De Provinciale Sinode en de Luthersche gemeente te Zwolle, 1649

De Provinciale Sinode en de Luthersche
gemeente te Zwolle, 1649.

     Van 29—31 Mei 1649 werd do Provinciale Sinode van Overijssel te Zwolle gehouden.
     Als zesde punt werd daarin behandeld een klacht van de classis Zwolle: „Alsoo een seeckeren stouten Luterschen predicant binnen Zwolle is komen woonen en niet alleene de gereformeerde gemeente in deselve plaetse beroert, maer oock overall doer de gantsche Provintie dese en gene soeckt tot syne religie te brenghen, selff oock dat enige van de Graeffschap van Bentem, Osnabrugge en andere benaebuirde plaetsen meer, nu en dan in de voorseide stadt komen en haeren godtsdienst opentlick in syn huis, synde gelyck als tot een formele kercke gemaeckt, plegen, te meer dewijle men siet, dat de stoutigheidt der genaemde Luterschen ten aensien van den gemaeckten Duitschen vrede hoe langer soo arger wort, wort van den E. Classe van Zwolle versoght, dat hot E. Synodus een bequaem en expediënt middel daertegen gelieve te beraemen, om sulx eendrachtelick te mogen weiren en beletten. Domini-correspondentes hier over gehoort synde en Domini-correspondentes Zuidt-Hollandiae Synodi verhaelt hebbende, dat de Hoghe Overheidt in Zuidt-Hollandt niet alleen geresolveert heeft, dat an gene Luterschen de openlycke exercitie van religie in ’t volgende sal gegunt werden, ter plaetse daer sy de to vooren niet gehadt hebben, maer dat oock de Achtbaere Magistraet van Dordreght alriede een kercke welke de Luiterschen in haere stadt hadden angevangen te timmeren, haer heeft ontnomen en tot den suiveren Godtsdienst der Engelsche gemeente aldaer, geapproprieert, onze E. Synodus sich in dese goede resolutie verblydende, beveelt den E. broederen in Zwolle om sulckx als oock mede de goede resolutien desen angaende der Achtbaere Magistraeten in Arnhem en Deventer, haere respective Magistraet bekent te maecken en alsnogh opt eernstigste versoecken, dat den Predicant voernoemt, synde een twistigh en oproerigh hooft, haer Ed. stadt moge ontseidt werden; dit selvige niet helpende werden D. Deputati Synodi gelast, den E. Broederen van Zwolle hierin de behulpelicke handt te bieden, soo by de Achtb. Magistraet van Zwolle soo oock, dies nodigh synde, by Ridderschap en Steden?”
     In de Provinciale Sinode, 18—21 Juni 1650 binnen Vollenhove gehouden, kwam de zaak opnieuw ter sprake.
     Vooraf hadden de deputati-Sinode zich reeds gewend op 22 April 1650 tot de vergadering van Ridderschap en Steden, die toenmaals te Zwolle werd gehouden met het verzoek, om op aandringen van Zwolle: „de stoute vergaederonge der Luitherschen in onse Provintie to gelycke te mogen weeren ende beletten.”
     Waarop Ridderschap en Steden hadden besloten: „die Officieren ende Magistraeten so wel ten platten lande als in de steden sullen geene openbaere exercitie van de Luytersche religie toelaeten!
     Op de Sinode werd besloten bij de magistraten der steden Kampen en Zwolle op het weren der Luthersche vergaderingen aan te dringen.
     De stoute Luthersche predikant, die binnen Zwolle was komen wonen, volgens het gerapporteerde in de Sinode van 1649, was Johannes Van Büteren.
     Hij trad inderdaad, zeer krachtig op, want hij zond in 1649 buiten weten van den magistraat der stad twee leden zijner gemeente naar Duitschland en Holland om giften te verzamelen voor den bouw van een kerk. Hij kreeg zooveel geld bij elkander dat hij een kerkje bouwde aan de Blij- of Varkensmarkt en een pastorie daar naast.
     Ondanks alle bedreigingen vergaderde daarin de gemeente onder zijn leiding, en ’t schijnt, dat de magistraat der stad de zaak op zijn beloop liet, tot bij een besluit van 6 September 1652 de gemeente met honderd gulden werd beboet, omdat ze in ’t nieuwe getimmerte de Luthersche vergadering had gehouden, onder bedreiging, dat zoo men voortging daar te preken, de boete telkens verdubbeld zou worden en op ’t getimmerte zou worden verhaald.
     Het schijnt evenwel, dat het bij die bedreiging ie gebleven, en ’t is opmerkelijk, dat in de notulen van de Provinciale Sinoden wel steeds sprake is van maatregelen, genomen tegen de Luthersche gemeente van Kampen, maar die van Zwolle niet wordt genoemd.
     Als een kleine bijdrage omtrent de huisvesting der afgevaardigden ter sinodale vergadering kan het volgende dienen.
     Afgevaardigden van de classis Kampen op de Sinode van 1649 waren: Cornelius Petraeus, predikant te Kampen, tevens voorzitter der Sinode, Joannes ab Oelen, predikant te Zalk, Otto Gyesus, predikant te Kamperveen, en Eernst van de Keurbeecke, burgemeester van Kampen en ouderling te Kampen.
     Laatstgenoemde diende van de gemaakte kosten navolgende rekening in:

     Oncosten gedaen op het Sinode te Swolle.

     Dominus Petraeus, mette andere fratres vant Classis hebben ten huyse van D. Everhardus Schuttenius (predikant te Zwolle), daer wy geduirende het Sinode onse maeltyden hebben gedaen, die maegden daer int huys vereert voer onse Classis . . . . . . 5.- -,-
     Ick hebbe met Jan Hendricksen die dinder geslapen ten huyse van de Wed. van Zal. Borgr. Otto Alberts, die maecht vereert . . . . 2.— 10.—
     Dom. Petraeus gedaen 3 rixdaler voor onse Classis, vereert aan de maegden daer se geslapen hadden, elck ½ ryxdaler en voor D. Gysius noch ½ ryxdaler die syn E. voorleden jaer verschoten hadde en niet weder bekomen, tsamen . . . . 7.— 10.—
     Die cock voor onse deel vereert voer syn moeite . . . . . . . 1.— 5.—
     Voor myn reise pensien daechs een gul. 8 st. en voer Jan Hendricksen de dinder daechs 19 st., maeckt tsamen . . . . . . . . . . 8.— 8.—
     Die voerman mette peerden verteert in de Valck in 3 tochten, vermoegen die rekeninge vande weerdinne . . . . . . . . . . . . 5.— 8.—
     Noch betaelt voor mij 2 doesyn schepen coeken en Dom. Petraeus 2 doesyn en die dinder een doesyn 2.— 5.—
facit. . . . 32.— 6.—

E. v. KEURBEECKE.
 
     Het blijkt daaruit dat de afgevaardigden bij particulieren waren gelogeerd, doch tezamen bij dominé Schuttenius aten.
     Curieus is, dat voor den burgemeester en Dom. Petraeus twee dozijn schepenkoeken en voor den raadsdienaar Jan. Hendricksen een dozijn schepenkoeken in rekening worden gebracht, die zeker voor een welkom thuis waren bestemd.
     Kampen.
 
Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.
 

  • Uitterdijk, J.N. (1915, 27 december). De Provinciale Sinode en de Luthersche gemeente te Zwolle, 1649. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, tweede blad (303) p. 1.
Category(s): Zwolle
Tags: ,

Comments are closed.