De Souvereine Vorstin te Delden, 3 Januari 1814.
Het zal zeker niet van algemeene bekendheid zijn dat de gemalin van den souvereinen vorst het eerst op Nederlandsch grondgebied heeft vertoefd te Dolden.
Den 3en Januari 1814 kwam de vorstin van Bentheim daar binnen. Een eerewacht, bestaande uit burgers van deze stad, was de vorstin drie uren in de richting van Bentheim tegemoet gereden.
Op de grens werd hare Koninklijke Hoogheid aldus toegesproken door den heer J.B.G. Weerman:
Mevrouw! Doorluchtige Vorstin!
Hetzij ons vergund Uwe K. H. bij Hoogstderzelver intrede in de Vereenigde Nederlanden met diepen eerbied het offer onzer hulde aan te bieden. Mag Delden — welks jongelingen reeds reikhalzen om vrijwillig onder de vanen van Oranje tegen de benden van den overheerscher te strijden — mag Delden de eer genieten om de eerste plaats te zijn in deze landen, waar de Koninklijke Gemalin van onzen geëerbiedigden Vorst Haar verblijf wil houden; zouden wij ons dan niet beijveren om de eerste tolken te zijn dier blijde en dankbare gevoelens die in de harten van alle rechtschapene Nederlanders voor Uwe K. H. blaken, hen met ongeduld naar het tijdstip deden verlangen om den jubelkreet te kunnen aanheffen: Neerland’s onafhankelijkheid van alle vreemde overheersching is gewaarborgd door den heiligen band tusschen Oranje’s grootmoedigen Vorst en Pruisen’s edele Koninklijke Prinses, die als twee flonkerende sterren weldadige stralen over den vaderlijken erfgrond verspreiden! Heil en zegen volge Uwe K. H. op alle hare schreden! De God van Nederland bescherme Uwen Doorluchtigcn Persoon en brenge haar behouden in het vorstelijk ’s Gravenhage, overal gevolgd van zegenende welkomsgroeten! De verdubbelde liefde der ingezetenen vergoede rijkelijk het smartelijke der negentienjarige afwezigheid en van het noodlottige gemis hunner geliefde vorstin, en tot in lengte van dagen, omringe de schitterendste luister en de heerlijkste bloei Uw Doorlugtig Huis en nooit worde weer afgebroken het blij gejuich der gezegende Nederlanders: Lang leve Willem de eerste, onze vereerde Souverein! Lang leve Zijne beminde Koninklijke Gemalin! Lang leven oerzelver geliefde Vorstelijke spruiten.
Des avonds ten tien ure kwam de Vorstin met hare dochter, Prinses Wilhelmina Frederika Louise Charlotte Marianne, geboren 9 Mei 1810 en dus toen nog geen vier jaren oud, en met een aanzienlijk gevolg te Stad Delden aan, begeleid door de eerewacht bij het licht van flambouwen en onder het luiden der klokken, terwijl overal de vlaggen wapperden.
Zo werd geleid naar het huis Twikkel, waar ze werd ontvangen door Mevrouw de Gravin Douairière van Wasseneer, en waar ze werd opgewacht door den Commissaris in het Arrondissement, Baron Sloet tot Warmelo.
Eenige oogenblikken nadat H. K. H. was gearriveerd, verleende zij audiëntie aan de leden van de Rechtbank van het Arrondissement, zitting houdende te Almelo, waarvan de leden zich op het bericht van de verwachte komst van H. K. H., derwaarts hadden gespoed, om het collegie te zijn dat de Vorstin op vaderlandschen bodem verwelkomde.
De president Clignett sprak H. K. H. toe, welke toespraak vriendelijk door haar werd beantwoord.
Daarna werd audiëntie verleend aan de Vrederechters in de kantons Almelo en Delden aan de Procureurs bij de Rechtbank te Almelo, den Burgemeester en de Predikanten van Delden en een commissie uit den Kerkeraad van Almelo.
Ieder was opgetogen over de vriendelijkheid waarmede H. K. Hoogheid de tot haar gerichte toespraken beantwoordde.
De huizen in de stad waren des avonds geïllumineerd, en in verschillende straten had men eerebogen opgericht.
Den morgen van den 5en Januari, begeleid door de eerewacht, onder ’t gejubel der menigte en ’t luiden der klokken zette Hare K. H. haar reis naar ’s Gravenhage voort. Den 8en Januari ten vier ure des namiddags kwam H. K. H. te ’s Gravenhage aan, na in den morgen van dien dag om zeven uur uit Utrecht vertrokken te zijn.
Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.
- Uitterdijk, J.N. (1913, 7 februari). De Souvereine Vorstin te Delden, 3 Januari 1814. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, Eerste Blad (32), p. 2.
