Oorlogsgeld.
Noodmunten werden in vroeger eeuwen in oorlogstijd in ons land herhaaldelijk uitgegeven.
Ik wensch hier echter de aandacht te vestigen op papieren geld, in 1795 door de Staten van dit gewest uitgegeven, ook als oorlogsgeld.
De vertegenwoordigers van het Fransche volk, gezonden bij de legers van ’t Noorden, van Sambre en Maas, hadden den 1en Pluviose van ’t jaar 3 (20 Januari 1795) een oproep gericht aan het Bataafsche volk, daarbij verklarende, dat de legers der Fransche Republiek in de Bataafsche Republiek kwamen om haar vrijheid te beschermen.
Tien dagen later werd een publicatie afgekondigd namens dezelfde representanten, waarvan art. 1 bepaalde: „Alle goederen, zoo roerende als onroerende, scheepen, koopwaaren van allerley aart, effecten, pretensiën en eigendommen van welken aart ze ook mogen zijn, toebehoorende aan Gouvernementen in oorlog zijnde met de Fransche Republicq, of van Fransche geemigreerdens, zoo ook die van priesters van munneken, leden van kerken of van geestelijke corporatiën, geëmigreerd zijnde uit de overwonnen gewesten tusschen den Rhijn en de Zee, gelijk mede alle goederen hoegenaamt in bewaring gegeven door leden van kerken of corporatiën, worden in beslag genomen en geconfisqueert ten profijte van de Fransche Republicq”.
De legers van onze Fransche vrienden waren slecht gevoed en gekleed en het onderhoud daarvan kostte ons schatten gelds.
Men weet hoe slecht verzorgd die Fransche troepen hier binnen kwamen en hoe de kinderen op straat zongen:
Ram plam-plan. daar komen ze an,
En ze hebben geen schoenen of kousen meer an.
Den 27en Februari 1795 besloten de Provisioneele representanten van ’t volk van Overijssel dan ook, teneinde in den nood te voorzien, een negotiatie op losrenten aan te gaan tot een bedrag van vijf honderd duizend gulden, tegen vier ten honderd.
In een notificatie van de Gedeputeerden van de Provisioneels representanten van Overijssel van 14 Maart 1795 wordt bericht dat, aangezien men vernomen heeft dat de burgers huiverig zijn deel te nemen in deze negotiatie, omdat ze meenen dat de Provincie de renten en de aflossingen in recepissen zal voldoen, welke voor de assignaten worden uitgegeven, rente en aflossing in klinkende munt zullen worden betaald.
Ook nu schijnt het met de negotiatie nog niet vlot te zijn gegaan. Bij de publicatie van 27 Februari 1795 was in art. 4 bepaald, dat de helft der te storten bedragen in klinkende munt moest worden voldaan en dat de andere helft in gewerkt of ongewerkt goud of zilver mocht worden betaald, en dat daarbij het pistolen goud zou berekend worden naar veertig stuivers heb engelsch en ’t andere naar advenant; en het zilver van de groote keur tegen negen-en-twin-tig stuivers en van de kleine keur tegen zes-en-twintig stuivers het lood.
Den 8en Mei 1795 werd bij een publicatie van de Provisioneele Volksrepresentanten van Overijssel bepaald, dat, daar men vermoedt dat velen in de Provincie hun goud- en zilvergeld liever willen behouden en dit voor de leening liever niet willen afstaan, maar in de plaats daarvan liever gouden- en zilveren voorwerpen daarvoor willen geven, en de prijs van het goud en zilver niet hoog genoeg is gesteld. zoo stelt men de ingezetenen in de gelegenheid het geheele deel in de leening in gouden en zilveren voorwerpen te betalen, terwijl het zilver van de groote keur nu berekend zal worden tegen dertig stuivers het lood, van de kleine keur tegen zeven-en-twintig stuivers het lood, het ducatengoud tegen zes-en-veertig stuivers het engelsch, het gladde goud of Hollandsche keur tegen twee-en-veertig stuivers het engelsch, het draadwerk Hollandsche keur tegen veertig stuivers het engelsch en het andere naar advenant.
Ondertusschen was reeds bij een publicatie van 28 Februari 1795 een regeling getroffen omtrent de ontvangst en uitgifte van de Fransche assignaten, van den volgenden inhoud:
„De Provisioneels Representanten van het volk van Overijssel in aanmerkinge nemende, dat het van een volstrekte noodzakelijkheid is dat de Troupes van de Armée der Fransche Republiek binnen deze Provincie zig kunnen voorzien van zoodanige noodwendigheden, als zij zullen behoeven; dat dewijl die Troupes de betalinge hunner soldijen, niet in gelde maar alleen in assignaten ontvangen, het wel even noodzakelijk is, dat die zulke noodwendigheden in deze Provincie aankopende, kunnen volstaan met dezelve in assignaten te betalen, dog dat het ook niet min nodig is, dat de nadelige gevolgen, die uit den omloop der assignaten voor de Burgers en Ingezetenen dezer Provincie zouden kunnen voortvloeyen zoveel mogelijk werden voorgekomen, hebben uit dien hoofde goed gevonden bij dezen, edog alleen bij provisie, vast te stellen.
Dat alle neringdoende Burgers en Ingezetenen, alsmede alle handwerkslieden dezer Provincie gehouden zullen zijn, om onder de hier na gemelde bepalingen aan alle Fransche Militairen, en ook aan alle andere lieden, tot de Fransche Armée behorende, in het klein en in zaken van noodwendigheden, daaronder begrepen Maakloonen, Reparatién en diergelijke, te verkopen en te leveren tegen betalinge in Fransche Assignaten, en dat zij deze Assignaten zullen moeten aannemen volgens de Cours van negen Hollandsche stuiver tegen de Fransche Livre of twintig Fransche stuivers of sols gerekend.
Dat echter daartoe zal worden vereischt:
1mo. Dat zij, in val van verkoop aan Militaire- of andere personen, tot de Fransche Armée behorende, dog geen rang van Officier bekleedende, op eenmaal voor geen grootere somma dan tien Fransche Livres of negentig stuivers Hollandsch zullen mogen verkopen, en dan nog niet dan op een schriftelijke order van derzelver Officieren.
2do. Dat zij aan een Officier van gemelde Armée wel voor een grotere somma zullen mogen verkopen, dog almede niet dan op schriftelijke order van deszelfs Opperhoofd. Zullende dan nog de schriftelijke order in dit en het vorig artikel vereischt, niet nodig zijn ten opzigt van eene kleine verteringe in een herberg egter voor een Militair of ander Persoon der Fransche Armée, geen rang van Officier hebbende, niet zal mogen te boven gaan twee en een halve Livres, en ook niet met een Assignaat van een grotere summa, dan de verteringe zelven bedraagt, zal mogen voldaan worden.
3tio. Dat zij alle Maandagen in de steden aan de Stedelijke Regeringen, en ten platten Lande aan de Schouten en Richteren of de gequalificeerden in derzelver plaats, zullen moeten overgeven de Assignaten door hun in de vorige week ontvangen, met bijvoeginge van de schriftelijke orders hier voren Art. 1 en 2 vermeld, en voor de Herbergiers met bijvoeginge van een Lijst, op welke van dag tot dag zal zijn opgegeven het beloop van de door hun ontvangen Assignaten.
4to. Dat zij telkens bij die overgave bij handtastinge in eedes plaats zullen moeten verklaren, geene andere Assignaten te hebben overgegeven, dan die door hun in de vorige week van militaire of andere personen tot de Fransche Armée behorende zijn ontvangen. Zo als ook de Herbergiers, dat zij de overgegevene Lijsten ter goeder trouw na hun beste wetenschap hebben opgemaakt.
5to. Dat die gene welke zullen overtuigd worden andere of meerdere Assignaten te hebben overgegeven, dan zij in de vorige week, in voegen gemeld, hadden ontvangen, zullen vervallen in eene boete van tweehonderd goud guldens, voor een derde ten profite van den Hoofd-Officier, voor een derde ten profite van den Armen, en voor een derde ten voordeele van den aanbrenger, wiens naam, des begerende, zal worden gesecreteerd, zullende de Contraventeurs bij gebreke van betalinge met een gevangenis van twee jaaren in het Provinciale Tugthuis gestraft worden. Verzoekende en desnoods gelastende de Regeringen der Steden en de Schouten en Richteren ten platten Lande of de gequalificeerden in derzelver plaats, om van alle de gemelde bij hun ontvangene assignaten schriftelijke orders en lijsten een nauwkeurig register te houden er daarvan alle week een extract aan onze ordinaris Gedeputeerden over te zenden met die Assignaten, Orders en Lijsten zelve, zorge dragende dat die van elk Ingezeten waarvan zij die zullen ontvangen hebben, afzondering gehouden en overgezonden worden.
Wordende gezeide onze ordinaris Gedeputeerden bij deze gequalificeerd, voor die der ingezondene Assignaten nadat dezelve door een Verificateur of Keurmeester, daartoe te stellen zullen zijn onderzogt en egt bevonden Recepissen ten laste der Provincie af te geven, edog alleen tegen zodanige summa, en dus niet hoger dan waarvoor de gemelde nering doende Burgers en handwerkslieden bij de overgave der Assignaten op de wijze als art. 4 vermeld, zullen hebben verklaard, dat zij de waren welke zij voor die assignaten aan militaire of andere personen tot de Fransche Armée behorende, hebben verkogt, aan die kopers zouden hebben geleverd, zo die hun met klinkende munte zouden hebben willen betalen.
Zullende van gemelde ’Recepissen in allerley handelingen die na Publicatie dezes worden in gegaan, en dus niet ter voldoening© van schulden uit hoofde van vroeger gemaakte contracten oorspronglijk, worden aangenomen even als gangbaar gemunt geld tegen de volle waarde, zullende alle die genen welke dezelven verweigeren of die beneden de volle waarde aannemen of uitgeven, vervallen in eene boete van de drie dubbele waarde dier Recepissen.”
De recepissen hier vermeld werden uitgegeven in coupures van 10 stuivers, 1 gulden, vier gulden en vijf gulden.
Ze zijn op gewoon papier gedrukt aan de beide zijden en boven omgeven door een rand, waarin lihks gedrukt „Vrijheid”, boven „Gelijkheid”, links „Broederschap”.
Boven links staat het nummer met de pen ingevuld, boven rechts de waarde in een Romeinsch cijfer, b.v. die van vijf gulden V en tusschen no. en dit cijfer de waarde, 5 gld.
Daaronder: „Goed voor vijf Guldens Hollandsch Courant ten laste der Provincie Overijssel, volgens Publicatie der Volks-Representanten van den 28 Februari) 1795. Deeze is afgegeven den (met de pen ingevuld) 16 April 1795 aan (met de pen ingevuld) G. Bovenmars, van wegens op gemelde Representanten, f 5. Van wegens op gemelde Representanten; met de pen onderteekend: P. v. Calcar, E. Moulin, G.A. Maaldrink.”
Daaronder: „(De vervalscher zal met de dood gestraft worden).”
Hoe arm en uitgeput de bevolking van Overijesel in die dagen was kan o.a. daaruit bljken dat bij Publicatie van de Provinciale Representanten van 22 April 1795, de meest uitgeputte streken en wel het geheele kwartier Twenthe de stad en het gericht van Hardenberg, ’t gericht van Gramsbergen, stad en gericht Ommen, ’t Schoutambt van Holten en Bathmen en ’t Schoutambt van Dalfsen, voor zooverre dit ten noorden van de Vecht was gelegen, uitstel erlangden van de betaling der reëele middelen voor den tijd van drie maanden.
Opmerkelijk is dat men destijds ook in Ned. Oost-Indië van wege de Oost-Ind. Compagnie dergelijk papieren geld uitgaf. Ik bezit zulk een exemplaar, 12 bij 15 cM. in een rand op gewoon papier gedrukt. Boven links La D No. 13759. „Goed voor Rds. 1.—. Wij ondergeteekende Certificeeren dat toonder dezes, bij de Compagnie te goed heeft Een Rijksdaalder van 48 zwaare stuyvers ider, Indisch Geld.” Daaronder hetzelfde in het Javaansch en dan: Batavia in ’t Casteel den 2 April 1799. Gezien Rds. Eén.
Met de pen onderteekend: S.H. Menger, J. Smit, P. Engelhard, W. Moldenaar. Beneden links een stempel in zwart V. O. C. 1799 en op de achterzijde links en rechts boven een stempel in rood V. O. C. 1 : =.
Kampen.
Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.
- Uitterdijk, J.N. (1915, 8 Mei). Oorlogsgeld. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, Tweede Blad (107), p. 2.
