Een en ander over dansen.
Het dansvermaak komt reeds vroeg bij de verschillende volken voor, maar ook reeds vroeg wordt het, voorzooverre het ging buiten de godsdienstig, ritueele dansen, voor minder welvoegelijk gehouden.
In de middeleeuwen zien we in ons land bij feestelijke gelegenheden bij wijze van volksvermaak, dansen uitvoeren.
In Deventer dansten in 1438 jonge gezellen voor den raad en in 1445 werden beloond: ,de jong gesellen die op heydens danseden”, dat zullen dus zeker zigeuner-dansen zijn geweest.
In 1516 werden „de zweertdansers van den smeden” te Kampen door den magistraat met een geschenk vereerd, en sedert schijnt het dat vrij regelmatig de smidsgezellen op vastenavond voor’t stadhuis door de zwaarden dansten, een spel van echt germaanschen oorsprong; volgens Tacitus, Germania, C. XXIV, sprongen naakte jongelingen tusschen zwaarden en dreigende framen.
Langzamerhand werd het dansen vrij algemeen; opmerkelijk is een aanteekening in een Delftsche schrijfalmanak van 1575, dat op den 12 Juni de Prins van Oranje, na drie Zondagen geboden te Dordrecht te hebben gehad, gehuwd is met Charlotte van Bourbon, en dat er feest is gehouden zonder dansen.
Er werd ook onderwijs gegeven in dansscholen, die in 1591 te Kampen werden verboden. Den 20en Mei op de Sinode te Sneek werd een gelijk verbod uitgevaardigd en op de Sinode te Franeker werd in 1602 verboden zijn kinderen naar de dansscholen te zenden.
Toen in 1607 de koster van de Hervormde kerk te Appingedam dergelijke dansschool hield, werd hem dit door de Sinode nadrukkelijk verboden, en tevens werd bepaald, dat kosters of schoolmeesters op waarschappen of gasterijen bij den dans niet zouden mogen spelen.
In een memorie over het onderwijs te Deventer, 30 April 1654 in den raad dier stad behandeld, wordt medegedeeld, „dat ook sekere schoelkinderen voer een jaer van een der preceptoren in het dansen geexerceert syn tot spott unser religion.”
Den 8en October 1661 werd te Middelburg geboren Daniël le Roy, die te Utrecht in de theologie studeerde en in 1685 werd beroepen als Hervormd predikant te Koog aan de Zaan, in welke gemeente hij als zoodanig werd bevestigd.
Den 17en Maart 1695 trad hij als predikant op te Nijmegen en 15 Juni 1698 te Rotterdam, waar hij 11 Mei 1722 overleed.
Hij schreef een werkje, dat thans zeer zeldzaam is, getiteld: „Oordeelkundige aanmerkingen over de Danseryen, zoo der oude als latere volkeren, uit haar voornaamste grondbeginselen en in haar wezentlijkste byzonderheden betoogt, met betrekking tot ons hedendaagsche Christendom, door Daniël le Roy, in zijn leven bedienaar des Goddelyken woords in de gemeinte Jezu Christi te Rotterdam. Te Rotterdam, by Nicolaas Korte, Boekverkooper in de Draaisteeg, 1722.”
Zelf is hij, terwijl hij reeds ziek was, begonnen de proeven van het werk te corrigeeren, maar eindelijk kon hij niet meer en moest zijn vriend en ambtgenoot Justus Muntendam de correctie vervolgen, waarbij deze zich echter, op verzoek van den schrijver, strikt aan diens handschrift hield.
Hij handelt eerst over de geoorloofde vermakelijkheden, terwijl hij in een tweede en volgende hoofdstukken spreekt over de danseryen als een bijzondere soort van vermaak, en de verschillende dansen bij de Hebreeën, Grieken en Romeinen, en ook in ons land behandelt.
Hij wijst er op hoe na ’t sluiten van den vrede met Spanje en de toeneming van de welvaart, ook ijdelheid en losbandigheid toenam, en hoe de verschillende Provinciale Sinoden met name tegen het dansen, hebben geijverd en gewaarschuwd.
En ondanks dit alles, zegt hij, wordt er thans geen bruiloft of vreugde-maaltijd gehouden, waarbij niet gedanst wordt, ja, men houdt op bepaalde dagen in de week bijeenkomsten om te dansen, terwijl de jongelui dan daartoe worden opgeleid.
Nauwelijks zijn de societeiten van jonge heeren en juffers bijeen, of ze beginnen te huppelen als geiten, waarvan de naam capriolen komt.
Hij gaat het oordeel na van de schrijvers van de oudheid en haalt o.a. Cicero aan, die zeide (pro Murena C. VI): nemo duidem saltat nisi ebrius: niemand danst tenzij hij dronken is. Hij haalt de kerkvaders aan en de hervormde theologanten zoowel als Petrarca, die zich zeer afkeurend daarover uitlaat, en Gisbertus Voctius, die ook een werkje over dansen schreef, zoowel als den Remonstrantschen predikant Simon Episcopius.
De profeet Jesaja, zegt hij, schildert de weelderige dochteren Sions af (Jes. 8:16) „alsof het onze hedendaagse dans-juffers waren, zeggende dat: de dochteren Sions haar verheffen en gaan met uitgestrekte halzen ende lonken met de oogen, al gaande en trippelend daar henen treden, alsof hare voeten gebonden waren.”
Hij wijst op het dansfeest, dat Karel de Ve te Oudenaarden bijwoonde, waar hij verliefd werd op een Vlaamsche jonge dame, Johanna van der Gheenst, uit welke verbintenis later de bekende Margaretha van Parma, Regentes der Nederlanden werd geboren.
Ook haalt hij nog een geval aan, vermeld bij den kroniekschrijver Albertus Krantz, dat een menigte menschen dansende op een brug die over een rivier lag (terwijl ze tot heilige zaken geroepen zijnde, die verzuimden), nadat de brug was gebroken, jammerlijk zijn verdronken.
Dat verhaal van Krantz is echter niet geheel juist. De ware toedracht vond ik voor eenigen tijd in de zeer zeldzame kroniek van Hartmann von Schedel, waarvan ik een exemplaar bezit, in 1493 te Neurenberg gedrukt en rijk geïllustreerd door Michael Wolgemut en Wilhelm Pleydenwurff, de laatste de leermeester van Albrecht Dürer.
Op folio CCXVII komt het verhaal met een zeer fraaie illustratie voor, onder het jaar 1277, hetwelk uit het Latijn vertaald aldus luidt:
Toen in Trecht lieden van beide seksen zich op de brug vermaakten met dansen en loszinnigheden, ging tegelijk een priester over de brug met het HoogEerwaardig Sacrament, om dit aan een ziekte brengen. Terwijl zij, niet gedachtig aan den Heiligen Dienst, geenerlei eer bewezen, stortten achter den priester, de brug gebroken zijnde, tweehonderd menschen in de Maas en kwamen jammerlijk om het leven.
De plaats van het ongeval is dus Trajectum ad Mosam, of Maastricht.
Dat het dansen noodig zou zijn om houding en manieren te leeren kan Le Roy niet toegeven, daar zijn wel andere en beter middelen voor te vinden, en dat het een middel kan zijn tot het sluiten van huwelijken, wil hij niet betwisten, maar hij vindt het niet het meest welvoegelijke.
En al moge het waar zijn, dat het dansen reeds sedert, lang is beoefend en algemeen verbreid, dat belet niet, dat de kerkleeraren geroepen zijn daartegen te ijveren.
Kampen.
Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.
- Uitterdijk, J.N. (1916, 15 Januari). Een en ander over dansen. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, Vierde Blad (12), p. 1.
