvangende op a.s. Pasen. Hij moet zich naar goeddunken van de Raad naar een triviaalschool begeven om daarna te zien waar hij verder zal studeren. Als hij naar een verre universiteit of een academie wordt gezonden, zal de Raad zijn jaargeld aanpassen naar behoefte. Hij moet de Christelijk Gereformeerde Religie aanhangen. Als hij na het einde van zijn studie bekwaam zal worden gevonden, moet hij de stad dienen in een geestelijk of politiek ambt.

01.04.1596, De Raad wil dat Peter Joosten de Franse taal zal leren zonder dat zijn studie daaronder mag lijden. Men zal in Holland omzien naar een goede secretaris of procureur, waar hij het ambt in de praktijk zal moeten leren. Als hij voldoende geoefend is, wil de stad hem aannemen als secretaris.

21.03.1598, Peter Joostz is voor twee jaar aangenomen als secretaris. Zijn verplichtingen aan de stad zijn hiermee niet vervallen. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.177]
Mattheus Backershoff was wegens zijn kwade compostement en dronkenschap van zijn dienst van onderschoolmeester aan de stads latijnse school ontslagen. Op voorspraak van goede lieden en op zijn belofte van beterschap was hij weer aangenomen.
Omdat hij opnieuw in zijn oude kwade gewoonten is vervallen, ontslaat de Raad hem definitief. Hij heeft tot grote ergenis van de jeugd zijn werk als leermeester verzaakt.
Deze sententie is aan Backershoff in het college van de Raad voorgelezen op 17.07.1655.

[Fol.177v is niet beschreven]

[Fol.178, oud LXXVI]
Voorwaarden van de schoolmeesters.

22.04.1563, Gedeputeerden van de Raad hebben onderhandeld met mr. Lambert en mr. Jacob van Nymwegenn. Mr. Lambert zal wezen de rector chori en mr. Jacob de derde schoolmeester, gevende de rector van de school in zijn bevolen officie altijd goede andictis [?]. Heer Lambert moet de jongens hun gezangen leren en hij moet dagelijks, ook op heiligendagen en heiligenavonden, het koor

_↓_


|pag. 90|

respicieren ‘an der eener zijdt’.
Hiervoor krijgt hij altijd de gelegenheid, behalve ’s morgens om zes uur, wanneer hij zijn gewone mis moet opdragen.
Mr. Jacob moet de school en zijn discipelen respicieren en hij moet alle heiligenavonden en heiligendagen met de rector van de school naar het koor, helpende aan de hoge zijde om de jongens te regeren en te helpen bij hun zingen.
[Fol.178v, oud LXXVIv]
De rector heeft authoriteit in de school en moet de leerlingen corrigeren als zij strafbare dingen hebben gedaan. De beide andere schoolmeesters mogen zich niet met het beleid en het straffen bemoeien, maar mogen zich alleen bemoeien met hun eigen leerlingen voor wat betreft de studie. Als de rector afwezig is, mogen zij wel corrigerend optreden.
Zij krijgen van de stad samen 27 goudguldens per jaar, te betalen in twee termijnen, als Michaelis en Pasen. Dit moeten zij delen.
Van de Sint-Nicolaaskerk krijgen zij 20 goudguldens per jaar en de profijten van het koor en de getijden. De rector echter zijn presentie voorbeholden. Van de Heilig-Kruismemorie krijgen zij per jaar twee goudguldens voor het zingen van de vrijdagse mis, uit Johan Theussens hof beuren zij jaarlijks een halve goudgulden en van het donderdagse lof krijgen zij jaarlijks 25 stuivers brabants.
Van de leerlingen die onder hen zitten, de armen uitgezonderd, moeten zij elk half jaar een stuiver brabants beuren. Van de leerlingen die onder de rector zitten, moeten de beide schoolmeesters elk half jaar twee stuivers brabants beuren. De rector heeft slechts 1½ goudgulden per jaar van Onze-Lieve-Vrouweschool als neveninkomsten. [Fol.179, oud LXXVII].
De jongens die door de rector worden onderwezen moeten op alle heiligenavonden en heiligendagen in hun koorkleren naar het koor komen, zodat er op hen kan worden gelet, maar niemand van hen is verplicht om gezangen te leren.
De rector en de beide schoolmeesters en heer Henrick van Heerde krijgen op elk van de vier hoogtijdagen een take wijn van stadswege.
Alle jongens, behalve de armen, moeten de rector van de school en de rector van het koor ieder jaar kermisgeld geven en zorgen voor kaarsen en andere accidentalia, naar ouder gewoonte, welke zij onder hen beiden moeten delen.
Vervolgens moet mr. Lambert zijn helft delen met mr. Jacob. Als mr. Jacob iets van de jongens krijgt als accidentalia, moet hij ook met mr. Lambert delen.
[Fol.179v, oud LXXVIIv]
De rector en de beide schoolmeesters mogen geen geldboete eisen van de jongens die absent zijn of die nadat de klok het aanvangsuur geslagen heeft op school komen, maar zij moeten hen op een andere manier corrigeren en straffen.
Op bovenstaande voorwaarden heeft de Raad de beide schoolmeesters voor zes jaar aangenomen. Als zij niet voldoen mag de Raad hen ontslaan, met inachtneming van een redelijke opzegtermijn.

06.05.1581, De voorwaarden van Thijman Albertzen schoolmeester vindt men achter de voorwaarden van de gewezen rectors.

[Fol.180, oud LXXVIII]
Voorwaarden voor de rector Conraedt van Hardenstede.

10.07.1581, Gedeputeerden van de Raad hebben mr. Conraeth van Hardenstede voor 6 jaar aangenomen tot rector. Als hij niet voldoet, zegt de Raad hem de dienst op met inachtneming van een opzegtermijn van een half jaar.
Hij zal opletten dat de jongens goed onderwijs krijgen in fundamentalia, godsdienst en goede zeden.
Zij dienst vangt aan op a.s. Jacobi. Van elke jongen die onder hem zit, behalve de armen, mag hij elk halfjaar 15 stuivers vragen. Hij zal geen accidentalia van kaarsengeld, nieuwjaarsgeld e.d. genieten.
De rector heeft de authoriteit om jongens die zich schuldig maken aan excessen, te straffen. De andere schoolmeesters mogen alleen de jongens die zij onderwijzen corrigeren voor wat de studie betreft.
Als de rector afwezig is, mogen de schoolmeesters wel straffen opleggen.
Het salaris van de rector zal bedragen 180 keizersguldens (van 20 st.) per jaar,

_↓_


|pag. 91|

te betalen in vier termijnen. Hij krijgt tevens een vrije woning bij de wedeme.

[Fol.180v, oud LXXVIIIv]
06.11.1584, Gedeputeerden van de Raad nemen de E. Johannem Lijckendorpium U.J. Doctorem aan tot rector, op de zelfde voorwaarden als wijlen mr. Conraedt van Hardenstede had. Zijn dienst zal aanvangen op a.s. Martini.

De voorwaarden van Johan ten Torne staan op fol.97. Daar staat ook het appointment op zijn supplicatie van 1587.

[Fol.181, oud LXXIC]
Docendi discendique methodus in scholae Campensi observanda

19.10.1587, Schoolreglement in het latijn

[Fol.181v, oud LXXIXv]
06.11.1599, De Raad ordineert dat de schoolkinderen voortaan ook op zondagmiddag uit de school naar de preek moeten worden gebracht. De kinderen zullen ieder half jaar overgaan naar een hogere klas. Er worden voor de beste leerlingen lste, 2de en 3de prijzen uitgeloofd in de vorm van boeken. De rector mag geen verandering maken voor wat betreft de leerboeken zonder advies van de predikant. Hij moet daarvan de Raad inlichten. Waar de boeken moeten worden gekocht, beslist niet de rector maar de ouders van de kinderen.

[Fol.182, oud LXXX]
Voorwaarden van rector mr. Caspar Holtstege.

21.08.1564, Provisoren en kerkmeesters van de Sint-Nicolaaskerk hebben een overeenkomst gesloten met Mr. Caspar Holtstege, die voor nog drie jaar is aangenomen als rector van de school, zoals hij het de voorafgaande drie jaar al was, ingaande Pasen anno 1565 en durende tot Pasen 1568.
Hij moet goed toezicht houden op school en koor, waarbij hij hulp zal hebben van twee schoolmeesters, die nog vier jaar moeten dienen.
Mr. Caspar heeft naar voren gebracht dat hij niet goed kan zingen. Daarom mag hij op heilige avonden en heilige dagen en op andere tijden als men gewend is met de scholieren ter kore te komen, de jongste schoolmeester meenemen.
Voor zijn loon zal hij hebben het beneficium Simonis et Jude met de lasten en profijten die daar bij horen.
[Fol.182v, oud LXXXv]
Van ieder jongen die onder hem zit, moet hij per half jaar 10 st.br. beuren, behalve van de armen. Van deze 10 stuivers krijgt de rector er 8 en de anderen 2. De rector krijgt voor hem alleen 1½ g.g. per jaar van O.L.Vrouweschool.
De jongens die onder de andere schoolmeesters zitten, moeten per half jaar 4 st.br. geven, waarvan de rector er 2 krijgt en de andere beiden ook 2.
Alle jongens moeten de rector van de school en de rector van het koor ieder jaar kermisgeld en andere accidentalia geven, die de rectors samen delen. [Fol.183, oud 81] Mr. Lambert moet zijn helft delen met mr.Jacob. Als mr. Jacob iets krijgt, moet hij delen met mr. Lambert.
De jongens die ‘ratione doctrine’ onder de rector zitten, moeten op alle heiligen avonden en heiligen dagen in hun koorkleren naar het koor komen, zodat er beter op hen kan worden gelet. Zij die dat niet willen, behoeven geen zangonderwijs te volgen. De uitheemse jongens zijn niet verplicht om naar het koor te gaan. Hoeveel inheemse jongens naar het koor moeten, wordt bepaald door de provisoren en de rector.
De rector zal de presentiën van de Heilig-Sacramentsmemorie genieten. De rector, de twee schoolmeesters en heer Henrick van Heerde krijgen op elk van de vier hoogtijdagen van de stad een take wijn. [Fol.183v, oud 81v] Zij mogen geen geldstraffen vorderen van jongens die zonder goede redenen absent zijn of zich aan strafbare feiten hebben schuldig gemaakt, maar zij moeten die op een andere wijze straffen.
De rector moet kort voor de aanvangstijden van de school aanwezig zijn, dus geen half uur van tevoren, om toezicht te houden op de kinderen. Als zij moeten worden gestraft met woorden of met klappen met een plak, dan moet hun leeftijd

_↓_


|pag. 92|

en lichaamelijke gesteldheid in aanmerking worden genomen. Wreedheden tegen hen mogen niet plaatsvinden.
De rector moet er op toe zien dat zowel rijken als armen op het gebied van onderwijs dezelfde behandeling krijgen. [Fol.184, oud 82] Als er echter bemiddelde ouders zijn die willen dat hun kinderen meer leren, dan mag hij hen les geven in zijn eigen tijd. Zijn beloning voor dit werk moet hij met de ouders regelen.
Als de rector door pestilentie, bloedgang of iets anders zo ziek wordt dat hij zijn werk niet kan doen, moet hij op eigen kosten een bekwame vervanger aanstellen of zijn werk door zijn beide onderschoolmeesters laten verrichten. Er mogen geen klachten van komen. [Fol.184v, oud 82v]
Op bovenstaande voorwaarden is mr. Gaspar voor drie jaar vast aangenomen om rector van de school en van het koor te wezen. Mocht hij zich echter ernstig misdragen, dan mag de Raad hem met inachtneming van een opzegtermijn van een half jaar, ontslaan en een ander in zijn plaats benoemen.
De Raad consenteert 26.08.1564.

De hierna genoemde jaarlijkse rente zijn inkomsten van de vicarie van Symonis et Jude apostolorum, gefundeerd in de Sint-Nicolaaskerk in Kampen.

Op Martini.
Uit een stuk land in Hollanderhusen, groot 4½ morgen, in huur bij Arendt Pouwelsz, Otto Jansz en Jan Jansz, 14 goudguldens.
Uit 2 akkers land in Hollanderhuysen, in huur bij Albert Aertsz, 5½ heren ponden per akker.
[[Fol.185, oud 83] Uit 4 akkers land in Hollanderhusen, in huur bij Berendt Gerritsz, 5½ heren ponden per akker.
Uit een halve akker in Hollanderhuysen, in huur bij Arendt Pouwelsz, 2 en 3/4 heren ponden.
Uit 2 akkers land in Hollanderhuisen, in huur bij Thijs Jacobsz en Goessen Jacobsz, 2 goudguldens per akker.
Uit een akker land op Camperveen, in huur bij Bene Henricksz, 5 heren ponden, 4½ stuivers brabants en 5 oude plakken.
Uit de helft van 1½ akker in Dronthen, in wijlen Geerdt Loeszen land gelegen, waarop Henrick Kerstgensz woont, in huur bij Berent van Tweenhuysen en juffer Juttha Loesze, 5½ heren ponden.
Uit een stuk land in de Spange bij Kuynder 4½ goudguldens, die Jan Schulte Hermsz placht te betalen. Modo solvit Jacob Senicae [de Oude].
De erfgenamen van wijlen Tymann van den Vene betalen 3½ goudgulden uit Uterwycks land in Mastenbroeck gelegen achter de Carthusers.
Het Sanct-Agnetenconvent in Kampen geeft 2½ heren ponden.
[Fol.185v, oud 83v] De stad Kampen geeft 5 en 3/4 heren ponden en een claesgen.
Mr. Egbert Morrhe geeft ½ heren pond.
Victoer van Deventer geeft ½ heren pond uit een stuk land in Mastenbroek.

Op Kerstmis
Het Heilige-Geestgasthuis geeft ½ heren pond.

Paasrenten van de vicarie.
De Heilig-Kruismemorie geeft 10½ stuivers brabants.
Uit het huis van Thoenys Potgieter in de Venestraat 1½ heren pond.
Uit Evert Valckenars huis in de Nieuwstraat tegenover de scheveling van Jan Kruse ½ frans schild.
Uit Gysebert Willemsz’ huis op de Vloeddijk tegenover de minderbroeders 2 en 1/4 heren ponden.
Uit Jan van Dulmans huis in de Broederstraat 3 tijnsgroten.
Uit Baete Kroesers hof in de Hofstraat, modo solvit mr. Herman Kroeser, ½ heren pond.
[Fol.186, oud 84] Uit wijlen Jacob Hoppenbrouwers huis in de Oudestraat 26 en 1/4 stuivers brabants.
Uit het huis dat nu toebehoord aan wijlen Thijmen Zwaenkens weduwe, gelegen in Casszsteeg [Cassensteeg ?] in de Hagen ½ frans schild en een quarte wijn.

_↓_


|pag. 93|

Uit een huis bij het Broederkerkhof geeft de weduwe van Henrick van Dieffholtz 1½ heren pond.

Renten op mei.
Van een wekelijkse mis, gefundeerd door Mechtelt van Kuynder, 5 goudguldens.
Van het metselaarsgilde 3½ goudguldens.

Totaalbedrag zonder de bij de vicarie behorende presentie bedraagt 68 goudguldens en 14½ stuivers brabants.

De presentie met de celebranten bedraagt 9 goudguldens.

Van de vicarie van Simonis et Jude doet men per week drie en halve mis post primas horas decantatas, alternatio vitibus, met de vicarie van het Heilig-Kruis samen.
Verder een mis van Mechtelt van Kuynre, die de vicarius mag opdragen wanneer het hem het best gelegen komt.
Op het metselaarsaltaar ieder tweede zondag een mis ad placitum.

Wijn, brood, kaarsen, etc.
De 5 goudguldens van Mechtelt van Kuynre, gaande uit wijlen Tymen van den Vene ’s huis, zijn afgelost. Het kapitaal is ontvangen door wijlen Henrick Kunerturffs vrouw, die het heeft gegeven aan de cameraars van het jaar 1555, te weten wijlen Peter van Elven en Albert van Wieringen, die daar mee hebben af gelost aan Henrick ter Laer een jaarlijkse rente van 1 goudgulden, aan Claes van Ens ook 1 goudgulden, aan Berent Ottinck vanwege de weduwe van Warner Robertsz een heren pond, en aan de erfgenamen van Femme Glauwe een heren pond, alles gaande uit de accijnslappe.
De stad moet zodoende aan de vicarie nog betalen uit de accijnslappe 6 heren ponden. Daarvan heeft de vicarie nog geen opdracht gehad. De 2 resterende goudguldens betalen de erfgenamen van joffer Van Ommen.

De rector ageerde 11.12.1563 tegen de gildemeesters van de metselaars over zijn 3½ goudgulden. Door de Raad is daarover op genoemde datum een sententie gewezen.

Tot de vicarie van Sint-Barbara behoren ongeveer 48 goudguldens. Door deze vicarie moeten per week 4 missen worden gedaan.

[Fol.187, oud 85]
Voorwaarden van de rector mr. Thomas.
07.10.1567, Gedeputeerden van de Raad onderhandelen in tegenwoordigheid van de kerkmeesters van de Sint-Nicolaaskerk met mr. Thomas Chytropius die is aangenomen als rector van de Bovenschool.
De nieuwe rector is verplicht om 6½ jaar in functie te blijven. De Raad kan hem in die periode ontslaan als hij niet voldoet. De opzegtermijn is een half jaar.
Hij moet de jongens in de goede katholieke leer opvoeden en hen de fundamentalia bijbrengen. [Fol.187, oud 85] Hij moet de school en het koor leiden en alle goede oude gebruiken in ere houden die ten tijde van wijlen mr. Jan van Lymberch schoolmeester in zwang waren.
Zijn dienst vangt a.s. Martini aan. Van die datum tot aan Pasen 1568 krijgt hij alleen de accidentalia en de presentiën. Daarna zal hij naast de accidentalia, etc., gedurende 6 jaar de renten van de vicarie van Simonis et Jude genieten.
Hij moet de daarbij behorende lasten en diensten ook aanvaarden.
Van elke onder hem lerende jongen (de armen uitgezonderd) krijgt hij per half jaar 10 stuivers brabants. Daarvan mag hij er 8 houden en moet hij aan elk van de beide andere schoolmeesters er 1 meegeven.
Hij geniet per jaar tevens 1½ goudgulden van Onze-Lieve-Vrouwenschool. [Fol.188, oud 86]
De jongens die onder de beide onderschoolmeesters zitten moeten per half jaar 4 stuivers brabants geven, waarvan de rector en 2 moet hebben.
Alle jongens, behalve de armen, moeten de rector ieder jaar kermisgeld en andere accidentalia geven, volgens oude gewoonte. De beide andere meesters moeten alles

_↓_


|pag. 94|

wat zij van de jongens krijgen, samen delen.
De Raad wil dat de rector dagelijks zelf het koor leidt of door een van de twee anderen zal laten leiden. De rector heeft dit aangenomen op voorwaarde dat hij altijd de presentie van de Heilig-Sacramentsmemorie zal krijgen, of hij nu op het koor is of in de school. Hij moet zich omstreeks de ‘elevatien’ bij het koor voegen.
De rector, de twee schoolmeesters en heer Henrick van Heerde krijgen op elk van de vier hoogtijdagen een take wijn van de stad.
Alle jongens van de school moeten in het koor zingen, zoals tijdens het leven van mr. Jan gebruikelijk was.
Van de jongens die zonder geldige redenen absent zijn of zich op andere wijze hebben misdragen, mogen rector en schoolmeesters geen geldboete eisen, maar zij moeten hen straffen naar behoren.
Mr. Thomas moet op alle heiligen avonden en dagen het koor van beide zijden controleren, zoals van oud gebruikelijk is.
Hij moet enige tijd voor het aanvangsuur (maar geen half uur tevoren) voor in de school staan om de kinderen in de gaten te houden. [Fol.189, oud 87] Jongens die te laat komen mag hij straffen met de plak. Hij moet echter eerst hun redenen aanhoren, want het gebeurd vaak dat de klokken ongelijk de tijd aangeven, etc.
Hij mag niet wreed straffen maar moet de leeftijd en omstandigheden van de jongens in aanmerking nemen.
Hij moet rijken en armen hetzelfde onderwijs geven, maar kinderen van bemiddelde ouders mag hij in eigen tijd bijles geven tegen een met de ouders af te spreken vergoeding. [Fol.189v, oud 87v]
Als de rector door pestilentie, bloedgang, e.d. zo ziek wordt dat hij zijn werk niet kan doen, dan moet hij op eigen kosten een bekwame vervanger aanwijzen of zijn werk door de beide ondermeesters laten doen.
Op 08.10.1567 zijn deze voorwaarden in de volle Raad aan mr. Thomas Chytropeus voorgelezen. Hij is daarop aangenomen.

18.02.1576, Gedeputeerden van de Raad hebben mr. Govert Tellevoeren aangenomen als rector van de Bovenschool, op dezelfde voorwaarden als waarop mr. Thomas Chytropeus de school heeft geleid. Hij is voor 6 jaar aangenomen, ingaande a.s. Petri ad Cathedram. Hij zal echter van die datum tot aan Pasen 1576 alleen de accidentalia genieten. Hij moet zich laten wijden tot klerk en intussen de dienst van de vicarie van Simonis et Jude behoorlijk laten waarnemen. Hij moet de kinderen dezelfde grammatica laten leren als die men in Zwolle leert.

30.09.1579, Gedeputeerden van de Raad (Henrick Kistemaker, Henrick de Wolfs van Westenrode, heer van Poteghem, Arent to Bocop, Symon Glauwe Johansz en Conraet van der Vecht) hebben in bijwezen van de hooggeleerde Johan to Bocop en Henrick van der Vecht, der rechten licentiaat, kerkmeesters van de Sint-Nicolaaskerk,
[Fol.190, oud 88] mr. Henrick Jansz Kannegieter aangenomen tot rector, op de voorwaarden die eerder golden voor mr. Thomas Chytropeus en op de volgende aanvullende voorwaarden.
De schoolmeesters zullen staan onder de macht en authoriteit van de rector. Als zij niet naar behoren functioneren, moet de rector dit melden aan de provisoren en kerkmeesters, die dan een of twee keer een waarschuwing geven. Gaat het dan nog niet beter dan mag de rector met advies van Raad, provisoren en kerkmeesters de onwillige schoolmeester ontslaan.
Binen de jurisdictie van Kampen mogen geen andere latijnse scholen worden gesticht.
Alle pachten, renten en accidentalia die in het vierde jaar van mr. Goevert Tellevorens rectorschap zijn verschenen zijn, moeten tussen mr. Govert en mr. Henrick worden gedeeld.
Als heer Henrick voornoemd ontslagen wordt of komt te sterven, zal de volgende rector naar rato van de renten e.d. meedelen.
Op 01.10.1579 heeft de Raad geconsenteerd en is heer Henrick aangenomen.

[Fol.190v, oud 88v]
Voorwaarden voor Thiman Albertsz schoolmeester.
06.05.1581, Gedeputeerden van de Raad hebben mr. Thiman Albertsz voor 3 jaar

_↓_


|pag. 95|

aangenomen als onderschoolmeester op de volgende voorwaarden.
Hij moet de jongens leren ‘donarum’ en dat wat er bij hoort, zoals boekstaven, lezen en schrijven. Hij moet de jeugd in goede tucht en eerbarheid onderwijzen. Hij moet met de kinderen op tijd in de kerk komen en zelf de voorzang doen. Hij moet de jongens de gezangen leren.
Hij moet de jongens goed Duits en Latijn leren. Hij mag geen meisjes onderwijzen.
Van iedere jongen die onder hem leert, zal hij genieten 5 stuivers per kwartaal, doch niet van de armen. Voor zijn salaris krijgt hij 100 keizersguldens per jaar, te betalen in vier termijnen. Zijn dienst is aangevangen op 1 mei l.l.
De rector blijft verantwoordelijk voor het regiment van de school en hij moet indien nodig de jongens straffen. De andere schoolmeesters mogen zich daar niet mee bemoeien, maar zij mogen wel corrigerend optreden tegen de jongens wat betreft de studie.

Omdat op deze bladzijde geen plaats is om de voorwaarden voor de nieuw aangenomen rector te schrijven, zijn die geschreven achter de voorwaarden voor de schoolmeesters op fol.LXXVII.

Van de nijen schoolmeester sal men vinden in fol.97.

[Fol.191, oud 89]
Vroemoeders.

16.07.1569, Gedeputeerden van de Raad hebben onderhandeld met de vroemoeder Greetgen Kremers en met haar afgesproken dat zij Truycken Max het vak zal leren.
Daarvoor krijgt zij van de stad 15 goudguldens, in twee termijnen te betalen, n.l. Kerstmis a.s. en Pasen 1570.
Op dezelfde tijd is Truycken Max aangenomen als vroemoeder, op dezelfde voorwaarden als de andere vroemoeders. Zij is verplicht om later een andere vrouw het vak te leren als men dat van haar vraagt, zonder daarvoor iets te genieten. Haar dienst vangt aan op Pasen 1570. Tot pensie krijgt zij 20 heren ponden per jaar, waarvan zij de eerste termijn zal beuren op Michaelis 1570.

01.09.1575, Gedeputeerden van de Raad hebben Marrijken Janss van Amsterdam aangenomen tot vroemoeder. Zij moet zowel de rijken als de armen, ook als zij de pest hebben, helpen.
Tot pensie krijgt zij 24 heren ponden per jaar, te betalen in vier termijnen.

09.07.1577, Gedeputeerden van de Raad hebben Lutgart Willems, de vrouw van Willem Toenijsz, aangenomen als vroemoeder. [Fol.191v, oud 89v]. Zij moet het vak op haar eigen kosten leren, maar krijgt van de stad 15 goudguldens, in twee termijnen te betalen, n.1. op Kertsmis en op Sint-Johan.
Zij heeft dezelfde voorwaarden als haar voorgangers.
In de marge:] 29.07.1581, Lutgart Willems is ontslagen.

Maart 1578, Gedeputeerden van de Raad hebben Wabb, de vrouw van Mr. Harich van Staverden voor een jaar aangenomen als vroemoeder, op dezelfde voorwaarden als haar voorgangsters. Zij behoeft echter geen pestlijders te helpen.
Tot pensie krijgt zij 20 heren pond op Michaelis a.s. en 20 heren ponden op Pasen 1579.

15.03.1579, Gedeputeerden van de Raad hebben Marrijken Casteleins aangenomen tot vroemoeder. Zij moet op eigen kosten een jaar lang in de leer bij de vroemoeder Gerritgen, waarvoor zij van de stad 15 goudguldens zal krijgen in twee termijnen, n.1. op Michaelis a.s. en op Pasen daarna. Zij is verplicht allen die haar hulp nodig hebben te helpen, ook al heerst er pestilentie. Als haar dat later wordt gevraagd, moet zij bereid zijn om een andere vrouw het vak te leren.

04.02.1580, Gedeputeerden van de Raad hebben Benedicta Jans aangenomen tot vroemoeder, op dezelfde voorwaarden als haar voorgangsters. Zij behoeft echter niet te komen in huizen waar de pest heerst. Tot pensie krijgt zij 8 heren

_↓_


|pag. 96|

ponden op a.s. Pasen en 8 h. lb. op Michaelis 1580.

[Fol.192]
26.01.1581, Gedeputeerden van de Raad hebben Kunne Jacobs aangenomen tot vroemoeder op dezelfde voorwaarden en pensie als tevoren Benedicta Jans had.

31.07.1581, De pensie van Kunne Jacobs is verhoogd tot 15 h.lb. op Pasen en 15 h. lb. op Michaelis. Zij moet voortaan ook werken in huizen waar de pest heerst.

31.01.1581, Benedicta Jans is aangenomen tot vroemoeder in plaats van de overleden Marrijke Castelleins. Tot pensie krijgt zij 15 goudguldens per jaar, te betalen in twee termijnen, n.1. Pasen en Michaelis.

17.05.1585, Lutgart Willems is aangenomen tot vroemoeder op de voorwaarden en pensie die Kunne Jacobs had. Tot pensie krijgt zij 15 goudguldens per jaar, te betalen in twee termijnen, n.1. Michaelis en Pasen.
[In de marge:] 02.09.1602, De Raad heeft Lutgert Willems geabsolveert van haar dienst.

[Fol.192v]
11.01.1586, Geertruyt Jans, de vrouw van Henrick Schriver, is aangenomen tot stadsvroemoeder, op de zelfde voorwaarden als die welke Kunne Jacobs had. Zij moet ook pestlijders helpen. Haar dienst vangt aan op a.s. Pasen. De eerste pensie van 7½ goudguldens zal zij beuren op Michaelis, de tweede op Pasen daarop volgend.

05.03.1601, Geertruyt Jans is weer aangenomen als vroemoeder op haar oude voorwaarden. Op a.s. Michaelis beurt zij de eerste termijn van haar pensie.

10.12.1586, Kunne Jacobs is aangenomen tot stadsvroemoeder op haar oude voorwaarden, zowel van pest als anders, want zij is de jongste. Tot pensie krijgt zij hetzelfde als wat Dicte moeder heeft gehad. De eerste termijn verschijnt op a.s. Pasen.

05.03.1601, Luijtgen Berents is op de oude voorwaarden aangenomen als stadsvroemoeder. Ze moet ook pestlijders helpen, want zij is de jongste. Haar pensie bedraagt evenveel als die van de anderen. De eerste termijn beurt zij op Michaelis a.s.

26.08.1602, Cathrina Jonckers is aangenomen tot stadsvroemoeder op dezelfde voorwaarden en pensie als de anderen. Ze moet ook pestlijders helpen.

15.09.1602, Geertruit Jans is op de oude voorwaarden en pensie aangenomen als stadsvroemoeder. Zij moet ook pestlijders helpen.

[Fol.193]
16.01.1608, Judith Jacobs, de vrouw van mr. Henrick Vette, is aangenomen tot stadsvroemoeder. Ze moet ook pestlijders helpen, want zij is de jongste. Zij krijgt dezelfde pensie als de anderen. De eerste termijn zal verschijnen op Pasen a.s., de tweede op Michaelis.

30.01.1608, Derckgen Jacobsz, de vrouw van Johan Tijsen Eeckmulder, is aangenomen tot stadsvroemoeder. Omdat zij nu de jongste is, moet zij ook pestlijders helpen. Haar 0pensie is als boven. De eerste termijn op Pasen a.s.

18.05.1610, Griete Egbertz, de vrouw van Thijmen Willemsz, is aangenomen als vroemoeder te Brunnepe en in de stadsvrijheid, op dezelfde voorwaarden en pensie als de anderen. De eerste termijn verschijnt op Michaelis a.s.

[Fol.193v]
31.03.1641, Haese Dercks is aangenomen tot vroemoeder in Brunnepe en in de stadsvrijheid. Ze moet arm en rijk, gezonden en zieken helpen. Ook pestlijders.

_↓_


|pag. 97|

Haar eerste termijn verschijnt op a.s. Michaelis.

31.12.1643, Mechtelt Coerts is aangenomen tot vroemoeder, op voorwaarden en pensie als de anderen. Haar eerste termijn verschijnt op Pasen a.s.

25.04.1644, Trijntgen Bartholts, de vrouw van Arent Bruyns, is aangenomen als vroemoeder, op dezelfde voorwaarden als de anderen. Haar betalingstermijnen zijn Michaelis en Pasen.

[Fol.194]
21.08.1644, Grietgen Hermens is aangenomen tot vroemoeder in Brunnepe en de stadvrijheid, op de oude voorwaarden. Haar betalingstermijnen zijn Pasen en Michaelis.
17.02.1651, Geertien Willems is in plaats van Gretien Herms aangenomen tot vroemoeder.

06.10.1657, Margrieta Lodewijckx is in plaats van wijlen Anna Hendrix aangenomen tot vroemoeder.

20.11.1666, Maria Martens en Mettien zijn tot vroemoeders aangenomen in plaats van wijlen Geertien Willems. Zij krijgen elk de helft van het normale tractement.

[Fol.194v is onbeschreven]

[Fol.195]
17.09.1651, Cornelijs Dirxen Backer en Marcus Gerrijts zijn aangenomen als gezworen korenmeters. Zij hebben de hiervoor [!] genoemde eed gedaan.

23.03.1654, Gijsbert Woltersz heeft als nieuw aangenomen zoutmeter de hiervoor genoemde eed gedaan.

01.10.1657, Cornelis Dircksen Backer en Marcus Gerritsen hebben als nieuw aangenomen zaadmeters de eed gedaan.

23.09.1673, Henrick Janssen Westerhuys heeft als nieuw gekozen zaadmeter, in plaats van de vertrokken Roeloff Nessinck, de eed gedaan.

[Fol.195v is niet beschreven]

[Fol.196]
Eed van de zaadstorter.

Hij moet de schepels recht plaatsen en de granen getrouwelijk storten.

18.09.1651, Daniël Petersz is aangenomen als zaadstorter en heeft de eed gedaan.

13.07.1667, Jan Hendricksen heeft zijn eed gedaan.

03.04.1667, Dirck Heinsen van Marcken heeft zijn vertoonde zoutbrief beëdigd.

02.05 [1667], Dirrick Heijnsen van Marcken heeft zijn vertoonde zoutbrief beëdigd.

25.05 [1667], Schipper Jan Hendricksz van Munckedam heeft zijn vertoonde zoutbrief beëdigd.

29.05 [1667], Cornelis Meijersen heeft zijn vertoonde zoutbrief beëdigd.

[Fol.196v]
16.08.1662, Dirck Heinsz van Marcken heeft zijn zoutbrief van 24.08.1662 s.n.
(stilo novo) met de eed bevestigd.

_↓_


|pag. 98|

17.09.1662, Dirck Heinsz van Marcken heeft zijn zoutbrief met de eed bevestigd.

29.09.1662, Cornelis Heinsen van Marcken heeft zijn zoutbrief met de eed bevestigd.

12.09.1663, Cornelis Heijnsen van Marcken heeft zijn zoutbrief met de eed bevestigd.

25.09.1663, Willem Houting heeft zijn zoutbrief van 01.10.1663 [nieuwe stijl] met de eed bevestigd.

06.10.1663, Cornelis Courts heeft zijn zoutbrief, gegeven 30.09.1663 door het gericht van Harlingen, met de eed bevestigd.

26.03.1664, Cornelis Heimsen van Mercken heeft zijn zoutbrief met de eed bevestigd.

[Fol.197, oud Fol.90]
De ornamenten en andere voorwerpen die de Sint-Nicolaaskerk toebehoren.

14.03.1565, In tegenwoordigheid van pastoor Aggei van Sneick, de provisoren Henrick de Wolffs en Claes Igerman en de kerkmeesters Bartolt van Wilssem en Wolter de Wolffs zijn in de sacristie van de Sint-Nicolaaskerk de ornamenten e.d., geïnventariseerd.
Drie kussens met Kuenreturfs wapen.
Twee kussens met in de wapens rode torens.
Twee kussens met in de wapens negen zwarte ruiten in een rood veld.
Drie kussens met in de wapens drie witte bourgondische kruisen en drie zwarte hanen in een rood veld.
Twee kussens met in de wapens een zwart kruis en drie taken-kannen in een rood veld.
Drie kussens met in de wapens zwarte hanen in een rood veld.
Twee kussens met in de wapens drie rode bourgondische kruisen en met groene en gele ‘stripen’, door het veld gaande.
Een ‘saersse’.
Een kussen dat men vrijdags onder het kruis legt.
Een antipendium bij het Heilig-Sacramentsaltaar behorend, waarop geschreven staat Alpha et O[mega].
Een ‘boert’ van het hoge altaar.
Een antipendium van het hoge altaar, waarop het wapen van Glauwe staat.
Een antipendium zonder ‘boert’, met damast en goud gevoerd.
Een antipendium van rood fluweel.
Twee gouden stukken, waarvan het ene hangt aan Sancta-Sanctorum en het ander aan het ‘pullemte’ [lessenaar/preekstoel] daar tegenover.
Een daags antipendium van ‘tapeet’ [tapijt] met een geborduurde ‘boert’.
Een vasten-antipendium, ‘gestrippet’ van ‘iffelsdoeck’ [de laatste drie woorden doorgehaald].
Twee witte gordijnen, van ‘iffelsdoeck gestripet wesende’, welke men op grote feestdagen gebruikt.
Een antipendium, gemaakt van ‘cathijn of iffelsdoeck’ [satijn], dat men op feestdagen over het ‘pullemte’ hangt.
Twee rode gordijnen die men dagelijks gebruikt.
Twee stukken ‘honger kledes’ [Hongaars doek ?] en het kleed voor het hoge altaar waarin de passie van onze Heer staat.
Twee vanen van damast en twee daagse fanen, elk met een kruis en een stok.
Twee vanen die men in de passieweek gebruikt, de ene met een stok en de ander met een speer.
Een stuk ‘gestripede’ zijde dat men gebruikt voor de communicanten.

Koorkappen, etc.
Door mr. Johan sanckmeister werd in de sacristie nog het volgende tevoorschijn gehaald.

_↓_


|pag. 99|

Een gouden koorkap, met rood fluweel gebloemd, waaraan een en dertig zilveren bellen hangen tussen lange zijden ‘frengen’, [franje] waarbij behoort een schild, gestikt met gouddraad en parels op zwart fluweel, met een knoop van gouddraad en parels. Het is afkomstig van wijlen joffer Lews.
Een gouden kuersuffell [kazuifel], met twee ‘dienrocken ende drie almen’, met de bijbehorende ‘stoelen [stola’s], manipulen [manipels] ende lappen’.
Een witte damasten kap, geborduurd met gouden bloemen, daarop een schild met de voorstelling van onze lieve Here in de tempel, zittende tussen de doctoren.
Daaraan hangt een vergulde zilveren appel, wegende 10 lood.
Een stuk wit damast, geborduurd met gouden bloemen, waarvan twee koorkappen kunnen worden gemaakt, maar waaraan verder nog geen borduursel zit.
Een kazuifel van wit damast met gouden bloemen, met twee ‘dienrocken’ [dalmatieken] met op elk twee kleine zilveren kopen op de schouders. Hierbij zijn drie ‘almen [alben], lappen, stoelen ende manipulen’ van hetzelfde materiaal. Een wit-damasten koorkap met een schild waarin de historie van de Heilige-Drie-Koningen staat, met een verguld zilveren knoopje.
Een kazuifel van wit damast en twee ‘dienrocken’ van hetzelfde materiaal, met rood-fluwelen kruisen en een in goud geborduurde afbeelding van Onze-Lieve-Vrouwe in de Zon. De ene ‘dienrock hefft twee sulveren spantgens’ op de schouder en de ander twee grote zilveren maliën waarin de kwasten sluiten. Daarbij behoren drie ‘almen’ met wit-damasten ‘lappen, stolen ende manipulen’.
Een rood-damasten kazuifel, waarop een afbeelding van de Decollatie Joannis.
Twee ‘dienrocken’ van rood damast, met ‘drie almen, lappen, stoelen en manipulen’.
Twee rood-fluwelen gebloemde kappen met verguld-zilveren knopen, wegende elk 9½ lood.
Een vergulde ‘knoep’, liggende in de ‘kasse’, wegende 9 en 3/4 lood.
Een zwarte ‘versetten’ kazuifel met rood-damasten kruisen, waarop het wapen van Voerne en nog drie andere wapens staan.
Een kazuifel van rood laken en twee dienrocken, alle met zwart-fluwelen kruizen en ‘boerden’, zonder ‘alven’.
Een zwart-kamelotten kazuifel met zwart-fluwelen kruisen en een kazuifel met paars-kamelotten ‘lappen’.
Een oude onbruikbare kazuifel van goud, vroeger ‘gewarckt’, zonder ‘almen ende stoelen’.
Twee rood-lakense kazuifels waarvan de ene met een zwart-lakens kruis en de ander met een blauw-lakens kruis, toebehorend aan het Sanct-Georgensaltaar, met twee ‘almen’ die aan de kerk toebehoren.
Vier ‘dienrockgens ende vier kapgens’ voor de jongens.

[Fol.199, oud 92]
Schepenkapel
Een blauw-fluwelen kazuifel met gouden bloemen, met de ‘stolen ende manipulen’, toebehorend aan de schepenkapel.

Sacramentsmemorie.
Een rood-fluwelen, gebloemde ‘capell’. Te weten een kazuifel, twee ‘dienrocken’ van hetzelfde materiaal, en drie nieuwe ‘alven’ met het teken van mr. Wilhem Ringelborch getekend. Verder ‘lappen, stoelen ende manipulen’ die daarbij behoren. ‘Deze capell’ behoort de Sacramentsmemorie toe.

Heilig-Kruismemorie
Een rood-fluwelen, gebloemde ‘capell’. Te weten een kazuifel, twee ‘dienrocken, drie alven ende lappen, stoelen, manipulen, daar bij behorende. Deze ‘capell’ behoort de Heilig-Kruismemorie memorie.
Een kazuifel en twee ‘dienrocken’ van grijs laken, met een rood-lakens kruis, welke ook genoemde memorie toebehoren.

[Fol.199v, oud 92v]
Vervolgens een ‘ecce panis angelorum’ geborduurd van mooie parels en verguld zilveren ‘flickertkens’. Daar hangt een kleinood met acht robijntjes in, en een ’tafeltgenn van diamant int middell gesath ende drie parreltgens daer an

_↓_


|pag. 100|

hangende’. In dat ‘ecce panis’ bevindt zich verder een punt van een in goud gezette diamant en een blauw steentje met een diamant en een granaat, met ‘etlicke’ parels daar in staande.
Een antipendium van zwart fluweel met een ‘blandelet’ dat men achter de grote ciborie hangt.
Twee grote altaarlakens voor het hoge altaar.
Een goede ‘alterdwale’ [altaardoek] behorend op het Aller-Zielenaltaar.
Een ‘alterdwale’ behorend op het Heilig-Sacramentsaltaar.
Twee lakens om het zilverwerk op te zetten.
Twee ‘pellen dwaelkens’.
Vier ‘doecken hantdwelen’ [handdoeken] voor de priesters in de sacristie.
Twee corporalen [altaar- of kelkdoeken], welke sluiten in de ‘arcke’ [kist/offerkist].
Een corporale behorend bij de hoogtijdskelk, waarop acht zilveren doppen zitten. Twee ‘operculen’ van rood fluweel, met daarin vier linnen corporalen.
Twee oude corporalenhuisjes van blauw fluweel, elk met vier vergulde zilveren knoppen, met in elk een corporale en een ‘operckell’.
Een oud corporalenhuisje van geel damast, met daarin een operckell en een corporale.

[Fol.200, oud 93]
Het zilverwerk.
Een grote kelk, wegende met de pateen 6 mark en 4 en 3/4 lood.
Een kelk met pateen, wegende 2 mark en 13 en 1/4 lood. (In de marge: ‘deze kelck vermaect ende verguldet, to weten ene vanden cleijnen kelicken’).
Een kelk met pateen, wegende 2 mark en 9½ lood.
Een kelk met pateen, wegende 2 mark en 6½ lood.
Een kelk behorende in de kist van het Heilig-Sacramentsaltaar.
Een groot zilveren kruis met koperen voet, wegende 18 ponden, zo aan mr. Johan sanckmeister is gezegd.
Een zilveren kruis met daarop het wapen van wijlen mr. Johan van Uterwyck, wegende 4 mark en 12 lood.
Een verguld zilveren ‘spange’, zijnde de grootste, wegende met de beide haken 2 mark en 10 en 3/4 lood. [In de marge:] ‘verbetert’
Een zilveren ‘spange’, wegende 22 en 1/4 lood, met de was die daarin is.
Een grote, verguld zilveren spange, wegende 3 mark en 1½ lood.
Een verguld zilveren spange, wegende 2 mark en 13 en 1/4 lood.
[Fol.200v, oud 93v]
Twee zilveren ampullen, wegende 1½ mark en 5 en 3/8 lood.
Een verguld zilveren ‘pace’ [instrumentum pacis of osculatorium/kustafeltje] wegende 1½ mark en 5½ lood.
Een verguld zilveren kelkachtige beker, wegende 2 mark en 1 en 1/4 lood.
Een hoge zilveren kroes met deksel, wegende 4½ mark en 2 en 3/4 lood.
Een zilveren kroes met deksel, afkomstig van wijlen Henrick van Olst, wegende 2 mark en een half lood.
Een zilveren kroes met deksel, afkomstig van wijlen mr. Wilhem Ringelborch, wegende …. [niet ingevuld].
Een kroes zonder deksel, wegende 20 en 3/4 lood.
Drie grote zilveren schalen, samen wegende 7½ mark en 2 lood. [In de marge:] ‘Deze 2 schaelen sijnnen anno 66 gebroeken, ende daer van gemact een sylveren beecker mit een voet, voer den communicant, wegende 19 lood min 1/8 deel. Ende dat daer over was daer mede is verbetert die kettene vant olde wiroecx vat, als mr. Jan Theusz hant bijden E. Wolter de Wolffs anno 66 den 12 julij, mij verthoent, sulx medebrenget’.
Twee kleine zilveren schaaltjes, samen wegende 23 en 1/4 lood.
Twee grote houten nappen, onder en boven beslagen met zilver.
Twee zilveren bisschoppen, wegende 2 mark.
Een zilveren ciborie van ‘hilgedoemte’, wegende 5 mark.
Een zilveren ‘hilgedoems’ ciborie, met daarop staande een verguld kruis, wegende 6½ mark en 5 lood.
Een ‘hilgedoems’ ciborie, wegende 4 mark en 7 en 1/4 lood.
[Fol.201, oud 94]

_↓_


|pag. 101|

Een zilveren kruis-ciborie met het ‘hilgedoempte’, wegende 3 mark en 3 lood.
Een zilveren kruis, wegende 16 lood.
Een ciborie met een kristallen steen, wegende anderhalf mark en anderhalf lood.
Een zilveren ‘notte’ van drie voeten, beslagen met verguld zilver, wegende 21 lood.
Een wierookvat, wegende 5 mark en 5½ lood.
Een zilveren wierookvat, wegende 6½ mark en 2 lood.
Een houten, met zilver beslagen ‘pace’.
Twee zilveren ampullen, wegende 14 lood, toebehorend aan de Sacramentsmemorie.
Een arm van een der gezellen van Sint-Bonifacius, voor een deel beslagen met verguld zilver.
Een gordeltje, wegende 5 en 1/4 lood.

Vervolgens van de sacristie naar het koor gaande, heeft de pastoor boven uit het huisje van het Heilig-Sacrament de grootste monstrans gehaald. Daar zitten aan de buitenkant twee gouden ringen aan, de ene met een diamant en de ander met een turquois. Een ‘klennetgen’ [kleinood] van goud, waarin Sanct-Ursula staat, is vastgemaakt aan genoemde monstrans, evenals een stuk ‘cristals de roess’ [rooschristal ?] waarin het Heilig-Sacrament staat. ([Fol.201v, oud 94v) Verder tussen twee engeltjes, onder aan de maan, is vastgemaakt een gouden ringetje met twee steentjes daarin gezet, het ene een diamant en het andere een robijn. Dan zit nog om de monstrans een mooie krans van parels. Onder de monstrans ligt een linnen zak.

Onder in het sacramentshuisje ligt een zilveren ark, van binnen bekleed met hout, wegende 12½ mark en 6 en 3/4 lood. Het deksel, niet bekleed met hout, weegt 5 mark.

De pastoor haalde met behoorlijke ‘reverentie’ tevoorschijn de kleine vergulde monstrans die gebruikt wordt in de Heilig-Sacramentsmis, waarin het kristal zit.

Een vergulde monstrans, waarin de volgende voorwerpen lagen: een zilveren bus, een zilveren schaaltje en een klein zilveren busje waar de heilige olie nog in zit, wegende 5 mark min een lood.

[Fol.202, oud 95]
Nog een verguld zilveren monstrans met daarin een zilveren bus en een zilveren schaaltje en een klein zilveren busje waarin de heilige olie nog zat, wegende 5 mark en 2½ lood.
Een zwart-fluwelen buidel met twee verguld zilveren naalden, geborduurd met parels. Er hangen zes verguld zilveren belletjes aan. Er zit een zilveren bus met een zilveren lepeltje in, en een klein zilveren busje waarin de heilige olie nog zat, wegende elf lood.
Drie zilveren bussen, waarvan er een gebruikt wordt om de zieken de heilige olie toe te dienen en de andere twee op het ‘fonte’ [doopvont] als die gewijd wordt en wanneer kinderen worden gedoopt. Samen wegende 24 lood. De heilige olie meegewogen.

Deze boeken vindt men op het koor.
Aan de zuidzijde een missaal, twee antiphonalen, een psalmenboek en een boek van de heiligen.
Aan de noordzijde twee lectionalen, twee kleine lectionalen, twee nieuwe psalmboeken, een missaal, een zomer antiphonaal, een winter antiphonaal en een boek dat op de arend [lessenaar] ligt.

In de sacristie bevinden zich de volgende boeken, de kerk toebehorend.
Drie grote montetboeken in muziek en twee misboeken, de een gebonden, de ander ongebonden.
Een magnificatboek en een boek waaruit men zingt op Kerstnacht en waaruit men de passie zingt.

Tinwerk.

_↓_


|pag. 102|


Drie taken-kannen van fijn tin, die toebehoren aan de getijden.
Vier kannetjes van onfijn tin, waarin men bloemen zet.
Verder een oude taken-kan zonder lid. Hiervan zijn gemaakt twee quarte kannen voor wijn en twee mengelen kannen voor wijn. De vrouw van mr. Johan heeft mij op 17.03.1565 verzekerd dat het fijn tin is.

Johannes Rueper, secretarius, heeft het vorenstaande geschreven en ondertekend, ‘teste manu propria’.

[Fol.203, oud 96]
04.07.1571, De E. Wolter de Wolffs, heere van Westenroede, etc., heeft mij gegeven een papieren cedule, geschreven zoals het leek, met de hand van heer Gielis, luidende als volgt.
Den 8sten augustus 1570. De eerste spanne woog, toen ik hem ontving, 24 en 1/4 lood. Mr. Jan bracht mij later nog een half lood en 1/8 lood. Toen het schoongemaakt werd, bleek hiervan een vierde deel vuil en smeer te zijn. Er bleef 1 en 1/4 deel aan zilver over. De spanne weegt nu, zonder koperen haken en platen, 23½ lood min 1/8 lood [de laatste beide getallen zijn gedeeltelijk doorgehaald en foutief gewijzigd in 39½].
De andere spanne woog aan zilver 9 en 1/8 lood toen ik hem ontving. Daar zijn bijgevoegd de 1 en 1/4 lood die van de eerste spanne overbleven. Dus deze spanne weegt nu, zonder de koperen platen en haken en dergelijke, 10 lood. Er bleef 3/8 lood zilver over. Alles is samen gewogen in aanwezigheid van heer Gielis van Vessem, die dit met mij heeft ondertekend.
Getekend door heer Gielis en door Engbert goltsmyt.
Het afschrift is gemaakt en ondertekend door secretaris Johan Roeper.

[Fol.203v, oud 96v]
17.01.1582, Otto Ganseneb gnt. Tengnagel, der rechten doctor, en Henryck ter Barckhorst, provisoren van de Sint-Nicolaaskerk, en Reiner Ganseneb gnt. Tengnagel en Johan Henrycksz Laeckensnijder, kerkmeesters van die kerk, onderhandelden met mr. Wyllem Andreesz organist. Hij zal twee uur per dag spelen, te weten een uur voor en een uur na de middag. Als de preek in de Broederkerk uit is, zal hij spelen tot 11 uur. Als er in de Broederkerk niet gepreekt wordt, moet hij in de Bovenkerk spelen van 10 tot 11 uur. In de periode van Vastenavond tot Michaelis moet hij des namiddags spelen van 4 tot 5 uur en in de periode van Michaelis tot Vastenavond van 3 tot 4 uur. Altijd moet hij de diensten in de Boven- en in de Broederkerk met orgelspel begeleiden. Hij krijgt 80 goudguldens per jaar. De Raad bepaalt tevens dat hij van de kerkmeesters zijn achterstallig tractement moet beuren.

28.06.1634, De Raad benoemt in plaats van de overleden organist mr. Arent Jansz nu mr. Henrick van Benthem tot organist van de stad, op het tractement van 250 carelsguldens, dat zijn voorganger ook had. Zijn tractement zal ingaan als hij hier is aangekomen en zijn dienst aanvangt.
Mr. Henrick moet tevens drie keer per week een half uur spelen op de ‘cinke’ vanaf de stadstoren, samen met mr. Cornelis (op de bazuin) en mr. Jurrien (op de scharmeye).

[Fol. Inliggend blaadje]
12.07.1584, Roloff Buyter, Otto Gansneb gnt. Tengnagel en Wylm tho Boecop, der rechten doctor, hebben op verzoek van de Raad onderhandeld met mr. Conraedt van Hardenstede, rector, om een goede latijnse school te stichten, waarin niets anders dan latijn wordt onderwezen.
Alle jongens van het weeshuis zullen daar in het latijn onderwezen worden.
Verder zal men twee goede Duitse scholen stichten, waar de jeugd het schrijven in de Duitse taal en het rekenen moet leren.
De ordonnantie zal aanvangen op a.s. Johannis of eerder als dat mogelijk is.

[Fol.204, oud 97]
Voorwaarden voor de schoolmeester Hans ten Toern.
16.01.1582, De Raad heeft de provisoren en kerkmeesters van de Sint-Nicolaaskerk

_↓_


|pag. 103|

geauthoriseerd om te onderhandelen met Hans ten Toren over de functie van onderschoolmeester.
Hij moet de jeugd het ‘donatum’ en wat daarbij hoort, leren. Te weten boekstaven, lezen en schrijven leren en verder in goede deugd onderwijzen.
Hij moet, als er wordt gepreekt, op de vastgestelde tijd met zijn leerlingen in de kerk komen, zelf de voorzang doen en de leerlingen psalmen laten zingen.
Hij moet de jongens Duits en latijn leren, maar de meisjes niet. Hij moet toezicht houden op leerlingen van arme en rijke ouders, zonder onderscheid.
Van elke jongen die hij onderwijs geeft, behalve van armen, moet hij 5 stuivers per kwartaal beuren. Voor zijn salaris tot a.s. Pasen krijgt hij 22½ karolus gulden.
De rector houdt de authoriteit van de school en deelt de straffen uit.

31.10.1587, Op verzoek van Johan ten Toirne verhoogt de Raad zijn tractement tot 100 keizersguldens per jaar en krijgt hij met ingang van komend Pasen de woning waarom hij heeft verzocht.

19.11.1591, Gedeputeerden van de Raad hebben in aanwezigheid van de predikant rector Lijckendorp en de schoolmeester Bisschop vermaand om de ordonnantie van de school naarstig te onderhouden.
Het bedrag dat de jongens aan de rector moeten geven voor hun onderwijs is door de Raad verhoogd met een braspenning per kwartaal, ook te betalen door de leerlingen die onder de ondermeester zitten. Het was 30 stuivers per kwartaal, alleen te betalen door de leerlingen die hij zelf onderwees.
Ondermeester Bisschop is aangezegd om de ongeauthoriseerde verhoging van 5 naar 7½ stuivers per kwartaal, te betalen door de leerlingen die hij zelf onderwijs geeft, weer op 5 stuivers te brengen.
De rector moet alle jongens aannemen en inschrijven.

[Fol.204v, oud 97v]
Aanneming van Crystyna van Staverden.
08.09.1584, Gedeputeerden van de Raad hebben onderhandeld met Crystyna van Staverden voor de functie van schoolmeesterse voor de meisjes. Zij moet hen leren lezen, schrijven en rekenen en hen in goede discipline houden. Haar tractement zal 50 karolusguldens per jaar bedragen. Voor een school en voor haar woning zal de stad zorgen.
13.09.1584, De Raad staat haar toe om van iedere jongedochter die zij onderwijs geeft, een goudgulden per jaar te vragen. De arme meisjes moet zij gratis onderwijs geven. Hiermee vervallen haar kermisgeld en dergelijke giften.

[Fol.205, oud 98]
Jodoci Goykers aangenomen tot predikant.
15.02.1584, Roloff Buyter, Otto Gansneb gnt. Tengnagel, der rechten doctor, Geerdt Jansz Vrese en Wylm tho Boecop, der rechten doctor, gedeputeerden van de Raad, hebben een accoord gesloten met Jodoco Goykers om de stad te dienen als predikant.
Hij moet als de andere predikant de kerk dienen en kranken bezoeken. Zijn tractement zal bedragen 300 karolusguldens per jaar, te betalen in vier termijnen, ingaande komende Pasen. Zijn contract zal drie jaar duren. Mocht hij na een jaar niet bevallen, dan mag de stad hem, met inachtneming van een half jaar opzegtermijn, ontslaan. De wedeme wordt hem toegewezen als woning.
Als de stad een derde predikant zou willen aannemen, dan mag Jodocus kiezen of hij in de wedeme wil blijven wonen of dat hij een andere woning wil hebben. 18.02.1584, De Raad heeft de overeenkomst goedgekeurd.

07.11.1584, De Raad geeft Jodoco Goijkers 17 goudguldens per jaar voor huishuur.
Hij moet tot a.s. Pasen nog in de wedeme blijven wonen en daarna zelf een huis huren.

21.10.1584, Geert Jansz Vrese, Roloff Buiter, Willem to Boecop, der rechten doctor, en Jacob Vene, gedeputeerden van de Raad, onderhandelen met Georgio Athenio voor de functie van predikant, voorlopig voor de tijd van een jaar. Zijn

_↓_


|pag. 104|

tractement zal 300 karolusguldens per jaar bedragen, te betalen in vier termijnen, en aanvangend op a.s. Kerstmis. Hij krijgt tevens een vrije woning.
Als hij de gemeente niet bevalt, mag men hem na dat jaar weer ontslaan.
23.10.1584, De Raad heeft de overeenkomst goedgekeurd.

[Fol.206, oud 99]
Van de schouten.

16.05.1573, Erenst Kruse heeft als schout van deze stad de eed gedaan zoals die staat geschreven in het Gulden Boeck op Fol.CXXI.

16.08.1580, Roloff van Twickeloe heeft als schout van de stad Kampen de eed gedaan als hiervoor genoemd.

[Fol.206v, oud 99v]
04.02.1634, Dryes Twenthe is aangenomen als stadsmakelaar, op dezelfde voorwaarden als zijn voorgangers. Hij heeft de eed gedaan dat hij koper en verkoper eerlijk zal behandelen en zelf geen deel aan de verkochte goederen zal hebben.

08.07.1652, Cryspijn Snauwert Brouwer heeft de eed als makelaar gedaan.

23.12.1667, Marcus Gerritsen heeft de eed als makelaar gedaan.

[Fol.207, oud 100]
Voorwaarden voor de officiant in het Heilige-Geestgasthuis.

Hij moet de dagelijkse mis zelf doen en preken op hoogtijden en op zondagen en de heilige dagen en vastendagen aankondigen. Hij mag zijn officie niet ruilen of verpachten of iemand anders in zijn plaats zetten. Hij moet reizen op stadskosten als hem dat gevraagd wordt. Hij moet ter dood veroordeelden de biecht afnemen en voor hen de mis doen. De armen in het gasthuis moet hij biecht afnemen en hen voorzien van de sacramenten. Voor zijn werk krijgt hij geen kermisgeld of kaarsen, e.d. voor zijn huis, maar de kerkmeesters zullen hem lonen met 20 schilden (van elk 3 h.lb.) per jaar.
Hij moet, als er iemand ziek wordt of wanneer men hem op een andere wijze nodig heeft, ’s nachts slapen in zijn kamer in het gasthuis.
Als hij onpriesterlijk leeft of zich anders slecht gedraagt, mag de Raad hem ontslaan.

20.11.1567, [Aanvulling op het bovenstaande] Hij moet zelf preken en de mis doen volgens oude gewoonte, zoals zijn voorgangers heer Kerstken en heer Lubbert, en anderen gedaan hebben. Ter dood veroordeelde misdadigers moet hij troosten met Gods woord en hen de biecht afhoren. Hij moet de genen die verblijven in het gasthuis en in de beyer voorzien van de sacramenten en hen de biecht afnemen.
Hij moet priesters apprehenderen [vastzetten] als de Raad hem dat opdraagt, volgens de stadsprivilegiën. Hij moet evenals de kapelaans de wedeme en de heilige kerk dienen voorzover de Raad hem dat opdraagt. Hij moet assisteren in de muziek in de kapel van de Sint-Nicolaaskerk en dat blijven doen zolang hij dit officie geniet en zijn stem goed blijft, op de verdiensten die daar voor gelden.
De kerkmeesters van de Heilige-Geest zullen hem jaarlijks 60 heren ponden voor zijn salaris geven. Verder krijgt hij de emolumenten die ook zijn voorgangers hebben genoten. [Verder zijn de voorwaarden als in het vorige stuk].
Op deze voorwaarden is heer Henryck Henrycksz aangenomen.

09.10.1568, Heer Johan Glauwe is aangenomen als officiant in de Heilige Geest.
Hij zal ook de dienst van een kapelaan in de Sint-Nicolaaskerk doen als dat van hem gevraagd wordt. Te weten de kinderen te dopen, te preken en de sacramenten te geven.

20.05.1572, Heer Henryck Jansz Cannegieter is aangenomen als officiant in de

_↓_


|pag. 105|

Heilige Geest, op bovenstaande voorwaarden.

[Fol.208, oud 101 recto en verso, zijn niet beschreven]

[Fol.209, oud 102]
Van de gevangen wachter en stadstimmerman.

03.03.1573, Gedeputeerden van de Raad sluiten een overeenkomst met mr. Florys Eeckenholt, die opnieuw wordt aangenomen als stadstimmerman en gevangenwachter.

Het ambt van gevangenwachter.
Hij moet de gevangenen bewaken op zijn lijf en goed.
Van elke gevangene die ‘geschat’ wordt, krijgt hij een oud schild tot sluitgeld.
Van elke gevangene die voor schuld en koer gevangen wordt gezet, krijgt hij een halve gulden.
Van gevangenen die het lijf verbeurd hebben en van onschuldigen, krijgt hij geen sluitgeld.
Hij krijgt alleen sluitgeld van gevangenen die hun eigen kost betalen; van gevangenen waar de stad voor betaald, krijgt hij geen sluitgeld.
Van gevangenen die hun eigen kost betalen, hetzij burgers, inwoners of vreemden, krijgt hij tot alimentatie 5 stuivers per dag en van hen waarvoor de stad betaalt -vanwege de dure tijden- 4½ stuivers. Wanneer het God almachtig behaagt dat de tijden beter worden, zal dit bedrag worden herzien door de Raad. [In de marge:] 17.09.1574, Op verzoek van mr. Florys -ten aanzien van de zeer dure tijden- is de allimentatie voor hen die hun eigen kost betalen verhoogd tot 7 stuivers en van die voor wie de stad betaald tot 6½ stuivers.
Hij mag niemand bij de gevangenen laten dan door de Raad geauthoriseerde personen. De burgemeesters inder tijd, de stokmeesters of een gezworen roedendrager moeten hem kenbaar maken wie hij bij gevangenen mag toelaten.
Als iemand van de Raad hem vraagt om bij dag of bij nacht met hem uit te reizen of iemand te arresteren, mag hij dat niet weigeren. Als hij op zijn werk is, zal de Raad bepalen of hij moet helpen.

Het timmerambt.
Zijn jaarlijkse pensie zal bedragen 35 goudguldens, te betalen in twee termijnen, n.1. op Pinksteren en op Martini. Voor zijn kleding krijgt hij 10 h.lb. op Pasen en voor laarzen 2 h.lb. per jaar. Verder krijgt hij een vrije woning en krijgt zijn vrouw tot een verering een pond groot vlaams eens.
Als hij voor de stad werkt, krijgt hij in de zomer -van Petri ad Cathedram tot Michaelis- 7 stuivers per dag. Een of twee van zijn meesterknechten, die hij in de kost heeft of die van elders worden aangetrokken, 6 stuivers per dag. De andere knechten krijgen elk 5 stuivers per dag. In de winter krijgt hij per dag 5 stuivers en de anderen 4 stuivers.
Als de stad knechten aanneemt, zal hij daar geen voordeel van mogen hebben, maar hij moet wel goed opzicht over deze knechten houden.
Hij mag maar één leerjongen houden, welke zal worden beloond tot discretie van hen die daar zeggenschap over hebben.
Alles wat de bijl geeft (spaanders) mag hij houden, wat de zaag geeft en minder dan een voet in het vierkant is, mag hij ook houden; grotere stukken blijven voor de stad.
Onbruikbare grote of oude stukken hout mag hij hebben als de Raad dat heeft goedgekeurd.
Hij houdt bij wat de houtzagers verdiend hebben en geeft hen daarvan elke week een cedule, zodat zij daarmee bij de cameraars hun loon kunnen halen.
Hij mag geen werk buiten de stad aannemen of uit de stad reizen, zonder consent van de burgemeesters.
[Fol.210, oud 103] Hij moet elke zondag aan de cameraar of rentmeester een cedule geven waarop staat gespecificeerd welke knechten voor de stad gewerkt hebben en hoeveel dagen en waar zij gewerkt hebben. Deze knechten worden dan door de cameraar uitbetaald. Als hij op zondag de cedule niet inlevert, krijgt hij van de voorgaande week geen loon en moet hij de knechten zelf voldoen.
Hij moet elke zondag met de cameraar overleggen wat hij de volgende week van

_↓_


|pag. 106|

plan is te doen en hoeveel werklieden hij denkt nodig te hebben. Zonder consent van de cameraars mag hij geen werkvolk aannemen. Ook mag hij geen hout bestellen zonder toedoen van de cameraar.
Hij moet als eerste komen op het stadswerk en als laatste weer vertrekken. Hij mag zich niet van het werk begeven zonder consent van de cameraar.
Zonder consent van de cameraar mag hij geen gereedschap of touw kopen. Iedere zondag moet hij de cameraar op schrift geven wat hij heeft gekocht.
Hij mag alleen de vijzels van de stad gebruiken.
Hij moet de eed doen dat hij altijd het beste voor de stad zal doen en dat hij de gevangenen goed zal bewaken.
Zijn dienst zal wederom aangaan op Pasen en zal 6 jaar duren.
Op 04.03.1573 heeft de Raad met het bovenstaande ingestemd.
Op 11.03.1573 zijn aan mr. Florys Eeckenholt alle voorwaarden voorgelezen en heeft hij de eed gedaan dat hij de stad Kampen ‘trouw ende holt sal sijn’ etc.

[Fol.210v, oud 103v]
18.02.1576, Gedeputeerden van de Raad onderhandelden met mr. Herman Woltersz over de functie van stadstimmerman en gevangenwachter.
[De voorwaarden zijn nagenoeg gelijk aan die van zijn voorganger].
De alimentatie per dag voor hen die zelf hun kost betalen bedraagt 5 stuivers brabants en voor de anderen 4½ st.br. [Marge:] {30.05.1579, Vanwege de dure tijden verhoogt tot 5½ stuivers voor alle gevangenen. Ook geconsenteerd voor het voorgaande jaar 1578}.
Voor zijn timmerambt krijgt hij een beloning van 28 goudguldens per jaar, te betalen met 28 h.lb. op Johannis te midzomer en 28 h.lb. op Kerstmis. Voor kleding 10 h.lb. op Pasen en verder een vrije woning.
Dagloon voor hem in de zomer 7 st., voor de meesterknechten 6 st. en voor de andere knechten 5 st., etc.
Zij dienst zal aanvangen met Petri ad Cathedram aanstaande en zal 6 jaar duren.
Op dezelfde dag deed mr. Herman Woltersz de eed, nadat hem de voorwaarden waren voorgelezen.

[Fol.212, oud 105]
14.11.1580, Gedeputeerden van de Raad hebben Claes Kloke aangenomen tot gevangenwachter.
Zijn pensie en daggelden zullen even groot zijn als die van de gevangenwachter van Deventer.
Hij moet, als dat van hem gevorderd wordt, bij nacht en dag reizen met raadsleden, maar behoeft niet te helpen met het vangen van misdadigers. Verder gelden voor hem dezelfde voorwaarden als die van zijn voorganger.
[In de marge:] 17.06.1581, De Raad verhoogt de daggelden tot 8 stuivers per dag voor alle gevangenen; wegens de zeer dure tijden.

[Fol.212v, oud 105v]
22.07.1581, Gedeputeerden van de Raad hebben Roloff Janssz Glas aangenomen tot gevangenwachter.
Hij moet de gevangenen bewaken op zijn lijf en goed. Hij heeft gevraagd of alle sloten en sleutels vernieuwd konden worden, hetwelk is goedgevonden.
Het daggeld voor elke gevangene bedraagt, wegens de dure tijden, 8 stuivers per dag.
Zijn pensie bedraagt 21 goudguldens per jaar, in twee termijnen te betalen, n.1. op Martini en Pinksteren. De eerste termijn verschijnt op a.s. Martini.
Voor kleding krijgt hij 5 goudguldens op Pasen en 4 h.lb. voor laarzen. Verder krijgt hij een vrije woning.
Verder heeft hij dezelfde voorwaarden als zijn voorgangers.
De Raad consenteert op 26.07.1581, waarop hij de eed doet.

[Fol.213v, oud 106v]
08.10.1591, Symon Thoenyssz is aangenomen tot gevangenwachter op dezelfde voorwaarden als die van wijlen Roloff Glas, behalve dat hij voor elke gevangene tot daggeld zal hebben 10 st.br. (Dat heeft Rolof in zijn laatste jaar ook gehad).

_↓_


|pag. 107|


Zijn eerste betalingstermijn verschijnt op a.s. Pinksteren, het volgende op Martini.
Na voorlezing heeft Symon de eed gedaan.

Aangaande het ambt van wachtmeester, waarmee dezelfde Symon Thoenyssz ook voorzien is, heeft hij op dezelfde tijd de eed gedaan.
De voorwaarden zijn hierna te vinden.

03.09.1622, Peter Bartholomeus is in plaats van Albert Bolt aangenomen tot stadsgevangenbewaarder, op dezelfde voorwaarden en pensie als zijn voorganger.
Hij heeft op 06.09.1622 de eed gedaan.

[Fol.214]
02.02.1626, Engbert Martensz is in plaats van Peter Bartholomeus aangenomen als gevangenbewaarder, op de voorwaarden en pensie als zijn voorganger.

[Fol.214v]
20.09.1669, Na het overlijden van Gerbrant Claasen van Grafhorst, majoor dezer stad, is Jan Thijsen van der Wurp aangesteld tot ondermajoor. De opper-majoor A. van Hardenberch moet hem van zijn eigen tractement 100 carelsguldens per jaar betalen. De nieuwe ondermajoor deed de eed.

[Fol.215, oud 107]
Eed van de wachtmeester.
Ik zweer de stad trouw en holt te zijn en bij het openen en sluiten van de poorten en het toezicht op de stadswacht, zowel overdag als ’s nachts, naar beste weten te zullen handelen. Ik zal mij in alles reguleren naar de ordonnanties die de Raad zal verordonneren.

19.11.1605, De Raad heeft bepaald dat de wachtmeester die nu, wegens het overlijden van Sijmon Thonijsz, zal worden aangenomen, tevreden moet zijn met de 20 carelsgulden per maand die de overleden wachtmeester van het Landschap genoot. Hij moet tevens toestaan dat zijn gage zal worden aangepast als de Raad zal besluiten een tweede wachtmeester er bij aan te stellen. Hij moet de weduwe van de overleden wachtmeester het maandloon van de maand waarin haar man is overleden, geheel laten houden. Dit laatste geldt ook voor de toekomst.

Het voorgaande is voorgelezen aan Aerent Dircksz, die daarop de eed als wachtmeester heeft gedaan.

[Fol.215v, oud 107v]
02.04.1610, Arent Sijbrantz en Albert Lambertz zijn aangenomen tot wachtmeesters op het tractement dat wijlen Arent Dercksz, de vorige wachtmeester, alleen van het Landschap genoot. Zij hebben de eed, zoals hiervoor geschreven staat, gepresteerd en zijn van hun eed, die zij tevoren als leden van de Gezworen Gemeente hebben gedaan, ontslagen.

02.03.1615, Johan ten Napel is in plaats van Albert Lambertsz aangenomen als wachtmeester, op dezelfde voorwaarden en gage als zijn voorganger. Hij heeft de eed gedaan en is van zijn eed als lid van de Gezworen Gemeente ontslagen.

29.08.1615, Herman Pouwelz is in plaats van wijlen Aerent Sijbrantz aangenomen als wachtmeester, op dezelfde voorwaarden en gage als zijn voorganger. Hij heeft de eed gedaan en is van zijn eed als lid van de Gezworen Gemeente ontslagen.

[Fol.216]
19.02.1619, Berent Helmichsen is in plaats van wijlen Johan ten Napel aangenomen als wachtmeester, op de voorwaarden en gage van zijn voorganger. Hij heeft de eed gedaan en is van zijn eed als lid van de Gezworen Gemeente ontslagen.

20.08.1622, Willem Janssen Rutgersz is in plaats van de ‘verloefde’ [ontslagen] Berent Helmichs aangenomen tot wachtmeester van de stad, op dezelfde voorwaarden

_↓_


|pag. 108|

en gage als zijn voorganger en die van de andere wachtmeester Herman Pouwelsz.
Hij heeft de eed gedaan.

05.10.1625, Jan Govertsz is in plaats van de overleden Hermen Pouwelsen aangenomen tot stadswachtmeester, op de voorwaarden en gage die zijn voorganger had. Hij heeft de eed gedaan en is ontslagen van zijn eed als lid van de Gezworen Gemeente.

[Fol.216v]
07.12.1630, Derck Ducks is in plaats van wijlen Johan Govertz aangenomen tot wachtmeester, op de voorwaarden en gage van zijn voorganger. Hij heeft de eed gedaan.

01.05.1637, Coert Jacobsz Cassier is in plaats van wijlen Willem Janssen Visscher aangenomen tot wachtmeester, op dezelfde voorwaarden en gage als zijn voorganger. Hij heeft de eed gedaan.

05.06.1649, Jacob Veene is in plaats van wijlen Coert Jacobsen Cassier aangenomen tot wachtmeester, op dezelfde voorwaarden en gage als zijn voorganger. Hij heeft de eed gedaan.

27.10.1653, Rotger Jansz Velthoen is in plaats van wijlen Dirck Ducksen aangenomen tot wachtmeester, op de zelfde voorwaarden en gage als zijn voorganger. Hij heeft de eed gedaan.

25.08.1665, Gerbrant Claessen van Grafhorst is in plaats van wijlen Jacob Veen aangenomen tot wachtmeester, op dezelfde voorwaarden en gage als zijn voorganger.

12.03.1674, Aper Harwijer is in plaats van wijlen burgemeester Hardenberg aangenomen tot wachtmeester, op dezelfde voorwaarden en tractement als zijn voorganger. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.217, oud 108]
Weesmeester.
03.11.1581, Provisoren en kerkmeesters van de Sint-Nicolaaskerk en de procuratoren van de huisarmen en de wezen, vergaderd ten huize van E. Geert Jansz Vrese, onderhandelen met Joachim Jansz over de functie van weesmeester, op de volgende voorwaarden.
Als Joachim of zijn vrouw door ouderdom of ziekte hun functie niet langer kunnen uitoefenen, zal de Raad hen een plaats en de kost bezorgen in een gasthuis. Joachims pensie zal bedragen 60 keizersguldens per jaar. Voor zijn onkosten, gemaakt toen hij naar Kampen kwam, krijgt hij 18 keizersguldens.
Met consent van de Raad zijn aan Joachim tot zijn onderhoud de volgende renten en pachten toegewezen.
Uit het huis van Grethe Claes bij de Buitenkerk 5 goudguldens per jaar.
Van de memoriemeesters van het Heilig Kruis 4 goudguldens per jaar.
Van de verhuur van Sint-Brigittenklooster 30 goudguldens per jaar.
Van de verhuur van Sint-Brigittenkerk, te betalen door de kerkmeesters, 3 goudguldens en 24 stuivers per jaar.
Dit beliefde de Raad op 09.12.1581.

17.02.1590, Gedeputeerden van de Raad hebben de secretaris gezegd dat hij ieder jaar op Pasen aan Joachim weesmeester een bewijs moet geven dat mr. Adam Caldenbach hem de 32 goudguldens en 24 stuivers moet betalen.

[Fol.217v, oud 108v]
03.03.1604, Gedeputeerden van de Raad hebben in plaats van wijlen Joachim Jansz en zijn vrouw tot weesvader en weesmoeder aangenomen Dirck Jansz Smith en zijn vrouw. Hun jaarlijkse pensie zal bedragen 60 carelsguldens, in twee termijnen te betalen, namelijk op Pasen en op Michaelis. Zij zullen worden betaald uit de stadsecclesiastique goederen. Hun dienst vangt aan op a.s. Pasen.

_↓_


|pag. 109|

Zij zullen verder alles van linnen genieten, zoals ook hun voorgangers genoten.
De weesvader moet de renten van het weeshuis inmanen en invorderen.

[Fol.218, oud 109]
[Zonder datum]. Ordonnantie waarop Lubbert Jansz Zeyllemaker opzicht zal houden op de Haven en de Burgel.

Van alle schepen uit plaatsen waar onze burgers havengeld moeten geven, zal ook hier havengeld worden geheven als zij in de haven of in de Burgel willen afmeren, te weten van een schip van meer dan 6 lasten 1½ stuivers en van een schip van minder dan 6 lasten een blanck.
Van schepen die hier blijven overwinteren in de haven of de Burgel, moet men 1 stuiver per last geven.
Het is verboden om vuilnis, hooi, mot of iets anders, in de haven overboord te gooien, op straffe van 3 heren ponden boete, op te leggen door de opzichter en door deze direct invorderbaar. De opzichter mag die boete met de stad delen.
Vreemde potschippers moeten aan de opzichter 1½ stuiver en vreemde schuitenschippers 1 stuiver betalen als zij met hun schepen in de Burgel willen liggen.
De opzichter moet goed toezicht houden op het water en op de Vloeddijk en Burgel, dat niemand daar vuil of mest deponeert. Daarop staat een boete van 3 heren ponden, door de opzichter te delen met de stad.

[Fol.218v, oud 109v]
25.05.1594, Gijsbert Janssz is aangenomen tot stadsschrijver in de Hagenpoort.
Hij moet ook de valbrug aldaar bedienen en de boom van de haven en de hekken aldaar sluiten en openen, alles op de wijze zoals zijn voorganger Johan Schaep heeft gedaan. Hij heeft de eed gedaan.

23.10.1602, Claes Willemz is aangenomen tot stadsschrijver, e.d. in de Hagenpoort, zoals zijn voorganger Gijsbert Jansz. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.219, oud 110]
Voorwaarden van de stadstimmerman mr. Jacob van Aecken, gemaakt door de Raad op 26.02.159[2?].
Voor pensie en huishuur krijgt hij per jaar 40 heren ponden, 20 op Pasen en 20 op Michaelis. [naderhand -z.d- verhoogt tot 60 heren ponden]
Zijn dagloon, als hij werkt voor de stad, zal in de zomer bedragen 15 stuivers en in de winter (van Michaelis tot Petri ad Cath.) 12 stuivers. De stad behoudt alle verval van hout en spaanders, [naderhand gaf de stad hen een goed voer spaanders per jaar].
Hij zal niet werken op zondagen en op dagen dat de Raad dat verbiedt.
Vijsels moet hij op eigen kosten houden en onderhouden, waarvoor de stad hem jaarlijks geven zal 10 goudguldens.
[Verder zijn zijn voorwaarden gelijk aan die van zijn voorgangers].
Als de stad hem nodig heeft om buiten de stadsvrijheid te werken, zal hij betaald worden zoals de Raad dat goeddunkt.
Zijn contract zal vier jaar duren.

27.04.1596, Het contract met mr. Jacob van Aecken is met 6 jaar verlengd. De voorwaarden zijn gelijk gebleven, behalve dat hij nu per jaar zal hebben 70 heren ponden. Hij krijgt zoveel spaanders als hij voor brandstof voor zijn gezin nodig heeft. Hij mag ieder jaar een volwassen leerknecht houden, waarvoor hij ’s zomers 8 stuivers en ’s winters 7 stuivers per dag zal genieten. Hij behoeft niet te helpen bij het arresteren van misdadigers, maar moet wel, als hem dat verzocht wordt, reizen met raadsleden.

[Fol.220v, oud 111v]
Voorwaarden waarop mr. Andries Bockes tot stadstimmerman is aangenomen op vergangen Michaelis 1605.
Zijn pensie zal bedragen 20 h.lb. op Pasen en 20 h.lb. op Michaelis.
In stadswerk zal hij per dag verdienen: Van Gregoii tot Lamberti 20 stuivers,

_↓_


|pag. 110|

van Lamberti tot Martini 18 stuivers, van Martini tot Lichtmis 16 stuivers en van Lichtmis tot Gregorii 18 stuivers.
Hij mag een leerknecht aannemen, waarvoor hij in de zomer 8 stuivers en in de winter 6 stuivers prt dag krijgt. Van een leerjongen respectievelijk 8 stuivers en 3 stuivers.
Hij moet de houtzagers een cedule geven, etc.
Hij moet elke maandag met de cameraar overleg plegen, etc. en hem een cedule voor de loonbetaling van de knechten geven. De voorwaarden zijn verder nagenoeg gelijk aan die van zijn voorganger. Hij zal per jaar drie voer spaanders genieten en zijn knechten mogen ook wat spaanders of kort hout hebben. Zijn contract zal drie jaar duren.
Op 12.05.1606 heeft Andries Bockes de eed gedaan.

[Fol.222, oud 113]
15.06.1647, Voorwaarden waarop mr. Gerrit Woltersz als stadstimmerman is aangenomen.
Tot tractement en huishuur krijgt hij 50 goudguldens per jaar in twee termijnen, n.1. Michaelis en Pasen.
Of hij voor de stad werkt of niet, hij krijgt altijd een pond groot per week.
Van de knechten zal hij geen profijt hebben.
Hij moet elke week een cedule voor de houtzagers schrijven.
Ieder zaterdag moet hij de cameraars en rentmeesters schriftelijk laten weten wie voor de stad hebben gewerkt en waar en gedurende welke tijd.
Ieder zaterdag moet hij met de cameraars en rentmeesters overleggen voor de komende week.
Verder dezelfde voorwaarden als die van zijn voorganger.
Hij krijgt drie voer spaanders.
Mr. Gerrit Woltersz deed de eed op 18.06.1647.

[Fol.223v, oud 114v]
11.02.1665, Mr. Jan Mathieu is aangenomen tot stadstimmerman.
Zijn tractement bedraagt 50 goudguldens per jaar, te betalen in twee termijnen, n.1. Pasen en Michaelis.
Zijn dagloon is 25 stuivers in de zomer en des winters naar advenant. Zijn knechten worden betaald op de wijze zoals zij door de burgers worden betaald.
Verder zijn de voorwaarden gelijk aan die van zijn voorganger. Hij heeft de eed gedaan.

[Fol.225, oud 117]
Eed voor de zaadmeters.
Dat gij de maten recht zetten, vullen en afstrijken zult en zowel de kopers als verkopers recht zult doen.

17.12.1667, Roeloff Nessinck heeft de eed als zaadmeter gedaan.

12.03.1694, Jan Jacobsen Bovenhoff heeft de eed als kalkmeter gedaan.

[Fol.225v, oud 117v]
31.08.1676, Thijs Worst heeft de eed als poortsluiter gedaan.

[Fol.226, oud 118]
Voorwaarden waarop de spinbaas in het armenweeshuis zal worden aangenomen en beëdigd.
Hij moet zweren de stad trouw en holt te zijn.
Hij moet op de waag, die in het weeshuis zal worden gemaakt, de ‘spijt’ die hij van tijd tot tijd uit Holland krijgt, wegen en daarvan boekhouding doen.
Hij moet van het hem gezonden spijt, goed garen maken.
Het naar Holland teruggezonden garen moet hij wegen en ook daarvan boekhouding doen.
Hij moet gedurende de werkuren van de wezen in het werkhuis aanwezig zijn en de kinderen in het werk onderwijzen. Hij moet ook zorgen dat de kinderen op tijd beginnen en op tijd ophouden. Hij mag hen corrigeren als zij niet op tijd komen.

_↓_


|pag. 111|

De kinderen mogen niet met woorden of daden worden beledigd. Onder het werk mag Gods heilige naam niet worden ontheiligd. Hij moet vloekers straffen.
08.09.1687, Cornelis Martensen heeft de eed als spinbaas op bovenstaande voorwaarden gedaan.

[Fol.230]
Eed van de zoutzieder alhier.
10.09.1659, Steffen de Lespiere, burger en zoutzieder alhier, heeft onder eede verklaart dat hij slechts goed grof zout zal zieden en het zout de volle tijd zal laten liggen.

26.05.1683, Juffrou Hester Jellen, weduwe Sluiters, heeft de eed op het zoutzieden gedaan als boven.

[Fol.231]
10.03.1581, Gedeputeerden van de Raad hebben Reynar Martens voor een jaar aangenomen als stadsvoorspraak, op dezelfde voorwaarden als die welke mr. Peter Lollens heeft gehad. Hij zal de burgerschap genieten zolang hij het officie van voorspraak bedient, maar langer niet. Zijn pensie bedraagt 20 goudguldens per jaar, te betalen in twee termijnen, n.l. Michaelis en Pasen.
Hij heeft de eed gedaan.

28.03.1583, Mr. Bartolt ter Stege is aangenomen als stadsvoorspraak. Hij behoeft geen gevangenen aan te tasten.
Zijn pensie zal bedragen 25 g.g. per jaar in 2 term.

[Fol.232, oud 113]
Provisionele ordonnantie op het schoenmakersgilde, belangende de meting van de eek of schors. Anno 1614.

Vanaf nu moet in de stad en vrijheid alle eek of schors, hetzij gemalen of ongemalen, worden gemeten door de gezworen eekmeter.
Gemalen eek moet worden gemeten bij smalle tonnen van twee voor een mud.
De meter zal voor zijn meetloon hebben 26 stuivers van elke 100 mud, in de geldspecie waar de burgers in Kampen elkaar mee betalen. De verkoper betaalt het meetgeld en de koper de andere onkosten.
Als een eigenaar van een eekmolen alhier aan een vreemdeling 4, 6, 8 of 10 mud eek wil verkopen, mag hij, als de gezworen meter niet bij de hand is, zelf de eek afmeten, tenzij de koper de gezworen meter begeert. De koper moet die dan wel zelf halen.
Als een vreemdeling hier enig gemalen goed aan onze burgers of schoenmakers wil verkopen, moet het gilde daarover worden ingelicht. De meter krijgt voor zijn ‘ganck’ 3 stuivers. Als het goed verkocht wordt, moet de meter 30 stuivers meetloon hebben. De andere kosten zullen verkoper en koper samen delen. Het gilde zal alsdan van iedere 100 mud genieten 1 mud, half voor het gilde en half voor de arme gildebroeders.
Als een vreemdeling in onze stad of vrijheid gemalen goed koopt van een andere vreemdeling, zullen zij het meetloon samen betalen, te weten samen van iedere 100 mud 36 stuivers. Het gilde haar gerechtigheid als boven.
Als koper en verkoper samen accorderen zonder te meten, zullen de gezworen meter en het gilde toch betaald moeten worden.
Als hier goed gekocht wordt dat buiten de stad of vrijheid geleverd moet worden, zal het gilde 6 stuivers per 100 mud genieten tot behoef van de arme gildebroeders.
Als iemand de meter verzoekt om buiten de stad of vrijheid voor hem te meten, zal deze naast de onkosten 36 stuivers per 100 mud aan meetgeld mogen rekenen. De onkosten worden dan op 24 stuivers per dag gerekend.
De meter moet meten met de stads geijkte maat, die onder beheer was bij Johan Tijsen, maar die nu onder het gilde zal berusten.
Als een vreemde hier komt en van een burger gemalen goed koopt, moet het meetgeld van 30 stuivers per 100 mud door koper en verkoper worden betaald; elk de helft. De koper zal echter alleen het armengeld van 6 stuivers per 100

_↓_


|pag. 112|

betalen.
Als een vreemdeling alhier leer, kurk of hennep, e.d. wat het gilde aangaat, verkoopt, zal bij ‘omblegge’ geschieden. De meter zal voor de omlage genieten 3 stuivers. Na grote van de handel moeten de arme gildebroeders hun deel hebben.

[Fol.233, oud 114]
08.03.1614, Peter Coertzen heeft de eed als gezworen eekmeter gedaan.

04.04.1648, Jan Wolters heeft de eed als gezworen eekmeter gedaan.

[Fol.233v, oud 114v]
14.10.1650, Alert Jansen Schoenmaecker heeft de eed als eekmeter gedaan.

05.03.1670, Joost Cornelissen heeft de eed als eekmeter gedaan.

12.03.1670, Albert Gerrijts heeft de eed als eekmeter gedaan.

31.08.1676, Christiaen Christiaens heeft de eed als eekmeter gedaan.

[Fol.234, oud 115]
04.03.1597, Gedeputeerden van de Raad nemen Johannem Crellium aan tot schoolmeester. Hij heeft naar deze functie gesolliciteerd. Op 21.04.1597 wordt hem een salaris toegekend van 200 carelsguldens per jaar en 25 carelsguldens voor huishuur zolang hij zelf geen huis houdt. Hij moet het schoolgeld delen met mr. Engbert Bisschop, maar het geld voor de repetitie van de lessen mag hij zelf houden. Hij houdt de supervisie over de school totdat een nieuwe rector is aangesteld.

23.04.1597, Gedeputeerden van de Raad nemen Joannem Crellium voor een periode van 6 jaar aan tot schoolmeester. De eerste drie jaar voor vast en de volgende drie jaar tot believen van de Raad. Zijn pensie bedraagt 300 c.g. per jaar, te betalen in vier termijnen. Als hij op zichzelf wil wonen, zal de Raad voor een huis zorgen. De stipendia die de burgerkinderen zelf betalen, komen in een beurs die de beide meesters mogen delen. Als er nog een derde meester wordt aangenomen, moeten zij met z’n drieen delen. Zolang de stad geen rector heeft, zal Crellius de supervisie hebben. Hij behoudt voor zichzelf de inkomsten van de bijlessen die hij geven zal. Hij moet zich houden aan de ordonnantie op de school.

[Fol.234v, oud 115v]
25.04.1597, Mr. Engbert Bisschop wordt door de Raad anderhalf honderd c.g. geaccordeerd. Hij moet zijn dienst zo doen dat er geen klachten van komen.

12.05.1599, De Raad heeft Johannes Crellius 25 c.g. per jaar voor zijn huishuur geaccordeerd.

[Fol.235, oud 116]
02.11.1599, Gedeputeerden van de Raad hebben Jacques Heyns aangenomen tot Franse schoolmeester voor een periode van drie jaar. Zijn tractement zal 140 c.g. per jaar bedragen, te betalen in vier termijnen en aanvangende op de dag dat hij hier komt wonen. Hij moet zelf voor een woning in het midden van de stad zorgen en daar tot a.s. Pasen blijven wonen. Daarna zal de Raad over zijn woning een besluit nemen.

26.12.1602, Gedeputeerden van de Raad hebben Augustinum Lollium Adama, medisch doctor, voor zes jaar aangenomen tot rector van de latijnse school alhier. De eerste drie jaar voor vast en de laatste drie jaar tot opzeggen door de Raad of door de rector zelf. Hij krijgt een salaris van 400 carelsguldens per jaar. Het schoolgeld van de leerlingen moet hij met de andere schoolmeesters delen, zoals ook de vorige rectors deden. Kermis-, nieuwjaars- en kaarsengeld zal hij niet mogen vorderen. Tot woning krijgt hij het huis waarin wijlen de predikant Abrahamus is gestorven. In dat huis moet hij drie jaar blijven wonen. Hij heeft

_↓_


|pag. 113|

beloofd om in de week voor a.s. Pasen hier te komen wonen. De stad zal een scheepje huren om hem naar hier te verhuizen. Hij krijgt ook verhuiskosten. De Raad heeft in het bovenstaande bewilligd op 27.12.1602.

[Fol.235v, oud 116v]
05.03.1603, Gedeputeerden van de Raad hebben mr. Henricum Strombergium wederom aangenomen tot conrector van de latijnse school. Voorlopig voor een jaar. Hij moet beterschap beloven of anders wordt hij voorgoed ontslagen. Tot salaris krijgt hij 250 c.g. per jaar. Van het schoolgeld der leerlingen zal hij meedelen zoals de vorige conrectors. Hij mag geen kermis-, nieuwjaars- of kaarsengeld vorderen. Tot woning krijgt hij het huis van wijlen de conrector. De Raad heeft hierin bewilligd.

[Fol.236, oud 117]
28.05.1603, De Raad heeft in zijn college de conrector Strombergio voorgehouden dat hij zich diverse maken van zijn dienst heeft geabsenteerd en dat hij in beschonken toestand een waardin onbehoorlijke woorden had toegevoegd. Dit is de laatste waarschuwing.

07.12.1604, Gedeputeerden van de Raad hebben Wolfgangum Marcum Waltherum aangenomen tot conrector van de latijnse school voor de tijd van een jaar. Zijn salaris zal 250 c.g. per jaar bedragen. Van het schoolgeld dat de leerlingen betalen, zal hij meedelen, gelijk de vorige conrectors. Nieuwjaars-, kermis- en kaarsengeld mag hij niet van de leerlingen vorderen. Hij krijgt het huis van de vorige conrector. Hij moet zich hier vestigen op aanstaande grote vastenavond.

[Fol.236v, oud 117v]
22.03.1606, Gedeputeerden van de Raad hebben Nathan Coël voor twee jaar aangenomen tot Franse schoolmeester. Het eerste jaar voor vast en tweede jaar tot opzegging door de Raad. Tot pensie krijgt hij 140 c.g. per jaar, te betalen in vier termijnen. Zijn dienst vangt aan op a.s. Pasen, wanneer hij zich hier zal vestigen. Hij krijgt 20 goudguldens voor huishuur.

04.10.1606, Gedeputeerden van de Raad hebben Wolffgangum Marcum Waltherum voor de tijd van drie jaar aangenomen tot rector van de latijnse school. Altijd tot opzegging door de Raad. Zijn pensie zal bedragen 400 c.g. per jaar, te betalen in vier termijnen, aangaande op laatstleden Michaelis.

[Fol.237, oud 118]
04.10.1606, Gedeputeerden van de Raad hebben Johannem Engberti voor de tijd van drie jaar aangenomen tot conrector van de latijnse school, op een pensie van 250 c.g. per jaar. Zijn voorwaarden zijn gelijk aan die van de vorige conrectors.

27.12.1607, Gedeputeerden van de Raad hebben Johan de Malmes [of Malines] voor een tijd van een jaar aangenomen tot Franse schoolmeester, op een pensie van 140 c.g. per jaar, te betalen in vier termijnen en aanvangende op a.s. Pasen, wanneer hij hier komt wonen. Voor huishuur krijgt hij 20 goudguldens.

29.10.1612, De Raad heeft Jacques la Faille aangenomen tot Franse schoolmeester, op een gage van 100 c.g., te betalen in vier termijnen. De eerste termijn zal op Pasen a.s. verschijnen.

[Fol.237v, oud 118v]
01.03.1620, De Raad heeft Anthonium van Caelsbeck, voorlopig voor de tijd van een jaar, aangenomen tot Franse schoolmeester, op een gage van 180 c.g., waarin tevens de huishuur is begrepen, te betalen in vier termijnen, waarvan de eerste zal verschijnen op a.s. Michaelis.

29.03.1620, Daniël Pipart, Frans predikant, is voorlopig voor een jaar, aangenomen tot rector van de latijnse school, op een tractement van 800 c.g. per jaar. Hij moet ook de dienst als predikant van de Franse gemeente verrichten.
Hij krijgt bovendien een last turf en een vrije woning, zoals beschreven staat

_↓_


|pag. 114|

in libro resolutionum, op fol.125.

[Fol.238]
[1624], Provisionele ordonnantie waarnaar de Franse schoolmeester mr. Anthoni Calsbach en zijn ondermeester Daniël Robaam [of Robani] zich hebben te gedragen.
Zij moeten de kinderen de Franse taal, rekenen en schrijven leren. Verder moeten zij hun leerlingen, zowel de Franse als de Duitse, de gebeden en de cathegisium leren.
Zij moeten lief zijn voor hun leerlingen en ook onderling voor een goede verstandhouding zorgdragen.
Mr. Anthoni moet als Franse schoolmeester, op zijn verbeterde tractement van 250 c.g., de supervisie over alle leerlingen, zowel de Franse als de Duitse, houden.
Als hij ziek is of door eigen zaken gedwongen afwezig moet zijn, zal mr. Daniël de ondermeester hem vervangen. De kinderen moeten dan mr. Daniël gehoorzamen. Als beide meesters aanwezig zijn, zal mr. Anthoni alle kinderen die rekenen en schrijven leren, onderrichten, en zal mr. Daniël de Franse kinderen les geven.
Het zal mr. Anthoni ten allen tijden vrij staan om de Franse kinderen te examineren en te zien hoe ver zij gevorderd zijn. Hij mag hen bij wangedrag straffen.
Mr. Daniël moet echter, als mr. Anthoni hem dat vraagt, ook de Duitse kinderen rekenen en schrijven leren, volgens de gave die hem door God gegeven is.
Hiervoor krijgt hij 25 c.g. per jaar als vergoeding voor zijn huishuur.
Zij mogen van de leerlingen inschrijf- en kaarsengeld vorderen. Het schoolgeld dat de Franse en Duitse kinderen verschuldigd zijn, mogen beide meesters delen. Mr. Anthoni mag echter het geld geld behouden dat de leerlingen die alleen rekenen willen leren, moeten betalen.
Het schoolgeld, e.d. dat de leerlingen van de avondschool verschuldigd zijn, moeten de beide meesters delen.
Als er tussen de beide schoolmeesters enig misverstand mocht ontstaan, zal de Raad dat uit de weg helpen.

[Fol.239]
10.08.1624, Provisionele ordonnantie op de schoolgelden, waarnaar de gegageerde en ongegageerde schoolmeesters zich moeten reguleren.
Van hen die leren spellen en lezen mag de gegageerde meester 10 stuivers per kwartaal vragen en de niet-gegageerde meester 12 stuivers.
Van hen die leren lezen en schrijven respectievelijk 18 en 20 stuivers.
Van hen die leren lezen, schrijven en rekenen respectievelijk 26 en 28 stuivers.
Weeskinderen en kinderen van armen zullen zo veel mogelijk verdeeld worden over de gegageerde scholen en moeten het halve schoolgeld betalen. Zij die niet kunnen betalen moet men lesgeven ‘om Gods wil’.
Alle schoolmeesters mogen wel minder maar niet meer van hun leerlingen vorderen.
Schoolmeesters mogen niet proberen om kinderen van andere meesters aan te trekken. Zij mogen alleen kinderen van andere meesters aannemen als die andere meesters tevreden zijn gesteld.

[Fol.239v]
Daniël Heydanus, preceptor tertiae classis, had zich gedurende geruime tijd slecht gedragen. Hij was vaak dronken en behandelde de leerlingen slecht. De Raad heeft hem hierom een tijd van zijn dienst geschorst. Op voorbede van vele goede lieden en in aanmerking nemende dat hij vrouw en kinderen heeft, zal de Raad hem voorlopig weer in zijn dienst herstellen. Als er weer klachten over hem komen, zal de Raad hem definitief ontslaan. Deze sententie is op 13.05.1652 aan Daniël in het college van de Raad voorgelezen.

[Fol.240]
26.11.1652, De Raad heeft Philippe Miget aangenomen tot Franse schoolmeester, op een tractement van 200 carelsguldens per jaar en 100 carelsguldens per jaar voor huishuur. Te betalen in vier termijnen, te weten Pasen, Johannis, Michaelis en Kerstmis, uit de ecclesiastique kamer. De erste termijn verschijnt op a.s. Pasen. Voor stookkosten krijgt hij per jaar 25 c.g.
Tot schoolgeld mag hij eisen van hen die de Franse spraak, lezen, schrijven en

_↓_


|pag. 115|

fraaie handwerken willen leren, 3 c.g. per kwartaal.
Van hen, en van de kinderen, die de Franse taal, lezen, schrijven en rekenen willen leren, 3 c.g. per kwartaal.
Van de kinderen die willen leren lezen en de Franse taal willen leren, 1½ c.g. per kwartaal.
Zij die op aparte uren les willen hebben, moeten met de meester accorderen over hun lesgeld.

[Fol.240v]
[ca.1653] Mattheus Backershoff, onderschoolmeester van de latijnse school, heeft zich zeer kwalijk gedragen door zijn dronkenschap en nalatigheid. De Raad heeft hem daarvoor ontslagen.
Op zijn aanhoudend verzoek en op voorbede van goede lieden neemt de Raad hem weer aan. Als hij opnieuw in zijn oude zonden vervalt, zal de Raad hem voorgoed ontslaan.

[Fol.241]
11.08.1654, De Raad heeft mr. Willem Angel wederom aangenomen tot Franse schoolmeester, op een tractement van 150 c.g. per jaar, te betalen in twee termijnen, te weten Pasen en Michaelis, uit de stads-ecclesiastique kamer. De eerste termijn verschijnt op Pasen 1655. Tot huishuur krijgt hij 50 c.g. per jaar, waarvan het eerste jaar zal vervallen op Michaelis 1655.
Mr. Willem zal ‘in alle modestie ende sedicheit’ de kinderen onderwijzen.
Tegen Allerheiligen zal hij zich vanuit Amsterdam alhier metter woon vestigen.
Voor transportkosten krijgt hij 25 c.g.

[Fol.241v]
11.02.1665, Mr. Jan Mathieu is aangenomen tot meester timmerman. [Doorgehaald]

[Fol.242 is niet beschreven]

[Fol.242v]
In nomine domini amen

Deo confidito et non pudefres.
Deo prosperante successu.., feliciter fiet

De Christo
Tu soles res quamtum liber discordes, redigis in concordiam,
Unitus pacis autor et tutor.
Soler enim tua misericordia cum maxime adesse, quum rebus maxime deploratis,
hominum nec vires, nec prudentia possunt opitulari.

Prestat humileniesse prestatorem quam accogautem justum

Deus vicitum refugium meum

Deus prosperator tecum

Deo gubernante manum, omnia feliciter succedent.

[Fol.243, perkament]
Nota.
14.06.1539, Stadsdienaars die kleding van de stad hebben, moeten voortaan hun nieuwe kleding [op zon- en feestdagen] en hun oude kleding op werkdagen dragen.
Geen andere kleding, hoijken of mantels te dragen, op straffe van verlies van hun kledinggeld van het komende jaar.
De zes roedendragers moeten volgens oude gewoonte, elk in zijn espel, toezicht houden op de staat van onderhoud en het schoonhouden van straten, gotieren en sluizen. Er is veel nalatigheid geconstateerd en daarom gebiedt de Raad dat de roedendragers eens per week rondgaan door hun espels om e.e.a. te controleren.
De Kampenaren hebben de plicht om twee keer per week voor en achter hun huizen

_↓_


|pag. 116|

de straat en de gotieren te vegen, ’s-avonds na zonsondergang, op straffe van 10 ponden boete. Als een raadslid constateert dat er in een espel niet goed wordt geveegd of onderhouden, zal men de betreffende dienaar op 10 ponden boete zetten, zonder ‘bermherticheit’.
De dienaars moeten ook alle op de straten loslopende varkens schutten tegen de gebruikelijke koer, of zij zullen zelf tot die koer veroordeeld worden.

25.10.1541, De Raad beveelt de roedendragers dat voortaan de twee jongsten van hen de misdadigers die gericht worden, naar de gerichtsplaats moeten leiden. De anderen moeten er, gewapend met ‘lange weer’, ook bij zijn als een vonnis wordt voltrokken. Ook alle andere dienaars die kleding dragen, moeten met lange roeden aanwezig zijn. Degene die zonder consent of goede reden absent is, zal van zijn dienst ontslagen worden.

_↓_


|pag. 117|

Category(s): Niet gecategoriseerd

Comments are closed.