Eenige aanteekeningen betreffende
Jhr. Jan Derk van de Capellen tot den Pol.
Jhr. Jan Derk van de Capellen tot den Pol.
Ook kleine bizonderheden betreffende belangwekkende persoonlijkheden hebben haar beteekenis en zoo mogen hier enkele aanteekeningen volgen betreffende jhr. Jan Derk van de Capellen tot den Pol 1), ’n man die zijn tijdgenooten in zijn maatschappelijke en politieke opvattingen minstens een halve eeuw vooruit was, en daarom ook werd uitgekreten voor een nieuwigheidzoeker, wiens beweringen werden bestempeld met de qualificatie: „tumultueus”, en die, naar men beweerde bezigde: taxatoire, en ongemesureerde expressiën in zijne adviezen.
Hij was de man, die de gehate drostendiensten, een soort heerendiensten, die de drosten in Overijssel van de boeren in hunne respectieve drostambten konden vorderen, deed afschaffen; hij was ook de man, die toen de Koning van Eng0eland in 1775 verlangde, dat de Schotsche Brigade, bestaande uit geboren Schotten, die als brigade in dienst van de Staten-Generaal stond, aan hem zou worden geleend, om daarmede zijn opgestane Amerikaansche onderdanen tot onderwerping te brengen, dit door zijn krachtig optreden wist te verhinderen, omdat hij het zelf-bestemmingsrecht der Amerikanen wilde eerbiedigen. Zijn advies daaromtrent op 16 December 1775 in een schitterend betoog uitgebracht in de vergadering van Ridderschap en Steden te Kampen gehouden op het College aan de Nieuwe Markt, waar later de Sociëteit het College was en thans een openbare lagere school, en gedrukt te Amsterdam bij Frans Hendrik Demker, boekverkooper in de Pijlsteeg, werd ruimschoots verspreid en zoowel hier te lande als in Amerika met groote waardeering begroet.
Het Amerikaansche Congres bedankte hem hartelijk door bemiddeling van den gouverneur van Connecticut Trumbull.
Van de Capellen was daarvoor zeer gevoelig en schreef aan Trumbull in een in het Fransch gestelden brief terug: „Wat betreft uwe vriendelijke letteren, die de heer Erckelens mij mededeelt, dat mij gezonden zijn op verlangen van den President en de leden van het Congres, wees verzekerd, Mijnheer, dat dit schrijven nedergelegd tusschen mijne familiepapieren, mij steeds aangenamer zal zijn dan de schitterendste ridderorde van welken Monarch ook. Mijne voorouders hebben sedert onheugelijke tijden deel uitgemaakt van het lichaam en de kapittels der Ridderschap. Mijn huis heeft ridders van Maltha geleverd en van de Duitsche Orde, maar dit getuigenis van de goedkeuring waarmede het Amerikaansche volk heeft willen vereeren mijne goed bedoelde, maar zwakke pogingen om nuttig voor dat volk te zijn, is voor mij meer waard dan dat alles. Mijne nakomelingschap, indien God mij die mocht verleenen, zal niet nalaten zich daarop te beroemen.
Dat Van de Capellen zich niet bepaalde tot het uiten van eene platonische verzekering van belangstelling in het lot der jonge republiek kan daaruit blijken, dat hij in 1780 uit zijn particulier vermogen een som van tienduizend guldens, voor die dagen een belangrijk bedrag, aan den Amerikaanschen staat leende, op een oogenblik dat het bestaan daarvan nog niet zeker was.
Ik ben in ’t bezit van de oorspronkelijke afkondiging van zijn huwelijk van 1766, die dus luidt:
Ik Paulus Croeuger van Slangenburch, van wegen zijne Doorlugtigste Hoogheyd den Heere Prince van Orange en Nassauw als Erfstadhouder dezer Pronvincie van Overijssel, etc. etc. etc. ter dezer tijd Schout van Camperveen, doe hier mede te weeten ende alomme bekend maeken, dat op heden den 18 Maij dezes jaars 1700 ses en sestich haer eerste huwelyksche voorstellinge hebben de Hoog Welgeboorne Gestrenge Heer Jonkheer Jan Derck van de Capellen tot Appeltern, etc. etc. etc. met de Hoog Welgeboorne
Freulin Hillegonda Anna Baronesse Bentink tot Wittensteyn, etc. etc. etc..
Des ten oirkonde desen met mijn subscriptie en signature bekragtigt.
In fidem,
Ps. Cr. van Slangenburgh,
1766.
Schout van Camperveen.
Dese is gepubliceert op Camperveen den 18 Maij 1766 door mij
Aalt Petersz.
Custos.
Het stuk is voorzien van het opgedrukte zegel van den Schout.
Van de Capellen had vele vaste goederen en tot de administratie daarvan stelde hij 10 November 1779 aan Lucas ten Wolde, geadmitteerd Landmeter, wonende in de Wijk, die echter ook reeds voor dien tijd voor hem als zoodanig werkzaam was.
Bij de acte daarvan opgemaakt voor Burgemeesteren, Schepenen en Raden van Zwolle en in mijn bezit, gaf hij dezen volmacht om de revenuen, goederen en opkomsten van zijne goederen, de huurpenningen, opbrengst van verkocht hout of wat het mocht zijn te innen, om de nalatige schuldenaren in rechten aan te spreken en daarvoor rechtsgeleerden bijstand zich te verschaffen.
Van dien administrateur, die op het erve den Hof woonde, bezit ik verschillende brieven aan Van de Capelle gericht. Uit die brieven blijkt, dat Ten Wolde niet alleen voor zijn meester een nauwgezet beheer voerde, maar ook deelde in den politieken strijd van dezen.
Zoo schrijft hij hem 9 Januari 1776 o.a.:
„’t Is myn herte wens dat ’t Advys van U Hoogh Welgeb. (inzake het leenen der Schotsche Brigade) so veel goedkeuring wegdraagt. Mijn Heer ’t kan niet anders syn, vrees waerlyk voor eene quade uitslag, de Americanen schynen de moed niet te laten zacken.”
Het schijnt dat Van de Capellen over de wijze waarop dat Advies gedrukt was, niet zeer tevreden was, en daarover ook aan zijn administrateur Ten Wolde had geschreven, want deze schrijft hem 6 Januari 1775: „Het spyt my daar het Advys gedrukt, so vol fouten is, dat slegt is; ook doet ’t me leed dat er nog teegen geschreeven word; heb hier ’t aan veele laten leezen en van ieder de goedkeuring gehad.”
Toen in 1782 Van de Capellen weer in de Statenvergadering werd toegelaten, waaruit men hem om zijn strijd voor de verdrukten geweerd had, en hij de genoegdoening had, dat de gehate Drostendiensten werden afgeschaft, schreef Lucas ten Wolde hem, 9 November 1782: „Rentmeester L. Nysingh maakt syn compliment en is ook seer blyde. Dominé heeft gesegt UH.W.- Geb. een brief te schryven. Nergens wort meer van gesproken dan van die gebeurtenis. Beide Heeren de Vos van Steenwijk waren gisterenavond an ons huis, syn ook seer verblyd.
Zouden de vier Drosten er ook niet een glasie Bourgonie op gedronken hebben? Zullen gelagt hebben als een vercken, dat men ’t hooft wasschet.”
Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.
Wezep, Februari 1918.
- Uitterdijk, J.N. (1918, 16 Februari). Eenige aanteekeningen betreffende Jhr. Jan Derk van de Capellen tot den Pol. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, Vierde Blad (40), p. 1-2.
