De kerk te Kamperveen.
Door een geweldigen storm in Februari 1714 stortte de kerk te Kamperveen in.
Het gevolg daarvan was, dat de predikant Worst daarin geen godsdienstoefening meer kon houden, en zoo goed en zoo kwaad als dat ging den dienst in de pastorie waarnam, die daarvoor echter veel te klein was.
In de vergadering van de Provinciale Sinode van Overijssel, 5 Juni 1714 te Kampen gehouden, kwam een verzoek in om tot wederopbouw van de kerk, daar de bevolking van Kamperveen zooveel door watervloeden heeft geleden, dat ze daartoe niet in staat is, aan den predikant Worst te vergunnen om, zoowel in deze Provincie als daarbuiten daarvoor te collecteeren en namens de Sinode hem daarvoor een aanbevelingsbrief te verleenen.
Aan dit verzoek werd voldaan en tevens besloten de kerk aan de Staten-Generaal aan te bevelen.
Doch door een grooten watervloed in het voorjaar van 1715 werd ook de pastorie ernstig beschadigd.
Daar het kerspel en de geërfden tengevolge van schade, geleden door storm en watersnood, niet in staat waren de pastorie te herstellen, wendde de predikant Petrus van Heymenberg, die intusschen den overleden predikant ds. Worst was opgevolgd, met den ouderling Dirk Lambertsen, zich met een adres aan Ridderschap en steden om subsidie tot dit herstel, of althans toe te staan, dat het oude metaal van een klok, die bij den brand in den toren in 1695 was naar beneden gevallen en waarvan de stukken bewaard waren, te mogen verkoopen, evenals nog een hoeveelheid oud hout en steen om uit de opbrengst daarvan de noodigste herstellingen aan de pastorie te kunnen aanbrengen, opdat: „middelerwijlen die H. dienst daarin zou geschieden, opdat de gemeynte aldaar niet geheel vervalle, maar tot eere van Godts H. Naam gesticht worde.”
Den 4 Juni 1716 wezen Ridderschap en steden het verzoek om subsidie af, maar droegen aan de erfgenamen en goedsheeren van Kamperveen op, om de onafgedane rekening van de kerkgoederen door wijlen den predikant Worst geadministreerd, ten spoedigste te doen afleggen, en stonden ze toe, zoo er een overschot was, dat voor deze reparatie te bezigen, zooals ook de opbrengst van den verkoop der bedoelde goederen.
In de zitting van de Provinciale Sinode op 16 Juni 1716 te Vollenhove werd medegedeeld, dat de Sinoden van Gelderland en Utrecht niet ongenegen waren om bij nader aanzoek, bij te dragen tot den opbouw van de kerk te Kamperveen. Zuid- en Noord-Holland hadden er niets over besloten, Friesland had het ad referendum genomen.
Ds. Cock berichtte nog, dat de f 15 door ds. Waterham uit Gelderland voor de kerk van Kamperveen medegebracht en door een schipper naar Kamperveen gezonden, waren terecht gekomen.
De verschillende classes beloofden om, wanneer zo nader aangezocht werden, te zullen contribueeren.
Aan ds. Heimenberg, den predikant te Kamperveen, zou een credentiaal worden uitgereikt vanwege de Sinode, om gelden te mogen inzamelen, zeker omdat dit, op ds. Worst afgegeven, door diens overlijden was vervallen.
De correspondenten der Sinode, die naar andere Sinoden zouden gaan, werden verzocht: „om het droevigh ongeval dier kercke op het naedruckelyckste voor te stellen en om medehulp ter wederopbouwingh op het kragtigste aantehouden.”
In de Provinciale Sinode, 4 Juni 1717 te Deventer gehouden, kwam de zaak opnieuw ter sprake.
De classis van Kampen berichtte toen dat ds. Petrus Heymenberg was begonnen te collecteeren, doch dat dit nog niet veel had opgeleverd. De classis van Kampen had f 100 gegeven, de magistraat der stad Kampen f 50. Hij zou verder trachten gaven te krijgen.
De correspondent van Gelderland berichtte dat het punt nimmer in de Sinode dier provincie was ter tafel gekomen. In Zuid-Holland had men besloten aan het verzoek te voldoen in Noord-Holland had men het ad referendum genomen. De classis van Utrecht droeg door den heer Buys, laatst gecommitteerd tot de correspondentie, f 31.50 af, terwijl de Sinode dier provincie ook nog wilde bijdragen. De kerkeraad van Zwolle gaf f 20, terwijl de classis bij de kerkvisitatie ook nog zal collecteeren.
Aan de classis van Deventer, Vollenhove en Steenwijk werd verzocht ook haar medewerking te verleenen.
Toen 21 Juni 1718 de Provinciale Sinode te Kampen vergaderde kwam de bouw van de kerk te Kamperveen ook weer ter tafel, en werd medegedeeld dat de Sinode van Gelderland f 20 gaf, Zuid-Holland f 39 (maar ds. Heymenberg ontving maar f 38). De Sinoden van Utrecht en Friesland namen de zaak ad referendum. De classis te Deventer gaf f 63.—8.—, terwijl ds. Nederbos f 49.-3.— uit Zuid-Holland medebracht. De classis van Zwolle gaf f 38.—16.—8. Ds. Bouwmeester bracht f 20 mede uit Gelderland. De classis van Steenwijk en Vollenhove: „zouden dit aen de kerken smakelijk maken”.
De kerk werd aan de sinoden van Utrecht en Friesland, die nog niets gedaan hadden, nog eens dringend aanbevolen.
Ook in de Sinode, die 13 Juni 1719 te Zwolle werd gehouden, kwam de zaak ter sprake. Medegedeeld werd, dat Zuid-Holland nog eens weer f 19.—13.— gegeven had; Noord-Holland gaf f 36. Utrecht beloofde f 3.—1.—. Friesland gaf f 39. De acten van Steenwijk en Vollenhove meldden dat ds. Schrada f 52 in de classis gecollecteerd, had afgedragen.
Ds. Heimenberg deelde mede, dat de wederopbouw van de kerk begon en dat de materialen reeds waren aangevoerd.
Toen 4 Juni 1720 de Sinode te Steenwijk werd gehouden, werd daar medegedeeld, dat de Sinode van Friesland het verzoek om medewerking had van de hand gewezen en dat ds. Heymenberg zich beklaagde dat de f 39, die volgens bericht van ds. Hansma, correspondent van Friesland, voor de kerk van Kamperveen aan een van de correspondenten van Overijssel zou zijn verzonden, tot nog toe niet was ontvangen, en dat men niet kon gewaar worden onder wie dat geld berustte, gélijk ook de f 8, door de Sinode van Utrecht beloofd. De correspondenten, uit de Sinode naar die Sinoden af te zenden, zouden daarnaar onderzoek doen.
In de Sinode, 17 Juni 1721 te Devener gehouden, informeerde de classis van Kampen, hoe het met de 39 gulden uit Friesland stond, waarop ik geen antwoord vind. Wel dat de predikant ds. Petrus Heymenberg, berichtte, dat Ridderschap en Steden een subsidie voor de kerk hadden toegestaan, maar dat zij nog geen ordonnantie tot uitbetaling had ontvangen.
Hij hoopte spoedig in staat te zijn rekening en verantwoording van de ingekomen giften te doen. Vollenhove en Steenwijk vroegen of de kerk gebouwd werd en dat er rekening gedaan werd.
Ter vergadering van de Sinode op 9 Juni 1722 te Kampen kwam een verzoek in van de Sinode in Friesland en in ’t bijzonder van ds. Hansma, dat het abuis, door dezen begaan wegens de f 39, die in Friesland aan den correspondent van Overijssel gegeven zijn, uit de acten der Sinode van Overijssel moge worden weggelaten, wat toegestaan wordt.
De fout zat dus zeker bij ds. Hansma.
De classis van Kampen levert het credentiaal op ds. Heymenberg om te mogen collecteeren weer in en bedankt de Sinode daarvoor.
Eindelijk in de Sinode, 1 Juni 1723 gehouden te Zwolle, doelt de classis Kampen mede, dat de kerk in Kamperveen voltooid is, en dat van de gecollecteerde penningen behoorlijk rekening en verantwoording is gedaan, ten genoegen van de classis, en dat de Sinode wordt bedankt voor de liefdegaven en de behulpzame hand tot bevordering van den opbouw, met verzoek dit in de Handelingen der Sinodo op te nemen, opdat de afgezondenen naar andere Sinoden daarvan verslag kunnen doen en hartelijk danken voor de verstrekte gaven.
Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.
Kampen.
- Uitterdijk, J.N. (1917, 20 Januari). De kerk te Kamperveen. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, derde Blad (17), p. 2.
