6
SLOTBESCHOUWING
In het onderstaande worden de resultaten van het onderzoek nog eens op een rij gezet en wordt een antwoord geformuleerd op de kernvraag naar de factoren die het proces van bestuurlijke verschriftelijking richting gaven. Voorts is het zaak na te gaan of en hoe de ontwikkeling in Deventer samenhing met die in andere steden – is Deventer in bepaalde “administratieve tradities” te plaatsen of staat de stad in dit opzicht volledig op zichzelf? Het hierbij aangehouden geografische kader is ruwweg het bisdom Utrecht.
Bestuurlijke verschriftelijking: het begin
In hoofdstuk 2 is de vroegste fase van schriftgebruik in Deventer besproken. De aanzet tot specifiek bestuurlijke verschriftelijking werd in de late 13de eeuw gegeven. Voordien, waarneembaar sinds omstreeks 1200, bleef schrijfactiviteit in Deventer beperkt tot de administratie van het kapittel van Sint Lebuinus. Onder de aan deze kerk verbonden geestelijkheid ging in de 13de eeuw een keur aan schrijvers schuil. Het bleek mogelijk de omvang van deze groep bij benadering vast te stellen. Er laten zich enkele tientallen scribenten tellen, van wie het merendeel actief was in de tweede helft van die eeuw. Het waren deze geletterden die op incidentele basis oorkonden voor het stadsbestuur schreven, zoals zij dat ook deden voor anderen die daarom vroegen. Vanaf het laatste decennium van de 13de eeuw verrichtten enkelen van hen op vaste basis schrijfwerk voor de magistraat. Het proces van bestuurlijke verschriftelijking was opgestart en de stadsschrijver had zijn intrede gedaan.
Voor een verklaring van deze start op dat moment moeten we ons verdiepen in de sociale en politieke context. We stuiten dan op een ontwikkeling naar emancipatie ten opzichte van de landsheer, de bisschop van Utrecht, op het terrein van bestuur en rechtspraak. Cruciaal daarbij was de verhouding tussen de bisschoppelijke dienstlieden (ministerialen) en andere groepen in de stedelijke samenleving. Aannemelijk is dat zich in Deventer in de eerste helft van de 13de eeuw een verschuiving in de sociale structuur voordeed die ook politieke repercussies kreeg. De ministerialen, die aan het begin van de eeuw nog veel bestuursmacht bezaten, verdwijnen uit beeld; de (laken-)kooplieden namen de fakkel over. In 1249 trad deze groep met nadruk in het
licht met en in de zogeheten koopmansgilderol, die een statuut en ledenadministratie behelst. De kooplieden waren hoofdzakelijk afkomstig uit lokale vrije families.
De burgerij en haar bestuursorganen ontworstelden zich vanaf de jaren zestig van de 13de eeuw aan de greep van de bisschop en diens lokale vertegenwoordiger, de stadsrichter of -schout (iudex). De Deventer stadsoverheid maakte van een verzwakking van het bisschoppelijke gezag in de jaren tachtig en negentig van de 13de eeuw gebruik om de stadsrichterfunctie aan zich te trekken. Met het herstel van de bisschoppelijke macht rond 1300 trad de stadsschout weer zelfstandig op. Vanaf omstreeks 1318 raakten magistraat en stadsrichter in Deventer definitief los van elkaar. In 1370 kregen stadsbestuurders toegang tot het stadsschoutambt, dat tot dan toe voor hen gesloten was. Omgekeerd zien we gewezen stadsrichters voordien wel in het stadsbestuur terug.
Het op gang komen van bestuurlijke verschriftelijking moet gezien worden in de context van het genoemde emancipatieproces. Sociale en politieke factoren alleen kunnen eerstgenoemde ontwikkeling echter niet afdoende verklaren. Een eerder cultureel element, namelijk onderwijs, speelde een sleutelrol. Verondersteld is dat de toegenomen behoefte aan scholing ten behoeve van een loopbaan in de wereld de beslissende voorwaarde voor bestuurlijke verschriftelijking was. De Deventer kapittelschool voorzag vanaf het eind van de 13de eeuw steeds meer in de groeiende maatschappelijke vraag. De aan deze instelling opgeleide burgerzonen die het later tot stadsbestuurder brachten, zagen het nut en belang in van de toepassing van het geschreven woord bij de uitoefening van bestuurstaken. Deze hypothese vindt steun in aan de cameraarsrekeningen te ontlenen casussen. Niet alleen de productie, maar ook de bewaring en registratie van schriftgoed – vooralsnog louter oorkonden – kreeg aandacht, hetgeen resulteerde in wat men zou kunnen noemen een perkamenten (en later ook papieren) geheugen van de stad. In Deventer richtte men hoogstwaarschijnlijk in het laatst van de 13de eeuw een bestuursarchief in. Aldus ontstond in kringen van bestuurders wat Clanchy noemt een “literate mentality”.
De aanname dat het onderwijs de doorslag gaf, sluit aan bij hetgeen geschreven is over Noordduitse steden, specifiek Lübeck. Pitz legt met betrekking tot die stad een algemeen en direct verband tussen het bestaan van een groep geletterde, internationaal opererende kooplieden met een eigen schriftcultuur die op de handelspraktijk gericht was, de inrichting van het onderwijscurriculum en bestuurlijke verschriftelijking, in het bijzonder stadsrekeningen1. Ook ten aanzien van Deventer kunnen we veronderstellen dat er een wisselwerking bestond tussen het onderwijs, de koopliedenstand, zijn particuliere en zakelijke schriftcultuur en de stedelijke administratie. Van wezenlijk belang is Pitz’ vaststelling dat dezelfde sociale groep in zowel de private als de publieke sfeer actief was. Daarom is de vraag of “koopliedenschriftelijkheid” vooraf ging aan dan wel volgde op bestuurlijke verschriftelijking oneigenlijk.
Clanchy relativeert daarentegen het belang van onderwijs in het verschriftelijkingsproces. Hij ziet de bureaucratie als de wegbereider van “literacy”; de accumulatie van documenten en hun toepassing in het dagelijkse leven maakten naar zijn mening meer leken geletterd2. Volgens
Clanchy staat de moderne beschouwer bloot aan het gevaar “prejudiced in favour of literacy” te zijn, en is de invloed van onderwijs te zeer verabsoluteerd en onvoldoende kritisch benaderd3. Er ligt echter een wereld van verschil tussen de verschriftelijking in het Engeland van de 12de en 13de eeuw en de Noordnederlandse gewesten. In Engeland vond in die eeuwen een ware documentenexplosie plaats, terwijl de noordelijke Nederlanden juist ontwaakten wat betreft schriftgebruik. Van een doordrenking van de samenleving met schriftelijke stukken kan bezwaarlijk gesproken worden in de noordelijke Nederlanden in de (late) 13de eeuw, de beginfase van de bestuurlijke verschriftelijking.
Bestuurlijke verschriftelijking: het vervolg
Ten behoeve van de analyse van het proces van bestuurlijke verschriftelijking is in dit boek een driedeling naar bestuur, rechtspraak en financieel beheer aangehouden. In het tweede kwart van de 14de eeuw deed zich binnen het stadsbestuur een ontwikkeling voor naar specialisatie: de schepenen verdeelden onderling een aantal taken, welke voor de duur van het bestuurlijke jaar door steeds twee man uitgevoerd werden. Aan deze zogeheten raadsambten, zeven in getal, werden in het derde kwart van de 14de eeuw nog slechts twee toegevoegd (zie bijlage 1). Voor de rechtspraak creëerde men de functie van burgemeester, welke eveneens door twee schepenen tegelijk bekleed werd. Deze functie rouleerde om de vier weken. Aangezien het aantal raadsambten het aantal schepenkoppels overschreed (negen tegen zes), was stapeling van taken onvermijdelijk. Een probleem was dit niet, omdat de taken in zwaarte verschilden. Een schepen-cameraar was in de praktijk minstens zo druk als een schepen die bijvoorbeeld tolmeester en weidegraaf was. Niet voor niets onderscheidde men “overste” en “kleine” ambten; alleen voor de eerste kreeg men een extra emolument. Binnen het bouwwerk van raadsambten bestond dus een formele hiërarchie. De controle op de vervulling van al deze gedelegeerde taken was een zaak van de magistraat als collectief. Om effectief toezicht te kunnen houden was een schriftelijke verslaglegging door de schepenen in hun hoedanigheid van raadsbeambte een vereiste. Dit verklaart waarom het proces van bestuurlijke verschriftelijking in de genoemde periode goed op gang kwam; bestuurlijke specialisatie en bestuurlijke verschriftelijking hingen direct met elkaar samen.
Volgens Pitz hebben de administraties van de door hem onderzochte steden Keulen, Lübeck en Neurenberg bij alle verschillen gemeen, dat het systeem van raadsambten en bijbehorende competenties de weg plaveide voor de zich verbreidende schriftelijkheid en het in zwang komende “Aktenwesen”. Hij benadrukt dat de stadsbesturen ervoor waakten dat de raadsambten zich als als aparte loten van de bestuurstak afsplitsten4. In Deventer is er in de onderzochte periode nooit sprake geweest van dreigende verzelfstandiging van raadsambten; de lijnen waren kort en de onderlinge controle binnen het schepencollege was sterk.
Een bestuurlijke kernactiviteit was de uitvaardiging van keuren. Keurbevoegdheid bezat het Deventer stadsbestuur al aan het eind van de 13de eeuw. Het eerste indirecte bewijs van optekening van dergelijke stedelijke verordeningen en rechtsregels dateert uit 1337. In 1343 wordt
melding gemaakt van een bestaand keurboek. Het eerste keurboek dat in Deventer voorhanden is, stamt uit 1448. De daarin opgenomen keuren zijn geen van alle gedateerd. De voorgeschiedenis is als het ware gewist in de opeenvolging van keurboekredacties, die we kennen dankzij referenties in de stadsrekeningen. In het Deventer bestuurlijke schriftgoed komt de functie van moederstad van de Overstichtse stadsrechtfamilie amper tot uitdrukking; men moet met een lantaarntje zoeken naar voorbeelden van rechtsadviesaanvragen door dochtersteden. Een archief met jurisprudentie als in Zutphen kwam hier niet tot stand. Een verklaring zou kunnen zijn dat Kampen en Zwolle zich in het kader van hun streven naar autonomie (ook) op dit punt probeerden los te maken van Deventer5. Duidelijk is dat de Overstichtse stadsrechtfiliatie een constructie was die althans in de 14de en 15de eeuw amper een praktische betekenis had.
De optekening van keuren vond elders in de noordelijke Nederlanden al vroeg plaats, zeker in Holland en Zeeland. Middelburg nam hier het voortouw, waarschijnlijk reeds in het laatst van de 12de eeuw. Andere Zeeuwse en Hollandse steden volgden6. In Dordrecht werden tussen 1287 en 1293 losse stedelijke verordeningen opgeschreven7. In Utrecht zien we ook al zeer vroeg keuren genoteerd worden, namelijk in 1251 en opnieuw in 12668. Zutphen kan bogen op een traditie van het op schrift stellen van keuren die tot 1311 teruggaat9. In Kampen nam men reeds in 1313 het “boek van rechten” in gebruik10.
Het uitvaardigen van keuren en het afdwingen van de naleving daarvan zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In de tweede helft van de 14de eeuw groeide een praktijk van registratie op het gerechtelijke vlak, welke zich sedert de vroege 15de eeuw nog uitbreidde (zie bijlage 6). Het strafrecht ging hier voorop vanaf het midden van de 14de eeuw; registratie op het terrein van de vrijwillige rechtspraak liet tot het eind van die eeuw op zich wachten. Dit is laat, gegeven een veronderstelde competentie sinds 1123. De contentieuze rechtspraak sluit de rij: systematische registratie in deze sfeer vond sinds 1423 plaats en werd naar alle waarschijnlijkheid afgedwongen door de meente. Kenmerkend voor het Deventer bestuurlijke schriftgoed is de overstelpende hoeveelheid gerechtelijke registers met hun duizenden, zo niet tienduizenden notities. Deze weerspiegelen een buitengewoon intensief rechts- en transactieverkeer.
Voor de vroegste fase van de stedelijke boekhouding, de stadsrekeningen, is in deze studie een nieuw, hypothetisch model gepresenteerd. Het gaat uit van het naast elkaar bestaan van verschillende boekhoudingen die op een gegeven moment versmelten tot een centrale rekening. In
Deventer gebeurde dit rond 1330. Het moment van integratie moet voor elke stad afzonderlijk vastgesteld worden aan de hand van de plaatselijke ontwikkelingen en gebeurtenissen; lokale omstandigheden bepaalden de evolutie en vormgeving van het financiële beheer en de schriftelijke verantwoording daarvan. Met betrekking tot Deventer is in het voorgaande aangenomen dat demografische en economische expansie in de eerste helft van de 14de eeuw primair de aanzet gaf tot een verandering in de financiële administratie. De boekhoudingen die vooraf gingen aan een “volwaardige” stadsrekening waren eenvoudige lijsten van inkomsten en/of uitgaven. In Deventer zijn dergelijke overzichten niet overgeleverd, maar het is plausibel dat zij op een aantal specifieke terreinen bestaan hebben. De (antropologische) literatuur ziet lijsten als karakteristiek voor de vroege toepassingen van het schrift. In een lijst ordent of herordent men informatie. Hij kan dienen als uitgangspunt voor verdere verfijning en uitbreiding of als voorbeeld voor andersoortige classificaties11. De geleidelijke maar toch vrij snelle (want vermoedelijk maar enkele decennia in beslag nemende) ontwikkeling van financiële lijsten tot stadsrekening sluit hierbij goed aan.
Er is in Deventer geen bewijs voorhanden om de in de literatuur gedane bewering te staven dat de zelfstandige stedelijke belastingheffing te beschouwen is als de eerste aanzet tot een ambtelijk apparaat en financieel huishouden12. De Deventer magistraat financierde zijn beleid tot halverwege de eerste helft van de 15de eeuw niet zozeer met behulp van belastingen als wel met leningen: vermogende burgers droegen -al dan niet verplicht- bij aan de stedelijke kas. Pas rond 1430 kwam de uitgifte van jaarrenten in zwang. Geheel anders was de ontwikkeling in Zutphen, waar het stadsbestuur reeds vanaf omstreeks 1330 kapitaal verwierf uit de verkoop van jaarrenten, die aanvankelijk uit de gruitinkomsten afgelost werden13. Aan het eind van de 14de eeuw had deze verkoop een enorme omvang bereikt14. Kossmann-Putto stelt naar aanleiding van de situatie in Kampen in de vroege 14de eeuw dat het systeem van de gedwongen lening economisch gezonder was dan de financiering met behulp van renten, omdat het – gegeven de relatief korte terugbetalingstermijn – niet tot een opeenstapeling van stadsschulden leidde15. In Deventer eiste de meente vanaf het tweede kwart van de 15de eeuw meer toezicht op de stedelijke financiën op.
Rond het midden van die eeuw werd de controle door de meente geformaliseerd.
Een aspect van bestuurlijke verschriftelijking dat tot slot kort vermelding verdient, is het ontstaan van een traditie van vervaardiging van memorialen in de eerste helft van de 15de eeuw. In dergelijke registers legden de stadsschrijvers ten behoeve van de magistraat gedenkwaardige zaken van diverse aard vast. De tijdgenoot onderscheidde ze terminologisch van de kopieën- of privilegeboeken, welke reeds sedert de vroege 14de eeuw in zwang waren.
Bestuurlijk schriftgoed, schrijvers en geletterdheid
Er is in deze studie herhaaldelijk sprake geweest van de “overgang” van Latijn naar volkstaal. Het is hier de plaats de gegevens daarover bijeen te brengen, ook al omdat zij licht werpen op het (financieel-)administratieve bouwwerk en zelfs op de graad van alfabetisering in de stad. In hoofdstuk 3 hebben we gezien dat in Deventer de oudste oorkonden in het Middelnederlands vanaf 1328 verschijnen. Geen van deze vroege volkstalige documenten werd echter geredigeerd in de stedelijke schrijfkamer; zij waren afkomstig uit de kanselarijen van de bisschop van Utrecht en de graaf van Gelre en Zutphen. Gevehard van Hildesheim, die in 1344 zijn werkzaamheden aanving, was de eerste Deventer stadsschrijver die zich geregeld van het Middelnederlands als oorkondenschrijftaal bediende16. Een moment van cruciaal belang voor de toepassing van de volkstaal als administratieve schrijftaal was de abrupte overschakeling op het Middelnederlands in de cameraarsrekeningen in 1361. In het oudste bewaarde verpachtingsregister gebeurde gelijktijdig hetzelfde. Hoewel deze omslag samenvalt met het aantreden van stadsschrijver Johan ter Hurnen, wil daarmee niet gezegd zijn dat hij hiervoor de eerstverantwoordelijke was en al helemaal niet dat hij het Latijn niet of onvoldoende machtig zou zijn geweest – voor een notaris was dat ondenkbaar17.
Op het eerste gezicht is er in Deventer zodoende met enige marge aan te geven wanneer het Latijn zijn monopolie in de stadsadministratie definitief verloor: tussen 1344 en 1361, zoals Slicher van Bath een halve eeuw geleden al constateerde. Bij nader inzien echter blijkt de situatie gecompliceerder te zijn geweest. Aantoonbaar in de jaren vijftig en vermoedelijk ook al daarvóór, al is niet aan te geven sinds wanneer, voerden de schepenen als raadsbeambten hun boekhoudingen in de volkstaal. We bevinden ons dan in de onderste administratieve lagen. Schepenen noteerden zaken die hun raadsambt raakten en specifiek inkomsten en uitgaven op wastafeltjes of cedelen. Op gezette tijden schreven zij deze informatie af in een kladrekening (of lieten dat doen). Aan de hand daarvan, al dan niet via een conceptrekening, vervaardigden zij, de stadsschrijver of diens assistent de netrekening van het raadsambt in kwestie. Uitzonderlijk genoeg bleef een fragment uit 1358 van zo’n netrekening, in dit geval van de timmermeesters, bewaard.
Op basis van de aangeleverde raadsambtsnetrekeningen (en nog andere bescheiden) maakte de stadsschrijver een klad van de centrale stadsrekening, die van de cameraars. De laatste fase was de redactie van de cameraarsnetrekening. Bij het opmaken van de cameraarsrekeningen vond derhalve een vertaalslag plaats die in het typische rekeningenlatijn resulteerde18. Niet alleen schepe-
nen bedienden zich bij de uitoefening van hun raadsambten medio 14de eeuw van de volkstaal, ook belangrijke stadsdienaren – zij die op de stedelijke loonlijst stonden – deden dat toen al. Met name gaat het dan om de gerechts- en briefboden.
Twee conclusies dringen zich naar aanleiding van het voorgaande op. De eerste is dat het Latijn zijn overwicht op de volkstaal in de stadsadministratie in 1361 definitief verloor. Terwijl in de onderste administratieve strata van het financiële beheer vermoedelijk al vanaf het tweede kwart van de 14de eeuw de volkstaal overheerste, hield in de voor controle en archivering bestemde bovenste lagen het Latijn nog enige tijd stand. Het is goed mogelijk dat dit om redenen van prestige gebeurde. Waarom gaf men in 1361 deze omslachtige werkwijze op? In 1361/1362 vonden diverse belangrijke bestuurlijke en administratieve veranderingen plaats. De overgang op de volkstaal in de stadsrekeningen kan dus aan de politieke factor toegeschreven worden. In hoeverre de meente of een andere groep uit de stadsbevolking een rol speelde, anders gezegd: of deze omslag afgedwongen werd vanuit de burgerij, is niet te zeggen. Ter vergelijking kan in de noordelijke Nederlanden gewezen worden op de situatie in de stad Groningen. Bij gebrek aan andere bronnen is de verhouding tussen Latijn en volkstaal daar alleen aan oorkonden af te lezen. Bakker constateert dat het Latijn rond 1370 ineens verdwijnt uit de oorkonden die uitgingen van het Groninger stadsbestuur en veronderstelt dat daaraan een bestuurlijke beslissing ten grondslag lag. Deze volgde op een periode van politieke veranderingen19.
De tweede conclusie is dat Deventer rond het midden van de 14de eeuw al vele geletterde leken kende. Dezen waren niet alleen te vinden in kringen van de bestuurlijke elite en in het in omvang nog bescheiden ambtenarenapparaat. We ontmoetten terzelfdertijd een geletterde herbergier20 die diensten verleende aan het stadsbestuur. In hoeverre hij representatief is voor zijn beroepsgroep op dat moment is niet te zeggen; begin 15de eeuw is een openbare notaris annex herbergier aan te wijzen21. Dat de herbergiers een interessante groep vormen in het spectrum van stedelijke scribenten is evident. Aan het eind van de 14de eeuw waren geletterde leken ook aan te treffen in de groep van (meester-)ambachtslieden, met name in het bouwvak en onder smeden.
Gevoegd bij de constatering dat pachters van stedelijke domeinen en inkomstenbronnen geletterd waren, ontstaat de indruk dat de alfabetiseringsgraad in de late 14de en zeker in de 15de eeuw wel eens hoger kan zijn geweest dan in de literatuur verondersteld is22. Nader onderzoek op dit punt is gewenst; vooral de 15de-eeuwse gerechtelijke registers (en tot op zekere hoogte ook de archivalia van broederschappen en ambachtsgilden) bevatten een schat aan gegevens hieromtrent.
Bij dit alles valt aan te tekenen dat de kerfstok in zowel het herbergwezen als het bouwvak steeds in gebruik en belangrijk bleef. In de tweede helft van de 15de eeuw werd de kerfstok intensiever benut, met name in de bierbrouwerij. Deze ontwikkeling gaf aanleiding tot regularisatie
door de magistraat. Terzelfdertijd was de kerfstok ook op de Deventer jaarmarkten in zwang23.
Kerfstokken hadden dus een functie in het financiële verkeer in een tijd waarin dit al volledig verschriftelijkt was. Dit op zich bewijst al dat de kerfstok een volwaardig hulpmiddel was, dat een geheel eigen plaats had in het geheel van “literacy and numeracy”.
Schrijfkamer/secretarie
Hoewel deze studie niet nader ingaat op de verhoudingen op de secretarie, zoals in de inleiding vermeld is, zijn enkele bevindingen niettemin vermeldenswaard. Allereerst valt op te merken dat de bronnen ons in de steek laten waar het gaat om de beroepsmatige antecedenten van de Deventer stadsschrijvers. Er is geen greep te krijgen op de omgeving waarin zij werkten voorafgaand aan en volgend op hun dienstverband in Deventer. Als hierover meer bekend was, zou mogelijk ook meer te zeggen zijn over ontlening van administratieve technieken en gewoonten aan landsheerlijke en heerlijke kanselarijen of stedelijke secretarieën elders24. Een dwingend causaal verband tussen administratieve vernieuwingen en het aantreden van een nieuwe stadsschrijver is daarom niet te leggen; het was niet de individuele scribent die het proces van bestuurlijke verschriftelijking richting gaf25.
Voorts is duidelijk geworden dat de Deventer secretarie tot het laatste decennium van de 14de eeuw een éénmanszaak was. Wel werden bij gelegenheid assistenten ingeschakeld. Ook nog in het eerste decennium van de 15de eeuw kon Johan van Ommen het schrijfwerk voor het stadsbestuur in zijn eentje af, net als Johan Pallas in de jaren 1425-1432. In een contract dat Pallas en de magistraat in 1426 sloten, het enige stadsschrijverscontract dat in Deventer bewaard bleef, is sprake van de mogelijkheid in “noodgevallen” een hulpkracht in te zetten (zie bijlage 5). Pas vanaf 1433 waren er twee (onder wie sedert 1443 de eerste niet-geestelijke, Jacob van Noerle), en sinds 1461 drie stadsschrijvers tegelijk werkzaam op de secretarie. Bijlage 6 laat zien dat in de tussenliggende jaren diverse nieuwe registraties opgezet werden. De conclusie is gewettigd dat Deventer in deze periode in economisch en demografisch opzicht een groeispurt doormaakte.
Dit wordt des te waarschijnlijker als we in ogenschouw nemen dat het aantal beroepsschrijvers buiten de secretarie, op wie de burgers vooral voor “vrijwillige” zaken een beroep konden doen, medio 15de eeuw groeide. Naast de openbare notarissen zien we dan ook andere professionele scribenten verschijnen, zoals de “schrijfmeesters”26. De schrijfmarkt bood plaats aan velen, dit niettegenstaande het feit dat steeds meer burgers zelf de pen hanteerden.
Terzelfder tijd zien we het secretariepersoneel voor perkament, al dan niet in de vorm van geprepareerde codices, geregeld een beroep doen op de fraters van het Heer Florenshuis. In de literatuur is hierop tot nu toe hoofdzakelijk de aandacht gevestigd voor wat betreft de 16de eeuw27.
Vergelijking
In de inleiding is de vraag opgeworpen of het proces van bestuurlijke verschriftelijking in Deventer zich laat vergelijken met de gang van zaken in andere steden. Voor een dergelijke vergelijking staat literatuur ter beschikking over Utrecht (Muller en Ketner), Kampen (Kossmann-Putto) en voor wat betreft de beginfase ook Nijmegen (Ketner), terwijl voorts studies voorhanden zijn over het graafschap Holland en Zeeland (Burgers, Dijkhof en Kruisheer) en Friesland ten westen van de rivier de Lauwers (Vries).
Ketner stelde vast dat de 68 originele bisschopsoorkonden die tijdens het episcopaat van Hendrik van Vianden uitgevaardigd werden, door maximaal 55 verschillende handen geschreven zijn. Het merendeel daarvan is te zoeken in de vijf Utrechtse kapittels en het Duitse Huis aldaar28. Dit geeft een goede indruk van het relatief grote aantal schrijvers in de bisschopsstad kort na het midden van de 13de eeuw. In zijn studie over de Utrechtse secretarie kon Ketner de helft van de twaalf getraceerde “stadshanden” in de periode 1196-1305 koppelen aan lokale kapittels, in het bijzonder het Domkapittel29. Hoewel de identificatie van de restgroep essentieel is voor een juiste beoordeling van de verhoudingen, is het evident dat ook in Utrecht de kapittels de oudste schrijfcentra waren en dientengevolge hun expertise op dit terrein konden leveren aan het stadsbestuur. De eerste Utrechtse stadsschrijver was uit het Domkapittel afkomstig; hij was werkzaam tussen 1267 en 128430.
Ketner heeft Mullers uiteenzettingen over de Utrechtse rechtsboeken handzaam samengevat en deze van vlees en bloed voorzien door ze paleografisch te verbinden met stadsschrijvers, met name de scribentendynastie der Tolnaers. Daarnaast schenkt hij ook aandacht aan andere stedelijke registers31. Registratie op vele vlakken vond in Utrecht plaats sinds omstreeks 1340. Ketner onderscheidt onder de wat hij noemt “stadsboeken en registers” (de laatste door hem aangeduid als “inschrijfboeken”) een categorie “rechtscodificaties”. Binnen deze groep is het in 1340 aangelegde Liber albus het oudste. Hierin werd een oudere redactie van het Utrechtse recht “verclaert ende verscreven”. Tot dezelfde groep rekent Ketner ook een register van criminele vonnissen annex belangrijke raadsbesluiten of “willekeuren” (vanaf 1342). Terzelfder tijd of al eerder kende men cameraarsrekeningen en voerde men een burgerboek annex register van commissies uit de raad. Daarbij voegden zich het zogeheten raadsdagelijks boek (raadsresoluties; minstens sinds 1369), buurspraak- of luidboeken (vermoedelijk al vóór 1378, het zogenoemde liber hirsutus), kopieboeken voor stedelijke privileges (jaren negentig van de 14de eeuw) en minuutboeken van uitgaande missiven (zeker sinds 1402, mogelijk al in het laatste kwart van de 14de eeuw). Voorts bestond sedert 1351 of al eerder een apart schepenboek.
Hoewel de administratieve evolutie in Utrecht – zoals in iedere stad – een eigen signatuur droeg, zijn er zowel in chronologisch als technisch-administratief opzicht opvallende overeenkomsten met de bestuurlijke verschriftelijking in Deventer. De kern daarvan is het voeren van
registers op alle bestuursterreinen. Het moment waarop dit gebeurde viel in beide steden in de eerste helft van de 14de eeuw. Hoe moet deze parallellie verklaard worden? In de lijn van de hier gekozen benadering kan verondersteld worden dat de ontwikkeling van de stadsbesturen (specialisatie, competenties) op vergelijkbare wijze verlopen is. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of deze hypothese houdbaar is.
Een ander beeld geeft Kampen te zien. Kossmann-Putto stelt vast dat de magistraat bij het opzetten van zijn administratie in de eerste paar decennia van de 14de eeuw eclectisch te werk ging.
Elementen uit Keulen (de bakermat van registratie van vrijwillige zaken), Soest, Hamburg en de Wendische steden, met name Lübeck, werden samengesmeed tot een geavanceerd en voorlijk administratief apparaat, waarvan – ook alweer – registers de ruggengraat vormden. Registratie was overigens niet de enige vorm van schriftelijke vastlegging; ook de schepenoorkonde was gebruikelijk32. In Kampen koos men dus al vroeg welbewust voor navolging van een administratief systeem dat zich elders bewezen had. In het Oversticht vond het “Kamper model” voor de optekening van vrijwillige zaken – registratie naast beoorkonding – ook elders ingang. Te noemen zijn Zwolle en, van de kleine steden, Goor (1333)33, Delden (1340), Ommen en Vollenhove (15de eeuw)34.
Vergelijken we het tijdstip van de introductie van het instituut van stadsschrijver in Deventer (omstreeks 1290) met andere steden in Oost-Nederland waarvoor gegevens voorhanden zijn, dan blijkt dat in het Oversticht Kampen voorop ging (1286), terwijl Zwolle het rijtje iets later sloot (1304)35. Uit het graafschap Gelre en Zutphen zijn op dit punt ook enkele gegevens beschikbaar. Stadsschrijvers treffen we daar het eerst aan in de zuidelijke contreien. Schout en schepenen van Roermond konden reeds in 1278 beschikken over een eigen notarius36. In Nijmegen ving een schoolmeester zijn baan als stadsschrijver in hetzelfde jaar aan. Hij zette zijn werkzaamheden tot 1291 voort37. De stad Zutphen ging gelijk op met Deventer. Gedurende de jaren 1291-1299 was de priester meester Johan de Wilde, vermoedelijk een vicaris van de plaatselijke Sint Walburgiskerk, er als stadsschrijver werkzaam38.
F. Arnecke is van mening dat de inrichting van het stadsschrijversambt samenhing met en voortvloeide uit communale emancipatie39. De verbinding die Arnecke legt met een politiek pro-
ces dat zich in alle steden van het Duitse Rijk – ook in Deventer – vroeger of later voltrok verklaart het ontstaan van het instituut van stadsschrijver evenwel niet. Als werkhypothese kan Arneckes inzicht echter vrucht afwerpen bij toekomstig onderzoek naar verschriftelijkingsprocessen in steden40.
Uit een recente synthese van Burgers, Dijkhof en Kruisheer over verschriftelijking in het graafschap Holland en Zeeland blijkt dat schriftcultuur daar tot omstreeks het midden van de 13de eeuw beperkt bleef tot de abdijen Egmond en Middelburg. De Egmondse monniken schreven tot de instelling van een grafelijke kanselarij in 1268 ook voor de graven. Eveneens tot in de jaren zestig en zeventig van de 13de eeuw redigeerden in de Hollandse en Zeeuwse steden verblijvende geestelijken op aanvraag oorkonden voor stadsbesturen en burgers41. In een tweede fase verschijnen daar in het laatste kwart van de 13de eeuw stadsschrijvers42. Waar de chronologie redelijk overeenkomt, is een wezenlijk verschil tussen Oost-Nederland en Holland en Zeeland gelegen in de rol van kapittels van seculiere geestelijken. In West-Nederland zijn deze relatief laat ingesteld en komen zij dus niet als vroege schrijfcentra in aanmerking43. Volgens Burgers, Dijkhof en Kruisheer riepen in Holland en Zeeland niet het grafelijke hof of de stadsbesturen secretarieën in het leven, maar de burgers zelf. Zij kregen er in de visie van deze auteurs in een ingewikkelder wordende samenleving behoefte aan om mondelinge afspraken op schrift te laten stellen44. In deze redenering wordt uitgegaan van een “autonoom proces” vanuit de bevolking: de vraag of behoefte leidde tot verschriftelijking. Ongetwijfeld gaat het dan om dat deel van de stadsbevolking dat ook toegang had tot het stadsbestuur, al laten de auteurs zich daarover niet uit. Ik betwijfel of stadsbesturen zo passief waren. Mijns inziens was er eerder sprake van een “top down”- model. De stedelijke secretarie was zeker niet alleen ingesteld op het voldoen aan een in wezen puur particuliere vraag, maar verzorgde vooral de productie van schriftgoed dat de stedelijke samenleving als geheel aanging, met andere woorden: dat een publiek belang diende.
We richten de blik tenslotte naar Friesland. Vries constateerde dat daar ten westen van de Lauwers tot rond 1300 amper sprake was van verschriftelijking. De vroegste schrijfcentra waren aan kloosters verbonden, net als in Holland en Zeeland. Naar verhouding zeer laat, namelijk
vanaf omstreeks 1440, komen ook de steden in beeld. Kapittels van seculiere geestelijken ontbraken in Friesland ten westen (en trouwens ook ten oosten) van de Lauwers. Voor een vergelijking met Deventer biedt Friesland dan ook geen goed uitgangspunt. Vries stelt dat de leidende positie van de kloosters te verklaren is uit het ontbreken van landsheerlijk gezag en dus een landsheerlijke kanselarij45. Het is evenwel maar de vraag of deze verklaring afdoende is, gelet op de situatie in het graafschap Holland en Zeeland. Ook in Gelre staat niet vast dat de landsheerlijke kanselarij voorop ging in het proces van verschriftelijking. Het lange tijd voortbestaan van een mondelinge cultuur is in Friesland wellicht bepalend geweest46.
Resumerend kunnen we vaststellen dat het verschriftelijkingsproces in Deventer in de late 13de eeuw in gang gezet werd door sociale, politieke en culturele factoren. Deze zijn te verbinden met de opkomst van een nieuwe koopliedenklasse, die zich aan de greep van de bisschop ontworstelde. De versnelling die in de eerste helft van de 14de eeuw optrad, was institutioneel bepaald; zij hing samen met een specialisatie naar taken binnen het schepencollege. Vanaf de vroege 15de eeuw gaf de roep vanuit de meente om enerzijds rechtsgelijkheid en rechtszekerheid en anderzijds controle op de stadsfinanciën nieuwe impulsen aan het proces van verschriftelijking. Naast deze politieke factor deden zich terzelfder tijd ook de commerciële en demografische expansie gelden. Hoewel deze groei zich niet in cijfers laat vangen, vormt een deel van het bestuurlijke schriftgoed zelf er een weerspiegeling van.
Benders, J.F. (2004). Bestuursstructuur en schriftcultuur. Een vergelijkende analyse van de bestuurlijke verschriftelijking in Deventer tot het eind van de 15de eeuw47 Kampen: Stichting IJsselacademie.
