5
BEHEER
Na het overlijden van Reinald II in december 1343 valt geen wisseling van de wacht te constateren in het schepencollege. Hoewel de overzichten van schepenen voordien incompleet zijn, zien we acht oude rotten uit 1338 in 1344 terug op het bestuurspluche1. Dat er geen bijltjesdag plaatsvond, is welbeschouwd logisch: het Oversticht bleef nog drie jaar lang in Gelders pandbezit. Toch deed zich een vanuit bestuurlijk oogpunt cruciale verandering voor. De cameraarsrekening van 1343, waarvan de eindredactie uit begin 1344 stamt (immers het kalenderjaar waarin het ambtelijke jaar 1343 eindigde), bevat een rubriek “Illi deputati sunt ad officia civitatis” (=Dezen zijn aangesteld in de stadsambten) met een uitsplitsing van het schepencollege van 1344 naar de verschillende raadsambten. Achtereenvolgens worden genoemd twee zegelaars, twee cameraars, twee tolmeesters, twee wijnheren, twee gruitmeesters, twee timmermeesters annex “verwaarders van de daktegels (lateres)”, twee schutmeesters en twee ontvangers van het wanthuisgeld. Een jaar later is de volgorde enigszins gewijzigd: de rij eindigt met de tolmeesters, schutmeesters en wanthuisgeldinners. Eenmalig komen daar in 1346, als eersten, de “vexilliferi” (“banierdragers”) bij. Nadien vinden we dergelijke lijsten van raadsambten niet meer2. Waren deze overzichten soms ten behoeve of in opdracht van de Gelderse hertog als pandheer opgesteld?
De verandering van volgorde in 1345 is niet toevallig: de cameraars, wijnheren, gruit- en timmermeesters waren de belangrijkste raadsbeambten. In 1374 duidde men deze posities aan als de “vier ampten onder den scepenen”, in 1411 als “overste ampte”3. Sinds 1412 waren er nog drie
in plaats van vier “overste ampte”; de wijnheren vielen af4. Na de opheffing van het gruit-meesterambt in de jaren 1431-1433 werden de cameraars, zegelaars en timmermeesters tot “de drie ambten” gerekend5. De term “overste ampte” doet veronderstellen dat er ook andere ambten waren. Inderdaad rept men in 1399 van de “kleine ambten”6. Het gaat dan om de in het voorgaande al genoemde tol- en wanthuisgeldinners en weidegraven (toezichthouders op de stadsweiden), benevens de in de jaren veertig van de 14de eeuw nog niet bestaande raadsambten van hop-, straat- en dobbelmeester, welke laatste eerder behandeld is7. Overigens werden “overste” en “kleine” ambten geregeld door een schepen in personele unie bekleed. Van Doorninck stelt in de inleiding op zijn editie van de cameraarsrekeningen onder verwijzing naar de raadsambtenlijstjes vast dat het oude schepencollege niet alleen het nieuwe benoemde, maar ook de verdeling van de raadsambten bepaalde8. Een rekeningpost uit 1372 vermeldt dat de oude schepenen “ghezeten hadden omme die ampte to zetten”. Dit geschiedde op 29 februari, een week na de bestuurswisseling9. Aantoonbaar sinds 1348 was aan het vervullen van de “overste” of vier belangrijkste raadsambten een extra vergoeding verbonden, bovenop die voor het bekleden van een schepenpositie in algemene zin. Deze uitgaven bracht men toen nog onder in de geschenkenrubriek (“curialitates”), in plaats van in de later gebruikelijke (maar aanvankelijk nog niet als zodanig onderscheiden) loonrubriek10!
In het navolgende komen de wanthuisgeldinners en zegelaars slechts kort aan bod, omdat de vervulling van deze ambten geen aanleiding gaf tot de productie van schriftgoed. Schepenen als inners van wanthuisgeld komen alleen in de periode 1337-1346 voor11. Blijkens de toevoeging “in nundinis” aan de raadsambtenlijst uit 1345, zamelden zij alleen tijdens jaarmarkten lakengeld in12. Wanthuisgeld, doorgaans gesplitst in de huur van de wantkisten (soms nog onderverdeeld naar grote en kleine kisten) en inkomsten tijdens jaarmarkten, bleef echter ook nadien jaarlijks in de stadskas vloeien. In 1340, 1343, 1348 en 1349 kreeg de “klerk” Giselbert Jacobsz (ten Brinke?) vier pond loon voor toezicht op het wanthuis, in 1354 een priester Hendrik Businc13.
Gedurende de jaren 1355-1360 was het de stadsbode Reyner (in 1360 samen met de priester
Beernd ten Putte) die voor vier pond per jaar de “custodia” van het wanthuis voor zijn rekening nam; alleen in 1358 was een niet bij toenaam bekende Dirk verantwoordelijk14. Sedert 1362 treedt stadsschrijver Johan ter Hurnen naar voren als inzamelaar – zowel tijdens als buiten markten – van lakengeld, in 1368 “stapelgeld” genoemd15. In de rekening van 1371 is de huur van de lakenkisten ondergebracht in de rubriek “van den tijnse” en zodoende beheersmatig losgekoppeld van het stapelgeld; met uitzondering van 1372 bleef dit zo tot 1377, toen ook het stapelgeld naar de rubriek “(grote) tijns” verhuisde. Sinds 1382 verschijnt een aparte rubriek “stapelgeld”16.
De inning bleef een taak van de stadsschrijver17. Bij verpachtingen van stadsdomeinen in herbergen kwam het “stapelgeld van het laken” goed van pas ter laving of spijziging van de aanwezigen18, maar het is niet te zeggen of dit de reguliere besteding van deze inkomsten was. Het is onduidelijk wie er zorg droeg voor de inning van de wantkistenhuur; denkbaar is dus dat het raadsambt na 1346 voortbestond. De verhuur van lakenkisten in het oude wanthuis eindigde in 1414, waarna de lakenhandel andere wegen insloeg19.
Over de zegelaars (“sigilliferi”, “sigillarii” of “sigillatores”) horen we in de jaren 1344, 1345 en 1346. In 1359 overhandigden zij aan de ene cameraar 37½ pond “in pecunia de marsubio, per antiquos scabinos transliberato” (=in geld uit hun kleine kas, dat door de oude schepenen overgedragen is), en aan zijn collega 115 pond. Dat jaar declareerden de cameraars en de zegelaars een half pond aan onkosten toen zij brieven zegelden die naar Osnabrück en Münster verzonden werden20. Dit alles wijst er ontegenzeglijk op dat de zegelaars een eigen kasje hadden. Over een boekhouding is echter niets bekend. Vermoedelijk was die er ook niet, omdat de cash flow van de zegelaars weinig omvangrijk was. Juist het feit dat de zegelaars in de drie schepenlijsten van 1344-1346 steevast als eersten vermeld zijn (eenmaal voorafgegaan door de “vexilliferi”), doet vermoeden dat het toentertijd een ereambt was. Dit wordt onderstreept door het gegeven dat in 1345 één van beiden ook gruitmeester was, terwijl een jaar later de ene zegelaar tevens als gruit- en de andere als timmermeester optrad; stapeling van “overste ampte” kwam namelijk niet voor.
Het heeft er de schijn van dat de magistraat het zegelaarsambt rond 1362 (tijdelijk) afschafte21.
Tussen 1430 en 1433 doen de zegelaars opnieuw hun intrede, op het moment dat het gruit-
meesterschap als raadsambt verdwijnt22. Aangezien telkens één van beide cameraarsrekeningen – met daarin het standaardrubriekje over onkostenvergoedingen van het schepencollege – van de boekjaren 1431 en 1432 verloren is gegaan, is niet precies vastte stellen waar het omslagmoment ligt. De beschikbare rekeningen verstrekken hierover geen informatie. De ene bewaard gebleven rekening over het boekjaar 1431 is verre van compleet; de vier eerste maanden ontbreken. Het betreft een rekening van Engbert Willemsz van Doetinchem, die de cameraar Koenraad ten Dune verving tijdens diens verblijf in Rome. Ten Dune keerde terug op 7 april 143223. De vier maanden van Koenraad zijn dus spoorloos. Zij kunnen informatie bevat hebben over de verandering in de structuur van de “overste ampte”. Gelet op de veranderingen in de bieraccijns in 1433, komt dit jaar wellicht het meest in aanmerking. Hoe dit zij, de zegelaars in hun nieuwe gedaante waren mede verantwoordelijk voor het bewaren van de “brieven”, dus voor het beheer van de oorkonden en/of de correspondentie in het stadsarchief. De zegelkamer was de belangrijkste archiefbewaarplaats24. Langs deze weg krijgt Van Doornincks veronderstelling meer reliëf dat de mid-14de-eeuwse zegelaars de zorg over de zegelkamer (en derhalve over de zegelstempels) hadden. Voor wat betreft de periode 1361-1433 is het denkbaar dat het zegelaarsambt opging in dat van de stadsschrijver, zoals Van Doorninck oppert25. Er is een referentie die erop zou kunnen wijzen dat niet de stadsschrijver, maar een gerechtsbode als zegelaar optrad. Het betreft de vermelding van de bezegeling van een schuldbekentenis door gerechtsbode Herman van Orsbeke, gedaan vóór 1401. Het is echter heel goed mogelijk dat Herman als debiteur of ten behoeve en op verzoek van iemand anders met zijn eigen zegel zegelde26.
De cameraars maakten bij het opstellen van hun rekeningen gebruik van eigen registers en van declaraties. Daarnaast lagen aan hun rekeningen de boekhoudingen van de wijnheren, gruit-, hop-, timmer- en tolmeesters en weidegraven ten grondslag. Terwijl voor de cameraarsnetrekeningen perkament steeds in zwang bleef27, gebruikten de stadsschrijvers voor de 15de-eeuwse kladrekeningen en voor alle ambtsrekeningen papier. Dit weerspiegelt het relatieve belang van centrale en deelrekeningen. De schepenen als college hoorden pas vanaf 1396 elkaars ambtsrekeningen af, en wel tweemaal per jaar, in de zomer en in de winter28. De overgeleverde ambtsreke-
ningen zijn door De Meyer gepubliceerd in het kader van haar editie van de Deventer cameraars-rekeningen 29. In sommige gevallen bieden de ambtsrekeningen een welkome aanvulling op incomplete jaargangen cameraarsrekeningen, zoals in 1414 en 1421. Slechts een fractie van het door of in opdracht van raadsbeambten geproduceerde schriftgoed bleef bewaard: de rekeningen van de gruitmeesters uit 1414 en 1421, die van de timmermeesters uit de jaren 1414, 1423, 1437, 1433 of 1435 of 1439 en 1448 (waarna er een hiaat is van 32 jaar), die van de weidegraven uit 1414 en 1423 (waarna een gat van bijna een eeuw gaapt) en die van de straatmeesters uit 1414 (met als opvolger een rekening uit 1480)30.
Het is opvallend dat zich een concentratie van ambtsrekeningen voordoet in de periode 1414-1423, met een nadruk op het begin- en eindjaar. Des te opvallender wordt deze spreiding, wanneer we ook de pandboeken en kladrekeningen van de cameraars in het beeld betrekken: deze stammen uit de jaren 1413,1422, 1423 en 1427, respectievelijk 1414, 1422, 1423, 1424, 1438 (en vervolgens met onderbrekingen pas weer vanaf 1452)31. Aangezien zich in 1412 op diverse fronten administratieve veranderingen voltrokken, is het wellicht niet toevallig dat sinds dit jaar raadsambtsrekeningen voorhanden zijn. Verderop zal beargumenteerd worden dat zich in 1422 een politieke verschuiving voorgedaan heeft; het bleek ook al in het vorige hoofdstuk32. Voor de jaren 1422 en 1423 zou daarom verondersteld kunnen worden dat controle van de meente óók op de financiële huishouding een rol speelde. Voor de andere jaren is dit niet aan te tonen. Alleen wat betreft 1437 laat zich misschien een verband leggen met de machtsverschuiving (vier nieuwe schepenen) die zich een jaar later afspeelde. Zo bezien is een verklaring voor de merkwaardige spreiding in de tijd primair in het politieke domein te zoeken.
Toch is dit nog maar de vraag. Het lijkt wat al te makkelijk om hier als toevalsfactor de selectief knagende tand des tijds op te voeren. In het geval van Deventer valt er wel wat meer over te zeggen. Allereerst is er het in hoofdstuk 1 vermelde oproer van 1521, dat tot de vernietiging van rekeningen geleid kan hebben33. De timmermeestersrekeningen van 1437 en 1448 bieden nog een ander aanknopingspunt: zij vertonen beide sporen van brand. Die van 1448 lijkt ternauwernood gered te zijn. Dergelijke incidenten kunnen de zeer lacuneuze staat van overlevering van de ambtsrekeningen verklaren. Mogelijk is er zelfs een samenhang tussen de opstand van 1521 en de beschadiging van voornoemde rekeningen.
Er is nog een mogelijkheid, die niet met selectie door toeval, maar met middeleeuws archief-
beleid te maken heeft. De ambtsrekeningen vormden het substraat van de cameraarsrekeningen.
Dat wil zeggen dat de cameraarsrekeningen als centrale stadsrekening gevoed werden met de informatie die in de “ondergeschikte” ambtsrekeningen vervat was. Wanneer de stadsrekeningen eenmaal opgesteld en afgehoord waren, verloren de ambtsrekeningen hun functie. Bewaring van al die katernen zou bergen oud papier op de stedelijke secretarie opgeleverd hebben. Het ligt in de lijn van de verwachting dat er periodiek opruimingen plaatsvonden. Daarbij zullen wel eens exemplaren over het hoofd gezien zijn, bijvoorbeeld omdat zij om welke reden dan ook niet op de secretarie voorhanden waren. Denkbaar is ook dat deze een nu moeilijk meer te reconstrueren functie als retroactum hadden. Mij lijkt deze verklaring het zwaarst te wegen. Met voorgaande overwegingen in het achterhoofd zullen nu de afzonderlijke raadsambten besproken worden.
5.1. Cameraars
Het is nuttig te bedenken dat reeds in de jaren veertig van de 13de eeuw een stedelijke kas in gebruik was. Indirect valt dit af te leiden uit een passage in het statuut van het koopmansgilde uit 1249, waaruit blijkt dat boetes (deels) aan de stad vervielen34. Gewezen kan ook worden op het in pacht verwerven van de Katentol in 1241, die sindsdien (pacht-)geld in het stadslaadje bracht.
Waarneembaar sedert 1337 verzorgden steeds twee cameraars gedurende een boekjaar het financiële beheer van de stad. Bij calamiteiten zoals overlijden, gevangenneming35 of nog andere, zocht men een vervanger. Verantwoording van hun beheer legden de cameraars af in rekeningen.
Tot 1344 voerden zij er gezamenlijk één, daarna hadden zij elk een eigen boekhouding van hun respectievelijke “kamers”36. Aan de inkomstenkant van de cameraarsrekeningen was sinds 1361 sprake van standaardisatie in die zin dat de ene cameraar grosso modo de pachten en tijnzen inschreef, terwijl de andere de boete- en burgergelden boekte. Deze verdeling gold ook in de periode 1339-1345. De jaren 1347-1360 geven een wisselend beeld te zien37. Het maken van onderscheid tussen een “eerste” en “tweede” cameraar suggereert een hiërarchische verhouding die er niet was, reden om het in dit hoofdstuk zo veel mogelijk te vermijden.
De cameraarsrekeningen zijn te beschouwen als de centrale stadsrekening, waarin een zeer brede scala aan deelrekeningen en declaraties verwerkt werd. Deze loopt van geregeld terugkerende tot eenmalige gelegenheids- of projectrekeningen. Bij de eerste valt te denken aan kostenverantwoordingen van veldtochten of strafexpedities van het stedelijke leger38, de laatste varië-
ren van rekeningen uit 1374 en 1394 van de aanschaf van steenkalk tot die van de loonkosten van de arbeiders die in 1386 doornstruiken rooiden op de stadsweiden39. Naast deze stroom aan “inkomende bescheiden” is er een groep registers die direct aan het ambt van cameraar te relateren is (hierna “cameraarsregisters” genoemd). Deze laatste zullen in het navolgende besproken worden. Aan deze bespreking gaat een algemeen overzicht van het cameraarsambt vooraf, alsmede een onderzoek naar het tijdstip en de context van het ontstaan van de cameraarsrekeningen.
De eigentijdse term voor de centrale stadsrekeningen was “rekenboeken” of “rekeningenboeken”. Tegelijkertijd was ook de omschrijving “rekeningen (van hun kamers)” in zwang40. De cameraars beschikten over een eigen archiefkist of -kast (“spinde”), zoals te lezen valt in de rekening van Johan die Hoyer uit 138141. De vraag die de betreffende post oproept is of iedere cameraar een eigen “spinde” had of dat er één cameraarsarchief was. Een boeking uit 1394 geeft het antwoord: het archief van de cameraars bevond zich in de “achterste kamer” op het stadhuis42. Met terugwerkende kracht kan onder enig voorbehoud aangenomen worden dat de “cista civitatis” die reeds in 1340 in de cameraarsrekeningen genoemd wordt en waarin men toen en in latere jaren geldbedragen deponeerde43, de plaats was voor zowel kastegoeden als cameraarsbescheiden. De cameraars droegen aan een riem een buidel met daarin de sleutels van deze kist44. Begin 1394 – nog in het boekjaar 1393 en wel in verband met de bisschopswisseling in Utrecht – kwamen de cameraars en de schrijvers bijeen en “overlegheden onser stad rekenboke van dertich jaren herwart, omme te weten wes onse stad uytghegheven hadde omme des Stichts zaken”45. Als er al een onderscheid bestond tussen de rekenboeken van de cameraars en de “stadsrekenboeken” die soms genoemd worden, zullen met de eerstgenoemde categorie sinds 1386 de maandrekeningen (zie verderop) en voordien wellicht ook de kladrekeningen bedoeld zijn, met de tweede de netversies.
Aanvankelijk – vermoedelijk al in 1339, zeker sinds 1340 – waren er gedurende elk boekjaar twee sessies tijdens welke de cameraarsrekeningen gecontroleerd werden, te weten in juni/juli en november/december46. Hiervóór zagen we dat deze gewoonte aan het eind van de 14de eeuw ook bij de overige raadsambten in zwang kwam. Sommige zittingen strekten zich uit over verscheidene dagen of vielen op verschillende, maar vlak op elkaar volgende dagen. De controle was steeds een zaak van het gehele schepencollege, dat derhalve gedurende een boekjaar tweemaal de vinger aan de pols hield. De derde afhoring, in februari/maart (dus geregeld vallend in het volgende boekjaar), was de definitieve en heette ook wel “ultima computatio” of “de grote rekening”47. Zij speelde zich eveneens in besloten schepenkring af, hetgeen fraai weerspiegeld wordt in de in 1347 gebezigde toevoeging “computaverunt [sc.scabini] intra se” (=zij [de schepenen] hebben onder elkaar gerekend)48. Wellicht mogen we hierin een reminiscentie zien aan de oudste, mondelinge fase van het stedelijke financiële beheer49. Technisch-administratief zijn de eerste en tweede tussentijdse rekening te beschouwen als kladrekeningen. De rekening van 1370 omschrijft het aldus: “(…), daer Henric [Aerndsz, cameraar] den scepenen alle partikelen (=afzonderlijke onkostenposten) af bewyset heft in der cedelen van sire yrster rekeninghen”50. Het gebruik van het woord “cedel” is veelzeggend: het verwijst naar losse schriftelijke stukken. De term “afhoren” moet letterlijk genomen worden: in de kantlijn van één van de cameraarsrekeningen van 1364 is een notitie “non legatur” gemaakt bij een post over de teruggave van een opgelegde boete51. Normaliter las men de rekeningposten dus één voor één op.
Een ingrijpende verandering in het financieel beheer vond plaats in 1386. Elke cameraar schreef lopende het boekjaar en in gezelschap van zijn collega, de stadsschrijver en de “wijnknechten” (wier functie schimmig is) eenmaal “zijn maand” in (overigens dat jaar alleen in de ene, niet in de andere rekening)52. Reeds in 1394 bevatten beide rekeningen zes posten over maandrekeningen. Met andere woorden: geleidelijk drong in de periode 1386-1394 de nieuwe gewoonte van zes tussentijds opgemaakte maandrekeningen per cameraar door. De tweejaarlijk-
[Houten rekenbord (abacus) uit de 16de eeuw. Van een dergelijk hulpmiddel zullen de Deventer cameraars zich bediend hebben bij het opstellen van hun rekeningen, specifiek bij het omrekenen van verschillende munteenheden (Germanisches Nationalmuseum, Neurenberg, HM 959).]
se tussentijdse afhoringen plus een eindafhoring bleven gehandhaafd. De dertiende maand was vermoedelijk inbegrepen in de eindafhoring. Hoewel het fenomeen van de maandrekening op zich niet onbekend was, is in de literatuur niet eerder opgemerkt dat beide cameraars elk dus een halve jaarrekening van althans de uitgaven voerden. Sinds 1396 legden de cameraars rond Sint Matthias (24 of 25 februari) ook verantwoording af aan de nieuwe schepenen en raadsleden53.
Deze viel samen met de eindafhoring voor het eigen college (de “grote rekening”). Het instituut van de maandrekeningen beoogde ongetwijfeld een eind te maken aan rekensessies aan het eind van het boekjaar die zich soms, zoals in 1366, een maand lang voortsleepten54. Hoe klad- en maandrekeningen zich tot elkaar verhielden, is onduidelijk. Aangezien er geen maandrekeningen bewaard gebleven zijn, zullen zij in verkorte vorm in de kladrekeningen verwerkt zijn.
Controle in de rubrieken “hincinde” voor enkele willekeurig gekozen jaren wijst uit dat elke cameraar zijn maand inboekte op of daags na de dag dat zijn collega het stokje overnam. Bij uitzondering is dit in de cameraarsrekening letterlijk aangegeven55. In de literatuur is gesteld dat na 1400 de eerste maandag na de “overdracht” van de maand de vaste dag van inschrijving werd.
Deze ontwikkeling is geïnterpreteerd als een indicatie voor toenemende verambtelijking aan het eind van de 14de en het begin van de 15de eeuw, met als kenmerken toenemende reglementering en depersonalisering met betrekking tot het bekleden van ambten en functies56. Aanvullende
argumenten hiervoor zijn de zoëven geconstateerde introductie van de twee maal zes cameraarsmaanden sinds 1394 en de twee keer per jaar plaatsgrijpende rekeningafhoring van de raadsbeambten sinds 1396 (zie hierboven). De verandering sinds 1386 is echter eerst en vooral een weerspiegeling van het feit dat de stedelijke boekhouding ruim een halve eeuw na haar invoering (waarover hierna meer) dermate gecompliceerd geworden was, dat een paar tussentijdse rekeningcontroles per jaar niet langer volstonden. Om overzicht op het uitgavenpatroon te houden was een snelle en regelmatige verwerking van de gegevens noodzakelijk.
Medio 15de eeuw formaliseerde men de rekeningafhoring en de controle door de meente. In het keurboek van 1448 is een vermoedelijk in dat jaar door schepenen, raad en meente ontworpen keur opgenomen, die bepaalde dat de oude schepenen binnen acht dagen na de bestuurswisseling en nog vóór zij de sleutels aan hun opvolgers overhandigden, op hun eed verantwoording moesten afleggen aan de nieuwe schepenen van alle inkomsten en uitgaven. Bovendien waren de oude en nieuwe schepenen gehouden de dag nadat zij de “grote rekening” afgesloten hadden drie “goede mannen” uit elke wijk te laten halen, die zij alle inkomsten uit stadsdomeinen, de optellingen van de afzonderlijke bestanddelen (“particulen”) van hun uitgaven, alsook de eindsaldi lieten voorlezen. De aangewezen 24 wijkcontroleurs moesten een eed afleggen tegenover de meente, gestaafd door de schepenen, “die rekenschap ende desse puncten voirs. heymeliken te holden”57. De rekeningcontrole door de meente speelde zich doorgaans af in herbergen58.
In een concordaat van 1464 werd het toezicht vastgelegd; met terugwerkende kracht vanaf 1462 noteerde men voortaan de resultaten van de controle. Het was echter de magistraat en niet het meensliedencollege die dit register onder zich hield59. Deze reglementering was een bevestiging van een reeds langer bestaande praktijk. Al in 1460 deponeerde het stadsbestuur het saldo “by der meenten in die kiste”, een kist waarvan de sleutels overigens ook weer in handen van de magistraat waren60. Eveneens onopgemerkt bleef tot nu toe, dat het stadsbestuur reeds in 1455 de fraters van het Heer Florenshuis dertien kromstaarten betaalde “voir twe percamentes boekesken dair men der stad gelt in scriven sal dat men boven in die kiste dreget”61. De in 1464 verordonneerde deposito-boekhouding had dus al bijna een decennium eerder een voorloper, als uitvloeisel van een strenger
[Autograaf van de stadsschrijver Johan I Pallas (HCO, TH, inv. nr. 264, reg. nr. 322, d.d. 12.9.1436; foto: HCO).
financieel regime dat door de meente afgedwongen zal zijn. In de “tweede” stadsrekeningen van 1451 en 1453-1456 zijn papierstroken meegebonden, waarop een geoefende hand uitgaven noteerde die nog op het boekjaar in kwestie betrekking hadden. Het opschrift luidt steeds: “Item, dit bint der stat kemeners sculdich (oppet nye) ghehaelt nae sancte Peter [volgt jaar]” of “Item, dit hebben der stat kemeners ghehadt [jaar] nae suncte Peter”. Stadsschrijver Johan Pallas voorzag deze specificaties van een slotaantekening en verrichtte dus de eindcontrole. Naar alle waarschijnlijkheid is dit een overgangsfase geweest tussen de eerste meente-controles en de invoering van registers. Het is goed denkbaar dat we hier de hand van een lid van de “24” voor ons hebben.
5.1.1. Ontstaan van de cameraarsrekeningen
Diverse theorieën trachten het ontstaan van het ambt van cameraar en de bijbehorende boekhouding, de cameraarsrekeningen, in Deventer te dateren en te verklaren. Er is om te beginnen een traditie waarin aangenomen wordt dat stadsbesturen de in hun stad gevestigde kapittels navolgden. Uiteraard verschilde het financiële beheer van kapittels van dat van steden; het gaat hier echter om de voorbeeldwerking, het aanleveren van een model. Reeds in 1792 werd een verband gelegd tussen de “financiële experts” van kapittel en stad62. Van Doorninck achtte in 1888 in de inleiding op zijn editie van de cameraarsrekeningen deze theorie “niet onwaarschijnlijk”63. Met zekerheid sinds 1230 bekleedde één van de kanunniken van het kapittel van Sint Lebuinus de functie van cameraar van het kapittel64; wanneer dit college zijn financiële beheer op schriftelijke leest schoeide, is echter onbekend.
In het bisdom Utrecht kan gewezen worden op de oudste bewaarde rekening van het Utrechtse kapittel van Oudmunster uit 129565. Kende dit kapittel in 1296/1297 nog één kamer, drie jaar later vond een splitsing plaats van het goederenbezit en ontstonden een Grote en een Kleine Kamer. Een vergelijkbare ontwikkeling deed zich kort vóór 1310 voor bij het eveneens Utrechtse kapittel van Sint Jan66. Voor wat betreft Sint Lebuinus bestaat hierover vooralsnog geen duidelijk-
heid67. Opmerkelijk in Deventer is de ontwikkeling van één naar twee stedelijke “kamers” en – dientengevolge – rekeningen van beide kamers sinds 1344. Of dit als versterkend argument mag dienen voor de theorie van de kerkelijke ontlening is echter nog maar de vraag. Vast staat wel dat de ontwikkeling in de wereldlijke sfeer volgde op die in kapittelkring, zoals hierna zal blijken. Het is in het licht van het voorgaande niet nodig om uit te gaan van Keulse invloed, die W.J. Alberts koppelt aan het bestaan van twee kamers68. In Keulen, met zijn aartsbisschop en vele kapittels, kan zich een vergelijkbare “oversprong” van kerk naar wereld voorgedaan hebben. De “ontleningstheorie” heeft zeker aantrekkelijke elementen. Het bezwaar ertegen is dat evengoed in de wereldlijke sfeer gezocht kan worden naar modellen voor schriftelijk financieel beheer. Het gaat dan enerzijds om stadsrekeningen (oudste bewaarde voorbeeld in de noordelijke Nederlanden: Dordrecht, 1283) en anderzijds om landsheerlijke rekeningen (oudste bewaarde voorbeeld in de noordelijke Nederlanden: Gelre, 1294/1295)69. Daarnaast kan gedacht worden aan koopliedenboekhoudingen, die aan het eind van de 13de eeuw in Duitse Oostzeesteden verschijnen70.
Een praktisch probleem is dat de “kerkelijke ontleningstheorie” geen handvat biedt om een concreet startpunt van stadsrekeningen te bepalen. Vanuit andere invalshoeken is gepoogd daarop greep te krijgen. In hun studie naar de “verstening” van Deventer stellen De Meyer en Van den Elzen dat het stadsbestuur “vrij kort” na de grote stadsbrand in de zomer van 133471 begonnen is met het verstrekken van subsidie op het gebruik van harde dakbedekkingsmaterialen. Op z’n vroegst zou dit in 1335 gebeurd zijn; veiligheidshalve echter dateren de auteurs de oudste, ongedateerde subsidielijsten in 1337 en 1338. Zij komen voorts tot de conclusie dat de schriftelijke verantwoording van deze subsidieverstrekking aanvankelijk los stond van de cameraarsrekeningen. Vanaf 1339 werd zij daarin geïncorporeerd72. Dit neemt niet weg dat aan de eindredactie waarschijnlijk ook nadien steeds een aparte administratie ten grondslag lag. Dat blijkt uit het volgende. Een losse strook papier in de cameraarsrekening van 1350 bevat informatie over dakbedekkingsmateriaal (van de hand van stadsschrijver Gevehard van Hildesheim), die niet in de betreffende rubriek in de netrekening te vinden is; in de rekening van 1361 vormt de subsidielijst – hoogst ongebruikelijk – de eerste in plaats van de laatste rubriek aan de uitgavenkant73. Voorts
zijn de subsidierubrieken in de jaren 1417-1420 door andere scribenten dan Johan van Ommen in de netrekening ingeschreven. De summae echter zijn van de hand van Van Ommen, hetgeen wijst op supervisie. Bovendien zijn in de rekening uit 1420 subsidies opgetekend die betrekking hebben op het voorafgaande jaar74.
Tenslotte verdient vermelding dat stadsschrijver Johan ter Hurnen op het laatste blad van het oudste bewaarde verpachtingsregister notities maakte over bouwsubsidies, die echter niet in de cameraarsrekeningen terug te vinden zijn75. Het is gissen naar de achtergrond van deze optekening op deze plaats.
Het verdwijnen van de subsidierubriek na 1425 (of 1426, voor welk jaar slechts één van beide rekeningen beschikbaar is) betekent vermoedelijk dat het stadsbestuur de subsidie toen afschafte76. Er zijn in ieder geval geen aanwijzingen dat zij gecontinueerd is. Veelzeggend is ook het ontbreken van informatie over verstening of zelfs, in breder perspectief, brandbestrijding, in het keurboek van 1448. Wellicht vonden dergelijke bepalingen een plaats in specifieke administraties als de eerder besproken inventarisaties van plaatsen met een verhoogd risico op brand77. Koch werpt de vraag op of de subsidieregeling niet ook al vóór de brand van 1334 bestond, maar blijft het antwoord schuldig. “Oudere rekeningen zijn immers, waarschijnlijk juist door die ramp, niet meer voorhanden”, schrijft hij78. Argumenten voor de veronderstelling dat rekeningen van vóór 1337 bestaan hebben, voert deze auteur echter niet aan.
Recent hield Schneider zich bezig met het thema van het ontstaan van de Deventer stadsrekeningen. Mijns inziens ten onrechte vat deze auteur de beschouwingen van De Meyer en Van den Elzen samen als legden zij “eine zeitliche Verbindung zwischen dem Wiederaufbau der Stadt nach einem großen Brand im Jahre 1334 und dem Entstehen der ersten Rechnung 1337 (…)”79.
Dat de rekening van 1337 “de eerste” is, beweren deze auteurs nergens. Hun beschouwingen bieden ruimte voor de opvatting dat er oudere rekeningen waren, maar laten de kwestie feitelijk in het midden. Volgens hen wijst de snelle ontwikkeling van de rekeningen na 1337/1339 van een “primitieve opzet” tot een “overzichtelijke verantwoording van een belangrijk deel van de huis-
[Het eerste blad van de oudste voorhanden cameraarsrekening, 1337. Het handschrift is van de stadsschrijver Jorden Mathijsz (SAB, Cam., inv. nr. 1a; foto: SAB).]
houdelijke stadsfinanciën” erop dat de stedelijke boekhouding “nog niet zolang als één geheel werd gevoerd”80. Vervolgens construeert Schneider een verklaring voor het ontstaan van de rekeningen – namelijk de noodzaak tot controle van de financiën – die hij toeschrijft aan De Meyer en Van den Elzen. Dan is het nog slechts één stap naar een afwijzing van de “brandthese” van beide auteurs op grond van het feit dat de rekening van 1337 veel meer omvat dan alleen een verantwoording van de uitgaven aan dakbedekkingssubsidie81.
Schneider stelt vast dat de “Art der Abrechnung (namelijk naar burgemeestersmaanden) und die ausgereifte innere Struktur” van de rekening van 1337 op een langere traditie van optekening van financiële zaken wijst. Schneiders premisse is dat de verschriftelijking van de stedelijke boekhouding samenhangt met “intrastedelijke revoluties”. Een dergelijke omwenteling voltrok zich volgens hem tussen 1315 en 1319. Rijke kooplieden zouden toen het “oude patriciaat” afgelost hebben. De nieuwe bestuurselite was bekend met het fenomeen boekhouding en bovendien haar standgenoten verantwoording verschuldigd bij het beheer van de stadsfinanciën. In de periode circa 1320-1337 zouden de stadsrekeningen zich ontwikkeld hebben van chronologische optekeningen tot gestructureerde rekeningen82. Tenslotte betoogt Schneider dat de overlevering van de Deventer stadsrekeningen niet toevallig begint in 1337. In zijn visie was de Gelderse graaf Reinald II, die sinds begin 1336 het Oversticht (met uitzondering van Kampen) in pand hield, een moderne vorst die overzicht wilde hebben over de financiën van zijn pandgebied. Daartoe moesten stadsrekeningen vanaf 1337 in schriftelijke vorm voorhanden zijn83.
Tegen Schneiders visie is een aantal bezwaren aan te voeren. Het is allereerst onduidelijk wie deel uitmaakten van de “oude” en de “nieuwe elite” en waarom de “oude elite” niet evengoed vertrouwd geweest zou zijn met rekeningen. Zonder een prosopografie van het Deventer patriciaat blijft Schneiders reconstructie op dit punt speculatief84. Baseren we ons op oorkonden (de enige bron die voor dit doel ter beschikking staat) om namen van schepenen en/of raadsleden uit het eerste kwart van de 14de eeuw te achterhalen, dan vinden we er in 1310 vijf, in 1315 één, in 1320 twee en in 1325/1326 tien. Maximaal veertien geslachtsnamen laten zich onderscheiden85. Zelfs als we ervan uitgaan dat in de tijdsspanne 1310-1325/1326 steeds dezelfde 24 per-
sonen de schepen- en raadscolleges bemanden, kennen we dus niet alle namen86. De frequentie en het totale aantal namen zijn te beperkt om vergaande conclusies over politieke verschuivingen op te baseren. Een omslag in het begin van de 14de eeuw laat zich althans langs deze weg dan ook niet traceren. Wel is er in hoofdstuk 2 op andere gronden op gewezen dat zich rond 1318 bestuurlijke veranderingen afspeelden. De precieze omstandigheden zijn evenwel niet te achterhalen87.
Schneiders theorie van de Gelderse invloed lijkt op het eerste gezicht overtuigend, zeker wanneer bedacht wordt dat de rekeningen van de Gelderse drost van Twente over de periode 20 maart 1336-2 december 1339 bewaard gebleven zijn88. In tweede instantie echter laten zich ook bij deze constructie vraagtekens plaatsen. Om te beginnen legt Schneider niet uit waarom alle rekeningen uit de periode circa 1320-1336 verdwenen zijn. Evenmin verklaart hij waarom de rekeningen uit de tijd van het Gelderse pandschap geen enkele aanwijzing of notitie over Gelderse controle bevatten. Daar komen nog andere bedenkingen bij. Reinald II was al op 30 augustus 1335 de facto aangetreden als regent in het Oversticht89. Drie jaar voordien was Willem Pelgrimsz van Zutphen – een “Geldersman” derhalve90 – rentmeester van Salland. In januari 1333 legde Willem ten overstaan van bisschop Jan III van Diest en diens raadsheren in Deventer schriftelijk verantwoording af. Vier dagen daarna ontving hij het rentmeestersambt in pand91.
Deze verpanding was ongetwijfeld een gevolg van het feit dat de bisschop al sinds de late jaren twintig bij Willem in het krijt stond92. Op 1 augustus 1335 vaardigde Willem als rentmeester van Salland een oorkonde uit met betrekking tot de verkoop van nieuw gewonnen land in de marke van Tjoene93. Willem Pelgrimsz was niet de eerste bisschoppelijke rentmeester van
Salland die een boekhouding voerde; dat was minstens sinds november 1322 usance94. In ieder geval wat betreft de territoriale rekeningen was men in het Oversticht dus geenszins afhankelijk van geïmporteerde Gelderse kennis. Bisschop Jan van Diest was als landsheer een even nijvere administrator als zijn Gelderse evenknie. Los hiervan is zoëven al gewezen op de waarschijnlijkheid van een wisselwerking tussen de schriftcultuur van kooplieden en die van de stad.
De veronderstelling dat schriftelijke boekhouding in 1337 afgedwongen werd, is in het licht van het navolgende al evenmin steekhoudend. Van de tot nu toe genoemde auteurs maakt alleen Van Doorninck melding van het feit dat Dumbar informatie ontleent aan rekeningen uit 1332 en 133695. Daaraan valt nog een verwijzing van Dumbar naar een rekening uit 1335 toe te voegen96.
Daarnaast haalt Dumbar enkele gegevens uit 1316, 1324 en 1326 aan, die hetzij aan een register, hetzij aan stadsrekeningen ontleend zouden kunnen zijn. De auteur specificeert zijn bronnen in dit geval echter niet en dat kon ook niet, want hij baseerde zich op aantekeningen die hij in het stadsarchief aantrof97. In die gevallen waarin Dumbar zijn informatie uit stadsrekeningen betrekt, geeft hij dat doorgaans expliciet aan. De status van deze gegevens is mijns inziens te onzeker om ze hier te kunnen benutten. Uiteraard staat of valt de speurtocht naar het startpunt van de cameraarsrekeningen met de geloofwaardigheid van Dumbars mededelingen over oudere rekeningen. Dat deze niet meer voorhanden zijn zegt niet zoveel; in de algemene inleiding is over de diaspora van de door Dumbar benutte archivalia al een en ander medegedeeld.
Het staat wel vast dat een rekening over het boekjaar 1336 bestaan heeft, aangezien er in de aanhef van de rekening van 1337 naar verwezen wordt98. Bovendien is aan het eind van de rekening van 1340 een naar personen gespecificeerde inkomstenrubriek opgenomen betreffende de verpachting van stadsdomeinen op Petrus ad Cathedram 1336, het reguliere beginpunt van het Deventer boekjaar99. Aangezien dezelfde inkomsten in de cameraarsrekening van 1337 als totaal onder de inkomsten uit “renten” (dat zijn pachten, tijnzen en dergelijke) te vinden zijn100, heeft de rekeningschrijver deze gegevens hoogstwaarschijnlijk ontleend aan een verpachtingsregister.
Zoals nog zal blijken, lagen dergelijke registers ten grondslag aan de cameraars(net)rekeningen,
zodat ook langs deze indirecte weg aannemelijk gemaakt kan worden dat de schepenen (hoogstwaarschijnlijk al: de cameraars) in 1336 een boekhouding voerden.
Ervan uitgaande dat Dumbar daadwerkelijk een cameraarsrekening uit 1332 raadpleegde, kunnen we met enige voorzichtigheid aannemen dat men in Deventer circa 1330 begonnen is met het voeren van een centrale stedelijke boekhouding. Voor een eerder aanvangstijdstip zijn vooralsnog geen bewijzen aan te dragen. Een specifieke verklaring of aanleiding voor een start rond 1330 dient zich niet aan. De algemene theorieën over het ontstaan van stadsrekeningen bieden geen houvast in het geval van Deventer101. Een alternatief verklaringsmodel dringt zich op: gegevens uit verschillende bestaande deeladministraties zijn geleidelijk en in enigerlei vorm gebundeld, waardoor een centrale boekhouding tot stand kwam. In Deventer kan met name gedacht worden aan de administratie van de Katentol (mogelijk al vanaf 1241, met enige waarschijnlijkheid sinds de vroege 14de eeuw, zie hierna), inkomsten uit rechtspraak, verkoop en verpachting van stedelijke domeinen en infrastructuur (sinds 1274/1324102, zie hierna) en salarissen van functionarissen in dienst van het stadsbestuur (minstens sinds 1331?103). Te denken valt ook aan stedelijke verantwoordingen van bisschoppelijke bedes, bijvoorbeeld in 1331 (zie verderop). De noodzaak tot samenvoeging van de informatie uit al dergelijke afzonderlijke administraties ontstond toen het overzicht over het geheel verloren dreigde te gaan. Dat moment brak in Deventer aan omstreeks 1330, uiterlijk in 1336. Daarbij kan het doorbisschop Jan van Diest in de jaren 1325-1330 in het Oversticht geïnstitutionaliseerde ambtelijke rekeningwezen als inspiratiebron gediend hebben104.
Een verklaring die de tussen 1460 en 1492 werkzame stadsschrijver Steven Jorwerd in een onbekend jaar aflegde ten behoeve van het Twentse klooster Albergen (bij Almelo), lijkt een veelbelovende mogelijkheid te verschaffen om greep te krijgen op het tijdstip van ontstaan van de cameraarsrekeningen. Zij luidt als volgt: “lck Steven Ierwert, secretarius der stat van Deventer, bekenne dat ic in olden registeren van rekenscappen bevonden hebbe nae den olden paymente over hondert ende anderhalfhondert iaren, dat in den selven registeren der stad van Deventer vors.
berekent was dat driehondert marck Brabants makeden tot ponden soevenhondert ende twintich.
Ende dat voert afghetogen (=gereduceerd) een hondert mark Brabants maken twe hondert ende vijrtich pont. Noch voert an afgetogen dat tien mark Brabants maken vierendetwintich pont. Ende ten eende ende latesten ene marck Brabants maket twe pont acht schillinge. Item, tweelef penninge maken enen schilling. Ende twintich schillinge maken een pont. Ende dit heb ic uut ghebiede ende beveel mynen eersamen heren der stat van Deventer onder myns tselves hantscrift van my gegeven”. Deze tekst is in afschrift overgeleverd in een cartularium van het klooster105. De kloosterlingen zaten om de informatie verlegen met het oog op een van oudsher in marken uitgedrukte pacht die zij inden. Na Jorwerds verklaring heeft de kopiist nog enkele omrekeningen genoteerd106, terwijl een andere hand een aantekening toevoegde over munten in 1399. De verklaring van Jorwerd staat op de versozijde van een perkamenten blad dat op de rectozijde soortgelijke aantekeningen over munten en hun onderlinge waardeverhouding bevat. Deze dateren uit achtereenvolgens 1328, 1333, 1335 en 1324 en zijn ontleend aan passages uit oorkonden. Het afschrift van Jorwerds verklaring volgt direct hierop.
De rekeningpost waarop Jorwerd zijn berekening van de waarde van een mark Brabants stoelde, is te vinden in de cameraarsrekening van 1339107. Jorwerd had zijn gegevens evengoed kunnen afleiden uit twee posten in de cameraarsrekening van 1337108. De hamvraag is nu: was hij liever lui dan moe en zocht hij een relatief gemakkelijk om te rekenen post, of was in de tweede helft van de 15de eeuw de cameraarsrekening van 1339 de oudste die ter secretarie voorhanden was? Het laatste zou betekenen dat de rekening van 1337 en oudere exemplaren elders lagen, hetgeen hun verdwijning kan verklaren. Het ging vermoedelijk om slechts enkele verdwaalde rekeningen; als het er veel geweest waren, zouden ze immers eerder in een centrale bewaarplaats gedeponeerd zijn109. Wat hiervan zij, de door Jorwerd aangeleverde informatie was relatief jong, vergeleken met de door het klooster uit eigen oorkondenschat vergaarde gegevens. Was dat de reden dat Jorwerd in zijn verklaring geen concreet jaar noemde, maar het globaal hield op rekeningen van “over hondert ende anderhalfhondert iaren” oud? Nemen we het laatste letterlijk, dan stelde hij zijn onderzoekje in 1489 in. Al met al blijkt dat uit deze aantekening helaas niets naders afgeleid kan worden omtrent het startpunt van de Deventer cameraarsrekeningen. Wel is duidelijk dat men er in een wijde omgeving van op de hoogte was dat het stadsarchief van Deventer oude rekeningen herbergde.
[Bladzijde uit een verpachtingsregister dat de tweede helft van de 14de eeuw beslaat (SAB, Cam., inv. nr. 226; foto: SAB).]
5.1.2. Cameraarsregisters
De cameraarsrekeningen werden, zoals gezegd, gevoed met gegevens uit diverse bron. Direct aan de cameraars te relateren zijn verpachtingsregisters110, pandboeken, burgerregistraties en belastingkohieren. Zij zullen hierna afzonderlijk besproken worden.
5.1.2.1. Verpachtingsregisters
In de verpachtingsregisters noteerden stadsschrijvers verpachtingen van stedelijke bezittingen als grond, water, gebouwen, en dergelijke. In de inventaris van het archief van de cameraars is het oudste bewaard gebleven exemplaar van een pachtregister opgenomen als “manuaal tweede helft veertiende eeuw”111. Deze omschrijving is niet precies genoeg. Het gaat in dit register specifiek om verpachtingen, soms ook om geheel andere informatie, zodat de in de hedendaagse archivistiek gebruikelijke technische termen manuaal noch memoriaal voldoen112. In het navolgende heet het
gemakshalve kortweg “verpachtingsregister”, hoewel ook deze vlag de lading niet geheel dekt. Dit oudste bewaarde exemplaar is van perkament en bestaat uit een omslag en zeven bladen, waarvan één eruit gesneden is. Aan de bovenzijde is het register zwaar beschadigd. Op het omslag zijn niet- eigentijds twee jaartallen genoteerd: 1368 (doorgehaald) en 1352. De vroegste datum in het register is 1353 (niet alle genoteerde verpachtingen zijn gedateerd). De vele doorhalingen en toevoegingen in persoonsnamen, bedragen en jaren tonen aan dat het een register was dat men doorlopend bijhield. Ook geradeerde aantekeningen komen voor113. Alle verpachtingen lopen parallel met het bestuurlijk-financiële jaar, dus van 22 februari tot 22 februari. Voor verpachting en verhuur zijn de werkwoorden “locare”, “exponere” en “inpensionare” gereserveerd.
Het handschrift op de eerste vijf pagina’s is dat van de stadsschrijver Gevehard van Hildesheim, die sinds 1344 ook de cameraarsrekeningen schreef. Op een paar opengelaten plaatsen en vanaf bladzijde zes komt het handschrift voor van Gevehards opvolger Johan ter Hurnen114. Net als in de cameraarsrekeningen nam hij het schrijfwerk vanaf 1361 van Gevehard over, en net als in de cameraarsrekeningen schakelde hij van het Latijn over op het Middelnederlands (slechts één aantekening op bladzijde twee is in het Latijn gesteld). Een verandering is ook dat Ter Hurnen niet alleen verpachtingen noteerde, maar tevens bepalingen inschreef over het tijdstip van de verpachting van kooltuinen, de verhuur van lokaties voor vleeskramen en dijk- en landonderhoud115. Verder maakte hij losse notities over een lening van de stad aan een particulier en het uitlenen van wapentuig en munitie aan de kastelein van Diepenheim116. Op een van de pagina’s verschijnt de hand van Hendrik van Wijk, die Ter Hurnen verving bij afwezigheid117. Tenslotte schreef een onbekende omstreeks 1370 (zie verderop, 5.1.2.4, Belastingen) een bladzijde vol met 45 naar wijk uitgesplitste namen van personen die de stad geld leenden, terwijl een bladzijde verder de enige notitie van stadsschrijver Johan van Ommen staat over een transactie in de stadswissel in 1395118. Daarna volgen twee bladzijden aantekeningen over een lening van burgers ten behoeve van reparatie of nieuwbouw van een watermolen (1379/1380) en een verantwoording van bouwsubsidies119. Dit alles maakt duidelijk dat het register geleidelijk van karakter veranderde. Steeds meer zaken vonden een plaats die niet met verpachtingen van stedelijke domeinen en inkomstenbronnen samenhingen. Het verschijnen van toevoegingen uit de vroege 15de eeuw bewijst dat men het register ook toen nog raadpleegde. Dat is in zoverre opmerkelijk, dat Johan van Ommen in 1392 een nieuw verpachtingsregister aangelegd had (waarover hierna meer).
nbsp; Was 1352/1353 het startpunt van de registratie van verpachtingen? De cameraarsrekening van 1345 vermeldt de aanschaf van perkament ten behoeve van een “liber reddituum civitatis”120. Zoals eerder ter sprake kwam, schreef men hoogstwaarschijnlijk al in 1336 verpachtingen in een register in. Het in 1345 vermelde exemplaar zou dan het volgende (tweede?) in de reeks zijn. Het jaartal correspondeert met het aantreden van Gevehard van Hildesheim in 1344. Beide registers waren relatief kort in gebruik. Het register van 1352/1353 voldeed daarentegen lange tijd, namelijk veertig jaar.
Schneider is ambivalent over het karakter van het in 1345 vermelde register. Enerzijds beschouwt deze auteur het als op zichzelf staand (naast een door hem gepostuleerd “stadsboek van gemengde inhoud”), anderzijds lijkt hij het niet als een verpachtingsregister op te vatten, aangezien hij tevens melding maakt van de opneming van tijnsbetalingen en pachten in het “gemengde stadsboek” in 1361. Een door Schneider in dit verband aangehaalde cruciale rekeningpost luidt als volgt: “Item, des vrijdaghes op sente Agneten dach do Odo [Reynersz, cameraar] in der stad boec hadde laten zetten den tijns van den Vene ende van Borghelremersch (…)”121. Een post van krap een week eerder maakt melding van kosten die de beide cameraars maakten “do sij bi Johan ter Hurnen die vorwarden van den vene in der stad boec lieten zetten ende ander saken hadden to done van der stad weghen”122. Deze voorwaarden voor de “veengenoten” zijn in het oudste bewaarde verpachtingsregister daadwerkelijk terug te vinden123. Dit ondergraaft Schneiders theorie van het “centrale stadsboek”, waaraan men in zijn visie steeds nieuwe secties toevoegde, totdat het geheel dermate chaotisch werd dat in de jaren zestig en zeventig van de 14de eeuw de noodzaak ontstond aparte reeksen af te splitsen. Niet alleen het “oorvedenregister”, maar ook dit verpachtingsregister overleefde de algehele opruiming ter secretarie die volgens Schneider omstreeks 1400 plaatsvond124.
Zoals gezegd, nam men in 1392 een nieuw verpachtingsregister in gebruik125. Met een referentie aan het “boke van onser stad renthen” en de vermelding “alse dat register holt” in de cameraarsrekeningen van 1393 is zonder twijfel dit nieuwe register bedoeld126. Verantwoordelijk voor de oudste opzet ervan was Johan van Ommen. Dit (vierde?) verpachtingsregister bestaat uit vier perkamenten katernen, waarvan de eerste twee voorzien zijn van lijngaatjes (prickings) en liniëring. Deze “voorbewerking” zou kunnen wijzen op een leverantie door de fraters van het Heer
Florenshuis. Het beginkatern telt tien bladen en bestrijkt de jaren 1406-1447. Naast het handschrift van Johan van Ommen komen enkele jongere stadsschrijvershanden voor. De inhoud betreft de verhuur van binnen de stad gelegen percelen (“lichte” en “zware” tijnzen), bogen, torens, en dergelijke, met soms uitvoerige bepalingen en condities. Het eerste – korte – deel is een algemeen, “gedepersonifieerd” overzicht van stedelijke inkomsten127. Het tweede katern telt zestien bladen en omspant de periode 1392-1465. Op de voorlaatste pagina is onderaan een kapitaal “C” geschreven. Ervan uitgaande dat dit een katernmerk is, rijst de vraag of dit katern oorspronkelijk als derde bedoeld was. Hoe dit zij, er zijn louter verpachtingen in aan te treffen van buiten de stad gelegen goederen. Als zodanig vormt dit katern de pendant van het eerste – voor zover zij elkaar in de tijd overlappen althans (periode 1406-1447). Aan de inkomstenkant van de rekeningen van de ene cameraar uit het begin van de 15de eeuw zijn deze zaken te vinden onder het kopje “van onser stad grote tijns”. Dit blijkt uit vermeldingen in de cameraarsrekeningen, waar in deze rubriek verwezen wordt naar het onderhavige register128. In dit katern is een bepaling te vinden dat de schepenen die het stadsveen inspecteerden “mechtich weren bi den scepenen, wilcoer daer up te zetten” (=door de (collega-)schepenen gemachtigd waren, verordeningen daarover uit te vaardigen en/of boetes daarop te zetten)129. Deze bepaling is een variatie op die uit 1362. Opnieuw volgt hieruit dat dergelijke specifieke bepalingen – eigenlijk: verpachtingscondities – niet in de keurboeken, maar in de relevante registers een plaats vonden130.
Er is een duidelijk onderscheid in de wijze waarop Johan van Ommen enerzijds en zijn opvolgers anderzijds in het tweede katern de verpachtingen noteerden. Van Ommen schreef met een paragraafteken gemarkeerde tekstgedeelten, waarin hij achtereenvolgens de eventuele voorwaarden, de namen van de pachters en de bedragen onderbracht. Latere handen plaatsten in deze paragrafen soms tussen- en toevoegsels. Daar waar een jongere hand het van Van Ommen overnam, verandert de structuur van de aantekeningen (datum, naam, object, termijn, bedrag, etc.). De nieuwe registratievorm is standaard geworden in het vierde katern, dat in zeventien, eigentijds gefolieerde bladen de jaren 1440-1453 bestrijkt. Nieuw, ook ten opzichte van het tweede katern, is de optekening van verpachtingen en bedragen per jaar. Dit is een duidelijke verbetering, vergeleken met de oudere manier van het doorhalen van obsolete gegevens en het bijschrijven van de nieuwe. Eveneens nieuw is de rubriek “burgerschap”131. Vergelijking van een verpachting uit
1410 in het tweede katern met de overeenkomstige rubriek in één van de cameraarsrekeningen van dat jaar wijst uit dat de gegevens uit dit katern – zoals ongetwijfeld ook gebeurde met die uit het eerste, derde en vierde – daar in gecomprimeerde vorm een plaats kregen132.
Verpachtingsregisters vormden dus een substraat van de cameraarsrekeningen: de daarin verwerkte gegevens werden – al dan niet in geëxtraheerde vorm – in de cameraarsrekeningen overgenomen. Interessant is de functionele tweedeling tussen de eerste twee katernen van domeinen binnen en buiten de stad. Het vierde katern bevat verpachtingen van bezittingen in en buiten de stad tezamen. Onverklaard blijft de chronologische overlap tussen de verschillende katernen.
Het verpachtingsregister van 1392 kende op zijn beurt ook weer een onderliggende administratie.
Deze bleef zeer ten dele bewaard in de vorm van twee papieren katernen, die in de inventaris van het Middeleeuws Archief aangeduid worden als “registers van processen-verbaal van verpachtingen van stedelijke inkomsten”133. Beide werden door Johan van Ommen geschreven. Het eerste registertje is een katern van vijf bladen, waarvan het tweede blad is afgesneden, terwijl de pagina’s 5v-7v onbeschreven zijn. Het restant van deze verwijderde pagina vertoont het “aanvangsteken” waarvan Johan van Ommen zich in oorkonden bediende: drie punten die een omgekeerde driehoek vormen.
Aangezien de tekst van bladzijde twee doorloopt op bladzijde vijf, is dit blad kennelijk later toegevoegd. Blijkens de gaatjes in de “rug” is het katerntje oorspronkelijk ingebonden geweest. De aantekeningen van Johan van Ommen betreffen hoofdzakelijk pachtcondities voor de stadssteenovens op de Marsch en de Teuge (ten zuidoosten van de stad) in de jaren 1402-1418. Voorts zijn pachtvoorwaarden voor het “grote water” opgenomen134. Bepalingen met betrekking tot de visvangst en -verkoop (“dit sin die punten van den vischmarcte”) hangen hiermee direct samen. Dat geldt ook voor de verordeningen over visverkoop door vrouwen op het tussengeschoven tweede blad135. Daarmee is ook de reden voor deze toevoeging aan het katerntje achterhaald. Bij de ontmanteling van een ander (vermoedelijk: pacht-)register werd dit beschadigde blad overgebracht naar het onderhavige pachtregistertje, omdat de bepalingen daar logisch thuishoorden. En passant valt zo licht op archiefbeheer en -vernietiging in de stad. De verbinding tussen de diverse administratieve lagen laat zich illustreren aan de hand van een referentie in het verpachtingsregister van 1392136.
Het tweede registertje, een bifolium, stamt uit 1411 en is een kladexemplaar. Alleen op het eerste blad staan enkele aantekeningen van een mij onbekende hand. Op het binnenste blad zijn de namen genoteerd van de schepenen en raden (tweemaal elf personen in plaats van de reguliere twaalf), alsmede van de nieuwe burgers. Deze aantekeningen zullen een plaats gevonden heb-
ben in de verdwenen rekening van de ene cameraar van 1411137. Uit de aard van de overige notities en het kladkarakter blijkt dat we hier te maken hebben met een tijdens verpachtingssessies in een herberg geschreven katerntje. De herhaalde aantekening “iii werf” illustreert de verschillende ronden, tijdens welke belangstellenden konden bieden. Bedragen, namen en condities zijn opgetekend. De volgorde van de verpachte objecten is een andere dan die in de corresponderende cameraarsnetrekening van dat jaar. De vraag waarom er amper van dergelijke verpachtingsregistertjes bewaard gebleven zijn, is eenvoudig te beantwoorden. Weinig informatie zal zo snel verouderd zijn geweest als juist die welke in deze katerntjes opgeslagen lag. Als “sub-substraat” van de cameraarsrekeningen bevonden zij zich in de onderste administratieve laag.
Keren we terug naar het verpachtingsregister uit 1392. Het is geen toeval dat in 1393 voor het eerst blijkt dat de gerechtsboden bij het innen van de stadsrenten (tijns, pacht, huur, en dergelijke)138 geassisteerd werden door een anonieme scribent. Deze ontving zijn loon van de boden139. De bodenschrijver voerde een eigen inningsadministratie. Deze had derhalve een ander karakter dan de zojuist besproken verpachtingsregistertjes. Zij vormde als het ware het verlengde of het sluitstuk van de in de vorige alinea besproken registertjes, en was dus eveneens een substraat van het “centrale” verpachtingsregister. Helaas geven de desbetreffende rekeningposten ook in de volgende jaren nooit de naam van de bodenklerk prijs. Vanaf 1417 ontvingen de gerechtsboden een standaardbedrag van vijf gulden waarmee zij hun klerk, hun “verlies aan payment” (wel te wijten aan inkomstenderving door incourante muntsoorten140), en zo nog wel het een en ander compenseerden141. Tot de rentenadministratie van de bodenklerk behoorde vermoedelijk ook een perkamenten registertje uit circa 1442-1446 dat een soort model was voor de redactie van de desbetreffende rubrieken in de cameraarsrekening142. Enkele rubrieken daarin bevatten namen; overigens zijn de notities geanonimiseerd.
Dat een bodenklerk sinds 1393 werkzaam was, impliceert geenszins dat de inning van stadsrenten voordien niet verschriftelijkt was. Dat laat zich illustreren aan de hand van de in de “custodiae” Noordenberg en Brink geïnde tijnzen, welke voor het eerst in de cameraarsrekening van 1339 opgenomen zijn143. De inning geschiedde, bewijsbaar sinds 1343, door de “vigiles” ofwel
stadswachters, dan wel door de stadsboden144. Op 6 december 1363 en op nog een andere dag nadien maakten de cameraars, stadsschrijver Johan ter Hurnen en bode Albert Rueel een ronde “ende lieten den clyenen tijns vorscriven”145. Het betrof hier een actualisering van de lijst uit 1362146. Op 30 januari 1366 – dus nog in het boekjaar 1365 – vergezelde stadsschrijver Johan ter Hurnen de beide cameraars toen zij “den boden der stad renthen hadden overghegheven bescreven die sy in soelden winnen”147. Was dit een geheel nieuw overzicht? Hoe dit zij, met ingang van het jaar 1377 zijn de tijnzen in de stadsdelen “Noordenberg” en “Brink”, alsmede inkomsten uit kooltuinen en uit de verpachting van allerhande toonbanken in getotaliseerde vorm in de cameraarsrekeningen opgenomen. De lange lijsten met namen en bedragen uit de voorgaande periode verdwijnen daarmee148. Te veronderstellen is derhalve dat deze zaken vanaf 1377 apart geadministreerd werden. Dat gebeurde in afzonderlijke registertjes. Wel is er een verband met het oudste verpachtingsregister, want daarin zijn in 1383 keuren genoteerd over de verpachting van kooltuinen en de verhuur van plaatsen voor de verkoop van vlees149.
De gerechtsboden waren aanwezig bij de jaarlijkse rekeningsessies om de cameraar bij die gelegenheid de rentegelden te overhandigen150. De “spinde” waarover bode Johan die Lewe in 1367 beschikte151, zal voor het bewaren van deze gelden bedoeld zijn geweest. Hoogstwaarschijnlijk vonden ook kerfstokken een plaats in de bodenspinde. Met name betrof het stokken van herbergiers die voedsel en drank verschaften ten behoeve van de stad152, en van leveranciers van kaarsen die in openbare gebouwen voor de verlichting zorgden153. Deze kerfstokken fungeerden als bewijsstukken bij het opmaken van de stadsrekening, waarna ze hun functie ver-
loren en dientengevolge vernietigd zullen zijn. Het feit dat de gerechtsboden vanaf 1393 een eigen schrijver in loondienst hadden, betekent niet dat zij zelf niet konden schrijven. Nemen we als voorbeeld Herman van Orsbeke. Om niet burger geworden in 1388, verschijnt hij pas drie jaar later als gerechtsbode in de stadsrekeningen154. In 1398 overhandigde hij cameraar Martin ten Bome een declaratie in de vorm van een cedel155. In 1405 is Hermans declaratie in gecomprimeerde vorm opgenomen in de stadsrekening156. De bodenadministratie bestond derhalve zowel uit kerfstokken als uit schriftelijke bescheiden. De kerfstokken waren alleen voor leveranciers gebruikelijk.
5.1.2.2. Pandboeken
Al in de cameraarsrekening van 1337 zijn posten aan te treffen met betrekking tot panden (“pignera”)157. Panden werden in bewaring gegeven voor nog te innen gelden (met name pachten) of boetes158. Doorgaans losten de pandgevers ze in, maar als zij overleden, tot armoede vervielen of zich in ballingschap bevonden, werden de panden op de markt verkocht159. In 1344 lezen we voor het eerst over het contante geld en de panden die de – in dit geval ene – cameraar beheerde en overdroeg aan zijn opvolger160. De panden lagen in een kast, zoals blijkt uit een rekeningpost uit het beruchte pestjaar 1368. Op 5 oktober van dat jaar gaven de schepenen bevel “uyt Johan Hadersliefs spinde, do hi gestorven was, an paenden ende an quaden gheelde” de somma van bijna 28 pond te lichten. Diezelfde dag hoorden de schepenen zijn rekening postuum af161. Naast
geld en documenten werden derhalve ook panden in het cameraarsarchief ten stadhuize bewaard162. Daarbij liep wel eens iets mis, zoals in 1373, waar aan de uitgavenkant van de ene cameraarsrekening twee onkostenposten opgenomen zijn die betrekking hebben op het verloren gaan van panden163.
De pandboekhouding bestond aanvankelijk uit losse lijstjes, waarvan er één overgeleverd is uit 1348164. De cameraarsrekening van 1370 maakt melding van een pandboek165. Gelet op het verdwijnen van de opsommingen van afzonderlijke panden – hoe kort ook – aan het eind van de cameraarsrekeningen na 1365166, markeert dit vermoedelijk het tijdstip van invoering. We kunnen concluderen dat een geordend beheer van de panden toe te schrijven is aan de in 1344 aangetreden stadsschrijver Gevehard van Hildesheim, terwijl de invoering van pandboeken plaatsvond onder Johan ter Hurnen. Soms inventariseerde men tussentijds de losbare en niet-losbare panden. Daarvoor was een aparte rondgang in de stad vereist. Van de bevindingen werd een aparte cedel opgemaakt167. In bijzondere omstandigheden schold het stadsbestuur panden geheel of gedeeltelijk kwijt. Een voorbeeld daarvan biedt één van beide cameraarsrekeningen van 1430.
Twee lieden, de één wegens dienstverlening aan de stad, de ander omdat hij stuurman was tijdens een veldtocht, werden “uyt den pandeboeke gecortet”168.
Pandboeken vormen net als verpachtingsregisters een substraat van de cameraarsrekeningen.
De zes bewaard gebleven exemplaren stammen uit 1413, 1422 (in duplo), 1423 (in duplo) en 1427169 en vormen een schamel restant van de pandboeken die in de loop van de 14de en 15de eeuw geschreven moeten zijn. Zij zijn alle van papier en genaaid tot katernen van octavo formaat.
De pandboeken waren manualen waarin lopende verrekeningen door middel van doorhalingen en bijschrijvingen bijgehouden werden. Alleen het exemplaar uit 1413 is integraal door Johan van Ommen geschreven, terwijl één van de twee uit 1422 en beide uit 1423 van één en dezelfde scribent stammen170. De andere uit 1422 vertoont nog een derde hand. Voor zover Van Ommen
in het ene pandboek van 1423 schrijft, is zijn handschrift bibberig en onvast; in het andere van dat jaar noteerde hij de summae op de bladzijden waarop de voornoemde “tweede hand” te zien is. Dit vormt een aanwijzing dat Van Ommen het werk van een anonieme scribent superviseerde. Het pandboek van 1427 is geschreven door Johan Pallas; Johan van Ommen was geretireerd en Johan Pawe had nog geen dienstbetrekking aanvaard. Het bestaan van duplikaten laat zich verklaren uit de omstandigheid dat beide cameraars elk een eigen pandboek lieten bijhouden.
Enigszins verwarrend is het, dat de pandboeken een jaar later gedateerd zijn dan het jaar waarop zij betrekking hebben. Aangezien de nieuwe cameraars ze bij de jaarlijkse bestuursoverdracht op 22 februari overhandigd kregen, werden zij tot dat tijdstip bijgewerkt en navenant gedateerd171.
5.1.2.3. Burgerregistratie
Reeds de cameraarsrekening van 1337 kent een rubriek “de concivibus receptis et acceptatis” (= van medeburgers ontvangen en aangenomen)172, in volgende jaren doorgaans getiteld “de concivitatu” of in het Middelnederlands “van burgherschap”. Eén van de cameraarsrekeningen van 1353 bevat een post waarin de uitgave van twintig penningen verantwoord is “pro una cute pergamenti ad librum civitatis in qua scribuntur cives” (=voor een perkamentvel voor een stadsboek waarin de burgers worden opgeschreven)173. De editeur van de rekeningen gaat er blijkens zijn aantekening “sic” vanuit dat het woord “qua” een vergissing is. Inderdaad was de stadsschrijver in kwestie, Gevehard van Hildesheim, niet altijd even zorgvuldig met zijn Latijn. Er zijn nu twee mogelijkheden. Indien Gevehard zich verschreven heeft, betreft het hier een apart burgerboek dat van een omslag voorzien werd. Indien Gevehard geen fout gemaakt heeft, hebben we een stadsboek van onbekende aard voor ons, waaraan een katern toegevoegd werd dat speciaal voor de inschrijving van nieuwe burgers bedoeld was. Tussen 12 april en 12 mei 1354 zijn in de cameraarsrekening uitgaven genoteerd “factis per scabinos in domo Steerne (…) quum creaverunt cives” (=gedaan door de schepenen in het (stadswijnhuis) Steerne (…) toen zij burgers hebben gemaakt). Hetzelfde gebeurde rond de feestdag van Sint Scholastica (10 februari) in 1356 en 1358 (dus in de boekjaren 1355 en 1357)174. Het lijkt er derhalve op dat in 1353 een nieuw, of zelfs het eerste, burgerboek aangelegd is (en dat Gevehard zich inderdaad verschreef). In 1365 zien we bestuurders – schepenen zowel als raadsleden – op drie tijdstippen burgers beëdigen, namelijk op 13 februari (“do sy burghere ghemaket hadden”), op 8 mei (daags na Jubilate, dat is de derde zondag na Pasen, twee met naam genoemden) en op 3 augustus (daags na Vincula Petri, “do sy [schepenen] die wachters burgher hadden ghemaket”)175. Dit patroon is ook te ontwaren in de rekening van 1350. De namen van nieuwe burgers zijn daarin verdeeld over drie
afzonderlijke, ongedateerde rubriekjes176. Kennelijk was het “creëren” van burgers een plechtigheid die niet jaarlijks plaatsvond. Opvallend is voorts de steeds terugkerende datum van 10 februari, krap twee weken voor de afsluiting van het ambtelijke jaar. Of er nu een afzonderlijk burgerboek in gebruik was of toch een sectie in een stadsboek van andere aard, in beide gevallen is het niet te zeggen hoe deze registratie zich verhield tot de jaarlijks in de cameraarsrekeningen terugkerende burgerschapsrubriek.
De modaliteiten van de verwerving van het burgerrecht konden enorm verschillen. De meeste nieuwe burgers betaalden ervoor (de bedragen wisselen), sommigen verwierven het gratis, bijvoorbeeld omdat ze een “gewild” beroep uitoefenden (zoals de hiervoor vermelde wachters) of wegens armoede177 of ook wel op verzoek van derden178. Getuige twee rekeningposten lijkt een burgerschapsverwerving in fasen verlopen te zijn; wellicht was er een verband met het onregelmatige “creëren”. Allereerst figureren twaalf personen in 1362 in een aparte rubriek met het opschrift “die hier na bescreven staen, die en moghen ghene burgher wesen ende sy hebben der stad hoer gheelt ghegheven in alsulken vorwarden alse zijt also verwerven kunnen dat sy burgher moghen weerden, so zal men zy vor dat zelve gheelt ontfaen(=opnemen)”179. Voorts zijn acht jaar later twee lieden niet opgenomen in de reguliere burgerlijst, maar in een direct erop volgend rubriekje “die up burgher recht sitten”180. Dit alles maakt nieuwsgierig naar de regels die golden voor hen die het burgerschap begeerden. Jammer genoeg zijn deze niet overgeleverd; in het keurboek van 1448 ontbreekt zelfs de burgereed. Eind 1376 lijkt er gesleuteld te zijn aan een procedure voor burgerschapsverlening181. Stadsschrijver Ter Hurnen had uit hoofde van zijn functie inzicht in de burgerschapsregistratie en de met het burgerschap samenhangende keuren. Nog juist in het kalenderjaar 1377 vermeldt de rekening dat een schepen en de twee stadswachters bijeenkwamen “ende hadden bescreven die ghene die sie meynden dat ghene burgher en weren”182. Hieruit kan afgeleid worden dat de stadswachters degenen waren die het beste zicht hadden op de status van stadsbewoners. De functie van wachter onderscheidde men toentertijd van die van de boden en de poortwachters183. Over de precieze taak van de stadswachters is geen nadere informatie voorhanden dan die welke hun eed biedt184.
Schneider is van mening dat in Deventer de administratie van nieuwe burgers opgenomen was in een stadsboek van gemengde aard. Een op zichzelf staand register heeft volgens hem niet bestaan185. De auteur schraagt deze opvatting met een rekeningpost die dagtekent van 31 maart 1364. Daarin zijn de onkosten geboekt van een bijeenkomst van een cameraar van dat jaar, een cameraar uit het voorafgaande jaar en stadsschrijver Johan ter Hurnen “do sy die ghene die burgheren gheworden waren van tween iaren in der stad boec lieten zetten ende andere zaken bescreven van brecliken dinghen (=overtredingen, strafbare zaken) die in dien tween iaren gheschien waren”186. De frequentie van verleningen in de jaren vijftig toont dat dit niet per se hoeft te slaan op een achterstand in de optekening van nieuwe burgers, maar dat het evengoed om een reguliere optekening kan gaan. Ook nog in 1387 droegen beide cameraars en stadsschrijver Johan ter Hurnen er zorg voor dat de burgers van eveneens twee achtereenvolgende jaren “in onser stad boec” genoteerd werden187. Toch heeft het er de schijn van dat zich in 1362/1363 onregelmatigheden voorgedaan hadden.
De formulering van de posten uit 1364 en 1387 sluit het bestaan van een apart burgerboek noch van een burgerregistratie in een stadsboek van overigens onbekende aard uit. Gelet op de terminologie en ervan uitgaande dat de notities van strafrechtelijke aard in 1364 in hetzelfde stadsboek gemaakt werden als dat waarin men de nieuwe burgers registreerde, lijkt een keurboek nog het meest in aanmerking te komen. Als deze veronderstelling plausibel is, heeft men in 1440 echter voor een nieuwe opzet gekozen, namelijk registratie in een verpachtingsregister – zoals hierboven gebleken is. Gebeurde dit met het oog op de vervaardiging van een nieuw keurboek, dat van 1448, dat louter en alleen keuren bevat?
Het feit dat men lacunes van een paar jaar kon opvullen, bewijst dat er aan dit “spookregister” een aparte burgeradministratie ten grondslag lag. Het lijkt namelijk nogal vergezocht te veronderstellen dat stadsbestuurders, stadsschrijver en/of stadswachters de nieuwe burgers via het geheugen of via “opsporing” achterhaalden. In dit verband trekt een in de ene cameraarsrekening van 1360 liggend blad papier met het opschrift “solverunt de concivitatu” (=zij hebben betaald voor het medeburgerschap) de aandacht. Een onbekende hand noteerde hierop namen188, terwijl de supervisie bij stadsschrijver Gevehard van Hildesheim berustte. Hij herstelde namelijk een foutje in de lijst, te weten de inschrijving van Johan Hadersleef, die al burger was maar (als borg?) voor iemand anders betaalde. In de burgerrubriek in de netrekening is deze informatie niet aan te treffen189. Van belang is verder dat in 1435 niet rekeningschrijver Pallas, maar diens collega-stadsschrijver Johan Pawe de burgerschapslijst (afgezien van de eerste zeven namen, een tussen- en de eind-summa) in de cameraarsrekening inschreef190. Dit lijkt eveneens een indicatie voor het
in zwang zijn van een aparte administratie. In 1460 boekte de rekeningschrijver slechts een totaalbedrag “van der burgerschap”191. Ook in de navolgende jaren blijft dit zo. Het wijst er eens te meer op dat nieuwe burgers buiten de cameraarsrekening om geregistreerd zijn.
Sporen van een dergelijke onderliggende administratie zijn te vinden in de papieren verpachtingsregistertjes van het type dat voor 1411 bewaard bleef. Daarin is, zoals eerder vermeld, onder meer een lijst van nieuwe burgers te vinden192. De cameraarsrekening van 1411 met daarin de burgerrubriek is niet meer voorhanden, zodat een vergelijking niet tot de mogelijkheden behoort.
Dit registertje verdraagt zich slecht met de hiervoor geformuleerde hypothese van een keurboek annex burgerboek, tenzij we aannemen dat keurboeken deze functie al eerder dan 1440 verloren.
Het verpachtingsregister van 1392, met daarin – zoals gezegd – vanaf 1440 een rubriek “burgerschap”193, werd medio 16de eeuw beschouwd als hét burgerboek194. De lijsten in dit register en de overeenkomstige rubrieken in de cameraarsrekeningen dekken elkaar evenwel niet. Sterker: zij zijn, bijvoorbeeld in 1440, wederzijds exclusief. De vraag dringt zich (andermaal) op hoe verpachtingsregisters en cameraarsrekeningen zich op dit punt tot elkaar verhielden, of preciezer: welke burgers om welke reden een plaatsje kregen in de cameraarsnetrekeningen. Wellicht speelde hier het gesignaleerde faseverschil bij burgerschapsverleningen een rol. Vinden we de burgers die betaald hadden in de stadsrekeningen en de “volle” burgers, die aan ons onbekende, aanvullende voorwaarden voldeden in de andere administratie (het “burgerboek”), en bevatte dat de voorwaarden voor het burgerschap? Een eenduidig antwoord op de vraag hoe de burgerschapsregistratie was opgezet is niet te geven195.
De functie van een punctuele burgerregistratie was drieledig. Allereerst was het voor het stadsbestuur van cruciaal belang te weten wie er wel en wie er niet tot de burgerij behoorden, omdat burgers andere rechten en plichten hadden dan niet-burgers, de zogeheten “inwoners”.
Met name in conflicten met (burgers van) andere steden maakte het uit welke status iemand bezat. Ook voor fiscale en militaire administraties was een overzicht van degenen die de eed op het stadsrecht afgelegd hadden van groot belang196. Tenslotte moesten de inkomsten uit burgerschapsverleningen verantwoord worden.
Pendant van inschrijvingen zijn uitschrijvingen. In 1379 verzochten bestuurders hun collega Jacob van Apeldoorn zijn burgerschap op te zeggen. Jacob was in 1378 schepen en in 1380
schout van Salland. De vervulling van een landsheerlijk ambt vereiste kennelijk ontburgering197, al is een dergelijke bepaling in het oudste bewaarde keurboek niet terug te vinden. In het buursprakenregister is onder het jaar 1464 genoteerd dat iemand “syne burgerscop der stad van Deventer op geschreven heeft”. De achtergrond blijft onduidelijk; de man in kwestie was een dienaar van de graaf van Oldenburg, die de Deventer stadsbestuurders terstond om opheldering vroeg198. Klaarblijkelijk was schriftelijke opzegging mogelijk. Dergelijke brieven zullen bewaard zijn; van een registratie van opzeggingen is echter geen spoor te vinden. Het is daarom ook niet te zeggen of het stadsbestuur exuegelden hief.
Een laatste kwestie in dit verband zijn de restrictieve maatregelen die niet alleen Deventer, maar ook de twee andere grote Overstichtse steden in 1443/1444 naar aanleiding van een handelsgeschil tegen “Hollanders” troffen199. Zij zijn vastgelegd in de keurboeken van 1448 en 1486 en behelzen een vestigingsverbod en het bemoeilijken van huwelijken met Deventer vrouwen (die de man het burgerschap opleverden)200. Tussentijds, rond 1465, werd een – zij het ook beperkte – versoepeling van kracht. Deze is opgenomen in het verdrag waarmee een einde kwam aan weer een ander handelsgeschil met de Hollandse en Westfriese steden201. Het blijft een open vraag of het hier louter om concurrentie ging of om een dieper gevoelde antipathie. Opmerkelijk is dat nog in 1440 het stadsbestuur Amsterdamse lakenbereiders lokte met een bedrag van 25 Rijnse gulden per persoon. Hiervan werd een afzonderlijke cedel opgemaakt202. De vestigingssubsidie had ongetwijfeld ten doel de lakennijverheid een nieuwe impuls te geven. Het klimaat jegens “Hollanders” verkilde klaarblijkelijk in zeer korte tijd, tenzij we de vestigingssubsidie voor Amsterdammers zien als een uitzondering uit economische noodzaak. Dat de keur geen dode letter was, merkten twee vrouwen die in 1445 op straffe van een dwangsom de stad binnen veertien dagen moesten verlaten203. Hoewel zich krachtens de verordeningen uit 1443/1444 sindsdien formeel geen “Hollander” in Deventer kon vestigen, was er kennelijk toch aanleiding deze nadien in beide keurboeken te herhalen. De vraag is hoe het stadsbestuur erin slaagde zicht te houden op het aantal “Hollanders” in de stad. Vermoedelijk volstond sociale controle. Het is ook denkbaar dat het stadsbestuur het contingent “Hollanders” separaat liet administreren.
5.1.2.4. Belastingen en leningen
Ook belastingkohieren – staten van in een bepaalde periode te innen belastingaanslagen204 – kunnen gerekend worden tot de cameraarsbescheiden. In de onderhavige paragraaf gaat het primair om stedelijke belastingen. Deze omschrijving behoeft in zoverre verduidelijking, dat stedelijke heffingen soms de lokale vertaling vormden van door de landsheer aan het Sticht of Oversticht gevraagde belastingen. Het is een gemis dat er geen studies over de bisschoppelijke fiscaliteit in het Oversticht zijn205. Als voorbeeld van een landsheerlijke belasting fungeert in het navolgende een heffing van de “honderdste penning”. Aan de orde komen om te beginnen stedelijke nutsbelastingen en leningen en schulden206.
Nutsbelastingen: koe- en poortwachtersgelden
De vroegste vermeldingen van directe belastingen stammen uit 1343 en 1347 en betreffen infrastructurele werken207. Dit zouden we nutsbelastingen kunnen noemen: zij die er profijt van hadden, droegen hun steentje bij. Gaat het hier om heffingen van incidentele aard, structureel zijn de gelden die geïnd werden ten behoeve van de betaling van de koe- en poortwachters. Burgers die hun koeien op de stadsweiden lieten grazen, betaalden daarvoor belasting “daer men die wachters mede lonen solde die die coen bi nachte ende bi daghe in der weyden hebben ghewaert (=erop hebben gelet)”208. Het toegestane maximumaantal te weiden koeien bedroeg in 1401 (maar vermoedelijk ook al eerder) vier per burger, althans op de Marsch209. De aanwezigheid van stadsschrijver Johan ter Hurnen bij de inning van het koewachtersgeld in 1362 – wanneer tevens het tarief van een Vlaamse groot per koe vermeld wordt – en 1363210 roept de vraag op sinds wanneer de incasso schriftelijk geschiedde. Reeds in 1339 is sprake van “pecunia collecta de vaccis per plateas civitatis” (=geld dat in de stadswijken ingezameld is wegens het weiden van koeien), van welke inkomsten in geschrifte verantwoording afgelegd werd211. Het betreft hier het koewachtersgeld en
niet de inkomsten uit het brandmerken van koeien, die pas in de rekening van 1347 verschijnen212.
Vijf jaar later blijkt dat de inzameling van het koewachtersgeld een taak was van de wachters en wordt opnieuw duidelijk dat zij een schriftelijke basis kende213.
In 1348 kregen de wachters bij de inzameling versterking van Giselbert Jacobsz, die ongetwijfeld als scribent fungeerde214. Eveneens in 1379 assisteerde een “klerk” de wachters bij de inning215. Drie jaar later melden de cameraarsrekeningen dat de stadsboden “ontfanghen hadden na der cedelen daer die koen inne bescreven stonden, daer men die koewachters af lonen soelde 90½ lb.”216. Vast te stellen is dat er sinds de jaren veertig van de 14de eeuw een aparte registratie ten behoeve van de inning van koewachtersgeld in zwang was, waarmee de inners in de wijken uit de voeten konden. Hoe de koegeldadministratie zich verhield tot de brandmerkoptekeningen blijft duister, ook al omdat van geen van beide administraties specimina uit de late Middeleeuwen overgeleverd zijn.
De opbrengsten aan koewachtersgeld zijn jaar na jaar terug te vinden in de cameraarsrekeningen, doorgaans in de rubriek “van allerhande zaken”. Vanaf 1433 verantwoorden de stadsschrijvers de inkomsten uit koewachtersgeld ten behoeve van de betaling van zowel poort- als koewachters in één verzamelpost in plaats van in de tot dan toe gebruikelijke twee aparte posten217.
Aangezien de rekeningen van de “tweede” cameraar over de boekjaren 1431-1432 ontbreken, kan deze verandering één of twee jaar eerder haar beslag gekregen hebben. In 1447 vond een verdergaande clustering plaats: men boekte in de rubriek “van den weidegreven” een nettobedrag, waarin zowel brandmerkgeld, “wijkgeld” (d.i. koe- en poortwachtersgeld) als “buurwerken” (lees: de afkoop van graaf- en aanverwante werkzaamheden door wijkbewoners) begrepen zijn218. Dit spoor schijnt al snel weer verlaten te zijn, want in 1450 schreef men het brandmerkgeld (in de vorm van een nettobedrag) en het koewachtersgeld net als voorheen gescheiden in de cameraarsrekening in, en wel in de rubriek “weidegraven” respectievelijk “allerhande zaken”219.
Overigens waren in 1453 en 1455 de weidegraven verantwoordelijk voor de inning van het koewachtersgeld220.
Hoewel de wachters geregeld of wellicht steevast versterking kregen van een scribent (en vice versa), is er een uitzonderlijk en bovendien vroeg bewijs dat zij, of althans sommigen onder hen, zelf de schrijfkunst beheersten. Het betreft een document uit onvermoede hoek, namelijk een in het Middelnederlands en op papier gestelde specificatie betreffende “reysa”, die bij de cameraarsrekening van 1349 ingebonden is. De opsomming maakt duidelijk dat het hier gaat om “reysa” in de zin van bodereizen en niet van veldtochten221. De anonieme “ic” die de declaratie in een verzorgd handschrift schreef, laat zich identificeren als de wachter Hendrik222. Ook de rekening van 1350 bevat een “reysa”-specificatie op een inliggend stuk papier, wederom in de hand van Hendrik (en overigens aangevuld door stadsschrijver Gevehard van Hildesheim). In dit geval bracht Hendrik ook reizen van een paar collega’s in rekening. Hij had dus de supervisie over het bodewezen en de reisdeclaraties. Het is denkbaar dat boden hun reizen op schrift, op wastafeltjes of op kerfstokken bijhielden; wellicht hanteerden zij daarenboven afstandstabellen223.
Waar Hendrik zijn collegae met doop- en toenaam noemt, omschrijft hij zichzelf als “H. de wachter” – aangezien hij de posten schreef, was een volledige identificatie overbodig224. Hendrik was in 1337 reeds in stadsdienst, en bleef dat tot 1354. In laatstgenoemd jaar en ook al in 1353 wordt voor Hendrik tegelijkertijd zowel de aanduiding “vigil” als “nuncius civitatis” gebezigd225.
[In de cameraarsrekening van 1350 ligt een specificatie op papier van de reiskosten die de bode/wachter Hendrik voor de stad maakte. Hendrik schreef dit lijstje zelf. De stadsschrijver Gevehard van Hildesheim vulde het zowel op de recto – als de versozijde met een paar notities aan (SAB, Cam., inv. nr. la; foto: SAB).]
Het is duidelijk dat de functieaanduidingen van stadsdienaren in deze periode nog niet vastlagen, of preciezer: een in elkaar overlopende scala aan activiteiten ten behoeve van het stadsbestuur dekten. Deze bevinding spoort met de eerder gedane observatie dat het stedelijke ambtenarenapparaat pas rond 1362/1363 formeel gestalte kreeg226. Van belang is het om hier op te merken dat dit apparaat, dat medio 14de eeuw een nog zeer beperkte omvang had, in hoge mate geletterd, althans in de volkstaal geverseerd was. Dat declaraties als de zojuist behandelde bijna allemaal verloren gegaan zijn, is te verklaren uit de functie die zij vervulden: zij dienden eerder als geheugensteuntje dan als bewijsstuk227.
Het tweede voorbeeld van een jaarlijks terugkerende algemene nutsbelasting vormen zoals gezegd de wijksgewijs geïnde gelden die bestemd waren om de wachters van de Noordenberg-, Brink- en Heestpoort mee te betalen. Op 26 november 1361 maakten de schepenen een ronde door de stad om huis aan huis het poortwachtersgeld te beuren. De opbrengst “de qualibet domo ubi scabinis videbatur ad selarium custodium portarum” (=van elk huis waar het de schepenen
[De wachter kondigt de dageraad aan. Uit: Vensters naar vroeger. Eenentwintig schoolvakken in middeleeuws perspectief. Bulkboek (2e druk; Amsterdam en Barneveld 1985).]
goeddacht voor het salaris van de poortwachters) bedroeg bijna 44 pond. Acht bestuurders stelden op 10 januari 1362 – dus nog in het boekjaar 1361 – een “ordinanci (…) van der wachte ende van den slotelen van den poerten” op228. Met andere woorden: het stadsbestuur voerde deze belasting in 1361 in. Zijn in 1362 geen inkomsten aan poortwachtersgeld geboekt, het jaar daarop gebeurde dit gespecificeerd per wijk. Het opschrift van het rubriekje vermeldt dat “tot elken hues die dat vormochte eynen Vlem. gr. (…) ghenomen is”229. Onbekend blijft hoeveel “huizen” onvermogend waren en dus van een aanslag verschoond bleven. Gezien het feit dat de opbrengsten zich niet altijd laten omrekenen naar een rond aantal “huizen”, zal een gedifferentieerd systeem van aanslagen gehanteerd zijn, dat rekening hield met vermogen en/of het type woning (huis, “kamer”, kelder, etc.).
Van routine bij zowel de inning als de boekhouding is aanvankelijk nog geen sprake. Waren het in 1361 de schepenen zelf, in 1366, 1369 en 1376 liepen boden door de stad om de incasso te doen, terwijl in de jaren 1367-1368 en 1371-1372 één of twee personen per wijk het geld vergaarden230. Dat deze laatsten wijkbewoners, mogelijk “keurnoten” waren231, kan wel aangenomen worden op grond van het feit dat de rekening van 1373232 en die in de periode 1377-1412 anonieme “straatgenoten (van onze gemeente)” als inners vermelden233. Boekten de stadsschrijvers de poortwachtersgelden aanvankelijk soms in de ene, soms in de andere, bij uitzondering in beide rekeningen234, vanaf 1382 ontstond een standaard. Na 1412 verdwijnt de post betreffende het poortwachtersgeld tijdelijk235. De wachters ontvingen hun loon toen klaarblijkelijk uit het geheel aan stedelijke inkomsten. Vanaf 1433 (wellicht reeds in 1431 of 1432, voor welke jaren één van beide rekeningen ontbreekt) combineren de rekeningen de poortwachters- en koewachtersgelden. In 1441 werden beide ploegen wachters betaald uit de opbrengst van het koegeld236.
Sinds 1444 inden de boden het wijkgeld alleen voor de poortwachters237. De reden dat de bronnen geen melding maken van een afzonderlijke administratie van de poortwachtersgelden is gelegen in het feit dat de wijkbewoners zelf zorg droegen voor de inning ervan, althans tot 1444.
Leningen en schulden
Een ander type heffing is de – al dan niet gedwongen – lening die het stadsbestuur met zijn burgers aanging. Soms tamelijk verborgen zijn dergelijke leningen veelvuldig in de cameraarsrekeningen aan te treffen. Daarnaast bevat ook het oudste bewaarde verpachtingsregister informatie over dit type leningen238. Een rekeningpost uit 1396 verwijst naar de optekeningen over leningen in dit register239. Begin 1346, nog juist in het boekjaar 1345, duikt het fenomeen van de lening door burgers voor het eerst op240. Een kalenderjaar later leenden bewoners van de wijken (Pol-, Water- en Assenstraat) in totaal 832 pond voor werkzaamheden bij het kasteel “Dure”. Hoewel slechts bij twee wijken melding gemaakt wordt van een aparte administratie (“ut patet in partibus” = zoals uit
de specificaties blijkt), omvatte zij ongetwijfeld ook de overige zes241. Dit register is niet meer voorhanden. Soms namen de stadsschrijvers lijsten met de namen van crediteuren integraal in de rekeningen op, zoals in 1367, toen de stad geld leende van 52 burgers. Dat leverde iets meer dan 3.423 pond op. Blijkens aantekeningen in de marge als “solvit” (=heeft betaald) fungeerde deze lijst als een kohier242. De opbrengst was onder meer bestemd voor een lening aan bisschop Jan van Virneburg.
In ruil verwierf de stad privileges243.
In 1374 boekte de cameraar aan de inkomstenkant 1.239 pond “van den gheelde dat onse stad ghelient heft (…) van horen burgheren”244. Een gezelschap van zes stadsbestuurders, de twee cameraars en stadsschrijver Johan ter Hurnen bepaalde op 18 september wie aan de lening moesten deelnemen en liet hiervan een lijst aanleggen245. Afgaande op de gang van zaken is het zeer aannemelijk dat het stadsbestuur inzicht had in de vermogenspositie van burgers. Als daarvan al een schriftelijk overzicht bestond, valt dat nergens in de bronnen te traceren. Het is echter ook mogelijk dat opgave van vermogen mondeling en onder ede geschiedde. Op 9 oktober wees het schepencollege vier man uit zijn midden aan “dat sie dat gheelt verghaderen soelden die onse stad ghelient hadde van onsen burgheren”. Een dag later belegden de twee cameraars en Johan ter Hurnen een bijeenkomst over de lening246.
Het oudste bewaard gebleven register dat speciaal voor een verplichte lening aangelegd werd, is een door stadsschrijver Johan ter Hurnen beschreven katern met 288 naar wijk en daarbinnen naar persoon geordende aanslagen. De totaalsom bedraagt 3.132 pond en 15 schellingen247. Doordat de bovenzijde van de (perkamenten) bladen aangetast is, is het opschrift nog slechts ten dele leesbaar248. De opstelling van het kohier hangt samen met de belegering van het kasteel Eerde bij
[Om een veldtocht naar het kasteel Eerde te bekostigen, liet het stadsbestuur in 1380 in een register de namen noteren van burgers die hiertoe geld moesten lenen (SAB, MA, inv. nr. 250; foto: SAB).]
Ommen door Deventer troepen in 1380249. Diverse posten in de cameraarsrekening van 1380 verwijzen naar deze lening250. Uit de formuleringen blijkt zonneklaar dat het om een gedwongen lening ging: rijke burgers moesten een bijdrage leveren. Alle pagina’s zijn door middel van een kruis gecancelleerd; ten teken van betaling of juist van terugbetaling? Van den Elzen en De Meyer zijn van mening dat de in de rekeningposten figurerende Steven van Nyet door zijn functie van onder meer “stadsontvanger” – zoals zij hem omschrijven – beter dan wie ook de welstand van
zijn medeburgers kende251. Hoezeer dit op zichzelf juist kan zijn, het is niettemin uitermate twijfelachtig dat het geheugen van één persoon toereikend was voor zoiets gecompliceerds als een belastingheffing – zelfs als we ervan uitgaan dat alleen een elite hierbij betrokken was, en dat het geheugen van “de” middeleeuwer in sommige opzichten getrainder was dan het onze. Ook in dit geval zal het stadsbestuur over gegevens van individuele vermogens de beschikking gehad hebben.
Een rekeningpost uit 1358 doet vermoeden dat de stad een algemene schuldenboekhouding bijhield252. In 1373 stuiten we op een vergelijkbare post253. Voorts is in 1396 sprake van een bijeenkomst van de cameraars, schrijvers en boden “do die cemeners daer over ghezeten hadden dat sie verghaderden wes dat onse stad schuldich is ende wes men onsen stad weder schuldich is”254.
Een stedelijk schuldboek wordt in 1436 vermeld255. Tenslotte bevatten ook de pandboeken soms optekeningen van schulden in een rubriek “dit is men der stat (van Deventer) schuldich dat int pantboec nyet en hoert”256. Voor wat betreft de tweede helft van de 14de eeuw vinden we deze schuldenboekhouding (deels?) terug in het oudste bewaarde verpachtingsregister, voor zover het (gedwongen) leningen betreft. Daarnaast is een door stadsschrijver Johan van Ommen geschreven, per jaar gespecificeerd overzicht van ten behoeve van algemene Stichtse zaken voorgeschoten gelden over de periode 1361-1393 opgenomen in het “olde copienboick”257. Deze lijst was gebaseerd op een onderzoek van de cameraarsrekeningen uit de genoemde periode258.
Klaarblijkelijk was er een verband met de bisschopswisseling in Utrecht in 1393; wilde de stad een drukmiddel achter de hand hebben om de nieuwe landsheer Frederik van Blankenheim privileges af te dwingen? Als dit inderdaad het doel van deze optekeningen is geweest, slaagde het stadsbestuur ten dele in zijn opzet259.
Landsheerlijke belastingen
Eén van de oudere, goed gedocumenteerde voorbeelden van een bisschoppelijke heffing is de wel zeer omvangrijke uit 1331 ter financiering van de aankoop van de heerlijkheden Diepenheim en Dale. De opbrengst, opgebracht door Salland en Twente tezamen, bedroeg ruim 3.765 pond. Deventer fungeerde als inningscentrum260. Met voorbijgaan van diverse andere belastingen261, dienen de gebeurtenissen in de jaren 1418/1419 zich aan als illustratie van het lokale effect van een bisschoppelijke heffing, in dit geval van Frederik van Blankenheim. In 1419 verschaften zowel 68 burgers als de provisoren van het gasthuis van de H. Geest en van de leprozerie het stadsbestuur gezamenlijk een aanzienlijk bedrag. De terugbetaling is datzelfde jaar geboekt; alleen de provisoren van beide instellingen ontbreken in de lijst. Hoogstwaarschijnlijk was er een verband tussen de lening en de veldtocht naar kasteel Neuenhaus in 1418. In dat jaar waren stedelijke en bisschoppelijke scribenten betrokken bij het redigeren van vele schuldbekentenissen262.
Een volgend voorbeeld is postulaat/bisschop Rudolf van Diepholt. Van vier heffingen uit zijn regeerperiode bleven de Sallandse kohieren bewaard263. In Deventer vinden we de weerslag hiervan terug in de cameraarsrekeningen264. Vanaf 1429 bevatten zij posten en vaste rubrieken die erop wijzen dat het stadsbestuur leningen aanging bij burgers (en bij burgers van andere steden)265. Stadsschrijver Johan Pallas kreeg in 1428 één “tuin” voor elk door hem geschreven
exemplaar van de in totaal 107 “brieven van renten ende scholt die die stad schuldich is”266. In de ene beschikbare cameraarsrekening van 1429 tellen we aan de uitgavenkant 106 per wijk geordende namen267. Vond de terugbetaling zo snel plaats? De cameraarsrekening van 1430 bevat de post: “Item, Johannes Pallas voir francijn ende was dair der borgere brieve van den hondertsten penning op ende mede gescreven ende besegelt siin 1 sc., maket 6 gl. 6 pl.”268. Een aantekening uit dit jaar in het wantsnijdersgildeboek (een voortzetting in codexvorm van de koopmansgilderol over de periode 1417-1764) toont niet alleen aan dat gilden ook hun steentje bijdroegen, maar laat tevens zien dat geldverschaffers rente ontvingen269. In de ene bewaard gebleven cameraarsrekening van 1432 is aan het eind van de uitgavenkant een rubriek “Van den geluesden brieven van den hondertsten penning” opgenomen, met daarin 263 namen. In 1433 telden dezelfde rubrieken in de beide rekeningen tezamen 234 namen, in 1434 nog 69 in totaal270. Nadien verschijnt de rubriek over de honderdste penning niet meer; het stadsbestuur had deze schuldenlast binnen vijf jaar afgelost.
Eén van beide rekeningen van 1430 kent een aparte rubriek “renten die die stad den borgeren schuldich is”, met daarin 133 naar wijk uitgesplitste namen271. In de “tweede” rekening van 1433 is direct na de “honderdste penning”-rubriek eveneens deze naar wijken verdeelde rentenrubriek te vinden; in 1434 gaat een rubriekje “van geluesden renten” vooraf aan de “honderdste penning”-rubriek, waarna de naar wijk geordende rubriek ingeschreven is272. Ook in de navolgende jaren keert deze rubriek telkenmale terug. Zoveel is duidelijk, dat in de jaren dertig van de 15de eeuw een intensivering en diversificatie van het financiële verkeer tussen burgers en stadsbestuur plaatsvond. Het blijkt dat de meente hierbij een vinger in de pap had273. Te vermoeden valt dat de geschetste ontwikkelingen verband hielden met de toenemende frequentie van bis-
schoppelijke belastingen. Op stadsschrijver Pallas rustte de taak in een paar jaar tijd honderden schuldbekentenissen te schrijven en te doen zegelen. Het zal geen toeval zijn dat de zegelaars na een lange stilte juist in deze jaren weer in de bronnen terugkeren. In het oog springend is het feit dat sinds 1430 ook het renten- en onroerendgoedverkeer tussen burgers onderling schriftelijk beslag kreeg in de vorm van de eerder behandelde renunciaties274.
5.2. Wijnheren
De wijnheren komen reeds in de cameraarsrekening uit 1337 voor en waren belast met de inning van de accijns op het tappen van wijn275. Van 1337 op 1339 maken de inkomsten die de wijnheren afdroegen aan de cameraar een sprong van 84 naar 720 pond, waarna dit hoge niveau jarenlang gehandhaafd bleef276. Dit wijst hetzij op het recent instellen van het wijnherenambt, dat dan nog niet over een efficiënt werkend inningsapparaat beschikte, hetzij op een – dan wel zeer ingrijpende – accijnsverhoging in het boekjaar 1338 (welke rekening niet bewaard bleef). Eventueel kan (tevens) sprake geweest zijn van een uitbreiding van bevoegdheden. De eerste optie lijkt de plausibelste. De wijnheren droegen hun inkomsten sinds 1344 af aan één van de cameraars277.
De wijnaccijns diende niet zelden om tekorten van de cameraars aan te zuiveren. Zo “effende” in 1361 één van hen op het stadhuis zijn rekening met de wijnheren en gaven de wijnheren de ene cameraar in 1373 “eyn deel gheeldes (…) uyten wyntappen”. In 1401 droegen de wijnheren hun kastegoed over aan één van de cameraars278.
Uit 1363 stamt een vermelding dat de nieuwe wijnheren door het oude schepencollege gekozen (“ghecoren”) werden279. Dit gebeurde twee weken na de schepenwisseling, hetgeen impliceert dat het nieuw aangetreden schepencollectief althans deze functie niet zelf in vrijheid kon bezetten280.
De wijnheren legden ten overstaan van hun medeschepenen financiële verantwoording af281.
Naast de accijnsinkomsten boekte men vanaf 1337282 meestal en sinds 1353 steevast aan de inkomstenkant apart ook een som aan wijnpenningen (“denarii vini”). Dat juist in 1353 voor het eerst het bestaan van een aparte wijnherenrekening gedocumenteerd is, zou kunnen betekenen dat deze boekhouding toen haar intrede deed283. Dat lijkt echter een beetje aan de late kant, gegeven de hoogte van de revenuen van de wijnheren sinds 1339. Gedurende de jaren 1388-1410
kwam er de klad in de notatie van de wijnpenningen; meestal bleef de rubriek oningevuld (16:23), in 1396 is het bedrag geradeerd284. Naar de redenen voor deze ontwikkeling kunnen we slechts gissen; kregen de wijnpenningen een vaste, maar ons onbekende bestemming? Het onderscheid tussen beide categorieën inkomsten van de wijnheren – accijns en wijnpenningen – blijkt uit enkele posten die ongewoon veel informatie verschaffen. Als inkomsten van de wijnheren boekte de cameraar in 1365 enerzijds een hoofdbedrag “van den wijntappe” en anderzijds een kleiner bedrag “van den wijnpenninghen van den wine die sy over iaer hebben ghebruket”.
Een jaar later gaat het om wijnpenningen “van den wine den sy over jaer hadden doen tappen”285.
Wie die “sy” zijn, lezen we in 1385: “Van den wynpenninghen boven den wijn dien onse scepen over jaer verschenket hebben, bi den kerfstocke gherekent…” en in 1396: “Van den wijnpenninghe boven den wijn dien die cemeners over iaer van onser stad weghen verschenket hebben, gherekent na den kerfstocken …”286. Over deze “schenkwijn” – de wijn die het stadsbestuur liet uitschenken – voldeed men dus geen accijns, maar “wijnpenningen”. De “schenkwijn” vloeide niet alleen wanneer vooraanstaande bezoekers de stad aandeden, maar ook bij gelegenheid van de verpachting van stedelijke bezittingen287.
Dat de kerfstok een sleutelrol speelde in de administratie van de wijnaccijnsheffing laat zich aan de hand van nog vele andere rekeningposten staven. Herbergier Hendrik Bolten leverde het stadsbestuur in 1367 wijn “die ghesant ende gheschenket was, die up den stoc ghekervet was, daer ghene wijnpenninghe af gherekent en sin”288. De wijnknechten brachten in 1377 de cameraar een bedrag in rekening “van verschenkeden wine die up den stocke gherekent was ende dien die wijnheren niet gherekent en hadden in die wijnpenninghe”. Een jaar later worden wijnknechten bij naam genoemd. Toen boekte de cameraar vijftien pond “van wijn die verschenket was (…) die hem ontbrac boven dat gheelt dat hem die wijnheren korten vor die wijnpenninghe”289. In 1401 lezen we opnieuw dat op de stok bijgehouden werd hoeveel wijn door de stad
[Achttiende-eeuwse kerfstokken die betrekking hebben op graanleveranties (SSZ, archief Sint Anthony Kleine Broederschap, inv<. nr. 129; foto: SSZ).]
verschonken was, en dat de wijnheren het corresponderende bedrag aftrokken van het totaal aan wijnpenningen290. De wijnknechten speelden ook een rol bij het opstellen van (voorstadia van) de cameraarsrekeningen; zo waren zij op 20 juli 1387 met stadsschrijver Johan ter Hurnen present toen een cameraar zijn maandrekening inschreef291.
Uit het voorgaande laat zich afleiden dat de “schenkwijn” op de kerfstok genoteerd werd en dat de kosten ervan in mindering gebracht werden op het totaalbedrag van de “wijnpenningen”.
Die “wijnpenningen” werden afgedragen door degenen die in het stadswijnhuis tapten, terwijl particuliere tappers in de stad een wijnaccijns verschuldigd waren. Dit verklaart de tweedeling in de jaarlijkse inkomsten van de wijnheren. De hoeveelheid door het stadsbestuur te verschenken wijn was gelimiteerd, althans wat betreft het vaste wijngelag op Sint Maartensavond. Het wijnpenningtarief bedroeg in 1370 vijf schellingen per kwart vloeistofmaat292. De kerfstokadministratie was een zaak van zowel de wijnheren als hun leveranciers, want het bewijs van een schuld werd geleverd door de vergelijking van de stok en de “wederstok”, die overeen moesten komen293. De kerfstok was dus een chirograaf in hout. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat niet alleen de “schenkwijn” op de kerfstok geregistreerd werd.
Naast de administratie van accijnzen en penningen zijn nog andere bescheiden van de wijnheren aan te wijzen, zoals in de cameraarsrekeningen opgenomen specificaties met betrekking tot
wijnschulden en -voorraden uit de jaren 1343-1345 en 1347294. De wijnheren kochten zeil partijen wijn in bij onder anderen handelaren uit Zutphen en Rees (of lieten dat doen door tussenpersonen)295 en verkochten of schonken bij gelegenheid wel eens wat296. Uit 1362 en uit de periode 1368-1370 stammen eveneens in de cameraarsrekeningen geïncorporeerde overzichten, waarin doorgaans ook nog een component op de kerfstok afgerekende “zancwine” (wijn voor het misoffer) is onderscheiden, en waarin de accijnsinkomsten naar data geclusterd zijn. Het gaat hier eveneens eerder om cedelen dan om rekeningen297.
In de inleiding op dit hoofdstuk is reeds vastgesteld dat men het ambt van wijnheer tot 1412 rekende tot de “overste ampte”. Sedertdien verpachtte het stadsbestuur de wijnaccijns (evenals trouwens de hopaccijns)298. Voor de wijnpenningen kwam een apart register in zwang299. De beslissing om tot verpachting van deze stedelijke inkomstenbron over te gaan leidde meteen tot een stijging van de opbrengsten. In 1417 blijkt de pachtsom in drie termijnen voldaan te zijn, sinds 1420 ging het in vieren (op Pasen, Sint Jan, Sint Maarten en Sint Paulus), terwijl vanaf 1423 alleen nog sprake is van een Sint Maartenstermijn300. De kladrekening van 1422 toont hoe de “basisboekhouding” opgezet was: per termijn en ook per tussentijdse betaling301. Soms pachtte één man – al dan niet met “gezellen” – de wijnaccijns, geregeld ook drietallen. De pachters heten in de cameraarsrekeningen “wijncijsmeesters”; zij inden ook boetes die met overtredingen in de “wijnsector” te maken hadden302.
Reeds in de jaren 1352-1354 en 1356 investeerden de wijnheren een deel van hun inkomsten in de stadskraan op de “welle”, de handelskade langs de IJssel303. Medio 14de eeuw speelde de kraan dus al een rol in de overslag van wijn. Voor het onderhoud van het stadswijnhuis waren de
wijnheren al evenzeer verantwoordelijk304. In 1373 dienden zij een cedel in bij één van de cameraars, met daarin een specificatie van de kosten van in totaal bijna 274 pond van reparaties (“tymmeringhe”) aan de kraan en aan het stadswijnhuis Brunenberch305. De financiering van de aankoop in 1364 van dit wijnhuis à raison van 601½ pond geschiedde via een lening van burgers. De wijnheren van dat jaar legden hiervoor verantwoording af in een aparte rekening, die zij overlegden aan één van de cameraars. Daarbij was ook stadsschrijver Johan ter Hurnen van de partij306. Gedurende de jaren 1403-1411 zien we de wijnheren tevens inkomsten ontlenen aan de stadskraan307. Kooplieden van elders dienden dus te betalen voor het lossen van hun vaten wijn op de IJsselkade.
Vanaf het midden van de 15de eeuw worden we hierover meer gewaar. In het Deventer buursprakenregister steekt een losse, ongedateerde strook met de volgende tekst: “Nyemans en sall wyn in noch uytslaen, hie en koeme ijrsten by Iacob onsen scriver ofte Geerd Beck, by sulcken koer als dair op stiet. Oick en sullen die kraenemeisters gene wyne arbeiden, in noch uyt te slaene, dair en sint Iacob off Geerd vors, ijrsten by onthaelt (=erbij gehaald) tot elcker tijt bij v lb.”308.
“Jacob onze schrijver” is Jacob van Noerle, die in 1442/1443 in stadsdienst was getreden. Beck duikt omstreeks hetzelfde jaar op en was rond 1450 gelagmeester in het stadswijnhuis Steerne309. Hij verrichtte ook andere schrijfarbeid voor het stadsbestuur. Zo ontving hij in 1457 tien kromstaarten “om een register uyt te scriven van onses seligen heren [wijlen de postulaat/bisschop Rudolf van Diepholt] schulden, dat men onsen heren [de nieuwe landsheer David van Bourgondië] ter Horst [bisschoppelijk kasteel nabij Rhenen] solde senden”310. De buurspraak is wellicht te dateren in 1464, wanneer de cameraarsrekening de volgende post bevat: “Item, Jacob van Noerle den inslach ende uytslach van der stad wegen te waeren 5 oelde schilde facit 15 lb.”311. Zij laat aan duidelijkheid niets te wensen over: elk te laden of te lossen vat wijn op de IJsselkade diende ter registratie aangemeld te worden bij één van de genoemde scribenten.
Kennelijk achtte het stadsbestuur een verscherping van het toezicht noodzakelijk en de buurspraak het geëigende medium om burgers en vreemdelingen te bereiken. De buurspraak in kwestie is te beschouwen als een verbijzondering van een keur over tolplichtige goederen in het keurboek van 1448312. Van dergelijke wijnoverslagadministraties is al evenmin iets bewaard
[Op dit detail uit het oudste stadsaanzicht van Deventer is de kraan op de IJsselkade te zien.
Anonieme houtsnede, ca. 1550 (collectie Historisch Museum Deventer, inv. nr. 0995).]
gebleven. Wel is een tarieflijst overgeleverd van de goederen die met de stadskraan gelost werden, welke aanvangt met een aantal bepalingen over wijn313.
Het raadsambt van wijnheer hield in 1412, met de verpachting van accijns en kraan, op te bestaan314. Gegeven de zeer lange traditie van stedelijk beheer van de wijnaccijns was dit een ingrijpende wijziging in de raadsambtenconstellatie. Consequenties op het vlak van de verschriftelijking had zij ook: de stad incasseerde nog slechts een pachtbedrag en hoefde geen accijnsboekhouding meer bij te houden. Alleen de overslag op de kade resulteerde nog in ambtelijk schriftgoed. De cameraarsrekeningen geven geen antwoord op de vraag of pachters van de wijnaccijns konden schrijven, al is dit zeer aannemelijk.
In 1463 zag een keur het licht waarmee men een eind beoogde te maken aan de situatie dat bestuurstaken gecombineerd werden met het pachten van stedelijke inkomstenbronnen, waaronder de wijnaccijns. Dit was een aanscherping van een bepaling dienaangaande in het keurboek
van 1448, zoals eerder aangestipt is. Schepenen moesten voortaan in hun eed, raadsleden in hun “sekerheit”, expliciet opnemen dat zij de wijnaccijns niet zouden pachten, alleen of met anderen.
Gaf iemand de voorkeur aan het pachten van de wijnaccijns boven een plaats in het stadsbestuur, dan diende hij 25 pond zwaar te betalen om zijn zetel op te geven315. Men maakte hier dus een uitzondering op de regel dat een gekozene zijn ambt hoe dan ook bedienen moest, hetgeen wel aantoont hoe lucratief het in pacht nemen van de wijnaccijns was.
5.3. Gruitmeesters
Sinds 30 april 1339 pachtte het Deventer stadsbestuur het recht op de verkoop van gruitstoffen voor honderd pond kleine penningen per jaar van landsheer Jan van Diest. De pachtsom verviel jaarlijks op twee tijdstippen, namelijk op de feestdag van de geboorte van Johannes de Doper en op Kerstmis316. Nog datzelfde jaar liet het stadsbestuur een gruithuis inrichten317. Misschien niet toevallig komen gruitstoffen in het “Amersfoortse” Katentoltarief uit 1338 niet, maar in het “Amsterdamse” uit 1347 wel voor. De eerste tien mud “krudes gheheten ghaghelkrued, de in enen scepe siin” wordt daarin aangeslagen voor één “Hollands” per mud, daarboven diende men het elfde mud te geven318. Aanvankelijk was de boekhouding van het gruithuis een taak van de beide cameraars. De vermelding van een betaling aan stadsschrijver Herbord ten Brinke in de “gruitrubriek” in de rekening van 1340 valt moeilijk anders te duiden dan als een vergoeding voor het schrijven van de gruitrekening319. Vanaf 1344, met de introductie van twee “kamers”, zijn de inkomsten doorgaans
terug te vinden in de “eerste” rekening320. Gruitmeesters komen voor sinds dit jaar321. Dan is ook sprake van een kas in het gruithuis, die echter voordien al aanwezig geweest zal zijn322. De gruitmeesters voerden een eigen financiële administratie. De cameraarsrekeningen bevatten tot en met 1354 aan de inkomstenkant steeds een uittreksel van de ontvangsten, onder opschriften als “recepta de fermento”, “receptum a (…), magistris fermenti”, en in 1348 naar het schijnt een compleet afschrift van de uitgaven onder het opschrift “expositum (…) ad fermentum”323.
In ruil voor een lening van duizend pond verkreeg Deventer de bisschopstol in de zomer van 1354 voor de duur van tien jaar van bisschop Jan van Arkel in pand, behoudens tussentijdse inlossing324. Waar de oorkonde slechts van een tol rept, maken de cameraarsrekeningen melding van een combinatie van gruit en tol, te weten de verderop te bespreken bisschopstol325. Aan de inkomstenkant van de cameraarsrekening vinden we dan ook een boeking, Kerstmis 1354, van een gruitpachtbedrag van vijftig (immers voor een half jaar!) en in de daarop volgende jaren van honderd pond326. Het stadsbestuur noteerde het bedrag dat voorheen jaarlijks naar de bisschop vloeide voortaan dus als besparing aan de inkomstenkant. Vermoedelijk heeft Jan van Arkel de lening aangewend om zijn schuld aan Herman van Lage te betalen. Sinds de zomer van 1349 incasseerde Lage het Deventer pachtbedrag327. Het bezoek van een Deventer stadsbode aan de ambtman van Lage in Almelo eind maart 1354 houdt ongetwijfeld verband met de nieuwe verhoudingen rond de gruit328. Vanaf 1355 boekte de cameraar nog slechts het totaalbedrag dat hij ontving van de gruitmeesters329. Aangezien er sinds dat jaar geen uitgaven in verband met de gruit meer ingeschreven zijn, is het in de cameraarsrekeningen vermelde totaal op te vatten als een nettobedrag330.
Kort na het aantreden van bisschop Jan van Virneburg kwam het tot een conflict over de gruit en tolprivileges in het Sticht Utrecht dat de gemoederen in 1364 en 1365 nogal verhitte, en waarin Geert Grote een bemiddelende rol speelde331. De details – hoe interessant ook – hoeven ons hier niet bezig te houden. Van belang is een medio 1367 in Deventer opgestelde kwitantie van de bisschop voor een lening van schepenen en raad van Deventer van ditmaal tweeduizend pond. De helft van het bedrag inden Robrecht, broer van de bisschop en diens schrijver Geert (Gerard) Borchgravinc, de andere helft was al eerder geïncasseerd door de rentmeester van Salland. De lening geschiedde “op onsepensie van onser gruyt”332. Met andere woorden: de jaarlijkse gruitpacht diende ter aflossing van de lening, zoals blijkt uit de rekeningen over 1368 en 1369333. Na 1370 vermelden de cameraarsrekeningen niet langer de betaling van de jaarlijkse “gruitpensie”, noch aan de cameraar noch aan de bisschop noch aan derden. Dit moet op de een of andere manier samenhangen met de verzoening, medio december dat jaar, tussen bisschop Jan van Virneburg “bi rade onser vriende (…) ende witscap onser goeder lude van onsen steden, alse van Campen ende van Zwolle” enerzijds en stadsbestuur en burgers van Deventer anderzijds334. Ongetwijfeld als gunst voor de steun die Deventer bisschop Frederik van Blankenheim verleende bij zijn pogingen het bisschoppelijke gezag in Drenthe en de stad Groningen weer tot gelding te brengen (de tekst rept in algemene zin van leningen en hulp in het verleden), verwierf de stad in 1401 onder meer de gruit “mit den assijs (=accijns) binnen der stad muren, opten Oertmersche ende op den holtmarct tusschen der Berchpoerten ende der ziekenhues ende anders alle horen toebehoren alse sy daer ghelegen sin” in erfpacht335.
In de cameraarsrekening van 1430 komen de gruitmeesters nog voor, in die van 1433 niet meer336. Aangezien de rekeningen van de ene cameraar over de beide tussenliggende jaren verloren gegaan zijn, is niet precies vast te stellen waar het omslagmoment ligt. De bewaard gebleven rekeningen laten niets los op dit punt. Te vermoeden valt dat er een verband is met een verandering die
in 1433 plaatsvond met betrekking tot de (hop-)bieraccijns (zie hierna). De inkomsten van de gruitmeesters zijn al in de cameraarsrekeningen van 1420 tot 1430 vaker niet dan wel geregistreerd. In 1427 bedroegen zij nog slechts een schamele vier gulden337. We kunnen er rustig vanuit gaan dat de gruitbierproductie opgehouden had te bestaan. Niet voor niets ging in 1437 het oude gruithuis tegen de vlakte338. De teloorgang van de gruitinkomsten lijkt gelijke tred te houden met de spectaculaire stijging van de pachtsommen van de hopaccijns sinds 1419, zoals in de volgende paragraaf zal blijken. Achteraf heeft de erfpachtovereenkomst uit 1401 dus weinig vrucht gedragen339.
Van de gruitmeestersboekhouding zijn slechts twee rekeningen uit 1414 en 1421 overgeleverd340. Zij hebben beide de vorm van gebonden bifolia. De eerste is geschreven door stadsschrijver Johan van Ommen, de tweede telt drie verschillende handen, waaronder ook die van Van Ommen.
Curieus is de in het Middelnederlands gestelde “bewisinghe van den gruethues” op naam van de beide fungerende gruitmeesters, die het einde vormt van één van de cameraarsrekeningen van 1355. Ik houd het erop dat zij door de stadsschrijver afgeschreven is van een gruitmeesterscedel.
In het verlengde hiervan kan verondersteld worden dat schepenen hun raadsambtenadministratie in de volkstaal voerden. De rekeningschrijver vertaalde deze doorgaans – maar in dit ene geval dus niet – in het Latijn, althans tot 1361, toen men in de cameraarsrekeningen op het Middelnederlands overging341. Deze werkwijze werpt opnieuw een onvermoed licht op de “overgang” van Latijn naar volkstaal: als schrijftaal losten zij elkaar niet af, maar functioneerden zij gelijktijdig, al is het op verschillende administratieve niveaus. Dit blijkt ook uit de eerder vermelde, in het Middelnederlands gestelde “reysa”-specificatie uit 1349, en zal bij de bespreking van het timmermeestersambt opnieuw naar voren komen. De in de rekening geïncorporeerde “bewisinghe” is bovendien een indirect getuigenis van het feit dat stadsbestuurders rond het midden van de 14de eeuw (en – afhankelijk van de leeftijd die men hun wil toedichten – al enkele decennia voordien) konden schrijven, sterker: móesten kunnen schrijven om hun ambt naar behoren te kunnen vervullen342. Zo krijgt de eerdere argumentatie over dit onderwerp langs deze omweg extra gewicht343.
5.4. Hopmeesters
De hopmeesters inden de accijns op het hopbier344. De benaming “hopmeesters” verschijnt in 1372345. De rubriek “van den hoppenbier”, waarin de cameraar het bedrag boekte dat de twee hopmeesters hem overhandigden, verschijnt een jaar eerder in de stadsrekeningen346. Reeds in 1369 echter “verwaarden” twee schepenen het hopbier347. Met andere woorden: het ambt van hopmeester ontstond in 1369. De hopmeesters hadden evenwel voorlopers. In 1361 is sprake van een betaling aan “den viren die de hoppe vorwaren zullen” en een jaar later zworen acht bestuurders “die lude (…) die die hoppe solden vorwaren” in. Datzelfde jaar inspecteerden vijf bestuurders de hop, wat dat in de praktijk ook precies betekend mag hebben. In 1365 werden de hopbierdragers beëdigd, en in 1366 legden drie mannen een eed af dat zij het hopbier zouden “verwaren”348. Deze drie waren geen bestuurders. Kortom: gedurende de jaren 1361-1368 experimenteerde het stadsbestuur met “verwaarders” van buiten het schepencollege349, om daarna het heft zelf in handen te nemen. De accijnsbedragen die de hopmeesters vergaarden waren substantieel350; toch is van een boekhouding geen spoor te vinden.
Hoewel hop misschien reeds in de late 13de eeuw in Deventer geïntroduceerd was351 en ook in het “Amsterdamse” Katentoltarief uit 1347 verschijnt352, verscherpte het stadsbestuur klaarblijkelijk pas in de jaren zestig van de 14de eeuw zijn toezicht op deze sector353. Dit gebeurde ongetwijfeld vanwege het groeiende belang ervan. De eerste aanschaf van hop is in de cameraarsrekening van – eveneens – 1347 verantwoord354. Nog enkele jaren nadien bleef het een exotisch product. In het boekjaar 1355 namen de stadswachters op twee verschillende tijdstippen panden in ontvangst van lieden die hopbier tapten, terwijl dat jaar een boeterubriekje voor hopbier in de cameraarsrekening verschijnt, waarin negen herbergiers (m/v) figureren. Twee jaar later staan er vijftien personen genoteerd in de rubriek “de excessibus cervisie hummulate” (= vanwege overtredingen van gehopt bier), terwijl toen “hopbierpanden” vrijgegeven werden355.
Eerder kwam al ter sprake dat in de jaren 1364-1368 een aparte hopbierrubriek verschijnt in de boetelijsten van de cameraarsrekeningen. De opmars van het hopbier verliep klaarblijkelijk niet
[Bierbrouwer. Houtsnede door Jost Amman, uit: Stände und Handwerker. Liebhaber-Bibliothek alter Illustratoren, VII. Bändchen (oorspr. Frankfurt/M. 1568; facsimile München 1884).
zonder slag of stoot en ging vergezeld van keuren op deze nieuwe nering.
Aangezien de boetes al opgelegd werden vóór sprake is van hopmeesters, zullen zij eerder op maten en kwaliteit betrekking gehad hebben dan op het in gebreke blijven bij de betaling van accijnzen.
In 1389 vaardigden de schepenen een verordening uit op de hopaccijns, welke ingeschreven werd in het oudste bewaarde verpachtingsregister. Voor elk vat hopbier, gebrouwen binnen de stad “daer gheelt af queme”, moest één plak betaald worden. De eerste inning geschiedde een maand na de bestuurswisseling en vervolgens halfmaandelijks356. Dat jaar had een particulier de hopaccijns in beheer. Deze stelde drie weken na de bestuurswisseling borgen en voldeed zijn pacht in termijnen357. Het jaar erop functioneerden weer twee schepenen als hopmeesters. Het waarom van dit kortstondig intermezzo is niet te achterhalen; wellicht viel het hoogste bod lager uit dan de verwachte opbrengst. Dat er (ook) met de nieuwe accijns gefraudeerd werd blijkt wel hieruit, dat in 1390 de rector van het Meester Geertshuis, Johan van den Gronde, een bedrag van ruim 15 ½ pond “die hem in der bijcht ghedaen weren (…) van achterstedighen hoppencyse” overhandigde aan één van de beide hopbiermeesters van dat jaar. Aangezien deze priester datzelfde jaar tevens een via de biecht verkregen bedragje aan onbetaald Katentolgeld overhandigde358, kunnen we ervan uitgaan dat hij in een preek op enigerlei wijze aandacht besteed heeft aan de invoering van de nieuwe accijns. We stuiten bij dit “gewetensgeld” op een opmerkelijke vorm van samenwerking tussen stadsbestuur en geestelijkheid359.
In 1394 en 1395 bevatten de cameraarsrekeningen aparte rubriekjes betreffende (tap-)accijn-
zen op “Hamburger bier”. “Verwaarders” waren beide jaren dezelfde bestuurders360. Voordien worden we van dit bier slechts sporadisch iets gewaar. Tijdens de Sint Jansjaarmarkt van 1380 liep een van brieven voorziene Deventer bode naar Amersfoort, Amsterdam en andere Hollandse steden “dat hore burghere gheen Hoenburgher byer in onse marcte veyle tappen en soelden”361. Het ligt voor de hand te denken dat het stadsbestuur de lokale Hamburgerbiertappers wilde beschermen, en dus dat dit bier een belangrijk deel uit maakte van het in de stad getapte hopbier. Twee rekeningposten uit 1383 en 1384 illustreren daarentegen dat dit bier niet in grote hoeveelheden beschikbaar was in de stad. Ook referenties uit 1393 wekken de indruk dat Hamburger bier iets speciaals was362. Op 10 februari 1391 arriveerde een Hamburgse stadsbode die een brief bracht over het Hamburgerbier. Een maand nadien liep een Deventer bode met “stadsbrieven” naar Kampen “ende voert overal alse van dien Hoemburgher byre”363. Wat er precies gaande was, blijft verborgen. Datzelfde geldt voor de “stadsbrief” over de Katentol en het “vreemde bier” waarmee een Deventer bode daags na Pinksteren 1393 naar Utrecht, Amersfoort en de Hollandse steden liep364. Eenmalig gaf het stadsbestuur in 1406 Roelf van Ommen (familie van stadsschrijver Johan?) voor de somma van 44 gulden “bevelinghe” over het Hamburgerbier toen zij “den tappen van den Hamburgher biere wederreepen”365. De achtergrond van deze invordering is al evenzeer duister. Vier jaar later verschijnt het rubriekje “van der kelre hure van den vreemden biere, der stad van elken vate 1 pk”, dat ook in het vervolg in de rekeningen figureert, in 1430 als “kelderhuur van het Hamburgerbier”366. Hamburger- en “vreemd” bier waren kennelijk synoniem, en de tapaccijns op dit bier was even hoog als die welke in 1389 voor in de stad gebrouwen bier geïntroduceerd was.
Sinds 1412 verpachtte het stadsbestuur de hopaccijns. Net als bij de wijnaccijns had dit een onmiddellijke forse stijging van de inkomsten ten gevolge367. Over de mogelijke achtergronden van deze verandering in het beheer (en in de bestuursconstellatie) is bij de behandeling van de wijnheren al gespeculeerd. De pachters – één, twee of drie man, soms een man “en zijn gezellen” – voldeden de pachtsom in drie termijnen368. Zoals in de paragraaf over de gruitmeesters reeds
opgemerkt is, springt de neergang van de gruit- en de gelijktijdige opgang van de hopaccijns sinds 1419 in het oog. In 1433 splitste men de hopaccijns in de stadsrekeningen in een “bierzijs van den vreemden biere” en een “bierzijs van bynnen brouwen biere”369. Het rubriekje “kelderhuur van vreemd bier” verdween daarmee. Klaarblijkelijk hadden beide takken elk voldoende “volume” gekregen om deze stap, na de eerder vermelde aanzet in het begin van de jaren negentig, nu definitief te zetten. Zeven jaar later echter verviel de tweedeling alweer en keerde de rubriek “van onser stad hoppenzijs” terug370. Spoedig daarna ontstond weer een splitsing in “bynnen brouwen bier” en “buten brouwen bier”371.
Formeel buiten het tijdskader van deze studie vallend, maar zeer instructief is de informatie over de brouwaccijns die het buursprakenregister verschaft. Onder het jaar 1480 is een eed van de bierdragers opgenomen, alsmede een buurspraak waarin schepenen en raad alle brouwers gebieden dat zij onder ede het aantal brouwgangen (“broute”) zouden opgeven aan de cijsmeesters, en van hen kerfstokken ontvingen “ende kerven tot elcker tyt bij x lb.”372. Cijsmeesters was de benaming die voor accijnspachters gereserveerd was. We kwamen ze eerder tegen in verband met de heffing van de wijnaccijns; wellicht speelden zij ook daar een rol in de registratie, al is dit nergens expliciet vastgelegd. Bierbrouwers kregen dus een eigen verantwoordelijkheid voor de registratie, in de vorm van een door het stadsbestuur verordonneerde notatie “op de stok”. Een buurspraak uit 1482 stipuleert dat brouwers op drie jaarlijkse tijdstippen accijns moesten betalen; dit beperkte het risico van de pachters. Om deze accijns te beheren stelden schepenen en raad twee personen aan “die omme sullen gaen kerven, ende die scepenen sullen den bijstant doen off ijmant sick daer ongeboerliken inne hadde (=zich onbehoorlijk gedroeg)”373. Klaarblijkelijk functioneerde het systeem van door de accijnsmeesters uitgedeelde kerfstokken al heel snel niet naar behoren en namen nu twee “gezworen kervers” in opdracht van de magistraat zelf de registratie ter hand. De rol van de kerfstok blijkt zowel in de bier- als de wijnsector nog in de late 15de eeuw van groot belang geweest te zijn.
Anders dan in het geval van de wijnaccijns was de combinatie van lidmaatschap van het stadsbestuur en het pachten van de hopaccijns toegestaan, mits de bestuurders in kwestie dit de meente “toe gueder tijt voer Sente Peter to kennen geven, opdat sy hem in oeren koer (=schepenkeus) dairnae richten moegen”374. Men kon zijn verkiezing door het meensliedencollege dus in gevaar brengen door een pachterschap te ambiëren, althans sinds 1463, toen de bovenvermelde keur tot stand kwam. Ten aanzien van de hopaccijnspachters laat zich al evenmin als bij de wijnaccijnspachters ondubbelzinnig vaststellen of zij de schrijfkunst machtig waren.
5.5. Timmermeesters
Dat de timmermeesters steevast in het rijtje “overste ampte” figureren verbaast in zoverre, dat zij als enigen daarvan geen eigen inkomsten genereerden, maar van hun collega’s en dan vooral van de cameraars afhankelijk waren. Naar hun taak gemeten echter waren zij van cruciaal belang voor de stad: zij hadden de zorg voor de publieke gebouwen, waaronder de verdedigingswerken. De aanduiding “timmermeester” verschijnt in 1344375. Niettemin komt reeds in de rekening van 1337 een cluster posten zonder opschrift voor dat onmiskenbaar gelijk te stellen is met wat twee jaar later de rubriek “ad structuram civitatis” is. Bovendien ontving één van de schepenen een – overigens klein – bedrag “ad structuram”376. De rubriek “ad structuram (civitatis) / vor tymmeringhe” is hetzij een opsomming van gespecificeerde betalingen aan lieden die materialen leverden of werkzaamheden verrichtten, hetzij een opsomming van gedagtekende bedragen die de cameraars in kwestie aan de timmermeesters en aan allerlei vaklieden uitbetaalden. De timmermeesters genoten slechts een gedelegeerde en beperkte bevoegdheid. In de rekening van 1339 is dit wel heel duidelijk zichtbaar: de uitgaven aan “structura” zijn verdeeld over beide cameraars. Merkwaardig is ook de aparte rubriek waarin één van de timmermeesters aangeeft waar zijn inkomsten vandaan komen: uit de kas van de cameraars, alsook uit een wijkgeld van een half jaar377.
De timmermeesters legden ten overstaan van hun collega-schepenen verantwoording af over de besteding van de hun toegewezen gelden, en wel in de zomer en de winter. Voor het eerst laat dit zich aantonen in 1344378. Dat sinds 1396 alle raadsambtenrekeningen door het gehele college afgehoord werden, is hierboven in de inleiding reeds opgemerkt. Aan de timmermeestersrekening wordt ook voordien al expliciet gerefereerd in rekeningposten in de “structura”-rubriek, bijvoorbeeld in 1337 en in 1339379. Opmerkelijk is het, dat sinds 1355 de timmermeesters – anders dan voorheen – niet meer bij naam genoemd worden, terwijl dit gebruik wel gehandhaafd is bij de andere raadsambten380. In 1348 en 1358 ontbreken zij geheel en al in het rijtje381. Een novum in 1359 is de aanstelling van steenhouwers ten behoeve van het stadswerk door de timmermeesters382.
In 1344 volgen specifieke bouwrekeningen op de eigenlijke timmermeestersrekening. Het betreft de versterking van een hoofd bij de Teuge (waarvoor een door een cameraar gesuperviseerde schepen zorgdroeg) en de bouw van huizen buiten de Zandpoort383. Voor afzonderlijke (bouw-)projecten voerde men dus aparte boekhoudingen, die vaak als zodanig vermeld zijn in de
timmermeestersrubriek. Van deze “projectrekeningen” zijn zoveel voorbeelden aan te dragen, dat een opsomming zinloos is. Het volstaat hier om vast te stellen dat de timmermeesters in de regel de eindverantwoordelijkheid hadden384. In bepaalde gevallen echter waren niet de timmermeesters zelf verantwoordelijk voor de projectboekhouding, maar collega-schepenen. De beide cameraars en de verantwoordelijke schepen stelden in 1344 de rekening betreffende het hoofd samen met stadsschrijver Herbord ten Brinke op; één van beide cameraars en een schepen maakten met de voormannen van de werklieden (“operariis”) de rekening van de huizenbouw op. Aan te nemen valt dat deze “werkmeesters” het materiaal aanleverden dat als basis diende voor de eindrekening: kerfstokken met het aantal gewerkte dagen per persoon en eventueel schriftelijke bescheiden. Hetzelfde mag verondersteld worden met betrekking tot het vereffenen van de rekening met een meesterambachtsman genaamd Arnold en met Roland de steenhouwer door één van beide cameraars en een collega-bestuurder in 1347, al is dit niet in de “structura”-rubriek opgetekend385. Ook het tellen van (eenheden) stenen, dakpannen en andere bouwmaterialen kan op de kerfstok geschied zijn386.
Instructief in dit kader zijn de smeden. Zij werkten en woonden sinds 1315 in een eigen wijkje bij de stadsmuur387, later kortweg “de smeden” geheten. Over smid Johan Swolleman lezen we in 1352: “de ferreis instrumentis factis civitati per annum per scabinos computatis” (=voor ijzeren instrumenten, gedurende het jaar vervaardigd voor de stad, is door de schepenen gerekend) en in 1355 “de opere ferreo ad usus civitatis per ipsum facto computato per scabinos” (=voor ijzerwerk, door hem ten nutte van de stad vervaardigd, is door de schepenen gerekend). Bewijs dat Swolleman zijn vorderingen op de kerfstok bijhield stamt uit 1351. In de rekening van dat jaar is aan de “structura”-rubriek een ingestoken strook toegevoegd met enkele notities over tegoeden van hem, en vervolgens zestien streepjes en de opmerking: “tot virgas habebat” (= zoveel kerfstokken had hij in bezit)388. Ook smid Berend Swollemans, ongetwijfeld een zoon van Johan, voerde (minstens) vanaf 1362 een administratie op de kerfstok389. Tenslotte zal ook stadstimmerman meester Dirk Haverzac zijn declaratie uit 1378, waarin hij onder meer gewag maakt van een dagloon “dat hi tot Zwormen (een versterking in de landweer) ghetymmert hadde, daer hi ongheloent was” met bewijsmiddelen geschraagd hebben390.
[Smid. Houtsnede door Jost Amman, uit: Stände und Handwerker. Liebhaber-Bibliothek alter Illustratoren, VII. Bändchen (oorspr. Frankfurt/M. 1568; facsimile München 1884).]
De conclusie die hieruit voortvloeit is dat (meester-)smeden, timmerlieden, steenhouwers en andere “voormannen” in het bouwvak medio 14de eeuw volop gebruik maakten van de kerfstok. Het was een eenvoudig te hanteren en daarenboven ook betrouwbaar medium. Voor het zetten van kerfjes in hout was geletterdheid of zelfs “gecijferdheid” geen vereiste. Rond 1400 hielden smeden ook schriftelijke boekhoudingen bij. Een voorbeeld is Robert Willemsz, die vanaf 1394 in de cameraarsrekeningen verschijnt (en vast een zoon was van de meestersmid Willem Robertsz, die in 1370 het burgerrecht verwierf)391. Robert verantwoordde het smeedwerk dat hij voor de stad verrichtte in detail392.
Gezien de soms zeer uitgebreide in de cameraarsrekeningen opgenomen specificaties393 (vermoedelijk integrale afschriften van door Robert overhandigde declaraties), gebeurde dit in schriftelijke vorm. Met zekerheid is dat het geval in 1436, terwijl in 1440 zijn “rekenboek” vermeld wordt394. Roberts zoon Hendrik drukte de voetsporen van zijn vader in professioneel opzicht en bediende zich daarbij al evenzeer van geschreven declaraties395. We hebben hier te maken met een ware smedendynastie. Het blijft een open vraag waar Robert en Hendrik leerden schrijven: thuis of op de stadsschool. Hoe dan
ook kan vastgesteld worden dat verschriftelijking in de tweede helft van de 14de eeuw geleidelijk haar intrede deed in het bouwvak, althans bij meesterambachtslieden396.
Op fraaie wijze belicht één van de “structura”-rubrieken het verschil in functie van de klad- en de netrekening. Waar de netrekening van 1358 slechts een verzamelpost “item, pro structura et testudine factis supra domum civitatis (…), ut patet in partibus” heeft, bevat de kladrekening van dat jaar een specificatie (de genoemde “partes”) onder het opschrift “item, expositum de structura celarii supra domum civitatis”. Als de opschriften al aanleiding zouden geven tot twijfel of het hier wel om dezelfde werkzaamheden gaat, dan verschaffen de overeenkomende eindbedragen toch wel voldoende uitsluitsel397. Het toeval wil dat van de bouwrekening van 1358 een perkamentfragment bewaard gebleven is398. Het zeer verzorgde handschrift is niet dat van de toenmalige stadsschrijver Gevehard van Hildesheim; de scribent blijft helaas anoniem399. Het feit dat dit fragment in het Middelnederlands geschreven is, maakt ondubbelzinnig duidelijk dat aan de cameraarsrekeningen van vóór 1361 volkstalige financiële verantwoordingen ten grondslag lagen. Dat gold zowel voor de klad- als de netversies400. Het is al bij de behandeling van het gruitmeestersambt vastgesteld: stadsschrijvers zetten de volkstalige “Vorlage” om in Latijn401. Deze werkwijze verklaart niet alleen waarom de Latijnse redacties doorspekt zijn met Middelnederlandse (technische) termen, maar ook waarom juist het “rekeninglatijn” dikwijls zo’n slordige en onbeholpen indruk maakt. Het blijft de vraag waarom men voor een omslachtige vertaling koos of, anders gezegd, waarom men in de netrekening lange tijd vasthield aan het Latijn. Hoe dit zij, aan de hand van de overlevering in dit ene vroege jaar tekenen de verschillende administratieve niveaus zich andermaal helder af.
Slicher van Bath kwalificeerde het Deventer stadsbestuur als “conservatief”, omdat het in de Overstichtse context relatief laat – in zijn analyse tussen 1346 en 1361 – op de volkstaal overging402. In het licht van het voorgaande is bij dit oordeel wel een kanttekening te plaatsen.
Gebleken is immers dat er geen sprake was van een vijftien jaar durende overgangsfase, maar van twee gelijktijdig gebezigde schrijftalen. Vanaf 1361 was het Middelnederlands de exclusieve administratieve taal van de stedelijke overheid. De conclusie is onontkoombaar dat de bewaard
[Fragment van een bouwrekening uit 1358, die mogelijk geschreven is door één van de timmermeesters van dat jaar (SAB, Cam., inv. nr. (nieuw) 211).]
gebleven documenten een toevallig residu vormen403. Hierboven is vastgesteld dat stadsschrijver Johan ter Hurnen tegelijkertijd in de cameraarsrekeningen en in het verpachtingsregister overging op de volkstaal. Er was dus sprake van bewust beleid. In de visie van Schneider hebben spanningen tussen de magistraat en een deel van de burgerij, dat inzicht in de financiën eiste, geleid tot de wisseling van administratieve taal in 1361. Problematisch aan deze redenering is de veronderstelling dat het gebruik van de volkstaal een concessie was aan een groep die geen Latijn beheerste404. Aangezien die groep niet nader te identificeren is, is hierop geen vat te krijgen.
Onverklaard blijft intussen het ook door Schneider gesignaleerde fenomeen dat in één van de beide rekeningen van 1361 de inkomsten nog in het Latijn genoteerd zijn. Wellicht is het simpelweg een weerspiegeling van de problemen die de overschakeling met zich bracht. Gecombineerd met veranderingen die ook in of rond 1360 plaatsvonden en die in het voorgaande ter sprake gekomen zijn (het zegelaarsambt verdwijnt tijdelijk uit de bronnen, voor het eerst is sprake van maandrekeningen, het poortwachtersgeld werd ingevoerd, men ging over tot registratie van “kindergoed”) is er toch veel voor de politieke verklaring te zeggen.
De vanaf 1414 voorhanden rekeningen van de timmermeesters waren blijkens hun beduimelde of verkleurde omslagen los in gebruik. Zij zijn alle ingebonden geweest; één rekening vertoont nog de bindgaatjes in de rug, maar de bindstrengetjes zijn verdwenen405. De omvang loopt uiteen van drie tot acht bladen406. Uit 1414 bleven twee rekeningen bewaard, omdat één van beide timmermeesters tussentijds overleed. Feitelijk betreft het een vervolg van het nieuwe koppel timmermeesters. Beide exemplaren zijn door stadsschrijver Johan van Ommen geschreven.
In de vervolgrekening is het laatste blad met doorgehaalde posten afgesneden en secundair gebruikt voor de eindberekeningen407. Dit wijst op efficiënt papiergebruik. De rekening van 1423 bevat naast het handschrift van Johan van Ommen (hij schreef onder meer alle tussen-summae) dat van twee andere scribenten. Uit de onderzoeksperiode zijn voorts nog twee rekeningen (uit 1437 en 1433, 1435 of 1439) van stadsschrijver Johan Pawe overgeleverd408. Aan de timmermeestersrekeningen lagen aantekeningen van de timmermeesters ten grondslag. Zij gebruikten
hiervoor wastafeltjes409. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de timmermeesters deze notities geregeld op papier overnamen, waarna de stadsschrijvers de definitieve timmermeestersrekening opstelden die op haar beurt in al dan niet ingekorte vorm opgenomen werd in de cameraarsrekeningen. Het fragment uit 1358 zou heel wel door een van de timmermeesters van dat jaar geschreven kunnen zijn. Van slechts één van hen is de naam met enige zekerheid bekend: Werner Hademansz (van Heeten)410.
5.6. Tolmeesters
5.6.1. Katentol
Met de vanaf 1337 jaarlijks terugkerende rekeningpost “van onzer stad (Katen-)tol” is de in 1241 van het klooster Elten in erfpacht verkregen, op de IJssel liggende Katentol bedoeld411. In het hierboven besproken eerste overzicht van raadsambten uit 1344 figureren twee schepenen als “thelonarii”. We vinden hen terug aan de inkomstenkant van één van de cameraarsrekeningen van dat jaar412. Hoewel de term “tolmeester” als zodanig niet in de stadsrekeningen aan te treffen is, lijkt hij meer op zijn plaats dan “tolgaarder” of “tollenaar”, omdat in 1344 naast de beide schepenen-tolmeesters een “Rodolphus telonarius” verschijnt413. Deze “thelonarius” was degene die de feitelijke inning voor zijn rekening nam. De daartoe aangewezen schepenen hielden toezicht namens het stadsbestuur. Een vast deel van de opbrengst werd jaarlijks afgedragen aan het klooster Elten414.
Aantoonbaar sinds 1357 beschikten de tolmeesters over een kist, waarin zij behalve geld ook documenten (in aanmerking komen de kwitanties van de betaling van de pachtsom aan het klooster Elten) bewaard zullen hebben415. Was het in 1337 één persoon (zonder twijfel een sche-
pen) die de inkomsten uit tolheffing beheerde, in 1339 waren het er twee. Zij droegen een deel van hun kasgeld over aan één van de cameraars, terwijl ze een ander deel besteedden aan “equitatu” (dat wil zeggen: reizen van stedelijke functionarissen en veldtochten) en “structura”. In het laatste geval ging het om uitgaven voor scheepsladingen turf en schelpen voor de negen stedelijke kalkovens die in bedrijf waren. Ook in 1340, 1343 en 1344 ging een aanzienlijk deel van de tolinkomsten hieraan op. Daarbij springt in het oog dat in 1343, 1344 en 1347 de tolmeesters zelf verantwoordelijk waren voor deze uitgaven en niet langer de cameraars. De kalkovens maakten deel uit van de infrastructuur die benodigd was om de stadsverdedigingswerken in steen uit te voeren. Het was dus mede met tolinkomsten dat het stadsbestuur deze verstening financierde416.
Conflicten over tolbetalingen verschaffen inzicht in de schriftelijke kant van het beheer. Zo’n conflict deed zich waarneembaar voor het eerst in 1291 voor met Harderwijk. Door bemiddeling van de Gelderse graaf Reinald I kwam een compromis tot stand. De tekst daarvan laat zien dat men een weinig gedifferentieerd tarief hanteerde417. In een volgende twist, in 1307 met Arnhem, is woordelijk op de oorkonde van 1291 teruggegrepen418. Het oudste bewaard gebleven gedetailleerde tarief dateert van 1338. Het was bestemd voor de burgers van Amersfoort419. De vraag is nu of we moeten concluderen dat pas tussen 1307 en 1338 tarieflijsten voor verschillende goederen in zwang kwamen, gepaard gaande met een toladministratie, of dat dit reeds vanaf 1241 het geval geweest zal zijn. Vermoedelijk kon men tot aan het begin van de 14de eeuw volstaan met een kist waarin de schippers of kooplieden het verschuldigde geld deponeerden. Een dergelijke eenvoudige vorm van inning vereiste geen, althans geen uitgebreide, optekening door of vanwege de tollenaar. Een intensiever rivierverkeer, in combinatie met een diversificatie van vervoerde producten, zou de aanleiding geweest kunnen zijn tot verschriftelijking van het beheer in de vorm van tarieflijsten en tolrekeningen in de eerste paar decennia van de 14de eeuw. Een indirecte maar onmiskenbare verwijzing naar de opstelling van zo’n tarieflijst bevat de cameraarsrekening van 1366420. Ook de “stadsbrief” waarmee een Deventer bode in 1393 naar Utrecht, Amersfoort en alle steden in Holland liep “van Cotertolle ende van den vreemden byer ende die een deel ghelts vervaren (=tolgeld ontdoken) hadden” zal betrekking gehad hebben op tariefkwesties421. In 1464 wordt gerefereerd aan een nadien verloren gegaan perkamenten register uit
de vroege 14de eeuw, waarin onder meer de tarieven van de Katentol genoteerd waren422.
In de cameraarsrekening van 1340 komt in de rubriek betreffende de besteding van een deel van de tolinkomsten een zekere “Petrus scriptor” voor. Hij was belast met de administratie van de scheepsladingen turf en schelpen die bij de verschillende stedelijke kalkovens afgeleverd werden. De dienstdoende cameraar betaalde hem daarvoor een pond. Dit betekent overigens niet dat Petrus in vaste dienst was. We komen hem verder niet meer tegen in de bronnen423. Vier jaar later is in de “tolrubriek” een betaling opgenomen aan een anonieme scribent voor schrijfactiviteiten die wederom in verband staan met het administreren van partijen schelpen en turf424. Het is mogelijk dat genoemde scribenten tevens tolschrijver waren. Een post uit 1366 wekt de suggestie dat de Katentol op verschillende locaties geïnd werd, onder meer bij één van de kalkovens.
Het inboeken van aldaar over water aangevoerde grondstoffen is dan te interpreteren als het schrijven van een “deelrekening” van de Katentolboekhouding425.
Directer bewijs voor het bestaan van tolrekeningen stamt uit 1361. In de cameraarsrekening is 2¼ pond aan tolinkomsten geboekt vanwege Johan Pamont “die in sire rekeninghe nijet en staet”. Eerder had Pamont achttien pond overhandigd. De post verwijst naar Pamonts tolmeestersrekening en niet naar de cameraarsrekening426. Wanneer we een sprong van bijna een eeuw maken, stuiten we op een vermelding in de cameraarsrekening van 1455 van een zekere Boldewijn die zich naar Amersfoort begaf “myd der rekenschip van den Catentolle die hem opgescreven was”427. Het betreft hier naar alle waarschijnlijkheid een tolrekening of een uittreksel daaruit; een eerder dat jaar bijgelegde ruzie tussen beide steden over de hoogte van het tolgeld vormde de achtergrond van deze optekening428. Tolrekeningen zijn pas bewaard gebleven vanaf
1545429. Eveneens uit het midden van de 16de eeuw stamt een aparte administratie van lieden die nog tolgeld verschuldigd waren430. Fraude met tolafdrachten kwam hierboven al ter sprake bij de bespreking van de hopbieraccijns. Vastgesteld kan worden dat het Deventer riviertolwezen reeds vroeg verschriftelijkt was, in ieder geval al voordat het in de stadsrekeningen in beeld komt.
5.6.2. Bisschopstol
De bisschopstol was een reeds in het jaar 975 door de Utrechtse bisschop van keizer Otto II verworven markttol431. Bisschop Jan van Arkel verpandde deze tol medio 1354 voor de duur van tien jaar aan de stad Deventer als compensatie voor een lening432. Het stadsbestuur op zijn beurt verpachtte de tol. De jaren 1365-1371 vormden een intermezzo waarin twee schepenen (bij uitzondering ook wel drie) de inkomsten beheerden433. Vanaf 1372 blijkt de bisschopstol weer verpacht te zijn; de pachtsom komt sedertdien voor in de rubriek “grote tijns”434. Behalve de gruit met bijbehorende accijns, verwierf de stad begin 1401 -nog in het boekjaar 1400- ook de inkomsten uit de bisschopstol in erfpacht van Frederik van Blankenheim435. Sinds 1463 moesten tolpachters net als alle pachters de meente tijdig verwittigen in verband met een eventuele uitverkiezing voor het stadsbestuur436.
Medio 16de eeuw was de bisschopstol een tol die bij de stadspoorten geheven werd van goederen van vreemde kooplieden437. Ook tevoren was dit de praktijk, zoals blijkt uit een paragraaf die opgenomen is in het verdrag uit omstreeks 1465 ter beëindiging van het handelsconflict dat twee jaar eerder tussen Deventer en de Hollandse en Westfriese steden uitgebroken was over het gewicht van de botervaten en verhoging van het tolgeld. De tollenaar droeg toen niet alleen zorg voor het optekenen, maar ook voor het waarmerken van tolplichtige goederen waarmee men de jaarmarkten bezocht. Met dit teken konden de kooplieden ongestoord via de poorten de stad binnenkomen en verlaten, hetgeen bewijst dat verificatie (en misschien registratie) aan de poort plaatsvond438. Reeds het keurboek van 1448 wijdt een paragraaf aan “tolbar guet” en gebiedt aangifte bij en optekening door de tollenaar439. Hiervóór kwam in verband met de wijnheren de
Halverwege 1354 verwierf de stad Deventer een tol, vermoedelijk de markttol, van de Utrechtse bisschop in pand. Passerend handelsverkeer moest deze “bisschopstol” aan de stadspoorten voldoen. Als betalingsbewijs werd een teken afgegeven. Detail van het schilderij “Beleg van Deventer door de graaf van Rennenberg 1578”. Lithografie naar het origineel door A. van ’t Zant, 1838 (collectie Historisch Museum Deventer, inv. nr. H2003-126; foto: Binnendijk Visuele Kommunikatie, Deventer).
overslag op de handelskade aan de IJssel ter sprake. Tenslotte had het Deventer stadsbestuur in 1444 de magistraten van Leiden, Amsterdam, Gouda, Haarlem, Rotterdam, Schiedam, Weesp, Muiden, Naarden, Enkhuizen, Hoorn en Monnickendam gevraagd kooplieden uit hun steden mede te delen dat zij tolplichtige goederen en specifiek laken terstond bij aankomst in de stad door de dienstdoende stadstollenaars of door hen aangewezen personen moesten laten opschrijven440. Aan te nemen valt dat de bisschopstol steeds een aan de poorten geheven markttol geweest is.
5.7. Weidegraven
Het weidegraafambt heeft zich ontwikkeld uit het schutambt441. Dit ambt duikt in de jaren 1344-1346 op in de raadsambtenlijstjes in de cameraarsrekeningen442. Vermoedelijk kwam het al eerder voor443. De schutmeesters waren verantwoordelijk voor de infrastructuur voor het schutten van vee (omheiningen, schuurtjes, e.d.). In 1352 telt de cameraarsrekening een rubriek “ad structuram pratarum et libertatum civitatis” (=aan opstallen van weiden en de stadsvrijheid), waarin een specificatie van de uitgaven van – hoogstwaarschijnlijk – de weidegraven aan te treffen is. Zes jaar later vergoedde de cameraar onkosten “factis in officio dicto scutambocht ex parte pecorum et bestiarum Theoderici ter Oij” (=gemaakt in de bediening van het ambt genaamd “scutambocht” vanwege kleinvee en koeien van Dirk ter Oij)444. In de rekeningen van 1347 duikt het verschijnsel op van het brandmerken van koeien die in de stadsweiden ingeschaard werden. De wachters vader en zoon Hendrik droegen de opbrengst af aan de cameraars445. Tot 1352 was de inning een zaak van schepenen en raden die daartoe door hun collega’s aangewezen werden446; daarna zien we elk jaar twee schepenen die verantwoordelijkheid op zich nemen. Van Doorninck en in zijn voetspoor Acquoy zijn van mening dat tot 1362 de timmermeesters tevens weidegraven waren447. De raadsambtenlijstjes uit de jaren 1344-1346 wijzen uit dat deze visie onhoudbaar is448. In de cameraarsrekening van 1362 lezen we in de rubriek “receptum de vaccis” dat de cameraar een bedrag ontving van de weidegraven “do sy die coe hadden ghebrant van den gheelde dat daer af quam …”449. Tussen 1352 en 1362 werd voor de weidegraven dus een eigen inkomstenbron in de vorm van het brandmerkgeld gecreëerd.
De rekening van 1362 heeft onder het kopje “expositum ad structuram” de boekingen “den weydengreven, tot der tijmmeringhen die hem over iaer bevolen is (…) an der stad weyden, daer sy in hoerre cedelen rekeninghe af zullen doen (…)” en “(…) weydegreven, van gheelde dat sy na hoerre rekeninghen den scepenen anbrochten van reysen die sy bi nachte mitter stad scepe uytghevaren waren ende wachten der vyande 4½ lb.”450. Hieruit blijkt dat de weidegraven opdracht kregen, denkelijk van het schepencollege als geheel, om bepaalde werkzaamheden uit te voeren.
De tweedeling in inkomsten uit het brandmerken en uitgaven aan “timmeringe” is in de meeste
volgende cameraarsrekeningen te vinden, met dien verstande dat de inkomsten altijd in één van beide rekeningen staan en de uitgavenverantwoording zowel in de ene als de andere rekening kan voorkomen. De uitgaven van de weidegraven zijn – voor zover deze niet uit de inkomsten bekostigd konden worden451 – steevast terug te vinden in de “timmeringe”-rubriek.
Het brandmerken met het stadsbrandijzer geschiedde elk jaar in de vroege lente, voordat men de koeien van burgers de stadsweiden opdreef452. In 1363 bedroeg het brandmerktarief één (Vlaamse) groot per koe. Het brandmerken leverde in 1363 53 pond op, het tegen eenzelfde tarief geheven koewachtersgeld ruim 48 pond. Er werden dat jaar dus meer koeien gebrandmerkt dan er de stadsweide ingingen (848 tegen 770)453. Beide inkomstenbronnen zijn dat jaar – bij uitzondering – ondergebracht in de rubriek “weidegraven”. Twee jaar later (over 1364 zijn geen gegevens beschikbaar) zijn zij echter gescheiden geboekt en dat zou voortaan zo blijven454. Ook voor de koeien van niet-burgers was plaats. Zij betaalden een hoger bedrag en kregen – voor het eerst in 1352 en nadien geregeld maar niet jaarlijks – een aparte rubriek in de stadsrekeningen455. In 1360 brandmerkte men op kosten van de stad de koeien van vrouwenconventen456.
Vanaf 1354 betaalde de stad aan Geert (Gerard) Spiet alias “de graver” loon in zijn functie als “pastor insule” (= weideopzichter) of ook wel “de custodia insule” (=voor het houden van toezicht op de weide). In de lijsten van stadsdienaren komt hij in 1375 voor als “Spiete den grever die onser stad weyde verwaert”; een jaar later heet hij “onser stad grevermeyster ende weydemeyster”457. De weidemeester was verantwoordelijk voor het toezicht op de weiden. Spiet was al sinds 1344 werkzaam voor de stad als graver/dijkbouwer (“fossor”) op aannemingsbasis458. Een gedetailleerd overzicht in de cameraarsrekening van 1347 van betalingen aan hem, zijn vrouw en een compaan gaat ongetwijfeld terug op een eigen (kerfstok-)administratie van gewerkte dagen. Aangezien hij soms ook per gegraven of gedijkte roede betaald werd, verbaast het niet dat hij bij dergelijke klussen zelf het resultaat van zijn graafwerk opmat459. Voor het laatst komt hij voor in
de loonrubriek van 1381460. Vanaf 1396 omschrijven de rekeningen de weidemeester als degene die “onser stad wruchte (=omheining) omme onser stad weyden ghewaert heft”461.
Van de weidegraven zijn rekeningen over uit de jaren 1414 en 1423. Daarna valt een stilte van negentig jaar462. De rekening uit 1414 is een gebonden bifolium; die uit 1423 bestaat uit een dubbelgevouwen blad. Een onbekende scribent schreef de eerste rekening. Johan van Ommen noteerde daarin alleen het opschrift en de inkomsten op de rectozijde van het eerste blad, voorts op de rectozijde van het tweede blad het opschrift “hoer uytgheven”, en mogelijk de laatste summae. De rekening van 1423 is geheel door Van Ommen geschreven. Opmerkelijk zijn de letters in de linkermarge van de uitgavenrubriek: “g” voor Godschalk Johansz, “h” voor Werner (die) Hoyer, de beide weidegraven. Aldus was direct duidelijk welke weidegraaf welke betaling deed. Het maakt ook duidelijk dat de weidegraven maar één rekening per jaar voerden.
De overgeleverde rekeningen maken het mogelijk de bevindingen voor de 14de eeuw, zoals die in het voorgaande op basis van de cameraarsrekeningen gedaan zijn, te toetsen. Het brandmerkgeld vormde de enige inkomstenbron van de weidegraven. In beide jaren bedroeg dit één plak per koe. Er werden respectievelijk 1117 en 838 koeien gemerkt. De brandmerkadministratie kwam in de vorm van een totaaltelling in de rekening van de weidegraven terecht. De weidegraven financierden er allerhande werkzaamheden mee, voornamelijk op de Marsch en de Teuge. Gelet op de specificaties van het aantal gewerkte dagen per arbeider zal de administratie op de kerfstok geschied zijn. Voor de betaling van de weidemeester/”wrucht”-opzichter waren zij niet verantwoordelijk. De vermelding in de cameraarsrekening van 1429: “Item, bij den weidegreven van onser stad koen te volliste die koehierden mede te lonen”463 lijkt op het eerste gezicht aan te tonen dat de weidegraven het toezicht behielden op de inning van de koewachtersgelden. Aangezien zij echter in 1414 slechts inkomsten ontleenden aan het brandmerken en geen koewachtersgeld incasseerden, slaat deze post hoogstwaarschijnlijk op een afdracht aan de cameraars van (een deel van) het brandmerkgeld, vermoedelijk als aanvulling op een tekortschietende opbrengst aan koewachtersgeld. Te controleren is dit evenwel niet, omdat één van beide rekeningen uit dit jaar ontbreekt.
Bij de aanvang van het bestuurlijke jaar 1464 stelden magistraat en gezworen meente een reglement vast voor de weidegraven onder het opschrift: “Alse dat men die weyde verwaeren sall in manieren hyrnae bescreven”. Voortaan leverde de gezworen meente twee weidegraven ter aanvulling van de twee die uit het schepencollege afkomstig waren. Deze twee “gemeentelijke”
weidegraven werden bij toerbeurt gekozen uit de acht wijken. De door hen af te leggen eed werd bijgeschreven in het eedboek en leert dat hun taak bestond uit het “opvangen” van vee van burgers en vreemdelingen dat niet op de stadsweiden thuishoorde (“ongewaertguet”)464.
5.8. Straatmeesters
De straatmeesters hadden als taak de zorg voor de aanleg en het onderhoud van de straten binnen de stadsmuren, alsook de schriftelijke verantwoording daarvan. Hoewel reeds in 1348 een tweetal bestuurders (van wie de een gruit- en de ander timmermeester was) voor werkzaamheden aan een straat geld ontving van de cameraar en in 1356 een aparte cedel de verantwoording bevat van de 46 pond die straataanleg op de “Nieuwe markt” kostte465, lijkt het straatmeesterschap als instituut aan het eind van de jaren zestig van de 14de eeuw geleidelijk ontstaan te zijn466. Een straatmeester verschijnt in 1374 op het toneel. Het was een raadslid dat een bedrag van krap 21 pond voorgeschoten had (inclusief het loon van de stratemaker en stadssubsidie op onderhoud van openbare straten) en dit bij de cameraar declareerde467. In 1383 fungeerden twee straatmeesters; het bedrag was toen vertienvoudigd468. De jaren direct na 1383 geven een wisselend beeld te zien wat betreft de bemanning van het ambt. In 1384 vervulde één schepen het ambt, in 1385 een schepen “ende sinen ghesellen, dien bevolen was over jaer die tymmeringhe an den straten te maken”. In 1386 is de aanduiding “stratenmeysters” gebruikt en is voor het eerst ook expliciet sprake van hun rekening469. Vanaf dit jaar bestond het koppel straatmeesters elk jaar uit een schepen en een raadslid470. De vermelding van hun boekhouding vinden we jaarlijks terug in de rubriek “timmeringe”, doorgaans in de rekening van de “tweede” cameraar471, in bijvoorbeeld 1391 als “tot alsulken stratenwercke alse sie van onser stad weghen hebben doen tymmeren, daer sie die partikelen den scepen af bewyset ende gherekent hebben 260 lb.”472. De uitvoering van het werk
berustte bij een door de magistraat aangestelde stratemaker473. Een anonieme stratemaker (“factor platearum”) verschijnt al in de rekening van 1339. Misschien was hij dezelfde als Geert (Gerard) stratemaker uit 1347, die het jaar daarop als “meester” aangeduid wordt474. Vermoedelijk viel de stratemaker in deze vroege periode onder de verantwoordelijkheid van de cameraars.
De eerste straatmeestersrekening die nog voorhanden is stamt uit 1414475. Het is een gebonden katern, bestaande uit vier bladen. Op de rectozijde van het eerste blad is de hand van Johan van Ommen te zien; een mij onbekende scribent (dezelfde die dat jaar de rekening van de weidegraven schreef) noteerde de overige posten. We mogen aannemen dat stadsschrijvers op basis van door de straatmeesters op wastafeltjes of anderszins aangeleverde informatie de rekeningen schreven. Na 1414 is er een lacune van 66 jaar. De rekening uit 1414 toont dat de straatmeesters geen eigen inkomsten hadden. Deze werden gefourneerd door een cameraar476. In de bewaard gebleven kladrekening van één van de cameraars van dat jaar (de netversies ontbreken) is onder het kopje “den stratemeisters” een specificatie te vinden van de data en de bedragen die de cameraars de straatmeesters ter beschikking stelden477. Een dergelijke rubriek komt in de netrekeningen niet voor.
5.9. Conclusie
In dit hoofdstuk is de ontwikkeling van de verschillende raadsambten, dat wil zeggen: ambten binnen het schepencollege, uiteengezet. Daarbij is in het kader van het thema van primair belang welke taken de onderscheiden raadsbeambten vervulden en welke schriftgoedproductie dit met zich bracht. Het belangrijkste ambt was dat van cameraar ofwel de schepen die de stedelijke financiën in portefeuille had. Een stedelijke kas fungeerde al in de jaren veertig van de 13de eeuw.
Het ontstaansmoment van het cameraarsambt is echter niet te traceren. Dit is bij benadering wel mogelijk gebleken voor wat betreft hun boekhouding, die te beschouwen is als de centrale stadsrekening. In dit hoofdstuk is een hypothese gepresenteerd als alternatief voor tot nu toe opgestelde theorieën over de vroegste fase van de Deventer cameraarsrekeningen. In deze hypothese gaat een voorstadium van separate boekhoudingen vooraf aan een eigenlijke stadsrekening.
Verondersteld is dat de laatste omstreeks 1330 ontstond door een “bundeling” van de informatie uit deze boekhoudingen. De toenemende boekhoudkundige complexiteit is in eerste instantie toe te schrijven aan demografische en economische groei tussen de rampjaren 1315-1317 en 1349/1350. Tot 1344 voerden beide cameraars een gezamenlijke rekening, daarna splitste men deze en ontstonden twee “kamers”. De verdeling van de diverse rubrieken over de twee cameraarsrekeningen kwam geleidelijk vast te liggen. Rond 1360 was dit proces om en nabij voltooid.
Lopende het boekjaar legden de cameraars tweemaal verantwoording af jegens hun collegaschepenen, in de zomer en in de winter. Een derde “grote rekening” sloot het boekjaar af. In de periode 1386-1394 kwam de gewoonte in zwang dat elke cameraar zes tussentijdse maandrekeningen opstelde. Binnen het bestek van een ruime halve eeuw was de stedelijke boekhouding dermate ingewikkeld geworden dat deze stap noodzakelijk werd. Omstreeks dezelfde tijd gingen de cameraars ook aan de nieuwe schepenen verantwoording afleggen. Tenslotte kreeg de meente rond het midden van de 15de eeuw steeds meer greep op de rekeningcontrole, hetgeen zich vertaalde in een speciaal register van saldi dat in 1455 in gebruik genomen werd.
Vele administraties lagen ten grondslag aan de cameraarsrekeningen. Naast de bescheiden van de andere raadsbeambten zijn dat verpachtingsregisters, pandboeken, burgerregistraties en belastingkohieren. Verpachtingsregisters waren minstens sinds 1336 in gebruik. De gegevens hieruit kwamen in gecomprimeerde vorm in de cameraarsrekeningen terecht. De verpachtingsregisters kenden – althans vanaf circa 1400 – nog een substraat van registertjes die geschreven werden tijdens de verpachtingssessies in herbergen of openbare gebouwen.
De cameraars hielden sinds omstreeks 1366 elk een eigen pandboek bij, waarin genoteerd stond wie welke voorwerpen in onderpand gaf als garantie voor betaling van schulden, boetes, pachtsommen en dergelijke. Als basis dienden de gegevens uit de boeken van het voorafgaande jaar. De registers werden, tezamen met de panden, bij de bestuurswisseling overgedragen aan de nieuwe cameraars. De nog voorhanden exemplaren van pandboeken (zes stuks, inclusief twee duplikaten) zijn door toeval bewaard gebleven.
De registratie van nieuwe burgers geschiedde sinds omstreeks 1353 in een apart katern. Daar waar separate burgerschapsoptekeningen zich laten vergelijken met de gelijktijdige burgerschapsrubrieken in de stadsrekeningen, blijkt dat zij niet samenvallen. De administratieve logica hiervan blijft helaas verborgen.
Aan belastingen zijn lokale nutsbelastingen en gedwongen leningen behandeld. Heffingen ten behoeve van de betaling van koe- en poortwachters behoren tot de eerste categorie. Koegeld werd al in de jaren veertig van de 14de eeuw geïnd met behulp van een schriftelijk overzicht van de burgers die hun koeien op de stadsweiden lieten grazen. De inning geschiedde door de wachters, die doorgaans een scribent bij zich hadden, maar die in sommige gevallen ook zelf schreven en dit al medio 14de eeuw. Een belasting per huis voor de poortwachters, immers een functie waarbij iedere stadsbewoner baat had, werd in 1361 ingevoerd. Eenieder die daartoe in staat was, droeg zijn steentje in de vorm van één groot bij. Voor de inning waren tot 1444 de wijkbewoners zelf verantwoordelijk; om die reden worden we niets gewaar van schriftelijke bescheiden, als die er al aan te pas kwamen.
Lijsten van burgers die leningen verstrekten zijn zowel in de stadsrekeningen als – voor wat betreft de tweede helft van de 14de eeuw – in het oudste bewaarde verpachtingsregister te vinden. De bijbehorende registers gingen op één exemplaar uit 1380 na verloren. De in de loop van de 15de eeuw in aantal toenemende landsheerlijke heffingen leidden tot een intensievere benutting van het instrument van de (gedwongen) lening door het stadsbestuur. Vanaf de jaren dertig van de 15de eeuw zien we de meente invloed op dit terrein krijgen. Verondersteld is dat het raadsambt van zegelaar in de jaren dertig herleefde wegens de honderden stedelijke schuldbekentenissen die gezegeld moesten worden.
Na de cameraars zijn de raadsambten van wijnheer, gruit-, hop-, timmer- en tolmeester, weidegraaf en straatmeester aan een nader onderzoek onderworpen. Gemeenschappelijk aan deze ambten was de productie van rekeningen en daartoe behorende bijlagen (doorgaans in de vorm van cedelen). De genoemde raadsbeambten legden in navolging van de cameraars sedert 1396 tweemaal per jaar financieel verantwoording af jegens hun medeschepenen. Het moment, de vorm en aard van verschriftelijking op de verschillende bestuurlijke deelterreinen hing samen met externe politieke en economische factoren: de verwerving van landsheerlijke privileges (gruit), de ontwikkeling van het handelsverkeer (tollen), voedseltechnische innovaties (introductie van hopbier). Daarnaast zijn interne factoren te onderscheiden: toenemende professionalisering van de ambtelijke organisatie, waarbij het “ambtenarenapparaat” niet alleen een formelere opzet kreeg maar ook getalsmatig groeide. Uiteraard was ook de modus van uitbating (in eigen beheer of verpachting) van belang.
Te veronderstellen is dat het tolwezen als eerste verschriftelijkte. Binnen deze sector kende men niet alleen rekeningen, maar ook tarieflijsten. Daarmee wil niet gezegd zijn dat het raadsambt van tolmeester het oudste was. Het beheer kan aanvankelijk bij het schepencollege als geheel of bij de cameraars gelegen hebben. Het ontstaan van de ambten van wijnheer, timmermeester en weidegraaf is niet exact te bepalen; zij komen in beeld met de eerste bewaarde stadsrekening van 1337. Wat de wijnheren betreft is het aannemelijk dat zij niet lang vóór 1337 met hun werkzaamheden begonnen zijn. De inning van de wijnaccijns bleef tot 1412 een taak van het stadsbestuur. Voor de registratie van vaten wijn was de kerfstok in zwang. Na 1412 gaf de stad de wijnaccijns in pacht uit en verdween het ambt van wijnheer. Wel bleef de stad verantwoordelijk voor het onderhoud van de infrastructuur: het stadswijnhuis en de kraan op de handelskade.
Onder de goederen die met deze kraan gelost werden nam wijn een voorname plaats in. Vanaf kort na het midden van de 15de eeuw reguleerde men de overslag op de kade: elk vat wijn diende ter registratie aangegeven te worden bij een stadsschrijver of diens secondant.
Het ambt van gruitmeester was een bestaan van nog geen eeuw beschoren. In 1339 pachtte de stad van de landsheer het recht op de verkoop van gruitstoffen. De verlenging van dit privilege had op gezette tijden nogal wat voeten in aarde. Voerden aanvankelijk de cameraars het beheer en de boekhouding, in 1344 verschenen de gruitmeesters ten tonele. In of een paar jaar vóór 1433 hield het ambt op te bestaan; het nieuwe hopbier had de concurrentieslag definitief gewonnen.
Het ambt van hopmeester ontstond in 1369. Er ging een “aanloopfase” van een jaar of acht aan vooraf. Hopbier als zodanig was mogelijk al eind 13de eeuw en uiterlijk sinds 1347 in Deventer voorhanden. Het duurde dus enige tijd alvorens de hopbierbrouwerij als inkomstenbron interessant werd voor het stadsbestuur. Een nieuwe brouwaccijns werd in 1389 ingevoerd. Juist in de jaren tachtig/negentig duikt in de bronnen ook het Hamburger- of “vreemd” dan wel “buiten gebrouwen” bier op. Hierover werd een tapaccijns geheven. Sinds 1412 verpachtte het stadsbestuur de hopaccijns. Net als bij de wijnaccijns leidde dit onmiddellijk tot hogere inkomsten.
Vanaf 1433 splitste men de accijnsrubriek in die van “binnen” en “buiten” gebrouwen bier, ofwel in een brouw- en een tapaccijnsrubriek. Geïmporteerd bier werd alleen op vaste lokaties en voorts tijdens jaarmarkten getapt.
Hoewel de timmermeesters pas in 1344 expliciet genoemd worden, zijn er al sinds 1337 refe-
renties aan hun boekhouding. In 1359 stelden zij zelf steenhouwers aan ten behoeve van het stadswerk. Voormannen uit het bouwvak rekenden met de timmermeesters af op basis van kerfstokken, waarop het aantal gewerkte dagen en/of de hoeveelheden gebruikte bouwmaterialen bijgehouden werden. In de timmermeestersrubriek zijn jaar na jaar verwijzingen naar “project-boekhoudingen” aan te treffen. De timmermeesters hadden hierover de supervisie.
Ten aanzien van het tolwezen is het volgende gebleken. Sinds 1241 pachtte de stad de overoude Katentol van het klooster Elten. De met een toeneming van het rivierverkeer samenhangende wassende inkomsten hieruit gaven vermoedelijk al in de eerste paar decennia van de 14de eeuw aanleiding tot verschriftelijking in de vorm van tarieflijsten en tolrekeningen. Twee schepenen traden op als tolmeester, terwijl een tollenaar de incasso van het tolgeld verzorgde. De tollenaar zelf of aparte tolschrijvers namen de tolboekhouding voor hun rekening. Naast de Katentol verwierf de stad halverwege 1354 ook de bisschopstol, aanvankelijk in pand en in 1401 in erfpacht. Afgezien van de periode 1365-1371 verpachtte de stad deze tol. De bisschopstol was een markttol op over land aangevoerde handelsgoederen, die waarschijnlijk steeds aan de poorten voldaan moest worden. Optekening geschiedde door stadsschrijvers of hun helpers.
Het ambt van weidegraaf heette aanvankelijk schutambt, naar de kerntaak: het beheer van de voor het schutten van vee benodigde infrastructuur op de stadsweiden. Vanaf 1352/1362 ontleenden de weidegraven hun inkomsten in principe aan het geld dat betaald werd voor het brandmerken van vee dat in de stadsweiden ingeschaard werd. Deze inkomsten zijn steeds in de ene cameraarsrekening geboekt, terwijl de uitgaven – voorzover zij de inkomsten te boven gingen – terugkeren in de “timmeringe”-rubriek. In 1464 kwam een nieuw reglement op het ambt tot stand, waarin onder meer vastgelegd werd dat voortaan de meente twee weidegraven aanleverde naast die uit het schepencollege.
Het straatmeesterambt tenslotte kreeg in de periode tussen het eind van de jaren zestig en het begin van de jaren tachtig van de 14de eeuw geleidelijk vorm. Vanaf 1386 werd het steeds vervuld door een schepen en een raadslid tezamen. De late ontwikkeling van dit ambt is te verklaren uit het gegeven dat de eraan verbonden taken aanvankelijk tot het pakket van de timmermeesters behoorden. Het was ook het schepencollege als geheel, en niet het straatmeesterskoppel, dat de uitvoerder van de werkzaamheden, de stadsstratemaker, aanstelde.
Aan de binnenkant van het perkamenten omslag van het zogeheten “Ewoldsboek” (een register van de Deventer Sint Ewoldsbroederschap) tekende een onbekende – misschien een lid van de broederschap – vermoedelijk omstreeks 1500 dit portret (SAB, BA, inv. nr. 55; foto: SAB).
Benders, J.F. (2004). Bestuursstructuur en schriftcultuur. Een vergelijkende analyse van de bestuurlijke verschriftelijking in Deventer tot het eind van de 15de eeuw478 Kampen: Stichting IJsselacademie.
