IN MEMORIAM Mr. J.H.P. ENNEMA
Op 5 Januari 1947 overleed te Hilversum, waar zijn naaste bloedverwanten wonen, ons bestuurslid Mr. Joan Hendrik Petrus Ennema. Hij werd op 8 Mei 1902 te Kampen geboren, doorliep de school Luttekes, volgde te Kampen en daarna te Apeldoorn de gymnasiale opleiding en studeerde vervolgens te Utrecht in de rechten. Tusschen zijn candidaats- en doctoraal-examen volgde hij nog een zomercursus van de universiteit van Toulouse te Bagnères-de-Bigorre, in de Fransche Alpen. In zijn militaire diensttijd werd hij te Ede opgeleid tot officier bij de veldartillerie; als zoodanig maakte hij later manoeuvres mee bij de bergartillerie op Java.
Na zijn doctoraal examen werd Mr. Ennema geplaatst op het hoofdkantoor van de Bataafsche Petroleum Maatschappij in Den Haag om opgeleid te worden voor de Indische dienst.
Na ongeveer anderhalf jaar volgde in 1930 uitzending naar Indië, waar hij te Batavia en spoedig daarop te Buitenzorg werkte; ongeveer drie jaar later ging hij als inspecteur naar Malang. Aan deze Indische jaren had hij de aangenaamste herinneringen. Land en volk trokken hem zeer aan; hij verwierf er zeldzame voorwerpen van Oostersche kunst. Na zes jaren Indische dienst keerde hij naar het moederland terug, niet langs de gewone route, maar via China (hij bezocht zelfs Tibet), Japan, Honoloeloe, Californië, Canada en Mexico. In 1936 kwam hij in Europa terug en maakte hier nog reizen naar Schotland, Rusland (waar hij o.a. een 1 Mei-viering op het Roode Plein bijwoonde), Finland en Skandinavië. Toen hij bij zijn ouders te Apeldoorn terug was, bleek zijn gezondheid aangetast door een longaandoening.
Hij zocht genezing te Davos en keerde in 1939 volkomen genezen terug. Gedurende dit sanatoriumverblijf van bijna drie jaren wierp hij zich op etsen- en prentenkunde, op kunstgeschiedenis in al haar schakeeringen.
Kort na zijn terugkeer kreeg hij van Frans Walkate, de man die de Nutsspaarbank te Kampen groot heeft gemaakt, het verzoek hem tijdelijk te assisteeren voor het bijwerken van achterstand op het Archief van de Nutsspaarbank, dat naast het Gemeentelijk Archief een documentair centrum zou moeten worden op het gebied der nieuwere en moderne geschiedenis van stad en omgeving, met name ook voor bouwkunst, volksleven en dialect. Sedert 1940 werkten ze samen na de dood van Frans Walkate zette Mr. Ennema diens werk als beheerder van het Frans Walkate Archief voort, terwijl hij hem tevens opvolgde als correspondent van de Nederlandsche Bank. De oorlog remde echter het werk op het Archief en nog meer het gebruik er van.
Men had contact met het onderwijs willen zoeken, om aan groepen leerlingen „op voor kinderen bevattelijke wijze bijzonderheden van Kampens geschiedenis en topografie, aan de hand van uitgestalde teekeningen, kaarten en fotografieën” te vertellen. Na de bevrijding zou alles op gang komen.
Want er was nog meer. Ennema was, evenals vroeger zijn vader, bestuurslid van de Stichting Campen, die tijdens de oorlog haar museum ingepakt en opgeborgen had. Was het nu niet de tijd om de vraag te stellen of alle cultureel bezit in Kampen plaats kon vinden in één museum, om zoo een einde te maken aan zinlooze versplintering? Samenwerking met het gemeentebestuur werd verkregen door de oprichting van een museumcommissie. Haar eerste werk was de tentoonstelling „Behouden bezit”, van de uit de schuilkelders teruggekeerde oude Kamper kunstschatten. Toen bleek, hoe Ennema de kunst verstond om bij rondgangen eigen enthousiasme over te gieten op de bezoekers, hoe hij zijn geloof, dat beeldende kunst een instrument tot volksopvoeding kan
zijn, wist te verwerkelijken. Ook als bestuurslid van de kunstkring „Het Carillon”, van het departement Kampen der Maatschappij tot Nut van het Algemeen en van de Openbare Leeszaal nam hij actief deel aan de bevordering van het geestelijk leven.
In 1940 was Ennema lid geworden van de Vereeniging voor Overijsselsch Regt en Geschiedenis, en in de najaarsvergadering van 1943 was hij als opvolger van Dr. W.J. Formsma opgenomen in het bestuur. Van zijn werkzaamheid als bestuurslid zij hier slechts in herinnering gebracht, dat het museum aan de Melkmarkt zijn bijzondere belangstelling had. Hij verleende den heer Geesink meermalen hulp, o.a. met het ordenen der munt- en penningcollectie. Maar ook van het Rijksmuseum te Amsterdam en het Friesch museum te Leeuwarden was hij een trouw bezoeker.
Wie zich zoo geestdriftig in de kunst en haar geschiedenis verdiepte, kon de pen niet laten rusten. Om te hameren op het aambeeld: een museum te Kampen, „een centrale plaats voor ons rijke kunstbezit”. En dan was het vooral de overgang van de pruikentijd naar de Biedermayertijd, die hem vasthield, en het was in het bijzonder de biografie die hem aantrok. Het waren figuren als Evert en Jurjen Moulin, de een historicus, de ander letterkundige, J.C. Gaal, de bijna vergeten etser, de „altijd bezige” Jacobus Scheltema, de uitgever De Chalmot, „man van onbegrijpelijke werkzaamheid”, J.W. de Winter, de admiraal uit de Napoleonstijd, waarbij zijn geest vertoefde, daarmee een nog onvoldoende bekend terrein van onze geschiedenis betredend.
Vroolijk had hij in de nazomer nog verteld van zijn belevenissen op Ameland, waar hij met den Frieschen kunsthistoricus Nanne Ottema eenige gouden dagen had doorgebracht. Maar na de najaarsvergadering te Almelo was de toon matter. Hij voelde zich ongesteld: naar het scheen.
leed hij aan rheumatiek; eerst zeer laat vertoonden zich symptomen van de ongeneeslijke kwaal die hem snel zou wegnemen, den schijnbaar zoo robusten jongen man. Afgebroken is dit leven; door velen zal hij gemist worden. Dankbaar zijn ze voor wat hij gaf, met zijn werklust en zijn geestdriftige vereering van het schoone, waarmee hij ook anderen wist te verwarmen. Ze zullen zich bezorgd afvragen, wie zijn plaats zal innemen, want het getal toegewijde en bekwame werkers op dit gebied is klein en soms schijnt het of er, waar het het bewaren en doorgeven van de geestelijke nalatenschap van het voorgeslacht betreft, een generatie ontbreekt. Vooral te Kampen zal onze vriend Ennema zeer gemist worden. Er waren er die, zelf aan een langzamer tempo gewend, zijn wijze van spreken, schrijven en handelen „druk” vonden. En hij mag in zijn onstuimigheid, zijn openhartigheid en zijn krachtdadig handelen wel eens op teenen getrapt hebben. Maar een klopje op de rug en een kwinkslag maakten veel, zoo niet alles weer goed. Vrienden had hij in alle kringen.
We zullen hem in onze herinnering bewaren als den geestigen verteller, die met woord, gelaatsuitdrukking en gebaar de lachers op zijn hand kreeg, den onvermoeiden verzamelaar, dol op een mooie teekening, een fraaie munt of een kostelijk stuk porselein, die handig restaureerde en met smaak zelf het penseel voerde, den gids voor velen, die onder zijn leiding een stukje kunst tot een vreugde voor altijd zagen worden. En boven alles als den trouwen vriend en den harden werker, die „den dieren tijd” bij dagen en bij nachten besteedde.
- Moerman, H.J. (1947). In memoriam Mr. J.H.P. Ennema. Versl. en Mededel. VORG, 62, 1-4.
