STRIJD OM EEN GESTOELTE
IN DE HERVORMDE KERK
TE WIERDEN
IN DE HERVORMDE KERK
TE WIERDEN
Wie enigszins vertrouwd is met de vanoudsher overgeleverde practijk op kerkelijk gebied onzer kerkse voorouders, weet hoe verbonden elk kerkganger zich voelde aan de kerkelijke instellingen, rechten en voorrechten, die van geslacht op geslacht dienden erkend te worden.
Zo respecteerde elk kerkbezoeker het nobel gestoelte van de edelman en diens gezin, die een riddermatige havezathe in de buurt bezat. In welhaast elk Overijssels kerkgebouw viel direct het oog op zulk een eerwaard getimmerte, het feodaal complement van een erkende havezate vormend. Gewoonlijk bestond dit gevaarte uit 2, 3 of 4 rijen banken binnen een statige afsluiting. Enig gebeeldhouwd wapenschild van het jonkergeslacht accentueerde daar zijn kerkelijk privilege en zelden ontbrak in het hoge gothische raam zijn gebrandschilderd wapen.
Ook zou geen enkele diaken, rondgaande met het kerkezakje ter collecte onder de dienst, het overoude voorrecht tekort doen om dit het allereerst aan de inzittenden dezer banken te presenteren als hun eigendommelijke en zeer op prijs gestelde recht van „veurofferen” 1).
En zo prijkte eertijds ook tegen de muur van het koor der
Hervormde Kerk te Wierden een dergelijk gestoelte, bestaande uit een „heeren- en een damesbancke”, gestoelte dat bij ieder kerkganger het respect levendig hield voor de collator der kerk, de heer der heerlijkheid Almelo en Vriezenveen en aan diens voorgangers, die eens in lang vervlogen tijd de stichters waren geweest en de fondsen ter beschikking hadden gesteld, nodig voor kerkbouw en tot levensonderhoud der kerkelijke functionarissen.
Geen wonder dat, waar de bewoners van Huis Almelo hun kerkgangen zeker zullen hebben beperkt tot het ruime gestoelte der voor hen zo nabij gelegen Almelosche kerk, dat zij wel nimmer gebruik zullen hebben gemaakt van hun „bancke” in Wierden, tenzij dan een enkele hoogst zeldzame keer bij een intrede of afscheid van de predikant aldaar, die daar immers was beroepen door de heer van Almelo als „unicus collator”. En priecies zo zal het ongetwijfeld wel geweest zijn ten opzichte van het kerkgebouw te Vriezenveen, waar de heren van Almelo ook het beroepingsrecht uitoefenden en waar zij zeker, prat op hun prerogatieven, zich een gestoelte zullen hebben gereserveerd 2).
Aldus moet het graaflijk Wierdens gestoelte, staande op het koor tegen de muur, en het gestoelte staande langs de „vrouwenbancke” wel bijna voortdurend ongebruikt en afgesloten zijn gebleven. En zo had hier de eerste explosie plaats, namelijk in een godsdienstoefening van het jaar 1715, toen een zekere Sophia Meijers uit Wierden „stoutelijck” de vrijmoedigheid nam om daarin plaats te nemen en zich neer te zetten naast „de doenmalige scholtinne van Wierden”, die overigens niet met name genoemd wordt. Na enige onvriendelijke vragen en antwoorden betoogde deze laatste, dat alleen zij zich de rechtmatige representante van de heer van Almelo mocht
[Foto: Wierden (Ov.) Ned. Herv. Kerk en Toren
gevoelen en dat zij alleen met haar „eheman”, de door Graaf van Rechteren aangestelde schout van Wierden, consent had om in de „heerenbancke” de dienst bij te wonen. Derhalve protesteerde de Scholtinne heftig tegen de indringster. Maar het krakeel hield aan, gene bleef het wederwoord niet schuldig; zij liet er „zich niet uitstooten”, en „veele buitennissigheden, foliën” werden tussen de kijvende dames gepleegd, alles ten aanhore van de gemeente. Eerst toen de schout van Wierden, Jan Hesselinck, zich op Huis Almelo voorzien had van een schriftelijk bewijsstuk van Graaf van Rechteren „als eenigste collator en erffmarkerigter van Wierden”, waarin deze en zijn „eheliefste” aan de scholte tot revocatie het uitsluitend recht had toegekend om in die bank „te meugen sitten bij absentie van den Huize Almelo en daerin geen ander toelaten tensij bij Hoogstdesselfs consent”, eerst toen bleef de kerkdienst voorlopig ongestoord.
Voorlopig ongestoord — maar nu gaan we putten uit een lijvig dossier, dat een procedure ten possessoire bevat, bewaard op het Rijksarchief te Zwolle en gevoerd van het begin van 1728 tot het begin van 1738 ten overstaan van Willem Bentinck, heer van Diepenheim en Schoonheeten, die als landdrost van Twente het Hoogadellijk drostengericht van Twente voorzat3). Dit dossier omvat ongeveer 680 folio-pagina’s, waarin vier advocaten uit Twente hun omslachtige juridische stellingen ten beste hebben gegeven. Wel stellen die heren in hun memories voorop, dat zij zullen pogen om „met expresse verwerping van hetgeen onnoodigsij en onder gewoon emplooy van wat alleen tot heilsame benefictie van regte strekt in alle doenelijcke kortheid” hun lankwijlige betogen aannemelijk te maken, maar metterdaad vervallen zij in ongelooflijke breedsprakigheid, onder tal van aanhalingen uit het klassieke Romeinse en Oud-Vaderlandse recht.
Welnu, als remonstrant (aanlegger, eiser) treedt voor het drostengericht op jonker Rutger David de Reiger, als momber voor zijn derde echtgenote Mechteld Agnes van Langen tot de Dakhorst4). In zijn remonstrantie betoogt hij op 14 Februari 1728, hoe kort voordien een zekere Gerhardus Brouwer uit Wierden zich „hebbe verstouted om gedurende den Godsdienst op een faictelike manier los te breken de banke in de kerke aldaer…… dewelke nu was gesloten door een slot aen d’eene sijde en door latten toegenageld aen d’andere sijde, hebbende hij beclaegde de latten met geweld afgetrokken, hetwelk sijnde een enorme en ongehoorde faictelijkheid, die geensins ontkend kan worden, als in ’t openbaer voor de gehele gemeente werkstellig gemaakt”; vervolgens had hij er zelf in plaats genomen. De Reiger eist dan erkenning van het deugdelijk recht, voorrecht, zijner wederhelft met schadeloosstelling en herstel van het door Brouwer vernielde en diens veroordeling in alle proceskosten.
Men onderscheide wel: De Reiger beweerde niet dat hij zelf in enig privilege was aangetast. Hij zou dit trouwens ook niet met succes hebben kunnen doen, al waren zijn vroege voorouders geziene leenmannen van den Huize Almelo geweest, toen zij nog bezitters waren van het huis „De Reijgershöfte alias de Gladbeek” en een eigen adellijk gestoelte bezaten in het schip van de Almelosche kerk5), – neen, hij kwam alleen op voor het gepraetendeerde recht van zijn vrouw. En hierbij dient erkend te worden, dat de Van Langen’s sedert de 14e eeuw voorkomen als „geërvet”, als grondbezitters, o.a. in IJpelo, Bentelo, Rectum, Azelo enz.
Ook waren zij reeksen van jaren eigenaren geweest van het erve de Dakhorst bij Rijssen, ook van de havezate de Oosterhof bij Rijssen, waardoor zij in de Rijssense kerk een eigen gestoelte en begraafplaats mochten gebruiken. De Reijger verzuimt niet er op te wijzen, dat het wapen van de familie Van Langen voorkomt op de wapenkaart van 1670 der „Ridderlijcke stammen in het landt van Overijssel” door Jacobus Robijn, doch verzuimt wel te vermelden, dat deze kaart nooit een officieel karakter heeft gehad. Beter had hij zich kunnen beroepen op de min of meer officiële wapenkaart, door Antonis van Mierloo in het jaar 1663 bewerkt, op welke kaart het wapen der Van Langen’s ook voorkomt6). Dit alles neemt echter volstrekt niet weg, dat de Van Langen’s door hun bezit van de Dackhorst nog geen riddermatige havezate hadden, en juist dit was nodig om toegelaten te kunnen worden tot de vergaderingen van Ridderschap en Steden. Op hun verzoek tot admissie deswege was bij resolutie van Ridderschap en Steden dd. 17 Mei 1614 afwijzend beschikt.
De Dackhorst moet gelegen hebben in de marke Rectum, links van de Almelosche Aa, in de onmiddellijke nabijheid van het erve Baarfde (Bavoorde, Bervede), waarvan het volgens het oordeel van ons medelid J. Prakken vrij spoedig is af gesplitst; het wordt omstreeks 1567 voor het eerste genoemd in het markeboek van Rectum.
In onze procedure worden nu een zestal getuigen voorge-
bracht, die ten gunste van het echtpaar De Reiger — Van Langen vrij gelijkluidende verklaringen hebben afgelegd (sommigen enkel van horen zeggen), dat niet alleen de Dackhorsters in de omstreden bank plachten te zitten, maar ook wel anderen, „die altoos daeruyt gegaen, wanneer de freulens van de Dackhorst daerinne kwamen”, — in zoverre naar hun oordeel een „gemeen (gemeenschappelijk) gestoelte”. En een getuige, een weduwnaar, wiens vrouw tot de familie Van Langen had behoord, beweerde dat de predikant Ds. Gerhardus Nijhof 7) „op eigen willekeurige autoriteyt het vrouwengestoelte hadde verandert en hij (getuige) sulx nooit toegestaan hadde”.
Op elk betoog in de procedure volgt het juridisch wederwoord, en wanneer we nu de beweringen van de zijde der weduwe van Gerhardus Brouwer, wier man het rechtsgeding niet had overleefd, samenvatten zien we hoe deze zich beperken tot de stelling, dat zij en de haren jarenlang vrijmoedig gebruik hebben gemaakt van de vrouwenbank „sonder inspieringe van jemand”, en zulks tezamen met willekeurige andere gemeenteleden. Daartegenover repliceert De Reijger weer, dat Graaf van Rechteren (die in deze niet als interveniënt had willen optreden), volstrekt niet alleen eigendomsrecht op die bank had bezeten, waarbij hij volhield dat zulks „blote vantise” was, er bij voegende dat wijlen Zeger van Rechteren het recht van collatie en het erfelijk marke-richterschap van Wierden „in 1656 door koop van den doenmaligen heere Van Langen tot de Dakhorst hebbe aen sig gebracht”, terwijl de Van Langen’s jaar in jaar uit die banken nadien bleven bezetten. Hiertegenover kon weer gesteld worden, dat de heren van Almelo de rechtsopvolgers waren van die voorzaat, die in 1433 uit handen van de priester Lubbertus Woestehof diens plechtige gelofte verkreeg „dat he te We-
derden sal wonnen (wonen) en selven bedienen de kercken van den kerspel van Wederden als een kerkher schuldig is to done”; en voorts, dat uit de Almelosche archiefstukken en uit het Wierdense kerk-archief kon blijken, hoezeer de heer van Almelo als unicus-collator ook na de Roomse tijd en nog na de Franse Revolutie de predikant van Wierden had beroepen en in alle kerkelijke aangelegenheden het hoogste gezag mocht uitoefenen, derhalve dat hij alléén daar naar rechte zijn gestoelte bezetten kon, terwijl zelfs een tijdelijke in bezitneming door anderen elk rechtsfundament miste.
Maar wij moeten tot het slot van deze geschiedenis overgaan: de drost droeg ten laatste aan twee advocaten uit Oldenzaal op om hem een juridisch advies uit te brengen over deze zaak. Zo sprak de drost op 4 Februari 1738 (!) zijn zeer kort maar krachtig vonnis uit, waarin hij volgens de processuele gang, vastgelegd in het Overijsselse landrecht, het oordeel zijner twee raadslieden overgenomen had. „Het gerigt met ingewonnen advies enz. oordeelt den heer aanlegger niet ontvankelijk te zijn met condemnatie van desselfs kosten”. En de drost taxeert die kosten, voorlopig althans, ten aanzien van twee advocaten op 187 gulden en 16 stuivers. De overige zal hij nader vaststellen met de „sportelgelden”, d.w.z. alle verschotten van het gericht, van de gerechtsdienaren enz. Uiteindelijk zal het echtpaar De Reijger—Van Langen dus zeker wel het dubbele van genoemd bedrag betreurd hebben.
Of er thans nog nakomelingschap van de weduwe Gerhard Brouwer bestaat, is mij niet gebleken; mevrouw De Reiger— Van Langen stierf kinderloos. Wel bleek mij, dat er absoluut geen heugenis aan heel deze historie meer bestaat. Trouwens het patronaatsrechts en collatierecht werden bij de Grondwetsherziening van 1922 afgeschaft, en het Wierdens kerkgebouw zelf werd in 1927 tot op zijn fundamenten afgebroken en vervangen door een nieuw Godshuis. Gelukkig, dat onder medewerking van ’s Rijks Monumentenzorg de fraaie laatgothieke toren behouden bleef en in 1932-1933 gerestaureerd
werd; daarmee werd dus ook bewaard de klok van 1495, gegoten door Gerardus van Wou, twee oudere tijdgenoten en stille getuigen dus van deze strijd8).
- Kuile, G.J. ter (1952). Strijd om een gestoelte in de Hervormde kerk te Wierden. Versl. en Meded. VORG, 67, 179-186.
