Eerlijkheid van Hendrik v. Gulik, bakker te Bathmen 1793

Eerlijkheid van Hendrik v. Gulik, bakker te Bathmen 1793.

     Den 8en Maart 1794 kwam bij Van Riemsdijk en Van Bronkhorst, uitgevers te Bergen op Zoom en W. van Bergen te Breda, het eerste nommer uit van een merkwaardig weekblaadje, onder den titel: „Nuttig en Vermaaklyk Weekblad voor Burgers en Landlieden.”
     Het verscheen vervolgens elken Zaterdag in kwarto-formaat, telkens vier bladzijden druks, en kostte 6 duiten op gewoon papier en een stuiver op beter papier.
     Er verschenen 45 nommers, waarvan het laatste op 10 Januari 1795.
     Toen die nommers verschenen waren werden ze ook te samen in 1797 als een boekdeeltje uitgegeven met den titel: „Nuttig en Vermaaklyk Weekblad voor Burgers en Landlieden, bevattende eene groote verscheidenheid van leerzaame en merkwaardige geschiedenissen, vertellingen, dichtstukjes en andere zaaken, meerendeels bijeen verzameld uit de beste werken, voor een ieder geschikt en weetenswaardig.”
     In het nu daarvoor geplaatste voorbericht van de uitgevers, zeggen deze o.a.: „Hetzelve is onder anderen zeer geschikt om in de Schoolen in plaats van Couranten gebruikt te worden.”
     Het nr. 35 van dat blaadje voor 1 November 1794 bevat het volgende verhaal, onder den titel: „Vaderlandsche Braafheid”.
     In de maand April des jaars 1793 trokken eenige Hannoversche troepen door een gedeelte van Gelderland naar Brabant. Een hoop Ruitery nam den tocht door Zutphen, en moest dewyl zy daar eenen dag en twee nagten zou uitrusten by de Burgers huisvesting ontvangen. Onder anderen kreeg Hendrik Jan Beuzekamp, krankbezoeker der Stad (van wien een schoone Verhandeling in de Werken van het Haagsche Genootschap geleezen wordt) eenen jongen Heer, Hanker geheeten, met zynen knegt, onder dak.
     Deeze, pas in huis gekomen en gezeeten, beklaagde het verlies zyner goudbeurs. De ander, dat hoorende by de eerste intrede, wist niet wat daarvan te denken; maar uitgaande en verscheiden Hanoverschen by andere zyner vrienden ontmoetende, vernam hy, dat de Heer Hanker inderdaad dat verlies geleeden hadt. Te huis gekeerd zynde, en met zynen gast praatende, kwam telkens het beklag zyner beurs boven: dit duurde den geheelen avond, en ook den volgenden morgen, niet geheel zonder reeden, daar hy te velde toog, waar geld eene noodige zaak is, en hy van zyne ryke Moeder, eene Weduwe in Hamburg, niet zo schielyk eene nieuwe kon ontvangen. Dan, wat gebeurt er? ’s Voormiddags van den volgenden dag, tradt een Hanoversch Corporaal met eenen Landman in huis. Deeze vraagde den Heer Hanker, of hy eene goudbeurs verlooren hadt, hoe dezelve van gedaante ware en welk geld daar in? Eene korte beschryving daarvan gegeven zynde, haalde de Landman, Hendrik van Gulik geheeten, woonende te Bathmen, een Dorp in Overyssel, drie uuren van Zutphen geleegen, de beurs voor den dag, en schuddede die op de tafel uit. ’t Bleek, dat ’er zo veele gouden ryders en dukaaten in waren, nevens een sleuteltje, als de eigenaar hadt opgegeeven. Maar deeze, verbaasd staande over dit gezigt, wist niet, of hy zich meer moest verwonderen over de braafheid van van Gulik, dan blyde zyn met de gelukkige terugkeering van zyne beurs. Aanstonds gaf hy denzelven eene vereering, deedt hem nederzitten, en begon verder met hem te praaten. Van Gulik verhaalde, dat hy de beurs gevonden en aan zyne vrouw vertoond hebbende, het volgende gesprek met haar gehouden hadt: „Wat zullen wy met deezo beurs doen? Als wy in een vreemd land waren, en ons geld daar ongelukkig verlooren, hoe gaarn zouden wy zien, dat hy, die ze gevonden hadt, ons opzogte, en weder ter hand stelde! En welken zegen, zo wy deeze houden, zal God ons geeven op al dit goud!
Kom, liet hy volgen, ik trek myne kleederen aan, volg het naar Zutphen getrokken Regiment, en zal zo lang zoeken tot dat ik den eigenaar vinde.” Dit deedt hy, en de stad inkomende, sprak hy den Corporaal, dien hy eerst ontmoette, aan, vraagende, wie der Hanoversche Officieren eene goudbeurs verlooren hadt? waarop deeze, van ’t geval bewust, hem tot den Heer Hanker bragt.
     Zie daar eene daad, die Hendrik van Gulik, Bakker te Bathmen, de hoogste eer aandoet en niet vergeeten mag worden.
     Daags daarna toen de Hanoverschen zich op de parade tot het vertrek bereide, ging Beuzekamp nog eens het laatste vaarwel aan den Heer Hanker zeggen, en vraagde tevens, waarom hy op den muur zyner slaapkamer zynen naam geschreeven hadt met potloot, waarop de andere antwoorde, op dat gy aan my zoudt gedenken; en tevens verzogt hy dat Beuzekamp in een brief aan Mevrouw Hanker te Hamburg een getuigenis wilde geeven, hoe haar zoon het aan deszelfs huis gemaakt hadde.
     Dus woonde ook de kinderlyke liefde in het hart des krygsmans. De andere schreef den brief, die ongetwyfeld de Weduwe zal getroost hebben.
 
     Kampen.
Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.
 

  • Uitterdijk, J.N. (1915, 22 Februari). Eerlijkheid van Hendrik v. Gulik, bakker te Bathmen 1793. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, Derde Blad (44), p. 1.
Category(s): Niet gecategoriseerd
Tags: , ,

Comments are closed.