Kamper stedelijke ambtenaren. Namen en aanstellingsvoorwaarden, 1668-1816

KAMPER STEDELIJKE AMBTENAREN

NAMEN EN AANSTELLINGSVOOR WAARDEN

1668-1816

Kamper genealogische en historische bronnen deel 15

Uitgegeven met medewerking van het archief der gemeente Kampen

1995

[Blanco]

Inleiding

In deel 14 van de serie Kamper genealogische en historische bronnen, uitgegeven in 1994, heb ik een bewerking gegeven van inventarisnummer 306 van het oud-archief van Kampen, waarin de namen en aanstellingsvoorwaarden van stedelijke ambtenaren uit de periode 1538-1697 staan genoteerd. Het voor u liggende boekje is een bewerking van inventarisnummer 307. Hierin staan de namen en aanstellingsvoorwaarden van ambtenaren die zijn aangenomen in de periode 1668-1816.1 [1. J. Don. De archieven der gemeente Kampen, deel 1. Het oud-archief, inv.nr. 307. Het eindjaar 1816, dat Don opgeeft is niet juist; enkele inschrijvingen zijn van de jaren 20, 30 en 40 van de 19de eeuw.[]
Ook voor dit deel 15 geldt dat de namen van schepenen en raden, die als commissieleden de ambtenaren aannamen of die hen bij hun aanstelling de eed afnamen, niet zijn opgenomen.
Een aantal in het vorige deel nog genoemde functies, komt in dit deel niet meer voor.
Daarentegen zijn er, vooral in de 18de eeuw, veel nieuwe functies bijgekomen. De aanstellingsvoorwaarden van de nieuw aangestelden beslaan soms enkele bladzijden. Als er kleine veranderingen in die voorwaarden werden aangebracht, schreef de secretaris die er niet in de marge bij, maar schreef hij de voorwaarden geheel opnieuw.
Behalve aanstellingsvoorwaarden zijn er ook borgstellingen opgenomen. Voor functies als die van ontvanger van de stadsdomeinen en van de geestelijke goederen en voor die van houder van de Bank van Lening moesten voor grote bedragen garanties in de vorm van obligaties of onroerend goed worden gegeven door de belanghebbenden of hun verwanten.
Het zal de gebruiker van dit boekje misschien opvallen dat in de jaren 1796 en 1797 sommige functionarissen werden ontslagen om enkele maanden later weer in hun functie te worden hersteld. Dat was een gevolg van het in die tijd enkele keren wisselen van het stadsbestuur.
Ambtenaren die niet de politieke voorkeur van de nieuwe machthebbers deelden, werden ontslagen. Als die machthebbers het veld moesten ruimen voor de oude bestuurders of voor hen die andere denkbeelden aanhingen, kregen de ontslagen functionarissen meestal hun vroegere positie weer terug.
Het kwam voor dat in twee jaar tijds ambtenaren ook twee keer werden ontslagen en twee keer weer werden aangenomen.

Mr. J. Nanninga Uitterdijk heeft voor het samenstellen van zijn lijsten van medici, scherprechters, etc., behalve gegevens uit inventaris nummer 306, ook veel gegevens uit inventaris nummer 307 gebruikt.2 [2. Zie: Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, 14 delen (Zwolle, 1874-1907).]

Het alfabetisch register achter in dit boekje is met de computer vervaardigd. Dit gaf een enorme tijdwinst, maar had tot nadeel dat enigszins afwijkend gespelde namen van dezelfde persoon, niet bij elkaar staan. Zo is de Gerrit Steegink van blz 101 dezelfde als Gerrit Steging van blz 145.
Handmatig hadden beide spellingen wel bijeen gebracht kunnen worden, maar dat kostte weer tijd die beter besteed kon worden. Serieuze genealogen -waarvan ik denk dat zij van deze bewerking het meest gebruik zullen maken- hebben in de regel geen hinder van deze tekortkomingen.

Kampen, november 1995.                    K. Schilder
[Blanco]

_↓_


|pag. 1|

OAK, inv.nr.307 (Groot Ordinarius 1668-1816)

Voorin staat een door secretaris Rijkman Lemker in 1703 geschreven aantekening, inhoudende dat men voortaan alle resoluties betreffende stedelijke ambtenaren in dit register bij de betreffende ambten zou schrijven en dat men bij het aanstellen van ambtenaren dit register zou meenemen naar de raadsvergadering waarin over de aanstellingen zou worden gesproken.
(Resolutie van 08.11.1703)

CIVITATIS CAMPENSIS ORDINARIUS

Register.

Secretarissen en hun instructies 1, 6
Medici 5
Ziekenbezoeker 10
IJzersnijders 12
Essayeurs 14
Waardijns 14
Roedendragers 15
Chirurgijns 21
Boden 24
Brievenbestellers 28
Advocaten en procureurs 32
Metselaars 36
Timmerlieden 39
Leidekkers 43
Stratemakers 46
Apothekers 50
Poortsluiters 53, 163
Poortschrijvers 56
Scherprichters 58
Spijkerdragers 64
Stalmeesters 66
Vasbanders 69, 264
Marktmeesters 72, 74
Vroedvrouwen 75, 302
Hoefsmeden 80
Inbranders van de beesten 81
Weerdmeesters of meesters van de stadsdaghuurders 83
Gevangenwachters of cipiers 87
Vinnekijkers en vinders van beesten 90, 223
Tollenaars 93
Organisten en musici 99
Baakmeesters of piloten 103
Karlieden 109

_↓_


|pag. 2|

Wachtmeesters of ondermajoors 112
Waagmeesters 115
IJkers 119, 264
Turfmeters 122
Turfdragers 121
Ordonnantie op het verloden van de witte bommesijnen 126
Terrameesters 128
Visitatoren van de fouten in de wollen lakens 131
Visitatoren van de wol 137
Zegelaars of verloders van de duffel / zegelaars en printers 142
Dienaars van de schout-bij-nacht of executeurs 153
Biervoerders 156
Eed van de poortsluiters 163
Collecteurs van de stadsaccijnsen 170
Fiscaal 176
Controleurs van de stadstol 181
Brandmeesters van turf en hout 185
Boekhouders van het bestiaal of de vette beesten 190, 191
Stadskruiers 195
Zaadmeters 198
Turfvulsters 201, 280, 398
Armenjager of rooroe 220
Keurmeesters van de beesten 223
Kalkdragers 210
Uurwerkers of klokkenstellers 215, 216
Roepers 230
Stadsstalmeesters of koetsiers (nadere instructie) 66
Ontvangers van de stadsdomeinen 217, 286, 289v
Nachtwerkers / witwerkers 231
Opzichters van de brandspuiten 235
Ontvangers van de ecclesiastique goederen 241
Stadsportiers 243
IJkers van de botertonnen 244
Ordonnantie op de kraan 245
Meester van de daghuurders 246
Egbert Brandenborg als inmaner van het vrachtgoed, komende met zeeschepen uit Amsterdam 247
Medisch doctor 248
Lector anatomes chirurgiae et Art. s obstetriciae 248, 325, 328
Schoonmaaksters van het raadhuis 249
Havenmeesters 250
Lantaarnopstekers 251
Commissaris van het aantekenen der pakjes op de veren 256
Executeurs 257
Moeders en vaders van het ziekenhuis 260
Moeders en vaders van het nieuwe ziekenhuis 365
Voerlieden van de turf in Brunnepe 270

_↓_


|pag. 3|

Stadsarchitect 275
Ontvanger van de stadsdomeinen 286
Sluiswachters bij de Cellebroederspoort 296
Vroedvrouwen 302
Ordonnantie voor schippers en loodsen die de stadswateren bevaren 310
Collecteurs van de stadsverponding 314
Reglement voor de latijnse scholen 316
Bolthouwers of kabeljauwhouwers 317
Hooiwegers 320
Lector botanices, chymiae et pharmaceutices 331
Bank van lening 335-339
Schout-bij-nacht 348, 353
Executeurs 355
Klapperwachten 361
Vader en moeder van het nieuwe ziekenhuis 365
Wagenveer tussen Kampen en Elburg en de bode op Harderwijk 372
Werkzaamheden en administratie van het nieuwe werkhuis 375
Werkbaas in de spinschool en breischool 380
Franse-kostschoolhouder 384
Instructies voor de stadsarchitect en aardwerkersbaas bij opkomende watervloed 386
Voorlopige ordonnantie voor de paardeboer 392
Instructie voor de stadsmuziekmeester J. Strauss 395
Instructie voor de klokkenist en stadsmusicus J.H. van der Dussen 397
Reglement voor de wijkmeesters 244
Instructie voor de brandmeter te Brunnepe 128

[Fol.1]
ORDINARIUS CIVITATIS CAMPENSIS
Aangelegd in 1668.

De eed van de secretarissen staat in het Gulden Boek
Namen van secretarissen die in de oude ordinarius worden vermeld.
14.12.1538, Johan van Breda gecontinueerd. Hij is gestorven 20.07.1540 om elf uur voor de middag.
28.01.1539, Geert Hermans gecontinueerd.
21.03.1539, Cornelius Meus aangesteld.
27.12.1540, mr. Reiner Bogerman van Dockum, legum doctor.
06.08.1547, mr. Dubbolt Dubbolts.
09.09.1551, mr. Henrick van Vyenden van Munster.
28.07.1556, mr. Johan Rueper.
27.02.1557, mr. Nicolaus van Urck.
28.03.1567, mr. Reiner Jacobsen.

Resolutie betreffende de secretarissen die in de Raad gekozen worden.
08.01.1576, Omdat de stad de diensten van de secretarissen niet kan ontberen, hebben schepenen en raden met de beide Gemeenten verordonneerd dat men voortaan geen secretarissen in de Raad zal kiezen.

_↓_


|pag. 4|

28.05.1576, mr. Berent [van Coesveld],
13.05.1581, Henrick van Vienden.
08.06.1581, Bartolt Kistemaecker.
———- Peter Joesten; zie het resolutieboek.
04.02.1606, Henrick van Hoochstraten.
02.11.1615, Jacob Maler, de zoon van wijlen mr. Reiner Jacobsen.
——1623, Johan Hoff. Overleden 10.10.1659 om elf uur ’s avonds.
10.08.1624, Plechelmus Keylewer, J.U.Dr.
16.11.1627, Johan van Breda, J.U.Dr. Overleden in 1649.
17.05.1649, Rutger van Breda J.U.Dr., zoon van Johan. Hij is in 1675 griffier van Overijssel en honorair-secretaris van Kampen geworden. Overleden 19.01.1693.
———-, Henrick van Hoochstraten Henrickszoon; zie het resolutieboek.
17.11.1659, Albert Hoff, de zoon van wijlen Johan. Overleden 14.03.1709.
10.02.1666, Johan Steenbergen, J.U.Dr.; zie het resolutieboek.
10.02.1666, Louwe Sluijter; zie het resolutieboek.
23.02.1675, Hermannus Nuis, J.U.Dr. Overleden 08.10.1703.
17.03.1677, Anthoni van Bentheim, J.U.Dr. In 1694 gekozen in de Raad. Overleden
19.11.1703.
09.02.1694, Rijkman Lemker, J.U.Dr. Overleden 13.10.1728.
08.11.1703, Wolterus Meijer, J.U.Dr. Overleden in maart 1704.
20.04.1704, Theodorus van Tengberden, J.U.Dr. Overleden 13.10.1723.

[Fol.2]
——1709, Roedolf Jan Eeckhout, J.U.Dr. Overleden in 1717.
02.05.1718, Aper Herweijer, J.U.Dr. Overleden 11.04.1729.
03.12.1725, Coenradus Muntz, J.U.Dr. Overleden 11.05.1757.
21.02.1729, Frans Lemker, J.U.Dr. Op eigen verzoek ontslagen 16.02.1768.
29.11.1729, Albertus Stephanus Greven, J.U.Dr. Op 18.04.1739 op eigen verzoek ontslagen.
11.05.1739, Harmen Everhard Hubert, J.U.Dr. Overleden 24.10.1769.
10.10.1757, Comelis Roldanus, J.U.Dr. Op 27.04.1780 op eigen verzoek ontslagen.
10.03.1768, Arent Jan Lemker, J.U.Dr. Op eigen verzoek ontslagen 20.02.1796 en weer in functie aangenomen 27.07.1797.
13.11 [?]. 1769, Jacob Abraham Uitenhage de Mist, J.U.Dr. Hij is in 1795 gekozen in het committe tot de Zaken der Coloniën. Benoemd tot honorair-secretaris 31.10.1797. [Uitenhage is later tussengevoegd] In de marge: zie resolutie van 24.02.1817.
28.0.1780, Hermen Willem Hubert, J.U.Dr. Overleden 01.01.1783.
06.02.1783, Frederik Lodewijk Rambonnet, J.U.Dr. Op eigen verzoek ontslagen op
20.02.1796 en weer aangesteld 27.07.1797. Hij is in februari 1811 benoemd tot griffier van het vredegerecht van het kanton Kampen.
28.11.1795, Jacobus Kantelaar. Is op eigen verzoek ontslagen in januari 1796.
20.02.1796, Jan Jacob Sniet, J.U.Dr. In 1797 is A.J. Lemker in zijn plaats gekomen.
22.02.1796, Antonius Ruardus Finck. Op 25.05.1796 is hem ontslag verleend omdat hij werd gekozen tot raad in het Hof van Friesland.
27.04.1796, Abraham Kiers, J.U.Dr. In 1797 is F.L. Rambonnet in zijn plaats gekomen.
22.08.1799, Isacq Augier.
10.12.1808, Dirk Muller Massis, J.U.Dr. Gekozen bij decreet van zijne majesteit. In 1815 hersteld in zijn vorig ambt van secretaris van de weeskamer in Leiden.
–.01.1816, mr. Francois Rambonnet.

_↓_


|pag. 5|

Extracten uit de resolutieboeken van de stad Kampen.

19.02.1650, De kinderen van wijlen secretaris Hooghstraaten krijgen een jaar salaris en profijten, gerekend vanaf de sterfdag van hun vader.
Vanaf nu zal deze regeling gelden voor de weduwen en kinderen van de secretarissen.

08.10.1659, Secretaris Breda stelt de Raad voor, op verzoek van de oudste secretaris Jan Hoff, die ziek te bed ligt, om diens zoon Albertus Hoff als zijn opvolger te benoemen voor het geval hij niet weer beter wordt. Herover was al geresolveerd op 06.10.1655. De Raad stemt toe.

10.02.1666, Door het overlijden van secretaris Henrick van Hooghstraaten is de plaats van derde secretaris vacant geworden. De Raad geeft deze positie aan Joan Steenbergen, J.U.Dr. en Laurens Sluijter. Zij moeten het salaris samen delen. De inkomsten die de secretarissen genieten van hun werk voor de Hoge Bank of Lage Bank, welke in een bus gedaan worden, zullen in drie porties worden verdeeld. Breda en Hoff krijgen daarvan elk een derde deel en Steenbergen en Sluijter samen een derde deel.

[Fol.3]
Van de aanstelling door de Prins van Oranje van Herman Nuis tot secretaris, dat was op
23.02.1675, is geen resolutie ingeschreven. Quod pro memoria.

17.03.1677, Door het overlijden van Dr. Jan Steenbergen is zijn secretarisplaats vacant gekomen. De Raad heeft Anthonis van Bentheim benoemd, met de restrictie dat zijn eerste betalingstermijn komt te vervallen op Michaelis 1678 en de huishuur op Pasen 1679. Tot die tijd krijgen de weduwe en erfgenamen van de overleden secretaris nog diens traktement.

09.02.1694, Secretaris Anthoni van Bentheim is bij keuze van de Gezworen Gemeente en bij approbatie van de koning van Engeland tot burgemeester van Kampen aangesteld. Rijckman Lemker is in zijn plaats benoemd tot secretaris. Zijn eerste betalingstermijn vervalt op Michaelis aanstaande en de huishuur op Pasen 1695. Anthoni van Bentheim zal nog tot Pasen aanstaande zijn traktement en huishuur genieten.

08.11.1703, Secretaris Nuis is overleden. De Raad heeft de resolutie van 19.11.1650 herzien. De weduwen en erfgenamen van de nu in functie zijnde secretarissen en van wijlen secretaris Nuis zullen nog volgens deze resolutie woden behandeld.
Vanaf nu zullen nieuwe secretarissen in hun eerste ambtsjaar geen salaris ontvangen, maar wordt dat geld besteed om de weduwen en erfgenamen van de laatstoverleden secretaris mee te betalen. De stad wordt zodoende vrijgesteld van dubbel betalen.
De weduwen en erfgenamen van nieuwe secretarissen zullen voortaan alleen het vaststaande traktement van het halve jaar waarin hun man en vader is overleden mogen genieten. Verder nog het vaststaande traktement en de emolumenten van het volgende halfjaar. Dit zal komen, zoals boven vermeld, uit het traktement van de nieuwe secretaris. Mocht de nieuwe secretaris komen te overlijden in het eerste halve jaar van zijn aanstelling, dan zullen weduwe en kinderen boven genoemd, slechts het traktement en de emolumenten van dat halfjaar genieten.

[Fol.4]
Vaste inkomsten en emolumenten van de secretaris

_↓_


|pag. 6|

In plaats van Herman Nuis is Wolterus Meijer, J.U.Dr., bij resolutie als boven, aangesteld tot secretaris.

20.04.1704, Secretaris Meijer is overleden. De Raad benoemt Theodorus van Tengberden, J.U.Dr., tot secretaris, op de voorwaarden zoals genoemd in de resolutie van 08.11.1703.

27.10.1709, Secretaris A Hoffis overleden. De Raad benoemt Roeloff Joan Eeckhout, J.U.Dr., tot secretaris. Vooraf heeft de Raad geresolveert dat zijn salaris zal aanvangen op Pasen over een jaar.

02.05.1718, RoeloffJan Eeckhout is overleden. Volgens resolutie van laatstleden 12 april zou de Raad een secretaris benoemen op heden dato, en op voorwaarde dat de nieuwe secretaris aan de stad een som van 8000 carolusguldens zou betalen. Hij zou daarna niet verder worden belast of bezwaard met betalingen of lasten. Het eerste jaar traktement en huishuur zal aanvangen op Pasen 1718. Aper Herweijer, J.U.Dr. is op bovengenoemde voorwaarden aangesteld.

[Fol.5]
Conditiën waarop de gewone medici van de stad zullen worden aangenomen.
Zij moeten zieken die hen nodig hebben bezoeken, ook als er pest heerst.
[niet afgemaakt]

[Fol.6]
Instructie voor de secretarissen van de stad Kampen, [zonder datum, doch van na 1810]

Art. 1. Een secretaris moet een gepromoveerde rechtsgeleerde of een ander bekwaam en ter goeder naam bekend staand persoon zijn, geboren in de Nederlanden of in een kolonie van de staat, of genaturaliseerd zijn. Hij moet meerdeijarig zijn en tenminste drie jaar in Kampen of haar jurisdictie gewoond hebben.
Art. 2. Hij moet de stad en de burgerij getrouw dienen en met alle ijver waarnemen, volgens de eed die bij het aanvaarden van het ambt moet worden afgelegd.
Art. 3. Zolang hij in functie is, mag hij geen andere heren, steden of dorpen dienen.
Art. 4. Beide secretarissen moeten de vergaderingen van de burgemeesters bijwonen en één van hen moet de vergaderingen van de raad bijwonen. Van het behandelde in de vergaderingen moeten zij notulen maken. De klerken ter secretarie moeten de notulen in een daarvoor bestemd register overschrijven en een index op al het behandelde maken.
Art. 5. Zij moeten, als hen dat gevraagd wordt, de commisievergaderingen van zowel burgemeesters als de raad bijwonen, het behandelde notuleren en uitgebrachte rapporten en adressen op schrift stellen.
Art. 6. Zij moeten de op requesten uitgesproken dispositiën en andere extract-acten aan de

_↓_


|pag. 7|

belanghebbenden uitreiken en expediëren en alle andere stukken in orde brengen en boeken.
Art. 7. Tot gerief van de burgerij zal een van hen ieder dag, behalve op zon- en feestdagen, tussen twaalf en een uur op het raadhuis aanwezig zijn.
Art. 8. Zij mogen alleen met consent van de presiderende burgemeester geschreven of gedrukte stadsboeken en originele brieven meegeven aan leden van de raad. Zelf mogen zij ook alleen met consent van de presiderende burgemeester stukken mee naar huis nemen. Voor meegenomen stukken moet een ontvangstbewijs worden getekend.
Art. 9. Zij moeten bijzondere zorg dragen voor alles wat tot de secretarie behoort.
Art. 10. Volgens artikel 20 van het Reglement voor het Regeringsbestuur dezer stad, worden leges en voordelen van de secretarie, inclusief kosten voor afgiften van akten der Burgelijke Stand, in de kas van de stad gestort. Zolang de secretarissen deze emolumenten niet genieten, zal de oudste een jaarsalaris van 1600 en de jongste van 1200 gulden genieten. De betaling zal per kwArt. al geschieden door de stadsontvanger.
Art. 11. Een van de secretarissen moet de schriftelijke ordonnanties of mandaten waarbij de burgemeesters over stadsgelden disponeren, overeenkomstig art. 52 van het Reglement van de Regering dezer stad, mede ondertekenen en tevens, ingevolge art. 60, alle publicaties en openbare akten, ondertekend door de president-burgemeester, contra signeren.
Art. 12. Een van de secretarissen moet, volgens het bepaalde in art. 62 van het Regeringsreglement, assisteren bij het opmaken van akten van de Burgelijke Stand.
Art. 13. Voor het werk op de secretarie worden aan de secretarissen toegevoegd twee klerken, die onder hun direct toezicht komen te staan. Voor het door de klerken verrichte werk blijven de secretarissen ten alle tijde verantwoordelijk.
Art. 14. De klerken krijgen hun aanstelling van de Raad. De secretarissen moeten zonder enige schroom moedwillig verzuim of ongehoorzaamheid van een klerk aan de burgemeesters melden. Die kunnen dan handelen volgens art. 66 van het Regeringsreglement.
Art. 15. Deze instructie kan door de raad worden veranderd of uitgebreid.

Fol.10.
Ziekentrooster.
[Rubriek niet ingevuld]

Fol.12.
IJzersnijder.
De ijzersnijder moet eigenhandig alle ponsoenen van de door de Raad van Kampen verordonneerde munten graveren en snijden.
Hij moet met deze ponsoenen eigenhandig de muntijzers of muntstempels vervaardigden.
Hij moet steeds een voldoende voorraad stootijzers en overijzers in voorraad hebben, zodat de waardijns uit de Raad geen reden tot klagen hebben.
Hij moet de muntijzers goed bewaren en mag ze slechts overhandigen aan de waardijns van de munt. Van de afgeleverde ijzers moet hij in zijn register aantekening houden, namelijk van de datum, soort ijzers en hoeveelheid ijzers.
Hij moet de ijzers goed snijden, naar zijn beste kunnen, zodat er niets ontbreekt van wapen, figuren of inscripties en er geen ongelijkvormigheid zal ontstaan.
Hij mag geen ijzers snijden voor vreemde prinsen, steden of heren dan alleen met uitdrukkelijke toestemming van burgemeesters, schepenen en raden.

_↓_


|pag. 8|

10.04.1599, Mr. Henrick Petersen heeft de eed gedaan.

22.10.1621, Mr. Henrick Jacobsen Valckenier heeft de eed gedaan, mede als stadsijzersnijder.

25.10.1727, Guiljam Brunier heeft de eed als stadsijzersnijder gedaan.

05.10.1764, Jan [van] Wijhe heeft de eed als stadsijzersnijder gedaan.

15.01.1774, Berend Lankhorst Lz, in plaats van wijlen Jan van Wijhe, heeft de eed als stadsijzersnijder gedaan.

Fol.14.
Essayeurs van de stadsmunt.
15.01.1774, burgemeester M. Valencijn heeft de eed gedaan als essayeur van de stadsmunt.

09.10.1775, De heer Croffheeft in plaats van burgemeester Valencijn (die vrijwillig afstand deed) de eed als essayeur van de stadsmunt gedaan.

Fol.15.
Roedendragers.
Hun eed is geregistreerd in het Gulden Boeck.

Tegenwoordige roedendragers zijn:
Jan Henrixen van Ane, aangenomen tot roedendrager en stadsgerichtsdienaar 03.09.1644.
Gerryt Janssen Hoffstede, aangenomen 04.05.1650.
Jan Gerrytsen Meijer en Hermen Wesselts, beiden aangenomen 22.11.1653.
Gerryt Berents, aangenomen 21.09.1665.
Roeloff Bitter, bij resignatie van Jan Arents aangenomen (geen datum genoemd).

01.03.1675, Henrick Rijcken en Hermannus Bogaerts aangenomen als roedendragers inplaats van wijlen [geen namen genoemd].

29.09.1676, Jan Wijsman aangenomen in plaats van wijlen Herman Wesselsen.

25.05.1680, Berent Arentsen Uijttenhout aangenomen in plaats van Henrick Rijcken.

22.09.1687, Claes Visscher aangenomen in plaats van wijlen Gerrit Janssen Hoffstede.

14.04.1688, Pieter van Meurs aangenomen in plaats van Roeloff Bitter.

14.09.1697, Jan Pietersen Selen aangenomen in plaats van Gerrit Berents.

20.06.1701, Frans Markelbach aangenomen in plaats van Jan Wijsman.

04.07.1701, Albert Ibinck aangenomen in plaats van Hermannus Bogaerts.

01.03.1712, Evert Molijn aangenomen in plaats van Pieter van Meurs.

_↓_


|pag. 9|

23.11.1715, Jan Visscher aangenomen in plaats van zijn vader Klaas Visscher.

22.05.1722, Christoffel Meij aangenomen in plaats van wijlen Jan Visscher.

10.12.1733, Arend van Zuithem aangenomen in plaats van wijlen Berent Arentsen Uitenhout.

25.05.1736, Jacobus AArt. en aangenomen in plaats van wijlen Frans Markelbach.

29.09.1736, Arend Gijsberts van Dracht aangenomen in plaats van wijlen Jacobus AArt. en.

24.09.1737, David Gunnink aangenomen in plaats van wijlen Arend Dragt bij resolutie van
23.09.1737, en vandaag in de eed genomen.

23.03.1739, Roelof Jan Eekhout aangenomen in plaats van wijlen Christoffer Meij.

11.01.1744, Comelis Johannes van Zegen bij resolutie van 10.11 aangenomen in plaats van wijlen Roelof Jan Eekhout.

09.12.1748, Hermannus van den Bos aangenomen in plaats van A. van Zuithem.

05.01.1769, Reinier Lambregts aangenomen in plaats van wijlen C.J. van Zegen.

02.08.1770, Andries Leussink aangenomen in plaats van wijlen H. van den Bos.

15.08.1771, Willem Andries Knog aangenomen in plaats van wijlen Evert Moulin.

12.12.1774, Jan Willem ten Meer aangenomen in plaats van Reinier Lambregts.

15.09.1778, Jan Tebbetman aangenomen in plaats van Andries Leussing.

21.02.1780, Frans Gunning junior aangenomen in plaats van wijlen Willem Andries Knoch.

08.03.1781, Paul Gallois aangenomen in plaats van wijlen Jan David Gunning.

14.05.1781, Wolter Lammers aangenomen in plaats van wijlen Paul Gallois.

07.03.1785, Berend van Aalderink aangenomen in plaats van de afgezette roedendrager J. Termeer.

16.11.1787, Willem Stevens van Rhoden aangenomen in plaats van de roedendrager F. Gunnink, die op eigen verzoek is ontslagen. Hij deed tevens de eed van zuivering voor wat betreft de uitkering die door de Raad is geapprobeerd.

15.11.1813, Daniël Boter en Brood aangenomen in plaats van wijlen Berend van Aalderink.

15.01.1825, Jan van der Weg aangenomen in plaats van de op 27 december laatstleden overleden Wouter Lammers.

_↓_


|pag. 10|

Fol.21.
Stadschirurgijn.
19.11.1725, Hermannus Brouwer aangesteld tot stadschirurgijn op een traktement van 100 caroliguldens, aanvangende het eerste halfjaar op Sint-Michielsdag 1725.

28.03.1732, Door het overlijden van mr. Herman Brouwer is het ambt van stadschirurgijn vacant geworden.
De Raad heeft nu nieuwe voorwaarden opgesteld.
Ten eerste. De stadschirurgijn is verplicht om wonden, contusien, ulceratien, dislocatien, fracturen en alle andere chirurgiale operatien te behandelen of te doen. Hij moet als de heren van de Magistraat of de president hem dat opdragen, ook lijkschouwingen verrichten.
Ten tweede. Hij moet alleen of samen met de chirurgijn van de armenkamer, de zieken in het ziekenhuis helpen als dat nodig is.
Ten derde. Hij moet ook de verpleegden en het personeel van de beide gasthuizen helpen als dat nodig is.
Ten vierde. Indien schepenen en raden een tweede chirurgijn aanstellen, moet de ene het Boven- en CellebroederskwArt. er met het Geertruiden-en-Catharijnengasthuis bedienen en de ander het Broeder- en BuitenkwArt. er met het Heilige-Geestgasthuis. Zij moeten bij ziekte elkaar over en weer vervangen.
Ten vijfde. Elke chirurgijn krijgt een traktement van 100 gulden per jaar, ingaande met Pasen 1732, te betalen in twee termijnen. Van zalf, pleisters en linnen mogen ze de kosten declareren of deze goederen uit de stadsapotheek halen.
Er is bepaald dat het ambt van stadschirurgijn voortaan zal worden bekleed door twee personen.

Op bovengenoemde voorwaarden zijn aangesteld mr. Harmen Eckelboom en mr. Willem van der Horst.

31.10.1757. De overeenkomst tussen de beide chirurgijns over de ziekenbezoeken blijft voorlopig van kracht. Wel moeten beide chirurgijns alle kranken, onverschillig in welke wijk zij wonen, zonder enig uitstel visiteren.

03.09.1764, Lourens van Wijhe aangenomen in plaats van wijlen Willem van der Horst.

03.10.1765, Verordonneerd dat een chirurgijn die een passant (van de armenkamer of het ziekenhuis) onder handen heeft, deze moet blijven behandelen tot hij genezen is; behalve wanneer de patiënt ongeneeselijk ziek is.

11.03.1777, Barend Lankhorst Laurensz aangesteld in plaats van wijlen Harmen Eckelboom.

08.08.1791, Kier van der Weide aangesteld in plaats van wijlen Laurens van Wijhe.

Fol.24.
Boden of brievendragers.
Zij moeten bij hun eed, staande in het Gulden Boek, oprecht boodschappen doen en goede rekening doen van lopen [reizen] en liggen [wachten/ovemachten].

_↓_


|pag. 11|

De tegenwoordige boden zijn: Claes Caspers, aangenomen 19.05.1649 en Henrick Rijcken, aangenomen 30.09.1665.

01.03.1675, Evert Janssen van Bassen is aangenomen in plaats van Henrick Rijcken.
17.02.1672, Jan Ibinck, in plaats van Claes Carsen.
06.01.1678, Herman Ibinck, bij servivance, in plaats van wijlen zijn vader.
9.04.1687, Hugo van Brevoort, in plaats van wijlen Evert Janssen van Bassen.
09.09.1693 aangenomen, 11.09.1693 beëdigd, Egbert van Heerde, in plaats van Hugo van Brevoort, die ongelukkiger wijs zijn dienst heeft verlaten.

Fol.28.
Brievenbestellers van de veerschepen op Amsterdan en Hoorn.
De eed: Hij moet letten op alle veerschepen die tussen Kampen en Amsterdam varen, zowel in het aankomen als het afvaren. Hij moet alle brieven vorderen en direct bestellen. Iedere morgen moet hij om negen uur het touw losgooien waar het veerschip mee vastligt. Hij moet ook zorgen dat het komende veerschip plaats krijgt om af te meren en dat het vertrekkende veerschip niet wordt gehinderd. Zij die onwillig zijn in het plaatsmaken voor de veerschepen, vervallen in een boete van 6 stuivers, te genieten door de besteller. Hij krijgt van elke bestelde brief een halve stuiver.

De tegenwoordige brievenbesteller is Jan Janssen Nest, die de eed heeft gedaan op 25.08.1657.

07.10.1671, Willem Janssen van den Bergh is aangenomen in plaats van wijlen Jan Nest.
01.03.1675, Benno Hagius is aangenomen in plaats van Willem Janssen van den Bergh.
07.02.1684, Roelof Hagius, de oudste zoon van Benno Hagius, heeft bij survivance de brievenbestellersplaats van zijn vader gekregen.
1718, E. Brandenburg, in plaats van Roelof Hagius.
06.01.1744, Matthijs Credier, in plaats van Engbertus Brandenburg.
15.04.1763, Abraham Brandenburg heeft de eed afgelegd als gesubstitueerd brievenbesteller.
09.07.1770, Jan Oldemans, in plaats van Matthijs Credier.
31.03.1783, AArt. van Beverwijk, in plaats van wijlen Jan Oldemans
18.05.1787, Wolter Bruins, in plaats van wijlen AArt. van Beverwijk.
14.05.1814, Johanna Kok, in plaats van wijlen haar man Wolter Bruins.

Fol.29.
Eed van de besteller der veerschepen te Amsterdam.
Hij moet helpen bij het aanmeren en vertrekken van alle veerschepen van Amsterdam op Kampen. Hij moet zorgen dat bij het lossen en laden van goederen en bij het op- en afstappen van mensen geen hinder wordt ondervonden. Hij moet brieven, pakjes en goederen direct bestellen en niet meer daar voor rekenen dan het vastgestelde tarief. Hij moet als een man van eer beloven zich als een vlijtig besteller te zullen gedragen.

11.05.1796, Egbert Verwest is in plaats van de gedemitteerde Jan Christiaen Eijlders aangenomen als besteller der veerschepen van en te Amsterdam.
04.06.1807, Berend Gooij en Moses Israël Cohen staan borg voor een bedrag van 1500 gulden voor Jan Kamer, de aangestelde besteller te Amsterdam.

_↓_


|pag. 12|

Fol.32.
Stadsprocureurs en advocaten.
[rubriek niet ingevuld]

Fol.36.
Truffelmeester of stadsmetselaar.
Eed: Hij moet de stad trouw dienen, schade voor de stad zien te voorkomen en verder alles doen wat een goed stadstruffelmeester behoort te doen.

Dit ambt wordt nu bediend door mr. Melcher Metteraet, aangenomen op 05.05.1655.

28.02.1708, mr. Henrick van Wanningen heeft de eed gedaan.

25.04.1768, De Raad vindt dat de instructie van 02.01.1730 (zie res. van die datum), voor metselaarsbaas Gerrit Cuper niet langer voldoet en stellen nu een nieuwe instructie op.

Art. 1. De metselaarsbaas moet zorgen dat al het stadsmetselwerk goed en zo goedkoop mogelijk wordt verricht.
Art. 2. Hij mag voor stadswerk alleen knechten inzetten die hun vak verstaan en opperlieden die goed kalk kunnen bereiden.
Art. 3. Hij moet bij stadswerken twee keer per dag, te weten een keer vóór en een keer na de middag het door de knechten verrichte werk inspecteren.
Art. 4. Te gebruiken steen, kalk en cement moet hij tevoren inspecteren.
Art. 5. Het benodigde cement moet gemaakt worden met l/3de deel cement en 2/3de deel kalk. Het bij te mengen zand moet zonder water bij te voegen in zijn tegenwoordigheid en naar zijn aanwijzingen worden toegevoegd en doorgeroerd.
Art. 6. Hij moet er op toezien dat er van de aan te wenden steen voldoende kan worden geleverd.
Art. 7. Bij de te gebruiken kalk moet hij er op toezien dat het zuivere schelpkalk is, waar geen zand doorheen zit.
Art. 8. De cement moet hij keuren op kwaliteit en opdrogende kracht.
Art. 9. Als bovengenoemde materialen bij aankomst niet goed blijken te zijn, moet hij de cameraars waarschuwen.
Art. 10. Bij afbraak van oud metselwerk moet hij aanwezig zijn om er voor te zorgen dat er niet meer wordt weggebroken dan nodig is.
Art. 11. Hij mag van knechten en opperlieden geen voordeel genieten of meer bij de stad in rekening brengen dan zij verdiend hebben. Bij overtredig zal hij van zijn post als metselaarsbaas ontheven en verder nog gestraft worden.
Art. 12. Hij moet alle openbare gebouwen en kerken regelmatig controleren en gevonden gebreken aan de cameraars melden.
Art. 13. Hij moet van alle werkzaamheden aan openbare gebouwen en kerken, als dat van hem gevraagd wordt, plannen en bestekken maken zonder daar iets voor te beuren.
Art. 14. Als zijn knechten in stadswerk arbeiden, mag hij niet een hele dag uit de stad afwezig zijn. Hij mag dan ook geen werk buiten de stad aannemen, tenzij met toestemming van de cameraars.
Art. 15. De metselaarsbaas zal een jaarlijks traktement van 400 carolusguldens genieten, ingaande Pasen 1768 en te betalen door de stadsontvanger der domeinen, in vier termijnen per

_↓_


|pag. 13|

jaar.
De Raad mag deze instructie aanvullen of veranderen wanneer hem dat belieft.

02.05.1768, De metselaarsbaas Gerhard Cuper heeft met handtasting deze instructie aangenomen.

Fol.39.

Eed van de stadstimmerman.
Hij moet trouw zijn aan de stad, altijd op haar voordeel uit zijn en verder alles doen wat een goede stadstimmermansbaas behoort te doen.

20.02.1713, Warner Dreesman heeft de eed als stadstimmermansbaas gedaan.

20.02.1751, De Raad heeft de eed en instructie als volgt veranderd.

Art. 1. De stadstimmermansbaas moet minstens een keer per maand alle stadstimmerwerken inspecteren en alle defecten nauwkeurig opgeven aan de cameraars en rentmeesters.
Art. 2. Hij moet zonder vergoeding daarvoor te ontvangen voor alle nieuwbouw- en reparatiewerken plannen en bestekken maken.
Art. 3. Hij moet dagelijks op het werk komen en zien of zijn knechten hun werk wel naar behoren uitvoeren.
Art. 4. Hij moet volwaardige knechten aannemen die het volle dagloon verdienen. Als hij knechten aanneemt die minder kunnen presteren, mag hij voor hen niet het volle dagloon in rekening brengen.
Art. 5. Hij krijgt voor zichzelf twee stuivers per dag van elke knecht.
Art. 6. Als de cameraars het nodig oordelen om er zelf werkvolk bij aan te nemen, krijgt de timmermansbaas daarvan niets.
Art. 7. Hij mag niet uit de stad reizen en ook geen werk buiten de stad aannemen zonder consent van de cameraars.
Art. 8. Als een knecht zijn werk niet goed doet of zich op het werk niet goed gedraagt, moet de timmermansbaas dat direct aan de cameraars melden. Die kunnen de knecht het arbeiden aan stadswerken verbieden of op een andere wijze corrigeren.

De Raad behoudt zich het recht voor, bovenstaande instructie naar believen veranderen of uitbreiden.

Tot stadstimmermansbaas is aangesteld, voorlopig voor een jaar, Teunis van Epe. Zijn dienst vangt aan op Petri 1751 en eindigt op Petri 1752. Zijn traktement zal bedragen 250 carolusguldens, te betalen uit de stadsrentekamer.
Als Teunis na afloop van genoemde termijn opnieuw met het ambt begunstigd wil worden, moet hij dat aan de Raad verzoeken.

22.02.1751, Teunis van Epe heeft de eed gedaan.
Op de volgende data werd Teunis van Epe in zijn functie gecontinueerd: 21.02.1752, 21.02.1753, 21.02.1754, 21.02.1755, 21.02.1756, 21.02.1757, 21.02.1758, 21.02.1759,

_↓_


|pag. 14|

21.02.1760, 21.02.1761, 21.02.1762, 21.02.1763
21.02.1764, 21.02.1765, 21.02.1766, 21.02.1767, 21.02.1768.
Vanaf 1761 moesten niet langer de cameraars maar schepenen en raden toestemming verlenen aan de timmermansbaas om werken buiten de stad aan te nemen.

Fol.43.
Stadsleidekker.
[rubriek niet ingevuld]

Fol.46.
Stratemaker.
[rubriek niet ingevuld]

Fol.50.
Stadsapotheker.

16.03.1694, Dirk Bisschop is begunstigd met de stadsapotheek, op hetzelfde traktement als dat van wijlen Johannes Leonardtz.

19.11.1725, Nicolaas Sluyter is aangesteld tot stadsapotheker, op het oude traktement van 42 carolusguldens per j aar.

Fol.53.
Poortsluiters.
De instructie waarop de poortsluiters hun eed doen, staat op fol. 163.

Fol.56.
Eed van de poortschrijvers.
Zij moeten de stad trouw dienen en van de morgen tot de avond bij de poorten blijven. De namen van alle vreemdelingen moeten zij noteren en tevens de namen van de herbergen of huizen waar die denken te logeren. De daartoe geordonneerde schrijver moet de lijsten ’s avonds als het klokje luidt, naar de schepenkamer brengen. Zij moeten vreemde bedelaars en landlopers, zowel mannen als vrouwen, zo veel mogelijk buiten de stad houden.
[rubriek verder niet ingevuld]

Fol.58.
Scherprichter.

Verdiensten van de scherprichter.
Voor het publiekelijk justitie doen aan een delinkwent 6 gulden.
Voor het onthoofden of ophangen van een delinkwent 12 gulden.
Voor het op de kaak zetten van een delinkwent 2 gulden en 16 stuivers.
Voor het iemand pijnigen in de Wiltvanck 1 gulden en 8 stuivers.
Voor het iemand pijnigen in de gaten of ergens anders 1 gulden en 8 stuivers.
Voor het uit de stad leiden van een delinkwent 1 gulden en 8 stuivers.

Voor de schepenmaaltijd krijgt hij een pond groot, een schapebout en een vierendeel bier.

_↓_


|pag. 15|

Zij traktement bedraagt 5 gulden per week, een halve last turf perjaar en 30 gulden voor kleding.

Het ambt van scherprichter wordt tegenwoordig bediend door mr. Jacobus Andriessen Kellenaer, die op 06.07.1666 is aangenomen.

Eed van de scherprichter.
Ik zweer dat ik de opdrachten van de magistraat en de stokmeesters getrouw zal uitvoeren. Ik zal mij niet zonder consent van de president-burgemeester uit de stad begeven. Ingeval van een reis buiten de stad zal ik op de afgesproken tijd terugkomen. Nooit zal ik iets wat ik zie of hoor, tot schade van de stad of de justitie, openbaar maken. Zo waarlijk helpe mij God almachtig.

11.12.1730, Na deliberatie is besloten het traktement van de stadsscherprichter Hans Jurrien Snijder als volgt te veranderen.
Boven zijn traktement van 5 gulden per week, dus 260 gulden per jaar, krijgt hij per jaar 40 gulden voor kleding.
Voor turf 14 gulden.
Voor de keurmaaltijd en [wijn]taken 7 gulden en 10 stuivers.
Dit gaat in op Petri 1731.

Voor het dienen der justitie zal hij als volgt beloond worden.
Voor het verbranden van een dilinkwent 24 gulden.
Voor het radbraken 18 gulden.
Voor het lichaam daarna buiten op het rad te brengen 12 gulden.
Voor het onthoofden 18 gulden.
Voor ophangen of wurgen 12 gulden.
Voor het daarbij blaken 6 gulden.
Voor het lossnijden van het lichaam en het op een slede of horde leggen 6 gulden.
Voor het lichaam buiten op te hangen of op een rad te zetten 12 gulden.
Voor het halen van de ladder van het gericht en dat buiten weer aan te brengen 3 gulden.
Voor het smijten van het lichaam in een bij de gerichtsplaats gegraven gat 6 gulden.
Voor instrumenten, touwen en koorden van elke delinkwent 3 gulden.
Voor het geselen van een delinkwent 6 gulden.
Voor garden en touwen 1 gulden en 10 stuivers.
Voor brandmerken 6 gulden.
Voor het om de hals doen van een strop 3 gulden.
Voor een pot op de kaak te brengen 14 stuivers.
Voor het geven van snede in de bek 6 gulden.
Voor het te pronk zetten van iemand op de kaak 3 gulden.
Voor het tortureren van iemand 3 gulden.
Voor het dreigen met de torture 1 gulden en 10 stuivers.
Voor het brengen van een delinkwent voor het ijzer om de sententie aan te horen 1 gulden en 8 stuivers.
Voor het over de brug leiden van iemand 1 gulden en 8 stuivers.
Voor het assisteren van een scherprichter van Deventer of verder weg, krijgt de scherprichter 18 gulden.

_↓_


|pag. 16|

Voor het assisteren van de scherprichter van Zwolle 12 gulden.

30.12.1730, Hans Jurrien Snijder heeft de eed als scherprichter afgelegd.

01.11.1759, De scherprichter Hans Jurrien Snijder is overleden. De Raad stelt het traktement en de verdiensten voor de nieuwe scherprichter, die geen andere posten in rekening mag brengen, nu als volgt vast.

Voor het verbranden van een delinkwent 24 gulden.
Voor het radbraken 18 gulden.
Voor het lichaam daarna buiten op het rad te brengen 12 gulden.
Voor het onthoofden 18 gulden.
Voor ophangen of wurgen 12 gulden.
Voor het daarbij blaken 6 gulden.
Voor het lossnijden van het lichaam en het op een slede of horde weg te brengen 6 gulden.
Voor het lichaam buiten op te hangen of op een rad te zetten 12 gulden.
Voor het lichaam in de kist te leggen, deze dicht te spijkeren en van het schavot te brengen 6 gulden.
Voor de ladder van het gericht te nemen en buiten weer aan te brengen 3 gulden.
Voor het smijten van het lichaam in een bij de gerichtsplaats gegraven gat 6 gulden.
Voor instrumenten, touwen en koorden van elke delinkwent die ter dood wordt gebracht 12 gulden.
Voor het geselen van een delinkwent 6 gulden.
Voor garden en touwen 1 gulden en 10 stuivers.
Voor brandmerken 6 gulden.
Voor het om de hals doen van een strop 1 gulden en 10 stuivers.
Voor een pot op de kaak te brengen 14 stuivers.
Voor het mes of iets anders boven het hoofd te hangen 3 gulden.
Voor het maken van de roeden 1 gulden en 10 stuivers.
Voor touw en bindlijnen 1 gulden en 10 stuivers.
Voor het geven van snede in het aangezicht 6 gulden.
Voor het afhakken van hand of vingers met een bijl of beitel 6 gulden.
Voor het te pronk zetten van iemand op de kaak of voor het omleiden 3 gulden.
Voor het tortureren van iemand en voor de benodigde instrumenten 6 gulden.
Voor het dreigen met de torture 3 gulden.
Voor het verzorgen van een borstlap voor een vrouw en voor het omdoen daarvan 1 gulden en 8 stuivers.
Voor het boeien van een delinkent en deze te brengen voor het ijzer om de sententie aan te horen 1 gulden en 10 stuivers.
Voor het ontkleden en weer aankleden van een delinkwent 1 gulden en 10 stuivers.
Voor het inspecteren van de rug van een gevangene 1 gulden en 10 stuivers.
Voor het over de brug leiden van iemand 1 gulden en 8 stuivers.
Voor het assisteren van een scherprichter van Deventer of verder weg, krijgt de scherprichter 18 gulden.
Voor het assisteren van de scherprichter van Zwolle 12 gulden.

01.11.1759, Jan van Anholt heeft de eed als stadsscherprichter gedaan. Zie het resolutieboek in

_↓_


|pag. 17|

dato 01.11.1759.

27.06.1769, De Raad heeft bepaald dat wanneer een scherprichter assistentie nodig heeft, hij de kosten daarvan mag declareren als hij tevoren toestemming van de Raad heeft verkregen.

29.06.1769, Johannes Henricus Snijder heeft de eed als scherprichter gedaan.

Fol.64.
Eed van de spijkerdrager.
Ik zal mij getrouw gedragen in het bedienen van de timmertoren, met het halen van hout, spijkers en ijzerwerk en wat verder bij mijn taak behoort. Ik zal van alles aantekening houden en deze brengen bij de cameraars. Zonder toestemming van de cameraars zal ik niemand materialen meegeven.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig.

Dit ambt wordt bediend door Jan Ghijsbertsen Caa.

Fol.66.
Stalmeester.
Hij moet de stal en de paarden getrouw beheren. Hij mag zelf niets kopen van de zadelmakers of anderen en mag geen hoenders, varkens of schapen in de stadsstal houden.

Het ambt wordt nu bediend door Caspar van Lotteren.

17.02.1698, Egbert van Heerde heeft inplaats van Christiaan Henricks de eed als tweede stalmeester afgelegd.

13.11.1702, Jan Klingk heeft inplaats van Egbert van Heerde de eed als tweede stalmeester afgelegd.

24.04.1721, Nadere instructies voor de stadsstalmeester of koetsier.

Art. 1. De stadskoetsier moet zich elke morgen vervoegen bij de oudste cameraar of, als die er niet is, bij de jongste cameraar, om te vragen wat hij voor de stad moet doen.
Art. 2. Hij moet elke zaterdag aanwezig zijn als de cameraar de lonen uitbetaald. Hij moet ook aanwezig zijn bij de rentekamer als cameraars en rentmeesters daar vergaderen.
Art. 3. Hij moet de schouw van Mastenbroek en andere schouwen waartoe hij opgeroepen wordt, bijwonen en dan alles doen wat tot voordeel van de stad strekt. Hij moet vooral goed letten op de stadsdijken en in een register bijhouden hoe lang deze zijn en waar ze precies gelegen zijn.
Art. 4. Hij moet de stadsstal en de koets goed onderhouden. Hij moet zorgen voor het koren, de kalkoenen en de hoenders die bij de stal worden afgeleverd.
Art. 5. Hij moet alle orders van schepenen en raden en van de cameraars en rentmeesters uitvoeren.

Art. 6. Hij moet bij het uitoefenen van zijn functie nuchter en sober zijn. Hij moet helpen bij het uitvoeren van de justitie.

_↓_


|pag. 18|

Op 24.04.1721 heeft Arent Overbosch in plaats van Jan Klinge de eed gedaan.

03.05.1730, Pieter Leestemaker heeft inplaats van Arend Overbosch de eed gedaan.

29.03.1762, Evert Groenewoud heeft in plaats van wijlen Pieter Leestemaker de eed gedaan.

25.01.1779, Schepenen en raden hebben de instructie voor de stadsstalmeester als volgt uitgebreid.

Art. 7 Hij mag geen eetwaren, bier, wijn of tabak, aan hem ter bewaring gegeven, van het stadhuis meenemen naar zijn eigen huis of naar elders brengen. Hij moet er ook voor zorgen dat anderen niets van genoemde zaken meenemen. Als hij bemerkt dat anderen iets meenemen, moet hij dat direct aan de cameraar melden.
Hij mag geen dranken, maar wel het eten dat de heren ongenuttigd laten staan, mee naar zijn huis nemen. Hiertoe is hij naast anderen vanouds bevoegd.

28.01.1779, Berend Jan Middelbelt is in plaats van Evert Groenewout aangesteld. Hij heeft de eed gedaan.

22.10.1796, Berend Jan Middelbelt is van zijn post als stalmeester ontheven.

31.10.1796, Berent Jan Wittenbelt [sic !] is bij handtasting in zijn post van stadsstalmeester hersteld.

Fol.69.
Eed van de vasbander.
Ik zweer dat ik als vasbander dezer stad eerlijk zal peilen, wijnen aansteken, maten en tonnen ijken en verder alles zal doen wat een getrouwe vasbander moet doen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig.

Dit ambt wordt bediend door Dirck Janssen van Utrecht, die op 20.01.1646 is aangenomen.

25.01.1672, Jan van Utrecht is als adjunct van zijn vader aangenomen. Hij heeft de eed gedaan.

12.05.1688, Jacob Erckelens is in plaats van wijlen Jan van Utrecht tot vasbander van deze stad aangenomen. Hij heeft Steven van Utrecht voorlopig aangenomen om de vasbanderstaak te vervullen.

Op 08.10.1689 heeft Jacob Erckelens voorlopig Jan Koek aangesteid om het vasbandersambt te bedienen. Deze heeft de eed afgelegd.

19.11.1689, Schepenen en raden hebben de tarieven voor de vasbander als volgt vastgesteld.
Voor het ijken van een nieuwe schepel met een klamp 6 stuivers.
Voor het ijken van een nieuwe schepel zonder klamp 4 stuiver.
Voor het ijken van een oude schepel 3 stuivers.
Voor het ijken van een nieuw half schepel 4 stuivers.
Voor het ijken van een oud half schepel 2 stuivers.
Voor het ijken van een nieuw spint 3 stuivers.

_↓_


|pag. 19|

Voor het ijken van een oud spint 1 stuiver.
Voor het ijken van een nieuw half spint 2 stuivers.
Voor het ijken van een oud half spint 1 stuiver.
Voor het ijken van kleinere maten, nieuwe of oude, 1 stuiver.
Voor het ijken van hele, halve, vierendeel en achtendeel tonnen, per stuk 8 penningen.
Voor het ijken van een aam 3 stuivers.
Voor het ijken van een half aam 2 stuivers.
Voor het ijken van een anker 1 stuiver.
Voor het ijken van een half anker 1 stuiver.
Voor het ijken van een hele of halve melkmaat 1 stuiver.

Voor het bij een tapper brengen van een oxhoofd wijn of brandewijn krijgt de bander 3 stuivers en de sleper ook 3 stuivers.
Voor het bij een tapper brengen van een pijp brandewijn krijgen bander en sleper elk 6 stuivers.
Voor het bij een tapper brengen van een aam wijn of brandewijn krijgt de bander 4 stuivers en de sleper 3 stuivers.
Voor het bij een tapper brengen van een half aam wijn of brandewijn krijgt de bander 3 stuivers en de sleper 2 stuivers.
Voor het bij een tapper brengen van een anker wijn of brandewijn krijgt de bander 2 stuivers en de sleper 1 stuiver.
Voor het bij een tapper brengen van een half anker wijn krijgt de bander 2 stuivers. De sleper krijgt niets, want het wordt gewoonlijk door de bander gedragen.
Voor het bij een burger brengen van een oxhoofd wijn krijgt de bander 6 stuivers en de sleper 4 stuivers. Als er nog een derde man bij is, krijgt die 2 stuivers.
Voor het bij een burger brengen van een aam wijn krijgt de bander 4 stuivers en de sleper 3 stuivers.
Voor het bij een burger brengen van een half aam wijn krijgt de bander 4 stuivers en de sleper 2 stuivers.
Voor het bij een burger brengen van een anker wijn krijgt de bander 2 stuivers en de sleper 1 stuiver.
Voor het bij een burger brengen van een half anker wijn krijgt de bander 2 stuivers. De sleper krijgt niets, want de bander neemt het in de regel mee.
Voor het brengen van een half anker gebrande wateren krijgt de bander 2 stuivers.
Voor het brengen van kwart vaatjes en kleinere vaatjes krijgt de bander 1 stuiver.

28.09.1697, Willem Erkelens heeft de eed als vastbander gedaan. Hij houdt het ambt zolang zijn vader, burgemeester Gosen Erkelens, leeft. Zie resolutie van schepenen en raden van 27.09.1697.

28.07.1706, Willem Erklens is bij resolutie van 26.07. aangesteld tot vasbander. Hij doet de eed.

20.09.1710, De vastbander moet alle wijn, brandewijn of andere gedestilleerd vaten zelf naar de huizen brengen, onder het genot van het vastgestelde salaris. Hij mag met niemand accorderen.
Hij mag geen wijn- of brandewijnaccijns pachten of daar aan partciperen.
Hij moet alle wijn en brandewijn die met uitvoerbrieven of -schijnen buiten Kampen verstuurd

_↓_


|pag. 20|

wordt, zelf van de huizen van de wijnkopers naar de wagens of schepen brengen.

Willem Erkelens heeft onder ede beloofd zich aan het bovenstaande te houden.
16.09.1722, Roelof Storm is in plaats van de overleden Willem Erkelens aangesteld tot vastbander dezer stad. Hij heeft de eed gedaan.

08.07.1761, Jan van Amersfoort heeft in plaats van de indispooste Roelof Storm de eed als vastbander afgelegd.

25.07.1710, Extract uit het Boek van Publicatiën.
Het is gebleken dat sommige waarden en burgers, wijnen en brandewijnen door kruiers naar hun huizen laten bregen. Hierdoor kunnen de accijnzen van het landschap en van de stad worden ontdoken. Schepenen en raden staan dat onder geen enkele omstandigheid toe. Slechts de gezworen bander mag wijn of brandewijn vervoeren. Overtreders zullen gestraft worden.

25.04.1758, Claas Visscher Moulin, die op 24.04.1758 was aangesteld om bij de ziekte van vastbander Egbert Storm deze te vervangen bij het waarnemen van de peil, heeft de eed afgelegd.

04.04.1760, Frans Gunnig was bij apostille van s. en r. van 04.01.1760 aangesteld om bij onpasselijkheid van de vastbander Egbert Storm het peilen waar te nemen. Hij heeft de eed afgelegd.

08.07.1761, Gosen Erkelens heeft de eed afgelegd en zal bij onpasselijkheid van Egbert Storm het peilen waarnemen.

04.01.1762, Rudolphus Johannes Woltgraft is in plaats van wijlen Roelof Storm aangesteld tot vastbander. Hij heeft de eed gedaan.

22.10.1762, Niklaas Buitendijk is door de vastbander Woltgraft aangenomen om het werk van vastbander te doen. Hij heeft de eed gedaan.

08.10.1763, De instructie voor de vastbander is als volgt gewijgigd.
Voor het brengen naar een tapper of burger van een half aam wijn in flessen krijgen bander en sleper elk 3 stuivers.
Idem op fust, de bander 3 stuivers, de sleper 2 stuivers.
Idem van een anker wijn in flessen, de bander en de sleper elk 2 stuivers.
Idem op fust, de bander 2 stuivers, de sleper 1 stuiver.
Idem van een half anker op flessen krijgt de bander 3 stuivers en de sleper niets.
Idem op fust, de bander 2 stuivers, de sleper niets.
Idem van een kwart anker op flessen, de bander 2 stuivers, de sleper niets.
Iden van een kwart anker op fust, de bander 1 stuiver, de sleper niets.
Zie verder op fol.264.

Fol.72.
Marktmeester.

_↓_


|pag. 21|

12.07.1700, Reinder Borneman heeft in plaats van Herman van der Mathen de eed als marktmeester gedaan.

05.04.1743, Hermannus Scheeper heeft in plaats van Reinier Borneman de eed als marktmeester gedaan.

15.03.1753, Jan Ekkelboom heeft in plaats van Hermannus Scheeper de eed als marktmeester gedaan.

14.02.1782, De volgende instructie voor de marktmeester wordt van kracht.

Art. 1. Hij moet iedere werkdag ’s morgens op tijd op de markt zijn om toezicht te houden op alles wat op de markt betrekking heeft. Hij moet ook zorgen dat grote schuiten en kagen, met kabeljauw, schelvis, schol of tong, bij het bruggetje kunnen aanleggen, zodat de kopers er bij kunnen.
Art. 2. Hij moet zorgen dat er geen bedorven of stinkende vis te koop wordt aangeboden, maar deze terug te sturen of in de IJssel laten werpen.
Art. 3. Hij moet er op letten dat iedere dag na afloop van de markt de vislopen of visvloten worden uitgespoeld en de visbanken zuiver worden afgewassen. Tevens zorgen dat de vismarkt wordt gezuiverd van dode vissen, vellen of ander afval.
Art. 4. Dit moet ook gebeuren bij de visbank voor het snijden van steur, kabeljauw en zalm, onder de schildpad en bij de visbank aan de andere zijde van het brughuisje. Het schoonmaken van de bank en blok voor het kabeljauw houwen blijft ten laste van de bolkhouwer.
Art. 5. Andere personen mogen op genoemde plaatsen geen vis schubben of ingewand uithalen, op een boete van 2 stadsponden of 7 stuivers, ten profijte van de marktmeester.
Art. 6. Aan de marktmeester wordt voor het wegen der zalm, van stadswege een goede waag of balance, met twee koperen schalen ter hand gesteld. Hij moet deze zelf onderhouden en schoonschuren. De benodigde, geijkte gewichten moet hij op eigen kosten aanschaffen. Deze waag moet elke dag onder de schildpad hangen, zodat de burgers die dat begeren hun vis kunnen wegen, gevende voor het wegen een kwart stuiver van een zode. De zalm is als vanouds van deze betaling uitgezonderd.
In de marge staat dat op 18.04.1782 het snijden van de zalm is opgedragen aan de stadskabeljauw- of bolkhouwer. Zijn traktement is verhoogd van drie naar vijf ducatons.
Art. 7. De marktmeester moet een voldoende aantal vislopen of vloten houden, om daarmee de visverkopers te gerieven.
Art. 8. Hij mag slechts met consent van de president-burgemeester schuiten met vis stroomopwaarts door de brug laten gaan.
Art. 9. Op kermissen en jaarmarkten moet hij zorgen dat burgers en vreemde kooplieden die met hun waren ter markt komen, dezelfde plaatsen krijgen als welke zij de vorige keer hebben gehad. Als zij voor het luiden der marktklok hun plaatsen niet bezet of besproken hebben, mag de marktmeester die aan de eerstkomende aanwijzen. Hij moet echter een burger vóór een vreemde laten. Van elke kraam zal hij een schelling genieten, als van ouds. Meerdere groote naar rato.
In de marge staat dat op 31.05.1804 is bepaald dat de marktmeester op kermissen of jaarmarkten van elke kraam 1 stuiver per rijnlandse voet van de lengte zal beuren.
Art. 10. Hij moet er voor zorgen dat op de vettebeestenmarkten ieder zijn aangeloote plaats zal behouden. Hij moet vreemden behoorlijke plaatsen aanwijzen voor hun vee, genietende

_↓_


|pag. 22|

daarvoor een schelling, als van ouds. Van een zodanige plaats mogen zich niet meerdere kooplui bedienen.
Art. 11. Verder zullen de gewone profijten van de marktmeester blijven zoals die bij resolutie van 14.09.1668 zijn vastgesteld, welke hieronder opnieuw worden beschreven.
Voor een zalm 2 st.
Voor een op de markt gesneden steur 6 st.
Van een Urker schuit met vis 3 st.
Van vreemde vissers die hier vis ter markt brengen 3 st.
Van mosselkagen 6 st.
Van mosselschuiten 3 st.
Van een kaag met kabeljauw, schelvis, etc, boven de aan de marktmeester te geven zode, van de vreemden 15 st.
Idem van een schuite 10 st. (nu 6 st.)
In de marge: 18.05.1792, Marktmeester Eikelboom heeft bewilligt in het voortaan 6 inplaats van 10 st. voor de schuite te vorderen. Hij zal het verder aan de visser overlaten om hem in plaats van een zode 3 stuivers te geven.
Van een slede die in de winter aan de markt komt 6 st.
Van een kaag van burgers 8 st.
Van een ton haring die hier verkocht wordt, te betalen door de vreemde verkoper 1 st.
Daarvan door de uitslijter te betalen 8 penningen.
Wanneer burgers de haring alhier bij tonnen verkopen, zal de marktmeester van elke ton 1 st. genieten, doch niets voor het uitslijten.
Van een balie spiering 8 penningen.
Van een tal groene haring 4 penningen.
Van een tal slabbert en bokking, van vreemden 8 penn.
Idem van een burger 4 penn.
Van een stro bokking 2 penn.
Van een tal schollen, van vreemden 8 penn.
Idem van een burger 4 penn.
Van de haring en bokking, die boord aan boord liggende, wordt overgescheept, zal de marktmeester evenveel krijgen alsof die op het land verkocht werd. Die de brug doorvaart en niet overscheept, is vrij.
Ingevolge apointment van 26.02.1759 zullen de bokkingdrogers van ieder tal haring die zij van Schokland laten halen met hun vrachtschuiten, 2 duiten moeten betalen.

Schepenen en raden behouden zich het recht voor om deze instructie ten allen tijde te mogen veranderen of uit te breiden.

21.02.1782, Dirk Eckelboom is in plaats van wijlen zijn vader Jan Eckelboom aangesteld tot marktmeester. Hij heeft de eed gedaan.

12.04.1813, Gerhard Herweijer is in plaats van wijlen Dirk Eckelboom aangesteld tot marktmeester. Hij heeft de eed gedaan.

Veranderde instructie voor de marktmeester ingevolge het geresolveerde van de Raad dezer stad.
De marktmeester zal een jaarlijks traktement genieten van 100 gulden zolang die som op de

_↓_


|pag. 23|

staat der begroting zal worden toegestaan.
Hij moet behoorlijk toezicht houden op de markten die gehouden worden op de Koommarkt en de Pantage.
Hij moet in het bijzonder controleren dat allen die waren aanbieden op marktdagen of andere tijden en die onderworpen zijn aan het patentrecht, kunnen aantonen dat zij dat patentrecht ook hebben betaald. Dit volgens de wet van 11.02.1816, luidende als volgt.
Geen marktmeester of iemand die door een gemeentebestuur is aangesteld om toezicht op de markten te houden, mag iemand toestaan om aldaar zijn bedrijf of nering uit te oefenen, en geen gemeentebestuur mag iemand door loting een plaats op een kermis of jaarmarkt toewijzen of een kraam laten opstellen, of eerst moet gebleken zijn dat zo iemand met het patentrecht is voorzien.
Een marktmeester die in gebreke blijft dat te controleren vervalt in een boete van 50 gulden voor de eerste maal en in boete van 100 gulden voor elke volgende maal.
Hij moet overal waar zich personen op markten of elders met kruiwagens, kramen, banken, etc. neerzetten om goederen te verkopen, opzicht houden. Hij moet om de plaatsen laten loten en de volgorde bij loting bepaald, handhaven.
Voor die werkzaamheden moet hij van een inwoner een stuiver en van een vreemde twee stuivers vorderen. Daarvan uitgezonderd zijn zij die met kruiwagens fruit, groente of oliekoeken slijten of zij die met geringe nering zitten. Zij moeten zich wel aan het toezicht van de marktmeester onderwerpen.

Fol.75.
Vroedvrouwen.
Eed: Ik zal alle burgeressen en inwoonsters, zonder onderscheid van arm of rijk, bij dag en bij nacht, ook in tijden van pest of andere ziekten, getrouw dienen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig.

De nadere instructie voor de stadsvroedvrouwen staat op fol.302.

09.01.1719, Jannegijn Arents is aangesteld tot vroedvrouw van Brunnepe en het Eiland.

07.11.1746, Hendrikjen Wildeboer is aangesteld tot vroedvrouw. Zij heeft de eed gedaan.

19.11.1751, Catharina van Lennep, vrouw van Adam Wiebes, is aangesteld tot vroedvrouw en heeft de eed gedaan.

08.11.1758, Johanna Gernets, vrouw van Marten van Baijen, is aangesteld en heeft de eed gedaan.

11.01.1762, Helwich Harmse en Anna Bruin aangesteld als stadsvroedvrouwen. Zij hebben de eed gedaan.

06.04.1771, Marijtie Jansen, vrouw van Gerrit van der Goor, is aangesteld tot stadsvroedvrouw en heeft de eed gedaan.

21.04.1780, Trijntie ten Cate, vrouw van Luitie van der Veen, is aangesteld tot stadsvroedvrouw en heeft de eed gedaan.

_↓_


|pag. 24|

Dit [vroedvrouwen]register wordt gecontinueerd op fol.302.

Fol.80.
Hoefsmid
De hoefsmid moet de stadspaarden meesteren [gezond maken/houden]. Daarvoor zal men hem een vergoeding geven. Als de stad dat van hem eist, moet hij evenals andere dienaars die stadskleding dragen, mee gaan op reizen ten behoeve van de stad.
Als hij paarden van burgers meestert en hij kan met hen niet accorderen over de vergoeding, zullen de muurmeesters daarin beslissen.

Het ambt wordt nu bediend door Jan Evertsen hoefsmid, op de daarop staande profijten.

19.01.1715, Frans Vrijdag is aangesteld tot stadshoefsmid. Hij heeft de eed gedaan.

26.06.1731, Matthijs Vrijdag is aangesteld tot stadshoefsmid. Hij heeft de eed gedaan.

05.07.1748, De weduwe Vrijdag, die nu gehuwd is met Hendrik Wilkes, mag van schepenen en raden gedurende haar leven het hoefsmidsambt behouden.

Bij resolutie van 02.04.1792 is het ambt van stadshoefsmid opgeheven. Daarvoor in de plaats is gekomen het ambt van opbrander van de beesten op de stadsweiden.

Fol.80v.
Opbrander van de beesten op de stadsweiden.

02.04.1792, Herman Schotman is aangesteld tot opbrander van de beesten in dezer stads weiden of meenten. Hij heeft de eed gedaan.

Fol.83.
Weerdmeester of meester van de stadsdaghuurders.

Hij moet er voor zorgen dat de daghuurders op tijd op het werk komen en goed werk leveren.
Hij moet de eerste zijn die komt en de laatste die gaat.
Iedere zaterdag moet hij bij de cameraars een lijst inleveren met de namen van de daghuurders, waar zij hebben gewerkt en gedurende welke tijd of dagen. Hij moet er op letten dat de daghuurders geen hout mee naar huis nemen. Hij moet zorgen dat alle hout, palen en ruwerk dat de stad laat houwen of snijden, behoorlijk wordt opgeslagen. Materialen die de stad elders koopt, moet hij op zijn eed ontvangen en voor de cameraars en rentmeesters op schrift zetten.

Fol.87.
Gevangenenwachter of cipier.

Hij moet op zijn lijf en goed de stadsgevangenen bewaken en delinquenten aantasten en geleiden.
Van elke gevangene die geschat wordt, krijgt hij een oud schild als sluitgeld. Voor hen die voor schuld of keur gevangen worden gezet, krijgt hij een halve gulden als sluitgeld. Van

_↓_


|pag. 25|

gevangenen die hun leven verbeurd hebben en van hen die onschuldig worden bevonden, krijgt hij geen sluitgeld.
Hij zal echter alleen sluitgeld beuren van hen die hun eigen kost betalen. Van gevangen waar de stad voor betaald, krijgt hij niets.
Hij mag alleen door de Raad geauthoriseerde personen bij de gevangenen toelaten.

Het ambt van cipier wordt nu bediend door Jan Arents, gewezen roedendrager.

17.10.1687, Berent Arentsen Uijttenhout is in plaats van wijlen Jan Arentsen aangesteld tot cipier.

29.04.1720, Jacob Schrijver is in plaats van de ontslagen Berent Arentsen Uijtenhout aangesteld tot cipier. Hij heeft met goedvinden van de Raad Severijn Stoop, executeur, voorlopig in zijn plaats gesteld. Deze deed de eed.

14.12.1758, Petrus Cellis heeft als substituut-cipier de eed gedaan.

13.11.1765, Reinier Lambregts heeft in plaats van wijlen Jacob Schrijver de eed als cipier gedaan.

05.01.1769, Gerrit ten Hove heeft in plaats van Reinier Lambregts, die is aangesteld tot roedendrager, de eed als cipier gedaan.

Op een los blaadje bij fol.88.
Ik beloof en zweer dat ik de dienst van hooiweger getrouw en eerlijk zal waarnemen en niet van mijn plicht zal afwijken voor giften, gaven of beloften.

Fol.90.
Eed van de vinnekijkers en vinders van beesten.
Dat gij uw ambt van beesten schouwen en vinden getrouw zult vervullen en een ieder die daarom verzoekt vlijtig zult dienen. Alles op de profijten en voorwaarden die in de ordonnantie van 28.08.1652 staan.

10.02.1703, Gerrit Meeusen Schinkel heeft de bovenstaande eed als vinnekijker gedaan.

16.04.1707, Willem Knogh heeft in plaats van wijlen Jan Meuwsen Schinckel de eed gedaan.

26.03.1709, Tuinis Jansen de Sott is, bij aflijvigheid van zijn vader Jan Tuinissen de Sot, aangesteld als varkensschouwer. Hij heeft bovenstaande eed gedaan en heeft beloofd als stadssuppoost de justitie te assisteren.

14.04.1716, Dirck Snel is aangesteld tot varkensschouwer.

26.07.1727, Jan Jansen Decker is aangesteld tot vinnekijker en heeft bovenstaande eed gedaan.

05.04.1731, Berend Schutter is aangesteld tot vinnekijker. Hij heeft de eed gedaan.

_↓_


|pag. 26|

21.05.1751, Dries van Ogteren is aangesteld tot vinnekijker. Hij heeft de eed gedaan.

13.11.1765, Harmen Prins heeft de eed als vinnekijker gedaan.

30.08.1767, Jannes de Haas heeft de eed als vinnekijker gedaan.

30.09.1779, De vinnekijker Hermannus de Haas is op zijn verzoek wegens zijn hoge leeftijd van zijn post ontheven. Zijn zoon Jannes de Haas is in zijn plaats aangesteld en heeft de eed gedaan.

16.07.1796, In de volle vergadering van de Municipaliteit is gestemd over de post van vinnekijker, vacant geworden doordat Jannes de Haas is ontslagen. Deze post is nu aan Jan ten Hove gegund. Hij deed de eed.

04.11.1802, Jannes de Haas, die bij resolutie van 01.08.1797 in zijn functie was hersteld, is overleden. In zijn plaats is aangesteld Johannes de Haas, welke de eed heeft gedaan.

Fol.93.
Eed en instructie voor de tollenaar.

Hij moet in eigen persoon het ambt bedienen, geen anderen laten schrijven of ontvangen en ieder jaar de cameraar een gespecificeerde rekening overleggen wanneer hij het tolgeld afdraagt.
Hij moet ook de bij het tolambt behorende werkzaamheden van het zetten van bakens en tonnen (boeien) waarnemen.
Van iemand die de tol voorbij vaart zonder tol te hebben betaald, mag hij na overleg met de Raad goederen in executie of in beslag laten nemen.
Hij mag geen hoger tolgeld berekenen dan wat in de tolcedule staat vermeld. Bij overtreding van dit artikel zal hij worden gestraft.
Hij mag in het tolhuis alleen raadsleden en goede onbesproken lieden ten gelage laten zitten.
Hij moet hen op hun verzoek bedienen met kaarsen, koeken en kaas, volgens oude gewoonten.
Als hij zich niet aan bovenstaande punten houdt en niet op tijd zijn rekening inlevert, wordt hij ontslagen.

Dit ambt wordt nu bediend door Henrick Janssen Tollenaer, die is aangesteld op 07.07.1659.

02.12.1670, Jan van Tongeren is aangesteld tot tollenaar.

1675, Herman de Graeffis aangesteld tot tollenaar.

02.10.1702, Herman de Graef is aangesteld tot tollenaar.

Fol.99.
Organisten en ‘musicijns’
[Deze rubriek is niet ingevuld]

_↓_


|pag. 27|

Fol.103.
Baakmeesters of piloten.
De baakmeesters moeten gedurende het gehele jaar alle stadsdiepen, zowel de grote als de kleine, bebakenen volgens instructie van de Raad.
De bakens worden hen in het voorjaar geleverd; zij moeten die dan leggen en in de herfst weer ophalen. Zij moeten ook de bolbakens ‘steken’.
Als er bakens of tonnen worden weggehaald of stukgevaren, moeten zij dat ‘op hun eed’ aan de burgemeesters melden.
Zij moeten het direct aan de burgemeesters melden als er een schip in een stadsdiep aan de grond is gelopen.
Zij moeten direct aan de burgemeesters de namen aanbrengen van vissers of anderen die in stadswater gevangen visch niet in Kampen ter markt brengen, maar overladen in aken of andere schepen. Er is een publicatie van. Zij krijgen het vierde part van de opgelegde boeten.
Verder zullen zij worden beloond met het normale traktement.

11.05.1688, Geerlich de piloot is begunstigd met het gasthuis. In zijn plaats is Jacob Hanssen Worst aangenomen tot piloot en baakmeester. Hij heeft de eed gedaan.

19.12.1689, Lubbert Wesselsen is in plaats van Jan Glasekremer aangesteld tot piloot, op het daarop staande traktement.

26.11.1691, Wolter Augustinus is in plaats van wijlen Jacob Hanssen Worst aangenomen tot baakmeester of piloot. Hij heeft de eed gedaan.

28.03.1695, Hermen Berentsen Meijboom is in plaats van wijlen Jan Simonsen aangesteld tot baakmeester of piloot.

12.12.1696, Hermen Jansen Kappert is in plaats van wijlen Wolter Augustinus aangesteld tot baakmeester of piloot. Zijn traktement gaat in met Pasen 1697.

07.02.1703, Simon Jansen, de zoon van Jan Simonsen, is in plaats van wijlen Hermen Berentsen aangesteld tot baakmeester of piloot. Van zijn traktement, dat ingaat met Pasen 1703, moet hij zijn moeder haar leven lang de helft meegeven.

16.04.1707, Jan Dircksen is in plaats van Jan Butterdijck tot baakmeester of piloot aangesteld. Hij heeft de eed gedaan.

26.09.1707, Albert Claassen is in plaats van zijn vader Claas Jansen aangenomen tot baakmeester of piloot. Van zijn traktement moet hij echter ook zijn vader en moeder onderhouden. Als zijn vader komt te overlijden vóór zijn moeder, moet hij haar vanaf dat moment de helft van zijn traktement meegeven. Hij heeft de eed gedaan.

07.11.1707, Wessel Lubbertsen is nadat zijn vader Lubbert Wesselsen afstand had gedaan, aangesteld tot baakmeester of piloot. Hij moet van zijn traktement ook zijn vader en moeder hun leven lang onderhouden.

_↓_


|pag. 28|

12.09.1711, Lubbert van Grafhorst heeft als gesubstitueerde van Wessel Lubbertsen de eed afgelegd.

16.11.1719, Peter Visscher is tot gesubstitueerd piloot of baakmeester aangesteld in plaats van wijlen Lubbert van Grafhorst. Hij heeft de eed gedaan.

24.01.1713, Gerrit Gerbrants, is in plaats van zijn vader Gerbrant Klaas, die zijn functie door ziekte en ouderdom moest neerleggen, aangesteld tot piloot of baakmeester. Hij moet zijn ouders hun levenlang ondersteunen, zoals hij in zijn request had beloofd.

13.11.1719, Barthold Vriese is in plaats van wijlen Albert Jansen Oele aangesteld tot piloot of baakmeester.

16.11.1719, Peter Visscher is in plaats van [akte niet afgemaakt; zie boven].

12.08.1720, Peter Janssen Visscher is in plaats van Wessel Nielant aangesteld tot piloot of baakmeester. Hij moet echter de helft van zijn traktement afstaan aan Grietje Geerlofs, de moeder van Wessel Nielant, zolang zij leeft.
[In de marge:] 31.12.1724, Hendrik Juriaansen van den Rhijn is in plaats van Jan Dirksen Kreeft aangesteld tot piloot. Daarom is Peter Visscher van de helft van zijn betaling vrijgesteld en behoeft nu jaarlijks nog maar 10 gulden en 10 stuivers te betalen.

30.12.1724, Henrick Jurriaansen van den Rhijn is in plaats van Jan Dirkzen Kreeft aangesteld tot piloot of baakmeester. Hij moet echter aan Grietje Geerloffs, weduwe Nielant, zolang zij leeft jaarlijks uitkeren 10 gulden en 10 stuivers.

08.11.1730, Gijsbert van den Oordt is in plaats van wijlen Harmen Kappert aangesteld tot piloot of baakmeester. Hij heeft de eed gedaan.

27.09.1732, Harmen Eckelboom is in plaats van wijlen Gijsbert van den Oordt aangesteld tot piloot of baakmeester.

10.05.1745, Arnoldus Vriese is bij apostille van 29.04.1745, in plaats van de op eigen verzoek ontslagen Peter Visser, aangesteld tot piloot of baakmeester.

26.05.1746, Jan Blanke is in plaats van wijlen Albert van Ee op 24.05.1745 door de Raad aangesteld en op heden in de eed genomen.

22.02.1771, Arend van Zanten is bij apostille van 20.02.1771, in plaats van de op eigen verzoek ontslagen Willem van IJsveld, aangesteld tot piloot of baakmeester. Hij heeft op heden de eed gedaan.

06.05.1779, Albert van Dijk is bij apostille van 06.05.1779, in plaats van Arnoldus Vriese, aangesteld tot piloot. Zie de conditie van de aanstelling in Libro Apost. op 06.05.1779.

14.12.1780, Jan van der Weerdt is in plaats van Albert van Dijk aangesteld tot piloot. Zie de resolutie van heden dato.

_↓_


|pag. 29|

16.11.1786, Hendrik Samsuiten is bij apostille van 31.07.1786, in plaats van wijlen Jan Diestelhof, aangesteld tot piloot. Hij heeft de eed gedaan.

05.11.1795, Dirk Groen is bij apostille van 03.11.1795, in de plaats van H. Samsuiten, na de dood van Jan Duselhof, aangesteld tot piloot. Hij heeft de eed gedaan.

29.03.1799, Hendrik Jansen is bij apostille van 28.03.1799, in plaats van wijlen Arend van Santen, aangesteld tot piloot. Hij heeft de eed gedaan.

29.12.1824, Hendrik ten Brink is in plaats van de wegens plichtsverzuim ontslagen Jan Meyboom aangesteld tot piloot. Hij heeft de eed gedaan in handen van de burgemeester.

17.01.1825, Gerrit Groen is in plaats van de wegens plichtsverzuim ontslagen Gerrit Gerrits van Dijk aangesteld tot piloot. Hij heeft de eed gedaan in handen van de burgemeester.

27.11.1834, Gerrit Nottrot is in plaats van Hendrik ten Brinke, die ontslag heeft genomen, aangesteld tot loods. Hij heeft de eed afgelegd in handen van de wethouder J.J. Gansneb genaamd Tengnagel.

Loos blaadje bij fol. 107.
Ik beloof en zweer dat ik als piloot zal obtineren de bevelen die mij wegens de regering zullen worden gegeven, mijn plicht getrouw zal waarnemen en voorts de instructie of die mij in het vervolg zal gegeven worden, naar behoren zal nakomen.

Fol.109.
Karlieden.
Zij zijn verplicht, als hen dat wordt gevraagd, de justitie met wagen en paarden te dienen. Zij moeten de hen aangewezen kwartieren en straten schoonhouden. Als zij zand, steen, kalk of hout moeten vervoeren, moeten zij daarvan goede aantekening maken en die daarna overleveren bij de cameraars en rentmeesters.
[rubriek verder niet ingevuld]

Fol.112.
Wachtmeesters of ondermajoors.
Eed: Ik zweer dat ik de stad Kampen als wachtmeester trouw zal zijn en dat ik mij bij het openen en sluiten van de stadspoorten en bij het toezicht op de stadswachten, zowel bij dag als bij nacht, getrouw zal gedragen. Ik zal niets doen noch gedogen dat nadelig is voor de stad. Ik zal mij in alles voegen volgens de door de Raad gemaakte ordonnanties.

Jan Thijssen van der Worp, de tegenwoordige wachtmeester of ondermajoor dezer stad, is dikwijls ziek en hij is hardhorig. Hij verzoekt de Raad om in zijn plaats te benoemen zijn zoon Matthijs van der Worp. Op 29.06.1691 heeft de Raad genoemde Matthijs van der Worp aangesteld tot wachtmeester of ondermajoor, op het traktement en de emolumenten die daar op staan. Matthijs heeft op 08.09.1691 de eed gedaan.

13.07.1705, Lubbert Stubbe is in plaats van wijlen Jan Thijssen van der Wurp aangenomen tot wachtmeester en ondermajoor. Zie de resolutie van 13.07.1705.

_↓_


|pag. 30|

13.07.1711, Order en reglement voor de stadswachtmeester en ondermajoor voor het ontvangen en verdelen van licht en kaarsen voor de corps de guardes.
Hij moet des daags in de periode van 21 october tot 21 februari in de hoofdwacht 12 kaarsen brengen, in de bijwachten en in de vijf poorten elk 4, maakt 24 kaarsen, de beide poortsluiters en de majoor elk 1, maakt 3 kaarsen. Het moeten kaarsen zijn van 11 á 12 in een pond. Totaal 39 kaarsen per dag, maakt 273 per week met een gewicht van 24 en 9/11 pond.
In de periode van 21 februari tot 21 april en in de periode van 21 augustus tot 21 october resp. 9, 18 en 3 kaarsen, komt per week op 19 en 1/11 pond.
In de periode van 21 april tot 21 augustus resp. 6, 12 en 3 kaarsen, komt per week op 13 en 4/11 pond.
In de marge staat dat 29.05.1752 de roedendrager Van Zegen een copie heeft gebracht aan de ondermajoor Pastoor.

27.11.1725, Gerrit Pastoor is in plaats van Lubbert Stubbe aangesteld tot ondermajoor. Hij heeft de eed gedaan.

21.08.1752, Dirk Middelberg heeft in plaats van Gerrit Pastoor, die vrijwillig terugtrad, de eed als ondermajoor afgelegd.

08.01.1779, Jannes Middelberg heeft in plaats van wijlen zijn broer Dirk Middelberg de eed als ondermajoor afgelegd.

07.10.1779, Rutger Erkelens heeft in plaats van wijlen Jannes Middelberg de eed als ondermajoor gedaan.

17.07.1786, N.Th. van Slangenburg heeft in plaats van wijlen Rutger Erkelens de eed als ondermajoor gedaan.

21.08.1788, Roelof Storm Martensz heeft in plaats van wijlen N.Th. van Slangenburg de eed als ondermajoor gedaan.

Fol.115.
Waagmeesters.
Wij zullen ons beroep en bediening naarstig en getrouw waarnemen. Wij zullen oprecht wegen en van alles dat bij ons aangevoerd wordt goede aantekening houden, te weten van koren, mout en meel. Als er fouten worden ontdekt, moet er een cedule worden gebracht aan degene die van stadswege met de accijnsen is belast. Verder zullen wij zorgen dat de stad en de burgers niets te kort wordt gedaan.

Dit ambt wordt tegenwoordig bediend door Johannes van Eems en Jan Janssen Kelder in de Venepoort en door Lucas Janssen Harpste in de Cellebroederspoort.

20.02.1705, Willem Lambertsen Lasman heeft afstand gedaan van het waagmeesterschap in de Cellebroederspoort. In zijn plaats is zijn oudste zoon Lambert Willemsen Lasman aangesteld.
Deze deed de gewone eed.

17.10.1707, Jan van Barkum is in plaats van wijlen Laurens Pastoor aangesteld tot

_↓_


|pag. 31|

waagmeester in de Cellebroederspoort. Hij heeft de eed gedaan.

18.10.1712, Arent Wijntjes is in plaats van wijlen Willem Lambertsen Lasman aangesteld tot waagmeester in de Cellebroederspoort. Hij heeft de eed gedaan. Hij heeft aangenomen mede de justitie te assisteren.

21.09.1710, De waagmeesters aan de Bovenpoort en Cellebroederspoort moeten (boven wat in hun gewone eed vermeld wordt) van het openen tot het sluiten der poorten bij de waag zijn en er op letten dat het koren dat vanuit de stad naar de molens wordt gebracht, per zak op de waag wordt gewogen. Zij moeten nauwkeurig noteren wat zij hebben gewogen en wie de eigenaren van het gewogene waren. Zij moeten daarna de cedulen doorscheuren en de beide stukken ordentelijk liasseren, zodat de pachters van de accijnsen die kunnen collationeren aan de hand van de accijns- en waagboeken.
Het gebroken koren en het meel dat van de molens op de waag wordt gebracht moet per zak worden gewogen en het gewicht moet worden vergeleken met het gewicht van het naar de molen gebrachte ongemalen koren. In het waagboek moet gewichtsverlies of gewichtsvermeerdering worden genoteerd en de partij afgekruist. De molenaars moeten ‘ten dien einde hun afgezonderde bak met meel op de wage hebben’.
Jannis Kelder en Comelis Pastoor, Willem Lambertsen Lasman en Jan van Berkum, hebben hierop de eed gedaan.

De molenaars en particulieren mogen niet ten ontijde koren uit de stad voeren of gebroken koren en meel invoeren, zonder dat het ter waag is gebracht. Zij moeten bij de waag blijven totdat alles gewogen is. Zij die zich niet aan het bovenstaande houden, zullen als fraudeers worden beschouwd en als zodanig worden gecorrigeerd.
In de marge staat: Zie de resolutie, geregistreerd op fol. 117.

03.02.1716, Jan Schutter is in plaats van wijlen Jan van Barkum aangesteld tot waagmeester in de Cellebroederspoort. Hij moet tevens de justitie assisteren. Hierop heeft hij de eed gedaan.

20.07.1722, Jacob Schrijver is in plaats van wijlen Jan Schutter aangesteld tot waagmeester in de Cellebroederspoort. Hij moet tevens de justitie assisteren. Hierop heeft hij de eed gedaan.

20.05.1723, Klaas van der Burgh is in plaats van Jannis Kelder (die van zijn eed is ontslagen en is gebeneficieerd met een plaats in het Geertruiden en Catharijnen Gasthuis) aangesteld tot waagmeester in de Venepoort. Hij heeft de eed gedaan.

23.05.1724, Peter Henrikzen van Dijk heeft als provisioneel aangestelde waagmeester van de Venepoort de eed gedaan.

22.05.1733, Gerrit de Groot is in plaats van wijlen Cornelis Pastoor aangesteld tot waagmeester in de Venepoort. Hij heeft de eed op vorenstaande instructie gedaan.

03.06.1741, Dirk Wintmars is in plaats van wijlen Gerrit de Groot aangesteld tot waagmeester in de Venepoort. Hij heeft de eed gedaan.

08.03.1742, Gerrit Olofs is in plaats van wijlen Wijnties aangesteld tot waagmeester in de

_↓_


|pag. 32|

Cellebroederspoort. Hij heeft de eed gedaan.

15.03.1742, Pieter de Wit is in plaats van Gerrit Olofs (die op eigen verzoek is ontslagen) aangesteld tot waagmeester in de Cellebroederspoort. Hij heeft de eed gedaan.

13.11.1744, Gerrit Pastoor heeft de eed gedaan als waagmeester van de stadswaag, ingevolge de ordonantie op de waag.

28.01.1745, De tijdeiijke pachter van de stads-accijns op het gemaal heeft een request ingediend waarin hij zich beklaagt over de molenaar Jan Meijer, die pachter is van de lands-accijns op het gemaal. Daarop heeft de Raad de volgende resolutie genomen.
Na verhoor van beide partijen heeft de Raad beslist dat de aangeklaagde verplicht is om elke dag, zo dikwijls hij in de stad komt, bij de waag de cedulen van het gebroken en gemalen koren, toebehorende aan lieden van buiten de stad, af te geven. Verder moet de beklaagde tot meerdere securiteit met handtasting beloven deze resolutie exact na te komen. Requestrant zal de andere molenaars ook kennis geven van deze resolutie.
Op datum als boven heeft de beklaagde Jan Meijer met handtasting, in edes plaats, het vorenstaande beloofd.

13.12.1753, Gijsbert Spraakman is in plaats van wijlen Van den Burg aangesteld tot waagmeester. Hij heeft de eed gedaan.

28.03.1759, Engbertus Brandenburg is in plaats van Gijsbert Spraakman aangesteld tot waagmeester. Hij heeft de eed gedaan.

10.08.1761, Andries van Putten is in plaats van Derk Wintmars aangesteld tot waagmeester aan de Venepoort. Hij heeft de eed gedaan.

10.08.1761, Gerrit Jan van Putten is aangesteld tot provisioneel gesubstitueerd waagmeester in plaats van voornoemde Andries van Putten. Hij heeft mede de eed gedaan.

13.11.1761, Hendrick van Rijssen is in plaats van Jacob Schrijver aangesteld tot waagmeester aan de Cellebroederspoort. Hij heeft de eed gedaan.

13.11.1761, Pieter ter Veer is aangesteld tot provisioneel gesubstitueerd waagmeester in plaats van Hendrik van Rijssen. Hij heeft mede de eed gedaan.

20.10.1776, Willem Stevens van Rhoden is in plaats van Pieter de Wit aangesteld tot waagmeester in de Cellebroederspoort. Hij heeft de eed gedaan.

30.09.1779, Johannes Vieman is in plaats van Hendrik van Rijssen aangesteld tot waagmeester in de Cellebroederspoort. Hij heeft de eed gedaan.

30.09.1779, Hermannus Brugging is in plaats van de waagmeesters Willem Stevens van Rhoden en Johannes Vieman aangesteld tot provisioneel gestubstitueerd waagmeester aan de Cellebroederssluis. Hij heeft de eed gedaan.

_↓_


|pag. 33|

17.04.1780, Aart Captein is in plaats van wijlen Egbertus Brandenburg aangesteld tot waagmeester aan de Bovenpoort. Hij heeft de eed gedaan.

26.02.1784, Jan van Putten is in plaats van wijlen Andries van Putten aangesteld tot waagmeester aan de Bovenpoort. Hij heeft de eed gedaan.

16.07.1796, Everwijn Dambrink is in plaats van Aart Captein aangesteld tot waagmeester in de Bovenpoort. Hij heeft de eed gedaan.

29.07.1796, Jacob Jelink is in plaats van J. van Putten aangesteld tot waagmeester in de Bovenpoort. Hij heeft de eed gedaan.

Bij resolutie van 02.08 en 09.08.1797 zijn Aart Kaptein en Jan van Putten in hun functie van waagmeesters van de Bovenpoort hersteld.

27.10.1798, Jan van Putten Gzn is in plaats van Jan van Putten aangesteld tot waagmeester.
Hij heeft de eed gedaan.

31.08.1833, Cornelis Gezelschap heeft in handen van de burgemeester de eed als waagmeester van de stadswaag afgelegd.

Stadsijker.
Eed: Ik zal recht gewicht maken en recht ijken en stempelen, volgens de stadsgewichten en volgens de oude voorwaarden, op de daartoe staande profijten.

Dit ambt wordt nu bediend door Jan Ariaensen Broeckman, die de eed gedaan heeft op 08.06.1667.

08.02.1676 Adriaen Broeckman heeft als mede-ijker van zijn vader Jan Ariaensen Broeckman de eed gedaan.
Bij het overlijden van zijn vader is hij gecontinueerd.

01.04.1711, Het ambt is om redenen in het request vermeld, gegeven aan de weduwe van Adriaan Broeckman, mits een bekwaan persoon in dienst nemende.

25.08.1724, Albert Bielevelt is door de weduwe Broekman aangesteld om zo lang zij leeft het ijkerschap waar te nemen. Hij heeft de eed gedaan.

19.04.1743, Gabriel ten Clooster is in plaats van wijlen de weduwe Broekman aangesteld als ijker. Hij heeft de eed gedaan.

09.12.1779, Menso Lankhorst is in plaats van wijlen de gemeensman Gabriel ten Clooster aangesteld tot ijker. Hij heeft de eed gedaan.

04.02.1791, Jan Lankhorst Mzn is in plaats van zijn vader Menzo Lankhorst aangesteld tot ijker. Hij heeft de eed gedaan.

_↓_


|pag. 34|

22.11.1799, Arnoldus Verver is in plaats van Jan Lankhorst Mzn aangesteld tot ijker. Hij heeft de eed gedaan.

Instructie voor de stadsijker, opgesteld bij resolutie van 09.09.1805.
Art. 1. Hij zal voor elke el, onder op het platte daarvan te stempelen, genieten een stuiver.
Voor de eerste keer met het stadswapen en de jaarletter en met het vernieuwen alleen met de jaarletter. Als het wapen versleten is, opnieuw te stempelen met wapen en letter.
Art. 2. Voor het ijken van tinnen en blikken maten zal hij ook een stuiver genieten.
Art. 3. Voor het ijken van een gewicht van 100 lb. of voor het merk te vernieuwen, zal hij genieten 4 stuivers. Van elke 25 lb. daarboven 1 stuiver extra.
Art. 4. Van 50 tot 100 lb. te ijken, zal hij genieten 3 stuivers.
Art. 5. Van 25 tot 50 lb. 2 stuivers.
Art. 6. Van 1 tot 25 lb. 1 stuiver en van gewichten beneden een 1b. een halve stuiver.
Een ieder moet de materie waarmee de ijker het gewicht verzwaard, zelf betalen.
Art. 7. Gewichten mogen niet aan de onderzijde, maar moeten aan de bovenzijde verzwaard worden.
Art. 8. Geen oneffen, maar alleen gladde en effen gewichten mogen geijkt worden.
Art. 9. De ijker moet eens per jaar de stadswaag visiteren en de gewichten ijken.
Art. 10. Alle schalen die hem gebracht worden mag hij effenen en zich daar van naar redelijkheid laten belonen.

Op een ingeplakt blaadje staat:
A. Verver heeft ontvangen van de weduwe van Jan Lankhorst de volgende ijkersgewichten.
12 koperen maten.
11 ijzeren gewichten.
1 koperen twee pond.
1 koperen huisjes pond.
2 grote koperen schalen.
1 grote balans.
2 kleine koperen schalen.
1 kleine balans.
22 ijzeren stempels.
1 ijzeren el.

Op een los inliggend blaadje bij fol.120 staat:
Ondergetekende bekent de volgende gewichten en maten van de stad ontvangen te hebben.
10 koperen maten.
2 blikken maten.
11 ijzeren gewichten.
3 koperen 2 lb.
1 koperen huisjes lb.
2 grote koperen schalen.
1 grote balans.
2 kleine koperen schalen.
1 kleine balans.
22 ijzeren stempels.
1 ijzeren el.

_↓_


|pag. 35|

Kampen, 24.07.1816, Get. Kierspensius.

Verandering op de turfdragersordonnantie van 28.07.1708.
24.02.1713, De Raad heeft gemerkt dat er bij het verkopen, lossen, meten en dragen van turf veel ongeregeldheden en kwade praktijken voorkomen, strekkende tot groot nadeel van de turfschippers zowel als van verkopers en kopers. En dat niettegenstaande er een goede ordonnantie gemaakt was.
Met goedvinden van de Gezworen Gemeente wordt nu het volgende geordonneerd.
Voortaan moeten alle meters, elk in zijn praam of ploeg, op hun eed de turf bezorgen en moeten de turfvulsters, die ook in de eed genomen worden, volgens de gemaakte ordonnantie vullen. De vulsters moeten de zak drie keer een halve voet optillen en weer neer zetten. Bij niet opvolgen van deze bepalingen worden zij ontslagen en nooit weer aangenomen. Verder moeten de zakken de normale maat hebben en mogen geen andere zakken gebruikt worden.
Turfdragers, turfmeters of turfvulsters mogen geen turf van turfschippers kopen, direct of indirect, om die door te verkopen vanuit de praam.
De heren broodwegers worden geauthoriseerd om enige of alle turfzakken te controleren als zij dat willen. Te controleren op breedte, diepte, dichtheid van het doek en lengte van het sluittouw. Ondeugdelijke zakken mogen zij vernietigen. Degene die de fouten heeft veroorzaakt of gemaakt, zal worden ontslagen.
De schippers mogen niets meer aan de dragers geven; dus geen gulden voor de ploeg, geen 10 stuivers voor het makelaarsgeld, geen 6 stuivers aan de meters, noch iets anders, op een boete van 20 goudguldens voor de eerste overtreding en inbeslagname van hun praam of schuit voor de volgende overtreding.

Turfmeterseed [ca. 1666]
Gij moet de zak recht vullen en als die gevuld is, driemaal opschudden en dan opvullen met een rij turf boven in de zak.
In de marge: Zie de uitbreiding van deze eed bij resolutie van 15.10.1740 en de nadere resolutie, geregistreerd in dit boek op fol.125.

11.04.1666, Wolter Henrix is gekozen tot turfmeter.

30.09.1695, Jacob Jansen Draek doet de eed als turfmeter.

06.02.1696, Assien Gerrits doet de eed als turfmeter van Brunnepe.

28.02.1698, Cornelis Wolters doet de eed als turfmeter.

27.10.1699, Jan ten Tooren doet de eed als turfmeter.

18.11.1699, Hermen Roeloffs Soomer doet de eed als turfmeter.

10.05.1703, Caspar Henricksen doet de eed als turfmeter.

01.08.1703, Willem Willemsen heeft de eed gedaan in plaats van Caspar Henriksen. De cameraars en rentmeesters stemden in de ruiling toe.

_↓_


|pag. 36|

19.11.1703, Jan de Haane heeft de eed gedaan als turfmeter. Hij kwam in de plaats van Melcher Smitt.

02.11.1705, Jan Jacobsen Draack heeft de eed gedaan als turfmeter. Hij kwam in de plaats van zijn vader Jacob Jansen Draak.

17.03.1706, Peter Jacobsen van Graffhorst heeft de eed gedaan als turfmeter. Hij kwam in de plaats van Hermen Janssen Brommert.

14.12.1706, Henrick Schultinck in plaats van Jan ten Toom.

18.02.1707, Joost Lubbertsen als turfmeter van Brunnepe in plaats van Asjen Gerrits.

02.10.1710, Anthonie Hagenboss in plaats van Jan de Haan.

08.10.1712, Hermannus Jansen Doole in plaats van Hermen Somer.

03.06.1716, Knelis Henricksen in plaats van Peter Jacobsen.

26.04.1717, Lambert Henricksen Stronkert in plaats van de ontslagen Henrick Schultinck.
Hij heeft de eed op de ordonnantie en op de aanvulling van 14.02.1713 afgelegd.

04.05.1719, Lambert Eliasen Pannebacker heeft de eed gedaan als turfmeter.

06.10.1721, Jan Janssen van Sutum in plaats van Willem de Engelsman.

07.10.1721, Hendrik Roelofs in plaats van Cornelis Hendrikse.

22.01.1725, Jacobus van ’t Winkel in plaats van [niet ingevuld].

11.09.1724, Gerrit Petersen als turfmeter van Brunnepe in plaats van Joost Lubbertsen.

23.06.1728, Jan de Graaf doet de eed als bijmeter.

14.02.1729, Bernardus Jansen Smit is plaats van Jan van Zuithem.

10.01.1736, Jan Luick in plaats van Jan de Graaf als bijmeter.

09.02.1736, Evert de Haan in plaats van wijlen Melcher Smit.

19.10.1740, De volgenden deden de eed als turfmeter op de resolutie van 15.10.1740.
Harmanus Doele.
Lambert Pannebacker.
Bernhardus Smit.
Coops van Twinkel.
Lambert Stronkaert.
Jan van Amersfoort.

_↓_


|pag. 37|

Evert de Haan.
Als bijmeter Jan Luik.

24.10.1740, Ernst Donselaar in plaats van Jan Luik (die vrijwillig afstand deed) als bijmeter

25.10.1740, Thijs van Werven als nieuw aangestelde tweede bijmeter, deed de eed.

24.11.1740, Jan Samuelzen als nieuw aangestelde derde bijmeter, deed de eed.

03.06.1741, Comelis Thijssen in plaats van Lambert Stronkert.
Jacob Steven van Goor in de plaats van Jan van Amesfoort.
Jan Sauwelsen in plaats van Berend Smit.

06.03.1742, Henrik van Dijk in plaats van Jan Sauwelsen

08.03.1742, Arent van Grafhorst in plaats van Hermannus Doele.

26.05.1746, Peter van Rechteren in plaats van Arend van Grafhorst.

16.11.1748, Jacob van Dijk in plaats van Jacob van Goor.

29.11.1748, Lambert van den Noorth in plaats van [niet ingevuld].

09.05.1750, Henrikus Swartz deed de eed als bijmeter.

08.12.1752, Hendrik Gerritsen Sellis deed de eed als turfmeter in Brunnepe in plaats van Gerrit Petersen Sellis, die vrijwillig afstand deed.

02.09.1754, Jan Mensink deed de eed als turfmeter.

17.03.1755, Henrik Swartz in plaats van Jacobus van Quinkel als turfmeter.

17.03.1755, Fredrik Henriks in plaats van Henrik Swartz als bijmeter.

09.05.1746, Op de klacht van de tijdelijke pachter van de stadsturfaccijns is de volgende resolutie en appostille aangenomen.
Op het rapport van de broodwegers is goedgevonden dat de turfmeters zullen worden gelast om nauwkeurig aantekening te houden hoeveel zakken turf in elke praam door hen gemeten zijn, met aantekening van de naam van hen die de turf hebben ontvangen, en hoeveel zakken die ontvangen hebben. Zodra de praam is gelost, moeten de meters de collecteur van de turfpacht de aantekeningen overhandigen. Overtreders worden als meinedigen bestraft en ontslagen uit hun functie.
Zie de nadere resolutie voor de turfmeters van 11.07.1776.

22.04.1796, Hermanus Wissink is in plaats van de ontslagen Gerrit Jan ten Peeze als turfmeter aangesteld.

_↓_


|pag. 38|

06.05.1803, Hubert Londo, aangesteld bij apostille van 02.05.1803, mag de post van turfmeter voor zijn vader waarnemen. Hij heeft de eed gedaan.

25.08.1803, Hermanus Lambrechts als bijmeter in plaats van Cornelis van Putten, die is aangesteld tot turfmeter.

14.06.1805, Hermanus Lambrechts in plaats van wijlen Hendrik Londo als turfmeter.

14.06.1805, Philip Best aangesteld tot bijmeter in plaats van Hermanus Lambrechts.

08.10.1817, Reinier van der Meulen als bijmeter aangesteld.

29.10.1818, Reinier van der Meulen in plaats van Gartman, die bedankt heeft [inschrijving doorgehaald] In de marge: Zie voor het vervolg op fol.146v.

Fol.126.
Ordonnantie op het verloden van de witte bommesijnen.
1622, Schepenen en raden hebben bij provisie tot bevordering van de nering van de bommesijnwerkers van deze stad verordonneerd dat alle bommesijnwerkers hun stukken of bommesijnen zullen maken op de lengte van ruim 20½ ellen en op de breedte van 3/4 min 1/16 el.
Alle stukken bommesijn zullen door de geauthoriseerde opzichters met een daartoe geordonneerd stadsstempel worden gelood, mits van elk stuk betalende 5 duiten, te weten 4 voor het loden en 1 voor de eigenaar van het huis waarin gelood wordt.
Stukken die de juiste lengte of breedte niet hebben, mogen niet gelood worden.
Met stukken waarin fouten of gaten worden bevonden, zullen de opzichters naar hun eigen inzicht handelen of daarover de zegelaars om advies vragen.

Fol.128.
Eed van de terrameester en meter van de wollen lakens.
Dat gij uw beroep van het meten van de wollen lakens en van de terra getrouw zult bedienen, zonder iemand de dienst te weigeren, en de terra nauwkeurig zult aantekenen. Alles volgens de ordonnantie en het plakkaat dat de Hoog Mogenden daar van gemaakt hebben.

Fol.128v.
03.12.1810, Instructie voor de brandmeter in Brunnepe en in de stadsjurisdictie.
Art. 1. De brandmeter moet zich ten allen tijden, maar vooral gedurende de herfst, beschikbaar houden voor hen die hem nodig hebben. Hij moet nuchter en bekwaam zijn.
Art. 2. Zolang er geen andere turfmaat zal worden ingevoerd, moet hij de lange turf meten in de gewone manden. Hij moet zorgen dat de manden tot de daarop passenden en overslaande beugel gevuld worden. Hij moet de manden zelf op de wagens of in de schuiten laden.
Art. 3. Hij moet er op toezien dat de vulsters de telling van de korte turf correct doen. Hij moet ook die turf zelf laden op de wagens of in de schuiten.
Art. 4. Hij mag geen geschenken in geld, drank of anders aannemen, van kopers noch van verkopers. Hij moet ook toezien dat de vulsters geen drankgeld of koffijgeld van schippers of kopers vragen.
Art. 5. Hij moet controleren dat bewoners van de Hagen, Brunnepe, den Oort, Haatland,

_↓_


|pag. 39|

Weerden, Buitendijks, Zwartendijk, op het gehele Eiland en op het Mandemakersland geen andere turf aanschaffen dan alleen turf die door hen gemeten en door de vulsters geteld is. Als hij hierin gebreken ontdekt, moet hij dat melden aan de burgemeesters.
Art. 6. Voor dit dragen en meten mag hij vorderen van 30 manden lange turf 6 en 1/4 stuiver en van 1000 korte turven 3 en 1/4 stuiver. Voor meer of minder naar rato.
Hij mag niet weigeren te komen als het om minder dan bovenstaande aantallen gaat.
Aldus gearresteerd door burgemeester en wethouders op de 3de van wintermaand 1810.

05.12.1810, Op bovenstaande instructie is Lubbert Zonnenberg, als dienstdoend voor Hendrik Cellis, die door blindheid wordt gehinderd, aangenomen. Hij heeft de eed gedaan.

Fol.131.
Eed van de visitateurs van fouten in de wollen lakens.
Gij zult uw beroep van visitateur van fouten in de wollen lakens die ter molen worden gebracht om te worden gevold, naarstig en getrouw waarnemen.
Gij zult de door het vollen onstane schade naar waarheid aantekenen en een ieder dienen die uw dienst nodig heeft, alles volgens het akkoord van 14.05.1646, gesloten met E. Willem Jacobsen Worst en Goossen Hermsen, naar aanleiding van het request dat de drapeniers hebben ingediend bij de Raad.

27.01.1694, Laurens de Poele, Jan Hermsen Hane en Dirk Boldewijnsen hebben de eed als zegelaars gedaan.

Fol.137.
Eed van de visitateurs van de wol.
Gij zult uw ambt van het visitateren van de wol, zowel van kleine als van grote balen die hier aankomen tot behoef van de drapeniersnering, getrouw uitoefenen, zowel tot securiteit van de kopers als van de verkopers. Gij zult de schade buiten de taxeermeesters en de hoeveelheid vuile wol, oprecht taxeren, zonder echter de zakken aan de vier hoeken te mogen openen. Dit alles volgens de apostille die op het request van de drapeniers gewezen is.

Fol.142.
Eed van de zegelaars of verloders van de duffelen en van de zegelaars en prenters die door de magistraat en de nering zijn geauthoriseerd.
Dat gij uw ambt van het loden, verzegelen en prenten van de duffels, en mede in het maken van de terra van de grove wol, naarstig en oprecht zult waarnemen. Alles volgens de ordonnantie die de Raad heeft verleend aan de nering van de duffelmakers.

Fol.146. [vervolg turfmeters]
14.03.1763, Hendrik Mulder heeft, in plaats van Cornelis Idsinga, de eed als turfmeter afgelegd.

29.07.1763, Frerik Baaij heeft bij provisie, in plaats van Fredrik Hendriks, die zich voor enige maanden van hier heeft geabsenteerd, de eed als bijmeter afgelegd.

14.09.1764, Harmen Vos heeft, in plaats van Lambert Pannebakker, de eed als turfmeter afgelegd.

_↓_


|pag. 40|

16.11.1764, Freric Baaij heeft, in plaats van wijlen Hendrik Mulder, de eed als turfmeter afgelegd.

22.11.1765, Gerrit van Aalderink heeft de eed als bijmeter afgelegd.

09.06.1768, Jan van Dalen heeft, in plaats van Jacob van Dijk, die vrijwillig terugtrad, de eed als turfmeter afgelegd.

30.12.1771, Gerrit Aalderink heeft, in plaats van wijlen Evert de Haan, de eed als turfmeter afgelegd.

02.01.1772, David van Regteren heeft, in plaats van de tot turfmeter aangestelde Gerrit Aalderink, de eed als bijmeter afgelegd.

16.05.1774, Pieter Alferts heeft, in plaats van David van Regteren, die vrijwillig terugtrad, de eed als bijmeter afgelegd.

09.06.1776, Pieter Alferts is door de Raad geauthoriseerd om de turfmetersplaats van de door ouderdom onbekwaam geworden Lambert van den Noort bij provisie waar te nemen, mits aan deze de derde stuiver uit te keren.

10.06.1776, Jan Rutgers de Haan heeft, in plaats van Pieter Alferts, de eed als bijmeter gedaan.

09.01.1777, Jan Rutgers de Haan en Hendrik Swarts hebben met toestemming van de Raad hun meters- en bijmetersplaatsen onderling geruild, onder beding dat De Haan aan Swarts de derde stuiver zal uitkeren. Beiden hebben de eed gedaan.

25.06.1779, Jan Botterbrood heeft, in plaats van wijlen Jan Mensing, de eed als turfmeter gedaan.

28.06.1779, Lucas Gartman heeft de eed gedaan om de turfmetersplaats van Jan Botterbrood provisioneel waar te nemen. Hij was door de Raad daartoe geauthoriseerd.

14.10.1779, Willem Koetzier als effectief turfmeter en Hermen Remmelink als zijn verwalter [plaatsvervanger], hebben de eed gedaan.

10.11.1779, Claas van Oosten heeft, in plaats van de op eigen verzoek ontslagen Lucas Gartman, de eed afgelegd om provisioneel de turfmeterspost waar te nemen voor Jan Botterenbrood.

13.12.1779, Claas van Oosten heeft, in plaats van de tot stadsroeper gepromoveerde Jan Botterbrood, de eed als turfmeter gedaan.

03.06.1784, Jacob van Dalfsen heeft, in plaats van wijlen Hermen Vos, de eed als turfmeter gedaan.

28.06.1784, Jan van Dalen heeft, in plaats van wijlen Jacob van Dijk, de eed als turfmeter

_↓_


|pag. 41|

gedaan.

18.11.1784, Jannes Hartman heeft, in plaats van wijlen H. Swart, de eed als bijmeter gadaan.

08.10.1785, Hendrik van Eem heeft, in plaats van wijlen Willem Coetsier, de eed als turfmeter gedaan.

12.12.1787, Jannes Hartman heeft, in plaats van wijlen Hendrik van Eem, de eed als turfmeter gedaan.

12.12.1787, Jan Londou heeft, in plaats van Jannes Hartman, de eed als bijmeter gedaan.

10.04.1788, Hendrik Londou heeft, als waarnemer voor Jan Londou, de eed als bijmeter gedaan.

06.11.1789, Jan Londou heeft, in plaats van wijlen Pieter Alferts, de eed als turfmeter gedaan.

06.11.1789, Hendrik Londou heeft, in plaats van Jan Londou, die als effectief turfmeter is aangesteld, de eed als bijmeter gedaan.

20.02.1792, Gerrit Jan ten Pese heeft, in plaats van wijlen Jacob van Dalfsen, de eed als turfmeter gedaan.

24.04.1793, Reinder van der Meulen heeft, als waarnemer voor Gerrit Jan ten Pese, de eed als turfmeter gedaan.

23.09.1794, Hendrik Londouw heeft, als waarnemer voor de effectief turfmeter Jan Londouw, de eed gedaan.

23.09.1794, Hubert Londouw heeft, als waarnemer van de bijmetersplaats van zijn vader Hendrik Londouw, de eed gedaan.

22.04.1796, Harmanus Wissink heeft, in plaats van de ontslagen Gerrit Jan ten Peeze, de eed als turfmeter gedaan.

20.05.1796, Lucas de Roode heeft, in plaats van de ontslagen Jan Rutgers de Haan, de eed als turfmeter gedaan.
In de marge: Hij is als door het vorige bestuur in de plaats van Jan Rutgers de Haan aangesteld turfmeter weer ontslagen, doch is 03.07.1797, na het overlijden van Frerik Baaij, bij loting weer met die functie voorzien en in de eed genomen.

30.12.1797, Hubert Londouw heeft, in plaats van wijlen Jan van Dalen, de eed als turfmeter gedaan.
Cornelis van Putten heeft, in plaats van Hubert Londouw, de eed als bijmeter gedaan.

10.02.1815, Jan Willem Hubach heeft, in plaats van wijlen Klaas van Oosten, de eed als turfmeter gedaan.

_↓_


|pag. 42|

27.10.1815, Hendrik Hevenaar heeft, in plaats van de tot turfmeter aangestelde Philip Best, de eed als bijmeter gedaan.

27.10.1815, Philip Best heeft, in plaats van de van hier vertrokken Lucas de Roode, de eed als turfmeter afgelegd.

29.10.1818, Reinier van der Meulen, die nu bijmeter is, heeft in plaats van de bedankt hebbende Jannes Hartman, de eed als turfmeter afgelegd.

29.10.1818, Gerrit van Marle heeft, in plaats van Reinier van der Meulen, de eed als bijmeter afgelegd.

Fol.153.
Eed van de dienaren van de schout-bij-nacht.
Ik zweer dat ik de stad Kampen trouw zal zijn en dat ik alle door de Raad gemaakte ordonnanties zal opvolgen en de bevelen van de officier zal uitvoeren. Ik zal op alles wat de stad schade kan berokkenen, naarstig letten.
In de marge: De instructie voor de executeurs is te vinden in het boek van publicatien op den 22.05.1660.

30.06.1703, Dirk Harpstede heeft, in plaats van wijlen Jan Servaas, de eed als executeur afgelegd.

19.11.1703, Melger Smitt heeft een request ingediend om met de vacante executeursplaats van wijlen Jan Rutgersen te worden voorzien.
De Raad appostileert dat hij die plaats zal krijgen als hij zelf, zoals hij ook tevoren kenbaar maakte, de huur van het huisje zal bekostigen.

20.11.1703, Melcher Smitt heeft de eed als executeur gedaan.

26.03.1711, Henrick Marck heeft, in plaats van wijlen Dirck Harpstede, de eed gedaan.
Severijn Stoob heeft, in plaats van Melcher Smit, de eed als executeur gedaan.

02.08.1713, Jan Hermsen heeft, in plaats van de op eigen verzoek ontslagen Henrick Marck; de eed als executeur gedaan.

12.10.1716, Klaas Jansen Roode is bij provisie, voorlopig voor een jaar, in plaats van Jan Hermsen, aangesteld tot executeur. Hij heeft de eed gedaan.

15.01.1719, Bastiaan Fleck is, in plaats van de doof geworden Klaas Jansen Rode, tot executeur aangesteld. Bij provisie, op een traktement van 2 gulden per week. Hij heeft de eed gedaan.
In de marge: Zonder datum, De Raad heeft Bastiaan Fleck geaccordeerd om iedere week in de stadskamer het volle traktement van 3 gulden en 10 stuivers te halen, (getekend door secr. A. Herweijer).

_↓_


|pag. 43|

17.06.1743, Henrik Overscheet heeft, in plaats van wijlen Severijn Stoop, de eed als executeur gedaan.

05.10.1750, Joost Alberts Scheper heeft, in plaats van wijlen Bastiaan Fleck, de eed als executeur gedaan.

13.02.1758, Laurens van Son heeft, in plaats van wijlen Henrik Overschie, de eed als executeur gedaan.

Zie het vervolg op fol.257.

Fol.156.
Biervoerderseed.
De biervoerders mogen geen bier vanuit de brouwerijen op hun wagens of sleden laden voordat zij daarvan een door de ontvanger van de accijnsen afgegeven schijn of cedule hebben gekregen. Zij moeten er verder op letten dat zij in de plaats van dunne bieren geen dikke bieren vervoeren. Elke dag moeten zij de accijnscedulen in de accijnskelder inleveren bij de accijnsmeester.

In de marge staat dat het traktement van de biervoerders bij apostille van 27.02.1782 met drie goudguldens is verhoogd.

26.01.1692, Thomas Horby heeft de eed gedaan als provisioneel dunnebiervoeder voor Annechien Schuckingh, tot de tijd dat Mathijs Gerritsen bekwaam is om de dienst zelf te doen.

15.02.1694, Thomas Willemsen Forby heeft de eed gedaan als dikkebiervoerder in plaats van Willem Sijbrants.

30.07.1703, Kobus Bosch heeft de eed gedaan als dunnebiervoerder in het buitendeel van de stad in plaats van Thijs Gerritsen Werckman.

13.09.1703, Jurrien Jansen heeft de eed gedaan als dunnebiervoerder van de bovenbierwagen
[in het bovendeel van de stad].

17.07.1703, Daem Daemsen heeft (bij afstand van zijn vader Jan Daemsen) de eed gedaan als dunnebiervoerder van de bovenbierwagen.

23.06.1704, Teunis Jansen heeft (bij afstand van zijn vader Jan Teunissen de Sott) de eed gedaan als dunnebiervoerder van de bovenbierwagen.

25.05.1707, Drees de Moij heeft, in plaats van wijlen Thomas Willemsen Forbes, de eed gedaan als dikkebiervoerder.

10.12.1710, Christoffel Scherp heeft, in plaats van wijlen Daem Daemsen, de eed afgelegd als dunnebiervoerder van de bovenbierwagen.

06.04.1716, Wijchman Greve heeft, in plaats van wijlen Teunis Jansen de Sot, de eed gedaan

_↓_


|pag. 44|

als dunnebiervoerder van de buitenbierwagen.

27.11.1717, Jan Rutgersen heeft de eed gedaan als bierdrager van de dunne bieren in het Bovenkwartier.

06 03.1719, Jacob Stavast heeft, in plaats van wijlen Drees de Mooij, de eed als dikkebiervoerder gedaan.

20.04.1720, Jan van Kuijck heeft, in plaats van wijlen Jacob Stavast, de eed gedaan als dikkebiervoerder.

26.10.1728, Roelof Jansen Bolkman heeft, in plaats van wijlen Jan Meijer, de eed gedaan als dunnebiervoerder van de bovenbierwagen.

12.04.1729, Jurrian Olofs heeft, in plaats van wijlen Jan van Kuik, de eed gedaan als dikkebierdrager.

04.09.1730, Berend van Dijk heeft, in plaats van wijlen Jacobus Gerritsen Bos, de eed gedaan als dunnebiervoerder.

02.05.1735, Daniël van den Berg heeft, in plaats van wijlen Wijchman Greve, de eed gedaan als dunnebiervoerder.

19.07.1748, Hendrik Hilverink heeft, in plaats van wijlen Daniël van de Berg, de eed gedaan als dunnebiervoerder.

26.08.1748, Jan Coenraad Flikke heeft, in plaats van wijlen Jan van Ulsen, de eed gedaan als dunnebiervoerder.

05.02.1750, Hendrik van Enschede heeft, in plaats van de wegens slecht gedrag ontslagen Roeloff Bolkman, de eed gedaan als dunnebiervoerder.

05.02.1750, Hans Miggel Soer heeft, in plaats van de wegens slecht gedrag ontslagen Jan Coenraad Flikke, de eed gedaan als dunnebiervoerder.
In de marge: 21.11.1774, Hermen Gerrits Schinkel heeft, wegens indispositie van Hans Miggel Soer, de eed afgelegd als biervoerder. Hij mag tot maart 1775 in functie blijven.

30.12.1750, Thijs Hendrixen van Werven heeft, in plaats van Hendrik NN, die zijn demissie heeft bekomen, de eed afgelegd als dunnebiervoerder.

08.08.1760, Hendrik Hilverink en Hendrik Wilgerhoff, beiden knechten in de brouwerij van de heer Jan Strokkel, hebben ten overstaan van Lambert van der Straten, de pachter van de bieraccijns, onder ede beloofd dat zij nimmer dunne of dikke bieren uit de brouwerij zullen vervoeren zonder dat daar een schijn of cedule van is.

27.04.1761, Herman Berends, knecht in de brouwerij van de heer Jan Strokkel, heeft ten overstaan van de pachter van de bieraccijns de eed gedaan als boven.

_↓_


|pag. 45|

01.11.1765, Jan van Dalfsen, knecht in de brouwerij van de heer Jan Strockel, heeft ten overstaan van de pachter van de bieraccijns de eed gedaan als boven.

06.05.1768, Roelof van Oosterwolde, knecht in de brouwerij van de heer Jan Strokkel, heeft ten overstaan van L. van der Straten, pachter van de bieraccijns, de eed gedaan als boven.

11.02.1769, Jurjen Jurjens heeft de eed gedaan als biervoerder.

05.05.1774, Jacob Henriks, knecht in de brouwerij van de heer Jan Strokkel, heeft ten overstaan van Albert van der Straten, collecteur van de bieren, de eed gedaan als boven.

09.11.1775, Hermen Gerrits Schinkel heeft, in plaats van wijlen Hans Micchel Soer, de eed gedaan als biervoerder.

05.07.1781, Lugien Teunis van Dijk heeft, in plaats van Jannes Veldhuis, de eed gedaan als biervoerder.

01.11.1781, David Overtijn heeft, in plaats van Jurrien Jurriens, de eed gedaan als biervoerder.

01.07.1785, Jan Bartels van der Kolk en Teunis Teunissen, knechten in de brouwerij van de weduwe van Jan Strockel, hebben ten overstaan van F. Gunning, collecteur van de bieren, de eed afgelegd.

06.07.1792, Dries Beers heeft, in plaats van Teunis Teunissen, de eed gedaan als biervoerder bij de weduwe Strockel.

24.07.1794, Teunis van Heerde en Jan Frans hebben de eed gedaan als biervoerders bij de weduwe Strockel.

04.12.1794, Gerrit Hermen Kleine heeft, in plaats van wijlen Herman Meeuwsen Schinkel, de eed gedaan als biervoerder bij de heer burgemeester Schultz.

14.10.1795, Lambert Dolhein heeft, in plaats van wijlen Gerrit Hermen Klein, de eed gedaan als biervoerder bij de heer Schultz.

07.08.1801, Willem Jans, knecht in de brouwerij van mr. As. Strockel, heeft ten overstaan van Willem Ridder, pachter van de bieren, de eed gedaan dat hij nooit dikke of dunne bieren uit de brouwerij zal voeren zonder schijn of cedule.

06.04.1804, Teunis van Heerde heeft, in plaats van Willem Jans, de eed gedaan als biervoerder in de brouwerij van de weduwe Strockel.

Fol.163.
Order waarop de poortsluiters hun eed doen.
De poortsluiters moeten in de winter en in de zomer, ’s morgens op de voorgeschreven uren de sleutels van de poorten halen bij het huis van de burgemeester in der tijd en openen daarmee de

_↓_


|pag. 46|

poorten. Daarna moeten zij de sleutels terugbrengen, ’s Avonds moeten zij de sleutels weer halen, de poorten sluiten en de sleutels terugbrengen.
Zij mogen de sleutels nooit bij zich houden.
Zij mogen nooit en voor niemand de poorten langer open houden, maar moeten op de gewone tijd sluiten.
Alleen met uitdrukkelijke toestemming van de burgemeester inder tijd mogen zij mensen buiten de normale openingstijden in of uit de stad laten.
Zij mogen niet wachten met sluiten op mensen die ten gelage zitten op het tolhuis, zelfs al zijn het leden van de Raad, maar moeten sluiten nadat zij door rammelen met de sleutels hebben aangegeven dat het tijd is.
Alleen met toestemming van de burgemeester inder tijd mag een poort ’s avonds worden geopend ten behoeve van het ledigen van secreten.
Zij moeten de sleutels altijd aan de bos laten. Sleutels bij laten maken, ook al zijn ze gebroken, mag alleen met toestemming van de Raad.
Zij moeten, zo als van ouds gebruikelijk, de justitie assisteren als hen dat gevraagd wordt.
Zij zullen de gebruikelijke pensie genieten.
De poortsluiters moeten zich hoeden voor dronkenschap, want dan zou het kunnen gebeuren dat poorten open blijven staan of niet worden afgesloten.
Alle genoemde punten moeten zij bezweren en onderhouden op verlies van hun ambt.

02.09.1704, Arent van Dijck heeft de eed gedaan als poortsluiter in plaats van Herman Thomassen.

10.02.1719, Hermen van Galen heeft de eed gedaan als poortsluiter in plaats van wijlen Arent van Dijck.

10.11.1727, Jan van der Voort heeft de eed gedaan als poortsluiter in plaats van wijlen Jan Worst.

22.02.1729, Jan Claassen Admiraal heeft de eed gedaan als poortsluiter in plaats van Harmen van Galen.

23.11.1736, Evert de Haan heeft de eed gedaan als poortsluiter in plaats van wijlen Jan van der Voort. Op het vorenstaande en op de nadere instructie, die te vinden is op fol.243.

08.03.1742, Henrik Ammiraal heeft de eed gedaan als poortsluiter in plaats van wijlen zijn vader Jan Claassen Ammiraal.

28.11.1771, Jan Rutger de Haan heeft de eed gedaan als poortsluiter in plaats van wijlen zijn vader Evert de Haan. Hij mag in functie blijven tot de nieuw aangestelde poortsluiter in dienst treedt.

28.11.1771, Gerrit van Heerde heeft de eed gedaan als poortsluiter in plaats van wijlen Evert de Haan.

17.11.1788, Weijer van Ekeren heeft de eed gedaan als poortsluiter in plaats van wijlen Hendrik Ammiraal.

_↓_


|pag. 47|

24 van oogstmaand 1810, Louwerens van Eekeren heeft de eed gedaan als poortsluiter in plaats van wijlen zijn vader Weier van Eekeren.

Fol.170.
Instructies voor de collecteurs van de stadsaccijnsen, welke zij onder ede moeten nakomen.
Art. 1. Zij moeten vrome en onbesproken personen zijn, kunnende lezen, schrijven en rekenen.
Art. 2. Zij moeten gewoonlijk tot gerief der burgerij op het stadsaccijnshuis zijn van 8 tot 11 uur ’s morgens en van 1 tot 4 uur s’ middags, maar in bijzondere gevallen ook buiten deze tijden thuis te bereiken zijn om de burgerij te helpen aan accijnsbriefjes.
Art. 3. De eerste collecteur moet dagelijks nauwkeurig de namen aantekenen van hen die iets hebben aan te geven. Hij moet de hoeveelheden wijn, brandewijn, brouwzaad, meel en slachtvee noteren en de bedragen van de accijns berekenen.
Art. 4. Hij moet van alle accijnsen aparte staten aanleggen, zodat direct te zien is wat er dagelijks aan diverse accijnsen binnenkomt.
Art. 5. Ook van de uitslagcedulen [verkoopbriefes] moet hij aparte staten maken.
Art. 6. Het peilen van de wijnen en brandewijnen die vertapt worden, moet elke maand gebeuren of zo dikwijls als de cameraars en rentmeesters dat bepalen.
Art. 7. Niemand mag langer dan twee maanden worden geborgd na de maandelijkse peiling, terwijl ook de brouwers maar mogen worden geborgd voor twee brouwten. Als deze bepaling wordt overtreden, zullen de collecteurs en de borgen zelf de accijnsen moeten voldoen.
Art. 8. Elke maand moeten de collecteurs aan de cameraars en rentmeesters een staat van ontvangsten geven, die tegen hun boeken zal worden gecollationeerd. Zonodig zal ook het boek van de provinciale accijnspachter worden gecontroleerd. Daarnaast kunnen cameraars en rentmeesters ook nog tussentijdse controles houden.
Art. 9. Wat het gemaal in het algemeen betreft, moeten de waagmeesters de schijntjes [briefes] liasseren en bewaren, zodat die aan de hand van de boeken van collecteurs kunnen worden gecontroleerd.
Art. 10. Het peilen van de wijnen en brandewijnen zal als vanouds worden gedaan door de bander en een stadsroedendrager. Zij moeten de resultaten van hun metingen direct doorgeven aan de eerste collecteur, die het dan registreert.
Art. 11. Van iedere wijnkoper of wijngrossier moet een afzonderlijke staat worden aangelegd, waarop de data van inslag en uitslag [inkoop en verkoop], de hoeveelheden en de namen van de kopers worden genoteerd.
Art. 12. De tweede collecteur moet de gegevens van de cedulen van geëxporteerde goederen op een afzonderlijke staat bijhouden, zodat die kunnen worden gecontroleerd aan de hand van het boek van de collecteur van de provinciale accijnsen.
Art. 13. Deze instructie en de aanstelling van de collecteurs geldt telkens voor één jaar. De Raad kan ieder jaar veranderingen aanbrengen.
Art. 14. De collecteurs moeten iedere week de door hen ontvangen gelden aan de cameraars en rentmeesters afdragen.
Art. 15. De collecteurs zijn verplicht elke door hen ontdekte fraude onmiddelijk aan de cameraars en rentmeesters te melden.
Art. 16. De aan te stellen collecteurs moeten elk twee sufficiënte borgen stellen en bij handtasting beloven zich aan de bovenstaande artikelen te houden.

13.09.1705, Bovenstaande instructie, die door de Raad is vastgesteld voor de collecteurs der stadsaccijnsen, is van woord tot woord voorgelezen aan Jacob Gosensen Erkelens en Jan

_↓_


|pag. 48|

Meijer. Zij hebben bij handtasting beloofd bovenstaand artikelen te achtervolgen.
Jacob Gosensen Erkelens heeft tot borgen gesteld zijn vader, burgemeester Gosen Erkelens, en Bernart Cramer, welke beiden de borgtocht in het gericht hebben aangenomen.
Jan Meijer heeft tot borgen gesteld zijn zwager Evert Peele en [niet ingevuld], welke beiden deze borgtocht in het gericht hebben aangenomen.

11.05.1716, Willem Tromp, backer en Jan van Deventer, mulder, hebben zich tot borgen gesteld voor de collecteur der stadsaccijnsen Jan Meijer, voor de periode van 01.05.1716 tot 30.04.1717.

23.08.1717, Bernhardt Kramer, muntmeester van de provinciale munt, en Wolter Engelblick, hebben zich tot borgen gesteld voor de collecteur der stadsaccijnsen Jacob Goosensen Erkelens, voor de periode van 01.05.1717 tot 30.04.1718. Willem Henrick Crul, wonende in Hardenberch stelde zich op zijn beurt tot borg voor muntmeester Cramer.

14.05.1718, Matthijs ter Meer en Frerick Petersen Beuck stellen zich tot borgen voor Herman te Nuil, de eerste collecteur van de stadsaccijnsen, voor een periode van twee jaar.

30.09.1721, Mattijs ter Meer en Frerik Petersen Beuke ztten bovenstaande borgtocht op dezelfde voet voort voor een nieuwe periode van twee jaar.

30.09.1721, Gerrit Wijchers en Jurrien Maaten stellen zich borgen voor de collecteur van de stadsaccijnsen Jan Meijer, voor een periode van twee jaar.

15.03.1724, Henrik Pastoor heeft de instructie als eerste collecteur der stadsaccijnsen bij handtasting aangenomen. Hij stelt tot borgen zijn vader Jan Pastoor en Albert van Wijnvoorden.

12.06.1724, Jan Borneman heeft de instructie als eerste collecteur der stadsaccijnsen bij handtasting aangenomen. Hij stelt tot borgen zijn vader R. Bomeman en zijn oom N. Straatman.

01.09.1734, Abraham de Hane de jonge heeft de instructie als eerste collecteur der stadsaccijnsen bij handtasting aangenomen.

04.09.1734, Abraham de Haan de jonge heeft tot borgen gesteld zijn vader Abraham de Haan de oude en zijn broeder de gemeensman Jan de Haan.
In de marge: 20.02.1762, De Raad bepaalt dat na het overlijden van de eerste collecteur Abraham de Haan, de functie van tweede collecteur zal worden afgeschaft.

30.11.1739, Lambertus Morre, collecteur van de stadsaccijnsen, heeft tot borgen gesteld Willem Storm en Jan van ’t Wolt.

02.07.1774, Teunis Nuis, collecteur van de stadsaccijnsen, heeft tot borgen gesteld Quirinus Bruinier, lid van de Gezworen Gemeente, en Teunis Bakker.
In de marge: 14.07.1780, E. Quirinus Bruinier en de weduwe van Teunis Bakker zijn bij apostille, op hun verzoek, van bovenstaande borgtocht ontslagen.

_↓_


|pag. 49|

Met consent van de Raad heeft Teunis Nuis voor zijn collectorschap tot onderpand gesteld zijn huis op de Vloeddijk, zijnde het derde huis vanaf de Papebrug, gelegen tussen de huizen van Jac. Schultink en de weduwe van de gemeensman J. de Greve.

07.06.1782, Joost Christian Evers is aangesteld tot collecteur en heeft tot borgen gesteld burgemeester G. Bondam en secretaris A.J. Lemker.

28.03.1791, Op het request van de collecteur J.C. Evers om bij ziekte of noodzakelijke absentie, zonder kosten voor de stad te mogen worden vervangen door zijn broeder Harmen Hendrik Evers, apostilleert de Raad dat deze de eed op de instructie mag doen en zijn broeder mag vervangen in voorkomende gevallen.

29.03.1791, Harmen Hendrik Evers heeft de eed gedaan.

29.07.1796, Antonij Langes heeft de instructie als collecteur bij handtasting aangenomen en tot borgen gesteld Christiaan Meilij en Francis van Kempen.

31.07.1797, De collecteur A. Langes is van zijn functie ontheven en J.C. Evers is in zijn functie van collecteur hersteld.

04.04.1803, Pouwlus Bakker heeft de instructie als collecteur aangenomen en heeft tot borgen gesteld D.G. Dijk en R.J. Woltgraft.

Fol.176.
Instructie voor de fiscaal, die daarop bij het aanvaarden van zijn functie de eed moet doen.
Art. 1. De fiscaal moet naarstig informatie doen naar alle delicten die in de stad en de vrijheid zijn voorgevallen.
Art. 2. Hij mag voor noch tijdens het proces met niemand, wie het ook is, een overeenkomst sluiten.
Art. 3. Hij moet over hem ter ore gekomen strafbare feiten eerst met de voltallige Raad overleg plegen. Als de beschuldigde de feiten toegeeft, wordt hij zonder vorm van proces gecondemneert, maar als hij het ontkent, moet de fiscaal hem eerst, als van ouds, voor de Lage Bank dagen.
Art. 4. De fiscaal zal een derde deel van alle geldboeten tot honderd gulden genieten. Het deel van boeten die daar boven komen, komt geheel ten goede aan de stad.
Art. 5. De heren presidenten van de Raad zijn bevoegd (met voorbijgaan van de fiscaal) alle delicten die hen ter ore zijn gekomen in de vergadering van de Raad te brengen. Bij veroordeling en boeteoplegging krijgen ook zij een derde deel van de boete mee, echter ook hier niet verder dan tot honderd gulden.
Art. 6. De Raad behoudt zich het recht voor om deze instructie te veranderen als dat nodig is.

In de marge: 03.02.1714, Betreffende het 5de Art. kel heeft de Raad bij resumptie gedelibereerd dat de fiscaal drie dagen preventie vóór de heer president zal hebben, ook al is aan deze de zaak aangebracht of in de Raad ter ore gekomen. Na deze drie dagen blijft het recht van preventie aan de president voorbehouden.

06.10.1706, Dr. Henrick Vestrinck is aangesteld tot fiscaal. De instructie is hem voorgelezen,

_↓_


|pag. 50|

waarna hij de eed deed.
In de marge: 09.01.1727, De heer Vestrinck is tot burgemeester gekozen en is op zijn verzoek ontslagen als fiscaal.

29.01.1727, Dr. Rogier Erkelens is aangesteld tot fiscaal. Hij heeft de eed op de instructie gedaan.

Fol.181.
Instructie voor de controleur van de stadstol.
Art. 1. De controleur moet een vroom, eerlijk en onbesproken persoon zijn, die kan lezen en schrijven.
Art. 2. Hij moet van ’s morgens tot ’s avonds bij het tolhuis zijn of anders laten weten waar men hem kan vinden, tot gerief van schippers en kooplieden.
Art. 3. Hij moet zijn zitplaats bij de tollenaar in het tolhuis hebben en hij moet er bij zijn als de schippers en kooplieden hun goederen bij de tollenaar aangeven. Hij moet gelijk met de tollenaar de mondelinge opgave van de schippers en kooplieden aantekenen; hij mag dat niet uit het boek van de tollenaar overschrijven.
Art. 4. Hij moet als de tolheer of magistraat hem dat opdraagt, zijn boeken laten controleren.
Art. 5. Tot tractement zal de controleur elke week twee carolusgulden krijgen; hij mag niets vorderen van schippers of kooplieden.
Art. 6. De Raad kan deze instructie ten allen tijde veranderen of vermeerderen.
Art. 7. Het tractement van twee gulden per week moet door de tollenaar betaald worden.
Art. 8. Hij moet zodra hij kennis krijgt van fraude of onregelmatigheden, dit aan de tolheer of, bij diens absentie, aan de heer president melden.
Hij mag de schippers, kooplieden en ook de tollenaar controleren, maar mag hen geen onnodige overlast bezorgen.

12.03.1707, Henrik Luxon is op bovenstaande instructie aangesteld tot controleur van de stadstol. Hij heeft de eed gedaan.

Fol.185.
Eed en instructie voor de brandmeester, wegens de stadsturf en -hout.
Ik beloof en zweer dat ik getrouw zal zijn in het ontvangen van de turf en het hout dat door de stad is aangekocht. Ik zal er goede aantekening van houden en ik zal de brandstof alleen brengen waar het behoort en daar alleen met consent van de cameraars en rentmeesters van afwijken.

21.08.1708, Elias Albertsen heeft de eed als brandmeester gedaan. Hij moet ook de justitie assisteren als hem dat gevraagd wordt.

23.09.1712, Willemtijn Lamberts, weduwe van Elias Alberts, heeft de eed als brandmeesterse gedaan. Zij zal een bekwaam persoon de justitie laten assisteren als dat vereist wordt.

09.11.1734, Evert IJtenburg heeft de eed als brandmeester gedaan.

05.07.1748, De weduwe van Evert IJdenburg mag gedurende haar leven de functie van brandmeesterse uitoefenen.

_↓_


|pag. 51|

28.01.1751, Matthaeus Brandenburg heeft de eed als brandmeester gedaan.

20.11.1778, Johannes Vreman heeft, in de plaats van wijlen Mattheus Brandenburg, de eed als brandmeester gedaan.

20.11.1778, Pieter ter Veer, die met consent van de Raad de brandmeestersfunctie voorlopig waarneemt voor Joh. Vreman, heeft de eed gedaan.

30.09.1779, Pieter ter Veer, aangesteld tot effectief brandmeester, heeft de eed gedaan.

23.03.1807, Jan van Putten Adrzn. heeft de eed als brandmeester gedaan.

Fol.190.
Instructie voor de boekhouder van de vette beesten en aanstellingen van de boekhouders, te vinden in register van de resoluties.
15.09.1649, Burgemeesters, schepenen en raad en hun Gezworen Gemeente zijn op het raadhuis vergaderd geweest en hebben het volgende besloten.
Er is een ordonnantie op het boekhouden en de betaling van de vette beesten vastgesteld, dienende tot beneficie van de ossenmarkt van deze stad.
Ten eerste moet de prijs van alle vette beesten die in de maanden september, oktober en november in of buiten de stad verkocht worden en alhier worden geslacht, aan de boekhouder worden opgegeven. Op straffe van een door de schepenen te bepalen boete.
De verkopers moeten twee procent van de verkoopsprijs aan de boekhouder afdragen.
De kopers moeten aan de boekhouder, die de transactie inschrijft en de koper een folij-cedelken [betalingsbewijs] geeft, betalen 2 stuivers.
De kopers moeten de gekochte beesten betalen aan de boekhouder in twee termijnen, namelijk op de eerste Martini na de koop en op Lichtmis daarop volgende.
De boekhouder moet de verkopers betalen in twee termijnen, namelijk op Kerstmis na de koop en op Midvasten daarna, en wel op de precieze data en met geen mindere kwaliteit geld dan met een partij dubbele stuivers.
Uitgesloten van deze betaling zijn eigenaren die voor eigen gebruik een beest slachten.
Voor het te boek stellen van een vinderscedelken [verklaring van de vinnekijker] moet de koper aan de boekhouder betalen 1 stuiver.
De vinderscedelkens moeten binnen 24 uur na de keuring aan de boekhouder worden overhandigd, op verbeurte van de vinderscedelkens en verlies van het keurambt.
Naar een koper die na de gedane publicatie niet komt om zijn gekochte beest of beesten aan te geven en aan de boekhouder te betalen, wordt een stadsdienaar gezonden. Deze krijgt voor de eerste aanzegging twee stuivers, te betalen door de koper. Als de tweede aanzegging niet helpt, worden bij de derde aanzegging panden gevorderd.
Wanneer twee of meer personen een of meer beesten kopen, wordt slechts een van hen voor de gehele koop aansprakelijk gesteld.
Iemand die de boekhouder niet kent en die een of meer beesten koopt, of iemand die door de boekhouder niet wordt vertrouwd, moet borgen stellen.
Als iemand aan een bij de boekhouder onbekend of onbetrouwbaar geachte persoon een beest op crediet wil verkopen, mag hij dat doen en is hij vrij van de betaling van de twee gulden.
De boekhouder moet voor zijn ontvangst borgen stellen tot genoegen van de Raad.
Marktdagen zullen worden gehouden op maandagen, zoals van ouds gebruikelijk is geweest,

_↓_


|pag. 52|

en op de donderdagen daarna.
In de marge staat: Vide de resoluties van 16.11.1765 en 27.08.1807.

Op bovenstaande voorwaarden zijn Gerrit Meusen en Jan Carsten op hun verzoek voor de tijd van drie jaar met het boekhouderschap begunstigd.
Deze ordonnantie is gepubliceerd op 17.09.1649.

29.05.1709, Burgemeester Ter Burgh is overleden en daarmee is er een vacature in het boekhouderschap van het bestiaal van deze stad ontstaan.
Nu heeft de Raad Henrick van Nes en Henrick ter Burgh elk voor de helft benoemd tot boekhouders. Beiden moeten borgen stellen.

13.10.1709, De Raad heeft het boek van het bestiaal of assurantie van de verkochte vette beesten gegeven aan Henrick van Nes en Henrick ter Burgh. Er is besloten dat Henrick ter Burgh dit jaar (1709) het boek zal houden en Henrick van Nes het volgende jaar (1710), enz. Zij zijn slechts aansprakelijk voor hun eigen periode.
Henrick ter Burgh stelt voor het jaar 1709 tot borgen Henrick van Broukhuijsen en Hendrina ter Burgh, de vrouw van capitein Hoff. Laatst genoemde heeft een door de schepenen afgegeven procuratie, in dato 10.04.1709 vertoond. Zij is bekend gemaakt met privilege aan vrouwen in bepaalde omstandigheden gegeven, maar heeft daarvan afgezien.

03.05.1730, De gemeensman Willem Storm is voorzien met het halve boekhouderschap van de verkochte vette beesten, vacant geworden door het overlijden van Rudolf Nessink.

12.07.1752, Dr. Helmich van Marle is voorzien met het halve boekhouderschap van de verkochte vette besten, vakant geworden door de vrijwille afstand door oud-burgemeester Ter Welberg.

07.01.1760, Dr. Bernard van Goutum is vorzien met het halve boekhouderschap van de verkochte vette beesten, vacant geworden door het overlijden van de gemeensman Willem Storm, mits borgen stellende volgens de instructie.

29.08.1760, Derk de Pool en Egbert Baltus van Campen hebben zich tot borg gesteld voor dr. Bernardus van Gouten als boekhouder van de vette beesten, voor een som van 4000 gulden.

04.03.1763, De chirurgijn Laurens van Wijhe is voorzien met het halve boekhouderschap van het bestiaal, vakant geworden door het overlijden van wijlen dr. Helmig van Marle.

15.03.1765, De gemeensman Jan Hendrik Nederbos en de gemeensman Jan van Wijhe hebben zich tot borgen gesteld tot een som van 4000 gulden voor Laurens van Wijhe, die is voorzien met het boekhouderschap van het bestiaal.

19.03.1791, De gemeensman Gerrit Herweier is voorzien met het halve boekhouderschap van het bestiaal, vacant geworden door het overlijden van de gemeensman Jan van Wijhe, mits borgen stellende volgens de resolutie van 16.11.1765.

07.10.1791, Secretaris A.J. Lemker heeft zich voor een jaar als borg gesteld voor een som van

_↓_


|pag. 53|

4000 gulden voor Gerrit Herweier, boekhouder van het bestiaal. Tot onderpand stelt hij zijn huis in de Nieuwstraat.
In de marge: 04.11.1793, Secretaris J.A. Lemker heeft zich voor nog een jaar tot borg gesteld voor Gerrit Herweier. Idem voor een jaar op 10.09.1801.

23.02.1792, Burgemeester P.D. van Heimenberg is voorzien met het halve boekhouderschap van het bestiaal, vacant geworden door het vrijwillig afstand daarvan doen door burgemeester van Goutum. Hij moet borgen stellen ingevolge de resolutie van 16.11.1765.

23.02.1792, Burgemeester P.D. van Heimenberg en vrouwe Johanna Gerarda Klinkenberg zetten tot onderpand voor de borgtocht van het halve boekhouderschap van het bestiaal, hun huis op de Oudestraat op de hoek van de Plantagie, van ouds genaamd De Ceulse Dom, zijnde vrij en onbezwaard.

12.04.1799, Egbert de Rooij is voorzien met het halve boekhouderschap van het bestiaal, vacant geworden door het afstand daarvan doen door P.D. van Heimenberg. Hij moet borgen stellen ingevolge resolutie van 16.11.1765.
In de marge: De borgstelling staat in het boek van hypotheken in dato 12.04.1799.

04.11.1802, Egbert de Rooij en zijn vrouw Wynne van den Berg verbinden hun hierna volgende vaste goederen tot securiteit der administratie van het halve boekhouderschap van het bestiaal.
1 Hun woonhuis op de Oudestraat aan de westzijde, tussen de Morrensteeg en de Speldemakerssteeg.
2 Hun pakhuis of schuur met het daarbij behorende getimmer aan de IJssel, ten noorden van de Blauwehandspoort.
3 Een huis in de Boven Hofstraat, thans bewoond door Pieter Warnar.
4 Een half huis achter de Kruittoorn, waarvan Geurt Jan Berghuis de andere helft toebehoort.
5 Een half huis op de Burgwal, waarvan de weduwe van Jan Kroon de andere helft toebehoort.
6 Een half huis in de Buiten Nieuwstraat, waarvan Jan Tebbetman de andere helft toebehoort.
Zijnde de twee eerste percelen te samen bezwaard met 1000 gulden bij akte van 20.05.1786, en alle te samen met 750 gulden bij akte van 24.12.1800, met 466 gulden en 15 stuivers en met 1000 gulden bij akte van 01.06.1801 en met 564 gulden en 12 stuivers bij akte van juni 1801. Verder zijn de percelen vrij en onbezwaard.
Berend van den Berg en zijn vrouw Jannigje van Gelder verbinden voor Egbert de Rooij nog hun huis in de Venestraat, dat zij zelf bewonen en dat bezwaard is met 100 gulden bij akte van 25.02.1796.

04.02.1803, Jan Kok Ju.zn en zijn vrouw Margaretha Sara Hartman verbinden tot meerdere securiteit voor het boekhouderschap van het bestiaal van Egbert de Rooij 5 obligatiën ten laste der provincie Holland, te weten een van 1000 gulden (nr.8022) en twee van elk 500 gulden (nrs.2593 en 16247) ten kantore van Haarlem, en twee van elk 1000 gulden (nrs.4 en 5) ten kantore van ’s- Gravenhage. Zij deponeren deze obligatiën in de secretarie van Kampen.
In de marge: Te vinden in het boek van consignatiën.
In de marge: 16.06.1803, De hiernaast genoemde obligatiën zijn weer aan Jan Kok terug gegeven.

_↓_


|pag. 54|

13.01.1803, Barteld Jan Herweijer is begunstigd met het halve boekhouderschap van het bestiaal, vacant geworden door het vrijwillig afstand doen door Gerhard Herweijer. Hij moet borgen stellen ingevolge de resolutie van 16.11.1765.

18.08.1803, Secretaris A.J. Lemker stelt zich borg voor de som van 4000 gulden voor Berteld Jan Herweijer, de boekhouder van het bestiaal. Tot onderpand stelt hij zijn woonhuis in de Nieuwstraat.
In de marge: 05.09.1805, Secr. A.J. Lemker heeft de borgstelling met een jaar verlengd.

27.08.1804, Jacobus Casparus van Heimenberg is begunstigd met het halve boekhouderschap van het bestiaal, vacant geworden door het vrijwillig afstand doen van Egbert de Rooij. Hij moet borgen stellen ingevolge de resolutie van 16.11.1765.

06.09.1804, P.D. van Heimenberg en zijn vrouw J.G. Klinkenberg stellen zich borgen voor Jacobus Casparus van Heimenberg, de boekhouder van het bestiaal. Zij stellen tot onderpand hun woonhuis in de Oudestraat op de hoek van de Plantage, aan de zuidzijde.

24.09.1807, Abraham Lankhorst en zijn vrouw Amelia van Ongeren stellen zich borg voorde som van 6000 gulden voor hun zoon Gerrit Jan Lankhorst, die bij resolutie van 27.08.1807 is aangesteld tot boekhouder van het halve bestiaal, in plaats van de op eigen verzoek ontslagen boekhouder Berteld Jan Herweijer.
Tot onderpand stellen zij hun woonhuis op de Oudestraat, een stuk land aan de Cingel en een aandeel in het Busschen Bredeslag in Dronthen.
In de marge: Een extract afgegeven op een zegel van 12 stuivers.

16.12.1808, Mr. Jacob Tichler is bij apostille toegestaan om het boekhouderschap van het halve bestiaal voor zijn zwager Jacobus Casparus van Heimenberg waar te nemen. Hij moet borgen stellen voor een som van 6000 gulden.
Nu stellen hij en zijn vrouw M. van Heimenberg de volgende goederen tot onderpanden.
1 Een huis op de Burgwal tussen de Morrensteeg en de Extersteeg, wijk 2 nr.78.
2 Een huis met een doorgaande where, met een stal daarachter, staande aan de Oudestraat bij de Plantagie, wijk 3 nr.74.
3 Een hof in de Groenestraat tussen die van N. Pastoor en G. van Diepen, wijk 3 nr.252.
Alles vrij en onbezwaard.
Mede verschenen J.C. van Heimenberg en mr. P.D. van Heimenberg (mede optredende voor hun zuster E.C. van Heimenberg), als mede-erfgenamen van wijlen hun moeder J.G. Klinkenberg, de weduwe van burgemeester P.D. van Heimenberg. Zij consenteren in genoemde borgstelling voor zover het beide laatstgenoemde percelen aangaat.
In de marge: Het origineel is geschreven op zegel van 12 stuivers en het afschrift op een zegel van 4 stuivers. Mr. J. Tichler heeft vertoond twee kwitanties van betaalde impost van 12.11.1808, waarin genoemde percelen begrepen zijn, alsmede een permissiebiljet tot scheiding der boedel van vrouwe J.G. Klinkenberg, weduwe van P.D. van Heimenberg, afgegeven door mr. L. Engelenburg, in dato 09.05.1808.

Fol.195.
Instructie voor de stadskruier.
Dat u uw bediening als kruier getrouw zult waarnemen en geen sluikerijen helpen uitvoeren,

_↓_


|pag. 55|

maar die onregelmatigheden die tot uw kenis komen aan de cameraar zult aanbrengen. Verder moet u de passagiers en burgers die van uw diensten gebruik maken, beleefd bejegenen en geen onbehoorlijk kruiloon afvorderen. Daarnaast moet u even als de andere stadssuppoosten de justitie helpen als dat nodig is en helpen in alle andere stadszaken waarvoor men u nodig heeft.

07.09.1710, Wolter Jansen heeft als stadskruier bij handtasting beloofd zich aan bovengenoemde instructie te houden.

22.10.1726, Lambert van Straten heeft als stadskruier bij handtasting beloofd zich aan bovengenoemde instructie te houden.

26.05.1746, Abraham Brandenburg heeft als stadskruier bij handtasting beloofd zich aan bovengenoemde instructie te houden.

25.10.1779, Hendrik van Duiren heeft als stadskruier bij handtasting beloofd zich aan bovengenoemde instructie te houden.

04.12.1794, Diederik Strange, in plaats van wijlen H. van Duuren, heeft als stadskruier bij handtasting beloofd zich aan bovengenoemde instructie te houden.
Louw Teunissen, die provisioneel het ambt voor hem zal waarnemen, heeft dit ook beloofd.

30.11.1813, Willem Smit, in plaats van wijlen Diederik Strange, heeft bij handtasting beloofd zich aan de instructie te houden.

21.05.1823, Johannes Rietberg is aangesteld tot stadskruier. Hij heeft in handen van president burgemeester F. Lemker de eed op de instructie gedaan.

16.08.1826, Dirk van Breenen is aangesteld tot stadskruier in de plaats van Johannes Rietberg. Hij heeft in handen van wethouder J.N. Bijsterbos, in afwezigheid van de burgemeester, de eed afgelegd.

Fol.198.
Eed van de zaadmeter.
Gij moet de maat recht zetten, vullen en afstrijken, zonder aanzien van de verkoper of koper.

12.12.1712, Jacob Smitt heeft de eed gedaan als zaadmeter. Hij moet de justitie ook assisteren.

31.12.1742, Jannes van Bramen heeft de eed gedaan als zaadmeter. Hij moet de justitie ook assisteren.

31.12.1742, Christiaan van Bramen heeft de eed als zaadsturster gedaan en beloofd de justitie te assisteren.

21.11.1757, Evert Westerveld heeft de eed als zaadmeter gedaan. Hij moet de justitie ook assisteren.

_↓_


|pag. 56|

23.12.1779, Arend Balfoort heeft, in plaats van wijlen Evert Westerveld, de eed als zaadmeter gedaan. Hij moet de justitie ook assisteren.

Fol.200.
Eed van de turfvulsters.
Ik zal zorgen dat de turfzakken naar behoren worden gevuld, drie keer een halve voet van de grond af worden gebeurd, naar behoren weer neergezet en daarna met de bovenlaag gesloten worden. Ik zal geen onbeëdigd persoon in mijn plaats de zakken laten vullen. Ik zal mijn verder houden aan de instructie die op 14.02.1713 op mijn ambt gemaakt is.
Aanvulling: Alsmede op de instructie van 15.10.1740.
In de marge: Zie res. van 15.10.1740.

20.03.1713, De turfvulsters hebben de eed volgens de nieuwe ordonnantie, gemaakt door Raad en Gezworen Gemeente, in forma afgelegd in handen van de presidenten van de Raad.
In de ploeg van Willem Willems: Henrickijn Christiaans, Anna Vis en Maria Jans.
In de ploeg van Jan Draak: Henrickijn Hoolbooms, Dirkijn Willems en Grijtijn Teunis.
In de ploeg van Henrick van Borghen: Teune Bens (zij substitueert Aeltijn Daniels), Teune Lubberts en Geertijn Daniels.
In de ploeg van Antoni Jacobs: Elisabet Henricks (zij substitueert Heiltijn Cornelis), Nijsien Herms en Geesijn van Marle.
In de ploeg van Melchior Smit: Lene Jans, Berentijn Wolters (zij substitueert Lijsbet Frericks) en Elsien Alberts.
In de ploeg van Peter Jacobs: Henrickijn Herms, Femmegijn Herms en Henrickijn Lamberts.
In de ploeg van Manus Jansen: Marrigijn Trijps, Geertijn Herms en Willempijn Hansen.

25.04.1716, Geertijn Willems, gesubstitueerd door Dirckijn Willems in de ploeg van Jan Draak, heeft de eed gedaan als vervangend turfvulster tot de tijd dat Dirckijn Willems weer is hersteld.

14.04.1716, Grijtijn Dircks, Maria Wijchmans en Catarina Davids, gesubstitueerd in plaats van de drie geschorste vulsters Henrickijn Herms, Femmegijn Herms en Henrickijn Lamberts, uit de ploeg van Peter Jacobs, hebben de eed gedaan.

08.06.1716, Henrickijn Jans, vrouw van Diderick Strange, heeft als gesubstitueerd turfvulster in plaats van Kornelisen Klasen Krijsman, de eed gedaan.

29.11.1717, Jannegijn Jans, in plaats van wijlen de weduwe Van Gelleger, heeft de eed gedaan.

23.12.1717, Margreta Vriese, vrouw van Jacob Strange, heeft als gesubstitueerd in de plaats van Henrickjen Jans, de eed gedaan.

02.01.1719, Annichjen Henricks heeft de eed gedaan als turfvulster van Brunnepe.

25.02.1719, Annegijn Bolters heeft, in plaats van Niesijn NN, de eed als turfvulster gedaan.

20.03.1719, Geertijn de Roode heeft als gesubstitueerd vulster van Annegijn Bolters, de eed gedaan.

_↓_


|pag. 57|

02.11.1719, Evertje Jans, weduwe van Jan Vrijbergen, heeft de eed als turfvulster gedaan.

22.03.1720, Jannegijn Herms heeft, in plaats van wijlen Henrickijn NN, de eed als turfvulster gedaan.

25.09.1720, Claasjen Jans heeft, in plaats van Henrickjen Lamberts, de eed als turfvulster gedaan.

01.10.1720, Annigje Henriks heeft, in plaats van Femmigje Cornelis, de eed als turfvulster gedaan.

21.04.1721, Maria Jans van den Brink heeft de eed als turfvulster gedaan.

30.10.1721, Jannegje Lamberts heeft, in plaats van Dirkje van Marle, de eed als turfvulster gedaan.

30.10.1721, Femmigje Jans heeft, als gesubstitueerd door Jannegje Lamberts, de eed als turfvulster gedaan.

06.08.1723, Clasina Henricks heeft, in plaats van wijlen de vrouw van Jan van Reijnen, de eed als turfvulster gedaan.

10.08.1723, Elisabeth Frericks heeft, als gesubstitueerd door Clasina Henricks, de eed als turfvulster gedaan.

08.05.1724, Berentje Smit heeft, in plaats van Geertjen Daniels, de eed als turfvulster gedaan.

05.06.1724, De navolgende turfvulsters, die nog niet zijn beëdigd, hebben nu de eed gedaan.
Maria Davids, in plaats van Merrichjen Trijps,
Neele van Elburgh, in plaats van Jannichgien van Waapenvelt.
Lamme Jans, in plaats van Jannichjen Lamberts.
Femmichjen Berens, in plaats van Janneken Wolffs.
Jannichjen Smits, in plaats van Henrickjen Christiaans.
Claasjen Frericks, in plaats van Anna Visch.

16.09.1724, Bartha Martini heeft, in plaats van wijlen Anna Vis, de eed als turfvulster gedaan.
Zij heeft Claasje Freriks gesubstitueerd. In de ploeg van Jan Jansen.

28.06.1726, Jannigjen Smits heeft, in plaats van haar moeder Hendrickjen Christiaans, de eed als turfvulster gedaan.

12.11.1726, Gerrigjen Jans heeft, in plaats van Marrigjen NN, de eed als turfvulster gedaan. In de stadsploeg.

Vide fol.211 verso [voor het vervolg].

Fol.210.

_↓_


|pag. 58|

Kalkdragers en kalkmeters.

Jan Jakopsen Bovenhoff.
Dirck van den Bos.

21.03.1687, Op het request van de kalkmeters, verzoekende dat alleen zij als gezworen kalkmeters de kalk uit de hier komende schepen mogen lossen, is door schepenen en raden geappostileerd dat niemand in deze stad kalk zal mogen dragen dan alleen de gezworen kalkdragers, en zulks onder de betaling van de rechten die daar toe verordonneerd zijn.
Wanneer echter een burger een schip met meer dan 60 tonnen kalk koopt, kan hij met het betalen van de halve dragersrechten volstaan.

21.05.1718, Bastiaan Stockman is in de plaats van Jan Jacobsen Bovenhoff aangesteld tot kalkdrager. Hij moet zorgen dat de burgers de goede maat krijgen.

27.10.1727, Jacob Willemsen is in plaats van wijlen Derk Bosch aangesteld als kalkdrager.

04.03.1746, Jan Assink is in plaats van wijlen Stokman aangesteld tot kalkdrager.

23.07.1753, Jan Hendrik Bouman is in plaats van wijlen Jacob Scholte aangesteld tot kalkmeter.

Vide fol.219 [voor het vervolg]

Fol.210v. [vervolg van de turfvulsters]
08.06.1730, Elisabeth Freriks, weduwe van Jan Erenst Messemaker heeft, in plaats van wijlen Clasina Henriks, de eed als turfvulster afgelegd.

10.08.1733, Albertjen Rutgers heeft in haar plaats Marrichjen Peters gesubstitueerd, welke de eed heeft afgelegd.

20.09.1734, Willemina Keijser heeft, in plaats van wijlen Margarieta Doele, de eed als turfvulster gedaan.

09.11.1734, Aaltjen Elias, de vrouw van Lambert van der Worp heeft, op nominatie van de tijdelijk president aangesteld, de eed afgelegd als turfvulster in het stadsmagazijn.

25.09.1736, Willemtjen Hendricks heeft, in de plaats van Grietjen Theunnis, de eed als turfvulster afgelegd.

10.11.1738, Catharina Brans, vrouw van Jan Daniël Podt, heeft in plaats van NN de eed als turfvulster afgelegd.

21.11.1739, Anna Catharina Holtgraaf, vrouw van Jan van der Borg, heeft als door de tijdelijk president in plaats van Geesie van Marle aangestelde turfvulster, de eed gedaan.

_↓_


|pag. 59|

21.11.1739, Jannegien Nijhuis heeft, als gesubstitueerde van Jannegien van den Noord, de eed gedaan als bijvulster.

05.01.1739 [1740], Sara Willems heeft, in plaats van haar moeder Helena, de eed gedaan als turfvulster.

11.04.1740, Jannegien heeft, in plaats van haar schoonmoeder Geertruit Viset, de eed gedaan als bijvulster.

13.04.1740, Janna Willems heeft, in plaats van Janna van Munster, de gedaan als bijvulster.

19.04.1740, Dele Willems heeft, in plaats van Janna van Munster, de eed als bijvulster afgelegd.

11.08.1727, Willemtje Lamberts heeft de eed gedaan als turfvulster in het stadsturfmagazijn.

24.09.1727, Geertruid Vaset, weduwe van Cornelis Hendriksen heeft, in plaats van de overleden Willempjen de weduwe van Gerrit de Karreman, de eed als turfvulster afgelegd.

Voornoemde Geertruid heeft gesubstitueerd Aaltjen Gerritsen, die mede de eed heeft afgelegd.

27.01.1728, Margarite Mastman heeft, in plaats van Hendrikje Harms, de eed als turfvulster afgelegd.

17.06.1728, Albertje Rutgers heeft, in plaats van haar moeder die bedankt heeft, de eed als turfvulster in Brunnepe afgelegd.

17.06.1728, Willempje Reijnts en Marregje Jans hebben de eed als turfvulsters in Brunnepe afgelegd.

17.06.1728, Niesje Dirks heeft, als door Willempje Reijnts gesubstitueerde, de eed afgelegd als turfvulster in Brunnepe.

23.06.1728, De volgende hebben, ingevolge resolutie van 1728, de eed als bijvulsters afgelegd.
Woltertje Arents, Henrikje Jans, Anna Elsen, Willempje Henriks en Janna Bacholts.

28.06.1728, Henrikje ten Nuyl en Margareta Schraders hebben de eed als bijvulsters afgelegd.

05.08.1728, Margareta Doelen heeft, in plaats van Gerrigjen Jans, die vrijwillig afstand heeft gedaan, de eed als turfvulster in de stadsploeg gedaan.

11.09.1728, Matte Willems [heeft de eed gedaan ?]

12.07.1731, Jannigjen Peters heeft, in plaats van Woltertjen Arents, de eed als bijvulster gedaan.

17.08.1731, Grietjen Isaaks heeft, in plaats van Jannegjen Bacholts, de eed als bijvulster

_↓_


|pag. 60|

gedaan.

04.10.1731, Hendrikje Harms heeft, in plaats van Hendrikje ten Nuil, de eed als bijvulster gedaan.

01.05.1737, Neelken Keisers heeft, in plaats van Jannegien van Wapenveld, de eed als turfvulster gedaan.

13.11.1732, Aaltjen Gerrits heeft, in plaats van Anne Else, de eed als bijvulster gedaan.

16.06.1733, Jannigjen Gerrits heeft, in plaats van Jannigjen ter Horst, de eed als vulster gedaan.

17.08.1734, Garrichjen Vos heeft, in plaats van Aaltjen Gerrits, de eed als bijvulster gedaan.

13.05.1735, Johanna van der Meulen heeft, in plaats van Grietjen NN, de eed als bijvulster gedaan.

25.09.1736, Margjen Jans heeft, in plaats van Willemtjen Hendriks, de eed als bijvulster gedaan.

01.05.1737, Stijntjen Berents heeft, in plaats van Jannichjen Peters, die vrijwillig afstand deed, de eed als bijvulster gedaan.

24.01.1738, Dina van Tessel heeft, in plaats van Geesje NN, de eed als bijvulster gedaan.

03.06.1740, Dele Willems heeft, in plaats van Claasjen Jans, die heeft bedankt, de eed als turfvulster gedaan.

19.10.1740, De volgenden hebben de eed als turfvulsters gedaan.
Lisabeth Henriks, Caat van den Borg, Sara Willems, Berentjen Wolters, Jannigjen Snels, Jannigjen Gerrits, Willemina Keisers, Catharina van Uenen, Willempjen Henriks, Evertjen Jacobs, Maria Jans, Jannichjen Wichers, Lisabeth Freriks, Bartha Martinus, Neeltjen Keisers, Berentjen Smits, Elsjen Alberts, Margaretha Jans, Jannichjen Martens, Annigjen Henriks.
De volgenden hebben de eed als bijvulsters gedaan.
Gerrigjen Vos, Marrigjen Jans, Hendrikjen Harms, Grietjen IJsaks, Dina van Thessel, Johanna Willems, Henrikjen Jans.

12.12.1740, Nele Wagter heeft, in plaats van wijlen haar moeder Marrigjen Jans, de eed als turfvulster gedaan.

23.03.1741, Petertjen Luiks heeft, in plaats van NN, de eed als turfvulster gedaan.

26.06.1741, Aeltien Knop, de vrouw van Arent van Grafhorst, heeft, in de plaats van Lijsbet NN, de eed als turfvulster gedaan.

27.01.1741, Grietjen Isaks, de vrouw van Hans Herms, heeft, in plaats van Saartjen NN, de

_↓_


|pag. 61|

vrouw van Herman Hof, de eed als turfvulster gedaan.

27.01.1741, Hendrina van de Pepel, de vrouw van NN, heeft, in plaats van Grietjen Isaks, de vrouw van Hans Herms, de eed als bijvulster gedaan.

27.04.1742, Henrickjen Reinders heeft, in plaats van wijlen Willemina Keisers, de eed als turfvulster gedaan.
In haar plaats is tot bijvulster benoemd Magteld Poots, die ook de eed heeft gedaan.

29.06.1742, Arentien Gerrits heeft, in plaats van Peterken Luijks, de eed als turfvulster gedaan.

04.01.1744, Jannegien Henriks, de weduwe van Arent van Grafhorst, heeft de eed gedaan.

06.03.1744, Jannegien Wijchers heeft, in plaats van Berentien Wolters, de eed als turfvulster gedaan.

06.03.1744, Ida Herms heeft, in plaats van Jannegien van den Noord, de eed als turfvulster gedaan.

28.05.1745, Anna van Tessel heeft, in plaats van wijlen Elsjen Alberts, de eed als turfvulster gedaan.

26.04.1747, Marigjen Jans als turfvulster en Janna Migchels, de weduwe van Hendrik van den Berg, als bijvulster, hebben de eed gedaan.

27.05.1747, Elsjen Kuik, weduwe van Reinier van der Meulen, heeft de eed als bijvulster gedaan.

09.08.1748, Catharina Wamers, weduwe van Gerrit Lindeboom, heeft de eed gedaan als bijvulster.

Vide fol.228 [voor het vervolg]

Fol.215.
Uitbreiding van de instructie van de meester uurwerker Jannis Brunijr, alhier geregistreerd in november 1721.
De meester uurwerker moet zich houden aan de instructie, die hem bij zijn aanstelling (volgens resolutie van 11.05.1711) is gegegeven. Daarenboven moet hij hij nog het volgende doen.
Hij moet het binnenwerk van het uurwerk behoorlijk gangbaar houden. Speciaal moet hij de koperen ton zo blinkend schoon houden als die nu is en die minstens zes of acht keer per jaar, of wanneer de klokkenist de pennen van het speelwerk versteekt, schoonmaken. Ook moet hij de noten schoon- en roestvrij houden. Verder moet hij de tuimelaars boven het klavier schoon houden. Hij moet de klavieren en alles wat daar bij hoort en ook de staanders onder de knoppen, schoon en blinkend houden. De raderen van de ton moet hij gangbaar houden. Het ‘horologij’ en de raderen van het hele en het halve uur moet hij schoonhouden en smeren.
Verder moet hij alles binnendaks wel schoonhouden en onderhouden zoals dat behoort.
Telkens als de klokkenist de ton versteekt -tenminste zes of acht keer per jaar- moet hij de

_↓_


|pag. 62|

gelegenheid waarnemen om alles na te zien en te reinigen van stof en roest en losse moeren en dergelijke vast te zetten, zodat alles wat tot het klokkenspel behoort, wel bewaard wordt.
De cameraars en rentmeester worden verzocht om een register aan te laten leggen in duplo, waarvan een exemplaar steeds aan de opvolgende camaraars en rentmeesters moet worden overgedragen. Zodoende kan worden bijgehouden wat voor materialen gebruikt of nodig zijn.
Alles wat versleten of gebroken is en vernieuwd moet worden, het zij van hout, ijzer, touw of draadwerk, zal buiten kosten van de uurwerker door de stad worden aangeschaft, mits deze de mankementen tijdig aan de cameraars en rentmeesters opgeeft.
In de marge: 09.05.1746, In plaats van de cameraars en rentmeesters zijn de heren Stennekes en Knueth gecommitteerd.

09.05.1746, Schepenen en raden hebben bepaald dat in het vervolg de stadsuurwerker de gebreken van houtwerk, ijzerwerk, touw of draadwerk, op eigen kosten zal moeten repareren.
Wel zal de stad hem de materialen en eventuele hulpkrachten verstrekken.

17.09.1770, Nadere instructie voor de stadsuurwerker (zie res. boek).
Art. 1. De meester uurwerker moet de uurwerken van Boventoren, Buitentoren en Nieuwe toren, behoorlijk verzorgen en gangbaar houden.
Art. 2. Hij moet de metalen speelton schoon en blinkend houden en zo dikwijls als de klokkenist die versteekt (of minstens zes of acht keer per jaar) schoon en roestvrij maken. Ook moet hij de raderen schoonhouden en smeren.
Art. 3. Hij moet ook de noten en de moeren schoon en roestvrij houden en die welke na een versteking overblijven schoon maken en in de juiste bak bewaren.
Art. 4. Hij moet ook de klavieren met toebehoren, de klavierboom, de knoppen en de tuimelaars schoon en gangbaar houden.
Art. 5. Hij moet het handklavier gangbaar houden en op de toren aanwezig zijn als daar mee gespeeld wordt.
Art. 6. Hij moet het ‘horologie’ en de raderen van het hele en het halve uur goed onderhouden en smeren.
Verder moet hij alles doen, ook al is het hier niet gespecificeerd, om het klokkenspel goed te houden, de materialen bewaren, losse bouten vastdraaien, etc. Hij krijgt een inventaris van de heren gecommitteerden, zodat alles kan worden verantwoord.
Art. 7. Hij moet alle defecten aan houtwerk, ijzerwerk, draadwerk of touw, zelf repareren, zonder daarvoor een vergoeding te vragen. Wel zal de stad de materialen verstrekken en zonodig hulpkrachten leveren.
Art. 8. Ieder jaar op Petri moet hij bij de schepenen en raden een request indienen om in zijn functie te worden gecontinueerd.

17.09.1770, Op bovenstaande instructie is voor een jaar aangesteld tot meester uurwerker Jean Hendrik Rijnfrank.
Gecontinueerd op 21.02.1771, 21.02.1772, 20.02.1773, 21.02.1774, 21.02.1775, 20.02.1776, 21.02.1777, 21.02.1778, 21.02.1779, 21.02.1780, 21.02.1781.

18.02.1783, Caspar Gluijsteen aangesteld.
Gecontinueerd 21.02.1784, 1785, 1786, 1787, 1788.

19.02.1783, Casper Gluijsteen is voor een jaar aangesteld tot meester uurwerker, in de plaats

_↓_


|pag. 63|

van J.H. Rijnfrank, die op eigen verzoek is ontslagen.

21.02.1784, De meester uurwerker is voor een jaar gecontinueerd.

Fol.217.
21.02.1724, Instructie voor de ontvanger van de stadsdomeinen, gearresteerd door Raad en Gezworen Gemeente.
Art. 1. De ontvanger moet borg stellen voor een som van 8000 gulden.
Art. 2. Voor zijn traktement van 1000 gulden per jaar moet hij alle inkomsten van de stad ontvangen.
Art. 3. Hij moet alle vlijt aanwenden om de posten op tijd te innen en hij moet schade voor de stad proberen te voorkomen. Executie van nalatigen mag hij niet weigeren dan om zeer gewichtige redenen en dan nog met goedvinden van de Raad.
Art. 4. Hij mag van betalingsplichtigen geen giften of geschenken aannemen, maar ook niet van hen die van de stad geld tegoed hebben.
Art. 5. Hij moet altijd de dienst van de stad en het crediet van de stad in acht nemen.
Art. 6. Hij mag het ontvangen geld nooit gebruiken voor eigen voordeel of tot voordeel van anderen.
Art. 7. In het betalen der tractementen of renten mag hij geen nieuwe betalingen doen voor en aleer de oude vorderingen voldaan zijn, tenzij het liquidatie van iemands schulden betreft.
Art. 8. De helft van het geld van de ontvangsten dat hij overhoud na betaling van de vaste posten, moet hij voor het einde van het jaar overdragen aan de cameraars en rentmeesters; de andere helft voor Petri, wanneer hij rekening en verantwoording doet. De Raad kan daarover echter anders beslissen.
Art. 9. De ontvanger is verplicht om wanneer de cameraars en rentmeesters hem dat opdragen, overschrijving van zijn betaalde posten te doen.
Art. 10. Hij moet voor 1 april van het jaar dat volgt op het jaar waarin hij de rekening van Petri doet, definitieve rekening doen en een staat van niet geïnde posten bijvoegen. Daar zal door de Raad op worden gedisponeerd.
Art. 11. Verder moet hij zich houden aan de instructie die hem bij de aanvang van zijn bediening wordt gegeven en aan de door de Raad vastgestelde veranderen en aanvullingen op die instructie.
Bij Art. 1. staat in de marge: Vide resolutie van 16.11.1765.

20.03.1724, Harmen Willem Roelink heeft met solemnele eed beloofd deze instructie te zullen achtervolgen. Zijn schoonvader, burgemeester Anthonij Eeckhout is zijn borg tot een bedrag van 8000 gulden. (Akte doorgehaald).

11.03.1730, Burgemeester Harmen Willem Roelink en Maria Geertruit Eekhout, de weduwe van Rutger Lemker van Breda, stellen zich beiden borg voor 8000 gulden voor haar zoon Antony Pieter Lemker van Breda. (Akte doorgehaald).

30.04 1748, Anthonij Pieter Lemker van Breda, stadsontvanger, heeft bovenstaande instructie met solemnele eed aangenomen.

06.12.1765, H.W. Roelink en Maria Geertruid Eekhout, weduwe van Rutger Lemker van Breda, zijn beiden overleden. Nu hebben burgemeester Lemker van Breda en Rutger Gijsbert

_↓_


|pag. 64|

Lemker van Breda, commies van ’s lands magazijn alhier, de borgtocht met handtasting op zich genomen. (Akte doorgehaald).

06.06.1785, De ontvanger A.P. Lemker van Breda heeft goede rekening gedaan van zijn ontvangsten en is door de Raad bedankt en ontslagen van zijn bediening. Hij ontslaat zijn borgen van hun borgtocht. Zie het resolutieboek op 06.06.1785.

Fol.219. [vervolg van fol.210, kalkdragers].
19.10.1765, Hendricus Groenewoud heeft, in plaats van Jan Dassink, de eed als kalkdrager afgelegd.

15.03.1777, Willem Evenaar heeft, in plaats van wijlen Jan Hendrik Bouman, de eed als kalkkruier afgelegd.

26.02.1779, Pieter Staal mag, met consent van de Raad, voor de zieke Willem Evenaar de dienst van kalkkruier waarnemen. Hij heeft de eed gedaan.

15.06.1779, Gerrit Duitman mag voor de zieke Hendricus Groenewout kalk kruien. Hij heeft de eed gedaan.

11.09.1779, Ernst van Regteren heeft, in plaats van wijlen Henrikus Groenewout, de eed als kalkdrager gedaan.

10.02.1780, Arend Haselhorst heeft, in plaats van wijlen Willem Evenaar, de eed als kalkkruier gedaan.

Fol.219v.
[14.02.1782] Instructie voor de gezworen kalkmeters van deze stad.
Art. 1. De kalkmeters moeten zo vroeg als het werkvolk begint, klaar staan om ieder die kalk nodig heeft te helpen.
Art. 2. Alleen de gezworen kalkmeters mogen in deze stad de kalk die hier gebruikt wordt, meten, dragen of kruien. Zij die dit artikel overtreden moeten het dubbele meetgeld aan de meters betalen.
Art. 3. Kalk of cement die aan de kalkloods wordt gehaald en buiten de stad gebruikt wordt (ook in de stadsvrijheid), moet wel door de meters worden gemeten, maar daarvoor is slechts het halve meetgeld verschuldigd. Als de kopers dat willen, moeten de meters de kalk tot aan de stadspoorten brengen, maar dan is het volle meetgeld verschuldigd.
Art. 4. De kalkverkopers moeten bij het inslaan van hun kalk van iedere hoed kalk aan de meters 6 duiten betalen, zoals van ouds.
Art. 5. Voor elke ton kalk die de meters binnen de stad naar particulieren brengen, zullen zij twee stuivers genieten. Mindere maat naar rato.
Art. 6. De kalkmeters zullen op hun eed gehouden zijn de kalk te vervoeren in door de stad geijkte hele, halve of kwart tonnen. De kalkverkopers zijn verplicht daartoe een voldoende aantal geijkte tonnen in voorraad te hebben.
Art. 7. Als burgers of inwoners een schip met 60 of meer tonnen kalk van buiten de stad laten komen om dat aan te wenden voor eigen gebruik, zullen de kalkmeters slechts het halve meetloon genieten.

_↓_


|pag. 65|

Art. 8. Kalkverkopers behoeven voor de kalk die zij zelf gebruiken geen meetloon te geven.
Daarvoor zijn zij verplicht om de kalkmeters voor het lossen van kalk uit schepen te gerieven met hun tobben, tonnen, schoppen, ladders, planken, berries, kruiwagens en wat zij nog meer nodig hebben. De kalkmeters moeten deze gereedschappen behoorlijk behandelen en na gebruik weer terug brengen bij de eigenaren.
Art. 9. De cement moet, ad twee stuivers per ton, ook door de gezworen kalkmeters worden gemeten met geijkte cementmaten.
Art. 10. De cementverkopers moeten altijd een voldoende voorraad geijkte hele, halve en kwwrt cementtonnen houden. Tevens moeten zij hele, halve en kwart spindenmaten houden, waarvan vier spinden een kwart ton zullen uitmaken, zodat een ieder die een kleine hoeveelheid wil hebben, de juiste maat kan worden gegeven.
Art. 11. De kalkmeters mogen bij ziekte of afwezigheid slechts beëdigde personen in hun plaats stellen, en dat nog slechts met toestemming van de Raad.

Schepenen en raden behouden zich het recht voor om deze instructie ten allen tijde aan te passen.
Aldus gearresteerd in senatu, 14.02.1782.

21.02.1782, De kalkmeters Ernst van Rechteren en Arend Hazelhorst hebben bij handtasting, op hun eerder gedane eed, bovenstaande instructie aangenomen.

02.06.1783, Hendrik Geurs, die voor de zieke Arend Haselhorst de dienst zal waarnemen, heeft de eed gedaan.

28.12.1795, Hendrik Geurs heeft, in plaats van wijlen Arend Haselhorst, de eed als kalkmeter gedaan.

10.10.1803, Hendrik Captein heeft, in plaats van Ernst van Rechteren, de eed als kalkmeter gedaan.

[07.09.1807] Vernieuwde instructie voor de gezworen kalkmeters.

Art. 1. De kalkmeters moeten beschikbaar zijn als het werkvolk de arbeid begint.
Art. 2. Zij mogen geen kalk of cement lossen uit schuiten tenzij zij daartoe speciaal door het land zijn aangesteld.
Art. 3. Zij mogen alleen die hoeveelheden uitmeten als waarvoor volgens de landsordonnantie op de ronde maten geen impost behoeft te worden betaald. Dus de kalk bij hoeveelheden van ten hoogste twee en een kwart ton, de cement of tras niet meer dan een ton en de ongebluste kalk niet meer dan driekwart ton.
Volgens genoemde ordonnantie is de impost als volgt bepaald.
Voor een hoet kalk 3 gulden en 4 stuivers.
Voor een hoet cement of tras 6 gulden en 12 stuivers.
Voor een hoet ongebluste kalk 9 gulden en 14 stuivers.
Art. 4. Kalk of cement die aan de kalkloods wordt gehaald en buiten de stad gebruikt wordt (ook in de stadsvrijheid), moet wel door de meters worden gemeten, maar daarvoor is slechts het halve meetgeld verschuldigd. Als de kopers dat willen, moeten de meters de kalk tot aan de stadspoorten brengen, maar dan is het volle meetgeld verschuldigd.

_↓_


|pag. 66|

Art. 5. Voor elke ton kalk die de meters binnen de stad naar particulieren brengen, zullen zij twee stuivers genieten. Mindere maat naar rato.
Art. 6. De kalkmeters zullen op hun eed gehouden zijn de kalk te vervoeren in door de stad geijkte hele, halve of kwart tonnen. De kalkverkopers zijn verplicht daartoe een voldoende aantal geijkte tonnen in voorraad te hebben.
Art. 7. Kalkverkopers behoeven voor de kalk die zij zelf gebruiken geen meetloon te geven.
Daarvoor zijn zij verplicht om de kalkmeters voor het lossen van kalk uit schepen te gerieven met hun tobben, tonnen, schoppen, ladders, planken, berries, kruiwagens en wat zij nog meer nodig hebben. De kalkmeters moeten deze gereedschappen behoorlijk behandelen en na gebruik weer terug brengen bij de eigenaren.
Art. 8. De cement moet, ad twee stuivers per ton, ook door de gezworen kalkmeters worden gemeten met geijkte cementmaten.
Art. 9. De cementverkopers moeten altijd een voldoende voorraad geijkte hele, halve en kwart cementtonnen houden. Tevens moeten zij hele, halve en kwart spindenmaten houden, waarvan vier spinden een kwart ton zullen uitmaken, zodat een ieder die een kleine hoeveelheid wil hebben, de juiste maat kan worden gegeven.
Art. 10. De kalkmeters mogen bij ziekte of afwezigheid slechts beëdigde personen in hun plaats stellen, en dat nog slechts met toestemming van de Raad.

Schepenen en raden behouden zich het recht voor om deze instructie ten allen tijde aan te passen.
Aldus gearresteerd in senatu, 07.09.1807.

10.09.1807, Cornelis van der Horst en Hendrik Jan van den Brink hebben de eed op bovenstaande instructie gedaan.

20.03.1812, Johannes Gerardus Kerver heeft, in plaats van wijlen Cornelis van der Horst, de eed op bovenstaande instructie gedaan.

01.05.1812, Jan van Dijk heeft, in plaats van wijlen Hendrik Jan van den Brink, de eed op bovenstaande instructie gedaan.

Fol.220.
22.05.1713, Ordonnantie voor de rooroe of armenjager in de stadsvrijheid.
De armenjager of rooroe moet in de stadsvrijheid, op de eilanden, weerden, Haatland en Zwartendijk, vlijtig rondgaan en met bekwame middelen de bedelaars, landlopers en vagebonden uitwijzen en weren en de bewoners van de overlast vrijhouden.
Hij mag bekwame en zachte middelen gebruiken en vermaningen en waarschuwingen uitdelen.
Als hij echter door wrevelige mensen weerstaan wordt, mag hij strengere waarschuwingen en dreigementen gebruiken en hen zelfs met stokslagen verdrijven uit de stadsvrijheid.
Door de corporaals van de eilanden is Willem Jansen van Campen voorgedragen als rooroe en door de stad daartoe geauthoriseerd. De stad betaalt echter zijn salaris niet.

23.05.1713, Willem Jansen heeft met handtasting bovenstaande instructie aangenomen.

05.07.1715, Evert Barchorst heeft met handtasting bovenstaande instructie aangenomen.

_↓_


|pag. 67|

23.02.1767, Coenraed Kerver [?] heeft met handtasting bovenstaande instructie aangenomen.

18.01.1773, Jan Caspers heeft met handtasting bovenstaande instructie aangenomen.

14.02.1805, Andries Meijboom heeft met handtasting bovenstaande instructie aangenomen.

29.08.1805, Casper van Aart heeft met handtasting bovenstaande instructie aangenomen.

01.04.1837, Jan Esmeyer heeft als veldwachter de plaats van de gepensioeneerde Kasper van Aart ingenomen. Hij heeft in handen van burgemeester Lemker de eed afgelegd.

Fol.223.
19.09.1714, Instructie voor de keurmeesters dezer stad op het slachten van gezonde en zieke beesten, kalveren, schapen en vinnige varkens.

Art. 1. Niemand mag vlees verkopen tenzij hij het beest waarvan het vlees afkomstig is eerst levend voor zijn huis heeft gezet en door de gezworen keurmeesters heeft laten keuren en na het slachten nogmaals door dezen heeft laten keuren om te laten beoordelen of het vlees geschikt is om te worden gegeten. Dit op een boete van 5 gulden. De keurmeesters zullen elk van ieder door hen gekeurd beest 2 stuivers genieten.
Art. 2. De keurmeesters moeten er op letten dat er geen gallige of pokkige schapen geslacht worden en zij moeten er op letten dat verkopers op vinnig spek een rood lapje steken en hun kopers opmerkzaam maken op de vinnigheid van dat spek. Dit op een boete van 3 goudguldens van ieder pokkig schaap of vinnig varken.
Art. 3. Zoetemelkse kalveren moeten vier weken en karnemelkse kalveren zes weken oud zijn voor die geslacht en gegeten mogen worden. Ook deze dieren moeten eerst levend en daarna geslacht worden gekeurd, op een boete van 2 goudguldens. De keurmeesters zullen elk van ieder gekeurd kalf 1 stuiver genieten.
Art. 4. Op een boete van 1 goudgulden mogen vleeshouwers geen schapen, lammeren en kalveren opblazen, tenzij met een blaar [baek ?].
Art. 5. Als de keurmeesters het vlees van ossen, koeien, kalveren, schapen of varkens afkeuren, mag het niet verkocht worden, op een boete van 10 goudguldens.
Art. 6. De gezworen keurmeesters worden ook geauthoriseerd om, als zij daartoe worden verzocht, beesten te schouwen op vinnen en te taxeren. Zij moeten de kopers een cedelken [bewijsbriefje] geven met daarop de taxatiewaarde en de ontdekte gebreken. De kopers moeten deze cedelkens binnen 24 uur overleveren aan de boekhouders van het bestiaal. Voor het taxeren en keuren van deze beesten zullen de keurmeesters elk 6 stuivers genieten, ten laste van de kopers.
Art. 7. Niemand mag vlees van zieke beesten in tonnen maken, tenzij dat vlees aan de balken hangende door de keurmeesters geschikt bevonden wordt om gegeten te worden. Op deze tonnen met vlees zal door de keurmeesters het stadswapen worden gebrand. Voor elke ton vlees die zij zo inbranden, zullen zij ieder 3 stuivers genieten. Overtreders krijgen voor elk beest dat zij ongekeurd in tonnen opslaan een boete van een pond groot [6 gulden].
Art. 8. De keurmeesters moeten hun dienst naar behoren waarnemen en zonder aanzien des persoons te werk gaan. Zij zullen de opgelegde boeten mogen genieten. Als zij zich niet aan bovengenoemde artikelen houden, zullen zij door de schepenen worden gestraft.
Art. 9. Van iemand die weigert de hem opgelegde boete te betalen, zullen met consent van de

_↓_


|pag. 68|

burgemeesters panden worden gehaald.

01.09.1714, Willem Knog heeft als keurmeester de eed op deze instructie gedaan.

01.10.1714, Jacob van Sloten heeft de eed als keurmeester gedaan.

11.10.1721, Jan Voerman heeft de eed als keurmeester gedaan.

24.09.1737, Henricus Steenhouwer heeft de eed als keurmeester gedaan.

05.01.1739, Willem Knoch heeft de eed als keurmeester gedaan op de vernieuwde, gedrukte ordonnantie.

05.01.1739, Henricus Steenhouwer heeft de eed als keurmeester gedaan op de vernieuwde ordonnantie.

08.03.1742, NN Schilder heeft, in plaats van Henricus Steenhouwer, de eed als keurmeester gedaan.

27.02.1778, Warner Wieling heeft de eed als keurmeester/taxateur gedaan.

08.11.1832, Marten ten Hove heeft de eed als keurmeester van de varkens gedaan in handen van de fungerende burgemeester J.J. Gansneb genaamt Tengnagel.

Fol.228.
[vervolg van fol.214v. turfvulsters]

23.01.1749, Aaltje Everts heeft de eed als bijvulster gedaan.

17.03.1749, Rensie de Min heeft de eed als turfvulster gedaan.

05.01.1750, Alberdina Lulos heeft de eed als turfvulster gedaan.

25.01.1751, Ida Harms, de weduwe van Willem Jansen, heeft de eed als turfvulster gedaan.

25.01.1751, Aaltje Teunis, vrouw van Jan Beks, heeft de eed als bijvulster gedaan.

03.06.1751, Arentien Jans heeft, in plaats van de bedankt hebbende Berentien Smit, de eed als turfvulster gedaan.

Fol.228v.
07.07.1751, Aaltjen Lijes, de weduwe van Lambert van der Worp, heeft de eed als bijvulster gedaan in de plaats van Arendjen Gerrits, die vrijwillig afstand heeft gedaan.

22.11.1751, Maria Balk, vrouw van Lubbert Frijlink, heeft de eed als turfvulster gedaan in de plaats van Anna van Tessel, die uit de stad is verbannen.

_↓_


|pag. 69|

23.11.1753, Geertien Eernst heeft, in plaats van wijlen Janna NN, de eed als bijvulster gedaan.

16.06.1755, Hendrikjen Keullaarts heeft, in plaats van Hendrikjen NN, de eed als turfvulster gedaan.

17.06.1755, Geertruid Rietberg heeft, in plaats van Hendrikjen Keullaarts, de eed als bijvulster gedaan.

Fol.229.
14.04.1758, Aaltjen Pannebakker, de weduwe van Lambert van der Wurp, heeft de eed als bijvulster gedaan.

12.09.1758, Jannegien Gerrits heeft, in plaats van Jannegien ter Horst, de vrouw van Egbert ter Stege, die vrijwillige afstand deed, de eed als turfvulster gedaan.

18.12.1761, Marrigjen Luikes heeft, in plaats van wijlen Albertjen Rutgers, de eed als turfvulster te Brunnepe gedaan.

21.05.1762, Willempje Gerrits heeft, in plaats van Marregien Wichers, die de kost in het gasthuis heeft gekregen, de eed als turfvulster in Brunnepe gedaan.

06.05.1763, Anna Fauris heeft, in plaats van wijlen Marregien van Braam, de eed als turfvulster gedaan.

Fol.229v.
07.04.1764, Aeltien Jans heeft, in plaats van wijlen Jannegien Lijsbet, de eed als turfvulster gedaan.

25.09.1764, Janna van Dijk heeft, in plaats van Bartha Martinus, de eed als bijvulster gedaan.

29.09.1764, Dirkjen van der Worp heeft, als waarneemster voor haar moeder Margarite Pannebakker, de eed als turfvulster gedaan.

11.10.1764, Neeltje Jans heeft, in plaats van Aaltien van den Brink, de eed als bijvulster gedaan.

23.11.1764, Geertruid Brink, vrouw van Gerrit Aalderinck, heeft in plaats van wijlen Barta Martini, weduwe Van Goor, de eed als turfvulster gedaan.

23.11.1764, Janna van Dijk heeft, in de plaats van haar grootmoeder Grietjen Izaks, weduwe van Hans Harmz, die op eigen verzoek is ontslagen, de eed als turfvulster gedaan.

Vide fol.258 [voor het vervolg].

Fol.230.
29.12.1718, Instructie voor de roeper van de stad en het vastgestelde roepgeld.
Voor het roepen van:

_↓_


|pag. 70|

Een grote schuit met vis voor iemand van buiten de stad 4 stuivers.
Idem voor een burger 2 stuivers.
Een kleine schuit voor een vreemde 2 stuivers.
Idem voor een burger 1 stuiver.
Vlees voor een slachter 3 stuivers.
Een burger voermans wagen 2 stuivers.
Idem voor een vreemde 4 stuivers.
Een veerschip 2 stuivers.
Een vreemde schuit met knollen, zaad, vruchten, mosselen 4 stuivers.
Idem van een burger 2 stuivers.
Vrijwillige of executoriale verkoop 1 gulden en 8 stuivers voor elk verkocht perceel.
Idem als het niet verkocht wordt 14 stuivers.
Van de Bank van Lening 1 gulden en 8 stuivers per kwartaal.
Het tractement blijft als tevoren.
Voor alle andere roepingen voor vreemden 4 stuivers en voor burgers 2 stuivers.
De roeper moet aan de huizen van de regenten aanzeggen als er vis uit zee is aangevoerd.
Verder is de roeper verplicht om evenals de andere suppoosten de justitie te helpen als hem dat gevraagd wordt.
In de marge: 08.08.1743, De bovenstaande ordonnantie is als volgt uitgebreid:
Iedere vreemde die in Kampen met zeevis ter markt komt, is verplicht dit door de roeper te laten omroepen tegen de gebruikelijke vergoeding.

03.01.1719, Gerrit Janssen heeft bovenstaande instructie met handtasting aangenomen.

Fol.230v.
13.03.1724, Roelof Somer heeft met handtasting de instructie voor de stadsomroeper aangenomen.

25.06.1731, Wolter Petersen van der Horst heeft met handtasting de instructie voor de stadsomroeper aangenomen.

04.06.1743, Pieter Sarbeek heeft, in plaats van wijlen Wolter Petersen van der Horst, de instructie voor de stadomroeper met handtasting aangenomen.

15.04.1763, Egbert van Langen heeft, in plaats van wijlen Pieter Sarbeek, de instructie voor de stadsomroeper met handtasting aangenomen.

03.12.1779, Jan Boterbrood heeft, in plaats van wijlen Egbert van Langen, de instructie voor de stadsomroeper met handtasting aangenomen.

17.02.1806, Jan Boterbrood, die voor een halfjaar is geschorst, is vervangen door Jurrie ten Kate. De heeft met handtasting de instructie voor de stadsomroeper aangenomen.

20.11.1809, Johannes Nijpkens heeft, in de plaats van wijlen J. Boter en Brood, de instructie voor de stadsomroeper aangenomen.

Fol.231. [doorgehaald]

_↓_


|pag. 71|

11.08.1727, Willempje Lamberts heeft de eed gedaan als turfvulster in het stadsmagazijn.
[Doorgehaald]

17.06.1728, Albertje Rutgers heeft, in plaats van haar moeder, die bedankt heeft, de eed als turfvulster in Brunnepe gedaan. [Doorgehaald]

Fol.231.
20.02.1728, Instructie voor de nachtwerker.
Hij moet de burgerij trouw dienen in het schoonmaken van secreten of schoorstenen en hij moet instaan voor zijn helper.
Als hij een secreet moet ruimen, mag hij ’s winters niet voor negen uur en ’s zomers niet voor tien uur in de avond beginnen.
Van elke ton die hij ruimt, tot 20 tonnen toe, zal hij 4 stuivers genieten.
Van 20 tot 40 tonnen 3 stuivers per ton en van 40 tot 60 tonnen 2 stuivers per ton. Hij mag verder geen tonnegeld of kostgeld vragen.
Hij moet de tonnen behoorlijk vullen en het aantal tonnen dat de huisheer of eigenaar hem opgeeft, moeten wegdragen.
Als hij de vuiligheid per ton in de IJssel stort, moet hij twee roeden beneden het stapje blijven.
Als hij per praam stort, moet hij wachten tot het havenhek opengaat en dan de vuiligheid midden in de IJssel storten. Niet in de Burgel of ergens anders. Hij moet zorgen dat de tonnen niet lekken en hij moet oppassen dat hij niet morst.

20.02.1728, Peter Henriksen is op bovenstaande instructie met de nachtwerkersplaats begunstigd.

20.01.1738, Henrik Henriksen van der Garst is, in plaats van wijlen Peter Hendriksen, aangesteld tot witmaker en nachtwerker op bovengenoemde ordonnantie, doch niet als schoorsteenveger. Hij moet in voorkomende gevallen de criminele justitie assisteren, alsmede de Burgel en (bij laag water) de IJsseloevers langs de stad zuiveren van dode krengen, zonder daar apart iets voor te mogen declareren.

Fol.231v.
20.02.1762, Hendrik ter Haar is, in plaats van Hendrik Hendriksen van der Garst, die vrijwillige afstand heeft gedaan, aangesteld tot nachtwerker.

Vernieuwde instructie voor de stadswitwerker.
Art. 1. Hij moet zo dikwijls als men hem daar toe verzoekt, dode beesten en paarden in de stad en de vrijheid ophalen. Hij moet burgers eerder van dienst zijn dan hen die buiten de stad of de vrijheid wonen.
Art. 2. Voor het stropen van dode beesten geldt het volgende tarief, te betalen door de eigenaars.
Voor een stier, os of koe 24 stuivers.
Voor een vaars 20 stuivers.
Voor een pink 16 stuivers.
Voor een kalf 12 stuivers.
Voor een paard of enter 24 stuivers.
Voor een veulen 16 stuivers.

_↓_


|pag. 72|

Voor een varken 20 stuivers.
Voor een schaap 10 stuivers.
De huiden blijven eigendom van de eigenaars. De witwerker mag op straffe van 5 goudguldens boete (tot profijt van de stadsarmen) geen drank of iets anders eisen voor zijn vilwerk.
Art. 3. Hij moet de gevilde beesten die in de stad of in de nabijheid zijn gestorven, begraven op een diepte van ten minste twee voeten in de stadsvilkuil buiten de Hagenpoort aan de Cingel en daarop nog minstens een voet aarde gooien. Dieren die hij bij de boeren in de stadsvrijheid vilt, moet hij begraven op de plaats die de boeren hem aanwijzen.
Art. 4. Hij heeft de sleutel van het hek van de vilkuil in bewaring en hij moet zorgen dat het hek altijd gesloten is, zodat er geen honden bij kunnen komen. De van tijd tot tijd door hem opgegraven beenderen moet hij op een hoop gooien, zodat die regelmatig door de stadskarlieden in de IJssel kunnen worden gegooid.
Art. 5. Hij moet hen die hem vragen de geheime gemakken te ledigen, helpen tegen een vergoeding van 2 stuivers per ton. Alle burgers en inwoners mogen echter ook ander werkvolk daartoe aannemen, met voorbijgaan van de stadswitwerker.
Art. 6. Op bevel van de president-burgemeesters en de stokmeesters moet hij helpen met alle diensten die zij van hem verlangen. Speciaal moet hij, als een delinquent veroordeeld wordt om te worden gebrandmerkt, het ijzer heet maken in het raadhuis en even voor de voltrekking van het vonnis het ijzer met de vuurpot op het schavot brengen en zich dan weer naar binnen begeven.
Als een delinquent wordt onthoofd, moet hij tevoren het nodige zand op het schavot brengen.
Als aan een gehangene een doodkist wordt toegewezen, moet hij het graf graven onder de galg en dit later weer dichtgooien.
Hij moet ook de gaten graven op de speciale plaats op het Buitenkerkhof of bij de galg, waarin men zelfmoordenaars begraaft.
Na iedere executie moet hij het schavot opruimen en schoonmaken, de geselroeden opruimen en ook de gerichtsplaats reinigen.
Voor deze diensten zal hij van elke delinquent van stadswege genieten een goudgulden.
Art. 7. Als er angst voor hondsdolheid heerst, moet hij op order van de president-burgemeesters in de stad en vrijheid rond gaan om alle loslopende honden dood te slaan en midden in de rivier te werpen. Hij moet zich ten dien einde voorzien van een morgenster of stok, die aan het einde met scherpe ijzeren pennen is bezet.
Art. 8. Hij moet uit eigen beweging regelmatig langs de kademuren van de IJssel, langs de Burgel, langs de grachten buiten de stad en bij de Cellebroederssluis rondgaan en de aangespoelde of in het water gegooide dode honden en katten en andere krengen opvissen. Hij moet die in het midden van de IJssel, in de sterke stroom gooien.
Art. 9. Hij moet zich altijd nuchter en bekwaam houden en alle bijzondere orders die de president-burgemeesters hem geven, opvolgen.

In de marge staat bij het 2de artikel: Bij apostille van 24.09.1792 is vastgesteld dat de staarten en manen van de paarden hem als van ouds toekomen.
En bij het 3de artikel: Zelfde apostille. Het graven van de gaten bij de boeren moet hij zelf doen, maar bij uitzonderlijk warm weer kan hij, ter voorkoming van infecties, van de boeren eisen dat zij tevoren de gaten graven nabij de plaats waar de dode dieren liggen, zodat hij na het villen de dieren direct daarin kan gooien en met aarde bedekken. Hij moet dan 2 stuivers korten op het villoon van een groot beest of een paard en van een kleiner beest naar verhouding.

_↓_


|pag. 73|

30.10.1790, Jan van den Berg heeft op bovenstaande instructie de eed gedaan.

Fol.235.
09.08.1729, Instructie voor de opzichter van de stadsbrandspuiten.

Art. 1. Tot tractement krijgt hij 36 carolusguldens per jaar, in termijnen van een halfjaar, te betalen door de stadskamer, waarvan het eerste halfjaar zal ingaan op Michaeli van het jaar 1729.
Art. 2. Hij moet vier keer per jaar de slangen, hozen, het leerwerk van de pompen en dat wat er verder toe behoort, smeren en gangbaar houden.
Art. 3. Hij moet zorg dragen voor de goede staat en bewaring van de spuiten en moet van alle plaatsen waar die bewaard worden de sleutels onder zich hebben.
Art. 4. Hij moet mankementen aan de spuiten of wat verder nodig is om branden te blussen, direct aan de president-burgemeesters en de cameraars en rentmeesters melden, zodat die direct kunnen worden hersteld.
Art. 5. Hij moet er bij zijn als er met de spuiten afzonderlijk of met alle spuiten tegelijk wordt geoefend.
Art. 6. Bij melding van brand moet hij direct met zijn spuit gaan helpen, of als er al andere spuiten bezig zijn, die gaan helpen.
Art. 7. Hij mag alleen uit de stad gaan als hij de plaats in zijn huis bekend maakt waar de sleutels van de spuitopslagplaats liggen en hij moet dan een ander bekwaam persoon in zijn plaats nomineren, welks naam hij aan de president-burgemeesters bekend moet maken.

07.07.1729, Henrik Vincent is op bovenstaande instructie benoemd tot opzichter van de brandspuiten en verdere materialen. Hij heeft de eed gedaan op 16.08.1729.

Fol.241.
Extract uit resolutieboek van de stad Kampen.
17.06.1730, Er is gedelibereerd over de functie van ontvanger van de geestelijke goederen, armengoederen en godshuizen dezer stad.

Art. 1. Er is besloten dat de nieuw aan te stellen ontvanger zal blijven ontvangen alle tienden, stedigheden, uitgangen en renten uit de vaste goederen van de godshuizen en de armen die buiten de stad en haar jurisdictie zijn gelegen, op de manier zoals wijlen de ontvanger Van de Weteringe dat deed.
Art. 2. Hij moet de ontvangsten zoals hier boven genoemd, te volle inbrengen, zonder ook maar iets te mogen korten. Voor zijn salaris mag hij zes van de honderd ontvangen guldens houden, zonder verder iets te mogen declareren voor onkosten, verteringen, inmaningen of iets anders, tenzij na authorisatie door de schepenen en raden.
Art. 3. De invordering van de inkomsten uit alle overige goederen, zoals uit huizen, erven, stukken land, renten van kantoren en dergelijke, die tot nu toe door de ontvanger werden ingemaand, moeten nu worden ingemaand en ontvangen door de opzichters en administrateurs van de godshuizen en de armen.
Art. 4. De administrateurs van het kinderhuis blijven bevoegd om 3000 gulden te ontvangen, waartoe zullen strekken de renten van de kantoren van de stad, van Vollenhove en van Mastenbroek en de thinsen, stedigheden en renten uit de vaste goederen van de armen gelegen buiten de jurisdictie van de stad. Wat er dan eventueel nog aan de 3000 gulden tekort komt, zal

_↓_


|pag. 74|

worden aangevuld met geld uit maten, landerijen en andere effecten van de armen.
Art. 5. De inkomsten van de overige vaste goederen van de armen, zowel binnen als buiten de stad, en de uitgangen, thinsen en stedigheden van goederen in de stad en jurisdictie gelegen, zullen worden ontvangen door de tijdelijke bedienaars der armen, welke daarvoor zullen genieten 50 carelsguldens per jaar.

Fol.242.
Extract uit het resolutieboek der stad Kampen.
11.07.1730, Instructie waarop de ontvanger van de geestelijke goederen deze stad zal worden aangesteld.
Art. 1. De nieuw aan te stellen ontvanger zal voor salaris genieten 600 gulden en 9 gulden kruidgeld per jaar.
Art. 2. Hij moet daarvoor alle inkomsten van de geestelijke goederen behoorlijk vorderen en innen, zonder daarvoor verder iets te mogen declareren voor onkosten van het innen, tenzij bij speciale authorisatie van schepenen en raden. Hiermee vervalt ook de post van 14 gulden per jaar die de ontvanger tot nu toe opvoerde voor vertering van de meiers in Kuinre.
Art. 3. Hij moet aan de cameraars en rentmeesters, waarvan de administratie steeds ingaat met Martini, iedere jaar op 1 mei de eerste betaling doen. Verder de tweede op Sint-Jacob, de derde op Michaeli en de vierde en laatste op Pauli van het jaar daarop, zonder daarin enig verzuim te laten gebeuren.
Art. 4. Hij moet steeds binnen twee jaar nadat hij de jaarlijkse rekening heeft gedaan op Petriavond voor Raad en Gezworen Gemeente, zijn definitieve, aangezuiverde rekening doen.
De dan nog open staande posten zullen worden geschreven in het boek der restanten.
Art. 5. Doet hij dat niet, dan komen de openstaande posten ten zijnen laste, tenzij hij kan aantonen dat hij geprobeerd heeft met executie de gelden binnen te krijgen.
Art. 6. Hij moet alle uitgangen, thinsen, stedigheden en renten die hij voor de geestelijkheid ontvangt, met dezelfde sommen afdragen als waarmee hij die ontvangen heeft, zonder daarvan iets te mogen korten. De post van 150 gulden, 19 stuivers en 4 penningen die in de vorige rekening werd opgevoerd, komt hiermee te vervallen.
Art. 7. Hij moet op tijd de kosten van de verponding, contributie en verdere lasten die op de geestelijke goederen drukken, betalen, of anders komen ook die tot zijn eigen last.
Art. 8. Hij moet alle tractementen en vaste posten ten laste van zijn kantoor, op tijd betalen, houdende het ene kwartaal buiten het andere. Hij mag een dienaar geen kwartaal betalen voor alle voorgaande kwartalen betaald zijn. Hij moet kwitanties van de betalingen kunnen overleggen.
Art. 9. Hij moet borgtocht stellen ter waarde van 4000 gulden.
In de marge: Bij res. van 16.11.1765 is bepaald dat de borgtocht reëel moet zijn en bij res. van 25.02.1788 is de som van de borgtocht op 5000 gulden gesteld.

Fol.243.
27.10.1731, Burgemeester J.H. Ridder en zijn vrouw Christina Bornman stellen tot borg voor de functie van ontvanger der stadsecclesiastique goederen, die hij tegenwoordig uitoefent, hun huis in de Buiten Nieuwstraat, dat zij zelf bewonen, strekkende van de straat tot aan de hof van Pieter Everhard Sabé op de Oudestraat, bij het huis dat nu door burgemeester Rogier Sabé wordt bewoond. De belendingen van het onderpand zijn: west de Nieuwstraat, oost de hof van het huis van P.E. Sabé, noord het huis van Bastiaen Stokman en zuid een huis dat toebehoort aan mevrouw M. Lemker, douairière Tengnagels. Verder stellen zij tot onderpand een huis in

_↓_


|pag. 75|

de Buiten Nieuwstraat, aangekocht uit de boedel van wijlen burgemeester P. van de Weteringe, staande schuin tegenover het hiervoor genoemde huis.

24.12.1745, Abraham Nieuwenburg, ontvanger de geestelijke goederen, en zijn vrouw Jacomina Sterke, stellen tot onderpand voor de functie van ontvanger, hun huis in de Oudestraat op de hoek van de Blauwe Handsteeg, dat zij zelf bewonen. Verder hebben zij voor het schoutengericht van Kamperveen nog in dato 09.12.1745 tot onderpand gezet vier akkers in Kamperveen, gelegen in het zogenaamde binnenland, strekkende van de Hogeweg in het oosten tot aan de Gelderse Gracht in het westen, in het noorden belend door het Tuytenburgserf en in het zuiden door land van de weduwe van Helmig Franks, Cornelis op den Hul en de weduwe van Timen Driessen.

03.07.1761, Jan Gijsbert Reinder op ten Noort, ontvanger van de geestelijke goederen dezer stad, en zijn vrouw Elisabeth Theodora Sibilla Wentholt, stellen tot onderpand voor de functie van ontvanger, hun huis op de Burgwal waarin zij zelf wonen.

25.02.1788, Mr. Jacob Balthus Forsten, bij resolutie van heden aangesteld tot ontvanger van de ecclesiastique goederen in de plaats van wijlen J.G.R. op ten Noort, heeft de eed op bovengenoemde instructie afgelegd.

Fol.244.
03.03.1788, Mr. Jacob Balthus Forsten en zijn vrouw Anna Maria Hubert, stellen tot onderpand voor de functie van ontvanger van de ecclesiastique goederen hun woonhuis, stal en erf in de Boven Nieuwstraat, door hen zelf bewoond, tussen de Broederstraat en de Sint Jacobssteeg, zijnde vrij en onbezwaard. Verder een in natura overgegeven obligatie ten laste dezer provincie, kantoor van Vollenhove, groot 950 guldens en 17 stuivers, staande ten name van Herman Wilhelm Roelinck, burgemeester dezer stad, in dato 14.08.1730 (reg. en fol.40v).
Deze obligatie ligt in een enveloppe in de geestelijke kamer in kast nr.4.

Nadere instructie voor de ontvanger der geestelijke goederen.

Art. 1. De ontvanger zal voor salaris genieten 530 gulden en 10 gulden kruidgeld per jaar.
Art. 2. Hij moet daarvoor alle inkomsten van de geestelijke goederen behoorlijk vorderen en innen, zonder daarvoor verder iets te mogen declareren voor onkosten van het innen, tenzij bij speciale authorisatie van schepenen en raden. Hiermee vervalt ook de post van 14 gulden per jaar die de ontvanger eerder opvoerde voor vertering van de meiers in Kuinre.
Art. 3. Hij moet aan de cameraars en rentmeesters, waarvan de administratie steeds ingaat met Martini, iedere jaar op 1 mei de eerste betaling doen. Verder de tweede op Sint-Jacob, de derde op Michaeli, de vierde op Martini en de vijfde en laatste op Pauli van het jaar daarop, zonder daarin enig verzuim te laten gebeuren.
Art. 4. Hij moet steeds binnen twee jaar nadat hij de jaarlijkse rekening heeft gedaan op Petriavond voor de Municipaliteit, zijn definitieve, aangezuiverde rekening doen. De dan nog open staande posten zullen worden geschreven in het boek der restanten.
Art. 5. Doet hij dat niet, dan komen de openstaande posten ten zijnen laste, tenzij hij kan aantonen dat hij geprobeerd heeft met executie de gelden binnen te krijgen.
Art. 6. Hij moet alle uitgangen, thinsen, stedigheden en renten die hij voor de geestelijkheid ontvangt, met dezelfde sommen afdragen als waarmee hij die ontvangen heeft, zonder daarvan

_↓_


|pag. 76|

iets te mogen korten. De post van 150 gulden, 19 stuivers en 4 penningen die vroeger werd opgevoerd, komt hiermee te vervallen.
Art. 7. Hij moet op tijd de kosten van de verponding, contributie en verdere lasten die op de geestelijke goederen drukken, betalen of anders komen ook de kosten van opstuivers tot zijn eigen last.
Art. 8. Hij moet alle tractementen en vaste posten ten laste van zijn kantoor, op tijd betalen, houdende het ene kwartaal buiten het andere. Hij mag een dienaar geen kwartaal betalen voor alle voorgaande kwartalen betaald zijn. Hij moet kwitanties van de betalingen kunnen overleggen.
Art. 9. Hij moet borgtocht stellen ter waarde van 5000 gulden.

06.02.1800, Rudolphus Johannes Woltgraft, die bij resolutie van 01.11.1799 is aangesteld tot ontvanger van de ecclesiastique goederen, in plaats van de op eigen verzoek ontslagen mr. J.B. Forsten, heeft de eed op bovenstaande instructie afgelegd.

28.12.1799, Rudolphus Johannes Woltgraft en zijn vrouw Elisabeth Hendrika Nieuwenhuis stellen tot onderpanden voor de functie van ontvanger de volgende goederen.
1 Hun huis in de Buiten Nieuwstraat, waarin zij zelf wonen, tegenover de Latijnse Scholen, getaxeerd op een waarde van 2100 gulden.
2 Een obligatie ten laste van dezer stads IJsselbrug, nr. 134, groot 1000 gulden. Marge: Gedeponeerd in de secretarie der geestelijkeheid in kastje nr.4.
Vervolgens heeft mr. Ass. Strokkel ten behoeve van R.J. Woltgraft verbonden ter completering van de borgsom, zijn twee maten land buiten de Hagenpoort, de ene belend ten noordoosten door de hof van wijlen burgemeester N. van Berkum, ten zuidoosten door de vischkuil, ten zuidwesten door de wetering en ten noordwesten de hof van de eigenaar, de andere belend ten noordoosten door de wetering, ten zuidoosten door het stadsziekenhuiskampje, ten zuidwesten door een openbaar wegje en ten noordwesten aan een maat van ds. J.J. Roldanus, volgens overdracht in dato 02.05.1789.

Fol.243 2de.
29.12.1732, Ordonnantie gemaakt op betere observantie der poortsluiters.
Art. 1. De poorten dezer stad zullen naar oude gewoonte door de poortsluiter worden gesloten nadat de burgerwacht zal zijn opgetrokken.
Art. 2. De portiers moeten vóór zij de Vispoort sluiten, op het val van de brug drie keer duidelijk roepen ‘poort toe’ en met hun sleutels rammelen. Ook bij de andere vier poorten moeten de portiers in de klinketten drie keer roepen en met hun sleutels rammelen. Bij de waterpoortjes kan met één keer roepen worden volstaan.
Art. 3. Als na het roepen en met de sleutels rammelen niemand zegt dat hij er nog in of uit wil, worden de poorten gesloten. Wie er daarna nog door wil moet het volgende tarief betalen.
Voor een mens 1 stuiver.
Voor een wagen met twee paarden 4 stuivers.
Voor vier paarden 6 stuivers.
Voor een vrachtwagen 2 stuivers.
Voor ieder persoon die daar in zit 1 stuiver.
Voor een mens te paard 2 stuivers.
Voor een handpaard 1 stuiver.

_↓_


|pag. 77|

Voor een chaise met een of twee paarden 2 stuivers.
Van deze betaling is niemand vrijgesteld dan alleen diegene welke van stadswege zijn weggeweest, de schippers en knechten van de trekschuiten, de passagiers daarvan, de postwagens en de passagiers van de postwagens die wegens laag water niet met de trekschuit konden komen.
Art. 4. De poortsluiters moeten met hun sleutels present blijven in de maanden november, december en januari aan de Vispoort tot negen uur en aan de Venepoort tot half negen ’s avonds. In de maanden februari, maart, april, augustus, september en oktober aan de Vispoort tot half tien en aan de Venepoort tot negen uur. In de maanden mei, juni en juli aan de Vispoort tot tien uur en aan de Venepoort tot half tien. Na die tijden moeten de poorten worden gesloten en alle sleutels gelijktijdig naar het huis van de president-burgemeester worden gebracht. De poorten zullen worden geopend onmiddelijk na het slaan van de reveille.
Art. 5. Als de poort is gesloten en de sleutels ten huize van de president-burgemeester zijn gebracht en er wil nog iemand naar binnen, dan moet die persoon 12 stuivers betalen. Daarvan krijgt de present zijnde burgerwacht de helft, de stadsondermajoor een vierde deel en de portier ook een vierde deel. Personen met korven [marskramers] die na het sluiten van de poort aankomen, behoeven echter maar twee stuivers te betalen.

Bij artikel 3 staat in de marge: 11.11.1782, Zij die na het sluiten van de poort van hun werk voor de stad, de geestelijke kamer of van het Diep terugkomen, zijn ook vrijgesteld van poortgeld.
Bij artikel 4 staat in de marge: 25.06.1781, De Vispoort zal voortaan ook in de maand augustus om 10 uur worden gesloten. De Venepoort zal voortaan op dezelfde tijden worden gesloten als de Vispoort.
Bij artikel 5 staat in de marge: 19.10.1780, Als er gedurende meerdere nachten voor dezelfde persoon moet worden geopend, mag er maar een keer twaalf stuivers worden gevraagd, waarvan de ene helft voor de ondermajoor en de andere helft voor de portier zal zijn. De rest van het 5de artikel blijft van kracht.

27.04.1789, Vernieuwde ordonnantie voor de stadspoortiers.
Schepenen en raden hebben de ordonnantie op de poortsluiters van 29.12.1732, met de veranderingen sinds die tijd gemaakt en de notificatie van 09.10.1788 samengevat in een nieuwe ordonnantie.
Art. 1. De poorten moeten gesloten en geopend worden zoals bij de notificatie van 09.10.1788 is vastgesteld of zo als in het vervolg bepaald zal worden. Ten dien einde zijn aan de poortsluiters en hen die het verder aangaat extracten ter hand gesteld.
Art. 2. Vóór het sluiten van de Broederpoort en Cellebroederspoort moeten de poortiers op de bruggen of klinketten met hun sleutels rammelen en drie keer met luide stem roepen ‘poort toe’. Bij de waterpoorten aan de IJssel hoeft dat maar één maal.
Art. 3. Nadat de Venepoort, Vispoort en Hagenpoort op de klinketten zijn gezet, moet voor het openen daarvan het volgende worden betaald door ingezetenen van stad en vrijheid, de hier aan de wal liggende schippers en de schippers van de hier voorbij varende schepen, alle met hun knechten, vrouwen en kinderen, het bedrag van kolom 1. Voor vreemden het bedrag van kolom 2.
Voor elk persoon 4 respectievelijk 6 duiten.
Voor een wagen met twee paarden 2 respectievelijk 3 stuivers.
Voor een wagen met vier paarden 4 respectievelijk 6 stuivers.

_↓_


|pag. 78|

Voor een vrachtwagen met twee of vier paarden 2 respectievelijk 3 stuivers.
Voor elke inzittende (de voerman niet mee gerekend) 4 respectievelijk 6 duiten.
Kinderen die op de schoot zitten, betalen niets.
Voor een persoon te paard 1 respectievelijk 1½ stuiver.
Voor een los paard 4 respectievelijk 6 duiten.
Voor een chaise met een of twee paarden (de voerman voor een persoon begrepen) 2 respectievelijk 3 stuivers.
Hiervan zijn vrijgesteld zij die voor stad of provincie zijn weggeweest, de schippers en knechten van de veerschepen en trekschuiten, de passagiers die ingezetenen van deze stad zijn, alsmede de voerlieden en passagiers die bij ‘besloten water’ met de postwagens of vrachtwagens ’s avonds voor het poortsluiten aankomen, en de kruiers en bievenbestellers die daar in functie aanwezig moeten zijn.
Art. 4. Nadat de Vene-, Vis- en Hagenpoort gesloten zijn, moeten de sleutels door de poortiers naar het huis van de president-burgemeester worden gebracht. Zij moeten de sleutels ’s morgens weer afhalen zodra de poortklok begint te luiden.
Art. 5. Als een der poorten na het wegbrengen van de sleutels met consent van de president-burgemeester weer voor iemand wordt geopend, is die persoon 12 stuivers verschuldigd. Voor een rijtuig met de paarden en inzittenden moet 16 stuivers worden betaald. Dit geld komt voor de helft aan de daar assisterende manschappen van de burgerwacht, voor een vierde aan de stadsondermajoor en voor een vierde aan de poortier. Als de poort moet worden geopend voor het halen van dokters, chirurgijns of vroedvrouwen en enige tijd open moet blijven om de personen weer uit te laten, mag er geen extra geld worden gevraagd.
Art. 6. Als er ten verzoeke van iemand een poort gedurende meerdere nachten open wordt gehouden, mogen de 12 of 16 stuivers maar één keer worden gevraagd. Dit geld mag door de ondermajoor en de poortier worden gedeeld, want de stadsburgerwacht behoeft dan niet te assisteren.

Fol.244.
06.10.1735, Gerrit Passer, aangesteld tot stadsijker der botertonnen in de plaats van Reinier Daems, heeft de eed gedaan op de ordonnantie en het reglement, opgesteld op 30.11.1726.

17.01.1772, Helmich Passer, die zolang zijn vader Gerrit Passer leeft de functie van stadsijker der botertonnen waarneemt, heeft de eed gedaan op de ordonnantie van 30.11.1726.

18.10.1779, Willem Velthuis heeft de eed gedaan als boter[tonnen]ijker, in de plaats van wijlen Gerrit Passer.

09.02.1784, Bij resolutie is besloten dat voortaan geen kuiper tot ijker van de botertonnen mag worden aangesteld maar dat daarvoor een ander bekwaam persoon uit het timmermansgilde moet worden genomen.

11.10.1790, Hendrik Schendelaar heeft de eed als ijker van de botertonnen gedaan. Willem Peters heeft de eed als ijker gedaan voor de tijd van drie maanden die Willem Veldhuis is geschorst.

26.03.1796, Albartus Weijers heeft de eed gedaan als boter[tonnen]ijker in de plaats van wijlen

_↓_


|pag. 79|

Hendrik Schendelaer.

09.12.1797, Egbert van Marle heeft in de plaats van wijlen Willem Veldhuis de eed als boter[tonnen]ijker gedaan op de ordonnantie van 21.02.1791.
Deze ordonnantie staat in het Digestum Novum achter de publicatie van 29.04.1793.

02.03.1804, Jan van Ceulen heeft in plaats van wijlen Egbert van Marle de eed gedaan als boter[tonnen[ijker op de ordonnantie van 21.02.1791, te vinden in het Digestum Novum.

08.05.1821, Hendrik Robijns en Jan Schallenberg hebben de eed als botertonnenijkers afgelegd in handen van president-burgemeester J.N. Bijsterbos.

01.03.1838, Nicolaas Bruggink heeft, in de plaats van wijlen J. Schallenberg, de eed als botertonnenijker afgelegd in handen van burgemeester F. Lemker.

Fol.244 2de.
09.08.1810, Reglement voor de wijkmeesters binnen Kampen.
Art. 1. In elk van de vier wijken van deze stad zullen twee wijkmeesters worden aangesteld.
Art. 2. Zij moeten met ingang van 15.08.1810 een huizenregister voor hun wijken aanleggen, bevattende de volgende kolommen.
1 Wijk- en huizennummers volgens de nu geldende nummering.
2 Namen der bewoners, hetzij eigenaars of huurders.
3 Opgave of de hoofdbewoners kamers verhuren aan inwonende gezinnen of personen.
4 Namen van alle huurders van de huizen of delen daarvan.
5 Opgave van de plaatsen waarvan deze huurders zijn gekomen, getal van hun kinderen en namen en leeftijden van de kinderen.
6 Beroepen en kerkgenootschappen van de bewoners en huurders.
Art. 3. Vervolgens moeten de wijkmeesters in het begin van slachtmaand, van sprokkelmaand, van bloeimaand en van oogstmaand en zo vervolgens elke drie maanden, langs de huizen gaan en de veranderingen noteren. De bewoners zijn verplicht hen in hun huizen toe te laten en moeten juiste opgave doen.
Art. 4. De wijkmeesters moeten ontdekte onregelmatigheden aan de burgemeester melden.
Art. 5. Zij moeten hun registers in orde houden en op verzoek tonen aan burgemeester of wethouders of op stadskosten laten afschrijven.
Art. 6. Zij moeten in het bijzonder toezien dat de publicatie van 29.02.1808 wordt nageleefd en zij moeten nauwkeurig informeren of er vreemde personen van elders zijn komen wonen.
Art. 7. Zij zijn bevoegd en verplicht om van iedere nieuwe inwoner, zowel van afzonderlijke personen als van gezinshoofden een bewijs te vorderen dat zij toestemming tot inwoning hebben en verder onderzoek doen of zij een akte van indemniteit hebben overgelegd of borgstelling hebben. Huisknechten en dienstboden zijn hiervan vrijgesteld. Deze laatsten moeten wel aan genoemde voorwaarden voldoen als zij trouwen en hier blijven wonen.
Art. 8. Als zij personen hebben ontdekt die niet aan genoemde voorwaarden voldoen, moeten zij daarvan schriftelijk rapport indienen bij de burgemeester.
Art. 9. Ook als zij ontdekken dat personen in stilte zijn vertrokken of willen vertrekken, moeten zij dat direct rapporteren aan de burgemeester.
Art. 10. Het bepaalde in de publicatie van 29.02.1808 wordt in zoverre gewijzigd dat verhuur van huizen, kamers, zolders of kelders aan van buiten inkomende personen, door de

_↓_


|pag. 80|

verhuurders nu moet worden opgegeven aan de wijkmeesters.
Art. 11. De wijkmeesters moeten ook nagaan bij welke gezinnen, huurders of onderhuurders zijnde, militairen kunnen worden ingekwartierd. Zij moeten ieder halfjaar, n.l. op de eerste van bloeimaand en op de eerste van slachtmaand een lijst daarvan ter hand stellen aan de Commissie tot de inkwartiering.
Art. 12. Zij moeten in het kort de reden noemen als zij opgeven dat gezinnen niet met inkwartiering kunnen worden belast.
Art. 13. Zij moeten steeds de Commissie van inkwartiering van advies dienen omtrent inkwartiering in hun wijken en zij moeten op gepaste wijze voorstellen daartoe doen, om onbedoelde onredelijkheden te vermijden.
Zij moeten daags vóór de ‘verlegging’ van de troepen de biljetten van de inwoners ophalen en aan de Commissie van kazernering overhandigen, ingevolge de lijsten die de commissie hen zal geven.
Art. 14. De wijkmeesters zullen voor hun arbeid vrijdom van inkwartiering genieten.
Aldus gearresteerd in de vergadering van burgemeester en wethouders van Kampen op de 9de van oogstmaand 1810.

Fol.245.
02.03.1737, De vorige ordonnantie over het recht van de kraan wordt herzien en de beloning van de vernisser wordt vastgesteld zoals volgt.
Art. 1. De pachter van de kraan en de vernisser moeten er zorg voor dragen dat de goederen van de kooplieden met alle zorgvuldigheid in en uit de schepen wordt geladen.
Art. 2. Zij moeten zorgen dat de lengen, haken en touwen die bij het laden en lossen worden gebruikt, stevig genoeg zijn. Zij moeten de schade vergoeden die ontstaat door gebruik van ondeugdelijk gereedschap of materiaal.
Art. 3. Zij moeten ter voorkoming van ongelukken de vaten met natte waren en alle lasten boven de 600 ponden waar de kraan niet voor mag worden gebruikt, niet met haken maar met lengen in- en uitladen.
Art. 4. Zij moeten ieder die dat verzoekt zonder uitstel helpen met laden en lossen in en uit de schepen.
Art. 5. Zij mogen voor hun arbeid niet meer rekenen als hierna gespecificeerd staat. Zij moeten betaald worden als de goederen door de kraan of vernisser of door de kooplieden zelf worden behandeld.
Art. 6. De verdiensten zijn half voor de pachter van de kraan en half voor de vernisser. Voor kleine kisten, olie, traan, asvaten en alles wat verder voor de zeepbereiding nodig is, behoeft het recht van de kraan of het loon der vernisser niet te worden betaald, behalve als om het gebruik van de kraan of de arbeid der vernisser verzocht wordt.
Art. 7. Voor goederen die met wagens de stad uit worden gevoerd, behoeft geen kraangeld of vernissersloon te worden betaald als de kraan of vernisser niet zijn ingeschakeld bij het laden.
Art. 8. Voor goederen van minder gewicht dan 400 pond is geen kraan- of vermissersgeld verschuldigd, behalve wanneer om kraan of vermisser verzocht wordt.
Art. 9. Verder zijn de goederen die de mensen van Urk, Ens en Emmeloord aanvoeren of meenemen niet onderhevig aan kraan- of vernissersgeld.

Lijst van het kraanrecht en het arbeidsloon van de vernisser.
Een vat wijn, brandewijn of genever en dergelijke 3 stuivers.
Een oxhoofd wijn, azijn, bier en dergelijke 1 stuiver en 8 penningen.

_↓_


|pag. 81|

Een heel pruimenvat 3 stuivers.
Een half pruimen- of half krentenvat 1 stuiver en 8 penningen.
Een tabaksvat 3 stuivers.
Een heel siroopvat 3 stuivers.
Een half siroopvat 1 stuiver en 8 penningen.
Een rijstvat of -baal boven de 400 ponden 1 stuiver en 8 penningen.
Wollen zakken of wollen balen boven de 400 ponden 1 st. en 8 penn.
Een hennepbaal of -zak boven de 400 ponden 1 stuiver en 8 penningen.
Een potasvat boven de 800 ponden 3 stuivers.
Een kookasvat van tussen de 400 en 800 ponden 1 stuiver en 8 penningen.
Een pijp boonolie 3 stuivers.
Een perceel olie of traan 3 stuivers.
Een kraankist 3 stuivers.
Alle andere vaten, kisten, pakken en zakken tussen de 400 en 600 ponden 1 stuiver en 8 penningen en boven de 600 ponden 3 stuivers.
Molenstenen, masten, molenassen en ander zwaar hout, koetsen en dergelijke, naar redelijkheid.
Beesten, paarden en dergelijke boven het getal van twee of drie 1 stuiver en 8 penningen.
De Raad behoudt zich het recht voor deze ordonnantie ten allen tijde te veranderen.
In de marge staat: 12.11.1740, Van paarden en beesten onder het getal van vier moet men geven 3 stuivers van elk en voor een varken 1 stuiver.

Fol.246.
08.02.1738, Instructie en reglement op de meester van de daghuurders.
Art. 1. De meester van de daghuurders moet een nuchter en bekwaam persoon van de gereformeerde religie zijn.
Art. 2. Hij moet nauwkeurig toezicht houden op de stadsmaterialen die hij of de arbeiders gebruiken.
Art. 3. Hij moet het hem van stadswege opgedragen werk getrouw laten uitvoeren en zelf meewerken.
Art. 4. Hij moet ook toezicht houden op de knechten die onder hem in stadsdienst werken.
Art. 5. Hij mag voor stadswerk alleen met voorkennis van cameraars en rentmeesters mensen aannemen en ontslaan.
Art. 6. Tot tractement krijgt hij 7 gulden per jaar alsmede een vrije woning (voorlopig) in de Broederpoort. Als hij die woning moet ontruimen, kan hij geen aanspraak maken op vervangende woonruimte. Tot dagloon beurt hij als hij werkt in dienst van stad 16 stuivers in de periode 1 april tot 30 september en 12 stuivers in de periode van 1 oktober tot 31 maart.
Art. 7. Knechten of daghuurders die voor de stad werken, krijgen in deze perioden respectievelijk 12 en 8 stuivers.
Art. 8. Hij mag onder geen voorwaarde iets van genoemde daglonen van de daghuurders inhouden of iets van hen vorderen. Bij overtreding van dit artikel zal hij worden ontslagen en bovendien gestraft.
Art. 9. Hij moet elke zaterdagavond in de rentekamer, als de lonen worden uitbetaald, een gespecificeerde staat overleggen met de namen van de arbeiders die die week in stadsdienst hebben gewerkt onder zijn leiding en ook vermelden waaraan zij gewerkt hebben en hoelang.
Als de cameraars en rentmeesters hen dat vragen, moeten de arbeiders ook zelf bij de uitbetaling aanwezig zijn.

_↓_


|pag. 82|

Art. 10. Hij mag geen stadswerk aannemen of daarin participeren zonder voorkennis van cameraars en rentmeesters.
Art. 11. Alleen met voorkennis en toestemming van de cameraars en rentmeesters mag hij materialen voor het stadswerk leveren.
Art. 12. Om al deze artikelen exact te laten nakomen, moet de meester van de daghuurders daarop de eed doen.
Dit alles is voorlopig vastgesteld door schepenen en raden onder voorbehoud van daar iets af of bij te mogen doen.
Gearresteerd den 08.02.1738.

10.02.1738, In plaats van wijlen Jan de Wind is tot meester van de daghuurders aangesteld Henrik Kloijenberg. Hij heeft de eed gedaan.

21.02.1764, Albert Lubberts is voorlopig voor een jaar aangesteld tot meester van de daghuurders. Hij heeft de eed gedaan.
Steeds op 21.02. van de jaren 1765 tot en met 1783 werd hij voor een jaar in zijn functie gecontinueerd.

26.02.1784, Apostille. Aan Albert Lubberts is op zijn verzoek ontslag verleend en een pensioen van 2 gulden per week toegezegd.
Vervolgens is Antony Vogelzang tot meester van de daghuurders aangesteld op de vergoeding die daar voor staat.
Steeds op 21.02. van de jaren 1785 tot en met 1792 werd hij voor een jaar in zijn functie gecontinueerd.
In plaats van zijn daggelden krijgt hij vanaf 21.02.1788 een weekloon van 6 guldens. Zie de apostillen.

08.07.1803, Jan van den Berg is in plaats van wijlen A. Vogelzang aangesteld tot meester over de daghuurders.

Fol.247.
04.06.1738, Kwalificatie voor Egbert Brandenborg.
Het is schepenen en raden ter ore gekomen dat sommige schippers, varende in het veer van Amsterdam op Kampen, minder voor de vracht vragen als wat bij ordonnantie is vastgesteld.
Dat zijn overtredingen van onze orders, maar het is ook schadelijk voor de schippers zelf.
Wij hebben daarom geauthoriseerd en gekwalificeerd Egbert Brandenborg om voortaan de vrachtprijs van alle goederen die door onze veerschippers van Amsterdam worden gevoerd, in naam van de schippers van de burgers en ingezetenen te vorderen volgens de tarieven van onze ordonnantie. Van onze ordonnantie is hem een exemplaar ter hand gesteld. Hij mag niet meer en niet minder vorderen. De schippers moeten bij aankomst in Kampen de vrachtbrieven van hun lading aan Egbert Brandenborg overleveren. Deze zal dan de vrachtprijs ontvangen en aan de schippers uittellen.
Egbert Brandenborg heeft met ede beloofd zich aan deze regels te zullen houden.
Gegeven onder ons stadszegel en de handtekening van onze secretraris, den 04.06.1738.

03.01.1765, Bert van Dijk is in plaats van Egbert Brandenburg, die vrijwillig afstand heeft gedaan, aangesteld als boven. Hij heeft de eed gedaan.

_↓_


|pag. 83|

Fol.248 1ste.
22.12.1742, Instructie voor de stads medicinae doctor.
[tussengeschreven staat:] Nader gearresteerd en herzien 24.01.1780.
Hij moet de zieken in het stadsziekenhuis, de weeshuizen, de gasthuizen en in de vergaderingen voor niets helpen, maar de laatsten alleen als zij de hulp uitdrukkelijk pro deo begeren.
Verder ook nog alle armen die door de armenkamer worden ondersteund.
Ook moet hij zonder te declareren overal helpen waar schepenen en raden hem nodig hebben.
Hij mag alleen een nacht uit de stad wegblijven met toestemming van de president-burgemeester.
De Raad behoudt zich het recht voor deze instructie te mogen veranderen.

22.12.1742, Rudolph Woltgraaf en Bemhardt van Goutum zijn op bovenstaande instructie met handtasting aangenomen als stads medisch doktoren.

31.10.1759, De overeenkomst die de stadsdokters onderling hebben gesloten met betrekking tot het visiteren der zieken in hun wijken, blijft voorlopig van kracht, maar op bevel van de president-burgemeester is elke dokter verplicht bij een aangewezen zieke te komen, ook al woont die niet in zijn wijk.

28.11.1772, Er is bepaald dat de stadsdokters minstens een keer per dag de zieken in het stadsziekenhuis moeten bezoeken. Zieken die herstellende zijn moeten zij aanzeggen dat zij het ziekenhuis moeten verlaten. Als die zieken dat niet willen, moeten de dokters de camaraars dat aanzeggen.

27.01.1780, Bij resolutie van heden dato is Meinardus Simon du Pui, A.L.M. philosophisch doctor te Leiden, aangesteld tot stads medicinae doctor, alsmede tot lector anatomes, chirugiae et artis obstetriciae, op bovenstaande en op de hierna op fol.248 2de geregistreerde instructie.
Hij moet met de tegenwoordige stadsdokter B. van Goutum een schikking maken over het visiteren van stadszieken, dat elk nu voor de helft moet doen, doch dat du Pui na het overlijden of ander beletsel van Van Goutum alleen zal moeten doen.
Zie de prestatie van zijn eed achter de instructie voor de lector anatomes.

Fol.248 2de.
Instructie voor de stads lector anatomes, chirugiae et artis obstetriciae.
Art. 1. Hij heeft door zijn aanstelling ipso jure het recht om zonder nader examen in de stad en de vrijheid de praktijk der chirurgie en verloskunde uit te oefenen op de wijze zoals hieronder nader wordt omschreven.
Art. 2. Hij is verplicht de heren van de Magistraat te dienen met zijn rapporten, adviesen en kunst in alle gevallen die zij nodig oordelen, zoals met het schouwen van wonden en lijken, examineren, opereren en ontleden en met de heel- en vroedkunst, zonder daar salaris voor te beuren. Hij krijgt voor dat werk echter wel de hulp van een chirurgijn.
Art. 3. Hij moet ieder jaar openbare lessen geven te dienste van chirurgijns en hun leerlingen en de vroedvrouwen. Hij krijgt hiertoe een geschikte plaats aangewezen. Ook hierbij kan hij assistentie van een chirurgijn vragen.
Art. 4. Hij is verplicht om de zieken die door de chirurgijns van de stad en de armenkamer worden behandeld (ingevolge Art. 2, 3 en 4 van de instructie der stadschirurgijns) op vaste tijden, of wanneer de Magistraat hem dat speciaal opdraagt, te visiteren in gezelschap van de

_↓_


|pag. 84|

chirurgijn. Hij moet deze dan adviesen geven over de behandeling. Verder moet hij die patiënten eventueel opereren en moet hij bij hen moeilijke verbanden aanleggen. Als een chirurgijn hem verzoekt mee te gaan naar een patiënt, mag hij dat niet weigeren.
Art. 5. Hij moet de functie van stadsvroedmeester waarnemen zo dikwijls als een vroedvrouw hem daartoe vraagt. Ook bij moeilijke bevallingen van vrouwen die door de armenkamer worden onderhouden, moet hij helpen. Ook andere arme vrouwen die zijn dienst nodig hebben, moet hij gratis helpen. Hij mag de assistentie van een stadsvroedvrouw inroepen.
Art. 6. Hij moet ten allen tijde komen om zijn heel- en vroedkunst aan te wenden als een chirurgijn of vroedvrouw hem nodig heeft bij een barende vrouw of een zieke, of wanneer iemand uit de stad of de vrijheid hem verzoekt te komen. Hij mag dan, uitgezonderd in de gevallen die in Art. 4 en 5 genoemd worden, een redelijk salaris vragen.
Art. 7. Hij mag geen nacht buiten de stad blijven zonder toestemming van de president-burgemeester.

Deze instructie is een voorlopige en kan ten alle tijde door de Magistraat worden veranderd of uitgebreid. Aldus gearresteerd in de senaat op 24.01.1780.

In de marge staat: Zie de vernieuwde instructie voor de lector chirugiae et artis obstetriciae op pagina 325.

Op bovenstaande instructie is bij resolutie van 27.01.1780 aangenomen tot lector, etc., Meinardus Simon du Pui A.L.M. et philosophisch doctor, etc., te Leiden. Hij heeft op 13.03.1780 de eed afgelegd.

04.08.1788, Bij resolutie van heden is J.W. Heppe uit Almelo beroepen tot stadsdokter en vroedmeester in de plaats van de lector M.S. du Pui, die is beroepen naar Alkmaar.

04.08.1788, Uit de vorige instructie is de volgende gemaakt.
Art. 1. Hij moet in het algemeen de zieken in het pesthuis, ziekenhuis, de beide weeshuizen, de beide gasthuizen en de vergaderingen gratis helpen. De laatsten echter alleen gratis als zij daar uitdrukkelijk om verzoeken. Ook de mensen die door de armenkamer worden onderhouden, moet hij gratis helpen.
Art. 2. Hij moet zonder vergoeding en ten allen tijde fungeren als doctor medicinae als schepenen en raden of de president burgemeester hem daartoe nodig hebben.
Art. 3. Hij mag geen nacht buiten de stad blijven zonder toestemming van de president-burgemeester.
Art. 4. De stadsdoktoren mogen onderling bepalen in welke stadswijken zij gewoonlijk dienst doen en welke inrichtigen (gast-, wees-, ziekenhuizen, etc.) zij gewoonlijk zullen bedienen.
Wel moeten de beide doktoren op aanwijzing van de president-burgemeester allen die hen nodig hebben zonder onderscheid van persoon of in welke wijk die wonen, van dienst zijn. Ook bij vacature, of bij ziekte of afwezigheid van de ene, moet de ander al het voorkomende werk doen.
Art. 5. Hij moet minstens een keer per dag het stadsziekenhuis bezoeken en de zieken naar behoren bedienen. Zij die naar zijn mening voldoende hersteld zijn, moet hij aanzeggen om te vertrekken. Als een genezen patiënt niet wil vertrekken, moet de dokter dat melden aan de cameraar van de stad.
Art. 6. De stadsdokter die tevens als vroedmeester is aangesteld, moet vroedvrouwen

_↓_


|pag. 85|

assisteren bij moeilijke bevallingen. Vrouwen die worden onderhouden door de armenkamer en andere arme vrouwen moet hij gratis helpen. Hij mag de assistentie van vroedvrouwen verlangen als hij bij een bevalling wordt geroepen.
Art. 7. Hij is verplicht zijn vroedkunst aan te wenden bij alle andere bevallingen in de stad en de vrijheid als hij door particulieren of door vroedvrouwen daartoe wordt gevraagd. Hij mag daarvoor een redelijk salaris vragen.
Art. 8. Schepenen en raden behouden zich het recht voor om deze instructie te veranderen of uit te breiden.

1788, Dr. J.W. Heppe heeft op bovenstaande instructie de eed gedaan.

21.07.1794, Dr. P.B. van Maanen heeft op bovenstaande instructie de eed gedaan als tweede stadsdokter.

29.08.1803, Bij resolutie is de bovenstaande instructie uitgebreid met de onderstaande tarievenlijst.
Tarief der visites.
Voor een gewone visite in de stad, overdag 8 stuivers en tussen 10 uur ’s avonds en 8 uur ’s morgens 16 stuivers.
Visites buiten de stad.
Voor een kwartier gaans buiten de stad 10 stuivers (voor mindere afstand geldt het tarief als binnen de stad).
Voor een half uur gaans 16 stuivers.
Voor verdere afstand, op het Eiland of elders, 1 gulden en 10 stuivers.
Voor nachtvisites buiten de stad geldt het dubbele tarief. Wagenhuur of andere vervoerskosten niet inbegrepen.

21.11.1803, Dr. E.C. Buchner heeft op bovenstaande instructies de eed gedaan als tweede stadsdokter.

Fol.249.
29.10.1748, Provisionele instructie voor de schoonmaakster van het raadhuis.
Art. 1. Zij moet haar werk getrouw en ijverig doen.
Art. 2. Zij moet het stadhuis goed schoonhouden, zowel binnen als buiten de kamers, naar behoren ragen, stoffen, vegen en schrobben. De gemakken van de gevangen blijven echter ten laste van de cipier, als van ouds.
Art. 3. Zij moet de tafelkleden in de vergaderkamers regelmatig afvegen en uitkloppen en ook de inktkokers en zandstrooier schuren.
Art. 4. Zij moet ook het stadskoper en stadstin schoonhouden. Een register van het tin- en koperwerk zal haar door de stalmeester worden gegeven.
Art. 5. Zij moet zorgen dat de watertonnen zuiver blijven en niet gaan stinken.
Art. 6. Verder moet zij alles schoonmaken wat de cameraars en rentmeesters haar aanwijzen, zonder daar iets extra voor te ontvangen, tenzij de cameraars en rentmeesters haar in speciale gevallen daar iets voor willen geven.
Art. 7. Het schoonmaakmateriaal zal haar door de stad bezorgd worden, behalve Engels steenkrijt, loog, biksteen en zeep, wat zij zelf moet kopen en waarvoor de stad haar ieder kwartaal een gulden en vier stuivers zal geven.

_↓_


|pag. 86|

Voor schoonmaakwerk na keur- of andere buitengewone maaltijden krijgt zij extra verschot.
Art. 8. Als de stad turf inslaat, moet zij bij het brengen aanwezig zijn en toezicht houden.
Daarvan moet zij verslag uitbrengen aan de cameraars en rentmeesters.
Art. 9. Zij moet de benodigde turf zelf in bakken van de zolder halen.
Art. 10. Zij moet goed letten op het brandhout en op de turf en de turfzolder steeds op slot houden.
Art. 11. Zij mag nooit gloeiende of dove kolen meenemen of laten meenemen of van die kolen op enige wijze profijt hebben.
Art. 12. Zij krijgt per week tot traktement twee carelsguldens, te betalen door de rentekamer.

04.11.1748, Janna Gerrits, de vrouw van Henrik Jans van Dijck, heeft als schoonmaakster van het raadhuis de bovenstaande instructie aangenomen en heeft de eed gedaan.

01.02.1781, Alberdina van Dijk heeft als schoonmaakster van het raadhuis de eed gedaan op bovenstaande instructie.

02.02.1781, Jannegie, de weduwe van Jan Mulder, heeft de eed gedaan als schoonmaakster van het raadhuis, als waarneemster van Alberdina van Dijk.

Fol.250.
04.11.1748, Instructie voor de havenmeester van de Buitenhaven.
Provisioneel opgesteld onder beding dat schepenen en raden deze instructie ten allen tijde kunnen veranderen of uitbreiden.
Art. 1. De havenmeester moet er zorg voor dragen dat het hek van de haven gelijk wordt geopend en gesloten met de Havenpoort.
Art. 2. Hij moet er voor zorgen dat de haveningang niet wordt geblokkeerd door in het vaarwater liggende schepen.
Art. 3. Hij moet schade aan wallen, sluis, hek en brug, veroorzaakt tijdens laden of lossen, direct melden aan de cameraars en rentmeesters.
Art. 4. Hij moet de brug buiten de Havenpoort, de brug over de gracht en de gang naar het secreet binnen de stadsmuur behoorlijk schoonhouden en minstens een keer per week behoorlijk laten vegen en reinigen.
Art. 5. Als traktement zal de havenmeester een gulden en tien stuivers hebben, elke zaterdag te ontvangen uit de rentekamer.
Art. 6. Verder krijgt hij als een emolument (zoals van ouds) van elk vaartuig met een laadvermogen van meer dan 1½ last dat de haven binnen komt of door de haven passeert 2 stuivers. Van de met turf geladen bollen krijgt hij echter maar 1 stuiver. Ook van vreemde schepen van minder dan 1½ last die in de haven een nacht overblijven of handelswaar brengen, krijgt hij 1 stuiver. Van die kleine schuiten die aan inwoners toebehoren, mag hij geen havengeld eisen.

07.11.1748, Gosen Erckelens, aangesteld tot havenmeester, heeft bovenstaande instructie met zijn eed aangenomen.

13.12.1749, Als aanvulling op het 6de Art. kel van de instructie is bepaald dat van Schokkers, Urkers en andere schuiten die hier leeg aankomen en geladen met proviand of andere waar weer vertrekken, geen havengeld zal worden gevraagd.

_↓_


|pag. 87|

23.03.1772, Als aanvulling op het 6de artikel van de instructie is bepaald dat van schepen groter dan 1½ last, die geladen met turf de haven of het Oorgat binnenkomen of door de haven of het Oorgat passeren, 2 stuivers zal worden gevraagd. Van alle kleinere met turf geladen vaartuigen zal men 1 stuiver vragen. De havenmeester moet de schippers echter goed van dienst zijn.

16.08.1787, Als verduidelijking van de uitbreiding van het 6de artikel, gemaakt op 23.03.1772, wordt nog eens uitdrukkelijk bepaald dat de regeling alleen geldt voor met turf geladen kleine vaartuigen.

28.08.1789, Hendrik Schimmelpenning is aangesteld tot havenmeester. Hij heeft de eed gedaan.

Zie verder de notulen van de Raad van 12.11.1816 en van 10.06.1817.

Fol.251.
12.12.1748, Instructie voor de opstekers van de stadslantaarns.
Art. 1. Er zullen twee beëdigde lantaarnopstekers worden aangesteld, waarvan de een het Bovenkwartier en Cellebroederskwartier en de ander het Broederkwartier en het Buitenkwartier zal bedienen.
Art. 2. Zij moeten elk in hun kwartieren de lampen gevuld houden met goede olie en katoen, zodat ze bij duistere maan kunnen branden tot vijf uur en bij lichte maan tot die ondergaat.
Art. 3. De lantaarns moeten worden aangestoken voor het donker wordt.
Art. 4. De opstekers moeten de olie halen van een plaats die hen door de cameraars en rentmeesters wordt gewezen.
Art. 5. Zij moeten er letten dat zij goede en zuivere olie krijgen.
Art. 6. Zij mogen niet meer olie halen als zoveel zij dagelijks nodig hebben. Zij mogen deze olie niet vermengen of veranderen of er iets van meenemen voor eigen gebruik, op straffe van onmiddelijk ontslag.
Art. 7. Zij moeten de lantaarns schoon en zuiver houden en de glazen iedere dag als zij de olie bijvullen, met spuug schoonmaken. Zij moeten verder het katoen en het waslicht goed bewaren.
Art. 8. Zij moeten assisteren bij het plaatsen en verwijderen der lantaarns, waarvoor aan elk van stadswege zal worden gegeven een vierde last sponturf.
Art. 9. Zij moeten de verwijderde lantaarns goed bewaren op een door de cameraars en rentmeesters aangewezen plaats.
Art. 10. Zij moeten de justitie assisteren en kunnen verder opgeroepen worden voor werkzaamheden waar men ook de andere stadsdienaars voor gebruikt.
Art. 11. Hun tractement bedraagt 1 gulden en 10 stuivers per week, elke zaterdag te beuren uit de rentekamer. Bij de uitbetaling zal door de cameraars en rentmeesters tevens worden opgegeven op welke tijd zij in de komende week de lantaarns moeten aansteken en hoeveel olie zij moeten halen.
Art. 12. Zij moeten deze instructie met hun eed onderhouden.

Deze instructie is provisioneel gearresteerd op 12.05.1748, onder beding dat schepenen en raden daar iets aan mogen wijzigen of uitbreiden. Vooral als de lantaarns een geheel winter niet branden.

_↓_


|pag. 88|

In de marge staat: 27.09.1797, Het eerste artikel is veranderd als volgt.
Er zullen voortaan drie beëdigde lantaarnopstekers wezen, waarvan de ene zal bedienen de Nieuwstraat en de Hofstraat tot aan de Speldemakerssteeg, de gehele Geerstraat en Luijtersteeg en dan verder naar boven, de tweede van de Geerstraat en dan tot aan de Broerstraat inclusief en verder over de Visbrug en bij de kraan, de derde het overige gedeelte van de stad tot aan de Hagenpoort.

12.12.1748, Christiaan Koenders, als lantaarnopsteker van het Bovenkwartier en Cellebroederskwartier, en Aart Hendriks van de Weteringe, als lantaarnopsteker van het Broederkwartier en Buitenkwartier, hebben de eed gedaan.

06.07.1769, Harmen Vos heeft, in plaats van wijlen Christiaan Koenders, de eed als lantaarnopsteker gedaan.

31.01.1782, Berend van Aelderen heeft, in plaats van wijlen Aart Hendriks van de Weteringe, de eed als lantaarnopsteker van het Broederkwartier en Buitenkwartier gedaan.

31.01.1782, Pieter van Aelderen heeft als plaatsvervanger van Berend van Aelderen, de eed gedaan.

12.09.1782, Jan Pres heeft de eed gedaan in plaats van Pieter van Aelderen (die thans ter zee dient), de verwalter van Berend van Aelderen.

05.09.1783, Gerrit Uiterwijk heeft de eed gedaan in plaats van Jan Pres, de verwalter van Berend van Aalderen.

03.06.1784, Jacob van Dalfsen heeft, in plaats van wijlen Harmen Vos, de eed als lantaarnopsteker gedaan.

07.03.1785, Johannes Berend van Goor heeft, in plaats van de tot roedendrager aangestelde Berend van Aalderen, de eed als lantaarnopsteker gedaan.

20.12.1792, Hermen Schotman heeft, in plaats van Jacob van Dalfsen, de eed als lantaarnopsteker gedaan.

20.05.1796, Maarten van Kwinkelen heeft, in plaats van de uit zijn functie ontslagen Harmen Schotman, de eed als lantaarnopsteker gedaan.

16.07.1796, Daniël Neusch heeft de eed als lantaarnopsteker gedaan.

13.09.1797, Hendrik van der Heyde heeft de eed als derde opsteker der lantaarns gedaan.

06.01.1803, Martinus Tiel heeft, in plaats van wijlen Johannes Berend van Goor, de eed als lantaarnopsteker gedaan.

10.04.1822, Hendrik van den Beld heeft, in plaats van Herm Schotman, de eed als lantaarnopsteker gedaan.

_↓_


|pag. 89|

1827, Machiel Herben heeft, als provisioneel aangestelde lantaarnopsteker in plaats van Remeijer, de eed gedaan.

23.08.1828, Pieter van Eunen heeft, in plaats van Hendrik van den Beld, de eed als lantaarnopsteker gedaan.

Fol.256.
[1754] Instructie voor de commissaris van het aantekenen der pakjes op de ordinaris veren.
Op de gewoonlijke afvoerdagen van de veerschepen moet de commissaris ten minste twee uur voor een veerschip afvaart in het commissarishuisje aanwezig zijn om van alle pakjes die hem worden gebracht correct aan te tekenen hoe die zijn gemerkt. Hij moet alle pakjes vervolgens met de aantekenlijst aan de schipers overdragen.

21.02.1754, Jan Kersten is aangesteld tot commissaris, etc. Hij heeft bovenstaande instructie met zijn eed aangenomen.

28.03.1783, Beerend van Aalderink is aangesteld tot commissaris, etc. Hij heeft de eed gedaan.

28.03.1783, Klaas Hoesbergen heeft, als verwalter van Beerend van Aalderink, de instructie als commissaris van het aantekenen der pakjes op de gewone veren met ede beloofd te onderhouden.

07.03.1785, Klaas Hoesbergen is, in plaats van de tot roedendrager aangestelde Berend Aalderink, effectief commissaris op het aantekenen der pakjes geworden. Hij heeft de eed gedaan.

[1797] Nadere instructie voor de commissaris van het aantekenen der goederen op de ordinaris veren.
Art. 1. Hij moet twee uur voor het vertrek van het veerschip in het commissarishuisje aanwezig zijn. Hij moet alle goederen die in het veerschip geladen worden, aantekenen op een lijst, welke aan de schipper moet worden overhandigd als vracht- of laadbrief.
Niet alleen voor veerschepen die naar Amsterdam varen, maar ook voor die welke naar Rotterdam, Hoorn, Enkhuizen, het eiland Ens, de Lemmer, Meppel, Blokzijl, Deventer, Zutphen, of waarheen een veer gewoonlijk vaart of komt te varen, moet hij vrachtlijsten maken.
Hij is verplicht de volgende goederen aan te tekenen en daarvan het aantekengeld te beuren, zonder iets meer te mogen rekenen.
Art. 1. Als naar één adres niet meer dan vier stuks goederen worden verzonden, moet een halve stuiver aantekengeld betaald worden. Voor meer dan vier stuks goederen naar één adres is een hele stuiver verschuldigd, evenals voor het aantekenen van een zakje met geld.
Art. 2. Losse brieven en valiezen of mandjes van de passagiers zijn van het aantekenen uitgesloten.
Art. 3. Kooplieden of burgers die zelf hun ongeadresseerde goederen, zoals matten, boter, duffels, etc., begeleiden, betalen voor vier of minder dan vier stuks een halve stuiver, en voor meer dan vier een hele stuiver.
Art. 4. Een koopman die zelf zijn varkens begeleidt, moet aan de commissaris de waagbriefjes tonen en voor elk briefje een halve stuiver betalen. Voor paarden en beesten moet men de

_↓_


|pag. 90|

commissaris een halve stuiver per stuk betalen.
Art. 5. Iedere vreemde schipper die hier aanlegt en het recht heeft om goederen te laden, moet zijn aankomst vroegtijdig melden aan de commissaris. Die moet zich dan op het eerste verzoek van de schipper direct naar zijn huisje begeven om de aantekening te doen.

De municipaliteit behoudt zich het recht voor om deze instructie te veranderen of aan te vullen.

In de marge staat: 02.09.1797, Deze instructie is bij resolutie van Municipaliteit en Committé van Algemeen Welzijn en Toezigt ingetrokken.

17.02.1797, Claas Hoesbergen heeft als commissaris van het aantekenen van de pakjes van de ordinaris veren de eed op bovenstaande instructie gedaan.

17.02.1797, Jacob ter Burgh heeft als extraordinaris commissaris de eed op bovenstaande instructie gedaan.
In de marge: Bij resolutie van Mun. en Com. van Algem. Welz. en Toez. is deze functie opgeheven.

26.01.1804, Antoni van het Veen heeft de eed als commissaris gedaan.

22.03.1817, Jan Gabriel ten Klooster heeft als commissaris de eed op de bestaande instructie gedaan.

Fol.257.
09.01.17599, Instructie voor de stadsexecuteurs.

Art. 1. De executeurs moeten zich wachten voor dronkenschap om zowel de orders van de Magistraat als de president-burgemeester goed te kunnen uitvoeren.
Art. 2. ’s Morgens en ’s middags moeten zij zich vervoegen bij het huis van de president-burgemeester om de orders van deze in ontvangst te nemen.
Art. 3. Als schepenen en raden vergaderen, moeten de executeurs op het raadhuis zijn om direct de gegeven opdrachten te kunnen uitvoeren.
Art. 4. Zij moeten dagelijks langs de straten en bij Vispoort en Venepoort omgaan om vreemde bedelaars en landlopers uit de stad te voeren, zonder hun aanwezigheid oogluikend toe te staan, laat staan hen te laten bedelen.
Art. 5. Zij moeten er ook voor waken dat geen bandieten of mensen die door schepenen en raden het verblijf in de stad ontzegd is, zich hier vertonen. Als zij dergelijke personen aantreffen, moeten zij die arresteren en op het raadhuis brengen, gevende de president-burgemeester daar onmiddelijk kennis van.
Art. 6. Bedelaars en melaatsen mogen zij slechts in de stad laten bedelen met speciale toestemming van een der president-burgemeesters. Iemand die aan ongeauthoriseerde bedelaars iets geeft, verbeurt 14 stuivers.
Art. 7. Zij moeten daags en ’s avonds de logementen en smokkelherbergen afgaan om te zien of er zich vreemde vagebonden of bedelaars ophouden. Die moeten aanstonds of zodra de tijd dat toelaat, uit de stad worden geleid. Mocht op een vagebond of bedelaar enige verdenking zijn gevallen, dan moet dat aan de president-burgemeester worden gemeld.
Art. 8. Zij moeten er nauwkeurig op toezien dat op de Burgwal, in straten en stegen of tussen

_↓_


|pag. 91|

de poorten geen mest of vuiligheid wordt gestord dan alleen op de mestvaalten en in vuilnisbakken, die geplaatst zijn op daartoe door de stad verordonneerde plaatsen. Ook mag niemand, op een boete van 14 stuivers, op de straten of tussen de poorten zijn behoefte doen.
Art. 9. Mensen die zij betrappen op het in het water van de Burgel gooien van krengen, krijgen een boete van 14 stuivers.
Art. 10. Zij moeten ook opletten dat de buiten de stad gevoerde paarde- en koeiemest op de daarvoor bestemde plaats binnen de planken wordt gestord. Overtreders krijgen een boete van 14 stuivers.
Art. 11. De ene executeur moet ’s maandags van acht tot tien uur de doorgang van wagens op de Botermarkt beletten en de andere moet op dezelfde tijd op Korenmarkt het onbelemmerd kunnen passeren van wagens regelen. Ook hier moeten overtreders 14 stuivers boete betalen.
Art. 12. Zij moeten ook de voerlieden van wagens beboeten die op de kleine stenen van de straten rijden en die over de Plantage of onder de bomen van de Burgwal rijden. Boete 14 stuivers.
Art. 13. Zij moeten ook opletten dat niemand met paarden en wagens hard draaft of jaagt over bruggen of door straten, want er moet voorzichtig worden gereden.
Art. 14. Zij moeten er op toezien dat op zondagen niemand zijn vensters opent ter nering of koopwaar uitstalt op de markt om te verkopen. Gedurende de predikatie mag niemand met wagens, sleden of kruiwagens bier, wijn of andere waar vervoeren, dan met speciaal consent van de president-burgemeester. Ook hier is de boete 14 stuivers.
Art. 15. Zij moeten er op letten dat koren- of andere molens op zondag niet malen, tenzij bij consent van de president-burgemeester.
Art. 16. Zij moeten er voor zorgen dat op zon- en feestdagen onder de prediking de jongens nabij de kerken, op de Plantage of op andere publieke plaatsen, zich niet bezig houden met exercitiën, kaartspelen, dobbelen, kaatsen, balslaan of klootschieten. Zij mogen het speelmateriaal, het speelgeld en de hoeden of mutsen der spelers in beslag nemen.
Art. 17. Op zondagen mogen zij de smokkelherbergen waar sterke drank geschonken wordt, inspecteren en beletten dat daar gelagen worden gehouden onder de prediking, ten zij in geval van nood of voor reizigers, op een boete van 14 stuivers.
Art. 18. Zij moeten er op letten dat geen touw, leer, doek, netten of vellen op de leuningen der stadsbruggen of aan de stadsmuren worden gehangen. Dit ter voorkoming van het schrikken door paarden, waar ongelukken door kunnen ontstaan. Boete 14 stuivers.
Art. 19. Zij moeten er op toezien dat door niemand muren, bolwerken of hoven worden beklommen of dat aan aanplanting van bomen of vruchtbomen schade wordt toegebracht.
Overtreders mogen direct worden gearresteerd en voorgeleid aan de president-burgemeester.
Art. 20. Zij moeten er op toezien dat gedurende de periode dat de koeien in de stadsweiden lopen, niemand daar met snaphanen of honden zal gaan jagen of gaan schieten, nog met visnetten in de sloten aldaar zal gaan vissen, op een boete van een goudgulden en verbeurte van snaphaan of netten.
Art. 21. Zij moeten er op letten dat geen brandende tabakspijpen in de mond worden gehouden door hooiers of voerlieden met hooi en door timmerlieden en metselaars tijdens hun arbeid, op een boete van 14 stuivers.
Art. 22. Verder moeten de executeurs deze ordonnantie zorgvuldig onderhouden en aan niemand oogluikend iets toestaan wat hier tegen is, door steekpenningen of drank aan te nemen. De opgelegde boeten komen ten profijte van de executeurs.
Schepenen en raden behouden zich het recht voor deze instructie te veranderen of uit te breiden.

_↓_


|pag. 92|

Gearresteerd op 09.01.1759.

In de marge bij Art. 8 staat de volgende aanvulling: 09.01.1776, De executeurs moeten er op letten dat van pas gevallen sneeuw geen hopen of bulten worden gemaakt, maar dat de straten vlak blijven. De ordonnantie hierop is vinden in het Digestum Novum onder de datum 09.01.1776.

25.04.1774, Jan de Leeuw is bij resolutie van heden dato tot provisioneel executeur aangesteld. Hij heeft de eed gedaan.

08.04.1775, Jan de Leeuw is in plaats van de overleden Joost Scheper tot executeur aangesteld.

24.02.1778, Hendrik Jans, die bij resolutie van heden tot executeur is aangesteld in de plaats van Jan de Leeuw, heeft de eed gedaan.

14.08.1780, Jannis Koning is bij resolutie van heden tot executeur aangesteld in de plaats van Louw van Son. Hij heeft de eed afgelegd op bovenstaande instructie en op de aanvulling zoals die te vinden is op pag. 257 2de.

15.02.1781, Johannes Abraham van Auw is bij resolutie van heden aangesteld tot executeur in de plaats van Jannis Koning. Hij heeft de eed gedaan.

22.04.1785, Willem van Staa is bij resolutie van 18.04.1785 aangesteld tot executeur in de plaats van Hendrik Jans. Hij heeft de eed gedaan.

Fol.257 2de.
14.08.1780, De vorenstaande instructie is als volgt uitgebreid en veranderd.
Art. 1. Als de executeurs hun orders van de president ontvangen hebben, moeten zij niet tesamen, maar elk afzonderlijk door de stad rondgaan, tenzij het anders vereist wordt. Op zondagavonden tijdens de avondpreek moeten zij zich nabij de kerk ophouden.
Art. 2. Ter voorkoming van ongeregeldheden moet de ene executeur op zaterdagmiddagen als op het orgel wordt gespeeld, tussen twee en drie uur in de Bovenkerk zijn en de andere moet dan bij de uitdeling van het brood aan de armen, in de armenkamer zijn.
Art. 3. Zij moeten er op toezien dat er geen wachtende paarden voor wagens staan ingespannen tenzij de repen zijn losgemaakt. Overtreders verbeuren 14 stuivers.
Art. 4. Niemand mag, op een boete van 14 stuivers, met kruiwagens met ijzeren beslag op de kleine steentjes kruien.
Art. 5. Zij moeten er verder nauwkeurig op toezien dat de publicatie van 04.06.1778, tegen de onreinheid der straten, wordt nagevolgd.

21.07.1783, Een van de executeurs moet steeds assisteren bij de driemaandelijkse verkopingen van de Bank van Lening en er voor zorgen dat de omstanders rustig blijven en verkoping niet wordt gehinderd door langsrijdende wagens. Hij moet verder de daar aanwezige hoofdlieden ten dienste staan.

16.09.1790, Extract uit het boek van resoluties.

_↓_


|pag. 93|

Er is de Raad gebleken dat de straten dikwijls worden gewied met regenachtig weer en dat dan het losgemaakte onkruid met de aarde die daar nog aanzit bijeen wordt geveegd en weggedaan. Hierdoor blijft er steed minder zand en aarde tussen de stenen over, zodat die los gaan zitten en soms geheel uit de straat verdwijnen. Voortaan moet bij droog weer worden gewied en moet het uitgehaalde onkruid een dag blijven liggen om te drogen. Daarna moet alles weer tussen de stenen worden geveegd. De executeurs wordt opgedragen om daarop toe te zien; hun instructie zal worden aangepast.

Fol.258.
[vervolg van fol.229v]
01.02.1765, Dirkje van der Worp heeft, in plaats van haar moeder Margarita Pannebakker, die ontslag gevraagd en gekregen heeft, de eed als turfvulster gedaan.

20.03.1766, Elisabeth ten Nuis heeft, in plaats van de vrouw van Hendrik van Eunen, de eed als turfvulster afgelegd.

06.11.1766, Sara Willemina Brandenburg heeft de eed als achtste bijvulster gedaan.

27.02.1767, Berendina Vet heeft, in plaats van wijlen Geertien Ernstes, de eed als bijvulster gedaan.

04.05.1767, Albertjen van den Belt heeft, in plaats van de weduwe van Jannis van de Burg, die voor haar functie heeft bedankt, de eed als turfvulster gedaan.

11.04.1768, De weduwe Hendrina van Dijk heeft, in plaats van de weduwe van Jan Vrijbergen, die voor haar functie heeft bedankt, de eed als turfvulster gedaan.

18.04.1768, Hendrina Strang, weduwe Hilbrinks, heeft de eed als bijvulster afgelegd.

19.05.1768, Berendina Vet heeft, in plaats van de weduwe van Pieter Tiels, de eed als turfvulster gedaan.

19.05.1768, Jannegie Bollebakkers heeft, in plaats van Berendina Vet, de eed als bijvulster gedaan.

12.12.1768, Janna Hevenaars heeft, in plaats van haar moeder Catrina Podts, de eed als turfvulster gedaan.

02.10.1769, Aaltien Alberts, de weduwe van Jan van der Heine, heeft de eed als turfvulster gedaan.

30.11.1769, Christina van Berkum, de vrouw van Egbert van Heerde, heeft in de plaats van Maria Balk de eed als turfvulster gedaan.
Aaltje Teunissen, de vrouw van Jan Beek, heeft in de plaats van Jannigjen Herms de eed als turfvulster gedaan.

06.09.1770, Janna van Wijnbergen heeft, in plaats van Sara Willemina Brandenburg, die

_↓_


|pag. 94|

vrijwillig afstand deed, de eed als achtste bijvulster gedaan.

12.12.1771, Anna Vos heeft, in plaats van wijlen Maria van den Brink, de eed als turfvulster gedaan.

08.02.1772, Zara Brandenburg heeft, in plaats van Aeltie Lijes, weduwe van Lambert van der Worp, die vrijwillig afstand deed, de eed als bijvulster gedaan.

10.08.1772, Nisjen Dirks, weduwe Fops, heeft Annegje Fopsen, weduwe van Willem Herms in haar plaats gesubstitueerd als turfvulster van Brunnepe.

20.08.1772, Grietie Reekman heeft, in plaats van Ida Harms, vrouw van Jacobus Reekman, de eed als turfvulster gedaan. Daarvoor moet zij haar genoemde ouders gedurende hun leven de derde stuiver uit die functie uitkeren. (Liber Apostill. 20.08.1772.)

09.11.1772, Hendrikje Bertelinks, de vrouw van Engelbert ter Meer, heeft in plaats van Delia, de vrouw van Pieter Coetse, de eed als turfvulster gedaan.

01.12.1772, Cornelia van Dijk, vrouw van Claas van Oosten, heeft in plaats van Johanna van Wijnbergen, die vrijwillig afstand deed, de eed als achtste vulster gedaan.

16.02.1773, Jannigje Roelofs heeft, in plaats van Aaltje van Grafhorst, die vrijwillig afstand deed, de eed als turfvulster gedaan.

20.01.1774, Geertruij Rietveld heeft, in plaats van Hendrikje van Dijk, de eed als turfvulster gedaan.

20.01.1774, Aaltje van der Vrigt heeft, in plaats van Geertruij Rietveld, de eed als bijvulster gedaan.

27.01.1774, Cornelia van Dijk heeft, in plaats van Jannegje Garis, die vrijwillig afstand deed, de eed als turfvulster gedaan.
Berendje Aards, de vrouw van H. van der Meulen heeft, in plaats van Cornelia van Dijk, de eed als bijvulster gedaan.

Vide fol.280 [voor het vervolg].

Fol.260.
[Zonder datum] Instructie voor de moeder of vader van het ziekenhuis.
In het ziekenhuis zullen geen zieken gebracht of door de moeder aangenomen worden, dan na vertoond schriftelijk consent van de president-burgemeester.
De moeder of vader moet de zieken goed verplegen en van eten en drinken voorzien. Daartoe wordt er per week voor elke zieke een gulden betaald door de stadsrente- en armenkamer.
Als er, met consent als voren, zieken worden gebracht door particulieren, moeten die voor verpleegkosten iedere week twee guldens betalen.
De ziekenmoeder krijgt een gulden per week als traktement, te betalen door de rentekamer, en jaarlijks een last sponturf.

_↓_


|pag. 95|

Zij moet het linnengoed schoon en heel houden. Voor aanvullingen daarop en voor bezems en dweilen om het ziekenhuis schoon te houden, mag zij het verpleeggeld aanwenden.
De nieuw aan te stellen ziekenmoeder moet het linnengoed, de bedden, peluwen, slopen en dekens van het ziekenhuis van de administrateur onder afgifte van een ontvangstbewijs overnemen. Zij moet zorgen dat het niet wordt verwaarloosd.
Zij moet ook al het andere goed van het ziekenhuis bewaren en onderhouden en gebreken daaraan en aan het gebouw, melden aan de cameraars en rentmeesters.
Ingevolge resolutie van 01.05.1676 mag de ziekenmoeder gratis een koe laten weiden op Seveningen.

Fol.264.
30.04.1770, Op request van de vastbanders is besloten hun instructie in zoverre te veranderen dat zij voortaan voor het peilen van een stukvat wijn 6 stuivers en van een oxhoofd 3 stuivers mogen eisen.
Extract van deze bepaling zal aan de vasbanders worden gegeven.

21.03.1782, Hendrik Buitendijk, die door de vastbender R.J. Woltgraft is gemachtigd om hem te helpen, heeft de eed gedaan.

De post van vasbander is vervallen verklaard. Zie het resolutieboek op datum 03.08.1807.

Eed voor de ijker van de droge maten.
Ik zweer dat ik mij in mijn bediening als ijker van deze stad, in het ijken der maten en tonnen en in hetgeen verder bij mijn bediening hoort, getrouw zal gedragen.

30.09.1807, Hendrik Buitendijk, die bij resolutie van heden is aangesteld tot stadsijker der droge maten, heeft de eed gedaan volgens de instructie zoals die te vinden is op folio 69, voor wat het ijken aangaat.

Fol.270.
01.02.1773, Het is schepenen en raden ter ore gekomen dat de voerlieden die turf vervoeren in Brunnepe niet allen hetzelfde vragen als vrachtloon, maar zonder te letten op afstanden een willekeurig bedrag eisen.
Daarom wordt het volgende bepaald.
Van een voer turf dat van de Buitenhaven naar Brunnepe wordt gebracht mag de voerman 6 stuivers rekenen (als vanouds).
Van de Buitenhaven tot aan het wegje naar de kalkoven 5 stuivers (als vanouds).
Van het hek aan de Greente of Brunneper haven tot achter het schuthok aan het brugje 4 stuivers. Naar verder in Brunnepe en naar de St. Nicolai Dijk 5 stuivers.
Verder mogen de voerlieden niets eisen, op straffe van naar bevinding van zaken te zullen worden gecorrigeerd.
Deze resolutie zal worden ingeschreven in het Groot-Ordinarius en er zal extract van worden gegeven aan de voerlieden.

Bij apostille van 31.12.1759 [!] zijn tot voerlieden in Brunnepe geauthoriseerd Beerend Beerends en Arend Jans.

_↓_


|pag. 96|

Fol.275.
29.01.1773, Instructie voor de stadsarchitect of fabriekmeester.
Art. 1. Hij zal in het algemeen toezicht houden op alle publieke gebouwen van de stad, van de geestelijkheid en van de godshuizen en op het timmer- en metselwerk van sluizen, bruggen, kaden en straten, en verder op alles waar de stad en genoemde instellingen voor verantwoordelijk zijn. Hij moet alles regelmatig inspecteren.
Art. 2. Alle gebreken die hij ontdekt, moet hij noteren en op de eerstvolgende zaterdag melden aan de cameraars en rentmeesters van stad en geestelijkheid of provisoren, kerkmeesters en weesmeesters van de godshuizen of gasthuizen en weeshuizen. Hij moet een schriftelijk rapport bijvoegen met aanwijzingen hoe en tegen welke kosten de defecten kunnen worden hersteld. Op last van genoemde heren moet hij tekeningen en bestekken maken voor reparaties en nieuwbouw.
Art. 3. Hij heeft het opzicht over alle timmerlieden, metselaars en ander werkvolk dat voor de stad werkzaamheden verricht. Hij moet hen dagelijks controleren en er op letten dat alles naar vereiste wordt gedaan. Hij moet er ook op letten dat het werkvolk vakbekwaam is. Hij mag alle luie, onbekwame of dronken werklieden direct ontslaan en anderen in hun plaats aannemen, alles echter met discretie en met het uitbrengen van een wekelijks rapport aan de cameraars en rentmeesters.
Art. 4. Hij moet nauwkeurig toezicht houden op de leveranties van hout, steen, kalk, cement, lood, ijzerwerk, etc. Hij moet zonder aanziens des persoons ondeugdelijk materiaal afkeuren.
Ook de opslag en bewaring van de materialen valt onder zijn verantwoordelijkheid, zowel van nieuwe als van oude. Hij heeft de sleutels van de stadstimmertoren en kalk- en zandloodsen en van andere plaatsen waar de stad materialen opslaat, in bewaring. De reservesleutels zullen worden bewaard in de stadsrentekamer [met potlood veranderd in stadhuis].
Art. 5. Hij moet letten op de juiste verwerking van kalk, cement en timmerhout en, met voorkennis van de cameraars en rentmeesters, zorgen dat er voldoende voorraad is.
Art. 6. Niet alleen werken die in daghuur worden gemaakt, maar ook werken die openbaar zijn aanbesteed, moet hij nauwkeurig controleren, en zonder iemand te ontzien fouten en gebreken rapporteren.
Art. 7. Alleen met zijn toestemming en zoveel mogelijk onder zijn toezicht mag oud werk worden weggebroken. Dit ter voorkoming van het maken van onnodige gaten of bressen.
Art. 8. Hij mag geen werk aannemen of in de aanneming participeren als de stad of genoemde instellingen de opdrachtgevers zijn. Hij mag ook geen geschenken van de aannemers accepteren.
Art. 9. Van het werkvolk mag hij niet profiteren.
Art. 10. Voor particulieren mag hij tekeningen en bestekken maken en opzicht op bouwwerken houden, maar hij mag ook hierbij niet participeren in de aanneming. De stad mag niet onder dat werk lijden.
Art. 11. Zonder consent van de cameraars en rentmeesters mag hij zich niet uit de stad begeven en ook geen werk buiten de stad of haar vrijheid aannemen.
Art. 12. Hij moet de stad en geestelijkheid helpen door aan de ene kant geconstateerde gebreken direct te laten herstellen en aan de andere kant door de kosten van herstel zo laag mogelijk te houden.
Art. 13. Iedere zaterdag moet hij in de stadsrentekamer zijn om verslag uit te brengen over het door het werkvolk verrichte werk en over wat er de komende week gedaan moet worden.
Iedere maand moet hij schriftelijk rapport uitbrengen over de in die maand verwerkte materialen en over de werkzaamheden die volgens hem verricht moeten worden. Iedere dag

_↓_


|pag. 97|

moet hij zich vervoegen aan het huis van de president-cameraar om diens orders aan te horen.
Art. 14. Zijn tractement zal 600 guldens per jaar bedragen, te betalen per kwartaal of per half jaar door de stadsontvanger, volgens zijn keuze, en aanvangende op de dag dat hij in functie zal treden.
Art. 15. Deze instructie moet hij met zijn eed bekrachtigen.

02.04.1773, Jan ten Holt, die bij resolutie van 11.03.1773 is aangesteld tot stadsarchitect of fabriekmeester, heeft de eed volgens bovenstaande instructie gedaan.

11.06.1789, De architect A. Zorg heeft de eed op bovenstaande instructie gedaan.
In de marge: 21.10.1791, De dienst van A. Zorg is met driejaar verlengd.
21.02.1794, Idem met drie jaar verlengd.

30.06.1796, A. Zorg is van zijn functie van architect ontheven.

01.05.1826, Nicolaas Plomp is in plaats van wijlen A. Zorg aangesteld tot stadsarchitect. Hij heeft in handen van burgemeester F. Lemker de eed gedaan.

Fol.280.
[vervolg van fol. 259v]

22.12.1774, Aaltje Stocking, vrouw van Marten Houw, heeft de eed gedaan als turfvulster in de plaats van haar schoonmoeder Jennigje Houw, die vrijwillige afstand deed.

08.11.1775, Teuntje Nieuwenhuis heeft, in plaats van de wegens ziekte ontslagen Aaltje van der Vrugt [of Vrigt], de eed als bijvulster gedaan.

29.04.1776, Hendrikje van Dijk, vrouw van Hendrik Brandenburg, heeft de eed als turfvulster gedaan.

29.04.1776, Geertruijd Knops, vrouw van Lambert van den Berg, heeft de eed als bijvulster gedaan.

24.04.1777, Berendje van der Meulen, bijvulster, heeft de eed als turfvulster gedaan in de plaats van Aaltje Jans, die vrijwillig afstand heeft gedaan.
Orsel Smit heeft de eed als bijvulster gedaan in de plaats van Berendje van der Meulen.

20.05.1777, Neeltje de Haan, nu bijvulster, heeft de eed als turfvulster gedaan in de plaats van Jannegje Snel, weduwe Bouwmans, die vrijwillig afstand heeft gedaan, maar die van iedere praam 10 stuivers en van een schuitje een stuiver uitkering wil genieten.

02.06.1777, Jacobje Smits heeft, in plaats van Neeltje de Haan, de eed als bijvulster gedaan.

22.09.1777, Aaltje Ruitenbergs, vrouw van B. van der Meulen, heeft de eed als bijvulster gedaan in plaats van wijlen Teuntje.

09.06.1778, Grietje Reekmans heeft vrijwillig afstand gedaan van haar plaats als turfvulster ten

_↓_


|pag. 98|

behoeve van Geertruid van den Berg, bijvulster. In Geertruids plaats is tot bijvulster aangesteld Teun Stroomberg. Beiden hebben de eed gedaan.

28.09.1778, Anna Geele, de vrouw van Christiaan Steuber heeft de eed als turfvulster gedaan in de plaats van wijlen Aeltien Teunissen, de vrouw van Jan Beek.

18.02.1779, Maria Helfrink heeft de eed als bijvulster gedaan in de plaats van haar moeder Hendrina Strang, weduwe Helfrink, die daarvan vrijwillig afstand heeft gedaan.

07.05.1779, Alberdina Brandenburg, turfvulster, die oud en zwak is, en Aaltje Ruitenbergs, bijvulster, hebben onderling van functie geruild, op voorwaarden dat zij hun inkomsten zullen delen als zij samenwerken en dat Aaltje als zij alleen werkt aan Alberdina zal uitkeren uit ieder werk 11 stuivers, uit een bolle een stoter en uit een schuitje een halve stuiver.

15.05.1779, Janna van Breemen en vrouw Heekes hebben onderling afgesproken dat de laatste haar turfvulstersplaats zal afstaan aan de eerste, mits deze gedurende het leven van haar en haar man, die beiden in het Heilige Geestgasthuis worden verpleegd, van ieder goed en kwaad werk zal geven 10 stuivers en uit ieder schuitje een stuiver. Deze uitkering zal ophouden met de dood van de eerststervende. Janna heeft de eed gedaan.

01.07.1779, Aaltje Alberts, weduwe van der Heine, heeft van haar turfvulstersplaats afstand gedaan ten behoeve van Grietje Reekmans, op voorwaarden die zij onderling hebben afgesproken. Grietje heeft de eed gedaan.

04.11.1779, Maria Jansen ten Hoonte, vrouw van Cobus van Eunen, heeft de eed als bijvulster gedaan in plaats van wijlen Elsie Kuijck, weduwe van Reinier van der Meulen.

05.11.1779, Jannigie Meijers, vrouw van Thijs London, heeft de eed als turfvulster afgelegd in de plaats van Geertruij Rietbergen weduwe van den Bosch, die vrijwillig afstand heeft gedaan, mits zoals afgesproken is, beurende de derde stuiver. Jannigie deed de eed.

13.01.1780, Geertje Jans heeft, in plaats van wijlen Anna Houw, de eed als turfvulster gedaan.

13.03.1780, Everdina Becks heeft de eed als bijvulster gedaan in de plaats van Alberdina Brandenburg, die vrijwillig afstand heeft gedaan.

20.04.1780, Maria Hilfrink, bijvulster, heeft de eed als turfvulster gedaan in de plaats van Jannegje Meijers, die vrijwillig afstand deed.

28.04.1780, Anna Trissenberg, vrouw van Teunis Beks, heeft de eed als bijvulster gedaan in de plaats van Maria Hilfrink.

01.06.1780, Anna Aarts heeft, in plaats van wijlen Aaltje Houw, de eed als turfvulster gedaan.

01.06.1780, Dirkje Meijerenberg heeft de eed gedaan om bij provisie voor Anna Aarts als turfvulster te fungeren, onder voorwaarde aan Anna de derde stuiver uit te keren.

_↓_


|pag. 99|

07.12.1780, Dezelfde Dirkje Meijerenberg is op gelijke conditie gesubstitueerd aan vrouw De Haan.

07.08.1780, Elisabeth Berkhof heeft, in de plaats van wijlen de weduwe Stroombergen, de eed als turfvulster gedaan.

04.09.1780, Dirkje van den Brink, vrouw van Cornelis Steendik, heeft de eed als bijvulster gedaan in plaats van NN.

08.03.1781, Femmigje Willems Captein heeft de eed als bijvulster gedaan in plaats van Sara Brandenburg.

26.08.1782, Marrijgje Smits heeft de eed als bijvulster gedaan in plaats van vrouw Beks.

01.06.1784, Margien Groens heeft de eed als buiten turfvulster gedaan in plaats van Neele Jans.

13.10.1785, Weduwe A. Lindeboom heeft de eed als turfvulster gedaan in plaats van de vrouw van E. van Heerde.

13.10.1785, de vrouw van Goosen Beks heeft de eed als bijvulster gedaan in plaats van de weduwe A Lindeboom.

13.05.1788, Dirkje Meijerenberg, de vrouw van Coen[raad] Smit, heeft de eed als bijvulster gedaan in plaats van de vrouw van Jan Vaas.

02.11.1789, Aaltie de Haan heeft de eed als turfvulster gedaan in plaats van haar moeder Neeltie de Haan, die vrijwillig afstand deed, onder voorwaarde van de derde stuiver te ontvangen zolang zij leeft.

06.05.1791, Maria Plins [of Pluis/Pruis], vrouw van Antonie van de Berg, heeft de eed als turfvulster gedaan in de plaats van Albertje van den Belt, de vrouw van Willem van Wetten, die in het gasthuis is geplaatst.

07.07.1791, Dirkje Meijerenberg heeft de eed als turfvulster gedaan in de plaats van Arendje Jans, die vrijwillig afstand deed, mits ontvangende van Dirkje, zoals werd afgesproken, van iedere schuit een dubbeltje, van ieder goed werk 11 stuivers en van ieder kwaad werk 10 stuivers.

07.07.1791, Dirkje Bakkers heeft de eed als bijvulster gedaan in de plaats van Dirkje Meijerenberg, die tot vulster is aangesteld.

08.08.1791, Bartje Aarts heeft de eed als turfvulster gedaan in plaats van Johanna Geele, vrouw van Christiaan Steuber, die vrijwillig afstand deed, mits beurende een dubbeltje van iedere schuit, 11 stuivers van een goed werk en 10 stuivers van een kwaad werk.

22.08.1791, Jacoba Oldebroek, bijvulster, vrouw van Willem Smit, heeft de eed als turfvulster

_↓_


|pag. 100|

gedaan in de plaats van de weduwe Lindeboom, die vrijwillig afstand deed, op voorwaarde dat Jacoba haar geeft 2 stuivers voor een schuit, 11 stuivers van een goed werk en 10 stuivers van een kwaad werk.

22.08.1791, Margien Sielmans, weduwe Aaldrink, heeft de eed als bijvulster gedaan in plaats van Jacoba Oldebroek, die vulster is geworden.

12.09.1791, Dirkje Arentse Meier heeft de eed als buiten vulster afgelegd in plaats van wijlen Willimpie Gerrits.

13.08.1792, Femmigie Willems Capitein, bijvulster, vrouw van Lammert Bokk, heeft de eed als vulster gedaan in de plaats van Geertje Jans, weduwe van Willem Koetzier, die vrijwillig afstand deed, mits ontvangende van Femmigie 2 stuivers van een schuit en 10 stuivers van een praam.

13.08.1792, Johanna van Dijk, weduwe van Jan Freriks, heeft de eed als bijvulster gedaan in de plaats van Femmigie Willems Capitein, die tot vulster is aangesteld.

17.09.1792, Hendrikje Sonnenberg heeft de eed als buiten vulster gedaan in de plaats van vrouw Voorweg, die vrijwillig afstand deed, mits dat aan haar jaarlijks een gulden zal worden uitgekeerd.
In de marge: 16.08.1798, Hendrikje Sonnenberg heeft ontslag verzocht en gekregen.

17.09.1792, Jannegie Eimbers heeft de eed als buiten vulster gedaan in de plaats van Margie Rutgers op dezelfde voorwaarden als hier voor genoemd.

01.10.1792, Jannegie Roelofs, vrouw van Wicher Steendijk, heeft de eed als bijvulster gedaan voor de tijd dat haar moeder Dirkie Steendijk ziek is.

24;04.1793, Janna Bakkers heeft, als waarneemster voor haar zuster Dirkje Bakkers, de eed gedaan als bijvulster.

01.09.1794, Willemina Kerkhof, vrouw van Pieter Pree, heeft als waarneemster voor Maria Hilvink, voor de tijd dat zij bij Jacob Schippe woont, de eed als bijvulster gedaan.

31.08.1795, Aaltie Gerrits, vrouw van Gerrit Evers, heeft de eed als buiten vulster gedaan in de plaats van Anne Topser [of Topfer].

25.10.1796, Aaltjen Harms, weduwe van Egbert Willems, heeft de eed als turfvulster gedaan in de plaats van Berendina Vet.

20.07.1797, Jannegje Roelofs Schuuring, vrouw van Wicher Steendijk, heeft de eed als bijvulster gedaan in plaats van Dirkje van den Brink, die vrijwillig afstand deed.

21.08.1797, Hendrika van Aalderink heeft de eed gedaan als turfvulster in de plaats van haar moeder Geertruijd Brink, weduwe van Gerrit van Aalderink, die vrijwillig afstand deed, op voorwaarde dat haar dochter haar zal uitkeren 2 stuivers van een schuitje en 10 stuivers van

_↓_


|pag. 101|

een praam, zo lang zij leeft.

22.01.1798, Grietie van der Meulen, weduwe van P. Peele, heeft de eed als turfvulster gedaan in de plaats van wijlen de weduwe Van Aalderen.

25.08.1798, Jacomijne Claaes Groen, vrouw van Geert Geerts, heeft de eed gedaan als buiten vulster in de plaats van Hendrikje Sonnenberg, die ontslag gevraagd heeft.

17.05.1799, Berendje Smit, vrouw van Peter Weijer, heeft de eed gedaan als bijvulster in de plaats van wijlen Maria Smit.

21.03.1801, Johanna Smit, weduwe van Gerrit Stegink, heeft de eed als bijvulster gedaan in de plaats van de vrouw van Goosen Beks.

18.03.1802, Berendje Smit, vrouw van Jan Peter Weijer, heeft de eed gedaan als turfvulster in de plaaats van Hendrikje ter Meer.

18.03.1802, Magteld Cornelissen, weduwe van Jan Bartels, heeft de eed gedaan als bijvulster in de plaats van Berendje Smit, de vrouw van Jan Peter Weijer.

09.03.1804, Machteld Cornelissen, weduwe van Jan Bartels, heeft de eed als turfvulster gedaan.

09.03.1804, Hendrika van der Straaten, weduwe van Dirk van Marle, heeft de eed gedaan als bijvulster in de plaats van Machteld Cornelissen, de weduwe van Jan Bartels.

30.08.1805, Elsje Conttans, vrouw van Reint van der Meulen, heeft de eed gedaan als bijvulster in de plaats van Grietje van der Meulen, de weduwe van P. Peele.

25.08.1806, Elizabeth Rutgers heeft de eed gedaan als buiten vulster.

09.07.1807, Gerritje Cornelis heeft de eed gedaan als buiten vulster in de plaats van Dirkje Arends Meijer.

16.09.1808, Femmigje Gerrits, vrouw van Dirk Cornelis, heeft de eed gedaan als buiten vulster in de plaats van wijlen Jacomina Klaasen Groen, de vrouw van Geert Gerrits.

06.10.1808, Maria van Rooijen, weduwe De Waal, heeft de eed gedaan als turfvulster, doch zij is alleen aangesteld om gedurende de ongesteldheid van Grietje Reekmans diens plaats te vervullen.

31.08.1809, Hendrikje van der Straaten, de weduwe van Dirk van Marle, heeft de eed als turfvulster gedaan.

31.08.1809, De weduwe L. Teunis heeft de eed gedaan als bijvulster.

31.08.1809, Egbertje Cornelis heeft de eed gedaan als bijvulster in Brunnepe.

_↓_


|pag. 102|

19.02.1810, Elisabeth Bastiaan heeft de eed gedaan als vulster in de plaats van Aaltje Bulders.
Mietje Pree heeft de eed gedaan als bijvulster.

16.07.1810, Geertje Jans, weduwe van Hendrik Jans, heeft de eed gedaan als turfvulster in de plaats van de weduwe Belt.

11.10.1810, Berendje Bartels, vrouw van Louw Jans Koops, heeft de eed gedaan als bijvulster in de plaats van de weduwe L. Teunis.

11.06.1811, Roelofje Smit, weduwe van Teunis van Eepe, heeft de eed gedaan als turfvulster in de plaats van wijlen Geertje Jans, weduwe van Hendrik Jans.

Zie verder 398v [voor het vervolg].

Fol.286.
Instructie voor de ontvanger van de stadsdomeinen.

Art. 1. De ontvanger moet voor zijn administratie en ontvangst een borgstelling van 10000 gulden afgeven.
Art. 2. Voor zijn tractement van 1000 gulden per jaar moet hij alle middelen en penningen ontvangen, zowel gewone als buitengewone, waaronder ook genegotieerde kapitalen en verder alles wat onder zijn ontvangstkantoor valt.
Art. 3. Hij moet alle middelen en vlijt aanwenden om de posten tijdig te innen. Hij mag executie van wanbetalers alleen nalaten om zeer gewichtige redenen en met consent van de Raad.
Art. 4. Hij mag van hen die aan hem moeten betalen, noch van hen aan wie hij betalen moet, geld of geschenken aannemen.
Art. 5. De dienst aan de stad en het crediet van de stad moeten bij hem voorop staan.
Art. 6. Hij mag geld dat tijdelijk onder zijn beheer is, niet gebruiken of laten gebruiken tot eigen voordeel.
Art. 7. Hij mag periodieke betalingen pas doen als de voorgaande perioden betaald zijn.
Art. 8. De helft van het overschot van zijn ontvangst moet hij voor het einde van het jaar afdragen aan de cameraars en rentmeesters en de andere helft vóór het afsluiten van de rekening op Petri van het jaar daarop volgend.
Art. 9. Hij moet steeds op last van cameraars en rentmeesters een afschrift van zijn betaalde posten geven. Ieder kwartaal moet hij een staat van de betaalde posten maken.
Art. 10. Ieder jaar vóór Petridag moet hij aan schepenen en raden een exacte staat van ontvangsten en uitgaven sedert het einde van het vorig afgerekende jaar geven. Tussentijdse staten moet hij overgeven als schepenen en raden of de cameraars hem dat gelasten.
Art. 11. In het tweedejaar dat volgt op de afrekening van Petridag moet hij vóór 1 april een finale afrekening indienen van het betreffende jaar. Hier moet een staat van restanten [niet geïnde posten] worden bijgevoegd. Over de wijze waarop die onbetaalde posten alsnog door de stad kunnen worden geïnd, zal worden vergaderd door de Raad.
Art. 12. Hij moet deze instructie onder ede aannemen.
Art. 13. Schepenen en raden behouden zich het recht voor om deze instructie te veranderen of uit te breiden.

_↓_


|pag. 103|

25.03.1780, Willem Lodewijk van der Upwich heeft de eed gedaan op bovenstaande instructie.

15.06.1780, Johannes Martinus van der Upwich, predikant in de nederduitsche gemeente dezer stad, en zijn vrouw Wijnanda Lamberta Hogenberg, hebben op 23.03.1780 ten behoeve van de ontvangersfunctie van hun zoon Willem Lodewijk van der Upwich, de volgende obligaties tot onderpand gezet.
Een obligatie van 1000 gulden ten laste der provincie Overijssel, kantoor van Vollenhove, in dato 04.03.1745, fol.72, ten name van Jan Bundes.
Een idem, groot 500 gulden, in dato 04.09.1747, fol.12, ten name van Dirk Stennekes.
Een idem, groot 500 gulden, in dato 25.10.1710, fol.26v, ten name van Reindert Reuse en Cath. van Barkum.
Idem, ten laste van het kantoor van Twente, groot 1000 gulden, in dato 07.09.1713, fo.80, ten name van Jan van Lochum.
Twee obligaties ten laste van de stad Kampen, ieder van 1000 gulden, in dato 04. en 07.06.1745, ten name van Jan Bundes en zijn vrouw G. Deunck.
Verder nog hun huis op de Burgwal alhier, dat zij zelf bewonen. Voor dit laatste perceel beloven zij echter binnen behoorlijke tijd obligaties te geven.
In de marge: Bij resolutie van 14.09.1801 is de ontvanger W.L. van der Upwich ontslag verleend en is deze borgstelling geroyeerd.

Fol.288.
23.09.1793, Wijnanda Lamberta Hogenberg, weduwe van wijlen de eerwaarde heer J.M. van der Upwich, geassisteerd met secretaris J.A de Mist, verklaart voor de ingetrokken borgstelling voor haar zoons ontvangersfunctie (zie de marginale aantekening bij de akte van 15.06.1780 in het boek van recognitiën) voor een nieuwe borgstelling van 10000 gulden haar gehele goed te verbinden, doch speciaal haar gehele slag in Dronthen, vanouds genaamd Bandjesslag, nu genoemd Upwichsslag.
In de marge: Bij resolutie van 14.09.1801 is deze borgstelling geroyeerd.

Nadere instructie voor de ontvanger van de stadsdomeinen.
Art. 1. De ontvanger moet voor zijn administratie en ontvangst een borgstelling van 10000 gulden afgeven, ten genoege van de Municipaliteit.
Art. 2. Voor zijn tractement van 700 carolusgulden per jaar moet hij alle middelen en penningen ontvangen, zowel gewone als buitengewone, waaronder ook genegotieerde kapitalen en verder alles wat onder zijn ontvangstkantoor valt.
Art. 3. Hij moet alle middelen en vlijt aanwenden om de posten tijdig te innen. Hij mag executie van wanbetalers alleen nalaten om zeer gewichtige redenen en met consent van de Municipaliteit.
Art. 4. Hij mag van hen die aan hem moeten betalen, noch van hen aan wie hij betalen moet, geld of geschenken aannemen.
Art. 5. De dienst aan de stad en het crediet van de stad moeten bij hem voorop staan.
Art. 6. Hij mag geld dat tijdelijk onder zijn beheer is, niet gebruiken of laten gebruiken tot eigen voordeel.
Art. 7. Hij mag periodieke betalingen pas doen als de voorgaande perioden betaald zijn.
Art. 8. De helft van het overschot van zijn ontvangst moet hij voor het einde van het jaar afdragen aan de gecommitteerden tot de stadsfinanciën en de andere helft vóór het afsluiten van de rekening op Petri van het jaar daarop volgend.

_↓_


|pag. 104|

Art. 9. Hij moet steeds op last van de gecommitteerden tot de stadsfinanciën een afschrift van zijn betaalde posten geven. Ieder kwartaal moet hij een staat van de betaalde posten maken.
Art. 10. Ieder jaar vóór Petridag moet hij aan de gecommitteerden tot de stadsfinanciën een exacte staat van ontvangsten en uitgaven sedert het einde van het vorig afgerekende jaar geven.
Art. 11. In het tweede jaar dat volgt op de afrekening van Petridag moet hij vóór 1 april een finale afrekening indienen van het betreffende jaar. Hier moet een staat van restanten [niet geïnde posten] worden bijgevoegd, die hij aan de gecommitteerden tot de stadsfinanciën moet geven. Over de wijze waarop die onbetaalde posten alsnog door de stad kunnen worden geïnd, zal worden vergaderd door de gecommitteerden uit de Municipaliteit.
Art. 12. Hij moet deze instructie onder ede aannemen.
Art. 13. De Municipaliteit behoudt zich het recht voor om deze instructie te veranderen of uit te breiden.

26.11.1798, De nieuw aangestelde ontvanger H.R Verhaagen heeft de eed op bovenstaande instructie gedaan.

26.11.1798, De ontvangrt H.R. Verhaagen heeft voor de vereiste borgtocht de volgende goederen, te IJsselmuiden liggende, tot onderpanden gesteld.
1 Vijf morgen weideland.
2 Een kamp land.
3 Een houthagen.
4 Een erf.
5 Twee kampen weide land.
6 Twee russenkampen.
Alles samen getaxeerd op 10800 gulden. Hiervan zijn de gerichtelijke taxatie en hypothekatie door hem en zijn vrouw gepasseerd en in het boek van consignatiën geseponeerd.

Fol.289v.
20.02.1816, Nadere instructie voor de stadsontvanger.
Art. 1. De ontvanger zal, ingevolge het Reglement voor de Regering dezer stad, gearresteerd bij koninklijk besluit van 05.11.1815, een jaarwedde genieten van 1700 gulden, en wel zolang hij geen andere emolumenten of jura geniet, volgens artikel 24.
Art. 2. De borgtocht voor de stedelijke ontvanger wordt geregeld overeenkomstig de Besluiten van de koning (art. 22), terwijl de hoogte daarvan zal worden bepaald volgens Speciaal besluit van zijne majesteit, naar inhoud van het besluit van 15.04.1814, nr. 3, art. 2.
Art. 3. Op deze borgtocht (art. 15 van het besluit van 15.04.1814, nr. 3) moet alle schade worden verhaald die ontstaat door het verkeerd handelen van de comptabel ambtenaar of van de personen waar hij voor instaat aan het Gouvernement (in dit geval aan de stad). De akte van inschrijving in het Algemeen Register der Borgtocht mag, ingevolge art. 4 van genoemd besluit, niet worden beleend, tenzij bij registratie op het montant der borgtocht tot gehele of gedeeltelijke prestatie daarvan, volgens art. 15.
Art. 4. Om alle misbruiken te voorkomen, moet de ontvanger een authentiek afschrift der akte van inschrijving deponeren in de secretarie der stad. Hij moet de originele akte onder zich houden en tonen bij de driemaandelijkse controle van de kas, volgens art. 58 van Reglement voor de Stadsregering.
Art. 5. In geval van vrijwillige afstand of ontheffing van zijn post, of bij overlijden, moet de

_↓_


|pag. 105|

borstellingsakte onder het stadsbestuur blijven berusten tot de decharge van de ontvanger. (art. 8. van het besluit van 15.04.1814, nr.3).
Art. 6. Een nieuw benoemde ontvanger moet binnen 14 dagen na de bij art. 3 bepaalde termijn een bewijs van zijn borgtocht vertonen en zich verder gedragen als bij art. 3 is bepaald.
Art. 7. Hij moet zich in het houden van zijn boeken en het opmaken der jaarlijkse staten houden aan het Reglement en Instructie, uitgevaardigd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Art. 8. Hij moet op alle mogelijke manieren zorgen dat hij de aan de stad verschuldigde gelden ontvangt en zich houden aan de voorwaarden van verpachtigen, huurcontracten, gestelde betalingstermijnen en gedane borgstellingen.
Art. 9. Wanneer hij niettegenstaande dit alles toch posten niet kan innen, moet hij overeenkomstig het bepaalde van art. 30 van Reglement van de Regering bij de burgemeesters een machtiging vragen om de wanbetalers tot betaling te dwingen.
Art. 10. In zijn kwaliteit moet hij wanbetalers gerechtelijk aanspreken voor de uitstaande sommen. Van uitspraken van het gerecht moet hij de burgemeesters op de hoogte brengen.
Art. 11. Als er kosten moeten worden gemaakt om bij zittingen van vredegerechten buiten Kampen aanwezig te zijn, mag hij die declareren. (Besluit van de Gemeenteraad van 11.11.1815).
Art. 12. Hij mag in zijn kas aanwezig geld niet tot eigen voordeel gebruiken of tot voordeel van anderen laten gebruiken.
Art. 13. Betalingen van stadsrekeningen mag hij slechts doen na schriftelijke ordonnantie, getekend door een of meer burgemeesters en een stadssecretaris. Hij mag echter de in de begroting gestelde bedragen niet overschrijden zonder een speciale authorisatie van de Provinciale authoriteiten. (Art. 25 van het Reglement de Regering), uitgezonderd in zeer bijzondere gevallen (volgens art. 56) en dan nog alleen bij resolutie van de burgemeesters.
Art. 14. Behoorlijk afgegeven mandaten moet hij ingevolge art. 15 direct voldoen. Hij mag om geen redenen, vooral niet om persoonlijk voordeel, betaling weigeren.
Art. 15. Iedere morgen, behalve op zon- en openbare feestdagen, moet hij op door hemzelf te bepalen tijden open kantoor houden voor de ontvangst en uitbetaling. Hij moet de tijden publiek bekend maken en een afschrift op zijn deur hangen.
Art. 16. Stukken die hem door het stadsbestuur via een klerk of roedendrager worden bezorgd, moet hij ook buiten de kantooruren aannemen of, bij zijn afwezigheid, laten aannemen.
Art. 17. Alleen aan leden der [stedelijke] regering en andere bevoegde authoriteiten mag hij opening van zaken geven.
Art. 18. Wekelijks moet hij bij de burgemeesters een staat inleveren van de ontvangsten en uitgaven van de voorgaande week.
Art. 19. Hij moet zich houden, wat betreft zijn administratie, aan dat wat de burgemeesters en raad bepalen. Klachten hierover moet hij richten aan de burgemeesters.
Art. 20. Volgens art. 58 van het reglement moeten de burgemeesters eens per drie maanden zijn kas inspecteren en de ontvangsten en uitgaven vergelijken en de betalingen van pachters der stads middelen en eigendommen controleren. Zij kunnen bevelen om wanbetalers onmiddelijk te vervolgen.
Art. 21. Ieder jaar vóór 1 juni moet de ontvanger rekening en verantwoording doen. Hij moet ten dien einde dubbele staten, gespecificeerd in hoofden en posten, met alle bijbehorende bescheiden, inleveren bij het stadsbestuur. (Besluit van 18.02.1814, nr.5, art. 12)
Art. 22. Hij moet bij het aanvaarden van zijn ambt de eed doen in handen van de president-burgemeester.

_↓_


|pag. 106|

Art. 23. De Raad behoudt zich het recht voor om deze instructie te veranderen of uit te breiden.

Gezien en goedgevonden door Gedeputeerde Staten van Overijssel.
Zwolle, 27.02.1816. Getekend door B.H. Bentinck en de griffier W.S. van der Gronden.

23.07.1816, W.L. van der Upwich heeft als stadsontvanger bovenstaande instructie met zijn eed bezworen.

Fol.296.
Instructie voor de sluiswachter aan de Cellebroederspoort.
In de marge: Zie mede de publicatie in het Digestum Novum van 02.11.1780.
Art. 1. Het sluiswachterschap zal tot wederopzegging toe worden waargenomen door de beide waagmeesters van de Cellebroederspoort, elk op zijn beurt als hij de waag bedient.
Art. 2. Zij moeten algemeen toezicht houden op de sluis en het kanaal vanaf de stads buitengracht tot aan de Burgel. Defecten aan metselwerk, houtwerk of ijzerwerk moeten zij direct melden aan de stadsarchitect. Minstens een keer per maand moeten zij de sluisdeuren, sluitbalken, schuiven, etc. inspecteren en ten minste eens per maand proberen.
Art. 3. Zij moeten er op letten dat baldadige mensen of kinderen geen stenen, hout, botten of vuiligheid in het sluiskanaal gooien of tussen of buiten de grote deuren werpen. Zij moeten overtreders aanbrengen.
Art. 4. Zij moeten er ook op toezien dat bij het schutten niets beschadigd wordt door schuifbomen of ander gereedschap.
Art. 5. Niemand mag in het kanaal of bij de deuren fuiken zetten. Zij mogen fuiken die zij aantreffen, wegnemen en behouden.
Art. 6. Zij moeten er ook op letten dat geen lege of geladen schuiten vastgelegd worden in het kanaal of onder de boog bij de Burgwal.
Art. 7. Tussen zonsop en -ondergang moeten zij op de eerste aanvraag in eigen persoon de schepen schutten. Dus niet door schippers of schuitenvoerders zelf te laten schutten. Zij mogen niemand onnodig laten wachten.
Art. 8. Zij moeten bij het schutten zorgen dat de deuren goed sluiten tegen de hoofd- of slagbalk, zowel onder als boven en dat de kleine sluitboom tegen de grote toldeur wordt gezet.
Obstakels moeten zij met het krabijzer proberen weg te nemen of daarvan kennis geven aan de stadsarchitect.
Art. 9. Bij stormdreiging of vrees voor hoog water moeten zij de deuren sluiten en vastzetten.
Tijdens storm of hoog water moet minstens een van hen constant bij de sluis zijn.
Art. 10. Bij hoog IJsselwater, als het water in de Burgel hoger wordt dan in de Buitengracht, moeten zij ook sluiten, zodat er geen water van binnen naar buiten kan lopen. Tot betere weerstand van beide deuren moeten zij twee voeten water daar tussen laten lopen.
Art. 11. Als door defecten aan de deuren van Oorgat of Buitenhaven het IJsselwater niet uit de Burgel kan worden gekeerd, moeten zij de sluisdeuren secuur sluiten en vastzetten en er zoveel water tussen laten lopen als de gelegenheid vereist.
Art. 12. Bij hoog buitenwater moeten zij voldoende water in laten lopen, zodat de deuren niet met geweld, maar gemakkelijk geopend kunnen worden.
Art. 13. Zij moeten ten allen tijden de orders van de stadsarchitect opvolgen.
Art. 14. Voor het sluiswachterswerk zullen zij elk 15 gulden per jaar genieten, te betalen door de stadsrentekamer, waarvan het eerste halfjaar zal verschijnen op Pasen 1781 aanstaande.

_↓_


|pag. 107|

Verder zullen zij voor het schutten van elke bok, praam of schuit, geladen of ongeladen, genieten 1 stuiver, direct te betalen door de schuitenvoerder. Pramen of schuiten van de stad of het land zullen vrij zijn van schutgeld. Dan zullen zij ook nog genieten de boeten die zijn gestatueerd bij publicatie van 02.11.1780.
Art. 15. De Raad behoudt zich het recht voor deze instructie te veranderen.
Gearresteerd in de senaat 30.10.1780.

17.11.1780, Willem Stevens van Roden en Johannes Vieman als sluismeesters aan de Cellebroederspoort, hebben de eed gedaan.

Fol.302.
23.11.1780, Instructie voor de stadsvroedvrouwen.

Art. 1. Geen vrouwen binnen deze stad mogen het beroep van vroedvrouw uitoefenen zonder een akte van admissie afgegeven door de Magistraat.
Art. 2. Een akte van admissie wordt alleen afgegeven nadat de aanvraagster bekwaam bevonden is en examen heeft afgelegd bij dezer stads dokters.
Art. 3. Tot vroedvrouwen worden alleen aangenomen ter goeder naam en faam bekend staande vrouwen van 25 tot 50 jaar oud, die kunnen lezen en schrijven en gezond en sterk zijn.
Art. 4. Ook vroedvrouwen die elders werkzaam geweest zijn en zich hier vestigen en hun beroep willen uitoefenen, moeten examen doen en admissie bekomen hebben.
Art. 5. Vroedvrouwen moeten een ‘clisteer’ kunnen zetten en het daarvoor benodigde gereedschap hebben.
Art. 6. Vroedvrouwen die bij een barende vrouw komen, moeten nuchter zijn en de vrouw niet met woord of gebaar verontrusten. Zij mogen ook niet, verwachtende hoger loon te krijgen, laten merken dat zij naar een andere bevalling moeten. Zij mogen de geboorte niet verhaasten door inwendige of uitwendige middelen te gebruiken waardoor moeder of kind in gevaar zouden komen. De straf hier voor is zes weken schorsing voor de erste keer, zes maanden voor de tweede keer en levenslang voor de derde keer.
Art. 7. Een vroedvrouw die bij een barende vrouw is, moet die eerst helpen tot de geboorte, daarna moeder en kind verzorgen en mag dan pas naar de volgende bevalling gaan, behalve als zij tevoren had kenbaar gemaakt dat zij ook door een andere vrouw was aangenomen om een bevalling te leiden. Deze vrouw moet dan wel in barensnood zijn en zij moet de vroedvrouw zonder uitstel nodig hebben. Zij moet dan echter wel, voor zij vertrekt een andere vroedvrouw in haar plaats zetten, welke zij goed onderricht over wat er moet gebeuren.
Art. 8. Bij een moeilijke bevalling mag een vroedvrouw geen bezwaar maken als de familie er een andere vroedvrouw of vroedmeester bij wil laten halen. Zij mag niet dreigen met vertrek, maar moet de gehaalde vroedvrouw of vroedmeester van de feiten nauwkeurig op de hoogte brengen.
Art. 9. De stadsvroedvrouwen zijn verplicht om bij moeilijke bevallingen van vrouwen die worden onderhouden door de armenkamer, de stads lector in de vroedkunde om assistentie te vragen.
Art. 10. Op verzoek van familieleden die niet zeker zijn of de nageboorte volledig meegekomen is, moet de vroedvrouw die tonen of toestaan dat een dokter of heelmeester die controleerd.
Art. 11. Vóór een vroedvrouw het pasgeboren kind te ruste legt, moet zij de familie of aanwezigen tonen dat het kind ongekwetst is en dat de navelstreng goed is afgebonden.

_↓_


|pag. 108|

Art. 12. Bij een onnatuurlijke bevalling, of het kind nu leeft of dood is, mag de vroedvrouw geen instrumenten gebruiken om de bevalling te forceren. Zij kan beter tijdig hulp inroepen van een kundig vroedmeester, die moeder en kind kan redden, dan te wachten tot het te laat is en men reden kan hebben haar aan te klagen. Zij moet, als zij hulp nodig heeft, voorzichtig te werk gaan en de barende vrouw geen schrik aanjagen.
Art. 13. Zij moet barende vrouwen in de stad en in de vrijheid zonder dralen helpen als zij wordt geroepen, tenzij zij bij een andere bevalling gehaald is. Zonder voorkennis van de burgemeesters mag zij zich niet buiten de stadsvrijheid begeven.
Art. 14. Vroedvrouwen zijn verplicht bij ongehuwde moeders of bij vrouwen waarvan de man een lange tijd van huis is, tijdens de barensnood te vragen naar de naam van de verwekker van het kind. De namen die de vrouwen hen noemen, moeten zij aan de president-burgemeester doorgeven. Op niet vragen naar de namen staat een boete van 20 goudguldens bij ieder verzuim en verder nog een vonnis door de schepenen.
Art. 15. Zij zijn verplicht om de openbare lessen in de verloskunde, die de stadslector jaarlijks geeft, bij te wonen.
Art. 16. Alle vroedvrouwen en vroedmeesters zijn verplicht om in de eerste week van de maanden april, juli, oktober en januari bij de secretarie op te geven hoeveel kinderen zij gehaald hebben.

Schepenen en raden behouden zich het recht voor om deze instructie te mogen wijzigen als zij dat willen. Actum in senatu 23.11.1780.

27.11.1780, De tegenwoordige stadsvroedvrouw Marijtje Jansen, weduwe Van Goor, en de vroedvrouw van Brunnepe Neeltje de Wit, hebben bij handtasting, op hun vorige eed, deze instructie aangenomen.

27.11.1780, Cornelia Wynia, vrouw van G. van de Velde, aangenomen als stadsvroedvrouw in plaats van wijlen Trijntje ten Cate, heeft de eed afgelegd.

08.08.1793, Agnietje Pook, vrouw van Claas Rienstra, de naar hier beroepen vroedvrouw van Franeker, heeft in de plaats van wijlen de weduwe Nieman de eed als stadsvroedvrouw gedaan.

03.05.1784, Anna Margaretha van der Vegt, heeft als vroedvrouw in Brunnepe bij handtasting beloofd om bovenstaande instructie aan te nemen.

Fol.305.
04.03.1797, Uitbreiding van de instructie voor de vroedvrouwen van 23.11.1780.
Art. 17. Ten aanzien van verlossingen van vrouwen die door de armenkamer worden onderhouden, geldt dat de oudste van beide vroedvrouwen de armen in het Bovenkwartier en Cellebroederskwartier moet helpen en de jongste de armen in het Broederkwartier en Buitenkwartier. Zij mogen zich hiervan niet verontschuldigen tenzij zij reeds bij een andere barende vrouw geroepen zijn. De andere vroedvrouw moet in dat geval ook de armen die niet in haar wijk wonen, helpen.
Art. 18. Veel inwoners denken dat zij de stadsvroedvrouwen, die als officianten een jaarlijks traktement genieten, niet voor verlossingen behoeven te betalen. Dit is een verkeerd denkbeeld, want stadsvroedvrouw zijn, betekent dat men gekwalificeerd bevonden is en met uitsluiting

_↓_


|pag. 109|

van anderen de verloskunst binnen deze stad mag uitoefenen. Vroedvrouwen moeten goed, ja zelfs mild beloond worden. Zij hebben gereedschap en materialen nodig die zij zelf moeten aanschaffen.
Als zij van mening zijn dat een gezin voldoende welstand heeft, mogen zij voor een goed verlopen bevalling zelfs wel 15 stuivers eisen.

Verder is nog ten aanzien van de vroedvrouw van Brunnepe bepaald dat die in Brunnepe moet wonen. Mocht zij voor een bevalling binnen de muren worden geroepen, dan mag zij daar ’s nachts blijven, maar moet voor de volgende nacht weer in haar huis in Brunnepe zijn. De Brunnepers moeten haar kunnen halen als dat nodig is.

10.10.1805, Johanna Hendrica Busser, vroedvrouw uit Oldebroek, is naar hier beroepen in plaats van wijlen Cornelia Wynia, de vrouw van G. van de Velde. Zij heeft de eed gedaan.
24.08.1807, Sara Bakker heeft, in plaats van wijlen Johanna Hendrica Busser, de eed gedaan.

15.04.1835, Johanna Kuylman, de vrouw van Hendrik Zomer Jz., heeft de eed afgelegd in handen van wethouder J.J. Gansneb gent. Tengnagel.

Fol.310.
11.06.1781, Ordonnantie voor alle schippers en loodsen die over de stad Kampens diepen varen.
Vernieuwing van de ordonnantie van 28.02.1678, die op vele punten niet meer wordt nageleefd.

Art. 1. Van alle in en uit varende schepen van boven de 10 lasten groot moet voor de piloten wegens pilotengeld worden betaald 12 stuivers, of die schepen nu geheel of half geladen zijn.
Ongeladen schepen zijn vrij van pilotengeld.
Art. 2. Schippers van in en uit varende schepen van tussen de 6 en 10 lasten groot betalen 12 stuivers als zij een piloot nemen en 6 stuivers als zij geen piloot nemen.
Art. 3. Schippers van tjalken en pramen die met hout geladen het Diep passeren en die van tjalken en pramen die met turf geladen uit zee komen of van verder weg dan Kuinre, of die met turf geladen naar zee gaan, zijn 12 stuivers verschuldigd als zij wel of 6 stuivers als zij geen piloot nodig hebben.
Art. 4. Schippers van met fruit geladen schepen die het Diep uitvaren, zijn 4 stuivers pilotengeld verschuldigd, te betalen aan de bruggeman die het geld ten profijte van de piloten in een bus stopt. Als die schippers een piloot nodig hebben, moeten zij 4 stuivers extra betalen.
Art. 5. Zij die weigeren te betalen, zullen bovendien nog een oud schild verbeuren.
Art. 6. Voor het brengen van burgers en vreemdelingen naar het huis van de paardenboer mag de piloot 2 stuivers per persoon vragen.
Art. 7. De piloten moeten controle houden op de bakens en tonnen, die zij op het Diep moeten leggen op plaatsen waar dat nodig is, bij advies van de tollenaar en schutmeesters en de heren gecommitteerden tot het Diep.
Art. 8. Schippers die in of nabij het vaarwater aan de grond lopen, mogen bij duisternis of bij mistig weer hun ankers niet uitgooien, op een boete van 6 carelsguldens, half ten profijte van hen die het de burgemeesters aanbrengen. Schade die door hun handelwijze aan andere schepen wordt toegebracht, moeten zij vergoeden.

_↓_


|pag. 110|

Art. 9. De piloten zijn verplicht schade aan bakens, verloop van het vaarwater, aan de grond gelopen waterschepen en alle andere gebreken direct aan de burgemeesters te melden. Ook moeten zij opgeven als naar hun mening bakens moeten worden verzet.
Art. 10. Ten minste twee piloten zullen aan het Diep en twee piloten bij hun huisje moeten zijn om in en uitvarende schepen te begeleiden als hen dat gevraagd wordt. Zij moeten zelf de tourbeurten regelen. Slechts met toestemming van de schutmeesters mogen zij hun beurt overslaan, mits zij een ander bekwaam persoon in hun plaats stellen. Als zij in gebreke bevonden worden, zullen zij drie maanden worden geschorst, zonder enig loon te beuren.
Art. 11. Ingevolge onze resolutie van 12.11.1770 zijn de piloten verplicht om visschuiten die met zeevis naar de stad willen, gratis te helpen. Bij tegenwind of harde stroom moeten de piloten de paardeboer vroegtijdig van de komst van deze visschuiten verwittigen, zodat deze de paarden in gereedheid kan brengen. De piloten moeten elke week aan de stalmeester opgeven hoeveel visschuiten door de paardeboer zijn opgepaard.
Art. 12. Verder moeten de piloten de schippers trouw dienen en helpen, op straffe van te worden gecorrigeerd door de magistraat.
Art. 13. Schepenen en raden behouden zich het recht voor om deze instructie te mogen veranderen of uit te breiden.

Gedaan ter vergadering van schepenen en raden, den 11.06.1781 en op de zelfde dag aangeplakt aan de pui van het raadhuis.

Fol.314.
Instructie voor de collecteur der verponding over de stadsvrijheid.
De collecteur moet een register aanleggen van alle landen die tot de betaling der verponding verplicht zijn, met bijvoeging van de namen der tegenwoordige eigenaars en het bedrag der verponding van elk stuk land apart. Een dubbel exemplaar moet hij in de secretarie brengen. Hij moet de veranderingen van eigenaren bijhouden.
Voor zijn bediening moet hij sufficiënte cautie [borgtocht] stellen, ten genoege van schepenen en raden.
Voor de invordering van gewone als buitengewone verpondingen zal hij per jaar 42 guldens traktement genieten.
Hij moet alle vlijt aanwenden om het verpondingsgeld op tijd te innen en aan de ontvanger dezer stad uit te tellen.

29.11.1781, De roedendrager Jan Tebbetman is in plaats van wijlen de roedendrager J.D. Gunning op bovenstaande instructie aangesteld tot collecteur van de verponding in dezer stads vrijheid.

Fol.316.
08.01.1782, Reglement en ordre voor de latijnsche scholen dezer stad.

Titulus I.
Van de rector.

Art. 1. De rector moet er voor zorgen dat het onderwijs goed wordt gegeven en dat de praeceptoren en de leerlingen zich houden aan dit reglement.
Art. 2. Hij moet om daartoe beter in staat te zijn, tenminste een keer per week de overige

_↓_


|pag. 111|

scholen doorgaan en informeren naar het gedrag en ijver der leerlingen en naar de wijze van lesgeven der praeceptoren. Hij moet dan ook kijken naar de te boek gebrachte thema’s, vertalingen van auteurs en door de leerlingen gemaakte opstellen. De leerlingen van alle klassen moeten elk halfjaar in zijn tegenwoordigheid een opdracht uitwerken.
Art. 3. Omdat de ondervinding heeft geleerd dat de uitgaven der auteurs, voorzien van aantekeningen van Minellius, Farnabius, Junckerus, etc., in veel opzichten voor de jeugd nadelig zijn, moet de rector die zoveel mogelijk uit de school bannen en uitgaven zonder die aantekeningen of met betere noten gebruiken.
Art. 4. Hij moet zoveel mogelijk uitgaven van Griekse auteurs gebruiken en niet de Latijnse vertalingen.
Art. 5. Als een praeceptor afwezig is, moet de rector zorgen dat diens school door een of twee praeceptoren van andere klassen wordt waargenomen.
Art. 6. Als hij zelf afwezig is, moet hij de conrector als zijn vervanger aanwijzen. Moet hij langer dan drie dagen weg, dan moet hij dat met de scholarchen overleggen.
Art. 7. Hij moet er op toezien dat praeceptoren, leerlingen, claviger en schrijfmeester hun plicht doen. Als hij na een vermaning te hebben gegeven, niet wordt gehoorzaamd, moet hij de scholarchen hiervan in kennis stellen.

Titulus II.
Van de conrector en praeceptoren.

Art. 1. Conrector en praeceptoren moeten hun ondergeschiktheid aan de rector naar behoren erkennen en hun plichten in acht nemen.
Art. 2. Minstens een van hen moet op zondag tijdens de diensten in de Bovenkerk aanwezig zijn om op het gedrag der leerlingen te letten. Zij moeten verslag uitbrengen aan de rector.
Art. 3. Zij moeten op tijd beginnen en mogen hun leerlingen niet te vroeg laten weggaan.
Art. 4. Zij mogen niet zonder toestemming van de rector afwezig zijn. Als zij langer dan acht dagen weg moeten blijven uit hun school, moet er overleg worden gevoerd met de scholarchen.
Art. 5. Elk van hen moet een absentielijst van de leerlingen en een lijst met hun vorderingen bij houden.
Art. 6. Als zij bijlessen willen geven, moeten zij dat in hun huis doen en alleen leerlingen van hun eigen klasse daarbij toelaten. Als zij geen bijlessen willen geven, staat het hun leerlingen vrij om bijlessen te nemen bij een andere praeceptor.
Art. 7. Zij mogen geen privelessen geven aan leerlingen die de school verlaten zonder die school tot een goed einde te hebben gebracht.
Art. 8. Tegen de tijd van de gewone examens moeten zij de beide bovengenoemde lijsten aan de rector overhandigen en daar nog een derde lijst bijvoegen waarop achter de namen der leerlingen staat aangegeven hoelang die in hun klas hebben gezeten.

Titulus III.
Van de discipulen [leerlingen].

Art. 1. Hij die de lessen wil volgen aan de school van de stad, moet zich aanmelden bij de rector. Nadat die, na onderzoek naar de capaciteiten van de leerling, heeft bepaald in welke klas hij geplaatst kan worden, moet deze zijn naam in een boek of album zetten.
Art. 2. Geen der leerlingen mag op eigen gezag of op gezag van zijn ouders, zich onttrekken

_↓_


|pag. 112|

aan het leren van Grieks, Prosodie, etc.
Art. 3. Zij moeten de praeceptor van hun eigen klas in het bijzonder, maar ook de rector en de andere praeceptoren, eerbied betonen.
Art. 4. Zij moeten op tijd komen en vertrekken. Als zij eerder wegwillen, moeten hun ouders daar toestemming voor geven.
Art. 5. Als zij na afwezigheid weer op school komen, moeten zij een blijk van goedvinden van hun ouders tonen, of hun afwezigheid wordt als onwettig beschouwd. Gemiste vertalingen en thema ’s moeten zij van de andere leerlingen overschrijven.
Art. 6. Zij moeten vertalingen of thema’s in hun boeken in een net handschrift schrijven of zij zullen worden gestraft met het een of meerdere malen overschrijven van het slordig geschreven gedeelte.
Art. 7. De leerlingen van de twee laagste klassen moeten elke woensdag en zaterdag na het einde der lessen, de schrijflessen van de schrijfmeester bijwonen. Zij mogen zich van die schrijfschool niet absenteren zonder schriftelijke toestemming van hun ouders of voogden.

Titulus IV.
Van de manier der instructie in het algemeen.

Art. 1. Wat de grammatica betreft moet men zich in acht nemen om de regels niet uit het hoofd te laten leren, maar die ook door goede voorbeelden aan de leerlingen duidelijk maken en in het Nederduits laten vertalen.
Art. 2. Bij het uitleggen van het werk der auteurs moet de tijd niet verspild worden door elke leerling het geheel behandelde te laten vertalen, maar moeten de moeilijke stukken van de tekst door de praeceptor worden uitgelegd. Van tijd tot tijd moeten leerlingen stukken tekst uitleggen.
Art. 3. Bij het opgeven van thema’s moet men letten op een goede spelling van de moedertaal.
Art. 4. Bij het corrigeren der opstellen moet men duidelijk aangeven waarom iets fout is. Een volgende keer moet het gecorrigeerde tekstgedeelte weer aangehaald worden.
Art. 5. Men verzuime niet om de leerlingen op de fouten in het leren der Prosodie of hoeveelheid der syllaben terstond attent te maken. Zowel de praeceptoren bij het uitleggen als de leerlingen bij het lezen en verklaren van de teksten der auteurs moeten de regels der gramatica goed in acht nemen.
Niet binnensmonds, maar duidelijk spreken. Dit om een gepaste vrijmoedigheid te bevorderen.

Titulus V.
Van de schooltijd en de vakanties.

Art. 1. Men houdt school in de zomer (van 1 april tot en met 30 september) van ’s morgens acht uur tot elf uur en ’s middags van half twee tot vier uur. In de winter (van 1 october tot en met 31 maart van negen tot half twaalf en van half twee tot vier uur.
Art. 2. De rector mag zijn leerlingen een half uur eerder wegsturen om zijn werk als toezichthouder te kunnen doen.
Art. 3. De gewone zomervakantie begint op de derde woensdag in juli en eindigt op de zesde donderdag daarop volgend. De gewone wintervakantie begint op woensdag vóór of op Kerstmis en eindigt op de tweede dinsdag daarop volgend. Wanneer eerste kerstdag op dinsdag valt, eindigt de vakantie op de tweede donderdag daarop volgend.
Art. 4. Tijdens de beide zomer- en winterjaarmarkten van maandag tot en met de volgende

_↓_


|pag. 113|

maandag, is er geen school.
Art. 5. Buiten genoemde tijden mag er zonder goedvinden van de rector en overleg met de scholarchen, geen vrij worden gegeven.

Titulus VI.
Van de examens, promoties en premies.

Art. 1. Het zomerexamen houdt men op de derde maandag in juli, het winterexamen op maandag voor Kerstmis.
Art. 2. De zomer- en winterbevorderingen vinden plaats op de dag na de examens.
Art. 3. De rector dicteert de thema’s, welke onder zijn toezicht zonder onderbreking moeten worden gemaakt.
Art. 4. Op de dagen der examens geeft de rector aan de schoolarchen de lijsten van de vorderingen der leerlingen, met een opgave van de door hen gelezen auteurs. De scholarchen mogen de leerlingen dan aan de hand daarvan overhoren.
Art. 5. De rector mag in alle klassen door een of meerdere vragen de kennis der leerlingen testen.
Art. 6. De rector mag op kosten van de geestelijke kamer exemplaren van alle boeken die in de verschillende klassen behandeld worden, aanschaffen en die voortaan in de stadsbibliotheek bewaren, na te zijn gecatalogiseerd. Op de dagen der examens moeten deze boeken op de tafel der scholarchen worden gelegd, zodat zij er vragen uit kunnen stellen.
Art. 7. De Nederduitse en Waals gereformeerde predikanten dezer stad moeten als vanouds de examens en promotiën bijwonen.
Art. 8. Onmiddelijk na de examens moeten de scholarchen met de rector naar diens huis gaan om de promoties en premies te bespreken.
Art. 9. De kosten van de premies mogen jaarlijks niet meer bedragen dan 50 gulden, de banden niet meegerekend.
Art. 10. Voor de drie laagste klassen mag bij elke halfjaarlijkse promotie één premie beschikbaar worden gesteld, voor de klas van de rector echter twee premies bij de zomerpromotie.
Art. 11. Een leerling mag in dezelfde klas blijvende, geen twee keer een prijs krijgen.
Art. 12. Buiten de gewone promoties mogen geen leerlingen worden bevorderd of naar een akademie worden gepromoveerd.

Titulus VII.
Van de schrijfmeester.

Art. 1. De schrijfmeester moet elke woendag en elke zaterdag van elf uur tot twaalf uur de leerlingen van de twee laagste klassen schrijfonderricht geven.
Art. 2. Slechts in uiterste noodzaak en met goedvinden van de rector mag hij zich absenteren.
Art. 3. Hij moet een absentielijst van de leerlingen bijhouden.

Titulus VIII.
Van de claviger [conciërge].

Art. 1. De claviger moet ’s zomers om half acht en ’s winters om half negen de school openen.

_↓_


|pag. 114|

Elke namiddag om een uur. Na schooltijd moet hij de school sluiten.
Art. 2. Hij moet zorgen voor de stoven, kachels, brandstof, etc. Hij staat onder de directe orders van de rector.
Art. 3. Hij moet minstens vier keer per jaar de school schoonmaken.
Art. 4. Elke leerling moet hem vier keer per jaar 6 stuivers betalen.
In de marge: 20.05.1782, De claviger moet de vaste inktkokers vullen. Daarvoor moet elke leerling hem 2 stuivers per kwartaal betalen. Zijn vergoeding wordt dus gebracht op 8 stuivers.

Jennifer Love Hewitt Titulus IX. [Dit zijn instructies in het latijn]
Jennifer Love Hewitt Instituendi methodus sive series lectionum
Classis IV sive infima.
Ord. III.; Ord. II.; Ord. I.
Classis III.
Ord. II.; Ord. I. (diebus Lunae, Martis, Jovis et Veneris)
Classis II sive conrectors.
Ord. II.; Ord. I.
Classis I sive rectoris.

Aldus gearresteerd ter vergadering van schepen en raden ter uitbreiding van het schoolreglement van 02.08.1734, op 08.01.1782.

Fol.317.
Jennifer Love Hewitt Bolk- of kabeljauwhouwer.

24.11.1784, David Overtij is op voorstel van de tijdelijk president G. Bondam aangesteld tot bolkhouwer en heeft de eed gedaan.

06.04.1804, Jan Rierink is door de magistraat aangesteld tot bolkhouwer of kabeljauwhouwer.
Hij heeft met handtasting beloofd om de functie getrouw uit te oefenen.

Fol.320.
Jennifer Love Hewitt 19.06.1794, Tot gerief van de burgerij heeft de Raad een provisioneel reglement op het hooiwegen vastgesteld.

Tot hooiwegers zijn benoemd:
Hillebrand van der Weijde.
Jacob Kroese.
Wessel Teunis.
Gerrit Spraakman.
Jacobus Dompselaar.
Jannes Breuker.
en zulks op het navolgende reglement.

Art. 1. De hooiwegers moeten bij het aanvaarden van hun ambt zweren dat zij het hooi eerlijk zullen wegen.
Art. 2. Niemand mag mag hooi afleveren bij schepen of wagens en niemand mag hooi aannemen of het moet door een beëdigde stadshooiweger zijn gewogen. Hiervan uitgezonderd

_↓_


|pag. 115|

is hooi dat de ene burger of inwoner van de stadsvrijheid van de ander koopt en hooi dat ‘in de rouse of bij klampen’ wordt gekocht.
Art. 3. Iedere hooiweger moet op eigen kosten een goede hooischaal, balans met gewichten, een driepoot en het verder benodigde gereedschap aanschaffen. Hij moet dit zelf binnen of bij de stad en aan de haven brengen naar de plaatsen waar hij het hooi moet wegen. Als hij buiten de stad moet wegen, moeten zijn weeggereedschappen op kosten van de verkoper worden gehaald en gebracht.
Art. 4. Zij moeten altijd bij de hand zijn om in de stad en haar jurisdictie allen die hen nodig hebben direct te helpen.
Art. 5. Zowel koper als verkoper moeten voor het wegen van 1000 pond hooi een stuiver betalen.
Art. 6. Hooiwegers waarvan bewezen kan worden dat zij boven hun gewone vergoeding nog geschenken hebben aangenomen, worden van hun functie ontheven.
Art. 7. Zij die hooi afleveren of ontvangen zonder het te hebben laten wegen (uitgezonderd in gevallen als genoemd in art. 2) vervallen in een boete van 10 goudguldens (half te betalen door de verkoper en half door de koper) ten voordele van dezer stads armen. Bovendien moeten zij nog de hooiweger het weeggeld betalen.
Art. 8. De hooiwegers moeten door hen eigenhandig ondertekende weegbriefjes afgeven.
Art. 9. Een hooiweger die zelf hooi aan een vreemde wil verkopen, moet dit door een andere hooiweger laten wegen, op een boete van 10 goudguldens, ten profijte van de armen.
Dit voorlopig reglement geldt voor het lopende jaar 1794. Het wordt gepubliceerd door het aan te plakken op de plaatsen waar men dat gewoonlijk doet.
Actum in senatu, 19.06.1794.

23.03.1796, Uitbreiding van het reglement op het hooiwegen.
Art. 10. Zij die de hooiwegers laten komen en het hooi intussen bij de ‘roes’ verkopen, moeten toch het gehele weeggeld betalen.
Art. 11. Van hooi dat direct bij de ‘roes’ wordt verkocht, moet aan de hooiwegers, net als bij een tjalk of veerschip, 30 stuivers worden betaald. Van een praam of kleiner vaartuig 15 stuivers.

21.10.1805, Gerrit Wessels heeft als assistent van zijn vader Wessel Teunis, de eed op bovenstaande instructie gedaan.

18.04.1806, Gerrit Wessels heeft in de plaats van wijlen zijn vader Wessel Teunis, de eed als hooiweger gedaan.

18.04.1806, Louw Teunis heeft in plaats van Gerrit Spraakman de eed als hooiweger gedaan.

18.12.1807, Evert Evers heeft in plaats van wijlen Louw Teunis de eed als hooiweger gedaan.

15.03.1813, Lubbert Hogeboom heeft in plaats van wijlen Gerrit Wessels de eed als hooiweger gedaan.

15.03.1813, Hendrik van den Belt heeft in plaats van Hillebrand van der Weijde de eed als hooiweger gedaan en de voorwaarden aanvaard die bij apostille van heden bepaald zijn.

_↓_


|pag. 116|

Fol.322.
29.03.1796, Hendrik van der Woude heeft in plaats van wijlen Jacob Croese de eed als hooiweger gedaan. Reglement bij resolutie van heden opgesteld.

22.08.1821, Sijbrand Hardenberg heeft als assistent-hooiweger van Hendrik van der Woude de eed gedaan.

30.05.1822, Roelof Meijer is tot hooiweger aangesteld in de plaats van de tot inbrander der koeien benoemde Lubbert Hogeboom. Hij heeft de eed gedaan.

13.03.1832, Aart Dries, landman, is tot hooiweger aangesteld in plaats van wijlen Jannes Breuker. Hij heeft de eed gedaan.

23.07.1832, Jan Antonie van den Bosch zal de hooiwegersplaats waarnemen voor de weduwe van Roelof Meijer die provisioneel die functie mag behouden. Hij heeft de eed gedaan.

05.12.1833, Matthijs Donselaar heeft in plaats van wijlen Jacobus Donselaar de eed gedaan als hooiweger, in handen van fungerend burgemeester, de heer Tengnagel tot Luttenberg.

05.10.1837, Jannes van Marle heeft in plaats van Jan Antonie van de Bosch de eed als hooiweger gedaan.
[Op een los blaadje staat op een extract uit het verhandelde van burgemeesters en wethouders van 26.09.1837 dat Jan Antonie van den Bos is benoemd tot binnenvader in het Heiligen Geesten Gasthuis en dat daarom de hooiwegersplaats is gegeven aan Jannes van Marle, met de bepalingen ten aanzien van de weduwe van Roelof Gerrits Meijer]
25.07.1838, Hendrik de Graaf heeft in plaats van Evert Everts Dijk, die op verzoek eervol is ontslagen, de eed als hooiweger gedaan.

22.06.1840, Gerrit Kragt heeft in plaats van wijlen Aart Dries, landman, de eed als hooiweger gedaan.

Fol.325.
19.06.1794, Vernieuwde instructie voor de lector chirugiae et artis obstetriciae.
Art. 1. Hij heeft door zijn aanstelling ipso jure en zonder verder examen het recht om in de stad en haar vrijheid de praktijk der chirurgie en verloskunde uit te oefenen op de hieronder vermelde wijze.
Art. 2. Hij moet de magistraat dienen met advies en rapport bij wond- en lijkschouwingen, examinaties van stadsvroedvrouwen en met operaties van ontleed- heel- en vroedkunst. Dit alles zonder vergoedingen, doch bij lijkschouwingen krijgt hij de hulp van een chirurgijn.
Art. 3. Hij mag zonder voorkennis van de president-burgemeester geen nacht buiten de stad blijven, tenzij hij naar de stadsvrijheid of verder in de omtrek moet en na het verlenen van hulp niet meer in staat is om terug te keren.
Art. 4. Hij moet als lector chirugiae alle heelkunde waarnemen in het ziekenhuis, krankzinnigenhuis, de beide weeshuizen, de beide gasthuizen en in de vergaderingen, als hij daar door de bestuurders van die inrichtingen gratis begeerd wordt. Verder ook aan die patiënten die hem door de president-burgemeester of door de boekhouder der armen worden aangewezen.

_↓_


|pag. 117|

Art. 5. In de eerste plaats zullen zij die uitwendige gebreken hebben, met een briefje van de president-burgemeester of de boekhouder der armen op een bepaalde tijd in een speciaal vertrek van het ziekenhuis worden behandeld of verbonden.
Art. 6. Daarvoor moet de lector chirurgiae de stadsapotheker en de apotheker van de armen de hulpmiddelen laten bezorgen die hij dagelijks denkt nodig te hebben.
Art. 7. Hij moet er op letten dat er in het stadsziekenhuis altijd voldoende oud linnen en goed verband in voorraad is, om de van de armenkamer bedeelden daar mee te kunnen verbinden. Oude verbanden moeten worden gewassen en opnieuw gebruikt.
Art. 8. Zieken die hij gratis moet bedienen maar niet kunnen komen, moet hij thuis opzoeken en behandelen en van stadswege voorzien met verbanden en oud linnen. Oude verbanden moeten worden gewassen in het ziekenhuis.
Art. 9. Als hij het nodig oordeelt bij kinderen slappe en bij volwassenen stijve breukbanden aan te brengen, mag hij die zo goedkoop mogelijk laten vervaardigen en aanbrengen en de kosten declareren bij stadsrentekamer of de armenkamer.
Art. 10. De overige lijders met uitwendige ongemakken in de in artikel 4 genoemde huizen moet hij een- of tweemaal daags – naar de omstandigheden vereisen- visiteren en behandelen.
De huizen moeten zelf het linnen leveren, doch de rest van de middelen komt voor rekening van de armenkamer.
Art. 11. Hij mag in alle gevallen van behandeling en het aderlaten zijn eigen leerling of een andere chirurgijnsleerling laten assisteren. Hij blijft echter zelf verantwoordelijk. Moeilijke operatie moet hij zelf uitvoeren.
Art. 12. Hij moet tweemaal per week, als hij geen andere gewichtige bezigheden heeft, aan de heelmeesters en hun leerlingen en aan allen die het willen aanhoren, les geven om hen tot bekwame heelmeesters op te leiden. Hij mag de werktuigen, instrumenten en verbanden gebruiken die door de stad zijn aangeschaft of nog worden aangeschaft. Als er een kadaver [lichaam] beschikbaar is, moet hij ontleedkunde onderwijzen.
Art. 13. Behalve deze lessen moet hij jaarlijks ook enige lessen wijden aan de levensreddende eerste hulp aan drenkelingen, verstikten of verhangenen, en de vooruitgang op dat gebied bijhouden.
Art. 14. Als lector artis obstetriciae moet hij vroedvrouwen helpen bij zware bevallingen of die alleen uitvoeren. Zij die door de armenkamer worden onderhouden, moet hij gratis helpen als zij dat begeren. Hij mag niet weigeren te komen, maar mag altijd de hulp van een stadsvroedvrouw inroepen.
Art. 15. In zijn hoedanigheid moet hij twee keer per week les geven in verloskunde aan de stadsvroedvrouwen en hun leerlingen. Als zich leerlingen aanmelden om te worden opgeleid tot vroedmeesters, moet hij zijn lessen aanpassen.
Art. 16. Hij moet van alle door hemzelf of door de vroedvrouwen gehaalde kinderen aantekening houden. Hieruit kunnen bepaalde gevolgtrekkingen worden gemaakt. Een afschrift moet hij op de secretarie brengen.
Art. 17. Hij moet altijd komen als iemand in de stad of de vrijheid hem nodig heeft als heel- of vroedmeester. Ook moet hij heelmeesters en vroedvrouwen die dat begeren, assisteren bij hun werk. Uitgezonderd bij de gevallen genoemd in de artikelen 4 en 14 mag hij zich redelijk laten belonen.

Dit alles is voorlopig en kan door de Raad naar believen worden veranderd of uitgebreid.
Gearresteerd in de senaat op 19.06.1794.

_↓_


|pag. 118|

21.07.1794, Dr. P.J. van Maanen heeft op bovenstaande instructie de eed als lector chirugiae et artis obstetriciae afgelegd.

15.09.1798, Dr. J. de Vries Hofman heeft op bovenstaande instructie de eed als lector chirugiae et artis obstetriciae afgelegd.

Fol.328.
Instructie voor de lector chirugiae.

Art. 1. Hij heeft door zijn aanstelling ipso jure en zonder verder examen het recht om in de stad en haar vrijheid de praktijk der chirurgie en verloskunde uit te oefenen op de hieronder vermelde wijze.
Art. 2. Hij moet de magistraat dienen met advies en rapport bij wond- en lijkschouwingen, examinaties van stadsvroedvrouwen en met operaties van ontleed- heel- en vroedkunst. Dit alles zonder vergoedingen, doch bij lijkschouwingen krijgt hij de hulp van een chirurgijn.
Art. 3. Hij mag zonder voorkennis van de president-burgemeester geen nacht buiten de stad blijven, tenzij hij in de stadsvrijheid of verder in de omtrek is en na het verlenen van hulp niet meer in staat is om terug te keren.
Art. 4. Hij moet als lector chirugiae alle heelkunde waarnemen in het ziekenhuis, krankzinnigenhuis, de beide weeshuizen, de beide gasthuizen en in de vergaderingen, als hij daar door de bestuurders van die inrichtingen gratis begeerd wordt. Verder ook aan die patiënten die hem door de president-burgemeester of door de boekhouder der armen worden aangewezen.
Art. 5. In de eerste plaats zullen zij die uitwendige gebreken hebben, met een briefje van de president-burgemeester of de boekhouder der armen op een bepaalde tijd in een speciaal vertrek van het ziekenhuis worden behandeld of verbonden.
Art. 6. Daarvoor moet de lector chirurgiae de stadsapotheker en de apotheker van de armen de hulpmiddelen laten bezorgen die hij dagelijks denkt nodig te hebben.
Art. 7. Hij moet er op letten dat er in het stadsziekenhuis altijd voldoende oud linnen en goed verband in voorraad is, om de van de armenkamer bedeelden daar mee te kunnen verbinden.
Oude verbanden moeten worden gewassen en opnieuw gebruikt.
Art. 8. Zieken die hij gratis moet bedienen maar niet kunnen komen, moet hij thuis opzoeken en behandelen en van stadswege voorzien met verbanden en oud linnen. Oude verbanden moeten worden gewassen in het ziekenhuis.
Art. 9. Als hij het nodig oordeelt bij kinderen slappe en bij volwassenen stijve breukbanden aan te brengen, mag hij die zo goedkoop mogelijk laten vervaardigen en aanbrengen en de kosten declareren bij stadsrentekamer of de armenkamer.
Art. 10. De overige lijders met uitwendige ongemakken in de in artikel 4 genoemde huizen moet hij een- of tweemaal daags – naar de omstandigheden vereisen- visiteren en behandelen.
De huizen moeten zelf het linnen leveren, doch de rest van de middelen komt voor rekening van de armenkamer.
Art. 11. Hij mag in alle gevallen van behandeling en het aderlaten zijn eigen leerling of een andere chirurgijnsleerling of een in de stad praktizerende heelmeester laten assisteren. Hij blijft echter zelf verantwoordelijk. Moeilijke operaties moet hij zelf uitvoeren.
Art. 12. Hij moet tweemaal per week, als hij geen andere gewichtige bezigheden heeft, aan de heelmeesters en hun leerlingen en aan allen die het willen aanhoren, les geven om hen tot bekwame heelmeesters op te leiden. Hij mag de werktuigen, instrumenten en verbanden

_↓_


|pag. 119|

gebruiken die door de stad zijn aangeschaft of nog worden aangeschaft. Als er een kadaver [lichaam] beschikbaar is, moet hij ontleedkunde onderwijzen.
Art. 13. Behalve deze lessen moet hij jaarlijks ook enige lessen wijden aan de levensreddende eerste hulp aan drenkelingen, verstikten of verhangenen, en de vooruitgang op dat gebied bij houden.
Art. 14. Hij moet altijd komen als iemand in de stad of de vrijheid hem nodig heeft als heel- of vroedmeester. Ook moet hij heelmeesters en vroedvrouwen die dat begeren, assisteren bij hun werk. Uitgezonderd bij de gevallen genoemd in artikel 4, mag hij zich redelijk laten belonen.

Dit alles is voorlopig en kan door de Raad naar believen worden veranderd of uitgebreid.

21.11.1803, Dr. C.J. Buchner heeft op bovenstaande instructie de eed gedaan als lector chirurgiae et anatomes.

Fol.331.
07.07.1794, Instructie voor de stads lector botanicus, chymiae et pharmaceutices.
Art. 1. Hij heeft het opzicht over de stadskruidentuin achter het ziekenhuis en moet zorgen dat bij de aanleg allerlei officinale planten, kruiden en gewassen worden aangeplant en dat van deze planten steeds voldoende in de tuin gekweekt wordt.
Art. 2. Hij mag met voorkennis van de provisoren gebruik maken van de diensten van de binnenvader van het ziekenhuis of van een andere bekwame arbeider.
Art. 3. Omdat de kruiden uit deze tuin voornamlijk worden gekweekt ten behoeve van de zieken in het ziekenhuis en ook nog ten behoeve van de zieken in de andere stichtingen, moet de lector botanicus zorgen dat hij genoeg kruiden in het ziekenhuis voorradig heeft, zodat de binnenvader die kan uitreiken aan de stadsdoktoren, vroedmeesters of chururgijns die ze telkens komen halen.
Art. 4. De lector botanicus moet minstens twee keer per week openbare lessen geven aan apothekers, hun leerlingen en alle anderen die zich in enig deel der genees- of heelkunst willen bekwamen. Hij kan die lessen geven in de kruidentuin, waar hij de kruiden moet aanwijzen en beschrijven (onder gewone en medicinale namen) de wijze van verwerking en bewaring, en de medicinale uitwerking moet uitleggen. Hij kan ook gebruik maken van een der vertrekken in het ziekenhuis om zijn leerlingen de grondbeginselen der pharmacie en chemie bij te brengen, zodat zij zich tot kundige apothekers kunnen ontwikkelen. Als de middelen van het ziekenhuis het toelaten, kan hij een instructiekast met daarin verzamelde kruiden, medicijnen, etc. laten maken om die bij het onderwijs te gebruiken.
Art. 5. Hij moet het stadsbestuur dienen in het visiteren en inspecteren van apotheken en drogisterijen en in het examineren van apothekers en drogisten die zich hier willen vestigen. Schepenen en raden behouden zich het recht voor om deze instructie te wijzigen of uit te breiden.
Gearresteerd in senatu 07.07.1794.

21.07.1794, Dr. H.W. Heppe, die bij resolutie van 07.07.1794 is aangesteld tot lector botanicus, chymiae et pharmaceutices, heeft de eed op bovenstaande instructie gedaan.

Fol.335.
Conditiën en voorwaarden waarop de stad Kampen door de hoofdlieden van het Buitenespel voor een tijd van vijfjaar (01.05.1795 – 30.04.1800) het octrooi van de Bank3 van Lening uit de

_↓_


|pag. 120|

hand hebben verpacht aan Jan Ambrosius Hoorn en zijn vrouw Catharina van der Laan. De eerdere pachters, de gezusters Balkman, hebben vrijwillige afstand gedaan.

Art. 1. Elke dag, met uitzondering van zondagen en heiligendagen, moet de bank open zijn. In de zomer van half negen tot elf uur en van een tot drie uur en in de winter van negen tot elf en van een tot drie uur.
Art. 2. De bankhouder mag goud, zilver, juwelen, koper, tin, linnen, wol, zijde, klederen en dergelijke goederen belenen.
Art. 3. Hij moet zorgen dat de goederen zijn voorzien van eigendomsmerken en moet deze merken vermelden in de leencedule. Die leencedule moet in het Nederduits zijn geschreven, moet gedateerd zijn en het bedrag van de belening moet zijn aangegeven.
Art. 4. De bank mag van kleine panden van minder dan 100 gulden tot interesse vragen een duit van een daalder of een halve stuiver van een pond vlaams per week.
Van 100 gulden en meer mag de bank 1 gulden per 100 gulden per maand vragen.
Art. 5. Behalve als de losdag op een zon- of feestdag valt, moet de volle week- of maandrente worden betaald als er eerder in die week of maand wordt afgelost.
Art. 6. De bankhouder is vrijgesteld van wachtdiensten en veldtochten, doch niet van militaire inkwartiering.
Art. 7. De bankhouder gaat, ter verkrijging van zijn kapitaal en rente, vóór alle andere crediteuren bij lossing of bij verkoping der panden.
Art. 8. Hij behoeft geen panden aan te nemen waarop hij bezwaarlijk 10 stuivers kan uitlenen.
Art. 9. Op panden die een daalder waard rijn, moet hij een gulden uitlenen, en zo vervolgens naar de grote der panden.
Art. 10. Beleende goederen die gestolen blijken te rijn, kan de eigenaar terug krijgen als hij de hoofdsom en de rente betaalt, behalve als de bankhouder kan weten dat het gestolen goed is. Als de bankhouder vermoedt dat er gestolen goederen aangeboden worden, moet hij die inhouden en het stadsbestuur waarschuwen.
Art. 11. Als de bankhouder vermoedt dat goederen onterecht worden beleend, moet hij het stadsbestuur waarschuwen. Dat stelt dan een onderzoek in.
Art. 12. Personen die verdachte goederen belenen, moeten onder ede hun eigendom of recht tot belening bevestigen.
Art. 13. Alleen op duidelijk omschreven goederen, in zijn bank ter belening gebracht, mag de bankhouder executoriaal beslag aanvaarden.
Art. 14. Op straffe van 200 goudguldens boete mag niemand anders dan de geoctrooieerde bankhouder goederen ter belening aannemen. De op te leggen boete deelt de stad met de bankhouder.
Art. 15. Panden die door versterf aan de armenkamer komen, mogen de bedienaars der armen lossen zonder rente te geven.
Art. 16. Alle panden moet de bankhouder op vertoon van de leencedule en na betaling van kapitaal en rente afgeven, ongeacht of het de eigenaar betreft of niet. Bij vermoeden van kwade trouw wordt de eigenaar verwittigd. Deze kan onder borgstelling rijn panden, na betaling van hoofdsom en rente, terug krijgen.
Art. 17. Panden waarvan de leenbriefjes zijn zoekgeraakt, moet de bankhouder laten lossen onder het stellen van borgtocht.
Art. 18. De bankhouder mag geen in bewaring genomen panden gebruiken of laten gebruiken of verkopen of belenen. Hij moet de panden zorgvuldig bewaren, zodat die niet beschadigen of slecht worden.

_↓_


|pag. 121|

Art. 19. Pas na een jaar en zes weken mogen panden worden verkocht. Ingeval van brand, oorlog of opstanden moeten zowel de bankhouder als de eigenaren van de panden hun eigen schade dragen.
Art. 20. Ieder kwartaal zullen ten overstaan van de hoofdlieden van het Buitenkwartier de niet geloste panden worden geveild door de vendumeester. Het deel van de opbrengst dat de hoofdsom plus rente te boven gaat, komt ten goede aan de eigenaars der panden.
Art. 21. Als binnen een jaar en zes weken na de verkoping de eigenaar van een pand het overschot niet komt halen, vervalt dit aan de armenstaat. Ieder twee jaar moet de bankhouder ten overstaan van de hoofdlieden van het Buitenkwartier rekening doen van de overschotten.
Art. 22. Als een pandhouder komt te sterven, mogen zijn erfgenamen de bank bedienen tot er door het stadsbestuur een accoord is gesloten met een andere bankhouder.
Art. 23. De bankhouder moet er voor zorgen dat hij voldoende geld heeft, zodat de arme lieden altijd geld kunnen krijgen.
Art. 24. Bij verschil van mening tussn de bankhouder en pandgevers, treedt het stadsbestuur op als scheidsrechter.
Art. 25. De bankhouder moet borgen stellen voor een bedrag van 10000 gulden.
Art. 26. De bankhouder moet jaarlijks betalen tot pacht aan de stadsrentekamer 600 gulden en 50 gulden aan zowel de armenstaat als het burgerweeshuis, dus in totaal 700 gulden.

De pacht is geprolongeerd voor vijfjaar (tot 30.04.1805) bij resolutie van 03.09.1798.

De pacht is geprolongeerd voor vijfjaar (ingaande 01.05.1805) bij resolutie van 31.12.1804.

26.03.1795, Jan Ambrosius Hoorn en zijn vrouw Catharina van der Laan hebben om te voldoen aan de borgtocht, genoemd in artikel 25 van de instructie op de Bank van Lening, overgegeven een schepenkennis, opgemaakt voor schout en schepenen van Waverveen ten verzoeke van Willem Hoorn en zijn vrouw Johanna C. de Blauw, wonende aan de Nestersluis, gelegen onder het gerichte van Waverveen. Deze schepenkennis, groot 6000 gulden kapitaal, is opgemaakt ten behoeve van comparanten op 05.03.1791, in bijwezen van secretaris Wickevoort Crommelin. Daarvoor zijn speciaal verbonden de volgende goederen.
Een huis en erve met al het daarop staande getimmer en een erve betimmerd met een overdekte kolfbaan, zijnde het geheel een herberg aan de Nestersluis op de hoek van het Bijleveld onder Waverveen.
Een huis en erve, staande naast het voorgenoemde perceel, alsmede een daarbij gelegen schuitenhuis.
Comparanten stellen verder tot onderpand hun huis en erve op de Vloeddijk alhier, op de noordwesthoek van de Blauwebrug en Nieuwesteeg, uitkomende achter met een hof in de Groenestraat. Dit huis, dat zij zelf bewonen, hebben zij 17.12.1793 gekocht van de weduwe van de predikant Johannes Martinus van der Upwich.
Comparanten beloven om andere onderpanden te stellen als de schepenkennis mocht worden afgelost of als de huizen zouden worden verkocht.
[Onder staat, doorgehaald:] De in bovenstaande akte genoemde schepenkennis en koopconditiën van het woonhuis alhier, zijn gedeponeerd in de portefeuille van het boek van consignatiën.

In de marge: 22.07.1805, Op verzoek van de echtelieden J.A. Hoorn en Catharina van der Laan is bovenstaande borgstelling doorgehaald. Tot een nieuw verband zijn de hieraan bij akte

_↓_


|pag. 122|

gespecificeerde obligaties gesteld.
22.07.1805, De akte van de schepenkennis is teruggegeven en het pakket obligaties is gedeponeerd.

Fol.338.
22.07.1805, Jan Ambrosius Hoorn en zijn vrouw Catharina van der Laan verbinden de volgende goederen tot onderpanden voor de pacht van de Bank van Lening (Zie de marginale aantekening van 22.07.1805 bij de akte van borgtocht van 26.03.1795).
Nationale schuldbrieven nr.95831 van 1000 gulden, nr.155250 van 1000 gulden, nr.176837 van 500 gulden, nr.216689 van 500 gulden, nr. 72644 van 500 gulden, nr.204572 van 300 gulden, nr.204573 van 300 gulden, nr.18642 van 200 gulden, nr.166391 van 1000 gulden, nr. 166392 van 600 gulden.
Obligatiën op Spanje nr.1852 van 1000 gulden, nr.1258 van 1000 gulden, nr.2501 van 1000 gulden [in de marge staat dat deze obligatie is teruggegeven], nr.914 van 1000 gulden.
Alle voorgenoemde obligatiën zijn gedeponeerd bij het boek van consignatiën. Bijgevoegd is de koopakte van het mede verbonden huis.

27.12.1805, Jan Ambrosius Hoorn en zijn vrouw Catharina van der Laan verklaren dat zij in plaats van de obligatie op Spanje, nr.2501, groot 1000 gulden, de volgende schuldbrieven tot onderpand stellen.
Nr.267782 van 1000 gulden, nr.267783 van 1000 gulden, nr.267784 van 1000 gulden. Deze drie obligatiën zijn gedeponeerd bij het boek van consignatiën.

Bij apostille van 07.01.1807 is op hun verzoek aan J.A. Hoorn en zijn vrouw, houders van de Bank van Lening, toegezegd dat zij de effecten [obligaties] die zij tot onderpand voor de pacht van de Bank van Lening in bewaring hebben gegeven, weer zullen terug krijgen als het huis van hun zuster J.M. van der Laan, weduwe van J. van de Poll, mede werd verbonden en hun zuster zich mede tot borg wilde stellen. Dit is geschied; de akte hiervan is hierna te zien. De obligatiën zijn aan J.A. Hoorn en zijn vrouw teruggegeven en de eigendomsbewijzen van beide huizen zijn bij het boek van consignatiën gedeponeerd.

Fol.338v.
15.01.1808, Johanna Margaretha van der Laan, weduwe van Jan van der Poll, geassisteerd met de roedendrager W.H. van Rhoden, stelt zich borg voor haar zwager en zuster J.A. Hoorn en C. van der Laan. Zij ziet af van het ‘beneficium ordenis et excussionis’, inhoudende dat eerst de hoofdschuldenaar moet worden aangesproken voor men de borgen aanspreekt, en van het ‘senatus consultum vellejanum’, waarvan haar de strekking bekend is.
Zij stelt tot onderpand haar huis op de hoek van de Broederweg en Groenestraat en haar overige bezittingen. De koopakte van dat huis geeft zij de stad in bewaring.
In de marge: Deze akte was geschreven op een zegel van 12 stuivers.

Fol.339.
Conditiën en voorwaarden waarop de kameraars van de stad Kampen op authorisatie van burgemeesters en wethouders op dinsdag 27.02.1810, ’s morgens om elf uur in de stadsrentekamer aan de meest biedende zullen verpachten voor de tijd van zes jaar, ingaande met bloeimaand [mei] 1810, het octrooi voor het houden van de Bank van Lening, op de volgende instructie.

_↓_


|pag. 123|

Art. 1. De verpachting zal geschieden bij caroliguldens van 20 stuivers per stuk, bij inzet en toeslag. Hij die bij de inzet door middel van briefes waarop het bedrag duidelijk staat vermeld, de hoogste is, krijgt 14 gulden. Hij die bij de toeslag het eerst ‘mijn’ zegt, zal de pachter worden. Als er twee personen tegelijk ‘mijn’, roepen, volgt er een nieuwe ronde.
Art. 2. Betaling van de pachtsom moet in twee halfjaarlijkse termijnen plaatshebben, de eerste betaling op de eerste van bloeimaand en de 2de op de eerste van slachtmaand.
Art. 3. De verpachters houden de definitieve aanwijzing van wie de nieuwe pachter wordt, drie dagen in beraad. Intussen informeren zij naar de omstandigheden van de candidaat-bankhouder.

22.01.1810, Instructie voor de houder van de Bank van Lening.
Art. 1. Elke dag, met uitzondering van zondagen en heiligendagen, moet de bank open zijn. In de zomer van half negen tot elf uur en van een tot drie uur en in de winter van negen tot elf en van een tot drie uur.
Art. 2. De bankhouder mag goud, zilver, juwelen, koper, tin, linnen, wol, zijde, klederen en dergelijke goederen belenen.
Art. 3. Hij moet zorgen dat de goederen zijn voorzien van eigendomsmerken en moet deze merken vermelden in de leencedule. Die leencedule moet in het Nederduits zijn geschreven, moet gedateerd zijn en het bedrag van de belening moet zijn aangegeven.
Art. 4. De bank mag van kleine panden van minder dan 100 gulden tot interesse vragen een duit van een daalder of een halve stuiver van een pond vlaams (á 6 gulden) per week.
Van 100 gulden en meer mag de bank 1 gulden per 100 gulden per maand vragen.
Art. 5. Behalve als de losdag op een zon- of feestdag valt, moet de volle week- of maandrente worden betaald als er eerder in die week of maand wordt afgelost.
Art. 6. De bankhouder is vrijgesteld van wachtdiensten en veldtochten, doch niet van militaire inkwartiering. Hij mag wel een ander goed kwartier zoeken op zijn eigen kosten.
Art. 7. De bankhouder gaat, ter verkrijging van zijn kapitaal en rente, vóór alle andere crediteuren bij lossing of bij verkoping der panden.
Art. 8. Hij mag aangeboden goederen alleen belenen en niet uit de hand kopen. Als hij goederen wil kopen, moet hij dat op de publieke verkoop doen, op een boete van 100 gulden.
Art. 9. Hij behoeft geen panden aan te nemen waarop hij bezwaarlijk 10 stuivers kan uitlenen.
Art. 10. Op panden die een daalder waard zijn, moet hij een gulden uitlenen, en zo vervolgens naar de grote der panden.
Art. 11. Beleende goederen die gestolen blijken te zijn, kan de eigenaar terug krijgen als hij de hoofdsom en de rente betaalt, behalve als de bankhouder kan weten dat het gestolen goed is.
Als de bankhouder vermoedt dat er gestolen goederen aangeboden worden, moet hij die inhouden en de procureurs des konings waarschuwen.
Art. 12. Als de bankhouder vermoedt dat goederen onterecht worden beleend, moet hij de procureur des konings waarschuwen. Die stelt dan een onderzoek in.
Art. 13. Personen die verdachte goederen belenen, moeten bij het College van Justitie onder ede hun eigendom of recht tot belening bevestigen.
Art. 14. Alleen op duidelijk omschreven goederen, in zijn bank ter belening gebracht, mag de bankhouder executoriaal beslag aanvaarden.
Art. 15. Op straffe van 200 goudguldens boete mag niemand anders dan de geoctrooieerde bankhouder goederen ter belening aannemen. De op te leggen boete deelt de stad met de bankhouder.
Art. 16. Panden die door versterf aan de armenkamer komen, mogen de bedienaars der armen

_↓_


|pag. 124|

lossen zonder rente te geven.
Art. 17. Alle panden moet de bankhouder op vertoon van de leencedule en na betaling van kapitaal en rente afgeven, ongeacht of het de eigenaar betreft of niet. Bij vermoeden van kwade trouw wordt de eigenaar verwittigd. Deze kan onder borgstelling zijn panden, na betaling van hoofdsom en rente, terug krijgen.
Art. 18. Panden waarvan de leenbriefjes zijn zoekgeraakt, moet de bankhouder laten lossen onder het stellen van borgtocht.
Art. 19. De bankhouder mag geen in bewaring genomen panden gebruiken of laten gebruiken of verkopen of belenen. Hij moet de panden zorgvuldig bewaren, zodat die niet beschadigen of slecht worden. Bij overtreding zal de procureur des koning worden verwittigd.
Art. 20. Pas na een jaar en zes weken mogen panden worden verkocht. Ingeval van brand, oorlog of opstanden moeten zowel de bankhouder als de eigenaren van de panden hun eigen schade dragen.
Art. 21. Ieder kwartaal zullen ten overstaan van de hoofdlieden van het Buitenkwartier de niet geloste panden worden geveild door de vendumeester. Het deel van de opbrengst dat de hoofdsom plus rente te boven gaat, komt ten goede aan de eigenaars der panden.
Art. 22. Als binnen een jaar en zes weken na de verkoping de eigenaar van een pand het overschot niet komt halen, vervalt dit aan de armenstaat. Ieder twee jaar moet de bankhouder ten overstaan van de hoofdlieden van het Buitenkwartier rekening doen van de overschotten.
Art. 23. Als een pandhouder komt te sterven, mogen zijn erfgenamen de bank bedienen tot er door het stadsbestuur een accoord is gesloten met een andere bankhouder.
Art. 24. De bankhouder moet er voor zorgen dat hij voldoende geld heeft, zodat de arme lieden altijd geld kunnen krijgen.
Art. 25. Bij verschil van mening tussen de bankhouder en pandgevers, treedt het stadsbestuur op als scheidsrechter.
Art. 26. De bankhouder moet borgen stellen voor een bedrag van 10000 gulden. Voor de helft reëel en voor de helft personeel. De personele borgen moeten hier ter stede wonen en moeten voldoen aan de eisen die burgemeester en wethouders stellen.
Art. 27. De bankhouder moet jaarlijks boven zijn pachtgeld betalen 50 gulden aan zowel de armenstaat als het burgerweeshuis, te voldoen op de 1ste van bloeimaand van elk jaar.
Art. 28. De nieuwe pachter moet van de tegenwoordige pachter tegen betaling van kapitaal en rente alle panden ovememen, volgens de gespecificeerde lijst. De overname moet vóór de 15de van zomermaand 1810 voltooid zijn. Mocht blijken dat de tegenwoordige bankhouder iets heeft achtergehouden, dan zal de procureur des konings worden ingeschakeld. Tot na een jaar en zes weken na de overname, moet de tegenwoordige bankhouder de nieuwe bankhouder nog bij staan door het geven van informatie en opheldering. Als de nieuwe bankhouder gewaar wordt dat er op panden meer dan 2/3 van de waarde betaald is, moeten zij zien te accorderen en eventueel onpartijdige deskundigen en taxateurs inschakelen. Als de taxateurs vinden dat er goed beleend is, betaalt de nieuwe bankhouder de taxatiekosten, vinden zij dat er te hoog beleend is, dan betaald de oude bankhouder hun kosten.
Art. 29. Te hoog gewaardeerde panden moet de oude bankhouder aan de nieuwe overdoen voor het getaxeerde bedrag. Hij mag wel de volle rente rekenen.
Er moeten twee identieke lijsten worden gemaakt met daarop de namen der pandgevers, omschrijving der panden, getaxeerde waarde, bedrag der lening en de waarde na de hertaxatie door onpartijdige deskundigen.
De nieuwe bankhouder moet eventueel de pandgevers na 15.06.1810 nog twee keer de oude rente laten betalen, maar de pandgever waarschuwen dat de waarde der panden lager getaxeerd

_↓_


|pag. 125|

is. Zij moeten de waarde van de panden die zij gebracht hebben, aanzuiveren. Bij ingebreke blijven zullen deze panden worden verkocht. De meeropbrengst is voor de oude bankhouder, blijvende echter het gestelde in art. 21 ook van kracht.
Gearresteerd door burgemeester en wethouders, 22.01.1810.

Fol.345.
30.06.1796, Postmeestersambt.

30.06.1796, Gerrit Bantjes heeft met handtasting in plaats van eed beloofd om zijn functie van postmeester getrouw uit te oefenen.

29.07.1796, Aleida Storm, weduwe van Jan Pastoor, geassisteerd met de roedendrager W. Lammers, verder Hendrik Pastoor, Arend Jan van der Stege en Jan Stuurman, mede voor hun vrouwen, stellen zich borg voor hun schoonzoon respectievelijk zwager Gerrit Bantjes, die is aangesteld tot postmeester dezer stad, tot een bedrag van 3000 gulden.
Aleida Storm verbindt voor haar aandeel van 1000 gulden haar woonhuis op de Oudestraat op de hoek van het Naeuwesteegje, naast het eigendom van Johannes Boele, zijnde vrij en onbezwaard.
Voor de overige 2000 gulden verbinden Hendrik Pastoor en zijn vrouw hun huis op de Burgwal op de hoek van de Broederstraat, naast de stal van mevrouw Van der Merwede; Arend Jan van der Stege en zijn vrouw hun huis op de Burgwal, gelegen tussen de eigendommen van de weduwe Van Engbrink en Lucretia Wilkes, en een stal in de Morrensteeg; Jan Stuurman en zijn vrouw hun woonhuis op de Oudestraat. Alle percelen zijn onbezwaard.
Bovengenoemde borgstelling geldt voor een jaar en zal ieder jaar moeten worden vernieuwd of Gerrit Bantjes moet zelf 3000 gulden opbrengen.

Fol.348.
07.11.1797, Instructie waarnaar de schout-bij-nacht van deze stad zich zal moeten gedragen bij het uitoefenen van zijn dienst.
Art. 1. Hij moet de leden van het stadsbestuur en zijn dienaars en in het bijzonder de presidenten eerbiedigen en gehoorzamen en hun aan hem gegeven bevelen getrouw opvolgen.
Hij moet de uitgevaardigde ordonnanties, willekeuren, reglementen en publicaties betreffende de handhaving van politie en justitie ter goeder trouw en zonder iets oogluikend toe te staan, uitvoeren. Zaken waarvan geheimhouding geldt, mag hij niet openbaar maken.
Art. 2. Hij moet altijd een goed zijdgeweer [degen] bij zich hebben en voor bijzondere gevallen zich voorzien van andere wapens.
Art. 3. Hij moet zich elke dag ’s morgens op de vastgestelde tijd met zijn beide dienaars melden bij het huis van de president om instructies te halen. Als er vergaderingen van het stadsbestuur zijn, moet hij met zijn dienaars op het raadhuis blijven zolang de vergaderingen duren.
Art. 4. Slechts met uitdrukkelijke toestemming van de president mogen hij en zijn dienaars zich onttrekken aan het gestelde in het vorige artikel of om een of meer nachten buiten de stad te blijven.
Art. 5. Hij moet zorgen dat zijn dienaars zich aan hun instructie houden en zich niet bedrinken of zich onbehoorlijk gedragen. Hij moet hen eventueel vermanen en bij voortduring van hun

_↓_


|pag. 126|

foute gedrag de president inlichten.
Art. 6. Hij, maar vooral zijn dienaars, moeten de ronde doen door de stad om vreemde bedelaars, schooiers en zwervende lieden die langs de huizen gaan of voorbijgangers vragen om aalmoezen aan te houden en uit de stad te leiden. Als hij dergelijke personen verdenkt van misdaden, moet hij hen vastzetten en de president inlichten.
Art. 7. Hij moet de dienaars opdragen om minstens een keer per week in de environs [omgeving] van de stad de ronde te doen. Zij moeten vragen of er bedelaars langs komen en daar zelf ook op letten. Als de president hem dat opdraagt, moet hij zelf de ronde doen.
Art. 8. Hij moet hen die op heterdaad betrapt worden bij het plegen van grove misdaden direct in hechtenis zetten of hen, indien zij vluchten, met alle ijver proberen op te sporen en hun verblijfplaats aan de president melden.
Art. 9. In het bijzonder moet hij letten dat er uit of van tuinen, moeshoven, ramen, hekken, vonders, bruggen, hoofden of kribben, bomen en plantagiën niets wordt gehakt of gestolen.
Art. 10. Hij moet terstond onderzoek doen, ook ’s nachts, naar straatschenderijen, rumoer, gekijf en gevecht in herbergen en op de straten en naar beledigingen aan personen of huisvredebreuk. Hij moet samenscholingen uiteenjagen en partijen vermanen. De president moet hij van dit alles onmiddelijk kennisgeven.
Art. 11. Hij moet in overleg met of in opdracht van de president onderzoek doen naar verdachte personen of naar hen die gedurende hun verbanning zich in de stad ophouden.
Art. 12. Hij moet een register van verdachte en gezochte personen aanleggen, waarin hun namen, leeftijd, kleding en signalement moeten staan. Hij moet de gegevens halen uit brieven van elders, kranten of uit opdrachten van het stadsbestuur. Door hem gesignaleerde te boek staande personen, moet hij direct aanhouden en vastzetten en de president kennis geven.
Art. 13. Ter opsporing van verdachte of gezochte personen mag hij ten allen tijde herbergen of kroegen doorzoeken, maar andere huizen mag hij alleen betreden met een machtiging van de president.
Art. 14. Hij moet de vergaderingen en bijeenkomsten die door de wet verboden zijn, hetzij in logementen, koffiehuizen, herbergen of andere gebouwen of huizen, en in het bijzonder de vergaderingen die bij publicatie van 31.01.1795, 31.07.1797 en 21.10.1797 genoemd worden, direct melden aan de president.
Art. 15. Met zijn dienaars moet hij hem door de Municipaliteit of president genoemde personen aanhouden en voorgeleiden. Hij moet bij de verhoren aanwezig zijn. Ook moet hij aanwezig zijn bij het uitvoeren der criminele vonnissen en bij het uitleiden uit de stad of vrijheid van verbannenen.
Art. 16. Hij moet met zijn dienaars aanwezig zijn als de provisoren van de armenkamer de bedeelden voor zich ontbieden en hij moet op verzoek van de binnenvader van het Bovengasthuis ook helpen bij moeilijkheden met krankzinnigen.
Art. 17. Hij moet toezicht houden op bordelen of andere huizen waar oneerlijk bedrijf plaatsvindt en letten op het zich in de stad vestigen van verdachte of onbekende personen. Hij moet daarover de president inlichten.
Art. 18. Zijn dienaars moeten voorkomen dat er wanordelijkheden onstaan op begrafenissen, op Sint-Nicolaasavond, op Nieuwjaarsdag, op kermissen en op andere feesten.
Art. 19. Zijn dienaars moeten geschreeuw en rumoer tijdens de kerkdiensten van alle gezindten tegengaan er op letten dat tijdens kerkdiensten, in herbergen niet wordt gedanst of gespeeld.
Art. 20. Hij moet verhinderen dat militairen na het slaan der taptoe nog gelagen aanrichten en dat anderen na vastgestelde sluitingstijden dit nog doen.
Art. 21. Hij moet voorkomen dat openbare gebouwen, poorten, bruggen, muren, corps de

_↓_


|pag. 127|

gardes, klappermanshuizen, pompen, straten en kerken worden beschadigd.
Art. 22. Hij moet waken tegen ongeregeldheden op markten en tegen verboden voor- of opkoop. Overtreders mag hij direct beboeten. Hij moet de president kennis geven.
Art. 23. Hij moet letten op de reinheid der straten, op het wegvoeren van puin en op het op straten of in stadswateren werpen van krengen of slachtafval.
Art. 24. Hij moet er op letten dat geen gloeiende as op straat of op mestvaalten wordt gegooid of dat mensen of dierenmest op andere dan de daarvoor bestemde plaatsen wordt gedeponeerd.
Ook moet hij er op toezien dat de karlieden hun dagelijkse ronde goed uitvoeren en dat zij alle afval op de juiste plaatsen brengen.
Art. 25. Hij moet er op letten dat zij die met brandbaar materiaal omgaan, tijdens hun werk niet roken. In het algemeen moet hij letten op brandgevaar.
Art. 26. Bij het wegtrekken van het garnizoen moet hij aantekening houden van de achterblijvende vrouwen en kinderen en hun namen en adressen aan de president en aan de boekhouder der armen doorgeven.
Art. 27. Hij en zijn dienaars moeten uit het water gehaalde drenkelingen proberen weer tot leven te wekken. Zij moeten de schijnbaar dode of nog enige levenstekens gevende personen naar hun huizen of in herbergen dragen en deskundigen roepen.
Art. 28. Hij moet verder letten op het nakomen van alle stadsverodeningen en die in een boek nauwkeurig overschrijven.
Art. 29. Zonder voorkennis van de president mag hij met niemand accorderen over boeten. Hij mag geen opgelegde boetes achterhouden of verzuimen die aan de president te melden.
Art. 30. Hij moet de goede burgers voorkomend behandelen maar als hij of zijn dienaars worden uitgescholden of beledigd, moet hij de president daar van in kennis stellen.
Art. 31. Als hem dat gevraagd wordt, moet hij de roedendragers vergezellen bij het overhandigen van exploiten, dagvaardigingen of executies.
Art. 32. Hij moet ook de functie van cipier waarnemen en als zodanig zorgen voor een goede behandeling en voeding der gevangenen en het laten schoonhouden der gevangenis. Slechts met voorkennis en goedvinden van de president mag hij iemand bij gevangenen toelaten. Hij moet daarbij zijn dienaars laten assisteren.
Art. 33. Hij mag van niemand met betrekking tot zijn ambt geld aannemen; ook geen nieuwjaarsgiften.
Art. 34. Als hij zich niet naar zijn instructies gedraagt, zal hij worden gecorrigeerd of van zijn post worden ontheven.
Art. 35. Hij moet tevreden zijn met zijn salaris als schout-bij-nacht en cipier en met de delen van boetes die aan hem worden toegewezen of nog zullen worden toegewezen. De Municipaliteit kan ten allen tijde de hoogte van de boetes wijzigen.
Art. 36. Opgelegde boetes zullen voor een derde deel worden genoten door degene die de ‘calange’ [aanbreng] doet, voor een derde door de schout-bij-nacht en voor een derde door zijn dienaars.
Art. 37. Hij moet de eed op deze instructie doen in handen van de president.

20.11.1797, Albertus Tebbetman heeft de eed van schout-bij-nacht gedaan.

01.07.1803, Pieter Verver heeft de eed van schout-bij-nacht gedaan in de plaats van de op eigen verzoek ontslagen A. Tebbetman.

16.10.1804, Jan Ramaker heeft de eed van schout-bij-nacht gedaan in plaats van de op eigen

_↓_


|pag. 128|

verzoek ontslagen P.B. Verver.

Fol.353.
08.11.1797, Reglement waarnaar de schout-bij-nacht en de dienaars zich moeten gedragen in het opmaken van hun rekening met betrekking tot hun ambten.
Art. 1. Voor het aantasten en in hechtenis nemen van een gevangene krijgt de schout-bij-nacht 1 gulden en 8 stuivers en zijn dienaars ieder 14 stuivers.
Art. 2. Voor het voorbrengen van een gevangene naar de schepenkamer voor verhoor krijgt de schout-bij-nacht 14 stuivers en zijn dienaars elk 7 stuivers.
Art. 3. Voor het tegenwoordig zijn bij de voorlezing van een crimineel vonnis krijgt de schout- bij-nacht 1 gulden en 8 stuivers en de dienaars elk 14 stuivers.
Art. 4. Voor het bewaken van een gevangene voor een dag of een nacht krijgt de schout 1 gulden en de dienaars elk 10 stuivers.
Art. 5. Voor het tegenwoordig zijn bij het voltrekken van een lijfstraf binnen het raadhuis krijgt de schout-bij-nacht 1 gulden en 8 stuivers en de dienaars elk 14 stuivers.
Art. 6. Idem in het openbaar 2 gulden en 16 stuivers respectievelijk 1 gulden en 8 stuivers.
Art. 7. Voor het tegenwoordig zijn bij het aanhoren van een doodvonnis 1 gulden en 8 stuivers respectievelijk 14 stuivers.
Art. 8. Voor het tegenwoordig zijn bij het uitleiden van verbannenen uit stad en vrijheid 1 gulden en 8 stuivers respectievelijk 14 stuivers.
Art. 9. Voor het overbrengen van een veroordeelde naar het provinciaal tuchthuis in Zwolle 2 gulden en 16 stuivers respectievelijk 1 gulden en 8 stuivers.
Art. 10. Voor het tegenwoordig zijn bij het overbrengen van een krankzinnige naar het Bovengasthuis 1 gulden respectievelijk 10 stuivers.
Art. 11. Voor het uitvoeren van het bepaalde betreffende drenkelingen 2 gulden en 16 stuivers respectievelijk 1 gulden en 8 stuivers.
N.B. Deze post staat gelijk met de vergoeding bij het uitvoeren van een doodvonnis, omdat men de schout-bij-nacht en de dienaars zeer aktief wil laten optreden. Zij moeten zorgen dat de drenkeling niet sterft door onkunde van omstanders.
Art. 12. Voor het bezorgen van het lichaam van een verongelukt en vermoord persoon en het bijwonen van de lijkschouwing 1 gulden en 8 stuivers respectievelijk 14 stuivers.
Art. 13. Iemand die de schout-bij-nacht of de dienaars ter assistentie vraagt bij het aanbieden van een schuldvordering van 10 gulden of minder, moet hen 14 stuivers respectievelijk 7 stuivers betalen.
Voor een schuld van 25 gulden idem 1 gulden en 8 stuivers respectievelijk 14 stuivers.

Mocht een gevangene onschuldig blijken te zijn of wanneer de schout-bij nacht of zijn dienaars buiten de stad en vrijheid enige werkzaamheden moeten verrichten, dan krijgen zij slechts de voorgeschoten bedragen, maar geen loon.

Bij artikel 1 staat in de marge: 11.06.1803, Wanneer de in hechtenis genomen persoon niet langer dan 24 uur vastgehouden wordt, of slechts tot een kleine boete wordt veroordeeld of onschuldig blijkt te zijn, dan krijgen de schout-bij-nacht en zijn dienaars slechts de halve vergoeding.
Bij artikel 2 staat in de marge: 11.06.1803, Deze vergoeding geldt voor de wekelijks zitting en wordt maar een keer betaald, ook al worden de gevangenen dan meerdere malen verhoord.

_↓_


|pag. 129|

Fol.354.
08.11.1797, Reglement waarnaar de cipier zich zal hebben te gedragen bij het opmaken van zijn rekening met betrekking tot zijn ambt.
Art. 1. Voor het sluiten der gevangenis bij het gevangen zetten van een aangehouden persoon 1 gulden en 8 stuivers.
Art. 2. Voor het stro, dat een keer per week moet worden ververst, en het schoonmaken der gevangenis, 1 gulden per gevangene.
Art. 3. Voor een goede ligging en het twee keer per dag verzorgen van goed eten en drinken, per gevangene 1 gulden. Voor hen die op water en brood zitten krijgt hij 6 stuivers per dag.
Art. 4. Voor het openen en sluiten van de gevangenis als de gevangene zijn eigen eten en drinken regelt, 6 stuivers.
Art. 5. Voor het ontsluiten der gevangenis na het crimineel vonnis, 1 gulden en 8 stuivers.
Als de gevangene gewoon ontslagen of onschuldig verklaard wordt, zal voor het ontsluiten niet betaald worden.
Aldus gearresteerd 08.11.1797.

Fol.355.
02.12.1797, Instuctie waarnaar de executeurs of dienaars der justitie in de stad Kampen zich moeten gedragen bij het uitoefenen van hun functie.
Art. 1. De dienaars moeten de leden van het stadsbestuur eerbiedigen en gehoorzamen.
Art. 2. Zij moeten de schout-bij-nacht achting betonen en zijn orders opvolgen.
Art. 3. Zij moeten altijd gewapen met het door de stad bekostigde zijdgeweer hun rondes doen en in bepaalde gevallen zich voorzien met andere wapens. Zij moeten altijd de paternosters bij zich dragen.
Art. 4. Zij moeten elke morgen op de vastgestelde tijd naar het huis van de schout-bij-nacht gaan en daarna deze vergezellen naar het huis van de president om diens orders in ontvangst te nemen. Tijdens vergaderingen van het stadsbestuur moeten zij op het raadhuis zijn.
Art. 5. Slechts met toestemming van de schout-bij-nacht mogen zij buiten de stad overnachten.
Art. 6. Zij moeten altijd nuchter en bekwaam zijn en zich bescheiden gedragen tegenover de burgers.
Art. 7. Zij moeten afzonderlijk rondes door de stad doen en zich van tijd tot tijd ophouden bij de Vispoort en Venepoort om vreemde bedelaars, schooiers en zwervers die voorbijgangers aanspreken om aalmoezen of langs de deuren gaan, uit de stad te sturen. Zij moeten inwoners die bedelaars iets geven, vermanen om dat in het vervolg niet meer te doen. Van misdaden verdachte personen moeten zij in hechtenis nemen en de schout-bij-nacht daarvan onmiddelijk in kennis stellen.
Art. 8. Eens per week, op een door de schout-bij-nacht te bepalen dag, moeten zij een ronde door de omgeving van de stad doen.
Art. 9. Personen die op heterdaad worden betrapt bij het plegen van grove misdaden, moeten zij in hechtenis nemen. Voortvluchtigen moeten zij met alle ijver opsporen.
Art. 10. Zij moeten er in het bijzonder op letten dat er niet gestolen of gehakt wordt in tuinen, moeshoven, ramen, hekken, vonders, bruggen, hoofden of kribben.
Art. 11. Zij moeten bij dag en bij nacht onmiddelijk onderzoek doen naar straatschenderijen, straatrumoer, gekijf en vechtpartijen in herbergen, beledigingen van personen, huisvredebreuk, etc., samenscholingen verstoren en de partijen scheiden of vermanen.
Art. 12. Zij moeten verdachte personen in het oog houden en verbannenen die in de stad

_↓_


|pag. 130|

worden aangetroffen in hechtenis nemen.
Art. 13. Van tijd tot tijd moeten zij het boek doornemen waarin de schout-bij-nacht de signalementen van gezochte personen heeft geschreven.
Art. 14. Op orders van de schout-bij-nacht mogen zij herbergen en kroegen waar zij verdachte personen vermoeden, doorzoeken. Huizen van andere ingezetenen mogen slechts doorzocht worden na toestemming van de president.
Art. 15. Zij moeten alle personen die hen door de Municipaliteit, president of schout-bij-nacht worden genoemd, aanhouden en vastzetten. Zij moeten ook tegenwoordig zijn bij het verhoren van verdachten en bij het uitvoeren der vonnissen. Verder moeten zij bannelingen uit de stad leiden en gestraften overbrengen naar het provinciale tuchthuis.
Art. 16. Met de schout-bij-nacht moeten zij aanwezig zijn wanneer de provisoren de bedeelden door de armenkamer voor zich ontbieden en zij moeten de vader van het Bovengasthuis helpen met het hanteren van krankzinnigen.
Art. 17. Zij moeten verdachte huizen en bordelen in het oog houden en nagaan waar slechte, verdachte of onbekende personen zich vestigen.
Art. 18. Wanordelijkheden tijden begrafenissen, het schieten met geweren en vuurwerken op Sint-Nicolaasavond en Sint-Nicolaasdag en Nieuwjaarsdag en ongeregeldheden op kermissen en andere feesten, moeten zij zien te voorkomen.
Art. 19. Zij moeten er voor zorgen dat er tijdens kerkdiensten niet wordt geschreeuwd of gezongen nabij de kerken en dat in herbergen tijdens kerkdiensten niet wordt gespeeld of gedanst.
Art. 20. Zij moeten er op letten dat er na het slaan der taptoe in herbergen en kroegen niet meer wordt geschonken aan militairen en dat er niet meer wordt getapt na het door het stadsbestuur bepaalde uur.
Art. 21. Zij moeten er voor zorgen dat kerken, poorten, bruggen, hameiden, ramen, corps de gardes, klappermanshuizen, pompen en straten, niet worden beschadigd.
Art. 22. Zij moeten er voor waken dat op de markten geen verboden voorkoop of opkoop plaats vindt en andere ongeregeldheden niet tolereren.
Art. 23. Zij moeten letten op het schoon zijn der straten, het afvoeren van puin en het werpen van krengen of slachtafval op straten of in stadswateren.
Art. 24. Zij moeten acht geven dat er geen gloeiend afval op straten of mestvaalten wordt gestort of dat mensen- of dierenmest ergens anders wordt gedeponeerd dan op de daartoe bestemde plaatsen. Ook moeten zij letten op op het werk van de karlieden.
Art. 25. Zij moeten er op letten dat werklieden niet roken als zij met brandbaar materiaal omgaan.
Art. 26. Als het garnizoen de stad verlaat, moeten zij de namen en adressen van achterblijvende vrouwen en kinderen noteren.
Art. 27. Zij moeten alle mogelijke moeite doen om het leven van drenkelingen te redden.
Art. 28. Zij moeten toezien dat men zich houdt aan de stedelijke bepalingen.
Art. 29. Zonder toestemming van de president mogen zij niet accorderen over boetes.
Art. 30. Als de schout-bij-nacht of de executeurs bij het uitoefenen van hun taak worden beledigd of uitgescholden, moeten zij de president daarvan terstond in kennis stellen.
Art. 31. Op verzoek moeten zij roedendragers vergezellen bij het aanbieden van explooiten of andere stukken.
Art. 32. Zij moeten de schout-bij-nacht assisteren bij diens taak als cipier.
In de marge: 28.03.1798, De executeurs zullen te samen hebben voor het brengen van het eten aan een gevangene 1 gulden per week en voor stroo verversen 6 stuivers per week.

_↓_


|pag. 131|

Art. 33. Zij mogen geen giften aannemen die betrekking hebben op hun dienstuitvoering, maar mogen nieuwjaarsgeld wel aannemen. Zij mogen burgers niet dwingen of aanmanen hen iets te geven.
Art. 34. Als zij hun taak niet naar behoren uitvoeren, zullen zij worden gecorrigeerd of ontslagen.
Art. 35. Zij moeten tevreden zijn met hun tractement en het deel van de opgelegde boetes dat aan hen is toegewezen.
Art. 36. De opgelegde boetes worden voor een derde deel toegewezen aan hen die de ‘calangie’ doen, voor een derde aan de schout-bij-nacht en voor een derde aan de executeurs.
Art. 37. Zij moeten de eed op deze instructie doen aan handen van de president.

Aldus gearresteerd ter vergadering der Municipaliteit, 02.12.1797.

25.01.1798, Hendrik Jan Houw heeft als nieuw aangestelde executeur, in de plaats van Willem Staa, de eed op bovenstaande instructie afgelegd.

17.05.1823, Fredrik Hendrik Wilst heeft als nieuw aangestelde executeur in de plaats van de gepensioeneerde Abraham van Auw de eed op bovenstaande instructie gedaan.

Fol.361.
Klapperwacht.
09.12.1797, G. Gigandet heeft als commandeur van de klapperwacht de eed gedaan op de gedrukte ordonnatie van 21.11.1797.

09.12.1797, De navolgende klapwakers hebben de eed gedaan op de ordonnantie van 21.11.1797.
Gerrit Veldhuis.
Reinder van der Meulen.
Roelof de Bruin.
Jan van den Bos.
Jan Volders.
Willem Depfer.
Gerrit Willems.
Fredrik Jacobi.
Joost Meulenbroek.
Jannes Bos.
Jan Kervel Szn.

Idem de volgende noodhulpen.
Hendrik Hekman.
Harmen Steenbergen.
Gerrit Peffer.

Aan voorgenoemde klapwakers en noodhulpen is bekend gemaakt dat zij als suppoosten dezer stad ten allen tijden moeten assisteren als dat nodig wordt geoordeeld.

_↓_


|pag. 132|

27.12.1797, De tot noodhulp aangestelde Dirk Voorweg heeft de eed gedaan.

19.03.1798, De tot noodhulp aangestelde Rutger Aarts heeft de eed gedaan in plaats van Dirk Voorweg, die ontslag heeft gevraagd.

21.03.1798, De tot noodhulpen aangestelde Peter Remeier en Hendrik Bulder hebben de eed gedaan op de instructie.

04.07.1798, De tot noodhulpen van de klapperlieden aangestelde Cornelis van Putten, Jacobus Constant en Jan van Wezop hebben de eed gedaan op de instructie.

18.08.1798, De tot noodhulp van de klapperwachten aangestelde Jan Ekering heeft de eed gedaan op de instructie.

18.08.1798, De tot noodhulp van de klapperwachten aangestelde Gosen Schols heeft de eed gedaan op de instructie.

29.10.1798, De tot noodhulp van de klapperwachten aangestelde Christaan Groenewoud heeft de eed gedaan op de instructie.

19.09.1799, Roelof …leit en Weindelt Noorenburg zijn bij provisie aangesteld tot noodhulpen van de klapperwachten voor de tijd dat Jacobus Constant en Jan van Wezop zich bij de veldtrain bevinden. Bij vacatures zullen zij effectief worden aangesteld.

18.12.1799, De provisioneel (in de plaats van Noorenburg) tot noodhulp van de klapperwachten aangestelde Gerrit Schaats heeft de eed gedaan op de instructie.

20.01.1800, De tot noodhulp van de klapperwachten (in de plaats van Willem Depfer) aangestelde Gerrit Uiterwijk heeft de eed gedaan op de instructie.

08.10.1800, De tot noodhulp van de klapperwachten (in de plaats van Reinder van der Meulen) aangestelde Piet van Putten heeft de eed gedaan op de instructie.

19.01.1801, De tot noodhulp van de klapperwachten (in de plaats van Gosen Schols) aangestelde Hendrik Harms heeft de eed gedaan op de instructie.

05.06.1801, De tot noodhulp van de klapperwachten (in de plaats van Cornelis van Putten) aangestelde Hendrik Westerhof heeft de eed gedaan op de instructie.

28.07.1801, De tot noodhulp van de klapperwachten (in de plaats van Hendrik Westerhof) aangestelde Arend van der Straaten heeft de eed
gedaan op de instructie.

06.01.1803, De tot noodhulp van de klapperwachten (in de plaats van de gedimmiteerde Hendrik Harms) aangestelde Weindelt Noorenburg heeft de eed gedaan op de instructie.

15.08.1803, De tot noodhulp van de klapperwachten (in de plaaats van de op eigen verzoek

_↓_


|pag. 133|

ontslagen Weindelt Noorenburg) aangestelde Beert Gerrits heeft de eed gedaan op de instructie.

24.02.1808, De tot noodhulp van de klapperwachten (in de plaats van wijlen Hendrik Hekman) aangestelde Peter Reumer heeft de eed gedaan op de instructie.

08.12.1808, De tot noodhulp van de klapperwachten (in de plaats van de op eigen verzoek ontslagen Rosenberg) aangestelde Frans Mulder heeft de eed gedaan op de instructie.

16.07.1810, Jillis van der Wal, die is aangesteld tot noodhulp van de klepperman Frans Mulder, in de plaats van de ontslagen Harm Steenbergen, heeft de eed gedaan.

24.08.1810, Johannes Schafstad, die is aangesteld als noodhulp van Barend van der Weerd (die benoemd is tot klepperman in de plaats van de vertrokken Gerrit Willems) heeft de eed gedaan.

24.02.1811, Jannes Remeier, die is aangesteld tot noodhulp van Jillis van de Wal (die benoemd is tot klepperman in de plaats van wijlen Van der Weerd) heeft de eed gedaan.

12.11.1824, Berend Broekhuijzen, die is aangesteld tot noodhulp in de plaats van wijlen Gerrit Schaatz, heeft de eed gedaan.

16.08.1826, Pieter Douwes Dijkstra als derde en Jacobus Kuipers als vierde plaatsvervanger, hebben de eed op de instructie afgelegd.

14.11.1826, Jan Wagteveld als plaatsvervanger, in de plaats van Jillis van der Wal, heeft de eed afgelegd.

09.05.1831, Willem Koops, als plaatsvervanger in de plaats van de wegens hoge ouderdom ontslagen Piet van Putten, heeft de eed gedaan.

04.09.1832, Hermanus Snel, als plaatsvervanger in de plaats van de overleden nachtwaker Jacob Fijman, heeft de eed gedaan.

17.08.1833, Fribbelt van der Meulen, als plaatsvervanger voor de overleden nachtwaker Jacobus Kuypers, heeft de eed gedaan.

09.06.1836, Hendrik Jan van Putten, heeft de eed gedaan als plaatsvervanger.

28.06.1837, Hendrik Naberman en Johannes Breuker hebben de eed gedaan als plaatsvervangers.

29.10.1838, Gerhardus Matheus ….overen en H. van Lotten hebben de eed gedaan.

23.01.1840, J.H. Nijhuis heeft, in de plaats van de wegens hoge ouderdom ontslagen en gepensioeneerde Willem Pastoor, heeft de eed gedaan als commandeur van de nachtwacht.

_↓_


|pag. 134|

Fol.365.
Instructie voor de vader en moeder van het nieuwe stadsziekenhuis.
Art. 1. De vader en moeder van het stadsziekenhuis moeten echtelieden zijn van tussen de 25 en 50 jaar oud, die geen kleine kinderen meer tot hun last hebben.
Art. 2. Hun tractement zal bedragen 150 gulden per jaar. Zij genieten verder kost en drank, inwoning, vuur en licht. Van de zieken krijgen zij niets.
Art. 3. Zij moeten zich zedelijk gedragen, de zieken vriendelijk en meedogend behandelen, zonder echter al te toegevend te zijn. Zij moeten zich nuchter en bekwaam houden en geheimhouding beloven.
Zij moeten voldoen aan de orders van de directeuren en doktoren en bereidwillig de zieken alle mogelijke hulp en gemak bezorgen en de door de doktoren voorgeschreven behandelingen uitvoeren. Zij moeten bij de zieken letten op slaap, stoelgang, wateren, zweten, fluimen, enz., en daar de doktoren over inlichten. Zij moeten kunnen lezen en schrijven, want het geheugen zou hen wel eens in de steek kunnen laten bij het vermelden der symptomen. Zij moeten goed kunnen koken en de door de geneesheren voorgeschreven spijzen en dranken kunnen bereiden.
Art. 4. Bij hun aanstelling zullen zij zich houden aan de volgende gespecificeerde plichten.
Punt 1. Zij mogen alleen zieken opnemen die een door een stadsdokter geschreven opnamebriefje kunnen tonen.
Punt 2. De vader moet zieken die te zwak zijn om zelf naar het ziekenhuis te komen, afhalen of helpen dragen in een daar toe te houden draagmand.
Punt 3. Binnenkomende zieken moeten zij in een speciaal vertrek geheel ontkleden en reinigen en hen in ziekenhuiskleding steken. Daarna moeten zij hen in door de dokter aangewezen vertrekken leggen.
Punt 4. De uitgetrokken kleding der zieken moeten zij direct reinigen, inpakken en bewaren met een bijgevoegd naambriefje tot de zieke het ziekenhuis verlaat.
Punt 5. Zij moeten de lijders en de ziekenkamers altijd rein houden. Alleen door de doktoren aangewezen middelen mogen zij gebruiken om lijders te zuiveren van ongedierte.
Punt 6. Het beddegoed en de kleding der zieken moet regelmatig worden verschoond. De doktoren moeten hierin worden geraadpleegd.
Punt 7. Natte of vuile kleren of linnengoed mogen niet in de ziekenkamers worden gedroogd of bewaard.
Punt 8. Alle zieken moeten zich ’s morgens behoorlijk wassen en kammen. Als zieken dat zelf niet kunnen, moeten zij worden geholpen. Als de directeuren het goedvinden, mogen zij een knecht aanstellen, wiens werk hoofdzakelijk zal bestaan uit het helpen der zieken. Vrouwen moeten door de moeder worden geholpen. Een eventueel aan te stellen meid kan het ruwe werk doen.
Punt 9. Zij moeten er op toezien dat zieken die daartoe in staat zijn, zich wassen buiten de ziekenkamers.
Punt 10. Pispotten en stoeltjes moeten zij ledigen na de inhoud te hebben bekeken. Als doktoren dat begeren, moeten zij urine of ontlasting buiten de ziekenkamer bewaren voor inspectie.
Punt 11. Zieken moeten voorzien worden van dagelijks te reinigen en met zand te vullen spuwbakken. Zij mogen niet in de bedden of op de grond spuwen.
Punt 12. De secreten moeten schoon gehouden worden en de ziekenkamers, keuken, kamers van de herstellenden, dokterskamer en kamer van het collegie moeten ook steeds schoon zijn.
Punt 13. Zij moeten zorgen dat de zieken de zedelijkheid, eerbaarheid en betamelijkheid in acht nemen.

_↓_


|pag. 135|

Punt 14. Twist en ongeregeldheden tussen zieken moeten zij voorkomen of anders direct de doktoren of directeuren inlichten.
Punt 15. Vuur voor verwarming mogen zij niet door de zieken laten verzorgen.
Punt 16. Bij het eten van zieken die nog kunnen lopen, moeten zij aanwezig zijn. Zij moeten letten op de verdeling van de porties en opletten of zij die voorgeschreven voedsel moeten hebben, dat ook nuttigen.
Punt 17. Zij moeten ook tegenwoordig zijn als de bedlegerigen hun eten krijgen. Daartoe moeten zij hun etenstijden aanpassen. Zij moeten er voor zorgen dat zieken geen eten onder het bed verstoppen of aan andere zieken geven.
Punt 18. Zij moeten er op letten dat er geen eten wordt meegebracht door familieleden of vrienden van de zieken.
Punt 19. Met uitzondering van doktoren en directeuren mogen de zieken geen bezoekers ontvangen dan zij die een door de doktoren ondertekend permissiebriefje hebben.
Punt 20. De vader moet mannelijke en de moeder vrouwelijke zieken een klisteer kunnen geven.
Punt 21. De moeder moet zwangere patiënten helpen en de doktor die tevens vroedmeester is, assisteren.
Punt 22. Zij moeten de lector in de chirurgie assisteren bij het leggen van verbanden of bij operaties. Vuile verbanden moeten zij reinigen.
Punt 23. De vader moet dagelijks bijhouden wat de zieken eten en drinken.
Punt 24. Bij ernstige zieken moeten zij ’s nachts waken of na overleg met de directeuren, laten waken.
Punt 25. Zo lang de directeuren het niet noodzakelijk achten om na een voorstel van de beide stadsdokters een vaste knecht of oppasser aan te stellen, moet de vader assisteren bij:
A Lessen van de lector botanicus en het kweken en verwerken van de kruiden in de stadskruidentuin.
B Werkzaamheden en lesgeven van de lector in de anatomie en heel- en vroedkunde.
C Bij alle lectoren als amanuensis.
Punt 26. Zieken mogen zich slechts na toestemming van een dokter buiten het ziekenhuis begeven. Hierop moeten de vader en moeder letten.
Punt 27. De moeder moet zorgen voor de was en die doen of laten doen in het washuis. De was moet worden gedroogd op de zolder. Zij moet de inventaris van linnengoed en dergelijk op een lijst bijhouden.
Punt 28. De moeder moet zorgen dat de bedden dagelijks worden geschud en gelucht.
Punt 29. Het huis moet ter voorkoming van in- en uitlopen altijd gesloten worden gehouden, maar er moet voor worden gezorgd dat de kamers voldoende frisse lucht hebben, zonder echter koude of tocht toe te laten.
Punt 30. Zij moeten zich houden aan de juiste tijden van ontbijt, middageten en avondeten. Het menu wordt vastgesteld door de doktoren.
Punt 31. Zij moeten hulpbehoevende zieken helpen met opstaan, liggen, behoefte doen, en verder met alles dat beantwoord aan het doel van deze menslievende instelling.

Art. 5. Aan de vader en moeder zal voorlopig een meid worden toegevoegd om het ruwe werk te doen. Later zal worden bezien of er een vaste knecht of oppasser moet worden aangesteld.

13.07.1799, Gerrit Peffer en Femmigie Boter en Brood, als aangestelde vader en moeder, hebben de eed op bovenstaande instructie afgelegd.

_↓_


|pag. 136|

Fol.372.
11.02.1805, Ordonnantie op het wagenveer tussen Kampen en Elburg en de gaande bode op Harderwijk.

De magistraten van Kampen en Elburg hebben, gezien het diepe verval waarin het veer met de gewone tourkarren is gekomen, het volgende bepaald.
Art. 1. Het gehele jaar door zal elke maandag een overdekte vrachtwagen en elke donderdag een overdekte wagen of kar afrijden uit Elburg vanaf de herberg Het wapen van Elburg. De vertrektijden zijn in de maanden maart tot en met oktober ’s morgens om zes uur, en in de overige vier maanden om zeven uur. De wagens vertrekken op dezelfde dagen weer uit Kampen vanaf de herberg Het Roode Hart en wel ’s zomers om drie uur en in de vier overige maanden om twee uur.
Art. 2. Als er passagiers willen uitstappen aan de Camper Nijstad op het Noordeinde van Oosterwolde dan moeten zij de volle vrachtprijs betalen. Als er echter bij vertrek nog lege plaatsen op de wagens zijn, mogen zij mee voor de halve prijs.
Art. 3. Elke passagier mag kosteloos 20 pond aan begage meenmenen. Verder gelden de volgende tarieven.
Art. 4. Voor een passagier 12 stuivers. Voor kinderen van drie tot tien jaar de halve prijs; jongere kinderen, mits op de schoot gehouden, mogen gratis mee. Voor koffers, sluitmanden of mantelzakken van 20 tot 50 ponden gewicht moet men 6 stuivers geven. Idem minder dan 20 ponden 4 stuivers en van een klein pakje 3 stuivers. Voor 50 tot 100 ponden 8 stuivers en voor elke 50 ponden daarboven 4 stuivers. Gewichten worden altijd naar boven afgerond.
Voor een mandje of vaatje geeft men 4 stuivers, voor groter mandje 6 stuivers, voor een haas 3 stuivers en voor een of twee koppels gevogelte 3 stuivers. Voor het transport van geld geeft men tot 500 gulden 2 stuivers per 100 gulden. Voor een brief 2 stuivers.
Art. 5. Elke dinsdag om zeven uur vertrekt er uit Kampen een bode naar Elburg, die op dezelfde dag om één uur van Elburg door zal gaan naar Harderwijk. De volgende dag gaat deze bode op dezelfde tijden weer richting Kampen.
In de marge: 30.09.1805, Wijziging van de vertrektijden van deze bode. Uit Harderwijk in de zomer om 11 uur en in de winter om 9 uur, vervolgens uit Elburg om 4 uur, zowel ’s zomers als ’s winters.
Art. 6. Met deze bode kan men tegen de bovengenoemde vrachtprijzen brieven en goederen meegeven. Andere wagens en tourkarren zijn van de bodediensten uitgesloten.
Art. 7. De boden en voerlieden worden door beide stedelijke regeringen gelast om zich nuchter te houden en de passagiers met alle civiliteit te behandelen en goede zorg te dragen voor de te vervoeren vracht en brieven.
Art. 8. Beide stedelijke regeringen zullen alles doen om deze bode- en veerdiensten in stand te houden en te laten floreren.

11.02.1805, Teunis Bres is aangesteld tot bode of loper en heeft op bovenstaande ordonnantie handtasting in plaats van de eed gedaan.

14.02.1805, Gerrit Meier is aangesteld tot voerman en heeft handtasting in plaats van de eed gedaan op bovenstaande ordonnantie.

Fol.375, Instructie voor de werkzaamheden en administratie van het nieuwe werkhuis.
Art. 1. In dit werkhuis zal voorlopig, tot er ook ander werk gevonden zal worden, wol tot sajet

_↓_


|pag. 137|

worden gesponnen en van dit sajet kousen gebreid, zowel in als buiten het werkhuis.
Art. 2. De administratie wordt gevoerd door vier leden uit de burgerij, waarvan een de boekhouder, een de thesaurier en twee magazijnmeesters zullen zijn. Zij worden door de magistraat benoemd. De boekhouder krijgt een jaarpensie van 75, de anderen van 50 gulden.
Art. 3. Jaarlijks treedt een van de vier af, de eerste keer bij loting of onderling overleg.
Aftredenden zijn direct herkiesbaar.
Art. 4. De eerste aftreding zal plaatsvinden in 1807, op de dag wanneer de andere stadsambtenaren ook aftreden.
Art. 5. Twee magistraatsleden zullen worden benoemd tot provisoren.
Art. 6. Aan de vier commissieleden blijft echter het algemeen toezicht over werkhuis en werkbaas voorbehouden.
Art. 7. De eerste werkbaas wordt op een vastgestelde instructie door de magistraat aangesteld; daarna zullen de commissieleden na overleg met de provisoren de werkbaas aanstellen.
Art. 8. Eens per week, op een vastgestelde dag en uur, vergadert de commissie in een speciaal vertrek in het werkhuis. Daar worden gecollecteerde gelden gesorteerd, geteld en geboekt. Er wordt beraadslaagd over inkoop van wol en wat verder nuttig voor het werkhuis zal zijn.
Art. 9. De thesaurier houdt de kas, maar de commissie moet als geheel mede de boekhouding in orde houden. De thesaurier moet het geld mee naar huis nemen en is daar alleen voor aansprakelijk. Bij elke vergadering moet hij zoveel geld meebrengen dat de werkbaas kan worden betaald en het spinloon uitgekeerd.
Art. 10. Overige betalingen mag de thesaurier alleen doen op machtiging van de andere drie leden.
Art. 11. De boekhouder noteert de ingekochte en te bewerken hoeveelheden wol en van de teruggekomen produkten.
Art. 12. Als de wol op de waag gewogen is, wordt hem het waagbrieije en een briefje van de magazijnmeesters gegeven, waarop gespecificeerd is de hoeveelheid en kwaliteit van de naar de zolders gebrachte wol.
Art. 13. Als de werkbaas wol nodig heeft, zullen de magazijnmesters hem dit toewegen. Hij moet een ontvangbriefje tekenen.
Art. 14. De wol moet zo snel mogelijk worden verwerkt waarna de producten aan de magazijnmeesters worden teruggeven. Verliezen aan gewicht moeten worden verantwoord.
Art. 15. De boekhouder moet een balansboek houden, met aan de ene zijde de kosten van wol, spinloon en breiloon en aan de andere zijde de opbrengst van verkochte producten. Op den duur kan men zo zien of er voordeel wordt behaald of verlies wordt geleden.
Art. 16. Van de zolders hebben beide magazijnmeesters elk een verschillende sleutel. Zij moeten toezicht houden op de daar opgeslagen ruwe en gekamde wol en de vervaardigde produkten. Als de wol op de waag is gewogen, moeten zij het waagbriefje in ontvangst nemen.
De boekhouder moet op de hoogte worden gesteld van wat er gebracht of gehaald wordt.
Art. 17. De magazijnmeesters moeten er op toezien dat de afgehaalde wol wordt gewassen en gekamd of verbreid en het overgebleven afval weer naar de magazijnen wordt teruggevoerd.
Art. 18. De commissie doet ieder jaar rekening en verantwoording.
Art. 19. Bij het doen van de rekening krijgt elk commissielid 5 gulden, de provisoren en de secretaris 1 gulden en 16 stuivers en de roedendrager 14 stuivers.
Art. 20. Deze instructie kan ten allen tijde worden veranderd.

22.07.1805, Bij resolutie van heden is W.J. ter Wolt aangesteld tot boekhouder, J.J. Stahl van Holstein tot thesaurier en G.J. Berghuis en A. Woning tot administrateurs.

_↓_


|pag. 138|

16.10.1806, Gerrit Jan Lankhorst is in plaats van wijlen G.J. Berghuis aangesteld tot administrateur van het werkhuis.

Fol.380.
Instructie voor de werkbaas in de spin- en breischool te Kampen.
Art. 1. De werkbaas moet de orders van de leden der commissie opvolgen.
Art. 2. De inkoop van de wol zal op verzoek van de werkbaas gedurende het eerste jaar geschieden in overleg met de fabrikant Stolte te Zwolle. Daarna door de baas, in overleg met de commissie.
Art. 3. Ingekochte wol wordt door de baas op de stadwaag ontvangen. Hij moet het waagbriefje aan de magazijnmeesters geven. Zij laten de wol naar de zolder brengen en noteren hoeveelheid en kwaliteit.
Art. 4. Eens per acht of veertien dagen moet de werkbaas de benodigde ruwe of gekamde wol of sajet van de zolder laten halen tegen afgifte van een ontvangstbriefje. De ruwe wol moet hij laten sorteren, wassen en kammen en daarna weer op het magazijn laten brengen waarbij de magazijnmeesters hem een ontvangstbriefje geven. Alle briefes moeten naar de boekhouder.
Art. 5. Gekamde wol moet hij in de spinnerij of bij de huizen afleveren in bollen van 34 lood. Aan de breisters moet hij zoveel sajet brengen als naar zijn mening voldoende is voor het breien van een paar kousen.
Elke gehaalde partij krijgt een nummer. Onder dit nummer levert hij ook de bewerkte produkten weer op het magazijn af. Alles tegen ontvangst en afleveringsbriefjes waarop ook gewichtsverliezen worden vermeld.
Art. 6. Hij moet er op letten dat hem goed gewassen wol en kousen worden teruggebracht.
Voor bedorven werk mag hij een stuiver per lood wol en 1¼ stuiver per lood sajet korten van de werkers. Van bedorven werk moet hij de commissie kennis geven.
Art. 7. Loon betaalt men als volgt.
Kamloon voor een pond wol 2¼ stuiver.
Spinloon voor een pond wol 7 stuivers.
Dubbelloon ½ stuiver.
Voor het gewone breiwerk, voor mannenkousen 8 stuivers, voor kleine mannenkousen 7 stuivers, voor 3/4 els kousen 5½ stuiver, voor vrouwenkousen 5½ stuiver, voor tientals 4 stuiver, voor halven en half els kousen 3 en 3/4 stuiver, voor 2de soort 2 stuiver en voor 1ste soort 1½ stuiver.
Art. 8. Hij moet een kladboek aanleggen van voorgeschoten loon, inkoop van olie en zeep, etc. en een voor de aantekening van uitgegeven wol en sajet aan de spinsters en breisters.
Art. 9. Zo gauw een partij met een bepaald nummer is afgewerkt, moet de werkbaas de vervaardigde produkten aan de magazijnmeesters afleveren. Hij moet dan ook met zijn boeken naar de boekhouder gaan om die te laten overschrijven.
Art. 10. De werklieden moeten zoveel mogelijk iedere week de gerede produkten weer terugbrengen aan de werkbaas, die hen het loon dan direct uitbetalen moet. Hij krijgt elke week restitutie van de thesaurier.

Het lokaal

.Art. 11. Het materiaal voor verwarming van het werkhuis zal door de stad worden betaald. De werkbaas heeft de sleutel van de turfzolder in beheer en is voor de brandstof verantwoordelijk.
Hij moet zorgen dat de turfbakken gevuld zijn en dat het grote vertrek en de potten der

_↓_


|pag. 139|

wolkammers verwarmd worden.
Art. 12. Hij moet zorgen dat de vertrekken schoon zijn en dat zijn vrouw eens per week schrobt. Deze krijgt daarvoor acht stuivers per week, zonder kosten voor bezems e.d. in rekening te mogen brengen.
Art. 13. De spinschool begint in september, oktober, februari, maart en april om acht uur, in mei, juni, juli en augustus om zeven uur en in november, december en januari om negen uur. Er wordt dan zonder schaft doorgewerkt tot twaalf uur, waarna om twee uur weer wordt begonnen tot s avonds acht uur. De baas heeft de vrijheid om een half uur schaft in te lassen.
Art. 14. Door het luiden van een bel geeft hij aan dat het werk aanvangt. Hij moet spinsters en breisters in reien plaatsen, gevende hen over wiens werk hij het meest tevreden is, de beste plaatsen. Hij moet de naijver hierbij bevorderen. De beste werkers mag hij laten assisteren in het leren spinnen en breien, etc. De besten krijgen premies.
Art. 15. Hij mag het werkhuis zonder noodzaak niet verlaten, maar moet rondgaan om de werkzaamheden te controleren en de werkers met geduld onderwijzen. Zonder zijn toestemming mag niemand zijn plaats verlaten. De werkers mogen niet vloeken en moeten vlijtig door blijven werken. Als hij over werkers ontevreden is, moet hij de commissie inlichten.
Art. 16. De werkers mogen pas opstaan en vertrekken als de klok het juiste uur slaat.
Art. 17. Na het vertrek van het werkvolk moet hij de vertrekken luchten en afsluiten.
Art. 18. Hij moet goed toezicht houden op de bij het werkhuis behorende werktuigen.
Art. 19. Hij zal vrije woning, vuur en licht genieten en daarenboven 5 guldens per week. Dit contract geldt maar voor een jaar, namelijk van 01.09.1805 tot 01.09.1806.

14.01.1805, Bij resolutie van heden is Thijs Wagteveld aangesteld als werkbaas op bovenstaande instructie, voor de tijd van een jaar.

Fol.384.
23.05.1808, Instructie voor de Franse-kostschoolhouder en voorlezer der Waalse kerk.

Hij moet lesgeven van negen uur tot half twaalf en van twee tot vier. Alleen op woendagmiddag en zaterdagmiddag mag hij vrij geven.
Hij moet zijn leerlingen onderwijzen in de Franse en Nederduitse taal, in de schrijf- en rekenkunst en in de aardrijkskunde.
Van elke leerling mag hij per kwartaal 5 gulden lesgeld vorderen en per jaar 4 gulden voor het vuur.
Van hen die bij hem in kost en inwoning zijn mag hij 250 gulden per jaar vorderen. Van hen die de halve kost genieten 125 gulden. Voor wassen, naaien en stoppen 15 gulden. Het schoolgeld is dan inbegrepen.
Bij zijn intrede moet elke scholier een zilveren lepel en vork, zes servetten en zes handdoeken meebrengen. Zij die geheel in de kost zijn, bovendien ook nog twee paar bedlakens, twee paar slopen en een tinnen kamerpot. Of voor dit alles 30 gulden betalen. De meid moeten zij voor kermis en nieuwjaar drie gulden betalen, dus totaal zes gulden.
Scholieren in de muziek, tekenkunst, schermkunst, dansen, Engelse taal, Hoogduitse taal, gronden van de godsdienst en wat verder niet tot het gewone onderwijs behoort, moeten daarvoor afzonderlijk betalen.
Bij openbare diensten in de Waalse kerk moet hij de functie van voorlezer en voorzanger waarnemen.
Hij is verplicht om alle akten en publicaties die hem ter hand worden gesteld, in de Waalse kerk

_↓_


|pag. 140|

of elders, van het Nederduits in het Frans over te zetten en voor te lezen.
Hij mag in de zomer vijf weken grote vakantie en in de winter een week wintervakantie houden, gelijk te eindigen met de vakanties van de latijnse school.

Fol.386.
Instructie voor de architect, aardwerkersbaaas en stadsarbeiders ingeval van opkomend water.

Art. 1. De stadsaardwerkersbaas moet zorgen dat hij altijd, maar vooral tegen de herfst, een voldoende hoeveelheid lange paardemest in voorraad heeft in de stadsmanege. Als hij niet genoeg heeft, mag hij de stadskarlieden gelasten om dubbel stro te strooien bij de stadspaarden en hij mag de stadsvoerlieden en slepers daarom verzoeken. In geval van nood mag hij overal in de stad om stro vragen. Deze mest moet hij niet op een mestvaalt gooien, maar in de manege in losse hopen opslaan, opdat het stro niet vergaat. Overtollige of niet benodigde stromest mag hij niet weggeven, maar hij moet het in het voorjaar aan de stadsvolmolen in gebruik geven.
Art. 2. Als het wassende water op de peilschaal aan het val van de Vischbrug op 7 en 3/4 voet staat, dat is ongeveer de hoogte van de onderkant van de goot aan het trapje van de Melkpoort, moet de stadsarchitect direct de noodbalken in de poorten laten leggen en op het verder stijgen van het water letten. Hij moet beginnen met de lage poorten, die met zes balken worden afgedamd, te weten in de Bovenhoek van de Koornmarktspoort tot en met de Melkpoort. In de Buitenhoek van de Botervatspoort tot en met het Kleine- of Keizerinnepoortje. Vervolgens de drie poorten die met vijf balken worden afgedamd, te weten de Karperpoort, Houtzagerspoort en Vischpoort. De Vischpoort moet zo lang mogelijk openblijven. Met de poorten aan de landzijde kan gewacht worden tot die aan de rivierzijde geheel zijn afgedamd. De zeven noodbalken onder de landpoorten zijn bij de hand.
Art. 3. Zodra het water op 7 en 3/4 voet staat, moet de stadsaardwerkersbaas direct door de stadskarlieden en voerlieden de mest naar de poorten en riolen laten brengen en eerst zorgen dat de riolen gevuld worden en zo mogelijk met zware stenen belegd. Daarna moet hij de lage en daarna de andere poorten met mest toestoppen. Ook de muur bij de looierij van J.N. Bijsterbos moet gestopt worden. Het sluisje op het Cellebroedersbolwerk moet te voren al voorzien zijn.
Art. 4. Als de watervloed doorgaat en het water niet zakt, moeten nadat de timmerlieden, metselaars en stratemakers de balken hebben aangebracht, die werklieden zich in vier ploegen verdelen en gaan afdammen als volgt.
Ploeg 1: Zes balken leggen in de Koornmarktspoort (lantaarn bij Karel Kok), zes balken in de Meerminnenpoort (lantaarn in het washuis van de R.K. kerk) en zes balken in de Blaauwehandspoort (lantaarn bij de weduwe Van Schootten).
Ploeg 2: Zes balken leggen in de Lampetpoort (lantaarn in de brouwerij), zes balken leggen in de Koldenovenpoort (lantaarn bij smid de Bruin) en zes balken leggen in de Melkpoort (lantaarn bij H. Brandhof).
Tevens het riool aan het huis van Boerrigter.
Ploeg 4: Zes balken leggen in de Botervatspoort (lantaarn bij R.K. weeshuis), zes balken leggen in de Louwenpoort (lantaarn bij E. van Wijhe) en zes balken leggen in het Kleine poortje (lantaarn bij J. Ruil in de Gapert).
Tevens het riool in het Agterom aan het Kleine poortje en aan de Louwenpoort.
Ploeg 3: Vijf balken leggen in de Vischpoort (lantaarn bij de commandeur), vijf balken leggen in de Houtzagerspoort (lantaarn bij de weduwe Van Putten) en vijf balken leggen in de

_↓_


|pag. 141|

Karperpoort (lantaarn bij bakker Hogenkamp).
Tevens het riool aan de hoofdwacht.

Als dat gedaan is en de mest is met klompen behoorlijk aangestampt, moeten de ploegen het volgende doen.
Ploeg 1, Jan Vieman de Cellebroederspoort en het riool aan de Venepoort.
Ploeg 2, Jan van den Berg naar de Broederpoort.
Ploeg 4, Naar de muur aan de looierij om alles aldaar af te dammen.

De werklieden van deze ploegen krijgen een penning met daarop een nummer, dat zij aan een knoop op hun kleding moeten hangen. Dit is evenals bij de brandspuiten verordend ter voorkoming van moeilijkheden.
Op het niet dragen van de penning ten tijde van wateroverlast, staat een boete van 12 stuivers.
Aan het hoofd van elke ploeg komt iemand te staan die de orders van de architect en aardwerkersbaas aan de anderen doorgeeft. Als een van die hoofden ziek is, komt de volgende op de lijst aan het hoofd te staan. Ongehoorzaamheid of dronkenschap ten tijde van watersnood komt de overtreder op een schorsing van zes weken of op ontslag te staan.
De timmerlieden moeten naast hun gewone gereedschap voorzien zijn van een bijl, hamer, grote boor, kleine boor, spijkers van verschillende groote en enige gereedgemaakte wiggen en pennen.
De metselaars moeten een koevoet bij zich hebben.
De aardwerkers een greep en een schop.
De overige timmerlieden, metselaars en aardwerkers moeten verzamelen onder in het raadhuis om in reserve te worden gehouden. Als de stad genoeg beveiligd is, moeten ook de anderen naar het raadhuis terugkeren en op bevelen wachten. Bij dergelijke gelegenheden zullen zij dubbele daghuren genieten, behalve als zij niet actief genoeg zijn geweest.
Art. 5. De stadsarchitect en aardwerkersbaas moeten bij alle ploegen controle houden en toezien dat de stad goed beveiligd wordt.
Art. 6. Stadsarbeiders die ook klepperlieden zijn, moeten gedurende de tijd dat er gevaar van het water dreigt, hun vervangers als klepperlieden laten optreden. Zij moeten hun commandeur tijdig daarvan in kennis stellen.
Art. 7. Als de stad goed beveiligd is, moet de aardwerkersbaas zich met vier van zijn daghuurders en twee timmerlieden naar het Harkenhoofd begeven om te zien of daar gevaar dreigt. Hij moet dat gevaar door opkistingen of op andere wijze zien te verminderen. Hij mag daarvoor materialen gebruiken die voorhanden zijn aan de zaagmolen van de heer Bijsterbos, welke verwittigd moet worden.

Deze instructie wordt opgeplakt in de stadstimmertoren, het huis van de aardwerkersbaas en in het portaal van de rentekamer.
Aldus gearresteerd op 12.01.1809.

[Op twee losse blaadjes staat het volgende]
Ongedateerd. Lijst van de in vier ploegen verdeelde stadsarbeiders.
1ste ploeg.
De timmerlieden Hermanus Vosman en J. Bisterbos, metselaar J.C. Berk, stratemaker G. Schaars, daghuurders of aardwerkers Aart Gerrits, Berent Lebbelink en Berent Schultink.
2de ploeg.

_↓_


|pag. 142|

De timmerlieden Jan ten Holten en H. Degenhart, metselaar H. V. Oosten, stratemaker D.
Bakker en aardwerkers Peter Reumer, Gerrit Groen en Herm Ridderinkhoff.
3de ploeg.
Timmerman B. Belder, metselaar A. Leussing, fungerend timmerman Jan van Dijk, aardwerkers Jan Melink, Jan Evers, G. van Wilsum en Jurrien Bakker.
4de ploeg.
Stratemaker Arend Houw, timmerman Jannes Galleus, metselaar P. Cellis, stratemaker R. Houw, aardwerkers Bart v.d. Weerd, Johannes Sel en Evert Spraakman.
De overigen worden onder in het stadhuis in reserve gehouden en gebruikt voor het doen van boodschappen, te weten:
de timmerlieden H. Plotz en J. de Bruyn, de metselaar Roelof Westerhoff, de opperlieden G. Dalenoort, J.G. Kuyper, C. van Putten, J. Kerver en T. Beks.

Fol.392.
23.07.1742, Provisionele ordonnatie voor de meier van het nieuwe erf op het Ganzediep met betrekking tot het oppaarden [slepen] der schepen, die van zee naar de stad moeten en voor het vervoer van passagiers die met een wagen naar de stad moeten worden gebracht.
De meier moet alle schepen, maar vooral de Kamper en Deventer veerschepen, zo snel als dat mogelijk is voort helpen en niet meer paarden gebruiken dan er nodig zijn. Hij mag de volgende tarieven rekenen.
Van alle schepen die met drie of vier paarden moeten worden getrokken van het Diep tot aan de hoek van de Grote Modderkuil 1 g. en 4 st.
Tot de Kleine Modderkuil 1 g. en 10 s.
Tot Grafhorst 1 g. en 16 st.
Tot in de Nes 2 g. en 6 st.
Tot op de hoek van Seveningen 2 g. en 16 st.
Van alle schepen die met twee paarden getrokken worden zijn deze tarieven respectievelijk 15 st.; 1 g.; 1 g. en 4 st.; 1 g. en 10 st.; 1 g. en 16 st.
Van alle kleine vaartuigen en visschuiten die met één paard kunnen worden getrokken en waarvoor de meier zijn eigen lijn gebruikt, zijn de tarieven respectievelijk 12 st.; 15 st.; 18 st.; 1 g.; 1 g. en 6 st.
De Kamper veerschippers moeten betalen volgens de ordonnantie die daar van al is, namelijk:
Van het Gansediep tot op de hoek van de Grote Modderkuil in de Grote IJssel 18 st.
Tot de Kleine Modderkuil 1 g. en 2 st.
Tot in de Nes 1 g. en 10 st.
Tot op de hoek van Seveningen 2 g.

Ordonnantie van wagenvrachten.
De meier van het Nieuwe erve op het Gansediep zal het volgende vrachtgeld genieten als hij passagiers met de wagen naar de brug bij Kampen brengt. Het veergeld van het veer bij Grafhorst komt ten laste van de passagiers.
Van 1 persoon 1 g. en 4 st.
Van 2 personen 1 g. en 8 st.
Van 3 personen 1 g. en 10 st.
van 4 personen 1 g. en 12 st.
Van 5 en 6 personen, van elk 6 stuivers.
Van een koffer of kist 6 stuivers.

_↓_


|pag. 143|

Van goederen die een passagier op de schoot houdt, beurt hij geen vrachtgeld.

Deze ordonnantie heeft de Raad provisioneel vastgesteld op 23.07.1742.

Fol.393.
Extract uit het boek van resolutiën.
08.01.1787, Op het request van Bonke Gosses, ordinaris beurtschipper van Kampen op Lemmer, vice versa, welke verzoekt om na het beurtschip van Kampen op Amsterdam voorrang te genieten (met voorbijgaan van alle ander schepen, schuiten of pramen) bij het oppaarden door de paardeboer en daarop gehoord het rapport van de gecommitteerden tot het Diep, is zijn verzoek ingewilligd.
19.02.1788, Uitbreiding op de provisionele ordonnantie voor de paardeboer.
Tot spoediger voorthelping der opkomende schepen wordt de paardeboer aan het Ganzediep gelast om bij hem in de buurt (een dag of in ieder geval een lange tijd) op wind wachtende schippers die hem op het zien van aankomende schepen alsnog vragen hen op te paarden, te laten wachten en eerst de nieuw aangekomen schippers die zijn hulp begeren, op te paarden.

Over het oppaarden der Zutphense beurtschippers kan men lezen in het boek van uitgaande brieven onder de data 17.02.1788, 26.04.1802 en 10.11.1808.

Fol.395.
08.12.1809, Instructie voor de stadsmuziekmeester J. Strauss.
Op voordracht van de directeuren van het stadsmuziekcollege is door ons op 04.12.1809 mr. J. Strauss aangesteld tot stadsmuziekmeester. Omdat een goede harmonie tussen de leden de enige en ware grondslag is waarop de inrichtingen van kunsten en wetenschappen moeten rusten, moet mr. J. Strauss alles aanwenden wat in zijn vermogen ligt om de harmonie tussen de leden van het orkest te bewaren of te verbeteren. Het is onze wil om het muziekcollege in stand te houden.
Mr. J. Strauss moet als algemeen dirigent van het orkest zoveel mogelijk in overleg treden met de door ons aangestelde stadsklokkenist en muziekmeester J.H. van der Dussen en tussen hen de beste verstandhouding bewaren.
Bij buitengewone concerten moet mr. Strauss de leden behoorlijk verzoeken en hij moet de opzichter van de muziekkast J.H. Becker inlichten over de te spelen stukken, zodat deze de juiste muziekbladen kan opzoeken.
Hij moet op alle gewone en buitengewone concerten minsten een keer solo spelen. Jonge musici moet hij in de gelegenheid stellen om hun vorderingen in het spel aan de leden te laten horen.
Hij moet tegen een redelijke vergoeding muziekonderwijs geven aan hen die dat begeren.
Als wij uit eigen wil of op voordracht van de directeuren van het muziekcollege bij publieke festiviteiten een concert willen, moet hij het orkest dirigeren.
Mocht er naar zijn mening iets ontbreken aan de instrumenten of aan andere zaken die het orkest betreffen, dan moet hij daarvan kennis geven aan de directeuren, aan wie hij verder ook wat de goede orde aangaat, onderworpen is.
Aldus gearresteerd bij burgemeester en wethouders op de 8ste van wintermaand 1809.

Fol.396v.
08.01.1810, Instructie voor de nieuw aangestelde klokkenist en stadsmusicus J.H. van der

_↓_


|pag. 144|

Dussen.
De ter voldoening van het decreet van zijne majesteit van 17de van oogstmaand en nadere aanschrijving van 11de van wintermaand 1809 afgetreden stadsorganist [van de Bovenkerk] J.H. van der Dussen opnieuw aangesteld zijnde als klokkenist en stadsmusicus, moet zich aan het volgende houden.
Hij moet iedere maandagmorgen van 11 tot 12 uur en ieder donderdagmiddag van 3 tot 4 uur (of zo veel vroeger of later als het seizoen toelaat) en bij alle publieke festiviteiten, wanneer hem dat wordt aangezegd, op het klokkenspel van deze stad spelen.
Hij moet het klokkenspel minstens vier keer per jaar versteken en van alle gebreken die aan het klokkenspel zijn of komen, kennis geven aan de gecommitteerden van het stadsklokkenspel.
Hij moet vergaderingen van het stadsmuziekcollege bijwonen en hij moet op alle gewone en buitengewone concerten minstens één keer solo spelen. Ook moet hij zijn leerlingen, op hun verzoek toestaan hun vorderingen in het spel aan de heren van het muziekcollege te laten horen. Hij moet in dit alles te werk gaan in overleg met de door ons aangestelde stadsmusicus J. Strauss. Het is onze wens dat er tussen beide muziekmeesters en tussen hen en de leden van het orkest een goede harmonie heerst. Dat is naar onze mening het enige middel waardoor de kunstoefening in stand gehouden blijft en tot een zekere trap van volmaaktheid komt. De opofferingen die de magistraat zich getroost en bij voortduring aan de muziekinrichting doet, verdienen zulks.
Hij moet verder aan ieder die dat begeert, tegen een redelijke vergoeding, les in de muziekkunst geven.
Extract van deze zal gezonden worden aan J.H. van der Dussen en aan de directeuren van het stadsmuziekcollege.
Aldus gearresteerd bij burgemeester en wethouders, den 8ste van louwmaand 1810.

Fol.398v.
[turfvulsters; vervolg van fol.280]

11.06.1811, Hilligje Gerrits Prins, vrouw van Jan Willems de Wilde, heeft in de plaats van wijlen Femmigje Gerrits de eed gedaan als turfvulster in Brunnepe.

29.11.1811, Aaltje Teunis, weduwe van Willem Janssen Leenen, heeft in plaats van Janna Bakker, vrouw van Berend Lebbelink, de eed gedaan als bijvulster.
Janna Bakker heeft de eed gedaan als vulster in de plaats van wijlen Dirkje Smits.

26.03.1812, Roelofje Smit, weduwe van Teunis van Eepe, heeft de eed gedaan als turfvulster in de plaats van wijlen Maria Hilverink.

26.03.1812, Gerrigje Harskamp, weduwe van Dirk Voorweg, heeft de eed gedaan als bijvulster in de plaats van de weduwe van Teunis van Eepe.

02.04.1813, Maria Evenaar, weduwe van Harmen Drumpel, heeft de eed gedaan als bijvulster in de plaats van wijlen Miete Pree.

02.04.1813, Hendrika van Engbrink, vrouw van Peter Sellis, heeft de eed gedaan als turfvulster in de plaats van wijlen Elisabeth Bastiaan.
In de marge: 30.04.1822, Maria Evenaar is ingevallen als gewone turfvulster in de plaats van

_↓_


|pag. 145|

wijlen Hendrica van Engbrink.

14.10.1814, Janna van Dijk, weduwe van Jan Flierink, heeft de eed gedaan als turfvulster in de plaats van vrouw Van Oosten.

14.10.1814, Gerrigje Harskamp, weduwe van Derk Voorweg, heeft de eed gedaan als turfvulster in de plaats van wijlen Roelofje Smit, de weduwe van Teunis van Eepe.

14.10.1814, Maria van Rooijen, weduwe van Hannes van der Wals, heeft de eed gedaan als turfvulster in de plaats van wijlen de weduwe van Harmen van der Meulen.

14.10.1814, Janna Vogelzang, vrouw van Jurrien Bakker, heeft de eed gedaan als bijvulster in de plaats van Maria van Rooijen, weduwe van Hannes van der Wals.

14.10.1814, Hendrikje van ’t Veen, weduwe van Aart Jans, heeft de eed gedaan als bijvulster in de plaats van Gerrigje Harskamp, de weduwe van Derk Voorweg.

14.10.1814, Catharina Evenaar, vrouw van Jan van Heerde, heeft de eed gedaan als als bijvulster in de plaats van Janna van Dijk, weduwe van Jan Flierink.

15.04.1815, Alida Daalhof, vrouw van Klaas van Engbrink, heeft de eed gedaan als turfvulster, om deze functie waar te nemen voor Jacobje Smit, zolang die leeft. Na Jacobjes dood krijgt zij de functie van bijvulster.

09.03.1818, Berendje Hendriks, weduwe van Harm Hendrik van den Hof, heeft de eed gedaan als bijvulster in de plaats van Hendrikje van ’t Veen.
Hendrikje van ’t Veen valt in als turfvulster in de plaats van wijlen Hendrikje van Aalderink, de weduwe van Hubert Londo.

12.04.1820, Aaltje Brands Bosman, vrouw van Jan Kesker, heeft de eed gedaan als bijvulster in de plaats van Janna Vogelzang, weduwe van Jurrien Bakker.
Anna Vogelzang valt in als turfvulster in de plaats van wijlen Janna Flierink.

09.05.1822, Elisabeth Koning, weduwe van Geniet Diepevink, heeft de eed gedaan als bijvulster in de plaats van de tot vulster aangestelde Maria Evenaar.

29.05.1822, Aaltje van der Weerd, weduwe van Jacob Kalter, heeft de eed gedaan als bijvulster.

[Op een los blaadje:] 18.11.1823, De weduwe van Geniet Steging, genaamd Johanna Smit, mag wegens haar zwakheid Berendina Hans, vrouw van Jan Kamphof, in haar plaats zetten als turfvulster. Laatstgenoemde wordt bij een eventuele vakature hierdoor niet voorgetrokken.

_↓_


|pag. 146|
Traktement voor het gehele jaar
Huishuur voor het gehele jaar 70,00,00
Schrijfmaterialen voor het gehele jaar 8,08,00
Taken voor het gehele jaar 64,00,00
Somma 562,08,00
Category(s): Kampen

Comments are closed.