Simon Oomius

Simon Oomius.

     Simon Oomius werd in 1628 geboren.
     In de Gasthuizen te Kampen hangt een fraai paneel geschilderd portret van een bejaard geleerde ten halve lijve, staande bij een tafel en zijn eene hand rustende op een boek, met het opschrift: Corn. Simonis Oomius obijt 8 Novembris 1653. Waarschijnlijk was dat zijn vader.
     Na zijn theologische studiën volbracht te hebben, werd hij doctor in de godgeleerdheid en in December 1653 als proponent te Purmerland beroepen. Hij werd zeker voor zijn doctoraat, 12 Febr. 167l aan de Geldersche Hoogeschool te Harderwijk ingeschreven als Simon Oomius Ecclesiastes in Purmerlandia, Theologiae Candidatus. Hij is daar dus ongetwijfeld tot Theologiae doctor gepromoveerd.
     In 1674 diende hij als veldprediker in het leger van den Staat.
     Toen in 1677 te Kampen een predikantsplaats bij de Hervormde gemeente vaceerde, werd er 26 November, door den kerkeraad, oud en nieuw, een nominatie van 12 personen opgemaakt, waarop met 22 stemmen Ds. Oomius werd geplaatst, die van alle twaalf de meeste stemmen bekwam. Den 2en December werd daaruit een zestal geformeerd, waarop Oomius weer met de meeste stemmen, 22, geplaatst werd.
     Daaruit werd hij 3 December tot predikant beroepen.
     We lezen daaromtrent in het kerkeraads-protocol:
     „1677. Den 3 Decembris ie onder aanroepinge van Godts H. naem tot Ordinaer Herder ende Leeraer van deser gemeynte verkozen d’ Eerw. geleerde, godtsalige ende seer voorzienige D. Simon Oomius s. Theol. Doctor en Predicant voort tegenwoordige in Purmer.
     Is oock met een geresolveert dat nog op heeden approbatie politicq bij de Ed. Hoogh Achtbare Magistraat van dese stadt en op aanstaende Sondagh classicale approbatie by de eerwaarde Classis van Campen sal worden versoght, en zijn om suks uyt te wercken gecommitteert de Eerwaerde Ds. Abrahamus Fabricius ende Adam Crouwel Senior, Lambert Matthijssen Hertogh Diacon.”
     In Januari 1678 werd hij als predikant te Kampen bevestigd.
     Den 3en December 1686 werd hij te Kampen als weduwnaar geproclameerd met Hester Worst, weduwe, terwijl attestatie werd afgegeven om te Kamperveen te trouwen.
     Zijn vrouw was namelijk een zuster van den Kamperveenschen predikant Everhardus Worst, bij wien ze waarschijnlijk inwoonde.
     Toen hij 6 April 1689 voor zijn werk „De Wonderen des Alderhoogsten”, waarover straks nader, een opdracht plaatste „aen de soo in weysheyt en Voorsienigheyt als in Godvrugtigheyt en deftigheyt seer uytnemende Heeren, Jacobus Worst, lid der gesworen gemeente, Burger-hopman en oud-ouderling, Everhardus Worst, bysonder getrouw dienaar Jesu in syne gemeynte tot Camperveen, Gosuinus Erkelens, waerdyn en Burger-hopman, Hugo ter Burg, beyde Burgemeesters der stad Campen, Bernardus Snel, lid der geswooren gemeynte en Burger-hopman, alle ouderlingen in Christi Kerke aldaar,” schreef hij daarin o.a.: „’t Behaagde uwe Eerw. uwe suster en naeste bloednigte, mijne hertlieve Hester, op soo veele brandende aanhoudingen, mij eyndelik tot een bedgenoote te geven,
Welke weldaad ik, met reden, zoo hoog agte, dat ik al over lang ben in overlegginge geweest met wat openbaar teycken van dankbaarheyd ik die best soude erkennen. Nu ik eerst met haar, die nog een kroon der eere is, het vermaak van mijn oogen en in welke ik mij gevoele een welgevallen getrokken te hebben van den Heere, beginnne te leven, hebb’ ik oorsaak om dageliks te denken aan mijn aanstaande sterven. Want nu al boven de vijftig jaren bereikt hebbende (hij telde reeds 61 jaren) sal allengskens daalen tot dien ouderdom, welke de Grieken een gesegende noemden en op welke de Hebreën een feest gewoon waren te maken. Insonderheid als ze met, my die Hemelsgunst genooten, dat hare oogen niet donker, nog hare kragten niet veel vergaan en waren. Ik hebbe dan dit gedenkteyken van dankbaarheid, van eere, van agtinge, van liefde en onuytdrukkelikke genegentheyt, nooyt met het minste woord of daad, dat ik weete, wederzijds geschonden of eenigsins overwolkt, willen aan Uw Eerw. nalaten. En ik kan my versekeren, vertrouwende op uwe innerlyke goedheyt, datet ook met gelyke liefdebewegingen sal ontfangen worden alset in uwe handen gegeven word van hem, wiens opregtigheid door daaglikschen ommegang, gy eert ende dié betuygt te wesen en onverwikkelik te sullen blyven na toewenschinge van alle heyl, Uwe Agtb. en Eerw. overboodigiste Dienaar en toegenegenste Broeder en Neef,

Simon Oomius.”
     Oomius was een zeer vruchtbaar schrijver, wiens werken, meest van ascetischen aard, zeer gewild waren, evenals de werken van Ridderus en Borstius, en die daardoor bij zijn tijdgenooten groot nut stichtte.
     Ze werden gelezen en herlezen, gedrukt en herdrukt. Maar juist omdat ze onder de burgerij werden gelezen en sterk gelezen, zooale zoovele dergelijke werken, komen ze weinig voor.
     Thans een en ander over het werk, dat hij als predikant te Kampen uitgaf.
     De titel luidt: De Wonderen des Allerhoogsten, uitgevoerd in, onder en door Syn Koninklyke Hoogheyt Willem der Derde, doorlugtig Prince van Orangien. En nu verklaart, uytgeroepen en gekroont Koning van Engeland. Eerste Deel, door Simon Oomius, Doctr. der H. Theol. en Jesu Dienaar tot Campen. ’t Amsterdam, Bij Marens Doornik, 1689. Met Privilegie voor 15 Jaren. 12º VI en 491 blz.
     Dit is het eerste deel, maar ook het eenige.
Het tweede deel is nooit verschenen. Hij zegt daaromtrent in de genoemde Opdracht: „Die dingen dan, en die verder onse kennisse van noden syn, sullen wij, so God wil, en de gelegentheyt toe-lagt de stoffe geven van een tweede Geschrift.”
     Wat merkwaardig is, is dat dit werk in hetzelfde jaar onder denzelfden titel, bij denzelfden uitgever verscheen in 4° VIII en 166 blz.1 [1.      Catalogus vaa de Pamfletten-verzameling, berustende in de Koninklijke Bibliotheek, dl. III no. 13290.])
     Hij begint met te zeggen: „lck kan my, en soo ick aghte, op goede gronden, verseeckeren, dat allen den genen, welcke hebben gehad die waere bevattinge, dat met den op- en ondergangh van het Doorlughtige Huys van Orangie, in dese landen, op of ondergaet, sinckt of boven drijft, de waere Gereformeerde Religie, noyt overvloediger stoffe of van smertelicker droefheyt of van hertelicker vreugde gebooren is, dan wanneer zij, omtrent het eynde van het jaer, zestienhondert en vijftig van de Menschwerdinge des groten Heylandts, sagen verduysteren de sonne van de hope onser welstandt ende wegh genomen worden den schildt, den ruyter ende waegen van ons geliefde Vaderland, ick segge de doodt onderworpen worden, die onse kloekmoedige Stadthouder Willem de II, die soo wijse Vorst, een Prins van een waerlick Koninklicken geest, die den Landtschappen tot een beschermenden Beuckelaer, den goeden ingezetenen tot een vreugde, den vijanden tot een spijt en schrick en de geheele wereldt tot een wonder stuck hadden gedient en als sy wederom saegen opgaen den glants van een luchtige morgensterre en uit den verdorden Orangie-boom opschieten een mannelicke spruyte, onze groote Willem de III, die nauwelicks de jaeren van syn jongelingschap uytgetreeden seynde, het onseecker gemaeckt heeft of hy een beter man of overste waere, gelyck Justinus van Epaminondas schrijft. Ende die al van den aen-beginne syner regeeringe sigh in geen dinghe minder heeft gethoont dan eertyts Karel de V, die in syne eerste Rijks-Vergaderinge te Worms, twintig jaeren tellende, van sigh selven de verwonderinge van alle heeft verweckt.”
     Hij gaat de geschiedenis van ons land na onder de leiding van de vorsten uit het huis van Oranje en toont aan hoe ’t volk door de regenten van het vorstenhuis vervreemde, hoe men tot Frankrijk neigde en hoe een snijder: „een ambagt andersins eerlik genoeg indien de sulcke de naelde en schare ontworsteld hebbende, geleert hadden haer matiger te draegen,” zich op de borst kloppende zeide: „Wij zijn de Prinsen van den Lande.”
     Hij wijst er op hoe wij door de Franschen in 1672 overvallen, geen leger of vloot hadden, maar hoe de Engelsche vloot, die te Texel zou landen, door een zeldzame, ongekende eb van 12 uren, werd teruggedreven.
     Hoe later een noordwester storm de Engelsche vloot havende en zich terug deed trekken.
     Hij wijst er op hoe een vloot van veertien geladen koopvaardijschepen de Engelsche vloot voorbij voer, zonder dat deze het merkte en veilig in Delfzijl binnen viel.
     De moord op de De Witten keurt hij zeer af: „’t Gaf een yselijcke vertooninge, daar menschen te sien verandert in verbasterde Tapoyers of Menscheneters.” En elders: „een gemeen gevaer moet met gemeene eendragtigheyt afgekeert worden en onse Provinciën en Steden konnen menschelyker wyse gesproken, niet verlooren gaen noch behouden blijven dan te samen.”
     „’t Is onse aenmerkinge bysonder weerdig.” zegt hij, „dat, so haest de Koning van Vranckrijk tot Zeyst hoorde dat syn Hoogheyt op den negenden Julij in den Haeg den eedt hadde afgelegt, wegens syn Stadthouderschap over Holland, hij des anderen daegs resolveerde met syn geheele leger van de Hollandsche Frontieren op te breken om elders verder progressen te doen.”
     Maar hij wijst ook op de mislukking van ’s Prinsen aanslag op Naarden en op Woerden, op den mislukten tocht naar Charleroi en het mislukken der aanslagen op Zwartsluis en Harderwijk.
     En hij herdenkt de dapperheid van Groningen, dat den vijand weerstond: „Een stad weerdig eeuwigen lof ende die in de Historiën niet en sal verswegen worden, noch oock de Heere, die rondt om haer is geweest een vyerige muyr, ende tot een heerlykheyt in het midden van haer.”
     Hij vermeldt hoe in 1673 ter verdediging van Amsterdam in de plaats van de verlaten post aan de Nieuwerbrug, een schans met vier bolwerken bij de kleine Wierikken werd aangelegd, de thans veel genoemde Wierikerschans.

     Wanneer hij herdenkt de roemrijke driedaagsche zeeslag tegen de vereenigde Fransche en Engelsche vloten, zegt hij: „Als wy van alle uytheemsche hulp ontbloot waren, ende niet een eenig schip van andere Potentaten of Staten onder onse vloodt en telden, als er niemandt was die ons kende, ofte zorgde voor onse ziele, soo is d’ AlderHogste gekomen aen onse regterhand, Die heeft ons gered van onse vervolgers, die sterker waren dan wij.”
     Waar hij spreekt van de verheffing van den Prins tot Koning van Engeland, noemt hij hem: „Een man, soo verheven en bevestigt door de zedekunst, dat men hem noyt heeft gesien vervoert door toorn of door blijdschap, en welcken noyt is te laste gelegt eenig ligtveerdig woord of een voorbarige daad.”
 
Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.
     Kampen.
 

  • Uitterdijk, J.N. (1916, 12 Februari). Simon Oomius. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, Tweede Blad (36), p. 1.
Category(s): Kampen
Tags:

Comments are closed.