Overheidsbemoeiing met Kerkelijke Zaken.
We weten allen hoezeer de overheid zich vroeger bemoeide met allerlei zaken die we nu oordeelen dat uitsluitend ter regeling aan de kerk moeten worden overgelaten.
Het gevolg van de bijzondere verhouding van den staat tot de kerk, als regel gold: cuis regio eius re gligio, wie het staatsgezag in handen had, had ook het inzeggen in kerkelijke zaken.
Een merkwaardig voorbeeld daarvan is in dit gewest tot op onze dagen overgebleven. Ik bedoel de Overijsselsche bid- en dankdag voor het gewas.
In het midden der 18e eeuw ingesteld krachtens een besluit van Ridderschap en Steden van dit gewest, zijn ze steeds gehandhaafd. En toen ettelijke jaren geleden een lid van de Provinciale Staten voorstelde om dien bid- en dankdag af te schaffen, werd daarop, zeer terecht, geantwoord dat de Staten daartoe de bevoegdheid misten, omdat haar karakter in dit opzicht geheel gewijzigd is.
Maar de bemoeiingen van de overheid ten opzichte van de kerk bepaalden zich niet tot een algemeen oppertoezicht, maar verloren zich dikwijls in allerlei minutieuse bijzonderheden.
Zoo b.v. bepaalde de magistraat van Kampen 31 December 1739, dat de vroegpredikatiën, zoowel der zomers als des winters, des Zondags vóór zeven uur en in de week vóór half zeven zouden moeten geëindigd zijn. Had de predikant op den bepaalden tijd de zegen niet uitgesproken, dan zou hij in een boete van een zilveren ducaton zijn vervallen ten bate der armen, terwijl de diakenen werden aangewezen om de heeren te controleeren.
Op dank-, vast- en bededagen zou deze bepaling niet van toepassing zijn. Doch toen, naar ’t schijnt, daarvan misbruik werd gemaakt, werd 9 October 1786 bepaald, dat de preek op die dagen niet meer dan een half uur langer dan gewoonlijk zou mogen duren.
Zelfs op predikanten van elders, die in vacature predikten, werden deze besluiten toegepast.
Het schijnt, dat in Overijssel bij de bevestiging van predikanten in een nieuwe standplaats soms tamelijk luxueuse maaltijden werden gehouden.
De Staten van het gewest meenden daartegen te moeten optreden, en zoo werd 21 Maart 1775 de navolgende resolutie door Ridderschap en Steden genomen.
„De Heeren van Voerst tot Averbergen en andere Hun Ed. Mog. gecommitteerden tot de kerkelijke zaaken „ingevolge en ter voldoeninge van derselver resolutie commissoriaal van den 14 deser, hebbende geexamineert het 6 artikel van de Remonstrantie van de Christelijke Synodus, op dien dag ter vergadering van Ridderschap en Steden overgegeven, houdende dat de misbruiken op veel plaatsen bij bevestigingsmaaltijden, hun genoodsaakt had, in navolging van de meeste overige Synoden, een kerkelijk besluit tot afschaffing derselver te nemen.
Dat de Deputaten van den voorledenen jaare op last van de Christelijke Synodus, die resolutie in de voorleeden jaare aan Ridderschap en Steden hadden aangeboden met verzoek van deselve te willen bekragtigen, en dat dezelve commissoriaal gemaakt zijnde, in mandatis hadden daarop bij vernieuwing te insteeren, hebben ter vergadering gerapporteerd dat van advise souden weesen dat Ridd. en Steden daarop souden behooren te disponeeren in navolgende manieren:
Dat een bevestigde leeraar nog op den dag sijner bevestiging, tusschen of na beide predikatiën, nog op een anderen dag, aan de kerkeraad, gerichte of andere personen, ’t sij ten sijnen huyse, ’t sij op een andere plaats, uit hoofde van sijne bevestiging, geen maaltijd sal mogen geven.
Dat sulks ook door geenen anderen uit naam van de kerkelijke leeraar onder geenerley voorwendsel sal mogen geschieden, en soo dat ook in weerwil van ons heylsaam besluyt en doelwit door iemand anders mogto ondernoomen worden, dat de nieuw beroepen leeraar aldaar niet sal mogen compareeren. Dat evenwel de bevestigde leeraar vrijheid zal hebben sijn vader, moeder, broeders, susters, of, bij gebrek van deselve, twee of drie van sijne nabestaanden of goede vrienden in sijn huis en aan sijn tafel, nevens sijn bevestiger en desselfs huisvrouw, te mogen ontfangen met uitdrukkelijke aanbeveling, dat onder dat geselschap niet tegen de resolutie word gehandelt.
Dat de bevestigers der praedikanten sullen verpligt sijn daarop nauwkeurig te letten, en de visi, bij ’t doen der kerkvisitatie daarna sullen vraagen en bij hun rapport aan de classen hiervan getrouw verslag sullen doen.
Dat soo een bevestigd leeraar deze resolutie mogt hebben overtreden, dieswegen sal hebben verbeurd eene somma van eenhonderd vijftig guldens ten behoeve van de Diaconie van desselfs plaats.”
Waarop sijnde gedelibereerd, hebben Ridderschap en Steden sig met voorschreven rapport geconformeert.”
Men ziet ,de straf op de overtreding gesteld, was geen geringe.
Op denzelfden dag werd door Ridderschap en Steden nog een ander opmerkelijk besluit genomen.
Uit het derde artikel van de Remonstrantie van de Prov. Synode aan R. en S. bleek, dat deze van oordeel was, „dat ’t tweemaal prediken en catechiseeren sooveel doenlyk wordt gepractiseerd.”
Ridderschap en Steden waren het daarmede niet eens. Ze meendon dat in de praktijk daaraan niet de hand werd gehouden, en meenden dat daarom aan de predikanten ten platten lande en in de kleine steden moest worden gelast, de daarop betrekking hebbende resolutie van R. en S. van 20 Maart 1727 stiptelijk na te leven.
Zoo werd dan ook bepaald dat de predikanten deze bepaling omtrent prediken en catechiseeren zouden moeten naleven, en ook op de algemeene dank-, vast- en bededagen, tweemaal zouden moeten prediken. Ze zouden verder het Heilig Avondmaal viermaal in een jaar moeten bedienen en wel telkens op twee achtereenvolgende Zondagen, terwijl ze telkens op den achtermiddag een dankpredikatie zouden moeten houden, en voor elke avondmaalsbediening een week te voren een voorbereidingspredikatie zouden moeten uitspreken.
De lijdensteksten zouden moeten worden behandeld zooals in iedere gemeente gebruikelijk was.
Opdat ieder zou weten waaraan hij zich te houden had en tot het bewaren van eenvoudigheid werd bepaald, dat van den eersten Maart tot den laatsten October de dienst des voormiddags ten negen uur en des namiddags ten half twee ure zou moeten aanvangen, en van den eersten November tot den laatsten Februari, des voormiddags ten half twee ure.
De kerkeraden zouden aanteekening moeten houden of deze bepalingen werden nageleefd.
Bij de kerkvisitatie zouden die aan de deputati classis moeten worden overhandigd.
Wie verzuim pleegde zou in een boete van vijfentwintig gouden guldens vervallen zijn.
Een ander besluit van Ridderschap en Staten betrof wel niet kerkelijke zaken, maar de wheeme en school te Zalk. De wheeme wijdom was eigenlijk de pastoorswoning. Een stuk land over den IJssel aan de rivier bij de Spoorkade te Kampen draagt nog den naam de Weeme, bewijs dat dat land vroeger tot de pastorie te Kampen heeft behoord.
De Weeme te Kampen lag achter te Bovenkerk, ik vermoed dat de koeboerderij van P. Sleurink daarvan nog een overblijfsel is.
Te Zalk was langen tijd strijd geweest tusschen den Heer van de heerlijkheden Buckhorst, den heer Bentinck en de erfgenamen van Zalk, dat wil zeggen de geërfden in Zalk, over het onderhoud van de school en de weeme te Zalk.
Het schijnt dat de weeme werd gebezigd als huis van den koster.
Den 8en April 1775 werd door bemiddeling van Ridderschap en Steden overeengekomen, dat voor een grondig herstel van beide gebouwen een bestek zou worden opgemaakt, en dit zou worden aanbesteed, en dat de kosten daarvan zouden worden gevonden door een omslag over alle landen onder Zalk en Veecaten, zonder onderscheid, naar morgental, op den grondslag van vroegere omslagen.
Bovendien zou op gelijke wijze een omslag worden gedaan van een som van vijftienhonderd guldens, waarvoor de heer van Zalk op zich nam, voor zich en zijne nakomelingen, ten eeuwigen dage, school en kosterswoning te onderhouden. Een ander belangrijk punt dat toen werd overeengekomen, was dat de heer van Buckhorst — die daarvan tot toen toe schijnt vrij geweest te zijn — van zijn achtentachtig morgen land onder Buckhorst, voortaan even als andere erfgenamen zou bijdragen tot herstel en onderhoud van sluizen, bruggen en zijlen.
Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.
Wezep.
- Uitterdijk, J.N. (1918, 3 Maart). Overheidsbemoeiing met Kerkelijke Zaken. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, derde Blad (180), p. 1.
