5. Beheer

5

 

BEHEER

_____________________________

Na het overlijden van Reinald II in december 1343 valt geen wisseling van de wacht te constateren in het schepencollege. Hoewel de overzichten van schepenen voordien incompleet zijn, zien we acht oude rotten uit 1338 in 1344 terug op het bestuurspluche1 [1. Voor 1338 baseer ik me op de lijst in CRD I, xiv-xv. Dat het stadsbestuur juist in 1344 een nieuwe stadsschrijver in dienst nam, kan een coïncidentie zijn waaraan geen politiek gewicht gehecht behoeft te worden. De afgeloste stadsschrijver, Herbord ten Brinke, overleed aan het eind van dat jaar (zie bijlage 4).]. Dat er geen bijltjesdag plaatsvond, is welbeschouwd logisch: het Oversticht bleef nog drie jaar lang in Gelders pandbezit. Toch deed zich een vanuit bestuurlijk oogpunt cruciale verandering voor. De cameraarsrekening van 1343, waarvan de eindredactie uit begin 1344 stamt (immers het kalenderjaar waarin het ambtelijke jaar 1343 eindigde), bevat een rubriek “Illi deputati sunt ad officia civitatis” (=Dezen zijn aangesteld in de stadsambten) met een uitsplitsing van het schepencollege van 1344 naar de verschillende raadsambten. Achtereenvolgens worden genoemd twee zegelaars, twee cameraars, twee tolmeesters, twee wijnheren, twee gruitmeesters, twee timmermeesters annex “verwaarders van de daktegels (lateres)”, twee schutmeesters en twee ontvangers van het wanthuisgeld. Een jaar later is de volgorde enigszins gewijzigd: de rij eindigt met de tolmeesters, schutmeesters en wanthuisgeldinners. Eenmalig komen daar in 1346, als eersten, de “vexilliferi” (“banierdragers”) bij. Nadien vinden we dergelijke lijsten van raadsambten niet meer2 [2. CRD I, 118, 145-146 en 249. Voor de banierdragers: ib., xxv, alwaar de opmerking dat zij in 1346 uit de raad en niet uit het schepencollege afkomstig waren. De reden van hun eenmalig optreden is niet te achterhalen; was er een verband met de beëindiging van de Gelderse “overheersing”? Hoewel de door Van Doorninck in 1346 gedateerde cameraarsrekening thuishoort in 1350 (zie hoofdstuk 3 n. 118), beschouwde hij het aan Dumbar ontleende, ongedateerde raadsambtenlijstje terecht als dat van 1346 en voegde deze daarom in zijn rekeningeneditie toe aan de stadsrekening van 1345 (ib., 249). Terecht, omdat de namen van de beide cameraars overeenstemmen met die van degenen die in 1347 de saldi van hun kassen overdroegen aan hun opvolgers (ib., 269 en 310).]. Waren deze overzichten soms ten behoeve of in opdracht van de Gelderse hertog als pandheer opgesteld?
     De verandering van volgorde in 1345 is niet toevallig: de cameraars, wijnheren, gruit- en timmermeesters waren de belangrijkste raadsbeambten. In 1374 duidde men deze posities aan als de “vier ampten onder den scepenen”, in 1411 als “overste ampte”3 [3. CRD IV, 153; StRD III, 9. Zie ook Schneider, ‘“Ghemyente”’, 16-17.]. Sinds 1412 waren er nog drie

|pag. 211|

______ ↑ ______

in plaats van vier “overste ampte”; de wijnheren vielen af4 [4. StRD III, 9 (1411) en 69 (1412).]. Na de opheffing van het gruit-meesterambt in de jaren 1431-1433 werden de cameraars, zegelaars en timmermeesters tot “de drie ambten” gerekend5 [5. StRD V, 469 (1433).]. De term “overste ampte” doet veronderstellen dat er ook andere ambten waren. Inderdaad rept men in 1399 van de “kleine ambten”6 [6. StRD I, 298.]. Het gaat dan om de in het voorgaande al genoemde tol- en wanthuisgeldinners en weidegraven (toezichthouders op de stadsweiden), benevens de in de jaren veertig van de 14de eeuw nog niet bestaande raadsambten van hop-, straat- en dobbelmeester, welke laatste eerder behandeld is7 [7. Zie hoofdstuk 4 § 4.1.]. Overigens werden “overste” en “kleine” ambten geregeld door een schepen in personele unie bekleed. Van Doorninck stelt in de inleiding op zijn editie van de cameraarsrekeningen onder verwijzing naar de raadsambtenlijstjes vast dat het oude schepencollege niet alleen het nieuwe benoemde, maar ook de verdeling van de raadsambten bepaalde8 [8. CRD I, xxiii. Acquoy is in zijn inventaris zonder nadere bewijsvoering de mening toegedaan dat de raadsleden de cameraar aanwezen (Cameraar, 3-4).]. Een rekeningpost uit 1372 vermeldt dat de oude schepenen “ghezeten hadden omme die ampte to zetten”. Dit geschiedde op 29 februari, een week na de bestuurswisseling9 [9. CRD III-2, 427. In 1405 nam de toewijzing van de raadsambten naar het schijnt meer tijd. Op 11 maart en vervolgens nog eens op 25 mei liep een stadsbode met brieven naar Vollenhove om de daar verblijvende Johan Borre over te halen naar Deventer te komen, eerst “want hij scepen ghekoren was”, daarna “want hij scepen ghekoren was ende ampt (sic) van der stat tymmeringen gesat was”. Borre volhardde om onbekende redenen in zijn weigering zijn plaats in het schepencollege in te nemen. Deze plaats bleef dat jaar onbezet; StRD II, 257 (Roelf Michelsz’ maand), 260 en 287.]. Aantoonbaar sinds 1348 was aan het vervullen van de “overste” of vier belangrijkste raadsambten een extra vergoeding verbonden, bovenop die voor het bekleden van een schepenpositie in algemene zin. Deze uitgaven bracht men toen nog onder in de geschenkenrubriek (“curialitates”), in plaats van in de later gebruikelijke (maar aanvankelijk nog niet als zodanig onderscheiden) loonrubriek10 [10. CRD II, 49 (overigens voor slechts zeven man in totaal, namelijk de cameraars, wijnheren en gruitmeesters plus één).]!
     In het navolgende komen de wanthuisgeldinners en zegelaars slechts kort aan bod, omdat de vervulling van deze ambten geen aanleiding gaf tot de productie van schriftgoed. Schepenen als inners van wanthuisgeld komen alleen in de periode 1337-1346 voor11 [11. CRD I, 9 en 249.]. Blijkens de toevoeging “in nundinis” aan de raadsambtenlijst uit 1345, zamelden zij alleen tijdens jaarmarkten lakengeld in12 [12. Ib., 146.]. Wanthuisgeld, doorgaans gesplitst in de huur van de wantkisten (soms nog onderverdeeld naar grote en kleine kisten) en inkomsten tijdens jaarmarkten, bleef echter ook nadien jaarlijks in de stadskas vloeien. In 1340, 1343, 1348 en 1349 kreeg de “klerk” Giselbert Jacobsz (ten Brinke?) vier pond loon voor toezicht op het wanthuis, in 1354 een priester Hendrik Businc13 [13. Ib., 96 en 111; CRD II, 53, 59, 63, 92, 94, 283. Businc was afkomstig uit Goor; Vredenberg, Oudste register, nrs. 13 (circa 1348?), 36 (1369?, gedateerd aan de hand van het vermelde Deventer schepenkoppel), 80 (1373).
Hendriks broer Johan was in 1351 burger van Deventer geworden (CRD II, 106).]
.
Gedurende de jaren 1355-1360 was het de stadsbode Reyner (in 1360 samen met de priester

|pag. 212|

______ ↑ ______

Beernd ten Putte) die voor vier pond per jaar de “custodia” van het wanthuis voor zijn rekening nam; alleen in 1358 was een niet bij toenaam bekende Dirk verantwoordelijk14 [14. Ib., 353, 440, 480, 513, 550, 557, 650, 689, 789. Beernd ten Putte (Bernardus de Puteo) was in 1381 vicaris van de Sint Lebuinuskerk (SAB, KA, inv. nr. 99).]. Sedert 1362 treedt stadsschrijver Johan ter Hurnen naar voren als inzamelaar – zowel tijdens als buiten markten – van lakengeld, in 1368 “stapelgeld” genoemd15 [15. CRD III-1, 123: “Item, denzelven Johannes [ter Hurnen] vor dat hi der stad renthen van den waenthues up boert 4 lb.”, 197 (1363) en 413: “Van den gheelde dat Joh. ter Hurnen over iaer vorghadert heft van den ghewaende” (1365). In 1366 is nog toegevoegd “dat die vremede lude brochten” (ib., 586). “Stapelgeld”: ib., 105. In 1361, een overgangsjaar, inde cameraar Odo Reynersz de gelden zelf (ib., 27).]. In de rekening van 1371 is de huur van de lakenkisten ondergebracht in de rubriek “van den tijnse” en zodoende beheersmatig losgekoppeld van het stapelgeld; met uitzondering van 1372 bleef dit zo tot 1377, toen ook het stapelgeld naar de rubriek “(grote) tijns” verhuisde. Sinds 1382 verschijnt een aparte rubriek “stapelgeld”16 [16. CRD III-2, 346-347, 437-438; CRD IV, 37-38; CRD V, 46 (1377); CRD VI, 29 (1382). Overigens combineerden stadsschrijvers het stapelgeld wel eens met andere inkomstenbronnen, met name het “stageld” van de kramen voor de verkoop van schol op de jaarmarkten.].
De inning bleef een taak van de stadsschrijver17 [17. In 1390 traden Ter Hurnen en Van Ommen gezamenlijk op, het jaar erna kon laatstgenoemde het alleen af (CRD VII, 136 en 222).]. Bij verpachtingen van stadsdomeinen in herbergen kwam het “stapelgeld van het laken” goed van pas ter laving of spijziging van de aanwezigen18 [18. Zoals in 1415 (StRD III, 211).], maar het is niet te zeggen of dit de reguliere besteding van deze inkomsten was. Het is onduidelijk wie er zorg droeg voor de inning van de wantkistenhuur; denkbaar is dus dat het raadsambt na 1346 voortbestond. De verhuur van lakenkisten in het oude wanthuis eindigde in 1414, waarna de lakenhandel andere wegen insloeg19 [19. Koch, “Stadhuis”, 36.].
     Over de zegelaars (“sigilliferi”, “sigillarii” of “sigillatores”) horen we in de jaren 1344, 1345 en 1346. In 1359 overhandigden zij aan de ene cameraar 37½ pond “in pecunia de marsubio, per antiquos scabinos transliberato” (=in geld uit hun kleine kas, dat door de oude schepenen overgedragen is), en aan zijn collega 115 pond. Dat jaar declareerden de cameraars en de zegelaars een half pond aan onkosten toen zij brieven zegelden die naar Osnabrück en Münster verzonden werden20 [20. CRD 1, 118, 145, 249; CRD II, 606, 649, 636.]. Dit alles wijst er ontegenzeglijk op dat de zegelaars een eigen kasje hadden. Over een boekhouding is echter niets bekend. Vermoedelijk was die er ook niet, omdat de cash flow van de zegelaars weinig omvangrijk was. Juist het feit dat de zegelaars in de drie schepenlijsten van 1344-1346 steevast als eersten vermeld zijn (eenmaal voorafgegaan door de “vexilliferi”), doet vermoeden dat het toentertijd een ereambt was. Dit wordt onderstreept door het gegeven dat in 1345 één van beiden ook gruitmeester was, terwijl een jaar later de ene zegelaar tevens als gruit- en de andere als timmermeester optrad; stapeling van “overste ampte” kwam namelijk niet voor.
Het heeft er de schijn van dat de magistraat het zegelaarsambt rond 1362 (tijdelijk) afschafte21 [21. In 1362 is nog een post geboekt “do sij [twee schepenen] eijnen breef hadden beseghelt die tot Zutphen waert ghesant, 3 s. 4 d.” (CRD III-l, 103). Aangezien zegelingen door schepenparen nooit verantwoord worden in de rekeningen, moeten zij hier wel in hun hoedanigheid van zegelaar vermeld zijn.].
     Tussen 1430 en 1433 doen de zegelaars opnieuw hun intrede, op het moment dat het gruit-

|pag. 213|

______ ↑ ______

meesterschap als raadsambt verdwijnt22 [22. StRD V, 346, gecombineerd met 469; zie voor de gruitmeesters hierna § 5.4.]. Aangezien telkens één van beide cameraarsrekeningen – met daarin het standaardrubriekje over onkostenvergoedingen van het schepencollege – van de boekjaren 1431 en 1432 verloren is gegaan, is niet precies vastte stellen waar het omslagmoment ligt. De beschikbare rekeningen verstrekken hierover geen informatie. De ene bewaard gebleven rekening over het boekjaar 1431 is verre van compleet; de vier eerste maanden ontbreken. Het betreft een rekening van Engbert Willemsz van Doetinchem, die de cameraar Koenraad ten Dune verving tijdens diens verblijf in Rome. Ten Dune keerde terug op 7 april 143223 [23. Ib., 412.]. De vier maanden van Koenraad zijn dus spoorloos. Zij kunnen informatie bevat hebben over de verandering in de structuur van de “overste ampte”. Gelet op de veranderingen in de bieraccijns in 1433, komt dit jaar wellicht het meest in aanmerking. Hoe dit zij, de zegelaars in hun nieuwe gedaante waren mede verantwoordelijk voor het bewaren van de “brieven”, dus voor het beheer van de oorkonden en/of de correspondentie in het stadsarchief. De zegelkamer was de belangrijkste archiefbewaarplaats24 [24. Zie hoofdstuk 3 § 3.4 en hoofdstuk 4 n. 110.]. Langs deze weg krijgt Van Doornincks veronderstelling meer reliëf dat de mid-14de-eeuwse zegelaars de zorg over de zegelkamer (en derhalve over de zegelstempels) hadden. Voor wat betreft de periode 1361-1433 is het denkbaar dat het zegelaarsambt opging in dat van de stadsschrijver, zoals Van Doorninck oppert25 [25. CRD I, xxv. Onjuist is Van Doornincks impliciete veronderstelling dat de zegelkamer in 1361 gebouwd werd. De door hem opgegeven rekeningpost kan hiervoor niet als bewijs dienen, maar wijst er integendeel op dat de zegelkamer ouder was: “item, van der tijmmeringhe tot der cameren die ghemaket is boven op der stad hues, daer der stad touwe inne licht ende van eijnen zitten dat in der seghel camer staet, daer men alrehande breve in lecht”.
Reeds tien jaar eerder komt de “camera sigilli civitatis” in de cameraarsrekeningen voor (CRD II, 99).]
. Er is een referentie die erop zou kunnen wijzen dat niet de stadsschrijver, maar een gerechtsbode als zegelaar optrad. Het betreft de vermelding van de bezegeling van een schuldbekentenis door gerechtsbode Herman van Orsbeke, gedaan vóór 1401. Het is echter heel goed mogelijk dat Herman als debiteur of ten behoeve en op verzoek van iemand anders met zijn eigen zegel zegelde26 [26. SAB, RA, inv. nr. 48.1.a, fo. 33v. Deze oorkonde maakte deel uit van de tot een erfenis behorende waardepapieren.].

De cameraars maakten bij het opstellen van hun rekeningen gebruik van eigen registers en van declaraties. Daarnaast lagen aan hun rekeningen de boekhoudingen van de wijnheren, gruit-, hop-, timmer- en tolmeesters en weidegraven ten grondslag. Terwijl voor de cameraarsnetrekeningen perkament steeds in zwang bleef27 [27. In bijzondere omstandigheden en dus bij uitzondering zijn cameraars(net)rekeningen op papier geschreven, zoals de na het overlijden van de cameraar gecontinueerde rekening van 1397 (SAB, Cam., inv. nr. 202).], gebruikten de stadsschrijvers voor de 15de-eeuwse kladrekeningen en voor alle ambtsrekeningen papier. Dit weerspiegelt het relatieve belang van centrale en deelrekeningen. De schepenen als college hoorden pas vanaf 1396 elkaars ambtsrekeningen af, en wel tweemaal per jaar, in de zomer en in de winter28 [28. “Bi den scepen ter maeltijt verteert do sie rekeninghe ghehoert hadden van den tymmermeysters, van den stratenmeysters, van den weydegreven die over iaer die vors. ampte verwaert hadden” (StRD I, 151, d.d. 11.1.1397), “doe die scepenen horen ghesellen die iirste rekeninghe van den ampten ghedaen hadden ter maeltijt verteert” (ib., 293, d.d. 20.8.1398) en “doe die scepen die rekeninge ghehoert hadden van onser stat clenen ampten ter maeltijt” (ib., 298, d.d. 4.2.1399); “doe die scepene die iirste rekeninge van horen ampten ghedaen hadden” (StRD III, 50, d.d. 21.11.1412). Uitzonderingen stammen uit 1344, toen schepenen en raden in november met de wijnheren en de timmermeesters rekenden (CRD I, 171), en 1394, toen de timmermeesters de schepenen “ene zonderlinghe (=buitengewone) rekeninghe van horen ampte ghedaen hadden (…) daer sie vordel to hadden van leverancien die overghebleven was in der reysen do onse stad mit ons. heren van Utrecht horen dach daer hielt in des hertoghen claeringhe” (StRD I, 47, op 14 december).]. De overgeleverde ambtsreke-

|pag. 214|

______ ↑ ______

ningen zijn door De Meyer gepubliceerd in het kader van haar editie van de Deventer cameraars-rekeningen 29 [29. Slechts de timmermeestersrekening van 1437 ontbreekt om niet nader gemotiveerde redenen in het betreffende rekeningendeel.]. In sommige gevallen bieden de ambtsrekeningen een welkome aanvulling op incomplete jaargangen cameraarsrekeningen, zoals in 1414 en 1421. Slechts een fractie van het door of in opdracht van raadsbeambten geproduceerde schriftgoed bleef bewaard: de rekeningen van de gruitmeesters uit 1414 en 1421, die van de timmermeesters uit de jaren 1414, 1423, 1437, 1433 of 1435 of 1439 en 1448 (waarna er een hiaat is van 32 jaar), die van de weidegraven uit 1414 en 1423 (waarna een gat van bijna een eeuw gaapt) en die van de straatmeesters uit 1414 (met als opvolger een rekening uit 1480)30 [30. Achtereenvolgens: SAB, MA, inv. nrs. 165*, 159a (nrs. 1-6), 157 en 160a. Ten onrechte dateert De Meyer, StRD IV, 487-490 de timmermeestersrekening van 1433, 1435 of 1439 in 1417. Zie voor de argumentatie hierna, n. 408.].
     Het is opvallend dat zich een concentratie van ambtsrekeningen voordoet in de periode 1414-1423, met een nadruk op het begin- en eindjaar. Des te opvallender wordt deze spreiding, wanneer we ook de pandboeken en kladrekeningen van de cameraars in het beeld betrekken: deze stammen uit de jaren 1413,1422, 1423 en 1427, respectievelijk 1414, 1422, 1423, 1424, 1438 (en vervolgens met onderbrekingen pas weer vanaf 1452)31 [31. Voor de pandboeken, zie hierna § 5.2.2.2 en n. 169. Een eerder cluster (fragmenten van) kladrekeningen beslaat de periode 1343-1360.]. Aangezien zich in 1412 op diverse fronten administratieve veranderingen voltrokken, is het wellicht niet toevallig dat sinds dit jaar raadsambtsrekeningen voorhanden zijn. Verderop zal beargumenteerd worden dat zich in 1422 een politieke verschuiving voorgedaan heeft; het bleek ook al in het vorige hoofdstuk32 [32. Zie hoofdstuk 4 § 4.4 onder “Clageboeeck”]. Voor de jaren 1422 en 1423 zou daarom verondersteld kunnen worden dat controle van de meente óók op de financiële huishouding een rol speelde. Voor de andere jaren is dit niet aan te tonen. Alleen wat betreft 1437 laat zich misschien een verband leggen met de machtsverschuiving (vier nieuwe schepenen) die zich een jaar later afspeelde. Zo bezien is een verklaring voor de merkwaardige spreiding in de tijd primair in het politieke domein te zoeken.
     Toch is dit nog maar de vraag. Het lijkt wat al te makkelijk om hier als toevalsfactor de selectief knagende tand des tijds op te voeren. In het geval van Deventer valt er wel wat meer over te zeggen. Allereerst is er het in hoofdstuk 1 vermelde oproer van 1521, dat tot de vernietiging van rekeningen geleid kan hebben33 [33. Zie hoofdstuk 1 n. 33.]. De timmermeestersrekeningen van 1437 en 1448 bieden nog een ander aanknopingspunt: zij vertonen beide sporen van brand. Die van 1448 lijkt ternauwernood gered te zijn. Dergelijke incidenten kunnen de zeer lacuneuze staat van overlevering van de ambtsrekeningen verklaren. Mogelijk is er zelfs een samenhang tussen de opstand van 1521 en de beschadiging van voornoemde rekeningen.
     Er is nog een mogelijkheid, die niet met selectie door toeval, maar met middeleeuws archief-

|pag. 215|

______ ↑ ______

beleid te maken heeft. De ambtsrekeningen vormden het substraat van de cameraarsrekeningen.
Dat wil zeggen dat de cameraarsrekeningen als centrale stadsrekening gevoed werden met de informatie die in de “ondergeschikte” ambtsrekeningen vervat was. Wanneer de stadsrekeningen eenmaal opgesteld en afgehoord waren, verloren de ambtsrekeningen hun functie. Bewaring van al die katernen zou bergen oud papier op de stedelijke secretarie opgeleverd hebben. Het ligt in de lijn van de verwachting dat er periodiek opruimingen plaatsvonden. Daarbij zullen wel eens exemplaren over het hoofd gezien zijn, bijvoorbeeld omdat zij om welke reden dan ook niet op de secretarie voorhanden waren. Denkbaar is ook dat deze een nu moeilijk meer te reconstrueren functie als retroactum hadden. Mij lijkt deze verklaring het zwaarst te wegen. Met voorgaande overwegingen in het achterhoofd zullen nu de afzonderlijke raadsambten besproken worden.

5.1. Cameraars

Het is nuttig te bedenken dat reeds in de jaren veertig van de 13de eeuw een stedelijke kas in gebruik was. Indirect valt dit af te leiden uit een passage in het statuut van het koopmansgilde uit 1249, waaruit blijkt dat boetes (deels) aan de stad vervielen34 [34. “Item, si aliquis in communi gilde, ubi bibitur, in scamno fratrum recumberit, nec fraternitatem habuerit, et recedit, predictum ius acquiret et civitati dabit libram” (KGR, rr. 12-14). Zie ook ib., 178 (gildestatuut van 1300).]. Gewezen kan ook worden op het in pacht verwerven van de Katentol in 1241, die sindsdien (pacht-)geld in het stadslaadje bracht.
Waarneembaar sedert 1337 verzorgden steeds twee cameraars gedurende een boekjaar het financiële beheer van de stad. Bij calamiteiten zoals overlijden, gevangenneming35 [35. Een voorbeeld stamt uit 1374, toen Wolter Borre als plaatsvervanger optrad van Aernd Upperheest, omdat die gevangengenomen was door Johan van der Ese (CRD IV, 167-168, 133-134, 163-164, 167-168 en 171).] of nog andere, zocht men een vervanger. Verantwoording van hun beheer legden de cameraars af in rekeningen.
Tot 1344 voerden zij er gezamenlijk één, daarna hadden zij elk een eigen boekhouding van hun respectievelijke “kamers”36 [36. Cf. de aanduiding “der stad camerampt”; CRD III-2, 398 (1372).]. Aan de inkomstenkant van de cameraarsrekeningen was sinds 1361 sprake van standaardisatie in die zin dat de ene cameraar grosso modo de pachten en tijnzen inschreef, terwijl de andere de boete- en burgergelden boekte. Deze verdeling gold ook in de periode 1339-1345. De jaren 1347-1360 geven een wisselend beeld te zien37 [37. Zie het overzicht van de rekeningstructuur tot 1369 in Schneider, Deventer, 338-340 (bijlage 9.3). Alleen de rubriek “de vaccis” wisselt na 1360 nog wel eens van cameraar.]. Het maken van onderscheid tussen een “eerste” en “tweede” cameraar suggereert een hiërarchische verhouding die er niet was, reden om het in dit hoofdstuk zo veel mogelijk te vermijden.
     De cameraarsrekeningen zijn te beschouwen als de centrale stadsrekening, waarin een zeer brede scala aan deelrekeningen en declaraties verwerkt werd. Deze loopt van geregeld terugkerende tot eenmalige gelegenheids- of projectrekeningen. Bij de eerste valt te denken aan kostenverantwoordingen van veldtochten of strafexpedities van het stedelijke leger38 [38. Een fraai voorbeeld is de door stadsschrijver Johan ter Hurnen op papier geschreven rekening van het beleg van het kasteel Voorst uit 1362 (CRD III-1, 132-139). Rekeningen van veldtochten vielen onder de verantwoordelijkheid van één van beide fungerende cameraars, maar werden in aanleg geschreven door of in opdracht van de stadsbestuurders, schepenen zowel als raden, die de troepen als bevelvoerder commandeerden. De belegering van het kasteel Eerde in 1380 vormt hiervan een illustratie: “Vor leveranci ende anders alrehande zaken in den bezitte(=beleg) vor Eerde / bi Wolter Borren [cameraar] dat hi uyt ghegheven heft, daer hi die particulen af bewyset heft ende gherekent den scepenen ende raet, daer die summe afbeloept 1914 lb. 3 s. 6 d.”, “do sie [twee schepenen en twee raden] hore rekeninghe gemaket hadden alse van hoerre reysen dat sie mit onser ghemyenten vor Eerde gheleghen hadden” (d.d. 20 juni), “do sie [beide cameraars en stadsschrijver Ter Hurnen] bestonden (=begonnen) die rekeninghe te verghaderen van den bezitte vor den hues tot Eerde” (d.d. 1 augustus), “do (…) onser stad cemeners, hore rekeninghen van hoerre cameren ende van den bezitte vor den hues tot Eerde ghesloten hadden” (d.d. 8 augustus; CRD V, 307, 326, 329, 331).], de laatste varië-

|pag. 216|

______ ↑ ______

ren van rekeningen uit 1374 en 1394 van de aanschaf van steenkalk tot die van de loonkosten van de arbeiders die in 1386 doornstruiken rooiden op de stadsweiden39 [39. Voorbeelden uit de late 14de eeuw: “do sie [drie bestuurders en Johan ter Hurnen] die rekenschap van den styenkalcke verghadert hadden” (CRD IV, 169), “Philipps die scriver die vier daghe up enen schepe ghezeten hadde, daer hi van onser stad weghen die rekenschap waerden van den styen[ca]lke dien onse stad ghecoft hadde 20 gr.” (StRD 1, 40 – zie voor Philips hoofdstuk 3 n. 169), en “Hademanne van Heten ende Lubberte Budel dien bevolen was dien doern up onser stad weyden uyt laten te radenne, daer sie mede loenden Heynen van Vlyemen ende ander lude daer sie dat werc an bestaden, alse sie bewysen in horen rekeninghen” (CRD VI, 294).]. Naast deze stroom aan “inkomende bescheiden” is er een groep registers die direct aan het ambt van cameraar te relateren is (hierna “cameraarsregisters” genoemd). Deze laatste zullen in het navolgende besproken worden. Aan deze bespreking gaat een algemeen overzicht van het cameraarsambt vooraf, alsmede een onderzoek naar het tijdstip en de context van het ontstaan van de cameraarsrekeningen.
     De eigentijdse term voor de centrale stadsrekeningen was “rekenboeken” of “rekeningenboeken”. Tegelijkertijd was ook de omschrijving “rekeningen (van hun kamers)” in zwang40 [40. “do sie [twee raadsleden] daerto ghesat weren dat sie oversien soelden der stad rekeninghen boec alse omme dat ghebrec dat die vorss. Aernt [Upperheest] an der stad soelde hebben van der reysen do hi up den heercogghen was” (CRD III-2, 379 (1371)) en “do die vors. (…), onser stad cemeners, hore rekeninghen van hoerre cameren (…) ghesloten hadden” (CRD V, 331 (1380)).]. De cameraars beschikten over een eigen archiefkist of -kast (“spinde”), zoals te lezen valt in de rekening van Johan die Hoyer uit 138141 [41. “Meyster Haverzac, die Johans spinde vermaket hadde daer sine rekenboke in ligghen, vor naghele ende loen 30 s.” (ib., 376).]. De vraag die de betreffende post oproept is of iedere cameraar een eigen “spinde” had of dat er één cameraarsarchief was. Een boeking uit 1394 geeft het antwoord: het archief van de cameraars bevond zich in de “achterste kamer” op het stadhuis42 [42. “Item, van der spinden achter up der achterster cameren daer die cemener sine rekeninghe innesluyt al nyes up te vermakenne, want Hademan al sine slotele van sijnre camerschap verloren hadde” (StRD I, 59).]. Met terugwerkende kracht kan onder enig voorbehoud aangenomen worden dat de “cista civitatis” die reeds in 1340 in de cameraarsrekeningen genoemd wordt en waarin men toen en in latere jaren geldbedragen deponeerde43 [43. CRD I, 78.], de plaats was voor zowel kastegoeden als cameraarsbescheiden. De cameraars droegen aan een riem een buidel met daarin de sleutels van deze kist44 [44. CRD VI, 32 (1382).]. Begin 1394 – nog in het boekjaar 1393 en wel in verband met de bisschopswisseling in Utrecht – kwamen de cameraars en de schrijvers bijeen en “overlegheden onser stad rekenboke van dertich jaren herwart, omme te weten wes onse stad uytghegheven hadde omme des Stichts zaken”45 [45. CRD VII, 331.]. Als er al een onderscheid bestond tussen de rekenboeken van de cameraars en de “stadsrekenboeken” die soms genoemd worden, zullen met de eerstgenoemde categorie sinds 1386 de maandrekeningen (zie verderop) en voordien wellicht ook de kladrekeningen bedoeld zijn, met de tweede de netversies.

|pag. 217|

______ ↑ ______

     Aanvankelijk – vermoedelijk al in 1339, zeker sinds 1340 – waren er gedurende elk boekjaar twee sessies tijdens welke de cameraarsrekeningen gecontroleerd werden, te weten in juni/juli en november/december46 [46. CRD I, 15 (1337), 49, 54 en 57 (1339), 85, 88-89 (de sessie vond plaats in het wijnhuis Vreden), 101 (1340), 259 (1350). Voorbeelden van afwijkende data zijn 26 september 1345 (ib., 241), 5 oktober 1368 (CRD III-2, 129) en 11 augustus 1385 (CRD VI, 212). De zomer- en wintertermijnen werden ook gehanteerd als ijkpunt voor de vaststelling van de hoogte van het schepen- en raadsledenemolument bij voortijdig overlijden, cf. de volgende rekeningpost uit 1383: “So en rekent Johan die Hoyer [cameraar] gheen gheelt Gheride Stureman ghegheven bi onser scepen ghehiete, want hi ghestorven was eer hi na der lester rekeninghen weder up der stadhues quam”.
Twee andere, in dat jaar overleden raden kregen elk tien pond (“vor hoer loen na den belope dat sie den raet bezeten”), waar vijftien pond het reguliere jaarbedrag voor raadsleden was (ib., 96).]
. Hiervóór zagen we dat deze gewoonte aan het eind van de 14de eeuw ook bij de overige raadsambten in zwang kwam. Sommige zittingen strekten zich uit over verscheidene dagen of vielen op verschillende, maar vlak op elkaar volgende dagen. De controle was steeds een zaak van het gehele schepencollege, dat derhalve gedurende een boekjaar tweemaal de vinger aan de pols hield. De derde afhoring, in februari/maart (dus geregeld vallend in het volgende boekjaar), was de definitieve en heette ook wel “ultima computatio” of “de grote rekening”47 [47. CRD I, 70 (1339, niet nader gedateerd), 97 (d.d. 8.3.1341); CRD VI, 233 (d.d. 21.3.1386). De vermelding van een vierde rekening in 1367 is wel een vergissing van de rekeningschrijver (CRD III-2, 44, de andere twee op 28 en 34).]. Zij speelde zich eveneens in besloten schepenkring af, hetgeen fraai weerspiegeld wordt in de in 1347 gebezigde toevoeging “computaverunt [sc.scabini] intra se” (=zij [de schepenen] hebben onder elkaar gerekend)48 [48. CRD I, 307 (de cursivering is van mij, JFB).]. Wellicht mogen we hierin een reminiscentie zien aan de oudste, mondelinge fase van het stedelijke financiële beheer49 [49. Hierover laatstelijk Van Schaïk, “Oorsprong”, en Van den Hoven van Genderen, “Registers en rekeningen”, 171-172.]. Technisch-administratief zijn de eerste en tweede tussentijdse rekening te beschouwen als kladrekeningen. De rekening van 1370 omschrijft het aldus: “(…), daer Henric [Aerndsz, cameraar] den scepenen alle partikelen (=afzonderlijke onkostenposten) af bewyset heft in der cedelen van sire yrster rekeninghen”50 [50. CRD III-2, 288. De “partikelen” zijn de onkosten van de Deventer gezant naar de vredesonderhandelingen die dat jaar in Stralsund gevoerd werden tussen de Duitse Hanze en de Deense koning Waldemar IV.]. Het gebruik van het woord “cedel” is veelzeggend: het verwijst naar losse schriftelijke stukken. De term “afhoren” moet letterlijk genomen worden: in de kantlijn van één van de cameraarsrekeningen van 1364 is een notitie “non legatur” gemaakt bij een post over de teruggave van een opgelegde boete51 [51. CRD III-1, 342 n. 1. Cf. nog ib., 111: “do sij [de schepenen] Lubberts [Ter Poerten, cameraar] rekeninghe hadden ghehoert” (d.d. 22.9.1362).]. Normaliter las men de rekeningposten dus één voor één op.
     Een ingrijpende verandering in het financieel beheer vond plaats in 1386. Elke cameraar schreef lopende het boekjaar en in gezelschap van zijn collega, de stadsschrijver en de “wijnknechten” (wier functie schimmig is) eenmaal “zijn maand” in (overigens dat jaar alleen in de ene, niet in de andere rekening)52 [52. “do Jacob sine rekeninghe van eenre maent inghescreven hadde” (CRD VI, 311) en “do Ghert van Rysen van sijnre maent met den wynknechten gherekent ende inghescreven hadde” (ib., 312); in 1387 “dat Henric ter Brugghen sine maent inscriven hadde laten” (ib., 351), in 1388 “do Jacob sine maent inghescreven hadde van synre cameren” (CRD VII, 13). In 1396 is sprake van het inschrijven van “zijn kamer” (StRD I, 171).]. Reeds in 1394 bevatten beide rekeningen zes posten over maandrekeningen. Met andere woorden: geleidelijk drong in de periode 1386-1394 de nieuwe gewoonte van zes tussentijds opgemaakte maandrekeningen per cameraar door. De tweejaarlijk-

|pag. 218|

______ ↑ ______

[Houten rekenbord (abacus) uit de 16de eeuw. Van een dergelijk hulpmiddel zullen de Deventer cameraars zich bediend hebben bij het opstellen van hun rekeningen, specifiek bij het omrekenen van verschillende munteenheden (Germanisches Nationalmuseum, Neurenberg, HM 959).]

se tussentijdse afhoringen plus een eindafhoring bleven gehandhaafd. De dertiende maand was vermoedelijk inbegrepen in de eindafhoring. Hoewel het fenomeen van de maandrekening op zich niet onbekend was, is in de literatuur niet eerder opgemerkt dat beide cameraars elk dus een halve jaarrekening van althans de uitgaven voerden. Sinds 1396 legden de cameraars rond Sint Matthias (24 of 25 februari) ook verantwoording af aan de nieuwe schepenen en raadsleden53 [53. Ib., 186.].
Deze viel samen met de eindafhoring voor het eigen college (de “grote rekening”). Het instituut van de maandrekeningen beoogde ongetwijfeld een eind te maken aan rekensessies aan het eind van het boekjaar die zich soms, zoals in 1366, een maand lang voortsleepten54 [54. CRD III-1, 631.]. Hoe klad- en maandrekeningen zich tot elkaar verhielden, is onduidelijk. Aangezien er geen maandrekeningen bewaard gebleven zijn, zullen zij in verkorte vorm in de kladrekeningen verwerkt zijn.
     Controle in de rubrieken “hincinde” voor enkele willekeurig gekozen jaren wijst uit dat elke cameraar zijn maand inboekte op of daags na de dag dat zijn collega het stokje overnam. Bij uitzondering is dit in de cameraarsrekening letterlijk aangegeven55 [55. “do Herman Splitof, onser stad cemener, van sijnre maent die up den zelven dach uytgheng inghescreven hadde” (StRD I, 235 (1397)). Gelet op de datum hoort deze post overigens thuis in de andere rekening, die van Gelis van Arnhem.]. In de literatuur is gesteld dat na 1400 de eerste maandag na de “overdracht” van de maand de vaste dag van inschrijving werd.
Deze ontwikkeling is geïnterpreteerd als een indicatie voor toenemende verambtelijking aan het eind van de 14de en het begin van de 15de eeuw, met als kenmerken toenemende reglementering en depersonalisering met betrekking tot het bekleden van ambten en functies56 [56. De Meyer en Van den Elzen, “Oligarchie”, 6 en 11. Hoewel reeds de rekeningen van 1402 vele uitzonderingen bevatten (4:12), lijkt de maandag nadien toch inderdaad veruit de favoriete dag.]. Aanvullende

|pag. 219|

______ ↑ ______

argumenten hiervoor zijn de zoëven geconstateerde introductie van de twee maal zes cameraarsmaanden sinds 1394 en de twee keer per jaar plaatsgrijpende rekeningafhoring van de raadsbeambten sinds 1396 (zie hierboven). De verandering sinds 1386 is echter eerst en vooral een weerspiegeling van het feit dat de stedelijke boekhouding ruim een halve eeuw na haar invoering (waarover hierna meer) dermate gecompliceerd geworden was, dat een paar tussentijdse rekeningcontroles per jaar niet langer volstonden. Om overzicht op het uitgavenpatroon te houden was een snelle en regelmatige verwerking van de gegevens noodzakelijk.
     Medio 15de eeuw formaliseerde men de rekeningafhoring en de controle door de meente. In het keurboek van 1448 is een vermoedelijk in dat jaar door schepenen, raad en meente ontworpen keur opgenomen, die bepaalde dat de oude schepenen binnen acht dagen na de bestuurswisseling en nog vóór zij de sleutels aan hun opvolgers overhandigden, op hun eed verantwoording moesten afleggen aan de nieuwe schepenen van alle inkomsten en uitgaven. Bovendien waren de oude en nieuwe schepenen gehouden de dag nadat zij de “grote rekening” afgesloten hadden drie “goede mannen” uit elke wijk te laten halen, die zij alle inkomsten uit stadsdomeinen, de optellingen van de afzonderlijke bestanddelen (“particulen”) van hun uitgaven, alsook de eindsaldi lieten voorlezen. De aangewezen 24 wijkcontroleurs moesten een eed afleggen tegenover de meente, gestaafd door de schepenen, “die rekenschap ende desse puncten voirs. heymeliken te holden”57 [57. VL, 138 (de keurtekst geeft mijns inziens geen aanleiding te denken dat “de bepaling bevestigd” werd, zoals Van Kalveen, “Geschiedenis”, 50 meent). Cf. SAB, Cam., inv. nr. 21b (1450-II), fo. 8r: “doe die scepenen der meenten rekenscap gedaen hadden, die scepenen ter Steernen (…) ende die meente die in die schuere setten myd hoeren onrade …” (op de maandag voor Sint Pieter). Voorts: ib., 22f (1457-II), fo.4r: “die achte van den rade (hier: stadsbestuur) die over die rekeninge weren te maken die men die meente doen solde”. Ten onrechte geeft Van Doorninck 1452, respectievelijk 1458 als beginjaar van deze controles (CRD I, xxi en “Nota”, 5, respectievelijk “Schepenkeur”, 76).]. De rekeningcontrole door de meente speelde zich doorgaans af in herbergen58 [58. “Item, des saterdages dair nae [de datering is niet eenduidig vast te stellen], doe die scepenen der meente rekenschap gedaen hadden tot Johans huys van Ryseren, scepenen ende gemeente verteert 14 lb. 15 kr.” (SAB, Cam., inv. nr. 21j, 1454-II, fo. 7v).].
     In een concordaat van 1464 werd het toezicht vastgelegd; met terugwerkende kracht vanaf 1462 noteerde men voortaan de resultaten van de controle. Het was echter de magistraat en niet het meensliedencollege die dit register onder zich hield59 [59. Van Kalveen, “Geschiedenis”, 50. Niet alleen werd een optekening in het register gemaakt, ook zijn de rekeningen zelf sedert 1464 van een eindverantwoording jegens de meente voorzien.]. Deze reglementering was een bevestiging van een reeds langer bestaande praktijk. Al in 1460 deponeerde het stadsbestuur het saldo “by der meenten in die kiste”, een kist waarvan de sleutels overigens ook weer in handen van de magistraat waren60 [60. Acquoy, Cameraar, 7. Het is niet duidelijk of dit de “cista civitatis” is of nog een andere kist.]. Eveneens onopgemerkt bleef tot nu toe, dat het stadsbestuur reeds in 1455 de fraters van het Heer Florenshuis dertien kromstaarten betaalde “voir twe percamentes boekesken dair men der stad gelt in scriven sal dat men boven in die kiste dreget”61 [61. SAB, Cam., inv. nr. 22b (1455-II), fo. 10r. De bewoordingen van deze post laten de conclusie toe dat het fraterhuis beschikte over voorraden ongereed product, dat wil zeggen over codices die nog niet beschreven en/of verlucht waren (zie ook Koch, Zwarte kunst, 26 en 34). Het register uit 1464 geeft een indruk van deze “boekjes”: de houten platten zijn overtrokken met van stempelwerk voorzien leer, de perkamenten bladen hebben bladspiegels binnen enkele kantlijnen en doorlopers aan de boven- en de onderkant. Zie voor bestellingen van de stad bij de fraters ook hoofdstuk 4 § 4.4.]. De in 1464 verordonneerde deposito-boekhouding had dus al bijna een decennium eerder een voorloper, als uitvloeisel van een strenger

|pag. 220|

______ ↑ ______

[Autograaf van de stadsschrijver Johan I Pallas (HCO, TH, inv. nr. 264, reg. nr. 322, d.d. 12.9.1436; foto: HCO).

financieel regime dat door de meente afgedwongen zal zijn. In de “tweede” stadsrekeningen van 1451 en 1453-1456 zijn papierstroken meegebonden, waarop een geoefende hand uitgaven noteerde die nog op het boekjaar in kwestie betrekking hadden. Het opschrift luidt steeds: “Item, dit bint der stat kemeners sculdich (oppet nye) ghehaelt nae sancte Peter [volgt jaar]” of “Item, dit hebben der stat kemeners ghehadt [jaar] nae suncte Peter”. Stadsschrijver Johan Pallas voorzag deze specificaties van een slotaantekening en verrichtte dus de eindcontrole. Naar alle waarschijnlijkheid is dit een overgangsfase geweest tussen de eerste meente-controles en de invoering van registers. Het is goed denkbaar dat we hier de hand van een lid van de “24” voor ons hebben.

5.1.1. Ontstaan van de cameraarsrekeningen

Diverse theorieën trachten het ontstaan van het ambt van cameraar en de bijbehorende boekhouding, de cameraarsrekeningen, in Deventer te dateren en te verklaren. Er is om te beginnen een traditie waarin aangenomen wordt dat stadsbesturen de in hun stad gevestigde kapittels navolgden. Uiteraard verschilde het financiële beheer van kapittels van dat van steden; het gaat hier echter om de voorbeeldwerking, het aanleveren van een model. Reeds in 1792 werd een verband gelegd tussen de “financiële experts” van kapittel en stad62 [62. Dumbar, Hedendaagsche historie III-1, 156-157.]. Van Doorninck achtte in 1888 in de inleiding op zijn editie van de cameraarsrekeningen deze theorie “niet onwaarschijnlijk”63 [63. CRD I, xxviii.]. Met zekerheid sinds 1230 bekleedde één van de kanunniken van het kapittel van Sint Lebuinus de functie van cameraar van het kapittel64 [64. Looper, Inventaris Sint Lebuïnus, I. iv.]; wanneer dit college zijn financiële beheer op schriftelijke leest schoeide, is echter onbekend.
     In het bisdom Utrecht kan gewezen worden op de oudste bewaarde rekening van het Utrechtse kapittel van Oudmunster uit 129565 [65. Van Royen, “Oudste kapittelrekening Oudmunster”.]. Kende dit kapittel in 1296/1297 nog één kamer, drie jaar later vond een splitsing plaats van het goederenbezit en ontstonden een Grote en een Kleine Kamer. Een vergelijkbare ontwikkeling deed zich kort vóór 1310 voor bij het eveneens Utrechtse kapittel van Sint Jan66 [66. Van den Hoven van Genderen, “Registers en rekeningen”, 173-174 en 175 n. 14.]. Voor wat betreft Sint Lebuinus bestaat hierover vooralsnog geen duidelijk-

|pag. 221|

______ ↑ ______

heid67 [67. Volgens Looper, Inventaris St. Lebuïnus, I. iv is resultaat in deze kwestie niet gegarandeerd, gegeven de relatief ongunstige bronnensituatie. Niettemin kan verwezen worden naar de ongepubliceerde doctoraalscriptie van Van Kesteren, Ontwikkeling.]. Opmerkelijk in Deventer is de ontwikkeling van één naar twee stedelijke “kamers” en – dientengevolge – rekeningen van beide kamers sinds 1344. Of dit als versterkend argument mag dienen voor de theorie van de kerkelijke ontlening is echter nog maar de vraag. Vast staat wel dat de ontwikkeling in de wereldlijke sfeer volgde op die in kapittelkring, zoals hierna zal blijken. Het is in het licht van het voorgaande niet nodig om uit te gaan van Keulse invloed, die W.J. Alberts koppelt aan het bestaan van twee kamers68 [68. Alberts, Cameraarsrekeningen 1447, x.]. In Keulen, met zijn aartsbisschop en vele kapittels, kan zich een vergelijkbare “oversprong” van kerk naar wereld voorgedaan hebben. De “ontleningstheorie” heeft zeker aantrekkelijke elementen. Het bezwaar ertegen is dat evengoed in de wereldlijke sfeer gezocht kan worden naar modellen voor schriftelijk financieel beheer. Het gaat dan enerzijds om stadsrekeningen (oudste bewaarde voorbeeld in de noordelijke Nederlanden: Dordrecht, 1283) en anderzijds om landsheerlijke rekeningen (oudste bewaarde voorbeeld in de noordelijke Nederlanden: Gelre, 1294/1295)69 [69. Edities van Burgers en Dijkhof, Oudste stadsrekeningen, respectievelijk Meihuizen, Rekening.]. Daarnaast kan gedacht worden aan koopliedenboekhoudingen, die aan het eind van de 13de eeuw in Duitse Oostzeesteden verschijnen70 [70. Voor een recent overzicht van “koopliedenschriftelijkheid” zij verwezen naar Isenmann, Deutsche Stadt, 358-363. Pitz betoont zich in het voetspoor van F. Rörig een pleitbezorger van de theorie van de wederzijdse beïnvloeding van koopmans- en stadsboekhouding (Schrift- und Aktenwesen, 437-439).].
     Een praktisch probleem is dat de “kerkelijke ontleningstheorie” geen handvat biedt om een concreet startpunt van stadsrekeningen te bepalen. Vanuit andere invalshoeken is gepoogd daarop greep te krijgen. In hun studie naar de “verstening” van Deventer stellen De Meyer en Van den Elzen dat het stadsbestuur “vrij kort” na de grote stadsbrand in de zomer van 133471 [71. Zie voor de datering Koch, “Aantekeningen missaal”, 44. In de inventaris van het stadsarchief uit het midden van de 15de eeuw (zie hoofdstuk 2 n. 334) is onder lade 5 (betreffende Amsterdam en de Katentol) de volgende ingang te vinden: “Item, daer is noch ene claege in franceno (=op perkament) gescreven op die van Amsterdam van den vechtlic (=vechtpartij) dat die van Amsterdam inder stad van Deventer hadden inder tijt doe Deventer verbrant was (…) ende dair en is ghien datum inne” (SAB, MA, inv. nr. 4a, na fo. 230). Zonder twijfel stamt dit stuk uit 1334 (zie ook nog een ander item in deze lade uit 1334).] begonnen is met het verstrekken van subsidie op het gebruik van harde dakbedekkingsmaterialen. Op z’n vroegst zou dit in 1335 gebeurd zijn; veiligheidshalve echter dateren de auteurs de oudste, ongedateerde subsidielijsten in 1337 en 1338. Zij komen voorts tot de conclusie dat de schriftelijke verantwoording van deze subsidieverstrekking aanvankelijk los stond van de cameraarsrekeningen. Vanaf 1339 werd zij daarin geïncorporeerd72 [72. De Meyer en Van den Elzen, Verstening, 3-4. J.W. Bloemink, die ook onderzoek naar de bouwsubsidies verrichtte, kon niet ondubbelzinnig vaststellen of de beide oudste lijsten uit één jaar of uit twee jaren stammen, en houdt eveneens een datering 1337-1338 aan (schriftelijke mededeling d.d. 12.3.1996).]. Dit neemt niet weg dat aan de eindredactie waarschijnlijk ook nadien steeds een aparte administratie ten grondslag lag. Dat blijkt uit het volgende. Een losse strook papier in de cameraarsrekening van 1350 bevat informatie over dakbedekkingsmateriaal (van de hand van stadsschrijver Gevehard van Hildesheim), die niet in de betreffende rubriek in de netrekening te vinden is; in de rekening van 1361 vormt de subsidielijst – hoogst ongebruikelijk – de eerste in plaats van de laatste rubriek aan de uitgavenkant73 [73. CRD I, 268; CRD III-1, 46.]. Voorts

|pag. 222|

______ ↑ ______

zijn de subsidierubrieken in de jaren 1417-1420 door andere scribenten dan Johan van Ommen in de netrekening ingeschreven. De summae echter zijn van de hand van Van Ommen, hetgeen wijst op supervisie. Bovendien zijn in de rekening uit 1420 subsidies opgetekend die betrekking hebben op het voorafgaande jaar74 [74. StRD IV, 85-87, 134-135, 196-200, 269 (“Item, voer tyghelstiene ende decstiene in den voeriare die Gelmer betaelt heft, daer he die particule af bewiist heft…”) en 271-274. De hand van 1418 is een andere dan die uit de overige drie jaren; in de editie is alleen met betrekking tot de jaren 1417 en 1419 gesignaleerd dat een andere hand de rubriek schreef.].
     Tenslotte verdient vermelding dat stadsschrijver Johan ter Hurnen op het laatste blad van het oudste bewaarde verpachtingsregister notities maakte over bouwsubsidies, die echter niet in de cameraarsrekeningen terug te vinden zijn75 [75. Bijvoorbeeld in de wijk Overstraat: Albert van Wechele 2.500 stuks “deksteen” à drie pond en Peter Andriesz 700 stuks voor vijftien schellingen. Eerstgenoemde komt in de rekeningen alleen in 1373 voor (CRD IV, 2), de tweede figureert in de periode 1382-1398 in de subsidierubrieken, echter in verband met een pand in de wijk Engestraat (De Meyer en Van den Elzen, Verstening, 140). Voor het verpachtingsregister, zie hierna § 5.2.2.1.]. Het is gissen naar de achtergrond van deze optekening op deze plaats.
     Het verdwijnen van de subsidierubriek na 1425 (of 1426, voor welk jaar slechts één van beide rekeningen beschikbaar is) betekent vermoedelijk dat het stadsbestuur de subsidie toen afschafte76 [76. In de eerste rekening van 1424 is een rubriek “van koren der stat vervallen ter scepen claringe van tygelstiene” opgenomen. Hierin figureren vier personen voor wisselende aantallen stenen en bedragen (StRD IV, 416, aansluitend op de boetelijst). Omdat er sprake is van boetes, gold kennelijk nog in dat jaar regelgeving terzake van “verstening”. Weerspiegelt de rubriek een laatste versteningscampagne vanwege de stedelijke overheid?]. Er zijn in ieder geval geen aanwijzingen dat zij gecontinueerd is. Veelzeggend is ook het ontbreken van informatie over verstening of zelfs, in breder perspectief, brandbestrijding, in het keurboek van 1448. Wellicht vonden dergelijke bepalingen een plaats in specifieke administraties als de eerder besproken inventarisaties van plaatsen met een verhoogd risico op brand77 [77. Zie hoofdstuk 3 § 3.5. Een rekeningpost als “bi unser scepen ghehieten Iohan Gerwin weder ghegheven siin pand dat hem af ghepant was voer strodack, want daer anders nyemant omme en goelt, dat stont voer 5 lb.” (StRD III, 121 (1413)), doet vermoeden dat er regelgeving op dit terrein was.]. Koch werpt de vraag op of de subsidieregeling niet ook al vóór de brand van 1334 bestond, maar blijft het antwoord schuldig. “Oudere rekeningen zijn immers, waarschijnlijk juist door die ramp, niet meer voorhanden”, schrijft hij78 [78. Koch, “Bouwactiviteiten”, 203. Enkele jaren later dateerde Koch de twee oudste subsidielijsten zonder nadere toelichting omstreeks 1336-1337 (Koch, Bergkwartier, 15).]. Argumenten voor de veronderstelling dat rekeningen van vóór 1337 bestaan hebben, voert deze auteur echter niet aan.

Recent hield Schneider zich bezig met het thema van het ontstaan van de Deventer stadsrekeningen. Mijns inziens ten onrechte vat deze auteur de beschouwingen van De Meyer en Van den Elzen samen als legden zij “eine zeitliche Verbindung zwischen dem Wiederaufbau der Stadt nach einem großen Brand im Jahre 1334 und dem Entstehen der ersten Rechnung 1337 (…)”79 [79. Schneider, Deventer, 24; zo ook Van Schaïk, “Oorsprong”, 150.].
Dat de rekening van 1337 “de eerste” is, beweren deze auteurs nergens. Hun beschouwingen bieden ruimte voor de opvatting dat er oudere rekeningen waren, maar laten de kwestie feitelijk in het midden. Volgens hen wijst de snelle ontwikkeling van de rekeningen na 1337/1339 van een “primitieve opzet” tot een “overzichtelijke verantwoording van een belangrijk deel van de huis-

|pag. 223|

______ ↑ ______

[Het eerste blad van de oudste voorhanden cameraarsrekening, 1337. Het handschrift is van de stadsschrijver Jorden Mathijsz (SAB, Cam., inv. nr. 1a; foto: SAB).]

|pag. 224|

______ ↑ ______

houdelijke stadsfinanciën” erop dat de stedelijke boekhouding “nog niet zolang als één geheel werd gevoerd”80 [80. De Meyer en Van den Elzen, Verstening, 2-4.]. Vervolgens construeert Schneider een verklaring voor het ontstaan van de rekeningen – namelijk de noodzaak tot controle van de financiën – die hij toeschrijft aan De Meyer en Van den Elzen. Dan is het nog slechts één stap naar een afwijzing van de “brandthese” van beide auteurs op grond van het feit dat de rekening van 1337 veel meer omvat dan alleen een verantwoording van de uitgaven aan dakbedekkingssubsidie81 [81. Schneider, Deventer, 25.].
     Schneider stelt vast dat de “Art der Abrechnung (namelijk naar burgemeestersmaanden) und die ausgereifte innere Struktur” van de rekening van 1337 op een langere traditie van optekening van financiële zaken wijst. Schneiders premisse is dat de verschriftelijking van de stedelijke boekhouding samenhangt met “intrastedelijke revoluties”. Een dergelijke omwenteling voltrok zich volgens hem tussen 1315 en 1319. Rijke kooplieden zouden toen het “oude patriciaat” afgelost hebben. De nieuwe bestuurselite was bekend met het fenomeen boekhouding en bovendien haar standgenoten verantwoording verschuldigd bij het beheer van de stadsfinanciën. In de periode circa 1320-1337 zouden de stadsrekeningen zich ontwikkeld hebben van chronologische optekeningen tot gestructureerde rekeningen82 [82. Schneider maakt gebruik van de typologie die M. Mersiowsky in zijn dissertatie ontwikkelde. Deze heeft betrekking op territoriale en niet op stadsrekeningen. Van een “allgemeine Geschichte der Rechnungslegung” (Schneider, Deventer, 26 n. 13) is geen sprake, integendeel: Mersiowsky waarschuwt juist tegen een vergelijking tussen stads- en territoriale rekeningen, zolang een systematische inventarisatie en analyse van de eerste categorie ontbreekt (Mersiowsky, Anfänge, 344).]. Tenslotte betoogt Schneider dat de overlevering van de Deventer stadsrekeningen niet toevallig begint in 1337. In zijn visie was de Gelderse graaf Reinald II, die sinds begin 1336 het Oversticht (met uitzondering van Kampen) in pand hield, een moderne vorst die overzicht wilde hebben over de financiën van zijn pandgebied. Daartoe moesten stadsrekeningen vanaf 1337 in schriftelijke vorm voorhanden zijn83 [83. Schneider, Deventer, 28-29 en 73. De opmerking dat in 1339 de opzet van de cameraarsrekeningen veranderde van een verantwoording per (burgemeesters-) maand naar een puur “inhoudelijk-gelede” lijkt mij voor discussie vatbaar. De rekening van 1337 kent al diverse aparte “inhoudelijk-gelede” rubrieken. Voorts koppelt Schneider de veronderstelde verandering in 1339 wel erg gemakkelijk aan de structuur van de stadsrekeningen van Arnhem en Nijmegen (voorhanden sinds achtereenvolgens 1353 en 1382). De tabel op p. 29 n. 26 kan mij niet overtuigen; stedelijke inkomsten- en uitgavencategorieën kwamen in hoge mate overeen (zie ook Alberts, Minderaa en Van der Vegt, “Overrentmeestersrekening Zutphen 1472-1473”, 2 n. 2).].
     Tegen Schneiders visie is een aantal bezwaren aan te voeren. Het is allereerst onduidelijk wie deel uitmaakten van de “oude” en de “nieuwe elite” en waarom de “oude elite” niet evengoed vertrouwd geweest zou zijn met rekeningen. Zonder een prosopografie van het Deventer patriciaat blijft Schneiders reconstructie op dit punt speculatief84 [84. Schneider, “‘Ghemyente’”, 14-15 verlaat zich op Dumbars lijsten van bestuurders. Het argument dat van de zeventien schepenfamilies uit de 13de eeuw er slechts drie in de koopmansgilderol zijn te traceren mist een stevige grondslag.]. Baseren we ons op oorkonden (de enige bron die voor dit doel ter beschikking staat) om namen van schepenen en/of raadsleden uit het eerste kwart van de 14de eeuw te achterhalen, dan vinden we er in 1310 vijf, in 1315 één, in 1320 twee en in 1325/1326 tien. Maximaal veertien geslachtsnamen laten zich onderscheiden85 [85. SAB, HG, nr. 10; Immink en Maris, Registrum Guidonis, 139-140 nr. 134; HCO, TH, inv. nr. 267, reg. nr. 82; OO IV, nr. 788 (d.d. 9.12.1325; bisschopsoorkonde, gegeven te Deventer (naar Dumbar, Kerkelyk en wereltlyk Deventer I, 258,letternoot i)); HCO, TH, inv.nr. 268, reg.nr. 87 (d.d. 19.1.1326); ib., inv. nr. 269, reg. nr. 88 (d.d. 20.1.1326; bisschopsoorkonde, gegeven te Deventer); Berkelbach van der Sprenkel, Regesten, nr. 687 (d.d. 23.1.1326; afschrift); ib., nr. 688 (d.d. 24.1.1326; afschrift). Het gaat om de volgende families (deels expliciet genoemd, deels met zekerheid of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te bepalen via overdracht van doopnamen): Bivanc (Johan), Ten Brinke (Jacob zoon van heer Gise), Van Kampen (Wolbert), Monnik (Dirk), Munter (Wenemar Egidiusz), Op de Berg (Geert Odozoon), Van Renen (Johan), Scevinc (Hendrik), Splitof (Herman), Spronc (Geert), Ten Stocke (Lambert en Rudolf/Rolof), Wisecoep (Jacob). Monnik (Monachus) is vermoedelijk een bijnaam; in dat geval blijft de familienaam verborgen. Het is zeer de vraag of Van Oxe tot de schepenfamilies behoorde (contra Schneider, “Ghemyente”, 15 n. 14; zie ook hoofdstuk 2 n. 201). Niet nader te identificeren zijn Dirk Soetenzoon (1310) en Hademan Wernersz (1320, een Van Heeten?). Het matroniem (op zich al opmerkelijk) “Soete” is niet zonder meer aan deze of gene familie te koppelen. De familie Van Apeldoorn lijkt nog het meest in aanmerking te komen.]. Zelfs als we ervan uitgaan dat in de tijdsspanne 1310-1325/1326 steeds dezelfde 24 per-

|pag. 225|

______ ↑ ______

sonen de schepen- en raadscolleges bemanden, kennen we dus niet alle namen86 [86. In dit licht verliest Schneiders opmerking aan gewicht dat geen van de vóór 1315 optredende schepenen na 1319 deze functie nog vervulde (‘“Ghemyente”’, 15 n. 16).]. De frequentie en het totale aantal namen zijn te beperkt om vergaande conclusies over politieke verschuivingen op te baseren. Een omslag in het begin van de 14de eeuw laat zich althans langs deze weg dan ook niet traceren. Wel is er in hoofdstuk 2 op andere gronden op gewezen dat zich rond 1318 bestuurlijke veranderingen afspeelden. De precieze omstandigheden zijn evenwel niet te achterhalen87 [87. Zie § 2.4.].
     Schneiders theorie van de Gelderse invloed lijkt op het eerste gezicht overtuigend, zeker wanneer bedacht wordt dat de rekeningen van de Gelderse drost van Twente over de periode 20 maart 1336-2 december 1339 bewaard gebleven zijn88 [88. Muller, “Rekeningen drost Twenthe”.]. In tweede instantie echter laten zich ook bij deze constructie vraagtekens plaatsen. Om te beginnen legt Schneider niet uit waarom alle rekeningen uit de periode circa 1320-1336 verdwenen zijn. Evenmin verklaart hij waarom de rekeningen uit de tijd van het Gelderse pandschap geen enkele aanwijzing of notitie over Gelderse controle bevatten. Daar komen nog andere bedenkingen bij. Reinald II was al op 30 augustus 1335 de facto aangetreden als regent in het Oversticht89 [89. Schneider, Deventer, 78.]. Drie jaar voordien was Willem Pelgrimsz van Zutphen – een “Geldersman” derhalve90 [90. Een aantal oorkonden uit de jaren vijftig van de 14de eeuw in het archief van het Zutphense gasthuis Bornhof werpt licht op Willem en zijn familie; SSZ, Bornhof, inv. nr. 752, reg. nr. 25 (1352); inv. nr. 609, reg. nrs. 32, 33 en 33a (1356); inv. nr. 795, reg. nr. 40 (1359). Het zou interessant zijn om na te gaan of er banden waren tussen Willem en de Gelderse graaf en of Willem door familiebanden gelieerd was aan de Sallandse adel. Schneider, Deventer, 74 benadrukt de verbondenheid van de Gelderse en Sallandse adel in de 14de eeuw.] – rentmeester van Salland. In januari 1333 legde Willem ten overstaan van bisschop Jan III van Diest en diens raadsheren in Deventer schriftelijk verantwoording af. Vier dagen daarna ontving hij het rentmeestersambt in pand91 [91. Muller, Registers en rekeningen I, 410-412. Merkwaardig is overigens dat de bisschop hetzelfde ambt (plus de schoutambten van Salland) op 24 december 1332 verpandde aan heer Walraven van Bentheim (ib., 414).].
Deze verpanding was ongetwijfeld een gevolg van het feit dat de bisschop al sinds de late jaren twintig bij Willem in het krijt stond92 [92. Ib., 201 en 298 (respectievelijk 1328 en 1330).]. Op 1 augustus 1335 vaardigde Willem als rentmeester van Salland een oorkonde uit met betrekking tot de verkoop van nieuw gewonnen land in de marke van Tjoene93 [93. SAB, HG, nr. 21 (in het Middelnederlands).]. Willem Pelgrimsz was niet de eerste bisschoppelijke rentmeester van

|pag. 226|

______ ↑ ______

Salland die een boekhouding voerde; dat was minstens sinds november 1322 usance94 [94. OO III, nr. 744 (testament van bisschop Frederik, opgemaakt door een openbare notaris “in camera nostra supra castrum de Horst” op 19 juli (vidimus)); voorts Cappon, Opkomst testament, 297-298. Een voorbeeld uit 1325, toen het rentmeesterschap van Salland en Twente in personele unie verenigd was, is te vinden in Muller, Registers en rekeningen I, 11-12 nrs. 12-13. Begin oktober 1322 stelde het Domkapittel een kanunnik van Sint Lebuinus aan als rentmeester van Salland, die voor de duur van de sedisvacatio rekening en verantwoording moest afleggen aan het Domkapittel, daarna aan de nieuw geïnstalleerde bisschop; OO VI, nr. 1555 (746bis).]. In ieder geval wat betreft de territoriale rekeningen was men in het Oversticht dus geenszins afhankelijk van geïmporteerde Gelderse kennis. Bisschop Jan van Diest was als landsheer een even nijvere administrator als zijn Gelderse evenknie. Los hiervan is zoëven al gewezen op de waarschijnlijkheid van een wisselwerking tussen de schriftcultuur van kooplieden en die van de stad.
     De veronderstelling dat schriftelijke boekhouding in 1337 afgedwongen werd, is in het licht van het navolgende al evenmin steekhoudend. Van de tot nu toe genoemde auteurs maakt alleen Van Doorninck melding van het feit dat Dumbar informatie ontleent aan rekeningen uit 1332 en 133695 [95. CRD I, xxviii; Dumbar, Kerkelyk en wereltlyk Deventer I, 61 (1336) en 443 letternoot f(1332).]. Daaraan valt nog een verwijzing van Dumbar naar een rekening uit 1335 toe te voegen96 [96. Dumbar, Analecta II, *3: “Legimus enim in Libro Rationum anni millesimi trecentesimi trigesimi quinti: Item, pro vacatione Camerariorum in Camera Secreta (…) ad seponenda instrumenta publica illius anni iv. canthari vini” en idem. Tegenwoordige Staat III-l, 157, waar opgemerkt wordt dat de rekening niet de indruk wekt de eerste te zijn.].
Daarnaast haalt Dumbar enkele gegevens uit 1316, 1324 en 1326 aan, die hetzij aan een register, hetzij aan stadsrekeningen ontleend zouden kunnen zijn. De auteur specificeert zijn bronnen in dit geval echter niet en dat kon ook niet, want hij baseerde zich op aantekeningen die hij in het stadsarchief aantrof97 [97. Zie hoofdstuk 2 n. 188.]. In die gevallen waarin Dumbar zijn informatie uit stadsrekeningen betrekt, geeft hij dat doorgaans expliciet aan. De status van deze gegevens is mijns inziens te onzeker om ze hier te kunnen benutten. Uiteraard staat of valt de speurtocht naar het startpunt van de cameraarsrekeningen met de geloofwaardigheid van Dumbars mededelingen over oudere rekeningen. Dat deze niet meer voorhanden zijn zegt niet zoveel; in de algemene inleiding is over de diaspora van de door Dumbar benutte archivalia al een en ander medegedeeld.
     Het staat wel vast dat een rekening over het boekjaar 1336 bestaan heeft, aangezien er in de aanhef van de rekening van 1337 naar verwezen wordt98 [98. “Primo, de scabinis antiquis in computatione dictis camerariis datis et dimissis 219 s. 8 den.” (CRD I, 1).]. Bovendien is aan het eind van de rekening van 1340 een naar personen gespecificeerde inkomstenrubriek opgenomen betreffende de verpachting van stadsdomeinen op Petrus ad Cathedram 1336, het reguliere beginpunt van het Deventer boekjaar99 [99. “Anno domini Mccc tricesimo sexto a die beati Petri ad cathedram isti infrascripti conduxerunt terram civitatis iacentem apud Weechlo possidendam et utifruendam ad viginti annos a dat[…] pr[…] computandum” (CRD I, 109). In totaal ging het om 56 lb. 4 s.]. Aangezien dezelfde inkomsten in de cameraarsrekening van 1337 als totaal onder de inkomsten uit “renten” (dat zijn pachten, tijnzen en dergelijke) te vinden zijn100 [100. “Item, de censu terre in Weghelo 57 lb. 4 s.” (ib., 7). Het pond verschil zit mogelijk in de vier kapoenen die in 1336 door een particulier op Carnisprivium (rond Vastelavend) verschuldigd waren, maar niet in de berekening opgenomen zijn.], heeft de rekeningschrijver deze gegevens hoogstwaarschijnlijk ontleend aan een verpachtingsregister.
Zoals nog zal blijken, lagen dergelijke registers ten grondslag aan de cameraars(net)rekeningen,

|pag. 227|

______ ↑ ______

zodat ook langs deze indirecte weg aannemelijk gemaakt kan worden dat de schepenen (hoogstwaarschijnlijk al: de cameraars) in 1336 een boekhouding voerden.
     Ervan uitgaande dat Dumbar daadwerkelijk een cameraarsrekening uit 1332 raadpleegde, kunnen we met enige voorzichtigheid aannemen dat men in Deventer circa 1330 begonnen is met het voeren van een centrale stedelijke boekhouding. Voor een eerder aanvangstijdstip zijn vooralsnog geen bewijzen aan te dragen. Een specifieke verklaring of aanleiding voor een start rond 1330 dient zich niet aan. De algemene theorieën over het ontstaan van stadsrekeningen bieden geen houvast in het geval van Deventer101 [101.
Samenvattend hierover: Kuppers, Stadtrechnungen Geldern, inleiding 37-39.]
. Een alternatief verklaringsmodel dringt zich op: gegevens uit verschillende bestaande deeladministraties zijn geleidelijk en in enigerlei vorm gebundeld, waardoor een centrale boekhouding tot stand kwam. In Deventer kan met name gedacht worden aan de administratie van de Katentol (mogelijk al vanaf 1241, met enige waarschijnlijkheid sinds de vroege 14de eeuw, zie hierna), inkomsten uit rechtspraak, verkoop en verpachting van stedelijke domeinen en infrastructuur (sinds 1274/1324102 [102. In 1274 beoorkondden schepenen en raden de verkoop van een “maat” in het stadsdomein Gebbengoor door een echtpaar aan het gasthuis van de H. Geest (zie hoofdstuk 2 n. 203). Het door schepenen en raden opgestelde statuut van het vleeshouwersgilde uit 1324 schreef voor dat de gildemeesters “oec onsen tijns ende der Stad van Deventer, dien hoer broederen der stad van den vleysschhuys of bancken alle jare schuldich sin te gheven, werven dat die betaelt weerde de Stad van Deventer van horen broederen up die hochtijt sente Martijns in den winter” (geciteerd naar de Middelnederlandse vertaling in Dumbar, Kerkelyk en wereltlyk Deventer I, 43). In dit jaar kunnen overzichten van inkomsten uit verpachting (te denken valt met name ook aan de verhuur van lakenkisten tijdens jaarmarkten) al in zwang geweest zijn.], zie hierna) en salarissen van functionarissen in dienst van het stadsbestuur (minstens sinds 1331?103 [103. In een oorkonde van 8 mei van dat jaar staat het volgende: “… quod nos [scabini et consules] Johannem filium Reijneri, exhibitorem presentium, nostrum nuntium et nostri hospitalis sancti Spiritus, fecimus et ordinavimus procuratorem”, en wel voor de duur van een jaar om schenkingen voor het gasthuis te innen. Ruim drie jaar later vervulde een (dezelfde?) bode Johan een vergelijkbare taak nadat het gasthuis door een grote stadsbrand verwoest was (SAB, HG, nrs. 18 en 20).]). Te denken valt ook aan stedelijke verantwoordingen van bisschoppelijke bedes, bijvoorbeeld in 1331 (zie verderop). De noodzaak tot samenvoeging van de informatie uit al dergelijke afzonderlijke administraties ontstond toen het overzicht over het geheel verloren dreigde te gaan. Dat moment brak in Deventer aan omstreeks 1330, uiterlijk in 1336. Daarbij kan het doorbisschop Jan van Diest in de jaren 1325-1330 in het Oversticht geïnstitutionaliseerde ambtelijke rekeningwezen als inspiratiebron gediend hebben104 [104. Zoals dit naar voren komt uit Muller, Registers en rekeningen I. Schneider, Deventer, 154 merkt op dat alle afhoringen van overgeleverde rekeningen van bisschoppelijke ambtenaren in de jaren twintig en dertig in Deventer geschiedden en dat de stad dit “Privileg” medio 14de eeuw verloor. Terecht tekent hij hierbij aan dat van directe betrokkenheid van de schepenen begin 14de eeuw niets blijkt. Dit veranderde bij het aantreden van bisschop Florens van Wevelinghoven. Van Schaïk, “Oorsprong”, 157 veronderstelt op grond van de situatie elders dat in Deventer vóór 1337 de rekeningen in rolvorm werden bijgehouden.].
     Een verklaring die de tussen 1460 en 1492 werkzame stadsschrijver Steven Jorwerd in een onbekend jaar aflegde ten behoeve van het Twentse klooster Albergen (bij Almelo), lijkt een veelbelovende mogelijkheid te verschaffen om greep te krijgen op het tijdstip van ontstaan van de cameraarsrekeningen. Zij luidt als volgt: “lck Steven Ierwert, secretarius der stat van Deventer, bekenne dat ic in olden registeren van rekenscappen bevonden hebbe nae den olden paymente over hondert ende anderhalfhondert iaren, dat in den selven registeren der stad van Deventer vors.

|pag. 228|

______ ↑ ______

berekent was dat driehondert marck Brabants makeden tot ponden soevenhondert ende twintich.
Ende dat voert afghetogen (=gereduceerd) een hondert mark Brabants maken twe hondert ende vijrtich pont. Noch voert an afgetogen dat tien mark Brabants maken vierendetwintich pont. Ende ten eende ende latesten ene marck Brabants maket twe pont acht schillinge. Item, tweelef penninge maken enen schilling. Ende twintich schillinge maken een pont. Ende dit heb ic uut ghebiede ende beveel mynen eersamen heren der stat van Deventer onder myns tselves hantscrift van my gegeven”. Deze tekst is in afschrift overgeleverd in een cartularium van het klooster105 [105. HCO, klooster Albergen, inv. nr. 2, p. 8.]. De kloosterlingen zaten om de informatie verlegen met het oog op een van oudsher in marken uitgedrukte pacht die zij inden. Na Jorwerds verklaring heeft de kopiist nog enkele omrekeningen genoteerd106 [106. “Item, i marck Brabants facit ii lb. viii schillinge. Een ½ marck Brabants facit i lb. iiii schillinge. Item, i pont maket xvi stuver ende iiii schillinge makent omtrent vi ½ stuver”.], terwijl een andere hand een aantekening toevoegde over munten in 1399. De verklaring van Jorwerd staat op de versozijde van een perkamenten blad dat op de rectozijde soortgelijke aantekeningen over munten en hun onderlinge waardeverhouding bevat. Deze dateren uit achtereenvolgens 1328, 1333, 1335 en 1324 en zijn ontleend aan passages uit oorkonden. Het afschrift van Jorwerds verklaring volgt direct hierop.
     De rekeningpost waarop Jorwerd zijn berekening van de waarde van een mark Brabants stoelde, is te vinden in de cameraarsrekening van 1339107 [107. “Item, a dominis de vino ccc mare, facientes in libris viic lb. xx lb.” (CRD I, 41).]. Jorwerd had zijn gegevens evengoed kunnen afleiden uit twee posten in de cameraarsrekening van 1337108 [108. “Item, Johanni Werneri primo ad structuram et pro structura domorum xii marcas valentes xxviii lb. xxv s. ut patet in partibus” en direct daarop volgend: “Item, Reynero Reyneri primo ad structuram predictam ix marcas valentes xxi lb. xii s.” (ib., 22-23).]. De hamvraag is nu: was hij liever lui dan moe en zocht hij een relatief gemakkelijk om te rekenen post, of was in de tweede helft van de 15de eeuw de cameraarsrekening van 1339 de oudste die ter secretarie voorhanden was? Het laatste zou betekenen dat de rekening van 1337 en oudere exemplaren elders lagen, hetgeen hun verdwijning kan verklaren. Het ging vermoedelijk om slechts enkele verdwaalde rekeningen; als het er veel geweest waren, zouden ze immers eerder in een centrale bewaarplaats gedeponeerd zijn109 [109. Dat de rekeningen op een vaste plaats in het stadhuis werden bewaard, blijkt uit de volgende rekeningpost: “(…) bi den cemeners mit den scrivers vor cost do sie te zamen verteerden up onser stad hues die wyl tyts dat sie overlegheden onser stad rekenboke van dertich jaren herwart, omme te weten wes onse stad uytghegheven hadde omme des Stichts zaken” (CRD VII, 331).]. Wat hiervan zij, de door Jorwerd aangeleverde informatie was relatief jong, vergeleken met de door het klooster uit eigen oorkondenschat vergaarde gegevens. Was dat de reden dat Jorwerd in zijn verklaring geen concreet jaar noemde, maar het globaal hield op rekeningen van “over hondert ende anderhalfhondert iaren” oud? Nemen we het laatste letterlijk, dan stelde hij zijn onderzoekje in 1489 in. Al met al blijkt dat uit deze aantekening helaas niets naders afgeleid kan worden omtrent het startpunt van de Deventer cameraarsrekeningen. Wel is duidelijk dat men er in een wijde omgeving van op de hoogte was dat het stadsarchief van Deventer oude rekeningen herbergde.

|pag. 229|

______ ↑ ______

[Bladzijde uit een verpachtingsregister dat de tweede helft van de 14de eeuw beslaat (SAB, Cam., inv. nr. 226; foto: SAB).]

5.1.2. Cameraarsregisters

De cameraarsrekeningen werden, zoals gezegd, gevoed met gegevens uit diverse bron. Direct aan de cameraars te relateren zijn verpachtingsregisters110 [110. Deze term lijkt me adequater dan de door Kohl, Ahlen, xi voor een naar functie goed vergelijkbaar register gehanteerde omschrijving “städtische Heberegister”. In het register uit Ahlen (Westfalen) hield men verpachtingen van stadsland (“Lotland”) bij, en daarnaast nog andere renten in de zin van regelmatige jaarlijkse inkomsten (inclusief “Passivrenten” voor stadsschulden). De term “Heberegister” wordt doorgaans gereserveerd voor kerkelijke goederenadministraties (speciaal in de vroege en volle Middeleeuwen) en dekt bovendien in Ahlen de lading niet.], pandboeken, burgerregistraties en belastingkohieren. Zij zullen hierna afzonderlijk besproken worden.

5.1.2.1. Verpachtingsregisters

In de verpachtingsregisters noteerden stadsschrijvers verpachtingen van stedelijke bezittingen als grond, water, gebouwen, en dergelijke. In de inventaris van het archief van de cameraars is het oudste bewaard gebleven exemplaar van een pachtregister opgenomen als “manuaal tweede helft veertiende eeuw”111 [111. SAB, Cam., inv. nr. 226.]. Deze omschrijving is niet precies genoeg. Het gaat in dit register specifiek om verpachtingen, soms ook om geheel andere informatie, zodat de in de hedendaagse archivistiek gebruikelijke technische termen manuaal noch memoriaal voldoen112 [112. Een manuaal is in archivistische termen een register waarin onder hoofden van rekening aantekening van inkomsten en uitgaven is gehouden (De Booy e.a., Lexicon, 42 nr. 82); in een oudere definitie: “een register, waarin een rekenplichtig ambtenaar zijne ontvangsten en uitgaven aanteekent onder de hoofden, waarin hij ze later in zijne rekening zal verantwoorden” (Van der Gouw e.a., Archiefterminologie, 11). Voor “memoriaal”, zie hoofdstuk 2 n. 183.]. In het navolgende heet het

|pag. 230|

______ ↑ ______

gemakshalve kortweg “verpachtingsregister”, hoewel ook deze vlag de lading niet geheel dekt. Dit oudste bewaarde exemplaar is van perkament en bestaat uit een omslag en zeven bladen, waarvan één eruit gesneden is. Aan de bovenzijde is het register zwaar beschadigd. Op het omslag zijn niet- eigentijds twee jaartallen genoteerd: 1368 (doorgehaald) en 1352. De vroegste datum in het register is 1353 (niet alle genoteerde verpachtingen zijn gedateerd). De vele doorhalingen en toevoegingen in persoonsnamen, bedragen en jaren tonen aan dat het een register was dat men doorlopend bijhield. Ook geradeerde aantekeningen komen voor113 [113. Uitzonderlijk is de nummering van de notities in de linkermarge op fo. 4r.]. Alle verpachtingen lopen parallel met het bestuurlijk-financiële jaar, dus van 22 februari tot 22 februari. Voor verpachting en verhuur zijn de werkwoorden “locare”, “exponere” en “inpensionare” gereserveerd.
     Het handschrift op de eerste vijf pagina’s is dat van de stadsschrijver Gevehard van Hildesheim, die sinds 1344 ook de cameraarsrekeningen schreef. Op een paar opengelaten plaatsen en vanaf bladzijde zes komt het handschrift voor van Gevehards opvolger Johan ter Hurnen114 [114. SAB, Cam., inv. nr. 226, fo. lv (1363) en 3r (1361).]. Net als in de cameraarsrekeningen nam hij het schrijfwerk vanaf 1361 van Gevehard over, en net als in de cameraarsrekeningen schakelde hij van het Latijn over op het Middelnederlands (slechts één aantekening op bladzijde twee is in het Latijn gesteld). Een verandering is ook dat Ter Hurnen niet alleen verpachtingen noteerde, maar tevens bepalingen inschreef over het tijdstip van de verpachting van kooltuinen, de verhuur van lokaties voor vleeskramen en dijk- en landonderhoud115 [115. Ib., fo. 5v (1383), respectievelijk 3v (met toevoegingen uit het tweede kwart van de 15de eeuw).]. Verder maakte hij losse notities over een lening van de stad aan een particulier en het uitlenen van wapentuig en munitie aan de kastelein van Diepenheim116 [116. Ib., fo. 6r en 7r. Dit type aantekeningen is ook te vinden in de pandboeken en het “olde copienboick” (SAB, MA, inv. nr. 4a).]. Op een van de pagina’s verschijnt de hand van Hendrik van Wijk, die Ter Hurnen verving bij afwezigheid117 [117. SAB, Cam., inv. nr. 226, fo 6r (1369). Op bladzijde 6v schreef een ongeoefende hand – kenmerkend is de verwisseling van “v” en “w” – een naam in (ca. 1381). Zie bijlage 4 voor Van Wijk.]. Tenslotte schreef een onbekende omstreeks 1370 (zie verderop, 5.1.2.4, Belastingen) een bladzijde vol met 45 naar wijk uitgesplitste namen van personen die de stad geld leenden, terwijl een bladzijde verder de enige notitie van stadsschrijver Johan van Ommen staat over een transactie in de stadswissel in 1395118 [118. SAB, Cam., inv. nr. 226, fo. 8v en 9r.]. Daarna volgen twee bladzijden aantekeningen over een lening van burgers ten behoeve van reparatie of nieuwbouw van een watermolen (1379/1380) en een verantwoording van bouwsubsidies119 [119. Ib., fo. 9ven 10v-llv. De lening voor de watermolen hangt samen met een tweetal posten van respectievelijk 1 en 4 september 1379: “do sie [vier bestuurders] gheseten hadden ende ontfenghen dat gheelt dat onse burgher lienden ter tymmeringhen an die watermolen” en “do sie [twee bestuurders en stadsschrijver Johan ter Hurnen] zeten achter up der stad hues ende ontfenghen dat gheelt van onsen burgheren ter tymmeringhen van den watermolen vor twe quaerten wijns die sie verschenkeden” (CRD V, 234-235; voorts 181-182, 192, 207 en 339-340: “Bi meyster Servaes daer sie [vier bestuurders] mede rekenen soelden van onser stad watermolen” (1380)). Bos, “Waterpas”, zet nagenoeg alle relevante rekeningposten in chronologische volgorde. Zijn conclusie is dat in 1378 een waterloop (in de rekeningen “waterpas” geheten) van het riviertje de Hunnepe naar de stad gegraven is, waarop nadien een watermolen gebouwd werd.]. Dit alles maakt duidelijk dat het register geleidelijk van karakter veranderde. Steeds meer zaken vonden een plaats die niet met verpachtingen van stedelijke domeinen en inkomstenbronnen samenhingen. Het verschijnen van toevoegingen uit de vroege 15de eeuw bewijst dat men het register ook toen nog raadpleegde. Dat is in zoverre opmerkelijk, dat Johan van Ommen in 1392 een nieuw verpachtingsregister aangelegd had (waarover hierna meer).

|pag. 231|

______ ↑ ______

nbsp;    Was 1352/1353 het startpunt van de registratie van verpachtingen? De cameraarsrekening van 1345 vermeldt de aanschaf van perkament ten behoeve van een “liber reddituum civitatis”120 [120. CRD I, 200.]. Zoals eerder ter sprake kwam, schreef men hoogstwaarschijnlijk al in 1336 verpachtingen in een register in. Het in 1345 vermelde exemplaar zou dan het volgende (tweede?) in de reeks zijn. Het jaartal correspondeert met het aantreden van Gevehard van Hildesheim in 1344. Beide registers waren relatief kort in gebruik. Het register van 1352/1353 voldeed daarentegen lange tijd, namelijk veertig jaar.
     Schneider is ambivalent over het karakter van het in 1345 vermelde register. Enerzijds beschouwt deze auteur het als op zichzelf staand (naast een door hem gepostuleerd “stadsboek van gemengde inhoud”), anderzijds lijkt hij het niet als een verpachtingsregister op te vatten, aangezien hij tevens melding maakt van de opneming van tijnsbetalingen en pachten in het “gemengde stadsboek” in 1361. Een door Schneider in dit verband aangehaalde cruciale rekeningpost luidt als volgt: “Item, des vrijdaghes op sente Agneten dach do Odo [Reynersz, cameraar] in der stad boec hadde laten zetten den tijns van den Vene ende van Borghelremersch (…)”121 [121. Schneider, Deventer, 40. Het gaat om CRD III-l, 28, welke post betrekking heeft op 21 januari 1362, dus op het boekjaar 1361.]. Een post van krap een week eerder maakt melding van kosten die de beide cameraars maakten “do sij bi Johan ter Hurnen die vorwarden van den vene in der stad boec lieten zetten ende ander saken hadden to done van der stad weghen”122 [122. Ib., 67.]. Deze voorwaarden voor de “veengenoten” zijn in het oudste bewaarde verpachtingsregister daadwerkelijk terug te vinden123 [123. SAB, Cam., inv. nr. 226, fo. 3v (ingeschreven door stadsschrijver Johan ter Hurnen). Het opschrift inclusief datum is door de tand des tijds weggeknaagd. Aangezien Ter Hurnen op de voorafgaande bladzijde in 1361 zijn eerste aantekeningen in dit register heeft gemaakt, kan veilig aangenomen worden dat het om 1361/1362 gaat.]. Dit ondergraaft Schneiders theorie van het “centrale stadsboek”, waaraan men in zijn visie steeds nieuwe secties toevoegde, totdat het geheel dermate chaotisch werd dat in de jaren zestig en zeventig van de 14de eeuw de noodzaak ontstond aparte reeksen af te splitsen. Niet alleen het “oorvedenregister”, maar ook dit verpachtingsregister overleefde de algehele opruiming ter secretarie die volgens Schneider omstreeks 1400 plaatsvond124 [124. Schneider, Deventer, 40-42.].
     Zoals gezegd, nam men in 1392 een nieuw verpachtingsregister in gebruik125 [125. SAB, MA, inv. nr. 156a. Deels uitgegeven in StRD I, 415-433, als “rentelijst”.]. Met een referentie aan het “boke van onser stad renthen” en de vermelding “alse dat register holt” in de cameraarsrekeningen van 1393 is zonder twijfel dit nieuwe register bedoeld126 [126. CRD VII, 343 (rubriek “allerhande zaken”) en 346 (rubriek “van onser stad tynse ende van anderen onser stad renthen ende upcominghen”). Hetzelfde geldt voor een drietal vermeldingen in de rubriek “van onser stad groten tynse” in de cameraarsrekening van 1397: “… alseonser stad register (daer af) begrepen heft” (StRD I, 244).]. Verantwoordelijk voor de oudste opzet ervan was Johan van Ommen. Dit (vierde?) verpachtingsregister bestaat uit vier perkamenten katernen, waarvan de eerste twee voorzien zijn van lijngaatjes (prickings) en liniëring. Deze “voorbewerking” zou kunnen wijzen op een leverantie door de fraters van het Heer

|pag. 232|

______ ↑ ______

Florenshuis. Het beginkatern telt tien bladen en bestrijkt de jaren 1406-1447. Naast het handschrift van Johan van Ommen komen enkele jongere stadsschrijvershanden voor. De inhoud betreft de verhuur van binnen de stad gelegen percelen (“lichte” en “zware” tijnzen), bogen, torens, en dergelijke, met soms uitvoerige bepalingen en condities. Het eerste – korte – deel is een algemeen, “gedepersonifieerd” overzicht van stedelijke inkomsten127 [127. Ib., 415-416. Bloemink, “Muurboog”, 210 n. 1 dateert de aanleg van dit gedeelte tussen 1398 en 1400.]. Het tweede katern telt zestien bladen en omspant de periode 1392-1465. Op de voorlaatste pagina is onderaan een kapitaal “C” geschreven. Ervan uitgaande dat dit een katernmerk is, rijst de vraag of dit katern oorspronkelijk als derde bedoeld was. Hoe dit zij, er zijn louter verpachtingen in aan te treffen van buiten de stad gelegen goederen. Als zodanig vormt dit katern de pendant van het eerste – voor zover zij elkaar in de tijd overlappen althans (periode 1406-1447). Aan de inkomstenkant van de rekeningen van de ene cameraar uit het begin van de 15de eeuw zijn deze zaken te vinden onder het kopje “van onser stad grote tijns”. Dit blijkt uit vermeldingen in de cameraarsrekeningen, waar in deze rubriek verwezen wordt naar het onderhavige register128 [128. StRD II, 30: “item, van onser stat tynse ten Brincke binnen der stat die beghint van Duvels toren, als onser stat register daer af begrijpt tot Willem Roeberts soens huys” – overigens niet als aparte rubriek (1401); StRD III, 205: “als unser stad register daer af begrepen heft” en verderop, 208 (1415). Ook de verwijzing in de cameraarsrekening van 1410 slaat vermoedelijk op het verpachtingsregister: “Item, Zeighere Mategroet te volleste sine welle (=kade) achter sinen huys te makene daer he unser stad iaerlix voer gheven sal 2 lb. ghelds iaerliker renten uyt sinen erfnissen ende huysingen die he ende siin erfgenamen hebben in Deventer, na inholt unser stad register 24 gl.” (StRD II, 511).]. In dit katern is een bepaling te vinden dat de schepenen die het stadsveen inspecteerden “mechtich weren bi den scepenen, wilcoer daer up te zetten” (=door de (collega-)schepenen gemachtigd waren, verordeningen daarover uit te vaardigen en/of boetes daarop te zetten)129 [129. SAB, MA, inv. nr. 156a, fo. 12r.]. Deze bepaling is een variatie op die uit 1362. Opnieuw volgt hieruit dat dergelijke specifieke bepalingen – eigenlijk: verpachtingscondities – niet in de keurboeken, maar in de relevante registers een plaats vonden130 [130. Te noemen is bijvoorbeeld een standaardbepaling welke van kracht was bij de verpachting van de Oertmarsch, en die de pachter vrijstelde van het betalen van (een deel van) de pachtsom ingeval van een conflict tussen de stad en het hertogdom Gelre: “Item, weert dat ene veede (=vete) were tusschen den hertogen van Gelre ende der stad van Deventer, so solde he [de pachter] onbeladen wesen van der pacht na belope der tijt”; ib., fo. 14r (1422, 1424); zie ook het vierde katern, fo. 8r. Dit zal te maken hebben met de grensligging van deze grond.].
     Er is een duidelijk onderscheid in de wijze waarop Johan van Ommen enerzijds en zijn opvolgers anderzijds in het tweede katern de verpachtingen noteerden. Van Ommen schreef met een paragraafteken gemarkeerde tekstgedeelten, waarin hij achtereenvolgens de eventuele voorwaarden, de namen van de pachters en de bedragen onderbracht. Latere handen plaatsten in deze paragrafen soms tussen- en toevoegsels. Daar waar een jongere hand het van Van Ommen overnam, verandert de structuur van de aantekeningen (datum, naam, object, termijn, bedrag, etc.). De nieuwe registratievorm is standaard geworden in het vierde katern, dat in zeventien, eigentijds gefolieerde bladen de jaren 1440-1453 bestrijkt. Nieuw, ook ten opzichte van het tweede katern, is de optekening van verpachtingen en bedragen per jaar. Dit is een duidelijke verbetering, vergeleken met de oudere manier van het doorhalen van obsolete gegevens en het bijschrijven van de nieuwe. Eveneens nieuw is de rubriek “burgerschap”131 [131. Zie hierna §5.2.2.3.]. Vergelijking van een verpachting uit

|pag. 233|

______ ↑ ______

1410 in het tweede katern met de overeenkomstige rubriek in één van de cameraarsrekeningen van dat jaar wijst uit dat de gegevens uit dit katern – zoals ongetwijfeld ook gebeurde met die uit het eerste, derde en vierde – daar in gecomprimeerde vorm een plaats kregen132 [132. SAB, MA, inv. nr. 156a, 12v-13r en StRD II, 480.].
Verpachtingsregisters vormden dus een substraat van de cameraarsrekeningen: de daarin verwerkte gegevens werden – al dan niet in geëxtraheerde vorm – in de cameraarsrekeningen overgenomen. Interessant is de functionele tweedeling tussen de eerste twee katernen van domeinen binnen en buiten de stad. Het vierde katern bevat verpachtingen van bezittingen in en buiten de stad tezamen. Onverklaard blijft de chronologische overlap tussen de verschillende katernen.
     Het verpachtingsregister van 1392 kende op zijn beurt ook weer een onderliggende administratie.
Deze bleef zeer ten dele bewaard in de vorm van twee papieren katernen, die in de inventaris van het Middeleeuws Archief aangeduid worden als “registers van processen-verbaal van verpachtingen van stedelijke inkomsten”133 [133. SAB, MA, inv. nrs. 156d en 171**.]. Beide werden door Johan van Ommen geschreven. Het eerste registertje is een katern van vijf bladen, waarvan het tweede blad is afgesneden, terwijl de pagina’s 5v-7v onbeschreven zijn. Het restant van deze verwijderde pagina vertoont het “aanvangsteken” waarvan Johan van Ommen zich in oorkonden bediende: drie punten die een omgekeerde driehoek vormen.
Aangezien de tekst van bladzijde twee doorloopt op bladzijde vijf, is dit blad kennelijk later toegevoegd. Blijkens de gaatjes in de “rug” is het katerntje oorspronkelijk ingebonden geweest. De aantekeningen van Johan van Ommen betreffen hoofdzakelijk pachtcondities voor de stadssteenovens op de Marsch en de Teuge (ten zuidoosten van de stad) in de jaren 1402-1418. Voorts zijn pachtvoorwaarden voor het “grote water” opgenomen134 [134. Een aardig detail is dat hiertoe ook de verplichting tot het leveren van zalm aan het stadsbestuur behoorde. Het registertje bevat op bladzijde 3r een aantekening die door haar karakter afwijkt van de overige notities. Deze betreft de mededeling dat een zekere Johan armbustier de stad vijf hand- of voetbogen (“armborsten”) schuldig was. Hollestelle, Steenbakkerij, 227-228 bespreekt een tichelaarscontract uit 1403, dat uit eerstgenoemd registertje afkomstig zal zijn.]. Bepalingen met betrekking tot de visvangst en -verkoop (“dit sin die punten van den vischmarcte”) hangen hiermee direct samen. Dat geldt ook voor de verordeningen over visverkoop door vrouwen op het tussengeschoven tweede blad135 [135. Buurspraken verwijzen naar een vismarktreglement: “Die scepenen willen geholden hebn die ordinancie van den vyschmerct ende hoenre merct als dat angesat is bij sulcken koer als dair up stiet”; SAB, MA, inv. nr. 135a, p. 1 (1459), p. 13 (1461), p. 21 (1462) en p. 25 (1463 – n.b.: deze buurspraak is hier geciteerd).]. Daarmee is ook de reden voor deze toevoeging aan het katerntje achterhaald. Bij de ontmanteling van een ander (vermoedelijk: pacht-)register werd dit beschadigde blad overgebracht naar het onderhavige pachtregistertje, omdat de bepalingen daar logisch thuishoorden. En passant valt zo licht op archiefbeheer en -vernietiging in de stad. De verbinding tussen de diverse administratieve lagen laat zich illustreren aan de hand van een referentie in het verpachtingsregister van 1392136 [136. “Op die alde cedule sal men dat grote water verdoen” (SAB, MA, inv. nr. 156a, katern IV, fo. 3v).].
     Het tweede registertje, een bifolium, stamt uit 1411 en is een kladexemplaar. Alleen op het eerste blad staan enkele aantekeningen van een mij onbekende hand. Op het binnenste blad zijn de namen genoteerd van de schepenen en raden (tweemaal elf personen in plaats van de reguliere twaalf), alsmede van de nieuwe burgers. Deze aantekeningen zullen een plaats gevonden heb-

|pag. 234|

______ ↑ ______

ben in de verdwenen rekening van de ene cameraar van 1411137 [137. Als zodanig hadden zij een plaats verdiend in deel III van de door De Meyer uitgegeven stadsrekeningen.]. Uit de aard van de overige notities en het kladkarakter blijkt dat we hier te maken hebben met een tijdens verpachtingssessies in een herberg geschreven katerntje. De herhaalde aantekening “iii werf” illustreert de verschillende ronden, tijdens welke belangstellenden konden bieden. Bedragen, namen en condities zijn opgetekend. De volgorde van de verpachte objecten is een andere dan die in de corresponderende cameraarsnetrekening van dat jaar. De vraag waarom er amper van dergelijke verpachtingsregistertjes bewaard gebleven zijn, is eenvoudig te beantwoorden. Weinig informatie zal zo snel verouderd zijn geweest als juist die welke in deze katerntjes opgeslagen lag. Als “sub-substraat” van de cameraarsrekeningen bevonden zij zich in de onderste administratieve laag.

Keren we terug naar het verpachtingsregister uit 1392. Het is geen toeval dat in 1393 voor het eerst blijkt dat de gerechtsboden bij het innen van de stadsrenten (tijns, pacht, huur, en dergelijke)138 [138. In 1362 maakt de rekeningschrijver onderscheid tussen “der stad tijns” en “der stad renthen”(CRD III-1, 121).] geassisteerd werden door een anonieme scribent. Deze ontving zijn loon van de boden139 [139. “Onser stad boden vor hoers verlies ende hoer oncost dat sie over jaer onser stad renthen inghewonnen hebben mit enen cleric die hem daer to holp ende mit hem omme ghenc 4 lb….”(CRD VII, 378). Het was dan ook niet de stadsschrijver zelf die de ronde maakte door de stad, zoals Bloemink aanneemt (“Van muurboog tot stadshuis”, 205).]. De bodenschrijver voerde een eigen inningsadministratie. Deze had derhalve een ander karakter dan de zojuist besproken verpachtingsregistertjes. Zij vormde als het ware het verlengde of het sluitstuk van de in de vorige alinea besproken registertjes, en was dus eveneens een substraat van het “centrale” verpachtingsregister. Helaas geven de desbetreffende rekeningposten ook in de volgende jaren nooit de naam van de bodenklerk prijs. Vanaf 1417 ontvingen de gerechtsboden een standaardbedrag van vijf gulden waarmee zij hun klerk, hun “verlies aan payment” (wel te wijten aan inkomstenderving door incourante muntsoorten140 [140. Cf. bijvoorbeeld CRD IV, 225: “Everd den cremer vor dat hi over jaer den tween cemeners ende der stad boden over jaer der stad gheelt ghecoren heft 20 s.” (1375). Everd was later stadswisselaar; CRD VII, 10-11 en 114 (1388 en 1390).]), en zo nog wel het een en ander compenseerden141 [141. StRD IV, 66.]. Tot de rentenadministratie van de bodenklerk behoorde vermoedelijk ook een perkamenten registertje uit circa 1442-1446 dat een soort model was voor de redactie van de desbetreffende rubrieken in de cameraarsrekening142 [142. SAB, MA, inv. nr. 171*. De inventaris dateert abusievelijk “ca. 1360”. Dit kan alleen al vanwege de vermelding van stadsschrijver Johan Pallas niet kloppen. Het handschrift is dat van stadsschrijver Jacob van Noerle; zijn vrouw figureert erin als “Katherine scrivers”. Bloemink hield het blijkens inliggende briefjes uit 1986 aanvankelijk op 1443-1445, en nadien op 1442-1446 (Bloemink, “Van muurboog tot stadshuis”, 204).]. Enkele rubrieken daarin bevatten namen; overigens zijn de notities geanonimiseerd.
     Dat een bodenklerk sinds 1393 werkzaam was, impliceert geenszins dat de inning van stadsrenten voordien niet verschriftelijkt was. Dat laat zich illustreren aan de hand van de in de “custodiae” Noordenberg en Brink geïnde tijnzen, welke voor het eerst in de cameraarsrekening van 1339 opgenomen zijn143 [143. CRD I, 43-44. Het is onduidelijk wat men onder “custodiae” verstond. Van Doorninck legt een verband tussen de wijken en het houden van de wacht (ib., lv). Aangezien de term voor geen van de andere wijken gebruikt werd, zouden de wachtdistricten verscheidene wijken omvat hebben. Bloemink, “Van muurboog tot stadshuis”, 206 zoekt de grens tussen de twee “custodiae” bij de Duvelstoren. Deze toren lag nabij de bocht van de Smedenstraat.]. De inning geschiedde, bewijsbaar sinds 1343, door de “vigiles” ofwel

|pag. 235|

______ ↑ ______

stadswachters, dan wel door de stadsboden144 [144. “Item, vigilibus quando extorquebant censum civitatis, pro expensis eorum et ad bibendum” en “item, eodem die [14.2.1346] vigilibus qui inmonuerunt parvum censum eodem tempore, pro expensis factis per Odonem [cameraar] in receptione census predicti per duos dies” (CRD I, 117 en 201). Cf. CRD II, 697: “Item Reijnero et Leonio, nunciis civitatis, pro inmonitione census civitatis per annum” (1359) en 789: “Item, per vigiles in expensis factis quum censum civitatis inmonuerunt” (1360). In 1366 leverden twee boden op twee achtereenvolgende dagen tijdens de Vasten geïnde tijnzen in bij de cameraars en stadsschrijver Johan ter Hurnen (CRD III-1, 627-628). Nam elke bode een “custodia” voor zijn rekening of was er nog een andere taakverdeling?]. Op 6 december 1363 en op nog een andere dag nadien maakten de cameraars, stadsschrijver Johan ter Hurnen en bode Albert Rueel een ronde “ende lieten den clyenen tijns vorscriven”145 [145. CRD III-l, 228. “Kleine tijns” en Brinktijns waren identiek; ib., 591: “Van den cleynen tijnse ton Brincke” (1366).]. Het betrof hier een actualisering van de lijst uit 1362146 [146. Ib., 86-89 en 201-204. De lijst van 1364 stemt grotendeels overeen met die van 1363 (ib., 364-366).]. Op 30 januari 1366 – dus nog in het boekjaar 1365 – vergezelde stadsschrijver Johan ter Hurnen de beide cameraars toen zij “den boden der stad renthen hadden overghegheven bescreven die sy in soelden winnen”147 [147. CRD III-1, 449.]. Was dit een geheel nieuw overzicht? Hoe dit zij, met ingang van het jaar 1377 zijn de tijnzen in de stadsdelen “Noordenberg” en “Brink”, alsmede inkomsten uit kooltuinen en uit de verpachting van allerhande toonbanken in getotaliseerde vorm in de cameraarsrekeningen opgenomen. De lange lijsten met namen en bedragen uit de voorgaande periode verdwijnen daarmee148 [148. Men vergelijke CRD IV, 322-328 (1376) met CRD V, 46-47. Zie ook StRD I, xxxi.]. Te veronderstellen is derhalve dat deze zaken vanaf 1377 apart geadministreerd werden. Dat gebeurde in afzonderlijke registertjes. Wel is er een verband met het oudste verpachtingsregister, want daarin zijn in 1383 keuren genoteerd over de verpachting van kooltuinen en de verhuur van plaatsen voor de verkoop van vlees149 [149. SAB, Cam., inv. nr. 226, fo. 5v (geschreven door stadsschrijver Johan ter Hurnen).].
     De gerechtsboden waren aanwezig bij de jaarlijkse rekeningsessies om de cameraar bij die gelegenheid de rentegelden te overhandigen150 [150. CRD III-l, 566 (1366).]. De “spinde” waarover bode Johan die Lewe in 1367 beschikte151 [151. CRD III-2, 45.], zal voor het bewaren van deze gelden bedoeld zijn geweest. Hoogstwaarschijnlijk vonden ook kerfstokken een plaats in de bodenspinde. Met name betrof het stokken van herbergiers die voedsel en drank verschaften ten behoeve van de stad152 [152. De herbergierster Evesse ton Pole (of: Van den Pale) voorzag in 1362 gevangenen van bier en brood en verrekende de kosten (ruim 47½ pond) met de cameraars, “daer Heyne ende Rueel, der stad boden, stocke af hadden” (CRD III-l, 185). Deze passage maakt duidelijk dat uitbaters (m/v) consumpties op de kerfstok bijhielden en dat de stadsboden deze inzamelden.], en van leveranciers van kaarsen die in openbare gebouwen voor de verlichting zorgden153 [153. “Henrike ter Upwoelden vor 191 punt unghelkeersen die over jaer verbrant sin up onser stad raethues, daer Steven van Nyet ende Suermont, onser stad boden, die rekeninghe af hadden ende dier een deel up den waenthues verbrant sin, daer Gadiken Scerping sone die rekeninghe af hadde, elc punt drie grote, maken 28 lb. 17 s.”; CRD V, 396 (1381). In 1383 en 1384 is vermeld dat Suermont en een collega met dezelfde leverancier de verbruikte kaarsen afrekenden op basis van hun kerfstokkenadministratie (CRD VI, 133 en 202). Gevoegd bij nog een ouder en een jonger voorbeeld van “kaarsenrekeningen op de kerfstok” (CRD IV, 369 (1376, met dezelfde leverancier als in 1381 en 1383-1384); CRD VII, 255 (1391)), is te veronderstellen dat ook in 1381 dit medium gebruikt is.]. Deze kerfstokken fungeerden als bewijsstukken bij het opmaken van de stadsrekening, waarna ze hun functie ver-

|pag. 236|

______ ↑ ______

loren en dientengevolge vernietigd zullen zijn. Het feit dat de gerechtsboden vanaf 1393 een eigen schrijver in loondienst hadden, betekent niet dat zij zelf niet konden schrijven. Nemen we als voorbeeld Herman van Orsbeke. Om niet burger geworden in 1388, verschijnt hij pas drie jaar later als gerechtsbode in de stadsrekeningen154 [154. Ib., 3 en 257.]. In 1398 overhandigde hij cameraar Martin ten Bome een declaratie in de vorm van een cedel155 [155. StRD I, 299]. In 1405 is Hermans declaratie in gecomprimeerde vorm opgenomen in de stadsrekening156 [156. StRD IL, 299]. De bodenadministratie bestond derhalve zowel uit kerfstokken als uit schriftelijke bescheiden. De kerfstokken waren alleen voor leveranciers gebruikelijk.

5.1.2.2. Pandboeken

Al in de cameraarsrekening van 1337 zijn posten aan te treffen met betrekking tot panden (“pignera”)157 [157. CRD 1, 13, 16 en 21.]. Panden werden in bewaring gegeven voor nog te innen gelden (met name pachten) of boetes158 [158. Bijvoorbeeld ib., 240: “Item, vigilibus quum extorquebant pignera de panibus” (1345, samenhangend met de afkondiging van een verordening op het broodgewicht terzelfdertijd?) en ib., 304: “Item, vigilibus quum extorquebant pignera de excessibus et de wella extra Heestpoerten” (1347); CRD II, 638: “Item, Haze mulieri vendenti pignera civitati expandata de excessibus 1 lb.” (1359); StRD I, 36: “do sie hoer pant lozeden dat stoent vor dat leste gheelt dat sie onsen stad schuldich weren van den telampte in den jaer hier te voren” (1394); StRD II, 155: “Bi onser scepen ghehiete weder ghegheven siin pand dat hij ghesat hadde, want hij siin onschult dede dat hijs nyet en wiste dat hij mit onser ghemeynte op onser stad huys nyet ghebodet en was 5 lb.” (1403, rubriek “voer alrehande zaken”) en StRD III, 121: “Inteerste bi uns. scepen ghehieten Iohan Gerwin weder ghegheven siin pand dat hem af ghepant was voer strodack” (1413, rubriek “voer alrehande zaken”).]. Doorgaans losten de pandgevers ze in, maar als zij overleden, tot armoede vervielen of zich in ballingschap bevonden, werden de panden op de markt verkocht159 [159. StRD IV, 494 n. 1. Over de marktverkoop is een aardige optekening uit de jaren dertig van de 15de eeuw te vinden in het “clageboeck” (SAB, RA, inv. nr. 5a, p. 244, ongedateerd, maar deels in het handschrift van stadsschrijver Johan Pawe, dus tussen 1433 en 1441 te plaatsen), een niet nader geïdentificeerd boek betreffend: “Arnd Bernds soen gift scholt (=klaagt aan) Stijnen Muten ende seget dat Geertruyd siin huysvrouwe oer een bueck gedaen heeft te verkopen, welck bueck sijn huysvrouwe van Merken Arnts, een pand verkoepster oppen vryen merket, gekoft hadde als voir een pant. Ende begeert van den scepenen Stijne voirs. te onderwysen dat hem Stijn voirs. dat boeck weder doen ende begeert dair aff[gericht..] / (andere hand) Hier op antwort Styne dat Gheertr. oer een boeck brachte te vercopen. Des is gecomen Mechteld des Weysen in Stynen huys. Doe sie dat boeck sach, segede sie dat boeck weer oer ende sy wolde by den boeke blyven ende wolde Stynen dair schadeloes af holden, des Mechteld vors. styet(?). Ende want Styne gestant (=hulp) hier af heeft van Mechtelden, soe hopet Styne dat sy van de[r] boeke ende ansprake ontladen sal wesen ende blijft des rechts by den scepen”.]. In 1344 lezen we voor het eerst over het contante geld en de panden die de – in dit geval ene – cameraar beheerde en overdroeg aan zijn opvolger160 [160. CRD I, 178 in combinatie met 208.]. De panden lagen in een kast, zoals blijkt uit een rekeningpost uit het beruchte pestjaar 1368. Op 5 oktober van dat jaar gaven de schepenen bevel “uyt Johan Hadersliefs spinde, do hi gestorven was, an paenden ende an quaden gheelde” de somma van bijna 28 pond te lichten. Diezelfde dag hoorden de schepenen zijn rekening postuum af161 [161. CRD III-2, 102. Voorts StRD IV, 93: “ende sine [Egbert Bodiker, die gaande het boekjaar als cameraar afgelost werd door Martin ten Bome] pande der stat weder overghewiset weren” (1418). In de rekening van 1356 is de volgende post geboekt: “Item, in die Palmarum Haze mulieri vendenti pignera per Reijnerum Reijneri transliberata de sua camera 4 s. ad bibendum” (CRD II, 419). Reynersz was cameraar in het voorafgaande jaar.]. Naast

|pag. 237|

______ ↑ ______

geld en documenten werden derhalve ook panden in het cameraarsarchief ten stadhuize bewaard162 [162. Voor het stadhuis als de plaats van opslag: CRD III-1, 566 (betreft panden wegens boetes, ingezameld door de boden).]. Daarbij liep wel eens iets mis, zoals in 1373, waar aan de uitgavenkant van de ene cameraarsrekening twee onkostenposten opgenomen zijn die betrekking hebben op het verloren gaan van panden163 [163. “Dyrike van Nymeghen den goltsmid vor eynen zilveren lepel dien hi Gheride van Ockenbroke tot paende ghesat hadde die vorloren waert, bi der scepen ghehiete 9 placken maken 18 s.” en “rekent Dyric [cameraar] bi der scepen ghehiete an panden verloren die des kystemakers weren, dat was eyne kyste, ene tynnen kanne, eyn zilveren ring ende eyn zilveren vingheren mit enen witten styne 3 lb. 4 s. 6 d.”; CRD IV, 69 en 72 (beide: 1373).].
     De pandboekhouding bestond aanvankelijk uit losse lijstjes, waarvan er één overgeleverd is uit 1348164 [164. CRD I, 256-257. Dit lijstje is in de rekening van 1350 gestoken. De in het opschrift vermelde Werner die de panden aan de nieuwe schepenen overhandigde, moet Werner Grote zijn, die in 1344 en 1348 cameraar was (CRD I, 148; CRD II, 1).]. De cameraarsrekening van 1370 maakt melding van een pandboek165 [165. CRD III-2, 298.]. Gelet op het verdwijnen van de opsommingen van afzonderlijke panden – hoe kort ook – aan het eind van de cameraarsrekeningen na 1365166 [166. CRD III-1, 525.], markeert dit vermoedelijk het tijdstip van invoering. We kunnen concluderen dat een geordend beheer van de panden toe te schrijven is aan de in 1344 aangetreden stadsschrijver Gevehard van Hildesheim, terwijl de invoering van pandboeken plaatsvond onder Johan ter Hurnen. Soms inventariseerde men tussentijds de losbare en niet-losbare panden. Daarvoor was een aparte rondgang in de stad vereist. Van de bevindingen werd een aparte cedel opgemaakt167 [167. Een voorbeeld: “Item, rekent Gelmer voer een deel verlorenre pande daer der lude een deel van verarmet sin, een deel ghestorven ende een deel verwildet [vaker voorkomend: gherumet] sin, daer Gelmer een cedele af bescreven heeft van elken persoen siin deel dat te zamen beloept up 96 gl. 18 pl. 6 br.”; StRD II, 410 rubriek “allerhande zaken” (1408); “Item, uyt den pandeboeke gecortet dat men nyet gekrigen en konde na uytwisinge eenre cedulen 214 gl. 20 pl. 4br.” (StRD V, 428 rubriek “allerhande saken” (1432)).]. In bijzondere omstandigheden schold het stadsbestuur panden geheel of gedeeltelijk kwijt. Een voorbeeld daarvan biedt één van beide cameraarsrekeningen van 1430.
Twee lieden, de één wegens dienstverlening aan de stad, de ander omdat hij stuurman was tijdens een veldtocht, werden “uyt den pandeboeke gecortet”168 [168. Ib., 377-378 (rubriek “allerhande zaken”). Cf. ook de cryptische passage “Item, by Gotschalck myd dien van Swolle gerekent van zijze (=accijns), van boedeloen dair van uyt den pandeboecke dat op Gosen Bange gescreven wart gecortet 42 lichte gl.” (StRD VI, 66).].
     Pandboeken vormen net als verpachtingsregisters een substraat van de cameraarsrekeningen.
De zes bewaard gebleven exemplaren stammen uit 1413, 1422 (in duplo), 1423 (in duplo) en 1427169 [169. SAB, MA, inv. nr. 156bis, nrs. 72-77. Gepubliceerd: StRD III, 239-247; StRD IV, 494-524; StRD V, 581-593.
Onder de panden in het pandboek van 1413 bevindt zich een niet nader omschreven boek ter waarde van drie gulden en zeven plakken van een zekere Lutgard Bussen; StRD III, 241 (in margine: “habet A”).]
en vormen een schamel restant van de pandboeken die in de loop van de 14de en 15de eeuw geschreven moeten zijn. Zij zijn alle van papier en genaaid tot katernen van octavo formaat.
De pandboeken waren manualen waarin lopende verrekeningen door middel van doorhalingen en bijschrijvingen bijgehouden werden. Alleen het exemplaar uit 1413 is integraal door Johan van Ommen geschreven, terwijl één van de twee uit 1422 en beide uit 1423 van één en dezelfde scribent stammen170 [170. Onjuist is de mededeling van De Meyer (StRD IV, 494 n. 1) dat deze exclusief door Johan van Ommen geschreven zijn.]. De andere uit 1422 vertoont nog een derde hand. Voor zover Van Ommen

|pag. 238|

______ ↑ ______

in het ene pandboek van 1423 schrijft, is zijn handschrift bibberig en onvast; in het andere van dat jaar noteerde hij de summae op de bladzijden waarop de voornoemde “tweede hand” te zien is. Dit vormt een aanwijzing dat Van Ommen het werk van een anonieme scribent superviseerde. Het pandboek van 1427 is geschreven door Johan Pallas; Johan van Ommen was geretireerd en Johan Pawe had nog geen dienstbetrekking aanvaard. Het bestaan van duplikaten laat zich verklaren uit de omstandigheid dat beide cameraars elk een eigen pandboek lieten bijhouden.
Enigszins verwarrend is het, dat de pandboeken een jaar later gedateerd zijn dan het jaar waarop zij betrekking hebben. Aangezien de nieuwe cameraars ze bij de jaarlijkse bestuursoverdracht op 22 februari overhandigd kregen, werden zij tot dat tijdstip bijgewerkt en navenant gedateerd171 [171. Men vergelijke StRD IV, 301 en 494, respectievelijk 313 en 501 (voor de pandboeken van 1422); ib., 354 en 509, respectievelijk ib., 375 en 516 (voor de pandboeken van 1423). Deze werkwijze heeft er waarschijnlijk toe geleid dat in de inventaris van het Middeleeuws Archief het pandboek van 1413 een jaar eerder is gedateerd. De Meyer, StRD III, 239 letternoot b merkt op dat het jaartal 1412 verbeterd is in 1413.].

5.1.2.3. Burgerregistratie

Reeds de cameraarsrekening van 1337 kent een rubriek “de concivibus receptis et acceptatis” (= van medeburgers ontvangen en aangenomen)172 [172. CRD I, 6.], in volgende jaren doorgaans getiteld “de concivitatu” of in het Middelnederlands “van burgherschap”. Eén van de cameraarsrekeningen van 1353 bevat een post waarin de uitgave van twintig penningen verantwoord is “pro una cute pergamenti ad librum civitatis in qua scribuntur cives” (=voor een perkamentvel voor een stadsboek waarin de burgers worden opgeschreven)173 [173. CRD II, 189.]. De editeur van de rekeningen gaat er blijkens zijn aantekening “sic” vanuit dat het woord “qua” een vergissing is. Inderdaad was de stadsschrijver in kwestie, Gevehard van Hildesheim, niet altijd even zorgvuldig met zijn Latijn. Er zijn nu twee mogelijkheden. Indien Gevehard zich verschreven heeft, betreft het hier een apart burgerboek dat van een omslag voorzien werd. Indien Gevehard geen fout gemaakt heeft, hebben we een stadsboek van onbekende aard voor ons, waaraan een katern toegevoegd werd dat speciaal voor de inschrijving van nieuwe burgers bedoeld was. Tussen 12 april en 12 mei 1354 zijn in de cameraarsrekening uitgaven genoteerd “factis per scabinos in domo Steerne (…) quum creaverunt cives” (=gedaan door de schepenen in het (stadswijnhuis) Steerne (…) toen zij burgers hebben gemaakt). Hetzelfde gebeurde rond de feestdag van Sint Scholastica (10 februari) in 1356 en 1358 (dus in de boekjaren 1355 en 1357)174 [174. Ib., 243, 438 (d.d. 16 februari) en 600 (d.d. 12 februari).]. Het lijkt er derhalve op dat in 1353 een nieuw, of zelfs het eerste, burgerboek aangelegd is (en dat Gevehard zich inderdaad verschreef). In 1365 zien we bestuurders – schepenen zowel als raadsleden – op drie tijdstippen burgers beëdigen, namelijk op 13 februari (“do sy burghere ghemaket hadden”), op 8 mei (daags na Jubilate, dat is de derde zondag na Pasen, twee met naam genoemden) en op 3 augustus (daags na Vincula Petri, “do sy [schepenen] die wachters burgher hadden ghemaket”)175 [175. CRD III-l, 428-429, 451-452, 490. De namen zijn terug te vinden in ib., 475 (de twee wachters “om niet”).
Blijven over achttien mannen die kennelijk allemaal in februari tot de rangen van de burgers toetraden.]
. Dit patroon is ook te ontwaren in de rekening van 1350. De namen van nieuwe burgers zijn daarin verdeeld over drie

|pag. 239|

______ ↑ ______

afzonderlijke, ongedateerde rubriekjes176 [176. CRD I, 253, 258-259 en 265-266.]. Kennelijk was het “creëren” van burgers een plechtigheid die niet jaarlijks plaatsvond. Opvallend is voorts de steeds terugkerende datum van 10 februari, krap twee weken voor de afsluiting van het ambtelijke jaar. Of er nu een afzonderlijk burgerboek in gebruik was of toch een sectie in een stadsboek van andere aard, in beide gevallen is het niet te zeggen hoe deze registratie zich verhield tot de jaarlijks in de cameraarsrekeningen terugkerende burgerschapsrubriek.
     De modaliteiten van de verwerving van het burgerrecht konden enorm verschillen. De meeste nieuwe burgers betaalden ervoor (de bedragen wisselen), sommigen verwierven het gratis, bijvoorbeeld omdat ze een “gewild” beroep uitoefenden (zoals de hiervoor vermelde wachters) of wegens armoede177 [177. In l435 is over een zekere Swarte Egbert in een aparte regel na de burgerrubriek aangetekend: “Quod pauper esse juravit” (StRD VI, 7). Voor hem was een eed zonder betaling kennelijk voldoende. De Meyer houdt het erop dat het stadsbestuur de hoogte van het bedrag bepaalde overeenkomstig het belang dat de stad had bij inburgering van bepaalde personen. Zij zet zich af tegen H. Kronenberg, die het verschil toeschrijft aan vermogenspositie. De Meyer acht dit “voor die tijd onwaarschijnlijk”, en stelt dat men behoeftigen weerde (StRD I, xx-xxi). Gegeven het voorbeeld uit 1435 (dat zich met nog andere laat aanvullen), lijkt mij dit twijfelachtig. Het is daarbij irrelevant of het hier om “fiscale paupers” of om “paupers” in andere zin gaat. In Leuven was de hoogte van het burgergeld afhankelijk van de periode die men metterwoon in de stad had doorgebracht (naar Kuppers, Stadtrechnungen Geldern, inleiding 96 n. 356).] of ook wel op verzoek van derden178 [178. Zoals in 1361 een zekere Wolter Tassche “omme bede wille des heren van Kovorden” (CRD III-1, 45).]. Getuige twee rekeningposten lijkt een burgerschapsverwerving in fasen verlopen te zijn; wellicht was er een verband met het onregelmatige “creëren”. Allereerst figureren twaalf personen in 1362 in een aparte rubriek met het opschrift “die hier na bescreven staen, die en moghen ghene burgher wesen ende sy hebben der stad hoer gheelt ghegheven in alsulken vorwarden alse zijt also verwerven kunnen dat sy burgher moghen weerden, so zal men zy vor dat zelve gheelt ontfaen(=opnemen)”179 [179. Ib., 151. Misschien gaat het hier om horigen.]. Voorts zijn acht jaar later twee lieden niet opgenomen in de reguliere burgerlijst, maar in een direct erop volgend rubriekje “die up burgher recht sitten”180 [180. CRD III-2, 264.]. Dit alles maakt nieuwsgierig naar de regels die golden voor hen die het burgerschap begeerden. Jammer genoeg zijn deze niet overgeleverd; in het keurboek van 1448 ontbreekt zelfs de burgereed. Eind 1376 lijkt er gesleuteld te zijn aan een procedure voor burgerschapsverlening181 [181. “do sie [vijf schepenen en stadsschrijver Johan ter Hurnen] gheseten hadden over der stad zaken alse burgher te maken”; CRD IV, 348 (d.d. 25 november). Hield dit verband met de zeer grote aantallen ingeschrevenen in dat jaar? (ib., 242-243 en 278-283). Zie ook Koch, “Zwolle in de middeleeuwen”, xv n. 6.]. Stadsschrijver Ter Hurnen had uit hoofde van zijn functie inzicht in de burgerschapsregistratie en de met het burgerschap samenhangende keuren. Nog juist in het kalenderjaar 1377 vermeldt de rekening dat een schepen en de twee stadswachters bijeenkwamen “ende hadden bescreven die ghene die sie meynden dat ghene burgher en weren”182 [182. CRD V, 31 (d.d. 28 december).]. Hieruit kan afgeleid worden dat de stadswachters degenen waren die het beste zicht hadden op de status van stadsbewoners. De functie van wachter onderscheidde men toentertijd van die van de boden en de poortwachters183 [183. Ib., 48 (salarisrubriek).]. Over de precieze taak van de stadswachters is geen nadere informatie voorhanden dan die welke hun eed biedt184 [184. Zie bijlage 2.].

|pag. 240|

______ ↑ ______

     Schneider is van mening dat in Deventer de administratie van nieuwe burgers opgenomen was in een stadsboek van gemengde aard. Een op zichzelf staand register heeft volgens hem niet bestaan185 [185. Schneider, Deventer, 40.]. De auteur schraagt deze opvatting met een rekeningpost die dagtekent van 31 maart 1364. Daarin zijn de onkosten geboekt van een bijeenkomst van een cameraar van dat jaar, een cameraar uit het voorafgaande jaar en stadsschrijver Johan ter Hurnen “do sy die ghene die burgheren gheworden waren van tween iaren in der stad boec lieten zetten ende andere zaken bescreven van brecliken dinghen (=overtredingen, strafbare zaken) die in dien tween iaren gheschien waren”186 [186. CRD III-1, 317-318.]. De frequentie van verleningen in de jaren vijftig toont dat dit niet per se hoeft te slaan op een achterstand in de optekening van nieuwe burgers, maar dat het evengoed om een reguliere optekening kan gaan. Ook nog in 1387 droegen beide cameraars en stadsschrijver Johan ter Hurnen er zorg voor dat de burgers van eveneens twee achtereenvolgende jaren “in onser stad boec” genoteerd werden187 [187. StRD I, 407.]. Toch heeft het er de schijn van dat zich in 1362/1363 onregelmatigheden voorgedaan hadden.
     De formulering van de posten uit 1364 en 1387 sluit het bestaan van een apart burgerboek noch van een burgerregistratie in een stadsboek van overigens onbekende aard uit. Gelet op de terminologie en ervan uitgaande dat de notities van strafrechtelijke aard in 1364 in hetzelfde stadsboek gemaakt werden als dat waarin men de nieuwe burgers registreerde, lijkt een keurboek nog het meest in aanmerking te komen. Als deze veronderstelling plausibel is, heeft men in 1440 echter voor een nieuwe opzet gekozen, namelijk registratie in een verpachtingsregister – zoals hierboven gebleken is. Gebeurde dit met het oog op de vervaardiging van een nieuw keurboek, dat van 1448, dat louter en alleen keuren bevat?
     Het feit dat men lacunes van een paar jaar kon opvullen, bewijst dat er aan dit “spookregister” een aparte burgeradministratie ten grondslag lag. Het lijkt namelijk nogal vergezocht te veronderstellen dat stadsbestuurders, stadsschrijver en/of stadswachters de nieuwe burgers via het geheugen of via “opsporing” achterhaalden. In dit verband trekt een in de ene cameraarsrekening van 1360 liggend blad papier met het opschrift “solverunt de concivitatu” (=zij hebben betaald voor het medeburgerschap) de aandacht. Een onbekende hand noteerde hierop namen188 [188. Een kandidaat is de clericus Dirk, die dat jaar als laatste figureert in de stedelijke loonrubriek. Hij ontving zes pond “de suo servitio” (CRD II, 790). Een andere kandidaat is de voor 24 pond (en vóór stadsschrijver Gevehard van Hildesheim) eenmalig in de loonrubriek voorkomende priester Giselbert van Ommen. Op 15 april van dat jaar spraken twee bestuurders met hem “de suo servitio” (ib., 716 en 790). Gelet op de bedragen ligt een keuze voor Dirk het meest voor de hand.], terwijl de supervisie bij stadsschrijver Gevehard van Hildesheim berustte. Hij herstelde namelijk een foutje in de lijst, te weten de inschrijving van Johan Hadersleef, die al burger was maar (als borg?) voor iemand anders betaalde. In de burgerrubriek in de netrekening is deze informatie niet aan te treffen189 [189. Ib., 704-705.]. Van belang is verder dat in 1435 niet rekeningschrijver Pallas, maar diens collega-stadsschrijver Johan Pawe de burgerschapslijst (afgezien van de eerste zeven namen, een tussen- en de eind-summa) in de cameraarsrekening inschreef190 [190. SAB, Cam., inv. nr. 18a, fo. 1v-2v. Zie ook StRD VI, 3 letternoot a en 7 letternoot a.]. Dit lijkt eveneens een indicatie voor het

|pag. 241|

______ ↑ ______

in zwang zijn van een aparte administratie. In 1460 boekte de rekeningschrijver slechts een totaalbedrag “van der burgerschap”191 [191. SAB, Cam., inv. nr. 23a, fo. 1v.]. Ook in de navolgende jaren blijft dit zo. Het wijst er eens te meer op dat nieuwe burgers buiten de cameraarsrekening om geregistreerd zijn.
     Sporen van een dergelijke onderliggende administratie zijn te vinden in de papieren verpachtingsregistertjes van het type dat voor 1411 bewaard bleef. Daarin is, zoals eerder vermeld, onder meer een lijst van nieuwe burgers te vinden192 [192. SAB, MA, inv. nr. 171**.]. De cameraarsrekening van 1411 met daarin de burgerrubriek is niet meer voorhanden, zodat een vergelijking niet tot de mogelijkheden behoort.
Dit registertje verdraagt zich slecht met de hiervoor geformuleerde hypothese van een keurboek annex burgerboek, tenzij we aannemen dat keurboeken deze functie al eerder dan 1440 verloren.
Het verpachtingsregister van 1392, met daarin – zoals gezegd – vanaf 1440 een rubriek “burgerschap”193 [193. Ib., inv. nr. 156a, fo. 58v: “Burgerschip in anno xl”.], werd medio 16de eeuw beschouwd als hét burgerboek194 [194. Dit blijkt uit het afschrift van een notitie uit 1401 over de verpachting van een slag aan Gerrit van Rijssen, die volgens het onderschrift in 1555 uit een perkamenten “burgerboek” gekopieerd was. Het onderschrift luidt: “Extrahiert uth der Statt Deventer Burgher boeck ende Concordiert myth synn principaell in ffracynn gescreven van woirde tot woirden by my Jacobus Helm opgemelter Stat Deventer geswaren Secretarius / Ita est. Jacobus Helm Secretarius scripsit et fecit [ondertekening] / dese Copie alsus gegeven, myth wille ende Consentt van Herman Hessele Burgermeyster inder tytt Anno etc. vyffendevifftich opten iersten ffebruarij” (SAB, HG, nr. 137). De notitie uit 1401 is te vinden in ib., MA, inv. nr. 156a, fo. 16r.]. De lijsten in dit register en de overeenkomstige rubrieken in de cameraarsrekeningen dekken elkaar evenwel niet. Sterker: zij zijn, bijvoorbeeld in 1440, wederzijds exclusief. De vraag dringt zich (andermaal) op hoe verpachtingsregisters en cameraarsrekeningen zich op dit punt tot elkaar verhielden, of preciezer: welke burgers om welke reden een plaatsje kregen in de cameraarsnetrekeningen. Wellicht speelde hier het gesignaleerde faseverschil bij burgerschapsverleningen een rol. Vinden we de burgers die betaald hadden in de stadsrekeningen en de “volle” burgers, die aan ons onbekende, aanvullende voorwaarden voldeden in de andere administratie (het “burgerboek”), en bevatte dat de voorwaarden voor het burgerschap? Een eenduidig antwoord op de vraag hoe de burgerschapsregistratie was opgezet is niet te geven195 [195. Dhr. drs. F. Berkenvelder bereidt een proefschrift voor over de Overijsselse burgerboeken, waarin hopelijk meer zicht op deze materie geboden zal worden.].
     De functie van een punctuele burgerregistratie was drieledig. Allereerst was het voor het stadsbestuur van cruciaal belang te weten wie er wel en wie er niet tot de burgerij behoorden, omdat burgers andere rechten en plichten hadden dan niet-burgers, de zogeheten “inwoners”.
Met name in conflicten met (burgers van) andere steden maakte het uit welke status iemand bezat. Ook voor fiscale en militaire administraties was een overzicht van degenen die de eed op het stadsrecht afgelegd hadden van groot belang196 [196. In Kampen legde men in 1302 een burgerboek aan met het oog op de verdeling van de dijklasten; Kossmann-Putto, Kamper schepenacten, 11.]. Tenslotte moesten de inkomsten uit burgerschapsverleningen verantwoord worden.
     Pendant van inschrijvingen zijn uitschrijvingen. In 1379 verzochten bestuurders hun collega Jacob van Apeldoorn zijn burgerschap op te zeggen. Jacob was in 1378 schepen en in 1380

|pag. 242|

______ ↑ ______

schout van Salland. De vervulling van een landsheerlijk ambt vereiste kennelijk ontburgering197 [197. “enen boden die tot Ummen ghelopen was an Jacob van Apeldoren alse dat hi sine burgherscap upsegghen soelde” (CRD V, 199).], al is een dergelijke bepaling in het oudste bewaarde keurboek niet terug te vinden. In het buursprakenregister is onder het jaar 1464 genoteerd dat iemand “syne burgerscop der stad van Deventer op geschreven heeft”. De achtergrond blijft onduidelijk; de man in kwestie was een dienaar van de graaf van Oldenburg, die de Deventer stadsbestuurders terstond om opheldering vroeg198 [198. SAB, MA, inv. nr. 135a, p. 32.]. Klaarblijkelijk was schriftelijke opzegging mogelijk. Dergelijke brieven zullen bewaard zijn; van een registratie van opzeggingen is echter geen spoor te vinden. Het is daarom ook niet te zeggen of het stadsbestuur exuegelden hief.
     Een laatste kwestie in dit verband zijn de restrictieve maatregelen die niet alleen Deventer, maar ook de twee andere grote Overstichtse steden in 1443/1444 naar aanleiding van een handelsgeschil tegen “Hollanders” troffen199 [199. Sneller, Stadt der Jahrmärkte, 73-74; Koch, “Stadhuis”, 39.]. Zij zijn vastgelegd in de keurboeken van 1448 en 1486 en behelzen een vestigingsverbod en het bemoeilijken van huwelijken met Deventer vrouwen (die de man het burgerschap opleverden)200 [200. “Item, achter [na] desen dage en sullen geen Hollandere in Deventer woenen meer dan nu in Deventer woenen.
Ende weert sake dat ennich Hollander voert an in Deventer hilikede (=huwde), die sal dan voert uyt Deventer vaeren myd der woene myd synen wive”; SAB, MA, inv. nr. 132, boekt, fo. 7r en ib., inv. nr. 133, boek III, fo. 3r (woordelijk overeenstemmend).]
. Tussentijds, rond 1465, werd een – zij het ook beperkte – versoepeling van kracht. Deze is opgenomen in het verdrag waarmee een einde kwam aan weer een ander handelsgeschil met de Hollandse en Westfriese steden201 [201. In het eerste artikel van dit verdrag is het aldus geformuleerd: “In den yrsten, soe moegen die ingesetenen des lands van Hollant ende van Westvryslant hilyken in der stad van Deventer sonder ennige broeke der stad ende offt sy ennige gueden behilykeden ende alldair myt den wyven nemen, die sullen hem luyden volgen moegen, doch alsoe dat die ingesetenen der lande vorsz. bynnen Deventer nyet woenen noch alldair ghiene burgers werden en sullen” (geciteerd naar Dumbar, Kerkelyk en wereltlyk Deventer II, 175).]. Het blijft een open vraag of het hier louter om concurrentie ging of om een dieper gevoelde antipathie. Opmerkelijk is dat nog in 1440 het stadsbestuur Amsterdamse lakenbereiders lokte met een bedrag van 25 Rijnse gulden per persoon. Hiervan werd een afzonderlijke cedel opgemaakt202 [202. “Item, den opreider ende den verwer tot hoer vollist (=tegemoetkoming) dat sy tot Amsterdam opgebroken ende alhier myd der woene gecomen sijn hoer ampt toe oefenen nae uytwisinge der cedulen elken gegeven 25 Rijns gl. maken 100 gl.” (StRD VI, 366).]. De vestigingssubsidie had ongetwijfeld ten doel de lakennijverheid een nieuwe impuls te geven. Het klimaat jegens “Hollanders” verkilde klaarblijkelijk in zeer korte tijd, tenzij we de vestigingssubsidie voor Amsterdammers zien als een uitzondering uit economische noodzaak. Dat de keur geen dode letter was, merkten twee vrouwen die in 1445 op straffe van een dwangsom de stad binnen veertien dagen moesten verlaten203 [203. SAB, MA, inv. nr. 4a, fo. 203v en Dumbar, Kerkelyk en wereltlyk Deventer I, 22 letternoot f (met abusievelijk het jaar 1454).]. Hoewel zich krachtens de verordeningen uit 1443/1444 sindsdien formeel geen “Hollander” in Deventer kon vestigen, was er kennelijk toch aanleiding deze nadien in beide keurboeken te herhalen. De vraag is hoe het stadsbestuur erin slaagde zicht te houden op het aantal “Hollanders” in de stad. Vermoedelijk volstond sociale controle. Het is ook denkbaar dat het stadsbestuur het contingent “Hollanders” separaat liet administreren.

|pag. 243|

______ ↑ ______

5.1.2.4. Belastingen en leningen

Ook belastingkohieren – staten van in een bepaalde periode te innen belastingaanslagen204 [204. Naar de definitie van Van der Gouw, Archiefterminologie, 11.] – kunnen gerekend worden tot de cameraarsbescheiden. In de onderhavige paragraaf gaat het primair om stedelijke belastingen. Deze omschrijving behoeft in zoverre verduidelijking, dat stedelijke heffingen soms de lokale vertaling vormden van door de landsheer aan het Sticht of Oversticht gevraagde belastingen. Het is een gemis dat er geen studies over de bisschoppelijke fiscaliteit in het Oversticht zijn205 [205. Voor het Nedersticht is er het onderzoek van Avis, Directe belastingen.]. Als voorbeeld van een landsheerlijke belasting fungeert in het navolgende een heffing van de “honderdste penning”. Aan de orde komen om te beginnen stedelijke nutsbelastingen en leningen en schulden206 [206. Aan de “paardenheffing” is in hoofdstuk 3 § 3.5 aandacht geschonken. Omdat deze alleen rond het midden van de 14de eeuw kortstondig geïnd is, wordt zij hier niet opnieuw behandeld.].

Nutsbelastingen: koe- en poortwachtersgelden
De vroegste vermeldingen van directe belastingen stammen uit 1343 en 1347 en betreffen infrastructurele werken207 [207. In het eerste geval gaat het om een weg buiten de Brinkpoort, in het tweede geval om de welle (kade) buiten de Heestpoort, waarvoor bewoners op de Berg ruim 29 pond betaalden; CRD I, 116, 278 en 304 (“item, vigilibus quum extorquebant pignera (…) et de wella extra Heestpoerten” – kennelijk moesten wanbetalers onderpanden stellen).]. Dit zouden we nutsbelastingen kunnen noemen: zij die er profijt van hadden, droegen hun steentje bij. Gaat het hier om heffingen van incidentele aard, structureel zijn de gelden die geïnd werden ten behoeve van de betaling van de koe- en poortwachters. Burgers die hun koeien op de stadsweiden lieten grazen, betaalden daarvoor belasting “daer men die wachters mede lonen solde die die coen bi nachte ende bi daghe in der weyden hebben ghewaert (=erop hebben gelet)”208 [208. CRD III-l, 260. Niet altijd leverde dit voldoende op om de koewachters mee te betalen. In zulke gevallen zuiverden de cameraars de tekorten aan, zoals bijvoorbeeld in 1373: “Aernde en Gheride den kohierden vor hoer ghebrec dat sie hadden an horen gheelde bi der ghemeenten van horen koen 9 ;b.” (CRD IV, 70).]. Het toegestane maximumaantal te weiden koeien bedroeg in 1401 (maar vermoedelijk ook al eerder) vier per burger, althans op de Marsch209 [209. StRD I, 433.]. De aanwezigheid van stadsschrijver Johan ter Hurnen bij de inning van het koewachtersgeld in 1362 – wanneer tevens het tarief van een Vlaamse groot per koe vermeld wordt – en 1363210 [210. CRD III-l, 105, 150 (“van vijclxxxiii coe, van elker coe ii vlemsche gr., daer hi [cameraar Lubbert ter Poerten] bewisinghe af zal doen in sinen uytgheven van der coe wachte lxv Bruxsche schilde ende x vlemsche gr., maken xcviii lb. ii s. vi d. (sic, lees: xcvii lb. xvii s. vi d.)”; voor de “bewisinghe” 188-189: “deser wachter is te samen xiiii ende der tijt dat sy hebben ghewaket is viii weken; elken man van elker nacht ghegheven ii vlem. gr., dat gheelt is ghecomen van den cogheelde dat Lubbert ende die Hoyer [bestuurders] in wonnen (zie p. 105), maket te samen xcviii lb.”) en 260. Eén koe financierde dus één wakersnacht. De boekhoudkundige fout is wellicht te verklaren uit het wegvallen van het woord “min” na “xcviii lb.”. Hoewel het koewachtersgeld in 1363 geboekt is in de rubriek “weidegraven”, waren zij toen niet betrokken bij de incasso (ib., 270). In 1365 boekte men het apart (ib., 476). Aangezien dit ook het beeld is in andere jaren, is er geen reden om aan te nemen dat de inning van het koewachtersgeld tot de competentie van de weidegraven behoorde.] roept de vraag op sinds wanneer de incasso schriftelijk geschiedde. Reeds in 1339 is sprake van “pecunia collecta de vaccis per plateas civitatis” (=geld dat in de stadswijken ingezameld is wegens het weiden van koeien), van welke inkomsten in geschrifte verantwoording afgelegd werd211 [211. “de qua pecunia recepta fecerunt rationem et adhuc facere volunt ut patet in partibus et scriptis eorum” (CRD I, 69-70).]. Het betreft hier het koewachtersgeld en

|pag. 244|

______ ↑ ______

niet de inkomsten uit het brandmerken van koeien, die pas in de rekening van 1347 verschijnen212 [212. Zie hierna § 5.8.].
Vijf jaar later blijkt dat de inzameling van het koewachtersgeld een taak was van de wachters en wordt opnieuw duidelijk dat zij een schriftelijke basis kende213 [213. “Item, Herbordo, quum conscripsit pecuniam de vaccis de plateis pro expensis 3 s. / item vigilibus, quum extorquebant pecuniam de vaccis ad bibendum 2 s. / item, dicto Kovoert, qui perlegit cedulas de vaccis per plate(a)s 2 s.” (CRD I, 168). Deze Kovoert verschijnt in de jaren 1344-1347 dan weer als bode, dan weer als “klusjesman” of ook wel als wachter in de rekeningen (ib., 134, 138, 162, 241, 301 en 304). Af en toe omschrijft men hem in de rekeningen als “servus” ofwel stadsdienaar in algemene zin.].
     In 1348 kregen de wachters bij de inzameling versterking van Giselbert Jacobsz, die ongetwijfeld als scribent fungeerde214 [214. CRD II, 53, 59. Wegens het houden van toezicht op het wanthuis ontving deze man in beide jaren, alsmede in 1340 en 1343, een loon van vier pond; CRD I, 96 en 111; CRD II, 63, 94. Daarnaast assisteerde hij in 1349 de wachters bij het innen van de kleine tijns (ib., 92). Na 1349 verliezen we zijn spoor – hij zal de Zwarte Dood niet overleefd hebben. Giselbert was naar alle waarschijnlijkheid een telg uit de prominente familie Ten Brinke. Van de twee families die zowel Giselberten als Jacobs kenden, te weten Ten Brinke en Van der Haselt, komt alleen de eerste in aanmerking, afgaande op de informatie die de koopmansgilderol bevat (contra CRD I, index, xi). We hebben vermoedelijk te maken met Giselbert II, die in 1324 samen met zijn broer Johan het lidmaatschap van het gilde verwierf, in het jaar waarin hun vader Jacob olderman was (KGR, rr. 566 en 570). Twee jaar later was Jacob schepen (Berkelbach van der Sprenkel, Regesten, nrs. 687-688).]. Eveneens in 1379 assisteerde een “klerk” de wachters bij de inning215 [215. “Johanne die wachter vor enen cleric te lone die mit hem gheghaen was ende halp hem dat gheelt uyten straten ontfaen tot der kowachten 8 s.” (CRD V, 232).]. Drie jaar later melden de cameraarsrekeningen dat de stadsboden “ontfanghen hadden na der cedelen daer die koen inne bescreven stonden, daer men die koewachters af lonen soelde 90½ lb.”216 [216. CRD VI, 30-31 (rubriek “allerhande zaken”).]. Vast te stellen is dat er sinds de jaren veertig van de 14de eeuw een aparte registratie ten behoeve van de inning van koewachtersgeld in zwang was, waarmee de inners in de wijken uit de voeten konden. Hoe de koegeldadministratie zich verhield tot de brandmerkoptekeningen blijft duister, ook al omdat van geen van beide administraties specimina uit de late Middeleeuwen overgeleverd zijn.
     De opbrengsten aan koewachtersgeld zijn jaar na jaar terug te vinden in de cameraarsrekeningen, doorgaans in de rubriek “van allerhande zaken”. Vanaf 1433 verantwoorden de stadsschrijvers de inkomsten uit koewachtersgeld ten behoeve van de betaling van zowel poort- als koewachters in één verzamelpost in plaats van in de tot dan toe gebruikelijke twee aparte posten217 [217. StRD V, 468. In 1444 zijn alleen de poortwachters vermeld (SAB, Cam., inv. nr. 19i, fo. 3r).].
Aangezien de rekeningen van de “tweede” cameraar over de boekjaren 1431-1432 ontbreken, kan deze verandering één of twee jaar eerder haar beslag gekregen hebben. In 1447 vond een verdergaande clustering plaats: men boekte in de rubriek “van den weidegreven” een nettobedrag, waarin zowel brandmerkgeld, “wijkgeld” (d.i. koe- en poortwachtersgeld) als “buurwerken” (lees: de afkoop van graaf- en aanverwante werkzaamheden door wijkbewoners) begrepen zijn218 [218. Alberts, Cameraarsrekeningen 1447, 23.]. Dit spoor schijnt al snel weer verlaten te zijn, want in 1450 schreef men het brandmerkgeld (in de vorm van een nettobedrag) en het koewachtersgeld net als voorheen gescheiden in de cameraarsrekening in, en wel in de rubriek “weidegraven” respectievelijk “allerhande zaken”219 [219. SAB, Cam., inv. nr. 21b, fo. 1r en 3r.].

|pag. 245|

______ ↑ ______

Overigens waren in 1453 en 1455 de weidegraven verantwoordelijk voor de inning van het koewachtersgeld220 [220. “Item, van den weidegreven, dat sij in den straten ontfangen hebben van den koegelde” en “int., van den weidegreven, van den koegelde dat men in die straten vergadert”; ib., inv. nr. 21h, p. 6 en 22b, p. 5 (naar de getypte versies, aanwezig SAB). Ook de volgende rekeningen bevatten deze formuleringen.].
     Hoewel de wachters geregeld of wellicht steevast versterking kregen van een scribent (en vice versa), is er een uitzonderlijk en bovendien vroeg bewijs dat zij, of althans sommigen onder hen, zelf de schrijfkunst beheersten. Het betreft een document uit onvermoede hoek, namelijk een in het Middelnederlands en op papier gestelde specificatie betreffende “reysa”, die bij de cameraarsrekening van 1349 ingebonden is. De opsomming maakt duidelijk dat het hier gaat om “reysa” in de zin van bodereizen en niet van veldtochten221 [221. Ib., inv. nr. 1l, tussen fo. lv/2r: “item, i reysa to Dypenen te sunte Odulfus daghe / item, i reysa tot Utrecht / item, i reysa tot Campen / item, i reysa tot Tele / item, i tot Rechter tot sunte Margreten daghe / item, i reysa to Hasselt / item, i reysa to Rechter / item, reysa to Brunchorst / item, reysa to Risene / item, ii reysen to Apelldoren / item, i to Aldenzale / item, i reysa to Almelo / item, ii reysen tot Utrecht Des zonendaghes vor sunte Simons daghe // [verso] Dit verreet ic ton irsten iii gr. to Dypenen up sunte Odulfus dach / item, ii gr. tot Uettrecht / item, iii gr. to Campen / item, iii gr. Rechter. / item, vi gr. to Hasselt / item, x bra. to Rechter / […] / item, v gr. to Bruncho[r]st / item, iii gr. to Rise[n] / item, vii schillinc Brabents / item, ix gr. to Almelo” (de strook is afgesneden, zoals blijkt uit de inktresten bovenaan de versozijde). Van Doorninck nam dit fragment niet op in zijn rekeningeneditie.]. De anonieme “ic” die de declaratie in een verzorgd handschrift schreef, laat zich identificeren als de wachter Hendrik222 [222. Dat blijkt uit een vergelijking met de volgende, gehavende rekeningpost uit 1349: “[…]sque Martini hyemalis, Henrico vigili equitanti iussu […] Tijle, bis Rechter, Brunchorst, Rijsene, Hasselt […] ter Traiecti, conductionibus equorum expensis simul […]” (CRD II, 80; voor vergelijkbare posten uit 1347 met betrekking tot bodereizen: CRD I,326-327).]. Ook de rekening van 1350 bevat een “reysa”-specificatie op een inliggend stuk papier, wederom in de hand van Hendrik (en overigens aangevuld door stadsschrijver Gevehard van Hildesheim). In dit geval bracht Hendrik ook reizen van een paar collega’s in rekening. Hij had dus de supervisie over het bodewezen en de reisdeclaraties. Het is denkbaar dat boden hun reizen op schrift, op wastafeltjes of op kerfstokken bijhielden; wellicht hanteerden zij daarenboven afstandstabellen223 [223. Cf. de volgende rekeningpost uit 1368: “Henniken messelgier die ghelopen was na heren Johanne Punt dat hi bi onse scepen to Bomel comen soelde, daer sy te spreken hadden an den greve van Hollant van onser stad recht in Hollant, den hi zochte tot Utrecht ende voert in des greven Haghe ende voert tot Haerlem ende voert tot Amelstelredamme, dat Henniken rekende up 31 milen 2 lb. 10 s.” (CRD III-2, 131-132). Ook in Hamburg betaalde het stadsbestuur in de 14de eeuw een toelage die afhankelijk was van de afgelegde afstand (Körber, “Soziale Ort”, 248 n. 15, naar M. North). In Kampen stelde men in 1413 een regeling te boek met betrekking tot de onkostenkostenvergoeding van reizen van het stadsbestuur en boden naar alle windrichtingen (Poelman, Bronnen Oostzeehandel I-1, nr. 902).].
     Waar Hendrik zijn collegae met doop- en toenaam noemt, omschrijft hij zichzelf als “H. de wachter” – aangezien hij de posten schreef, was een volledige identificatie overbodig224 [224. SAB, Cam., inv. nr. 187, in combinatie met de – slechts ten dele leesbare – rekeningpost in CRD I, 256. De vermelde reis naar de graaf van Holstein kwam voor rekening van een zekere Alekinus (ib., 254).]. Hendrik was in 1337 reeds in stadsdienst, en bleef dat tot 1354. In laatstgenoemd jaar en ook al in 1353 wordt voor Hendrik tegelijkertijd zowel de aanduiding “vigil” als “nuncius civitatis” gebezigd225 [225. Ib., 11; CRD II, 206, 214, 279, 283. Ook Hendriks collega Leo komt in 1353 voor in beide hoedanigheden (ib., 200, 214). In 1352 omschrijft de cameraarsrekening vier personen als “vigiles”, die nadien paarsgewijs hetzij “vigil” hetzij “nuncius” zijn (ib., 153). Overigens inden in 1348 vader en zoon Hendrik, beiden als “vigil” aangeduid, samen het koegeld (ib., 42).
]
.

|pag. 246|

______ ↑ ______

[In de cameraarsrekening van 1350 ligt een specificatie op papier van de reiskosten die de bode/wachter Hendrik voor de stad maakte. Hendrik schreef dit lijstje zelf. De stadsschrijver Gevehard van Hildesheim vulde het zowel op de recto – als de versozijde met een paar notities aan (SAB, Cam., inv. nr. la; foto: SAB).]

Het is duidelijk dat de functieaanduidingen van stadsdienaren in deze periode nog niet vastlagen, of preciezer: een in elkaar overlopende scala aan activiteiten ten behoeve van het stadsbestuur dekten. Deze bevinding spoort met de eerder gedane observatie dat het stedelijke ambtenarenapparaat pas rond 1362/1363 formeel gestalte kreeg226 [226. Zie hoofdstuk 3 § 3.2.2.]. Van belang is het om hier op te merken dat dit apparaat, dat medio 14de eeuw een nog zeer beperkte omvang had, in hoge mate geletterd, althans in de volkstaal geverseerd was. Dat declaraties als de zojuist behandelde bijna allemaal verloren gegaan zijn, is te verklaren uit de functie die zij vervulden: zij dienden eerder als geheugensteuntje dan als bewijsstuk227 [227. Aldus Sander-Berke, “Zettelwirtschaft”, 364 (op basis van 15de-eeuws rekeningenmateriaal).].

Het tweede voorbeeld van een jaarlijks terugkerende algemene nutsbelasting vormen zoals gezegd de wijksgewijs geïnde gelden die bestemd waren om de wachters van de Noordenberg-, Brink- en Heestpoort mee te betalen. Op 26 november 1361 maakten de schepenen een ronde door de stad om huis aan huis het poortwachtersgeld te beuren. De opbrengst “de qualibet domo ubi scabinis videbatur ad selarium custodium portarum” (=van elk huis waar het de schepenen

|pag. 247|

______ ↑ ______

[De wachter kondigt de dageraad aan. Uit: Vensters naar vroeger. Eenentwintig schoolvakken in middeleeuws perspectief. Bulkboek (2e druk; Amsterdam en Barneveld 1985).]

goeddacht voor het salaris van de poortwachters) bedroeg bijna 44 pond. Acht bestuurders stelden op 10 januari 1362 – dus nog in het boekjaar 1361 – een “ordinanci (…) van der wachte ende van den slotelen van den poerten” op228 [228. CRD III-1, 45, 64 en 66. Ook de “wachterklok” wordt in 1362 voor het eerst vermeld; ib., 184 en 234 (1363): “Heyniken den coster van sire pensien dat hi die clocke luet des avonts als men die wachten besettensal 20 s.”.]. Met andere woorden: het stadsbestuur voerde deze belasting in 1361 in. Zijn in 1362 geen inkomsten aan poortwachtersgeld geboekt, het jaar daarop gebeurde dit gespecificeerd per wijk. Het opschrift van het rubriekje vermeldt dat “tot elken hues die dat vormochte eynen Vlem. gr. (…) ghenomen is”229 [229. Ib., 209.]. Onbekend blijft hoeveel “huizen” onvermogend waren en dus van een aanslag verschoond bleven. Gezien het feit dat de opbrengsten zich niet altijd laten omrekenen naar een rond aantal “huizen”, zal een gedifferentieerd systeem van aanslagen gehanteerd zijn, dat rekening hield met vermogen en/of het type woning (huis, “kamer”, kelder, etc.).

|pag. 248|

______ ↑ ______

     Van routine bij zowel de inning als de boekhouding is aanvankelijk nog geen sprake. Waren het in 1361 de schepenen zelf, in 1366, 1369 en 1376 liepen boden door de stad om de incasso te doen, terwijl in de jaren 1367-1368 en 1371-1372 één of twee personen per wijk het geld vergaarden230 [230. Ib., 535 en CRD III-2, 5-6, 106, 214, 361 en 449-450; CRD IV, 322.]. Dat deze laatsten wijkbewoners, mogelijk “keurnoten” waren231 [231. Zie hoofdstuk 3 § 3.1.], kan wel aangenomen worden op grond van het feit dat de rekening van 1373232 [232. CRD IV, 46.] en die in de periode 1377-1412 anonieme “straatgenoten (van onze gemeente)” als inners vermelden233 [233. Alleen in 1382 is sprake van boden en “straatgenoten” tezamen; in 1386 luidt de omschrijving “bi den stratenghenoten, dat sie elc uyt horen straten ontfanghen …” (CRD VI, 30 en 301).]. Boekten de stadsschrijvers de poortwachtersgelden aanvankelijk soms in de ene, soms in de andere, bij uitzondering in beide rekeningen234 [234. In 1364 (per vier wijken; CRD III-1, 315 en 371).], vanaf 1382 ontstond een standaard. Na 1412 verdwijnt de post betreffende het poortwachtersgeld tijdelijk235 [235. StRD III, 66.]. De wachters ontvingen hun loon toen klaarblijkelijk uit het geheel aan stedelijke inkomsten. Vanaf 1433 (wellicht reeds in 1431 of 1432, voor welke jaren één van beide rekeningen ontbreekt) combineren de rekeningen de poortwachters- en koewachtersgelden. In 1441 werden beide ploegen wachters betaald uit de opbrengst van het koegeld236 [236. “Item, van den boeden dat sij vergaderden van den koen in der stad to volliste den poirters ende den koehierden mede te lonen xxxi gul. i d.” (SAB, Cam., inv. nr. 19d, fo. 3r).].
Sinds 1444 inden de boden het wijkgeld alleen voor de poortwachters237 [237. Ib., inv. nr. 19i, fo. 3r.]. De reden dat de bronnen geen melding maken van een afzonderlijke administratie van de poortwachtersgelden is gelegen in het feit dat de wijkbewoners zelf zorg droegen voor de inning ervan, althans tot 1444.

Leningen en schulden
     Een ander type heffing is de – al dan niet gedwongen – lening die het stadsbestuur met zijn burgers aanging. Soms tamelijk verborgen zijn dergelijke leningen veelvuldig in de cameraarsrekeningen aan te treffen. Daarnaast bevat ook het oudste bewaarde verpachtingsregister informatie over dit type leningen238 [238. Ib., inv. nr. 226, fo. 8r-8v, 9v-10v. De opsomming in StRD I, xxin. 3 betreft alleen jaren waarin aparte rubrieken in de cameraarsrekeningen verschijnen; mede daardoor is zij niet uitputtend.]. Een rekeningpost uit 1396 verwijst naar de optekeningen over leningen in dit register239 [239. “Van onsen burgheren die hoer gheelt onser stad ghelient hebben, die Hademan [cameraar] bescriven heft laten int boec daer die anderen onse borghere staen die voertijts onser stad hoer ghelt ghelient hebben” (ib., 166). De rekeningpost is ook opgemerkt door De Meyer (ib., xxi n. 6).]. Begin 1346, nog juist in het boekjaar 1345, duikt het fenomeen van de lening door burgers voor het eerst op240 [240. “quum scabini ordinaverunt de pecunia mutuanda civitati”; CRD I, 200 (d.d. 13 januari). Wellicht was de lening bedoeld om een bisschoppelijk privilege te kopen. Ik ga voorbij aan een heffing uit 1344, die waarschijnlijk ten doel had een rechtszaak tegen Roelof (Rudolf) van Bevervoorde te bekostigen. De aangeslagenen waren Herman van Zudena en Egbert Grimbergen, Johan van Bevervoorde en een anonymus uit Holthoon. Zij brachten met z’n vieren 109 pond en 12 schellingen op. Hoewel het rubriekopschrift rept van ontvangsten “de exactionibus …”, lijkt dit eerder een zoengeld of iets dergelijks; ib., 125. Zie ook 127, 135-136, 138 (“item, pro expensis factis per scabinos in domo Vreden, quum querimonie contra Rodolphum de Bevervoerde fuerunt conscripte”, d.d. 12.1.1345), 139, 174-175 (veldtocht of strafexpeditie, d.d. 15 en 19 oktober 1344).]. Een kalenderjaar later leenden bewoners van de wijken (Pol-, Water- en Assenstraat) in totaal 832 pond voor werkzaamheden bij het kasteel “Dure”. Hoewel slechts bij twee wijken melding gemaakt wordt van een aparte administratie (“ut patet in partibus” = zoals uit

|pag. 249|

______ ↑ ______

de specificaties blijkt), omvatte zij ongetwijfeld ook de overige zes241 [241. Ib., 309 en 335.]. Dit register is niet meer voorhanden. Soms namen de stadsschrijvers lijsten met de namen van crediteuren integraal in de rekeningen op, zoals in 1367, toen de stad geld leende van 52 burgers. Dat leverde iets meer dan 3.423 pond op. Blijkens aantekeningen in de marge als “solvit” (=heeft betaald) fungeerde deze lijst als een kohier242 [242. CRD III-2, 15-18, rubriek “van gheelde dat die stad ghelient heft omme hantghelt”. Het is mij niet duidelijk hoe De Meyer en Van den Elzen, “Oligarchie”, 18 aan het in tabel II vermelde aantal contribuanten en eindbedrag komen. Achtergronden van de lening geven dezelfden in “Knokken en dokken”, 12-13. Er is mijns inziens geen reden om aan te nemen dat het in dit geval door de stad terug ontvangen leningen betreft (contra StRD I, xxi).]. De opbrengst was onder meer bestemd voor een lening aan bisschop Jan van Virneburg.
In ruil verwierf de stad privileges243 [243. Zie hierna § 5.4.].
     In 1374 boekte de cameraar aan de inkomstenkant 1.239 pond “van den gheelde dat onse stad ghelient heft (…) van horen burgheren”244 [244. CRD IV, 88-89.]. Een gezelschap van zes stadsbestuurders, de twee cameraars en stadsschrijver Johan ter Hurnen bepaalde op 18 september wie aan de lening moesten deelnemen en liet hiervan een lijst aanleggen245 [245.
“do sie daer over gheseten hadden dat sie lieten bescriven die ghene van onser ghemyenten die onser stad gheelt lienen solden” (ib., 112).]
. Afgaande op de gang van zaken is het zeer aannemelijk dat het stadsbestuur inzicht had in de vermogenspositie van burgers. Als daarvan al een schriftelijk overzicht bestond, valt dat nergens in de bronnen te traceren. Het is echter ook mogelijk dat opgave van vermogen mondeling en onder ede geschiedde. Op 9 oktober wees het schepencollege vier man uit zijn midden aan “dat sie dat gheelt verghaderen soelden die onse stad ghelient hadde van onsen burgheren”. Een dag later belegden de twee cameraars en Johan ter Hurnen een bijeenkomst over de lening246 [246. Ib., 167-168. De provisoren van het gasthuis van de H. Geest droegen liefst 435½ pond bij; ib., 144 en 195 (gedeeltelijke terugbetaling).].
     Het oudste bewaard gebleven register dat speciaal voor een verplichte lening aangelegd werd, is een door stadsschrijver Johan ter Hurnen beschreven katern met 288 naar wijk en daarbinnen naar persoon geordende aanslagen. De totaalsom bedraagt 3.132 pond en 15 schellingen247 [247. Door Dumbar, Kerkelyk en wereltlyk Deventer I, 558 correct weergegeven, zij het op ponden afgerond. Onjuist is de opgave van het aantal contribuanten en het eindbedrag bij De Meyer en Van den Elzen, “Oligarchie”, 18 tabel II (270, respectievelijk 4.200 lb.). Dezelfde auteurs tellen in hun artikel “Knokken en dokken”, 10, 275 contribuanten in 1380 (tabel 1). In de gealfabetiseerde lijst op p. 25 sommen zij echter 284 namen op (waaronder een dubbeltelling: Willem ten Stalle, die in twee verschillende wijken aangeslagen werd). Op basis van wankele aannames berekenen de auteurs een bevolkingsomvang in 1380 van krap 13.000 zielen bij een vermenigvuldigingsfactor 4.8 (p. 19). Dit aantal spoort niet met de berekeningen op basis van het poortwachtersgeld (zie hoofdstuk 1 figuur 1, alsmede bijlage 9).]. Doordat de bovenzijde van de (perkamenten) bladen aangetast is, is het opschrift nog slechts ten dele leesbaar248 [248. Alleen de woorden “… bezette van den hues toe Eerde” (SAB, MA, inv. nr. 250). Gepubliceerd (in alfabetische volgorde) door Van den Elzen en De Meyer, “Knokken en dokken”, 19-25. Een rekeningpost uit 1395 geeft een heldere omschrijving van een soortgelijk, maar verloren gegaan kohier: “die daer to ghezat weren dat sie [een raadslid en iemand met onbekende functie] dat vors, gheelt van onser ghemyenten ontfanghen soelden, daer sie onser stad die personen ende elken persone sijn ghelt dat hi der stad heft ghelient overbescreven af ghegheven hebben” (StRD I, 102).]. De opstelling van het kohier hangt samen met de belegering van het kasteel Eerde bij

|pag. 250|

______ ↑ ______

[Om een veldtocht naar het kasteel Eerde te bekostigen, liet het stadsbestuur in 1380 in een register de namen noteren van burgers die hiertoe geld moesten lenen (SAB, MA, inv. nr. 250; foto: SAB).]

Ommen door Deventer troepen in 1380249 [249. Een uitgebreide beschrijving van de voorbereidingen en het verloop van de veldtocht geven Van den Elzen en De Meyer, “Knokken en dokken”, 5-8.]. Diverse posten in de cameraarsrekening van 1380 verwijzen naar deze lening250 [250. CRD V, 278, 291-292, 322 en 341. Voor de afbetaling ook nog: ib., 382, 386-387 (aparte cedel vermeld).]. Uit de formuleringen blijkt zonneklaar dat het om een gedwongen lening ging: rijke burgers moesten een bijdrage leveren. Alle pagina’s zijn door middel van een kruis gecancelleerd; ten teken van betaling of juist van terugbetaling? Van den Elzen en De Meyer zijn van mening dat de in de rekeningposten figurerende Steven van Nyet door zijn functie van onder meer “stadsontvanger” – zoals zij hem omschrijven – beter dan wie ook de welstand van

|pag. 251|

______ ↑ ______

zijn medeburgers kende251 [251. Van den Elzen en De Meyer, “Knokken en dokken”, 8.]. Hoezeer dit op zichzelf juist kan zijn, het is niettemin uitermate twijfelachtig dat het geheugen van één persoon toereikend was voor zoiets gecompliceerds als een belastingheffing – zelfs als we ervan uitgaan dat alleen een elite hierbij betrokken was, en dat het geheugen van “de” middeleeuwer in sommige opzichten getrainder was dan het onze. Ook in dit geval zal het stadsbestuur over gegevens van individuele vermogens de beschikking gehad hebben.
     Een rekeningpost uit 1358 doet vermoeden dat de stad een algemene schuldenboekhouding bijhield252 [252. “Item, per scabinos (…), quum perviderunt et collegerunt debita civitatis” (CRD II, 603).]. In 1373 stuiten we op een vergelijkbare post253 [253. “do sie [de schepenen] zeten achter up der stad hues, ende oversloghen (=nazagen) wes sie schuldich weren van der stad weghen” (CRD IV, 23). Overigens bevatten de cameraarsrekeningen van 1343 en 1344 een rubriekje “hec debita infra scripta tenetur solvere civitas ex emptione vini”, respectievelijk “[Ist]a sunt debita que civitas Daventriensis tenet solv[ere…] vini”, waarna een opsomming volgt van crediteuren (CRD I, 118-119 en 146-147).]. Voorts is in 1396 sprake van een bijeenkomst van de cameraars, schrijvers en boden “do die cemeners daer over ghezeten hadden dat sie verghaderden wes dat onse stad schuldich is ende wes men onsen stad weder schuldich is”254 [254. StRD I, 150. Deze post heeft een pendant in het oudste verpachtingsregister: in 1385 berekenden de schepenen wat de bisschop de stad schuldig was wegens een lening aan hem, onder meer ten behoeve van bouwwerkzaamheden in Diepenheim (SAB, Cam., inv. nr. 226, fo. 8r).].
Een stedelijk schuldboek wordt in 1436 vermeld255 [255. “Item, van Henric Bruyns van heren Hermans wegen van Keppel die in der stad scholtboeck stont, 56½ Rijns gl.” (StRD VI, 82).]. Tenslotte bevatten ook de pandboeken soms optekeningen van schulden in een rubriek “dit is men der stat (van Deventer) schuldich dat int pantboec nyet en hoert”256 [256. StRD IV, 507-508 (1422); StRD V, 591-593 (1427).]. Voor wat betreft de tweede helft van de 14de eeuw vinden we deze schuldenboekhouding (deels?) terug in het oudste bewaarde verpachtingsregister, voor zover het (gedwongen) leningen betreft. Daarnaast is een door stadsschrijver Johan van Ommen geschreven, per jaar gespecificeerd overzicht van ten behoeve van algemene Stichtse zaken voorgeschoten gelden over de periode 1361-1393 opgenomen in het “olde copienboick”257 [257. “Dit is dat die stat van Deventer uytgheleghet heft in des gestichts zaken van Utrecht” (met een summa van 23.769 lb. 11 s. 10 d., waarna nog de jaren 1392 en 1393 volgen, alsmede een nettobedrag “van den gelde dat onse stat uytghegheven heft voer onsen stat burgere die ton Ottensteyne gevangen weren”; SAB, MA, inv. nr. 4a, fo. 132r).]. Deze lijst was gebaseerd op een onderzoek van de cameraarsrekeningen uit de genoemde periode258 [258. Een nauwgezette vergelijking van de gegevens in de lijst en de bijbehorende rekeningen zou misschien kunnen uitwijzen of in 1393 nog rekeningen aanwezig waren die nadien verloren zijn gegaan. Aangezien de reeks rekeningen over deze periode geen hiaten vertoont, betreft het dan overigens hoogstens eerste of tweede exemplaren uit een bepaald jaar. Nog een ander voorbeeld van een onderzoek in de rekeningen dateert uit 1418.
Cameraar Egbert Bodiker overleed tijdens zijn ambtsperiode, waarna zeven bestuurders, onder wie ook de nieuwe cameraar, “Egberts rekeninge overseghen, omme die schulders te betalene die Egbert sculdich bleef doe zine rekeninge gesloten was” (StRD IV, 90).]
.
Klaarblijkelijk was er een verband met de bisschopswisseling in Utrecht in 1393; wilde de stad een drukmiddel achter de hand hebben om de nieuwe landsheer Frederik van Blankenheim privileges af te dwingen? Als dit inderdaad het doel van deze optekeningen is geweest, slaagde het stadsbestuur ten dele in zijn opzet259 [259. Men vergelijke de door stadsschrijver Johan van Ommen afgeschreven oorkonden van (gemene) schepenen en raden uit 1394 (niet nader gedateerd), waarin naar aanleiding van de herbevestiging van de privileges, rechten en vrijheden door de bisschop een tweetal punten afzonderlijk uitgewerkt werd: de tollen en gruit enerzijds (ten aanzien waarvan de bisschop zijn rechten handhaafde, en welke hij buiten de confirmatie hield), en de procedure bij onenigheid over renten en goederen (ten aanzien waarvan de bisschop de stad tegemoetgekomen schijnt te zijn); SAB, MA, inv. nr. 4a, fo. 17r.].

|pag. 252|

______ ↑ ______

Landsheerlijke belastingen
Eén van de oudere, goed gedocumenteerde voorbeelden van een bisschoppelijke heffing is de wel zeer omvangrijke uit 1331 ter financiering van de aankoop van de heerlijkheden Diepenheim en Dale. De opbrengst, opgebracht door Salland en Twente tezamen, bedroeg ruim 3.765 pond. Deventer fungeerde als inningscentrum260 [260. De rekening van de kosten van de inning, zoals ingediend door heer Jan van IJsselstein, kanunnik-thesaurier van Sint Marie in Utrecht, is uitgegeven door Muller, Registers en rekeningen II, 509-511. Van IJsselstein hield verblijf bij Johan van Wijhe. Deze was deken van Sint Lebuinus in de jaren 1335-1338; Van Kesteren, Ontwikkeling, 140 (bijlage 4).]. Met voorbijgaan van diverse andere belastingen261 [261. Bijvoorbeeld uit 1354, 1358 en – vermoedelijk landsheerlijk – 1359 (CRD II, 235, 550, 640). Met de “exactio” van 1354 hangt samen de rubriek uit dat jaar met het opschrift “item, expositum Gerardi in solutione pecunie Frederico de Heker ex parte domini episcopi solute” (ib., 271-272).], dienen de gebeurtenissen in de jaren 1418/1419 zich aan als illustratie van het lokale effect van een bisschoppelijke heffing, in dit geval van Frederik van Blankenheim. In 1419 verschaften zowel 68 burgers als de provisoren van het gasthuis van de H. Geest en van de leprozerie het stadsbestuur gezamenlijk een aanzienlijk bedrag. De terugbetaling is datzelfde jaar geboekt; alleen de provisoren van beide instellingen ontbreken in de lijst. Hoogstwaarschijnlijk was er een verband tussen de lening en de veldtocht naar kasteel Neuenhaus in 1418. In dat jaar waren stedelijke en bisschoppelijke scribenten betrokken bij het redigeren van vele schuldbekentenissen262 [262. “Item, des bisscops scrivers geschencket gheliic den anderen steden als Campen ende Zwolle die sie unsen stad scrivers voert schenkeden, want sie den meesten deel van den brieven van den Nyenhuys gescreven hadden” (StRD IV, 133; ib., 163-166 – onder het kopje “dit gelt heft Steven [Momme, cameraar] ontfangen van den geleenden gelde” – en 188-190). Avis, Directe belastingen, rept niet van deze heffing. Van de veldtocht zijn zowel stedelijke als landsheerlijke rekeningen opgemaakt. Bestuurders uit de drie grote Overstichtse steden controleerden de bisschoppelijke financiële verantwoording een half jaar na afloop van de expeditie; StRD IV, 90 (bisschoppelijke rekening), 107 (datum belegering) en 122 (stedelijke verantwoording). In verband met deze expeditie keerde het stadsbestuur een schadeloosstelling uit aan een Deventer Franciscaan die – ongetwijfeld als aalmoezenier – zijn brevier verloor en bovendien gewond raakte (ib., 131). In het “wantsnijdersgildeboek” is door stadsschrijver Johan van Ommen een korte kroniek van de veldtocht neergeschreven, waaruit blijkt dat de bisschop Deventer als uitvalsbasis gebruikte (SAB, BA, inv. nr. 27, pp. 1-2; op p. 2 vermeldt hij de Franciscaan Johannes van Eep – wel dezelfde als de aalmoezenier). Zie ook Dumbar, Kerkelyk en wereltlyk Deventer II, 64 e.v.].
     Een volgend voorbeeld is postulaat/bisschop Rudolf van Diepholt. Van vier heffingen uit zijn regeerperiode bleven de Sallandse kohieren bewaard263 [263. Vgl. SAB, MA, inv. nr. 475 (1427, 1429, 1433 en 1445); Avis, Directe belastingen, 54-60.]. In Deventer vinden we de weerslag hiervan terug in de cameraarsrekeningen264 [264. Overigens ook op andere, onverwachte plaatsen – zo staan achterin het brievenboek (zie hoofdstuk 3 § 3.4) aantekeningen over de schatting van 1445 (SAB, MA, inv. nr. 7, p. 96).]. Vanaf 1429 bevatten zij posten en vaste rubrieken die erop wijzen dat het stadsbestuur leningen aanging bij burgers (en bij burgers van andere steden)265 [265. Van den Elzen en De Meyer, “Knokken en dokken”, 13 brengen dit in verband met het Utrechts Schisma en de keus van Deventer voor Rudolf van Diepholt. In deze richting wijst ook het privilege “dat men nu voirt aen nae datum dis briefs [maandag na Palmdag] gheenen burger noch ondersate onser stad van Deventer vorsz. bynnen onsen landen myd onsen gerichte besetten noch beletten en sal”, dat elect Rudolf de stad in 1433 verleende “om gonsten wille die ons die selve stad voirsz. in onsen lasten bewiset heeft” (geciteerd naar Dumbar, Kerkelyk en wereltlyk Deventer II, 125).]]. Stadsschrijver Johan Pallas kreeg in 1428 één “tuin” voor elk door hem geschreven

|pag. 253|

______ ↑ ______

exemplaar van de in totaal 107 “brieven van renten ende scholt die die stad schuldich is”266 [266. De “tuin” was een zilveren munt van twee groot, ingevoerd door Willem VI van Henegouwen en Holland.]. In de ene beschikbare cameraarsrekening van 1429 tellen we aan de uitgavenkant 106 per wijk geordende namen267 [267. StRD V, 244 en 305-311.]. Vond de terugbetaling zo snel plaats? De cameraarsrekening van 1430 bevat de post: “Item, Johannes Pallas voir francijn ende was dair der borgere brieve van den hondertsten penning op ende mede gescreven ende besegelt siin 1 sc., maket 6 gl. 6 pl.”268 [268. Ib., 380.]. Een aantekening uit dit jaar in het wantsnijdersgildeboek (een voortzetting in codexvorm van de koopmansgilderol over de periode 1417-1764) toont niet alleen aan dat gilden ook hun steentje bijdroegen, maar laat tevens zien dat geldverschaffers rente ontvingen269 [269. “In den iaer ons heren m cccc ende xxx up sencte Poncianus avent, doe bleef de stat van Deventer den gilde schuldich van den iaer xxix dat se doe ontfengen lxiiii postelats gul., ende daer voer solde dat gilde des iaers van der stat to rente hebben van xvi d. enen d, dat maken iiii postelats gul. des iaers” (SAB, BA, inv. nr. 27, p. 12).]. In de ene bewaard gebleven cameraarsrekening van 1432 is aan het eind van de uitgavenkant een rubriek “Van den geluesden brieven van den hondertsten penning” opgenomen, met daarin 263 namen. In 1433 telden dezelfde rubrieken in de beide rekeningen tezamen 234 namen, in 1434 nog 69 in totaal270 [270. StRD V, 426-427 en 428-437; ib., 456-460 (“eerste” rekening) en 503-508 (“tweede” rekening); ib., 532-534 (“eerste” rekening) en 569-570 (“tweede” rekening).]. Nadien verschijnt de rubriek over de honderdste penning niet meer; het stadsbestuur had deze schuldenlast binnen vijf jaar afgelost.
     Eén van beide rekeningen van 1430 kent een aparte rubriek “renten die die stad den borgeren schuldich is”, met daarin 133 naar wijk uitgesplitste namen271 [271. Onduidelijk is hoe De Meyer en Van den Elzen, “Oligarchie”, 18 tabel II tot een aantal van 650 crediteuren komen. Het getal 133 ondergraaft hun redenering dat in de loop der jaren (dat is: de periode 1362-1430) “steeds meer kleine contribuanten hun steentje moesten bijdragen aan een stadslening”.]. In de “tweede” rekening van 1433 is direct na de “honderdste penning”-rubriek eveneens deze naar wijken verdeelde rentenrubriek te vinden; in 1434 gaat een rubriekje “van geluesden renten” vooraf aan de “honderdste penning”-rubriek, waarna de naar wijk geordende rubriek ingeschreven is272 [272. StRD V, 382-389, 509-515, 531-532 (“eerste” rekening) en 568-569 (“tweede” rekening).]. Ook in de navolgende jaren keert deze rubriek telkenmale terug. Zoveel is duidelijk, dat in de jaren dertig van de 15de eeuw een intensivering en diversificatie van het financiële verkeer tussen burgers en stadsbestuur plaatsvond. Het blijkt dat de meente hierbij een vinger in de pap had273 [273. Schepenen, raad “und alinge gemeynheit” verkochten in 1434 “to orber ende nut” een rente aan een burgeres van Münster en zegelden met het stadssecreetzegel. Mogelijk schreef stadsschrijver Johan Pawe deze zeer uitgebreide tekst in het “olde copienboick” af om als formulier te dienen (SAB, MA, inv. nr. 4a, fo. 61 r). Een vermoedelijk rond 1428 aangelegd memoriaal bevat veel aantekeningen over renteverkoop door de stad met toestemming van de meente (ib, RA, inv. nr. 47). In het keurboek van 1448 is in algemene zin vastgelegd dat de schepenen “geen gelt uytlenen noch geven (en sullen), dan redelick hoefschheit, ten sie myd consente der meente” (VL, 136; in 1471 aangescherpt voor wat betreft het stellen van zekerheden en de procedure bij wanbetaling). Van Kalveen, “Geschiedenis”, 50 interpreteert deze keur minder juist als zouden magistraat en meenslieden besloten hebben “dat alleen met toestemming van de meenslieden de magistraat rentebrieven mocht uitgeven”.
Het gaat hier echter niet om de uitgifte van jaarrenten, maar – zoals de keur ook letterlijk zegt – om het lenen of geven van geld door het stadsbestuur aan particulieren – de omgekeerde route derhalve. De term “hoefschheit” bewijst dit eens te meer; hij slaat op de jaarlijks terugkerende rubriek met het opschrift “pro curialitate”/“vorhovescheit” in de cameraarsrekeningen.]
. Te vermoeden valt dat de geschetste ontwikkelingen verband hielden met de toenemende frequentie van bis-

|pag. 254|

______ ↑ ______

schoppelijke belastingen. Op stadsschrijver Pallas rustte de taak in een paar jaar tijd honderden schuldbekentenissen te schrijven en te doen zegelen. Het zal geen toeval zijn dat de zegelaars na een lange stilte juist in deze jaren weer in de bronnen terugkeren. In het oog springend is het feit dat sinds 1430 ook het renten- en onroerendgoedverkeer tussen burgers onderling schriftelijk beslag kreeg in de vorm van de eerder behandelde renunciaties274 [274. Zie hoofdstuk 4 § 4.3.2.].

5.2. Wijnheren

De wijnheren komen reeds in de cameraarsrekening uit 1337 voor en waren belast met de inning van de accijns op het tappen van wijn275 [275. CRD I, 7.]. Van 1337 op 1339 maken de inkomsten die de wijnheren afdroegen aan de cameraar een sprong van 84 naar 720 pond, waarna dit hoge niveau jarenlang gehandhaafd bleef276 [276. Ib., 7 en 41.]. Dit wijst hetzij op het recent instellen van het wijnherenambt, dat dan nog niet over een efficiënt werkend inningsapparaat beschikte, hetzij op een – dan wel zeer ingrijpende – accijnsverhoging in het boekjaar 1338 (welke rekening niet bewaard bleef). Eventueel kan (tevens) sprake geweest zijn van een uitbreiding van bevoegdheden. De eerste optie lijkt de plausibelste. De wijnheren droegen hun inkomsten sinds 1344 af aan één van de cameraars277 [277. Ib., 121. Merkwaardig genoeg heeft Schneider, Deventer, de wijnaccijnzen niet verwerkt in bijlage 9.3 (inkomsten- en uitgavenrubrieken van de cameraarsrekeningen).].
De wijnaccijns diende niet zelden om tekorten van de cameraars aan te zuiveren. Zo “effende” in 1361 één van hen op het stadhuis zijn rekening met de wijnheren en gaven de wijnheren de ene cameraar in 1373 “eyn deel gheeldes (…) uyten wyntappen”. In 1401 droegen de wijnheren hun kastegoed over aan één van de cameraars278 [278. CRD III-l, 71; CRD IV, 21; StRD II, 1.].
     Uit 1363 stamt een vermelding dat de nieuwe wijnheren door het oude schepencollege gekozen (“ghecoren”) werden279 [279. CRD III-l, 283. Ook vermeld door Van Doorninck, CRD I, xxiii.]. Dit gebeurde twee weken na de schepenwisseling, hetgeen impliceert dat het nieuw aangetreden schepencollectief althans deze functie niet zelf in vrijheid kon bezetten280 [280. Het enige andere mij bekende voorbeeld stamt uit 1372, toen op 29 februari de “oude schepenen” bijeen kwamen “omme die ampteto zetten” (CRD III-2, 427).].
De wijnheren legden ten overstaan van hun medeschepenen financiële verantwoording af281 [281. “By den scepenen, doe sie rekenden mit den wiinheren ende de hoere wiinpenninghen overgaven” (d.d. 17.1.1371, dus ruim een maand voor de bestuurswisseling (ib., 285)).].
     Naast de accijnsinkomsten boekte men vanaf 1337282 [282. CRD I, 9.] meestal en sinds 1353 steevast aan de inkomstenkant apart ook een som aan wijnpenningen (“denarii vini”). Dat juist in 1353 voor het eerst het bestaan van een aparte wijnherenrekening gedocumenteerd is, zou kunnen betekenen dat deze boekhouding toen haar intrede deed283 [283. “Item, de factura instrumenti dicti crane per Odonem et Herbordum exposita et computato iuxta eorum computationem 143 lb.” (CRD II, 206). In ib., 214 blijkt dat genoemde personen dat jaar wijnberen waren. De vermelding uit 1344: “Item, computat Egidius [cameraar] in expositis per dominos de vino sibi in receptis computatis xlvi lb., pront patebit in partibus” (CRD I, 145) slaat eerder op bescheiden van de cameraar dan op een wijnherenboekhouding. Vermoedelijk gaat het hier om gelden die de cameraar de wijnheren verschafte, en die apart gespecificeerd werden.]. Dat lijkt echter een beetje aan de late kant, gegeven de hoogte van de revenuen van de wijnheren sinds 1339. Gedurende de jaren 1388-1410

|pag. 255|

______ ↑ ______

kwam er de klad in de notatie van de wijnpenningen; meestal bleef de rubriek oningevuld (16:23), in 1396 is het bedrag geradeerd284 [284. StRD I, 136.]. Naar de redenen voor deze ontwikkeling kunnen we slechts gissen; kregen de wijnpenningen een vaste, maar ons onbekende bestemming? Het onderscheid tussen beide categorieën inkomsten van de wijnheren – accijns en wijnpenningen – blijkt uit enkele posten die ongewoon veel informatie verschaffen. Als inkomsten van de wijnheren boekte de cameraar in 1365 enerzijds een hoofdbedrag “van den wijntappe” en anderzijds een kleiner bedrag “van den wijnpenninghen van den wine die sy over iaer hebben ghebruket”.
Een jaar later gaat het om wijnpenningen “van den wine den sy over jaer hadden doen tappen”285 [285. CRD III-l, 467 en 527.].
Wie die “sy” zijn, lezen we in 1385: “Van den wynpenninghen boven den wijn dien onse scepen over jaer verschenket hebben, bi den kerfstocke gherekent…” en in 1396: “Van den wijnpenninghe boven den wijn dien die cemeners over iaer van onser stad weghen verschenket hebben, gherekent na den kerfstocken …”286 [286. CRD VI, 203-204 en StRD I, 136.]. Over deze “schenkwijn” – de wijn die het stadsbestuur liet uitschenken – voldeed men dus geen accijns, maar “wijnpenningen”. De “schenkwijn” vloeide niet alleen wanneer vooraanstaande bezoekers de stad aandeden, maar ook bij gelegenheid van de verpachting van stedelijke bezittingen287 [287. Bijvoorbeeld CRD III-l, 28: “do Ode ende Herbort van Rectem [cameraars] saten ende vordaden die slaghe in den Vene, van den sij vorteerden ende van wijne den men schenkede den luden die daer quamen ende vorhogheden die slaghe in den Vene” (1361). Is de schenkwijn de rode wijn, waarvan de stadsbestuurders van Zwolle in 1402 van hun Deventer collegae op schrift verlangden te weten “hoe vele die (…) gulde (=kostte)”? (StRD II, 111).].
     Dat de kerfstok een sleutelrol speelde in de administratie van de wijnaccijnsheffing laat zich aan de hand van nog vele andere rekeningposten staven. Herbergier Hendrik Bolten leverde het stadsbestuur in 1367 wijn “die ghesant ende gheschenket was, die up den stoc ghekervet was, daer ghene wijnpenninghe af gherekent en sin”288 [288. CRD III-2, 45. Dezelfde Hendrik kreeg in 1366 van de schepenen een achterstallig bedrag aan “wijnkoop” dat hij “in sire tafelen hadde staende” (CRD III-1, 543). Hij is een vroeg voorbeeld van een geletterde herbergier. Sassen, “Bijdrage”, 41 interpreteert – op basis van een andere rekeningpost – Boltens ‘tafels’ als lijsten met behulp waarvan de onderlinge waardeverhoudingen van munten te berekenen waren.]. De wijnknechten brachten in 1377 de cameraar een bedrag in rekening “van verschenkeden wine die up den stocke gherekent was ende dien die wijnheren niet gherekent en hadden in die wijnpenninghe”. Een jaar later worden wijnknechten bij naam genoemd. Toen boekte de cameraar vijftien pond “van wijn die verschenket was (…) die hem ontbrac boven dat gheelt dat hem die wijnheren korten vor die wijnpenninghe”289 [289. CRD V, 32. Het gaat om Gerrit Vrancken en Werner ten Brinke. Vrancken had in 1376 onenigheid met de wijnheren (“Gheride Vrancken vor verschenkeden wijn, want die wijnheren van ghenen wijnpenninghen rekeninghe doen en woelden in der ijrster noch in der ander rekeninghen die die cemeners den scepen ghedaen hadden (…) 52 lb. 10 s.”; CRD IV, 303). Ten Brinke werd in 1383 omschreven als “onser stad wijnknecht”. Hij had een eigen herberg, die tegen de stadsmuur aan de welle lag (CRD VI, 133, 263 en 353).]. In 1401 lezen we opnieuw dat op de stok bijgehouden werd hoeveel wijn door de stad

|pag. 256|

______ ↑ ______

[Achttiende-eeuwse kerfstokken die betrekking hebben op graanleveranties (SSZ, archief Sint Anthony Kleine Broederschap, inv<. nr. 129; foto: SSZ).]

verschonken was, en dat de wijnheren het corresponderende bedrag aftrokken van het totaal aan wijnpenningen290 [290. StRD II, 1.]. De wijnknechten speelden ook een rol bij het opstellen van (voorstadia van) de cameraarsrekeningen; zo waren zij op 20 juli 1387 met stadsschrijver Johan ter Hurnen present toen een cameraar zijn maandrekening inschreef291 [291. CRD VI, 353.].
     Uit het voorgaande laat zich afleiden dat de “schenkwijn” op de kerfstok genoteerd werd en dat de kosten ervan in mindering gebracht werden op het totaalbedrag van de “wijnpenningen”.
Die “wijnpenningen” werden afgedragen door degenen die in het stadswijnhuis tapten, terwijl particuliere tappers in de stad een wijnaccijns verschuldigd waren. Dit verklaart de tweedeling in de jaarlijkse inkomsten van de wijnheren. De hoeveelheid door het stadsbestuur te verschenken wijn was gelimiteerd, althans wat betreft het vaste wijngelag op Sint Maartensavond. Het wijnpenningtarief bedroeg in 1370 vijf schellingen per kwart vloeistofmaat292 [292. “Vor den wijn die men sende der stad vrienden ende anders horen dyenres, boven den wijn den die telres afspreken” en “vor 6 quarten wijns die verschencket woerden boven den wine die de telres gheven ende afdeden xxx s.”; CRD III-l, 497 (1365) en CRD III-2, 282 (1370).]. De kerfstokadministratie was een zaak van zowel de wijnheren als hun leveranciers, want het bewijs van een schuld werd geleverd door de vergelijking van de stok en de “wederstok”, die overeen moesten komen293 [293. Voor dit principe: Posthumus, Geschiedenis Leidsche lakenindustrie I, 263.]. De kerfstok was dus een chirograaf in hout. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat niet alleen de “schenkwijn” op de kerfstok geregistreerd werd.
     Naast de administratie van accijnzen en penningen zijn nog andere bescheiden van de wijnheren aan te wijzen, zoals in de cameraarsrekeningen opgenomen specificaties met betrekking tot

|pag. 257|

______ ↑ ______

wijnschulden en -voorraden uit de jaren 1343-1345 en 1347294 [294. CRD I, 118-119, 146, 179 en 337.]. De wijnheren kochten zeil partijen wijn in bij onder anderen handelaren uit Zutphen en Rees (of lieten dat doen door tussenpersonen)295 [295. Ib., 146 (1344) en 337 (1347); CRD VII, 159 (waar sprake is van de kooplieden van de wijnheren, 1390). In 1390 zond heer Gijsbert van Bronkhorst een bode naar Deventer “die onser stad enen breef brachte dat hi begheerde dat onser stad wynheren van hem een deel wine copen woelde”; ib., 146 (en 150). Vier jaar later beraadslaagden vier bestuurders “mit J[ohan] Mettzing ende anders een deel vremeder lude daer onser stad wijnheren hore wine pleghen weder te copen” (StRD I, 43).] en verkochten of schonken bij gelegenheid wel eens wat296 [296. “Omme eyne pipe wijns die men den here van Kovorden ghaf, die die wijnheren rekenden” en “den here van Kovorde eyne pipe wijns ghezant, die die wijnheren Gosene [cameraar] rekenden” (1364 en 1365, beide keren op Sint Maartensavond; CRD III-1, 350 en 519); CRD V, 88 (“van winen die sie onsen heren van Utrecht vercoft hadden” (1377, als achterstallige betaling geboekt in de rekening van 1378)).]. Uit 1362 en uit de periode 1368-1370 stammen eveneens in de cameraarsrekeningen geïncorporeerde overzichten, waarin doorgaans ook nog een component op de kerfstok afgerekende “zancwine” (wijn voor het misoffer) is onderscheiden, en waarin de accijnsinkomsten naar data geclusterd zijn. Het gaat hier eveneens eerder om cedelen dan om rekeningen297 [297. CRD III-1, 139-140; CRD III-2, 59-60, 159-160 en 262-263.].
     In de inleiding op dit hoofdstuk is reeds vastgesteld dat men het ambt van wijnheer tot 1412 rekende tot de “overste ampte”. Sedertdien verpachtte het stadsbestuur de wijnaccijns (evenals trouwens de hopaccijns)298 [298. In de “eerste” cameraarsrekening van 1412 is het aldus geformuleerd: “Inteerste, bi [volgen de namen van drie pachters], die dit iaer ende dat toecomende iaer dien vors, assijs hebben voer [volgt bedrag]” (StRD III, 37).
Gedurende de jaren 1418-1419 was naar het schijnt een magistraatslid pachter, terwijl in de periode 1426-1428 het schepencollege de wijnaccijnsinning tijdelijk in eigen hand nam (StRD IV, 88 en 136 en StRD V, 91, 120, 190 – de “eerste” rekening van 1429 ontbreekt). Voor de hopaccijns, zie § 5.5.]
. Voor de wijnpenningen kwam een apart register in zwang299 [299. “Item, over jair verschencket dair die summe aff belopt, gelijck Willem [cameraar] dat wall mit sijnen register dat hie dair aff heefft wall bewijsen will 63 lb. 8 kr.”; SAB, Cam., inv. nr. 23g (1459), fo. 5v. Drie jaar tevoren werd een aparte “maandcedel” van de schenkwijn integraal afgeschreven in de cameraarsrekening (“item, desse cedule hevet junge Willem ten Kolke overgelevert van schencwijn in Hermans [Bueving, cameraar] sovende maent etc. [volgt specificatie]”; ib., inv. nr. 22d, fo. 10r).]. De beslissing om tot verpachting van deze stedelijke inkomstenbron over te gaan leidde meteen tot een stijging van de opbrengsten. In 1417 blijkt de pachtsom in drie termijnen voldaan te zijn, sinds 1420 ging het in vieren (op Pasen, Sint Jan, Sint Maarten en Sint Paulus), terwijl vanaf 1423 alleen nog sprake is van een Sint Maartenstermijn300 [300. StRD IV, 24, 201 en 354.]. De kladrekening van 1422 toont hoe de “basisboekhouding” opgezet was: per termijn en ook per tussentijdse betaling301 [301. Ib., 301-302.]. Soms pachtte één man – al dan niet met “gezellen” – de wijnaccijns, geregeld ook drietallen. De pachters heten in de cameraarsrekeningen “wijncijsmeesters”; zij inden ook boetes die met overtredingen in de “wijnsector” te maken hadden302 [302. Ib., 221 en 267 (beide 1420). De drie in 1420 genoemden waren in 1412 de eerste pachters. Zie ook StRD V, 393 (1431).].
     Reeds in de jaren 1352-1354 en 1356 investeerden de wijnheren een deel van hun inkomsten in de stadskraan op de “welle”, de handelskade langs de IJssel303 [303. CRD II, 144, 206 (in combinatie met 214), 267 (in combinatie met 241) en 411. In één adem met de kraan wordt in 1423 de “oude wijnwagen” genoemd. Reparaties daaraan kwamen voor rekening van de stad (StRD IV, 400).]. Medio 14de eeuw speelde de kraan dus al een rol in de overslag van wijn. Voor het onderhoud van het stadswijnhuis waren de

|pag. 258|

______ ↑ ______

wijnheren al evenzeer verantwoordelijk304 [304. Cf. CRD IV, 32 en CRD V, 43: “Bi Herberte van Rectem ende Berwolt Nyeghenap, wijnheren, an onser stad wijntaveernen vertymmert ende vor glas dat tot onser stad behoef licht” (1377). Vier jaar eerder declareerden de wijnheren in een cedel bijna 132½ pond voor verbouwingen aan de “kelre vore in der stad hues” (CRD IV, 32), welke wel identiek zal zijn aan de stadswijntaveerne.]. In 1373 dienden zij een cedel in bij één van de cameraars, met daarin een specificatie van de kosten van in totaal bijna 274 pond van reparaties (“tymmeringhe”) aan de kraan en aan het stadswijnhuis Brunenberch305 [305. Ib., 32. Een jaar eerder boekte een cameraar ook al een onkostenpost van dertig pond van de wijnheren wegens verbouwingen aan de kraan en “an Brunenberch die dele te fluren” (CRD III-2, 433 – zie ook CRD III-l, 508: “der stad wijnheren, to der tijmmeringhen an den hues to Brunenberch 87 lb.” (1365)).]. De financiering van de aankoop in 1364 van dit wijnhuis à raison van 601½ pond geschiedde via een lening van burgers. De wijnheren van dat jaar legden hiervoor verantwoording af in een aparte rekening, die zij overlegden aan één van de cameraars. Daarbij was ook stadsschrijver Johan ter Hurnen van de partij306 [306. Ib., 333, 343 en 357.]. Gedurende de jaren 1403-1411 zien we de wijnheren tevens inkomsten ontlenen aan de stadskraan307 [307. “alse van onser stad kranen alse van der ghasten guede over te setten [volgt bedrag]” (StRD II, 161). Hierna steeds te vinden in de “tweede” cameraarsrekening, rubriek “allerhande zaken”.]. Kooplieden van elders dienden dus te betalen voor het lossen van hun vaten wijn op de IJsselkade.
     Vanaf het midden van de 15de eeuw worden we hierover meer gewaar. In het Deventer buursprakenregister steekt een losse, ongedateerde strook met de volgende tekst: “Nyemans en sall wyn in noch uytslaen, hie en koeme ijrsten by Iacob onsen scriver ofte Geerd Beck, by sulcken koer als dair op stiet. Oick en sullen die kraenemeisters gene wyne arbeiden, in noch uyt te slaene, dair en sint Iacob off Geerd vors, ijrsten by onthaelt (=erbij gehaald) tot elcker tijt bij v lb.”308 [308. SAB, MA, inv. nr. 135a, 28/29.].
“Jacob onze schrijver” is Jacob van Noerle, die in 1442/1443 in stadsdienst was getreden. Beck duikt omstreeks hetzelfde jaar op en was rond 1450 gelagmeester in het stadswijnhuis Steerne309 [309. Ib, RA, inv. nr. 19, fo. 26v; ib, Cam, inv. nr. 21a, fo. 4r en ib, inv. nr. 21b, fo. 4r en 6v (naar de getypte versies, aanwezig SAB).]. Hij verrichtte ook andere schrijfarbeid voor het stadsbestuur. Zo ontving hij in 1457 tien kromstaarten “om een register uyt te scriven van onses seligen heren [wijlen de postulaat/bisschop Rudolf van Diepholt] schulden, dat men onsen heren [de nieuwe landsheer David van Bourgondië] ter Horst [bisschoppelijk kasteel nabij Rhenen] solde senden”310 [310. Ib, inv. nr. 22e, fo. 3r (naar de getypte versie, aanwezig SAB).]. De buurspraak is wellicht te dateren in 1464, wanneer de cameraarsrekening de volgende post bevat: “Item, Jacob van Noerle den inslach ende uytslach van der stad wegen te waeren 5 oelde schilde facit 15 lb.”311 [311. Ib, inv. nr. 23h, fo. 6r.]. Zij laat aan duidelijkheid niets te wensen over: elk te laden of te lossen vat wijn op de IJsselkade diende ter registratie aangemeld te worden bij één van de genoemde scribenten.
Kennelijk achtte het stadsbestuur een verscherping van het toezicht noodzakelijk en de buurspraak het geëigende medium om burgers en vreemdelingen te bereiken. De buurspraak in kwestie is te beschouwen als een verbijzondering van een keur over tolplichtige goederen in het keurboek van 1448312 [312. Zie hierna § 5.7.]. Van dergelijke wijnoverslagadministraties is al evenmin iets bewaard

|pag. 259|

______ ↑ ______

[Op dit detail uit het oudste stadsaanzicht van Deventer is de kraan op de IJsselkade te zien.
Anonieme houtsnede, ca. 1550 (collectie Historisch Museum Deventer, inv. nr. 0995).
]

gebleven. Wel is een tarieflijst overgeleverd van de goederen die met de stadskraan gelost werden, welke aanvangt met een aantal bepalingen over wijn313 [313. “Ordinancie van den Craene soe vreemde luyde geven sullen (…) item, wat van anderen guede an den krane kompt ende men van den krane gewonden will hebn dat die cedule niet begrepen en heeft, dair sullen die kanemeisters (sic) redelick gelt aff nemen” (SAB, MA, inv. nr. 156a, fo. 39r). De hand is mij onbekend; zij is vermoedelijk in het derde kwart van de 15de eeuw te plaatsen. Waarschijnlijk is dit de ordonnantie waarnaar het keurboek van 1486 verwijst in de eed van de kraanmeesters: “… ende die ordinancie dair van holden sullen, die opt raethuys hengt, ende nymant dair en baeven bezwaeren off affnemen en sullen …” (geciteerd naar Dumbar, Kerkelyk en wereltlyk Deventer I, 161). De inventaris van Besier e.a. uit 1870 vermeldt onder nr. 1198e een ordonnantie op de kraan uit 1460.].
     Het raadsambt van wijnheer hield in 1412, met de verpachting van accijns en kraan, op te bestaan314 [314. StRD III, 39 en 69.]. Gegeven de zeer lange traditie van stedelijk beheer van de wijnaccijns was dit een ingrijpende wijziging in de raadsambtenconstellatie. Consequenties op het vlak van de verschriftelijking had zij ook: de stad incasseerde nog slechts een pachtbedrag en hoefde geen accijnsboekhouding meer bij te houden. Alleen de overslag op de kade resulteerde nog in ambtelijk schriftgoed. De cameraarsrekeningen geven geen antwoord op de vraag of pachters van de wijnaccijns konden schrijven, al is dit zeer aannemelijk.
     In 1463 zag een keur het licht waarmee men een eind beoogde te maken aan de situatie dat bestuurstaken gecombineerd werden met het pachten van stedelijke inkomstenbronnen, waaronder de wijnaccijns. Dit was een aanscherping van een bepaling dienaangaande in het keurboek

|pag. 260|

______ ↑ ______

van 1448, zoals eerder aangestipt is. Schepenen moesten voortaan in hun eed, raadsleden in hun “sekerheit”, expliciet opnemen dat zij de wijnaccijns niet zouden pachten, alleen of met anderen.
Gaf iemand de voorkeur aan het pachten van de wijnaccijns boven een plaats in het stadsbestuur, dan diende hij 25 pond zwaar te betalen om zijn zetel op te geven315 [315. VL, 168.]. Men maakte hier dus een uitzondering op de regel dat een gekozene zijn ambt hoe dan ook bedienen moest, hetgeen wel aantoont hoe lucratief het in pacht nemen van de wijnaccijns was.

5.3. Gruitmeesters

Sinds 30 april 1339 pachtte het Deventer stadsbestuur het recht op de verkoop van gruitstoffen voor honderd pond kleine penningen per jaar van landsheer Jan van Diest. De pachtsom verviel jaarlijks op twee tijdstippen, namelijk op de feestdag van de geboorte van Johannes de Doper en op Kerstmis316 [316. Berkelbach van der Sprenkel, Regesten, nr. 1255 en CRD I, 46. Anders dan De Meyer, StRD I, xxii schrijft, is in de rekening van 1340 geen post te vinden over de afdracht van de pachtsom aan de bisschop, wel een cryptische post die daarmee verband houdt: “Item, Johanni Vriherte et Johanni Grote …restitutas quas ipsi concesserunt antiquis s(cabin)is de pacto fermenti domini episcopi” (CRD I, 79). Elders in deze rekening is een uitgave van twee maal twaalf pond geboekt voor beiden (ib., 96). In 1344 en 1345 inde de bisschoppelijke receptor Gozewijn van Bakerweerd de pachtsom. Aan “wijnkoop” toucheerde hij in 1345 achttien pond. De verpachting aan het schepencollege vond toen plaats in het huis Ter Schuren (ib., 158 en 219-220). Abusievelijk vermeldt De Meyer, StRD I, xxii n. 3 dat in 1347 een pachtbedrag van vijftig pond genoteerd is. De tweede termijn werd omstreeks Kerstmis voldaan (CRD I, 279-281).]. Nog datzelfde jaar liet het stadsbestuur een gruithuis inrichten317 [317. Johan Vriherte genoot sinds 1339 een jaartijns van een pond uit het gruithuis, ten laste van het stadsbestuur (ib., 57). Aangezien in 1344 deze tijns nader omschreven is als “aree domus fermenti”, zal het gruithuis op een perceel gebouwd zijn dat zijn eigendom was (ib., 139; voorts Koch, “Stadhuis”, 34). Het gruithuis – in 1340 “stamphus” (CRD I, 80) – stond in de Polstraat (StRD I, xxii). In CRD I, 110 zijn allerlei uitgaven aan het gruithuis en de gruiter geadministreerd, waaronder turf.]. Misschien niet toevallig komen gruitstoffen in het “Amersfoortse” Katentoltarief uit 1338 niet, maar in het “Amsterdamse” uit 1347 wel voor. De eerste tien mud “krudes gheheten ghaghelkrued, de in enen scepe siin” wordt daarin aangeslagen voor één “Hollands” per mud, daarboven diende men het elfde mud te geven318 [318. Höhlbaum, Hansisches Urkundenbuch II, nr. 627; een foto is te vinden in OO V, tegenover p. 60 (nr. 1153); Van der Laan, Oorkondenboek Amsterdam, nr. 88. Smit, Opkomst handel Amsterdam, 71-72 vermeldt dat Amsterdammers gagel vermarktten in Deventer, en dat Deventernaren het product (volgens de auteur dan afkomstig uit Hamburg) ook wel in Amsterdam kochten. Een gedateerde bespreking van de oorkonde biedt Wiselius, “Beschouwing”, 55. Doorman, Middeleeuwse brouwerij en gruit, 27 stelt op gezag van Kraus dat de stad Wesel haar gagel (“custum” of “mirtus”) onder meer uit Deventer, Zwolle, Arnhem en Dordrecht betrok.]. Aanvankelijk was de boekhouding van het gruithuis een taak van de beide cameraars. De vermelding van een betaling aan stadsschrijver Herbord ten Brinke in de “gruitrubriek” in de rekening van 1340 valt moeilijk anders te duiden dan als een vergoeding voor het schrijven van de gruitrekening319 [319. CRD I, 90. Waar het incompleet bewaard gebleven rubriekopschrift nog ruimte laat voor de gedachte dat het gaat om allerhande uitgaven die uit de opbrengst van de gruit gefinancierd werden, geven de notities in de rubriek een ander beeld: zij hebben alle betrekking op het functioneren en het beheer van het gruithuis (personeel, gebouw, grondstoffen; zie ook ib., 79-80 en 110). Doorman, Middeleeuwse brouwerij en gruit, 93 en 95 (bijlagen IV en VI) geeft de verkochte hoeveelheden gruit en de winst van het gruitbedrijf in Deventer in vergelijking met Wesel in de periode 1339/1344-1348 in tabelvorm weer. Voor de geschiedenis van de gruit in Deventer bevat dit boek voorts belangwekkende informatie op pp. 32 e.v. Doorman gaat ervan uit dat in Deventer niet alleen gruit verkocht werd, maar ook het halffabrikaat wort (“medulla brasii”) en het als veevoeder benutte bijproduct draf (“soppa fermenti” of “gruet soppe”).]. Vanaf 1344, met de introductie van twee “kamers”, zijn de inkomsten doorgaans

|pag. 261|

______ ↑ ______

terug te vinden in de “eerste” rekening320 [320. Zie Schneider, Deventer, Bijlage 9.3. Minder juist vermeldt De Meyer, StRD I, xxii dat dit sinds 1358 het geval is.]. Gruitmeesters komen voor sinds dit jaar321 [321. CRD I, 118. Hoewel deze lijst van “officia civitatis” aan het eind van de rekening van 1343 opgenomen is, slaat zij op de verdeling van de raadsambten in 1344. Doorman, Middeleeuwse brouwerij en gruit, 35 spreekt ook al in 1340 van gruitmeesters.]. Dan is ook sprake van een kas in het gruithuis, die echter voordien al aanwezig geweest zal zijn322 [322. In 1344 en 1345 troffen twee bestuurders bedragen van achttien Brabantse schellingen en vier mark in het gruithuis aan (CRD I, 152).]. De gruitmeesters voerden een eigen financiële administratie. De cameraarsrekeningen bevatten tot en met 1354 aan de inkomstenkant steeds een uittreksel van de ontvangsten, onder opschriften als “recepta de fermento”, “receptum a (…), magistris fermenti”, en in 1348 naar het schijnt een compleet afschrift van de uitgaven onder het opschrift “expositum (…) ad fermentum”323 [323. CRD II, 9-12.].
     In ruil voor een lening van duizend pond verkreeg Deventer de bisschopstol in de zomer van 1354 voor de duur van tien jaar van bisschop Jan van Arkel in pand, behoudens tussentijdse inlossing324 [324. SAB, MA, inv. nr. 225 (d.d. 26 juli).]. Waar de oorkonde slechts van een tol rept, maken de cameraarsrekeningen melding van een combinatie van gruit en tol, te weten de verderop te bespreken bisschopstol325 [325. CRD II, 236.]. Aan de inkomstenkant van de cameraarsrekening vinden we dan ook een boeking, Kerstmis 1354, van een gruitpachtbedrag van vijftig (immers voor een half jaar!) en in de daarop volgende jaren van honderd pond326 [326. Ib., 257, 318. De Meyer, StRD I, xxii-xxiii kende deze oorkonde klaarblijkelijk niet en kon de veranderingen in het beheer van de gruit – door haar “kort na 1348” gedateerd – dan ook niet verklaren. Rutgers, Jan van Arkel, 102-103, maakt geen melding van de overeenkomst.]. Het stadsbestuur noteerde het bedrag dat voorheen jaarlijks naar de bisschop vloeide voortaan dus als besparing aan de inkomstenkant. Vermoedelijk heeft Jan van Arkel de lening aangewend om zijn schuld aan Herman van Lage te betalen. Sinds de zomer van 1349 incasseerde Lage het Deventer pachtbedrag327 [327. StRD I, xxiii n. 2. Er bleef een door stadsschrijver Gevehard van Hildesheim geschreven kwitantie uit 1351 bewaard, uitgevaardigd door de bisschoppelijke vicaris-generaal Geert (Gerard) van den Veen. Hierin is expliciet vermeld dat schepenen en raad de pachtsom aan Herman van Lage overhandigd hadden. Van een jaar later dateert een vermoedelijk door een bisschoppelijke schrijver geredigeerde kwitantie betreffende de ontvangst van de gruitpacht via de meier van Colmschate, die fungeerde als “onsen reynthemeister van onser stat van Devenenter (sic)”; SAB, MA, inv. nr. 153a (d.d. 18 juni) en ib., inv. nr. 153b (d.d. 30 oktober).]. Het bezoek van een Deventer stadsbode aan de ambtman van Lage in Almelo eind maart 1354 houdt ongetwijfeld verband met de nieuwe verhoudingen rond de gruit328 [328. CRD II, 242.]. Vanaf 1355 boekte de cameraar nog slechts het totaalbedrag dat hij ontving van de gruitmeesters329 [329. Ib., 293 (rechtstreeks in ponden uitgedrukt) en 451-452. Minder juist stelt De Meyer, StRD I, xxii dat dit sinds 1352 het geval was. Alleen 1356 biedt het vertrouwde beeld van een opsomming van data en bedragen (CRD II, 363-364).]. Aangezien er sinds dat jaar geen uitgaven in verband met de gruit meer ingeschreven zijn, is het in de cameraarsrekeningen vermelde totaal op te vatten als een nettobedrag330 [330. Een rekeningpost uit 1381 verwoordt het aldus: “An gheelde dat sie [de gruitmeesters] Johanne den Hoyer [cameraar] ghegheven hebben uyten vorsz. gruyt boven den onraet” (StRD I, xxii; CRD V, 351). Doorman, Middeleeuwse brouwerij en gruit, 94 (bijlage V) geeft zich hiervan geen rekenschap in zijn overzicht van inkomsten uit de gruit in de jaren 1351-1393.].

|pag. 262|

______ ↑ ______

     Kort na het aantreden van bisschop Jan van Virneburg kwam het tot een conflict over de gruit en tolprivileges in het Sticht Utrecht dat de gemoederen in 1364 en 1365 nogal verhitte, en waarin Geert Grote een bemiddelende rol speelde331 [331. CRD III-l, 339, 393 en 406-407. De tabel in Doorman, Middeleeuwse brouwerij en gruit, 94 (bijlage V) vermeldt in 1364 abusievelijk een bedrag van 1.779 lb. 4 s. 5 d.; men leze: 779 lb. 4 s. 5 d.]. De details – hoe interessant ook – hoeven ons hier niet bezig te houden. Van belang is een medio 1367 in Deventer opgestelde kwitantie van de bisschop voor een lening van schepenen en raad van Deventer van ditmaal tweeduizend pond. De helft van het bedrag inden Robrecht, broer van de bisschop en diens schrijver Geert (Gerard) Borchgravinc, de andere helft was al eerder geïncasseerd door de rentmeester van Salland. De lening geschiedde “op onsepensie van onser gruyt”332 [332. SAB, MA, inv. nr. 153c (d.d. 25 juli). Middenonder is geschreven: “iussu domini”, uiterst rechtsonder: “G. s.”, vermoedelijk te lezen als: “Gerardus scripsit”. Als dit juist is, betreft het hier een autograaf van Borchgravinc.]. Met andere woorden: de jaarlijkse gruitpacht diende ter aflossing van de lening, zoals blijkt uit de rekeningen over 1368 en 1369333 [333. CRD III-2, 104 en 211.]. Na 1370 vermelden de cameraarsrekeningen niet langer de betaling van de jaarlijkse “gruitpensie”, noch aan de cameraar noch aan de bisschop noch aan derden. Dit moet op de een of andere manier samenhangen met de verzoening, medio december dat jaar, tussen bisschop Jan van Virneburg “bi rade onser vriende (…) ende witscap onser goeder lude van onsen steden, alse van Campen ende van Zwolle” enerzijds en stadsbestuur en burgers van Deventer anderzijds334 [334. En wel terzake van “allen twiste ende ghebreke, dat sij van weldeliken (=gewelddadige) zaken, van tollen of van enighen zaken die wij ende sie onderlinghe hebben ghehadt ende in pleytzaken (=processen) binnen lands ende in den hove van Romen gheholden sijn ende noch gheholden weerden mit appellacien of anders yenighe wijs, ende mit alle den ghenen die der appellacien der van Deventer vorscr. adhereret hebt, alse heren Everde van Heze [sic, Ese], cureyt ende kerchere (=pastoor) van Onser Vrouwen kereken to Deventer ende sinen cappelanen”.
Voorwaarde was dat de processen binnenslands en te Rome beëindigd werden en dat de Deventer burgers als vanouds tolvrijstelling genoten in het Sticht Utrecht (SAB, MA, inv. nr. 340, d.d. 15.12.1370 – met de zegels van de bisschop en van de steden Kampen en Zwolle).]
. Ongetwijfeld als gunst voor de steun die Deventer bisschop Frederik van Blankenheim verleende bij zijn pogingen het bisschoppelijke gezag in Drenthe en de stad Groningen weer tot gelding te brengen (de tekst rept in algemene zin van leningen en hulp in het verleden), verwierf de stad in 1401 onder meer de gruit “mit den assijs (=accijns) binnen der stad muren, opten Oertmersche ende op den holtmarct tusschen der Berchpoerten ende der ziekenhues ende anders alle horen toebehoren alse sy daer ghelegen sin” in erfpacht335 [335. Ib., inv. nr. 180a. Ib., inv. nr. 4a, fo. 43r-44r, bevat in de hand van stadsschrijver Johan van Ommen een afschrift van de gelijktijdig opgemaakte en gezegelde reversbrief van burgemeesters, schepenen en raad, waaraan het citaat ontleend is. De gruitcontracten bleven ook bewaard in het bisschoppelijk archief; Muller, Catalogus, nr. 127 (zes oorkonden uit de periode 1339-1401). Wat onder de accijns verstaan moet worden is onduidelijk; die op de Oertmarsch is daadwerkelijk geboekt in de rekening van 1401 (StRD II, 32)./].
     In de cameraarsrekening van 1430 komen de gruitmeesters nog voor, in die van 1433 niet meer336 [336. StRD V, 339 en 461.]. Aangezien de rekeningen van de ene cameraar over de beide tussenliggende jaren verloren gegaan zijn, is niet precies vast te stellen waar het omslagmoment ligt. De bewaard gebleven rekeningen laten niets los op dit punt. Te vermoeden valt dat er een verband is met een verandering die

|pag. 263|

______ ↑ ______

in 1433 plaatsvond met betrekking tot de (hop-)bieraccijns (zie hierna). De inkomsten van de gruitmeesters zijn al in de cameraarsrekeningen van 1420 tot 1430 vaker niet dan wel geregistreerd. In 1427 bedroegen zij nog slechts een schamele vier gulden337 [337. Ib., 141.]. We kunnen er rustig vanuit gaan dat de gruitbierproductie opgehouden had te bestaan. Niet voor niets ging in 1437 het oude gruithuis tegen de vlakte338 [338. Koch, “Stadhuis”, 36.]. De teloorgang van de gruitinkomsten lijkt gelijke tred te houden met de spectaculaire stijging van de pachtsommen van de hopaccijns sinds 1419, zoals in de volgende paragraaf zal blijken. Achteraf heeft de erfpachtovereenkomst uit 1401 dus weinig vrucht gedragen339 [339. Doormans tabel betreffende de inkomsten uit de gruit en de hopbieraccijns laat zien dat deze laatste in de periode 1371-1393 vrij stabiel waren; Middeleeuwse brouwerij en gruit, 94 (bijlage V).].
     Van de gruitmeestersboekhouding zijn slechts twee rekeningen uit 1414 en 1421 overgeleverd340 [340. StRD III, 248-252 en StRD IV, 491-494. Het saldo van de rekening van 1414 komt trouwens niet overeen met dat in de tweede cameraarsrekening van dat jaar. De gruitmeesters boekten een tekort van ruim 157 gulden, maar overhandigden de cameraars 150 gulden (StRD III, 180 en 251).]. Zij hebben beide de vorm van gebonden bifolia. De eerste is geschreven door stadsschrijver Johan van Ommen, de tweede telt drie verschillende handen, waaronder ook die van Van Ommen.
     Curieus is de in het Middelnederlands gestelde “bewisinghe van den gruethues” op naam van de beide fungerende gruitmeesters, die het einde vormt van één van de cameraarsrekeningen van 1355. Ik houd het erop dat zij door de stadsschrijver afgeschreven is van een gruitmeesterscedel.
In het verlengde hiervan kan verondersteld worden dat schepenen hun raadsambtenadministratie in de volkstaal voerden. De rekeningschrijver vertaalde deze doorgaans – maar in dit ene geval dus niet – in het Latijn, althans tot 1361, toen men in de cameraarsrekeningen op het Middelnederlands overging341 [341. Het is om redenen van doelmatigheid en nauwkeurigheid dat de in het Latijn gestelde cameraarsrekeningen doorspekt zijn met Middelnederlandse technische termen, en niet omdat het Latijn geen of ontoereikende equivalenten kende; Kadens, “Invoering”, 27-28. Bovendien was Latijn niet de moedertaal van scribenten; zij dachten in hun eigen taal (ib., 31).]. Deze werkwijze werpt opnieuw een onvermoed licht op de “overgang” van Latijn naar volkstaal: als schrijftaal losten zij elkaar niet af, maar functioneerden zij gelijktijdig, al is het op verschillende administratieve niveaus. Dit blijkt ook uit de eerder vermelde, in het Middelnederlands gestelde “reysa”-specificatie uit 1349, en zal bij de bespreking van het timmermeestersambt opnieuw naar voren komen. De in de rekening geïncorporeerde “bewisinghe” is bovendien een indirect getuigenis van het feit dat stadsbestuurders rond het midden van de 14de eeuw (en – afhankelijk van de leeftijd die men hun wil toedichten – al enkele decennia voordien) konden schrijven, sterker: móesten kunnen schrijven om hun ambt naar behoren te kunnen vervullen342 [342. Mijn mening staat diametraal tegenover die van De Meyer, “Latijn en volkstaal”, 6 n. 41, die stelt dat de Deventer schepenen de schrijfkunst niet of slecht beheersten. Als bewijs voert de auteur aan dat de rekeningen “die zij als stadskameraar geacht werden te schrijven” door stadsschrijvers geredigeerd werden en dat nog rond 1400 bijna alle administratieve net- en kladteksten in Deventer één en dezelfde schrijfhand vertonen. Op zich zijn deze constateringen juist, maar over de schrijfvaardigheid van stadsbestuurders zeggen zij niets. De Meyers bewering is overgenomen door Kuppers, Stadtrechmingen Geldern, inleiding 45.]. Zo krijgt de eerdere argumentatie over dit onderwerp langs deze omweg extra gewicht343 [343. Zie hoofdstuk 2 § 2.5.].

|pag. 264|

______ ↑ ______

5.4. Hopmeesters

De hopmeesters inden de accijns op het hopbier344 [344. Cf. CRD V, 175: “… die over jaer dat hoppenbyer verwaert hebben, die sie hem [de cameraar] over jaer van hoppensise ghegheven hebben” (1379).]. De benaming “hopmeesters” verschijnt in 1372345 [345. CRD III-2, 437.]. De rubriek “van den hoppenbier”, waarin de cameraar het bedrag boekte dat de twee hopmeesters hem overhandigden, verschijnt een jaar eerder in de stadsrekeningen346 [346. Ib., 346.]. Reeds in 1369 echter “verwaarden” twee schepenen het hopbier347 [347. Ib., 212.]. Met andere woorden: het ambt van hopmeester ontstond in 1369. De hopmeesters hadden evenwel voorlopers. In 1361 is sprake van een betaling aan “den viren die de hoppe vorwaren zullen” en een jaar later zworen acht bestuurders “die lude (…) die die hoppe solden vorwaren” in. Datzelfde jaar inspecteerden vijf bestuurders de hop, wat dat in de praktijk ook precies betekend mag hebben. In 1365 werden de hopbierdragers beëdigd, en in 1366 legden drie mannen een eed af dat zij het hopbier zouden “verwaren”348 [348. CRD III-1, 15, 117, 152, 479 en 538.]. Deze drie waren geen bestuurders. Kortom: gedurende de jaren 1361-1368 experimenteerde het stadsbestuur met “verwaarders” van buiten het schepencollege349 [349. Zie voor deze beginfase ook Doorman, Middeleeuwse brouwerij en gruit, 37-38.], om daarna het heft zelf in handen te nemen. De accijnsbedragen die de hopmeesters vergaarden waren substantieel350 [350. Onverklaarbaar zijn overigens de extreem hoge inkomsten in het “startjaar” 1369: bijna 1.217 pond (CRD III-2, 212). Is de accijns van 1369 nog een brutobedrag en zijn alle latere bedragen nettoboekingen?]; toch is van een boekhouding geen spoor te vinden.
     Hoewel hop misschien reeds in de late 13de eeuw in Deventer geïntroduceerd was351 [351. In 1284 werd de zoon van een zekere “Henso hoppenbere” lid van het koopmansgilde (KGR, r. 286).] en ook in het “Amsterdamse” Katentoltarief uit 1347 verschijnt352 [352. “van enen zacke hoppen vier Hollands” (Van der Laan, Oorkondenboek Amsterdam, nrs. 88 en 89). In het Amersfoortse tarief uit 1338 ontbreekt hop (Höhlbaum, Hansisches Urkundenbuch II, nr. 627); een foto is te vinden in OO V, tussen pp. 60 en 61 (nr. 1153).], verscherpte het stadsbestuur klaarblijkelijk pas in de jaren zestig van de 14de eeuw zijn toezicht op deze sector353 [353. Ook in Utrecht was dit sedert 1364 het geval; Doorman, Middeleeuwse brouwerij, 89 (bijlage III).]. Dit gebeurde ongetwijfeld vanwege het groeiende belang ervan. De eerste aanschaf van hop is in de cameraarsrekening van – eveneens – 1347 verantwoord354 [354. CRD I, 280-281, rubriek “expositum (…) ad fermentum …”. Uit 1340 dateert een vermelding van een man met de bijnaam “Hoppenbyr” (ib., 95).]. Nog enkele jaren nadien bleef het een exotisch product. In het boekjaar 1355 namen de stadswachters op twee verschillende tijdstippen panden in ontvangst van lieden die hopbier tapten, terwijl dat jaar een boeterubriekje voor hopbier in de cameraarsrekening verschijnt, waarin negen herbergiers (m/v) figureren. Twee jaar later staan er vijftien personen genoteerd in de rubriek “de excessibus cervisie hummulate” (= vanwege overtredingen van gehopt bier), terwijl toen “hopbierpanden” vrijgegeven werden355 [355. CRD II, 291, 314, 337, 450, 465.].
Eerder kwam al ter sprake dat in de jaren 1364-1368 een aparte hopbierrubriek verschijnt in de boetelijsten van de cameraarsrekeningen. De opmars van het hopbier verliep klaarblijkelijk niet

|pag. 265|

______ ↑ ______

[Bierbrouwer. Houtsnede door Jost Amman, uit: Stände und Handwerker. Liebhaber-Bibliothek alter Illustratoren, VII. Bändchen (oorspr. Frankfurt/M. 1568; facsimile München 1884).

zonder slag of stoot en ging vergezeld van keuren op deze nieuwe nering.
Aangezien de boetes al opgelegd werden vóór sprake is van hopmeesters, zullen zij eerder op maten en kwaliteit betrekking gehad hebben dan op het in gebreke blijven bij de betaling van accijnzen.
     In 1389 vaardigden de schepenen een verordening uit op de hopaccijns, welke ingeschreven werd in het oudste bewaarde verpachtingsregister. Voor elk vat hopbier, gebrouwen binnen de stad “daer gheelt af queme”, moest één plak betaald worden. De eerste inning geschiedde een maand na de bestuurswisseling en vervolgens halfmaandelijks356 [356. “Aldus waert do ghezat onser stad hoppen cijs” (SAB, Cam., inv. nr. 226, fo. 7v).]. Dat jaar had een particulier de hopaccijns in beheer. Deze stelde drie weken na de bestuurswisseling borgen en voldeed zijn pacht in termijnen357 [357. CRD VII, 30, 58 en 65.]. Het jaar erop functioneerden weer twee schepenen als hopmeesters. Het waarom van dit kortstondig intermezzo is niet te achterhalen; wellicht viel het hoogste bod lager uit dan de verwachte opbrengst. Dat er (ook) met de nieuwe accijns gefraudeerd werd blijkt wel hieruit, dat in 1390 de rector van het Meester Geertshuis, Johan van den Gronde, een bedrag van ruim 15 ½ pond “die hem in der bijcht ghedaen weren (…) van achterstedighen hoppencyse” overhandigde aan één van de beide hopbiermeesters van dat jaar. Aangezien deze priester datzelfde jaar tevens een via de biecht verkregen bedragje aan onbetaald Katentolgeld overhandigde358 [358. Ib., 109 en 138.], kunnen we ervan uitgaan dat hij in een preek op enigerlei wijze aandacht besteed heeft aan de invoering van de nieuwe accijns. We stuiten bij dit “gewetensgeld” op een opmerkelijke vorm van samenwerking tussen stadsbestuur en geestelijkheid359 [359. Zie voor laat-15de-eeuwse voorbeelden uit Zutphen: Gimberg, “Kapitaal”, 148. Over Van den Gronde (+1392), die als een begenadigd preker bekend stond, schrijven Alberts en Hulshoff, Frensweger handschrift, 60-62 en Weiler, Volgens de norm, xviii, 4-5, 11, 13, 21, 27, 56, 173-176. In het cartularium van het Heer Florenshuis is een oorkonde uit 1424 afgeschreven, waarin sprake is van de bewaarders van de boeken van Van den Gronde (Levelt, “Regesten-lijst”, nr. 9). Cf. voor “tolspijtoptanten” nog een doorgehaalde post in de kladrekening van 1414: “Item, heren Gaderde in meister Florens huys die 20 gl. betaelt hadde die hem in der bijcht angecomen weren, gheschenct 8 pl.” (StRD III, 174 letternoot c).].
     In 1394 en 1395 bevatten de cameraarsrekeningen aparte rubriekjes betreffende (tap-)accijn-

|pag. 266|

______ ↑ ______

zen op “Hamburger bier”. “Verwaarders” waren beide jaren dezelfde bestuurders360 [360. StRD 1, 2-3 en 70. In Utrechtse keuren verschijnt Hamburger bier in 1397; Doorman, Middeleeuwse brouwerij, 90 (bijlage III).]. Voordien worden we van dit bier slechts sporadisch iets gewaar. Tijdens de Sint Jansjaarmarkt van 1380 liep een van brieven voorziene Deventer bode naar Amersfoort, Amsterdam en andere Hollandse steden “dat hore burghere gheen Hoenburgher byer in onse marcte veyle tappen en soelden”361 [361. CRD V, 327.]. Het ligt voor de hand te denken dat het stadsbestuur de lokale Hamburgerbiertappers wilde beschermen, en dus dat dit bier een belangrijk deel uit maakte van het in de stad getapte hopbier. Twee rekeningposten uit 1383 en 1384 illustreren daarentegen dat dit bier niet in grote hoeveelheden beschikbaar was in de stad. Ook referenties uit 1393 wekken de indruk dat Hamburger bier iets speciaals was362 [362. CRD VI, 83, 131, 145; CRD VII, 316, 318, 348 (“van Henric van Leyden van dien Hoenburgher byer dat hi mede overbrachte van der reysen dat hi tot Lubeke van onser stad weghen gheweest hadde”).]. Op 10 februari 1391 arriveerde een Hamburgse stadsbode die een brief bracht over het Hamburgerbier. Een maand nadien liep een Deventer bode met “stadsbrieven” naar Kampen “ende voert overal alse van dien Hoemburgher byre”363 [363. Ib., 162 respectievelijk 114.]. Wat er precies gaande was, blijft verborgen. Datzelfde geldt voor de “stadsbrief” over de Katentol en het “vreemde bier” waarmee een Deventer bode daags na Pinksteren 1393 naar Utrecht, Amersfoort en de Hollandse steden liep364 [364. Ib., 315.]. Eenmalig gaf het stadsbestuur in 1406 Roelf van Ommen (familie van stadsschrijver Johan?) voor de somma van 44 gulden “bevelinghe” over het Hamburgerbier toen zij “den tappen van den Hamburgher biere wederreepen”365 [365. StRD II, 319 en 344: “…ontfangen 40 vate ende 7 halve vate Haemburger biers, elc vat vor 3 gl. 10 pl. ende elc half vat vor 44 pl. maken 149 gl. 12 pl.” (rubriek “allerhande zaken”). De bedragen in beide rubrieken stemmen niet overeen; de rubriek betreffende Hamburger bier bevat dus een nettoboeking.]. De achtergrond van deze invordering is al evenzeer duister. Vier jaar later verschijnt het rubriekje “van der kelre hure van den vreemden biere, der stad van elken vate 1 pk”, dat ook in het vervolg in de rekeningen figureert, in 1430 als “kelderhuur van het Hamburgerbier”366 [366. Ib., 484; StRD V, 342.]. Hamburger- en “vreemd” bier waren kennelijk synoniem, en de tapaccijns op dit bier was even hoog als die welke in 1389 voor in de stad gebrouwen bier geïntroduceerd was.
     Sinds 1412 verpachtte het stadsbestuur de hopaccijns. Net als bij de wijnaccijns had dit een onmiddellijke forse stijging van de inkomsten ten gevolge367 [367. StRD III, 37.]. Over de mogelijke achtergronden van deze verandering in het beheer (en in de bestuursconstellatie) is bij de behandeling van de wijnheren al gespeculeerd. De pachters – één, twee of drie man, soms een man “en zijn gezellen” – voldeden de pachtsom in drie termijnen368 [368. Ib., 101-102 (1413). De vierdeling in 1422 is een eenmalige constructie met de pachter van dat jaar (StRD IV, 302).]. Zoals in de paragraaf over de gruitmeesters reeds

|pag. 267|

______ ↑ ______

opgemerkt is, springt de neergang van de gruit- en de gelijktijdige opgang van de hopaccijns sinds 1419 in het oog. In 1433 splitste men de hopaccijns in de stadsrekeningen in een “bierzijs van den vreemden biere” en een “bierzijs van bynnen brouwen biere”369 [369. StRD V, 439-440. Eenmaal eerder, in 1428, is sprake van een rubriek “van den bierzijs ende van den Homborger bier” (ib., 190).]. Het rubriekje “kelderhuur van vreemd bier” verdween daarmee. Klaarblijkelijk hadden beide takken elk voldoende “volume” gekregen om deze stap, na de eerder vermelde aanzet in het begin van de jaren negentig, nu definitief te zetten. Zeven jaar later echter verviel de tweedeling alweer en keerde de rubriek “van onser stad hoppenzijs” terug370 [370. StRD VI, 305.]. Spoedig daarna ontstond weer een splitsing in “bynnen brouwen bier” en “buten brouwen bier”371 [371. Alberts, Cameraarsrekeningen 1447, 1. Bij uitzondering werden beide rubrieken ook wel tezamen genomen als “van den beiden bierzisen”; SAB, Cam., inv. nr. 21a (1450-I), fo. 4r (naar de getypte versie, aanwezig SAB).
Uitzonderlijk is ook dat in de “eerste” rekening van 1451 de rubriek “accijns van binnenstedelijk bier” en in de “tweede” de “accijns van vreemd bier” te vinden is; ib., inv. nrs. 21c en 21d, beide fo. 1r (naar de getypte versies, aanwezig SAB).]
.
     Formeel buiten het tijdskader van deze studie vallend, maar zeer instructief is de informatie over de brouwaccijns die het buursprakenregister verschaft. Onder het jaar 1480 is een eed van de bierdragers opgenomen, alsmede een buurspraak waarin schepenen en raad alle brouwers gebieden dat zij onder ede het aantal brouwgangen (“broute”) zouden opgeven aan de cijsmeesters, en van hen kerfstokken ontvingen “ende kerven tot elcker tyt bij x lb.”372 [372. SAB, MA, inv. nr. 135a, p. 67.]. Cijsmeesters was de benaming die voor accijnspachters gereserveerd was. We kwamen ze eerder tegen in verband met de heffing van de wijnaccijns; wellicht speelden zij ook daar een rol in de registratie, al is dit nergens expliciet vastgelegd. Bierbrouwers kregen dus een eigen verantwoordelijkheid voor de registratie, in de vorm van een door het stadsbestuur verordonneerde notatie “op de stok”. Een buurspraak uit 1482 stipuleert dat brouwers op drie jaarlijkse tijdstippen accijns moesten betalen; dit beperkte het risico van de pachters. Om deze accijns te beheren stelden schepenen en raad twee personen aan “die omme sullen gaen kerven, ende die scepenen sullen den bijstant doen off ijmant sick daer ongeboerliken inne hadde (=zich onbehoorlijk gedroeg)”373 [373. Ib., p. 72.]. Klaarblijkelijk functioneerde het systeem van door de accijnsmeesters uitgedeelde kerfstokken al heel snel niet naar behoren en namen nu twee “gezworen kervers” in opdracht van de magistraat zelf de registratie ter hand. De rol van de kerfstok blijkt zowel in de bier- als de wijnsector nog in de late 15de eeuw van groot belang geweest te zijn.
     Anders dan in het geval van de wijnaccijns was de combinatie van lidmaatschap van het stadsbestuur en het pachten van de hopaccijns toegestaan, mits de bestuurders in kwestie dit de meente “toe gueder tijt voer Sente Peter to kennen geven, opdat sy hem in oeren koer (=schepenkeus) dairnae richten moegen”374 [374. VL, 168. Alleen bij het pachten van kooltuinen en “slagen” (stadsgrond) behoefde een dergelijke melding aan (het kiescollege van) de meente niet gedaan te worden.]. Men kon zijn verkiezing door het meensliedencollege dus in gevaar brengen door een pachterschap te ambiëren, althans sinds 1463, toen de bovenvermelde keur tot stand kwam. Ten aanzien van de hopaccijnspachters laat zich al evenmin als bij de wijnaccijnspachters ondubbelzinnig vaststellen of zij de schrijfkunst machtig waren.

|pag. 268|

______ ↑ ______

5.5. Timmermeesters

Dat de timmermeesters steevast in het rijtje “overste ampte” figureren verbaast in zoverre, dat zij als enigen daarvan geen eigen inkomsten genereerden, maar van hun collega’s en dan vooral van de cameraars afhankelijk waren. Naar hun taak gemeten echter waren zij van cruciaal belang voor de stad: zij hadden de zorg voor de publieke gebouwen, waaronder de verdedigingswerken. De aanduiding “timmermeester” verschijnt in 1344375 [375. CRD I, 118.]. Niettemin komt reeds in de rekening van 1337 een cluster posten zonder opschrift voor dat onmiskenbaar gelijk te stellen is met wat twee jaar later de rubriek “ad structuram civitatis” is. Bovendien ontving één van de schepenen een – overigens klein – bedrag “ad structuram”376 [376. Ib., 12, 22-25 en 57-61, 69.]. De rubriek “ad structuram (civitatis) / vor tymmeringhe” is hetzij een opsomming van gespecificeerde betalingen aan lieden die materialen leverden of werkzaamheden verrichtten, hetzij een opsomming van gedagtekende bedragen die de cameraars in kwestie aan de timmermeesters en aan allerlei vaklieden uitbetaalden. De timmermeesters genoten slechts een gedelegeerde en beperkte bevoegdheid. In de rekening van 1339 is dit wel heel duidelijk zichtbaar: de uitgaven aan “structura” zijn verdeeld over beide cameraars. Merkwaardig is ook de aparte rubriek waarin één van de timmermeesters aangeeft waar zijn inkomsten vandaan komen: uit de kas van de cameraars, alsook uit een wijkgeld van een half jaar377 [377. Ib., 57-61 en 69.].
     De timmermeesters legden ten overstaan van hun collega-schepenen verantwoording af over de besteding van de hun toegewezen gelden, en wel in de zomer en de winter. Voor het eerst laat dit zich aantonen in 1344378 [378. Ib., 169 (d.d. 26 juli) en 171 (d.d. 29 november, tezamen met de wijnheren). In het boekjaar 1374 geschiedde de afhoring op 29 januari (CRD IV, 175), in het boekjaar 1394 op 14 december (StRD I, 47).]. Dat sinds 1396 alle raadsambtenrekeningen door het gehele college afgehoord werden, is hierboven in de inleiding reeds opgemerkt. Aan de timmermeestersrekening wordt ook voordien al expliciet gerefereerd in rekeningposten in de “structura”-rubriek, bijvoorbeeld in 1337 en in 1339379 [379. CRD I, 22 (“ut patet in partibus”), 69 (“de quibus [sc. de pecunia per plateas collecta] (…) fecerunt rationem scabinis qui pro tempore fuerunt et adhuc libenter facere volunt si exigatur ah eis prout in suis partibus apparet”). Een later voorbeeld is te vinden in CRD II, 614 (“item, eisdem [Lambert Aerndsz en Geert Winekensz] de computatione …”), in combinatie met 698 (1359).]. Opmerkelijk is het, dat sinds 1355 de timmermeesters – anders dan voorheen – niet meer bij naam genoemd worden, terwijl dit gebruik wel gehandhaafd is bij de andere raadsambten380 [380. Ib., 355.]. In 1348 en 1358 ontbreken zij geheel en al in het rijtje381 [381. Ib., 49 en 604. Zie overigens hierna, n. 410.]. Een novum in 1359 is de aanstelling van steenhouwers ten behoeve van het stadswerk door de timmermeesters382 [382. “(…) quum magistri structure civitatis receperunt lapiscidas ad opus civitatis et cum eis convenerunt” (ib., 680- 681).].
     In 1344 volgen specifieke bouwrekeningen op de eigenlijke timmermeestersrekening. Het betreft de versterking van een hoofd bij de Teuge (waarvoor een door een cameraar gesuperviseerde schepen zorgdroeg) en de bouw van huizen buiten de Zandpoort383 [383. CRD I, 162-164 en 165-166.]. Voor afzonderlijke (bouw-)projecten voerde men dus aparte boekhoudingen, die vaak als zodanig vermeld zijn in de

|pag. 269|

______ ↑ ______

timmermeestersrubriek. Van deze “projectrekeningen” zijn zoveel voorbeelden aan te dragen, dat een opsomming zinloos is. Het volstaat hier om vast te stellen dat de timmermeesters in de regel de eindverantwoordelijkheid hadden384 [384. Eén aardig voorbeeld is de door de timmermeesters van 1393 vermelde afhoring door het schepencollege van de rekening van een schepen en een raadslid “van onser stad wichten (=gewichten) die in onser stad waghehues (=waaggebouw) sin, die sie verghieten ende vermaken hadden laten bi onser scepen ghehiete”; CRD VII, 390-391.]. In bepaalde gevallen echter waren niet de timmermeesters zelf verantwoordelijk voor de projectboekhouding, maar collega-schepenen. De beide cameraars en de verantwoordelijke schepen stelden in 1344 de rekening betreffende het hoofd samen met stadsschrijver Herbord ten Brinke op; één van beide cameraars en een schepen maakten met de voormannen van de werklieden (“operariis”) de rekening van de huizenbouw op. Aan te nemen valt dat deze “werkmeesters” het materiaal aanleverden dat als basis diende voor de eindrekening: kerfstokken met het aantal gewerkte dagen per persoon en eventueel schriftelijke bescheiden. Hetzelfde mag verondersteld worden met betrekking tot het vereffenen van de rekening met een meesterambachtsman genaamd Arnold en met Roland de steenhouwer door één van beide cameraars en een collega-bestuurder in 1347, al is dit niet in de “structura”-rubriek opgetekend385 [385. CRD I, 320-323 en 331 (“quum computatum erat cum eis”).]. Ook het tellen van (eenheden) stenen, dakpannen en andere bouwmaterialen kan op de kerfstok geschied zijn386 [386. Ib., 57-58 (1339); ,em>CRD II, 491: “Item, eidem magistro Wilhelmo [leijgendecker] de numeratura et portitura petrarum et ad bibendum in opere” (1357). Een rekeningpost uit 1355 betreffende afrekeningen met voormannen biedt nog een illustratie: “lapiscidis, latificis, fabris, Spete [graver/dijkbouwer, zie hierna § 5.8] et aliis operariis civitatis, quum scabini computaverunt cum eis ad bibendum / item, eodem die pro expensis factis per scabinos, quum computaverunt cum eisdem operariis de suis laboribus” (ib., 348).].
     Instructief in dit kader zijn de smeden. Zij werkten en woonden sinds 1315 in een eigen wijkje bij de stadsmuur387 [387. SAB, MA, inv. nr. 4a, fo. 98v. Uitgegeven door Dumbar, Kerkelyk en wereltlyk Deventer I, 18-19. Zie CRD I, 92: “Item, quum scabini cum Gobelino perspexerunt murum civitatis apud fabros” (1340). In 1355 brak hier een brand uit (CRD II, 310).], later kortweg “de smeden” geheten. Over smid Johan Swolleman lezen we in 1352: “de ferreis instrumentis factis civitati per annum per scabinos computatis” (=voor ijzeren instrumenten, gedurende het jaar vervaardigd voor de stad, is door de schepenen gerekend) en in 1355 “de opere ferreo ad usus civitatis per ipsum facto computato per scabinos” (=voor ijzerwerk, door hem ten nutte van de stad vervaardigd, is door de schepenen gerekend). Bewijs dat Swolleman zijn vorderingen op de kerfstok bijhield stamt uit 1351. In de rekening van dat jaar is aan de “structura”-rubriek een ingestoken strook toegevoegd met enkele notities over tegoeden van hem, en vervolgens zestien streepjes en de opmerking: “tot virgas habebat” (= zoveel kerfstokken had hij in bezit)388 [388. Ib., 109 n. 1.]. Ook smid Berend Swollemans, ongetwijfeld een zoon van Johan, voerde (minstens) vanaf 1362 een administratie op de kerfstok389 [389. “Item, Berende Zwolleman den smid, van ijserwercke dat hi binnen desen iare der stad hadde ghesmedet, daer hi rekeninghe af dede up stocken” en “Berende Swolleman den smid, van yserwerke dat hi der stad hadde vorsmedet tot alrehande tijmmeringhen, daer hi rekeninghe af dede mit sinen stocken” (CRD III-l, 192 en 125).]. Tenslotte zal ook stadstimmerman meester Dirk Haverzac zijn declaratie uit 1378, waarin hij onder meer gewag maakt van een dagloon “dat hi tot Zwormen (een versterking in de landweer) ghetymmert hadde, daer hi ongheloent was” met bewijsmiddelen geschraagd hebben390 [390. CRD V, 124.].

|pag. 270|

______ ↑ ______

[Smid. Houtsnede door Jost Amman, uit: Stände und Handwerker. Liebhaber-Bibliothek alter Illustratoren, VII. Bändchen (oorspr. Frankfurt/M. 1568; facsimile München 1884).]

     De conclusie die hieruit voortvloeit is dat (meester-)smeden, timmerlieden, steenhouwers en andere “voormannen” in het bouwvak medio 14de eeuw volop gebruik maakten van de kerfstok. Het was een eenvoudig te hanteren en daarenboven ook betrouwbaar medium. Voor het zetten van kerfjes in hout was geletterdheid of zelfs “gecijferdheid” geen vereiste. Rond 1400 hielden smeden ook schriftelijke boekhoudingen bij. Een voorbeeld is Robert Willemsz, die vanaf 1394 in de cameraarsrekeningen verschijnt (en vast een zoon was van de meestersmid Willem Robertsz, die in 1370 het burgerrecht verwierf)391 [391. CRD III-2, 264 en StRD I, 59. Over Robert schrijft ook Sander-Berke, “Zettelwirtschaft”, 360.]. Robert verantwoordde het smeedwerk dat hij voor de stad verrichtte in detail392 [392. “Item, bi Roebert Willems soen angerekent voer alrehande yserwerck toe den vors. werke [een hekwerk] daer hij die partikele Frederic [van der Ese, cameraar] af bewisede”; StRD II, 53 (1401).].
Gezien de soms zeer uitgebreide in de cameraarsrekeningen opgenomen specificaties393 [393. Bijvoorbeeld StRD V, 77 (1425) en 240 (1428).] (vermoedelijk integrale afschriften van door Robert overhandigde declaraties), gebeurde dit in schriftelijke vorm. Met zekerheid is dat het geval in 1436, terwijl in 1440 zijn “rekenboek” vermeld wordt394 [394. “Item, Robert Willems soen voir alrehande yserwerck opt raethuys gecomen nae inholt sijnre cedulen maket 21 gl. 9 d. 6 br.” en “Item, Robert Willems soen van alreley yserwerck dair die summe af beloept nae inholt sijn rekenboeck dat gecomen is an die wijnwagen, ter Steernen, to Brunenberch, opt raethuys, in dat wanthuys, in die koeken, in der stad stal etc. 31 gl. 15 d.” (StRD VI, 102 en 363).]. Roberts zoon Hendrik drukte de voetsporen van zijn vader in professioneel opzicht en bediende zich daarbij al evenzeer van geschreven declaraties395 [395. “Item, Henric Robert Willems voir yserwerck opt raethuys, in die koekene, op den Rikensteen, an der stad stocken, in den stal, an dat vleishuys, an der wage, an die crane, an den wijnwagen, an der stad putte, an den Brunenberch, an dat gruythuys ende voirt alreley yserwerck, nae inholt eenre cedulen dair van avergelevert, maket toe samen 48 gl. 3 d. 2 pl.” (Alberts, Cameraarsrekeningen 1447, 63).]. We hebben hier te maken met een ware smedendynastie. Het blijft een open vraag waar Robert en Hendrik leerden schrijven: thuis of op de stadsschool. Hoe dan

|pag. 271|

______ ↑ ______

ook kan vastgesteld worden dat verschriftelijking in de tweede helft van de 14de eeuw geleidelijk haar intrede deed in het bouwvak, althans bij meesterambachtslieden396 [396. Sander-Berke, “Zettelwirtschaft”, 358-361 signaleert op basis van 15de-eeuws rekeningenmateriaal hetzelfde voor bepaalde “Handwerker” in een aantal Duitse steden. Ten onrechte beschouwt zij de personen in de door haar gebruikte Deventer voorbeelden als ambachtslieden; het betreft – afgezien van smid Robert Willemsz – steeds raadsbeambten.].
     Op fraaie wijze belicht één van de “structura”-rubrieken het verschil in functie van de klad- en de netrekening. Waar de netrekening van 1358 slechts een verzamelpost “item, pro structura et testudine factis supra domum civitatis (…), ut patet in partibus” heeft, bevat de kladrekening van dat jaar een specificatie (de genoemde “partes”) onder het opschrift “item, expositum de structura celarii supra domum civitatis”. Als de opschriften al aanleiding zouden geven tot twijfel of het hier wel om dezelfde werkzaamheden gaat, dan verschaffen de overeenkomende eindbedragen toch wel voldoende uitsluitsel397 [397. CRD II, 530-532.]. Het toeval wil dat van de bouwrekening van 1358 een perkamentfragment bewaard gebleven is398 [398. SAB, Cam., inv. nr. (nieuw) 211.]. Het zeer verzorgde handschrift is niet dat van de toenmalige stadsschrijver Gevehard van Hildesheim; de scribent blijft helaas anoniem399 [399. Van zijn hand stamt ook de oudste bewaarde zelfstandige (dat wil zeggen: niet in een oorkonde geïncorporeerde) tarieflijst van de Katentol uit een onbekend jaar, wellicht 1366 (SAB, MA, inv. nr. 213; cf. nog hierna, n. 420). De stadsrekeningen van 1358 en 1366 bieden geen houvast voor een nadere identificatie.]. Het feit dat dit fragment in het Middelnederlands geschreven is, maakt ondubbelzinnig duidelijk dat aan de cameraarsrekeningen van vóór 1361 volkstalige financiële verantwoordingen ten grondslag lagen. Dat gold zowel voor de klad- als de netversies400 [400. Cf. ook de Middelnederlandse passages in de kladrekening van 1353 (CRD II, 199 n. 1).]. Het is al bij de behandeling van het gruitmeestersambt vastgesteld: stadsschrijvers zetten de volkstalige “Vorlage” om in Latijn401 [401. Dit leidde wel eens tot verduidelijkingen, vergelijk “item, den luden oppen wer[c]” met “item, lapiscidis et aliis servis in opere” en “item, Pickarde van den rynghen in den kelre” en “item, Pickardo fabro pro instrumentis ferreis videlicet ringhe”, of omgekeerd tot inkortingen, vergelijk “ende van cleynen ankeren tot der trappen ende tot den balken onder der trappen” tot “anckere ad celarium et gradus”.]. Deze werkwijze verklaart niet alleen waarom de Latijnse redacties doorspekt zijn met Middelnederlandse (technische) termen, maar ook waarom juist het “rekeninglatijn” dikwijls zo’n slordige en onbeholpen indruk maakt. Het blijft de vraag waarom men voor een omslachtige vertaling koos of, anders gezegd, waarom men in de netrekening lange tijd vasthield aan het Latijn. Hoe dit zij, aan de hand van de overlevering in dit ene vroege jaar tekenen de verschillende administratieve niveaus zich andermaal helder af.
     Slicher van Bath kwalificeerde het Deventer stadsbestuur als “conservatief”, omdat het in de Overstichtse context relatief laat – in zijn analyse tussen 1346 en 1361 – op de volkstaal overging402 [402. Slicher van Bath, “Overijssel tussen West en Oost”, 192-193 (gebaseerd op oorkonden en de cameraarsrekeningen). Voor de constatering dat de geestelijkheid in en nabij de stad (kapittel van Sint Lebuinus, respectievelijk abdij Ter Hunnepe) voorop liep op het stadsbestuur geldt trouwens hetzelfde. De voor de abdij aangevoerde bewijzen overtuigen niet; één betreft een 16de-eeuws afschrift, twee andere weerspiegelen vermoedelijk de invloed van Elisabeth, in een eerdere levensfase vrouwe van Bronkhorst (ergo de door Slicher van Bath gesignaleerde “volkstalige voorlijkheid” van de adel). Zie voor het kapittel hoofdstuk 3 n. 4.]. In het licht van het voorgaande is bij dit oordeel wel een kanttekening te plaatsen.
Gebleken is immers dat er geen sprake was van een vijftien jaar durende overgangsfase, maar van twee gelijktijdig gebezigde schrijftalen. Vanaf 1361 was het Middelnederlands de exclusieve administratieve taal van de stedelijke overheid. De conclusie is onontkoombaar dat de bewaard

|pag. 272|

______ ↑ ______

[Fragment van een bouwrekening uit 1358, die mogelijk geschreven is door één van de timmermeesters van dat jaar (SAB, Cam., inv. nr. (nieuw) 211).]

|pag. 273|

______ ↑ ______

gebleven documenten een toevallig residu vormen403 [403. In deze zin laat zich ook Kadens uit (“Invoering”, 24).]. Hierboven is vastgesteld dat stadsschrijver Johan ter Hurnen tegelijkertijd in de cameraarsrekeningen en in het verpachtingsregister overging op de volkstaal. Er was dus sprake van bewust beleid. In de visie van Schneider hebben spanningen tussen de magistraat en een deel van de burgerij, dat inzicht in de financiën eiste, geleid tot de wisseling van administratieve taal in 1361. Problematisch aan deze redenering is de veronderstelling dat het gebruik van de volkstaal een concessie was aan een groep die geen Latijn beheerste404 [404. Schneider, Deventer, 30-31 en idem, ‘“Ghemyente”’, 23-24. In eerstgenoemde publicatie is sprake van de meente als “opstandige groep”, in de tweede laat de auteur dit open. Schneider gaat in zijn dissertatie zover te stellen dat het stadsbestuur in reactie op de druk vanuit de meente de cameraarsrekeningen bewust ontoegankelijk probeerde te maken door aan de uitgavenkant steeds omvangrijkere rubrieken “hincinde” te creëren. Door deze vergaarbak van boekingen werd controle door de meente na de omschakeling naar de volkstaal alsnog bemoeilijkt (Deventer, 31). Het lijkt mij dat de tegenstelling tussen beide gremia hier wel erg zwaar aangezet wordt; de auteur rept er in ‘“Ghemyente”’ ook niet meer van.]. Aangezien die groep niet nader te identificeren is, is hierop geen vat te krijgen.
Onverklaard blijft intussen het ook door Schneider gesignaleerde fenomeen dat in één van de beide rekeningen van 1361 de inkomsten nog in het Latijn genoteerd zijn. Wellicht is het simpelweg een weerspiegeling van de problemen die de overschakeling met zich bracht. Gecombineerd met veranderingen die ook in of rond 1360 plaatsvonden en die in het voorgaande ter sprake gekomen zijn (het zegelaarsambt verdwijnt tijdelijk uit de bronnen, voor het eerst is sprake van maandrekeningen, het poortwachtersgeld werd ingevoerd, men ging over tot registratie van “kindergoed”) is er toch veel voor de politieke verklaring te zeggen.
     De vanaf 1414 voorhanden rekeningen van de timmermeesters waren blijkens hun beduimelde of verkleurde omslagen los in gebruik. Zij zijn alle ingebonden geweest; één rekening vertoont nog de bindgaatjes in de rug, maar de bindstrengetjes zijn verdwenen405 [405. SAB, MA, inv. nr. 159a-3.]. De omvang loopt uiteen van drie tot acht bladen406 [406. Ib., inv. nrs. 159a-l en 159a-6.]. Uit 1414 bleven twee rekeningen bewaard, omdat één van beide timmermeesters tussentijds overleed. Feitelijk betreft het een vervolg van het nieuwe koppel timmermeesters. Beide exemplaren zijn door stadsschrijver Johan van Ommen geschreven.
In de vervolgrekening is het laatste blad met doorgehaalde posten afgesneden en secundair gebruikt voor de eindberekeningen407 [407. Ib., inv. nr. 159a-2.]. Dit wijst op efficiënt papiergebruik. De rekening van 1423 bevat naast het handschrift van Johan van Ommen (hij schreef onder meer alle tussen-summae) dat van twee andere scribenten. Uit de onderzoeksperiode zijn voorts nog twee rekeningen (uit 1437 en 1433, 1435 of 1439) van stadsschrijver Johan Pawe overgeleverd408 [408. De Meyer, StRD IV, 487 letternoot a stelde al vast dat deze rekening door een onbekende hand, dat wil zeggen: niet door Johan van Ommen, geschreven was. Bij aanvang van de rekening wordt melding gemaakt van ontvangsten van de cameraar Johan van Okkenbroek. Binnen Pawes ambtstermijn (1433-1441) zien we Van Okkenbroek in dit ambt in de boekjaren 1433, 1435, 1437 en 1439. Aangezien de timmermeestersrekening van 1437 bewaard bleef, resteren 1433, 1435 en 1439.]. Aan de timmermeestersrekeningen lagen aantekeningen van de timmermeesters ten grondslag. Zij gebruikten

|pag. 274|

______ ↑ ______

hiervoor wastafeltjes409 [409. “Ende dat na des vors. Hermens [Huysman] dode in siinre quaternen ende in siinre tafelen mit siins selves hand gescreven ghevonden is, dat in der bewisingen van siinre rekeningen die die scepene ghehoert hebben nyet gherekent en waert, dat te samene beloept up 2.099 gl. 2 pl. 3 br.”; StRD II, 499 (1410). Ook vermeld door Sander-Berke, “Zettelwirtschaft”, 361. In hoofdstuk 2 § 2.5 is al gerefereerd aan de griffel van Johan Hadersleef (1362) en het wastafeltje van cameraar Johan ter Poerten (1371).]. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de timmermeesters deze notities geregeld op papier overnamen, waarna de stadsschrijvers de definitieve timmermeestersrekening opstelden die op haar beurt in al dan niet ingekorte vorm opgenomen werd in de cameraarsrekeningen. Het fragment uit 1358 zou heel wel door een van de timmermeesters van dat jaar geschreven kunnen zijn. Van slechts één van hen is de naam met enige zekerheid bekend: Werner Hademansz (van Heeten)410 [410. CRD I, xviii en de “structura”-rubrieken van beide rekeningen van dat jaar. Zie overigens hiervóór, n. 381.].

5.6. Tolmeesters

5.6.1. Katentol

Met de vanaf 1337 jaarlijks terugkerende rekeningpost “van onzer stad (Katen-)tol” is de in 1241 van het klooster Elten in erfpacht verkregen, op de IJssel liggende Katentol bedoeld411 [411. CRD I, 9. Voor deze tol: StRD I, xxv-xxvii en Wientjen, “Tolheffing”, 25-26.]. In het hierboven besproken eerste overzicht van raadsambten uit 1344 figureren twee schepenen als “thelonarii”. We vinden hen terug aan de inkomstenkant van één van de cameraarsrekeningen van dat jaar412 [412. CRD I, 118 en 121.]. Hoewel de term “tolmeester” als zodanig niet in de stadsrekeningen aan te treffen is, lijkt hij meer op zijn plaats dan “tolgaarder” of “tollenaar”, omdat in 1344 naast de beide schepenen-tolmeesters een “Rodolphus telonarius” verschijnt413 [413. Ib., 146 en 165 (ook in 1347, ib., 274 (boeterubriek)). In bijvoorbeeld 1437 echter worden schepenen wel als “tolnars” aangeduid (StRD VI, 137 in combinatie met 118).]. Deze “thelonarius” was degene die de feitelijke inning voor zijn rekening nam. De daartoe aangewezen schepenen hielden toezicht namens het stadsbestuur. Een vast deel van de opbrengst werd jaarlijks afgedragen aan het klooster Elten414 [414. Bij uitzondering bracht de tol wel eens minder op dan de aan het klooster Elten verschuldigde canon. In 1373 paste één van de cameraars het verschil bij: “Van Cotertolle en doet Dyric [bi den Brincke, cameraar] ghene rekeninghe in sinen upboren, want in dessen jare daer niet af ghecomen is meer dan daer af weder in die pensie (=pachtsom) van der zelver tolle uytghegheven is, daer Dyric eyn deel gheeldes to ghedaen heft, alse hi rekent in sinen uytgheven”. De schade bedroeg 36 pond (CRD IV, 37 en 87). In de rekening van 1374 zijn de tolinkomsten niet geboekt; dat zij er wel waren (of dat er een kastegoed was), blijkt aan de uitgavenkant: “den joncvrouwen tot Elten vor die pensie van der tolle to Coten b[oven] al dat onser stad tolners over jaer van dier vorsz. tolle upgheboert hadden 67 lb. 18 s.” (ib., 195).].
     Aantoonbaar sinds 1357 beschikten de tolmeesters over een kist, waarin zij behalve geld ook documenten (in aanmerking komen de kwitanties van de betaling van de pachtsom aan het klooster Elten) bewaard zullen hebben415 [415. CRD II, 509. Kwitanties zijn bewaard vanaf 1335 (SAB, MA, inv. nr. 202). Bijvoorbeeld in 1363 wordt in de stadsrekening een boeking gedaan wegens het schrijven van een Katentolkwitantie; CRD III-1, 247 (rubriek “van allerhande zaken”).]. Was het in 1337 één persoon (zonder twijfel een sche-

|pag. 275|

______ ↑ ______

pen) die de inkomsten uit tolheffing beheerde, in 1339 waren het er twee. Zij droegen een deel van hun kasgeld over aan één van de cameraars, terwijl ze een ander deel besteedden aan “equitatu” (dat wil zeggen: reizen van stedelijke functionarissen en veldtochten) en “structura”. In het laatste geval ging het om uitgaven voor scheepsladingen turf en schelpen voor de negen stedelijke kalkovens die in bedrijf waren. Ook in 1340, 1343 en 1344 ging een aanzienlijk deel van de tolinkomsten hieraan op. Daarbij springt in het oog dat in 1343, 1344 en 1347 de tolmeesters zelf verantwoordelijk waren voor deze uitgaven en niet langer de cameraars. De kalkovens maakten deel uit van de infrastructuur die benodigd was om de stadsverdedigingswerken in steen uit te voeren. Het was dus mede met tolinkomsten dat het stadsbestuur deze verstening financierde416 [416. CRD I, 41 en 65-68, 78, 98-100 (acht vuren), 113-115 (zes vuren), 142-145 (zes vuren), 311 en 337. Gelet op het aantal ovens was er een teruggang na 1339. Zie tevens CRD II, 284 (1354) en 355-356 (1355). Cf. nog een rekeningpost uit 1365: “Van Coter tolle (…), boven dat sy [twee tolmeesters] daer af uytghegheven hadden vor die pensie tot Elten ende vor eyn vuer dat sy to calcke lieten bornen tor stad behoef 64 lb. 5 s.” (CRD III-1, 412).
Summier over deze versteningscampagne schrijft ook Koch, Bergkwartier, 13. De Meyer oppert de mogelijkheid dat de kalkvuren tevens dienden als baken voor schepen (StRD I, xxvi).]
.
     Conflicten over tolbetalingen verschaffen inzicht in de schriftelijke kant van het beheer. Zo’n conflict deed zich waarneembaar voor het eerst in 1291 voor met Harderwijk. Door bemiddeling van de Gelderse graaf Reinald I kwam een compromis tot stand. De tekst daarvan laat zien dat men een weinig gedifferentieerd tarief hanteerde417 [417. OSU V, nr. 2475.]. In een volgende twist, in 1307 met Arnhem, is woordelijk op de oorkonde van 1291 teruggegrepen418 [418. OO III, nr. 538 (d.d. 24 juni – tegenover p. 44 is een foto van de oorkonde te vinden).]. Het oudste bewaard gebleven gedetailleerde tarief dateert van 1338. Het was bestemd voor de burgers van Amersfoort419 [419. Gedrukt: Höhlbaum, Hansisches Urkundenbuch II, nr. 627; een foto is te vinden in OO V, tussen pp. 60 en 61 (nr. 1153).]. De vraag is nu of we moeten concluderen dat pas tussen 1307 en 1338 tarieflijsten voor verschillende goederen in zwang kwamen, gepaard gaande met een toladministratie, of dat dit reeds vanaf 1241 het geval geweest zal zijn. Vermoedelijk kon men tot aan het begin van de 14de eeuw volstaan met een kist waarin de schippers of kooplieden het verschuldigde geld deponeerden. Een dergelijke eenvoudige vorm van inning vereiste geen, althans geen uitgebreide, optekening door of vanwege de tollenaar. Een intensiever rivierverkeer, in combinatie met een diversificatie van vervoerde producten, zou de aanleiding geweest kunnen zijn tot verschriftelijking van het beheer in de vorm van tarieflijsten en tolrekeningen in de eerste paar decennia van de 14de eeuw. Een indirecte maar onmiskenbare verwijzing naar de opstelling van zo’n tarieflijst bevat de cameraarsrekening van 1366420 [420. “Do sy [vijf bestuurders en stadsschrijver Gevehard van Hildesheim] gheseten hadden ende gheordeniert hadden van den Coter tolle te nemen” (CRD III-l, 604). Gevehard is ongetwijfeld ingeschakeld omdat tijdens zijn stadsschrijverschap eveneens tarieflijsten bestonden. Het is heel goed mogelijk dat het hier gaat om de oudste bewaard gebleven tarieflijst in een mij onbekende hand (cf. hiervóór, n. 399).]. Ook de “stadsbrief” waarmee een Deventer bode in 1393 naar Utrecht, Amersfoort en alle steden in Holland liep “van Cotertolle ende van den vreemden byer ende die een deel ghelts vervaren (=tolgeld ontdoken) hadden” zal betrekking gehad hebben op tariefkwesties421 [421. CRD VII, 315. Wellicht is hiermee te verbinden de door stadsschrijver Johan van Ommen opgestelde tarieflijst met het opschrift: “Aldus sal men Katentolle boren” (SAB, MA, inv. nr. 213).]. In 1464 wordt gerefereerd aan een nadien verloren gegaan perkamenten register uit

|pag. 276|

______ ↑ ______

de vroege 14de eeuw, waarin onder meer de tarieven van de Katentol genoteerd waren422 [422. Zie hoofdstuk 2 § 2.5.].
     In de cameraarsrekening van 1340 komt in de rubriek betreffende de besteding van een deel van de tolinkomsten een zekere “Petrus scriptor” voor. Hij was belast met de administratie van de scheepsladingen turf en schelpen die bij de verschillende stedelijke kalkovens afgeleverd werden. De dienstdoende cameraar betaalde hem daarvoor een pond. Dit betekent overigens niet dat Petrus in vaste dienst was. We komen hem verder niet meer tegen in de bronnen423 [423. Slechts weinigen droegen in Deventer in deze jaren de doopnaam Petrus. In aanmerking komen 1) “Petrus latifex” (CRD I, 159 (1344); zijn erfgenamen worden genoemd in 1357 (CRD II, 482)), 2) de kanunnik Pieter Rutgersz van Leiden (Brom, Bullarium Trajectense I, nrs. 894 en 895 (19 december [1333]): Petrus, vicaris in één van de Leidse parochiekerken, wisselt met pauselijke goedkeuring met Jan van Leiden, geprebendeerd kanunnik van Sint Lebuinus; heer Peter van Leiden overleed tijdens de pestepidemie van 1350 (Meinsma, Zwarte Dood, 414)) en 3) de kramer Pieter Sickeldoren/Stekeldoren (CRD I, 83 (1340), 112 (1343), 132, 148, 150 (1344), 206, 236 (1345), 306, 322 (1347); CRD II, 49 (1348), CRD I, 267-268 (wijk Overstraat; 1350); ook Sickeldoren lijkt in 1350 de geest gegeven te hebben). Eerstgenoemde komt nog het meest in aanmerking, gelet op hetgeen hierboven over het bouwvak opgemerkt is.]. Vier jaar later is in de “tolrubriek” een betaling opgenomen aan een anonieme scribent voor schrijfactiviteiten die wederom in verband staan met het administreren van partijen schelpen en turf424 [424. Ib., 100 en 145.]. Het is mogelijk dat genoemde scribenten tevens tolschrijver waren. Een post uit 1366 wekt de suggestie dat de Katentol op verschillende locaties geïnd werd, onder meer bij één van de kalkovens.
Het inboeken van aldaar over water aangevoerde grondstoffen is dan te interpreteren als het schrijven van een “deelrekening” van de Katentolboekhouding425 [425. “(…) van den zelven tolle an eynen calcvure ligghende (…)” (CRD III-l, 585). Onverantwoord lijkt mij Schneiders opvatting, op grond van CRD I, 145, dat er in 1344 een “Liber Thelonii” bestond (Deventer, 40 n. 89).].
     Directer bewijs voor het bestaan van tolrekeningen stamt uit 1361. In de cameraarsrekening is 2¼ pond aan tolinkomsten geboekt vanwege Johan Pamont “die in sire rekeninghe nijet en staet”. Eerder had Pamont achttien pond overhandigd. De post verwijst naar Pamonts tolmeestersrekening en niet naar de cameraarsrekening426 [426. CRD III-l, 1-2.]. Wanneer we een sprong van bijna een eeuw maken, stuiten we op een vermelding in de cameraarsrekening van 1455 van een zekere Boldewijn die zich naar Amersfoort begaf “myd der rekenschip van den Catentolle die hem opgescreven was”427 [427. SAB, Cam., inv. nr. 22b (1455-II), fo. 7r .]. Het betreft hier naar alle waarschijnlijkheid een tolrekening of een uittreksel daaruit; een eerder dat jaar bijgelegde ruzie tussen beide steden over de hoogte van het tolgeld vormde de achtergrond van deze optekening428 [428. “Kelrehals gegaen to Amersfoirde myd enen brieve inholdende dat wij onsen tollen voirt bueren wolden myd den opgescreven tollen als wij voir gebuert hadden, dair sy ons een antworde op screven myd een verlegge (=uiteenzetting?) an die van Campen ende Swolle te bliven” (ib., fo. 5r (d.d. 12 mei)); ib., fo. 11v: “Jacob van Noerle [stadsschrijver] gereden to Campen ende Swolle om den brief besegelt te halen van der uytsprake van den Catentollen tusschen den van Amersfoirde ende ons, verteert ende den scriver van Campen den brief te scriven geschencket maket to samen 3 lb. 2 kr.” (d.d. 26 augustus; de oorkonde met de uitspraak van beide steden is bewaard gebleven: SAB, MA, inv. nr. 217). In het verloop van de twist betaalde de stad een zekere meester Johan van Detten “om dat he gescreven hevet in der stad sake die sij hadden myd der stad van Amersfoirde ruerende van den Catentollen; SAB, Cam., inv. nr. 22b (1455-II), fo. 16r (ongedateerd).]. Tolrekeningen zijn pas bewaard gebleven vanaf

|pag. 277|

______ ↑ ______

1545429 [429. SAB, MA, inv. nrs. 208, 210.]. Eveneens uit het midden van de 16de eeuw stamt een aparte administratie van lieden die nog tolgeld verschuldigd waren430 [430. Ib., inv. nr. 211.]. Fraude met tolafdrachten kwam hierboven al ter sprake bij de bespreking van de hopbieraccijns. Vastgesteld kan worden dat het Deventer riviertolwezen reeds vroeg verschriftelijkt was, in ieder geval al voordat het in de stadsrekeningen in beeld komt.

5.6.2. Bisschopstol

De bisschopstol was een reeds in het jaar 975 door de Utrechtse bisschop van keizer Otto II verworven markttol431 [431. OSU I, nr. 132.]. Bisschop Jan van Arkel verpandde deze tol medio 1354 voor de duur van tien jaar aan de stad Deventer als compensatie voor een lening432 [432. SAB, MA, inv. nr. 225 (d.d. 26 juli; gegeven te Zwolle) – zie ook hierboven § 5.4. Onjuist is de opmerking van De Meyer (StRD I, xxviii), dat de inkomsten pas sinds 1357 in de rekeningen vermeld zijn, zie CRD II, 257, 318 en 396. Voor de vroegste geschiedenis van de bisschopstol in kort bestek zij verwezen naar Wientjen, “Tolheffing”, 19-20.]. Het stadsbestuur op zijn beurt verpachtte de tol. De jaren 1365-1371 vormden een intermezzo waarin twee schepenen (bij uitzondering ook wel drie) de inkomsten beheerden433 [433. CRD III-l, 412 en 585; CRD III-2, 3, 104 (drie schepenen, 1368), 212 (deels onleesbare post) en 346. De eerste termijn van 1365 – tot Sint Jan-werd nog in pacht geïnd (CRD III-l, 433).]. Vanaf 1372 blijkt de bisschopstol weer verpacht te zijn; de pachtsom komt sedertdien voor in de rubriek “grote tijns”434 [434. CRD III-2, 438.]. Behalve de gruit met bijbehorende accijns, verwierf de stad begin 1401 -nog in het boekjaar 1400- ook de inkomsten uit de bisschopstol in erfpacht van Frederik van Blankenheim435 [435. Zie hierboven, n. 335 en Wientjen, “Tolheffing”, 19 en 21.]. Sinds 1463 moesten tolpachters net als alle pachters de meente tijdig verwittigen in verband met een eventuele uitverkiezing voor het stadsbestuur436 [436. VL, 168.].
     Medio 16de eeuw was de bisschopstol een tol die bij de stadspoorten geheven werd van goederen van vreemde kooplieden437 [437. StRD I, xxviii.]. Ook tevoren was dit de praktijk, zoals blijkt uit een paragraaf die opgenomen is in het verdrag uit omstreeks 1465 ter beëindiging van het handelsconflict dat twee jaar eerder tussen Deventer en de Hollandse en Westfriese steden uitgebroken was over het gewicht van de botervaten en verhoging van het tolgeld. De tollenaar droeg toen niet alleen zorg voor het optekenen, maar ook voor het waarmerken van tolplichtige goederen waarmee men de jaarmarkten bezocht. Met dit teken konden de kooplieden ongestoord via de poorten de stad binnenkomen en verlaten, hetgeen bewijst dat verificatie (en misschien registratie) aan de poort plaatsvond438 [438. “Ende offt hyr gebreck in vele, soe sal men dat berichten alst behoirt” (naar Dumbar, Kerkelyk en wereltlyk Deventer II, 175). Uitgebreid over dit handelsconflict, dat pas in 1472 definitief bijgelegd werd: Sneller, Stadt der Jahrmärkte, 75-84, speciaal 81, en Wientjen, “Tolheffing”, 25-28.]. Reeds het keurboek van 1448 wijdt een paragraaf aan “tolbar guet” en gebiedt aangifte bij en optekening door de tollenaar439 [439. “Nyemant en sal guet vueren noch in of uyt scepen, daer men tollen van schuldig is, hi en sal yrsten komen bi den tolnar ende laten dat inscriven ende hebben sijn gemuede (=toestemming). Ende wie ander luyde guet vuert dat tolbar is, die sal des iaers voer sente Peter ad Cathedram sinen eet doen dat hi geen vreemt tolbar guet gevuert en heeft, hi en hebt den tolnar geseget in te scriven. Ende wie daer broeckachtich inne gevonden worde, soe solde dat guet verloeren wesen ende daertoe der stad beteren ter scepenen kenninge” (VL, 140).]. Hiervóór kwam in verband met de wijnheren de

|pag. 278|

______ ↑ ______

Halverwege 1354 verwierf de stad Deventer een tol, vermoedelijk de markttol, van de Utrechtse bisschop in pand. Passerend handelsverkeer moest deze “bisschopstol” aan de stadspoorten voldoen. Als betalingsbewijs werd een teken afgegeven. Detail van het schilderij “Beleg van Deventer door de graaf van Rennenberg 1578”. Lithografie naar het origineel door A. van ’t Zant, 1838 (collectie Historisch Museum Deventer, inv. nr. H2003-126; foto: Binnendijk Visuele Kommunikatie, Deventer).

overslag op de handelskade aan de IJssel ter sprake. Tenslotte had het Deventer stadsbestuur in 1444 de magistraten van Leiden, Amsterdam, Gouda, Haarlem, Rotterdam, Schiedam, Weesp, Muiden, Naarden, Enkhuizen, Hoorn en Monnickendam gevraagd kooplieden uit hun steden mede te delen dat zij tolplichtige goederen en specifiek laken terstond bij aankomst in de stad door de dienstdoende stadstollenaars of door hen aangewezen personen moesten laten opschrijven440 [440. “Want onsen Caten tolle, bysscops tolle en stapelgek van den wande van sommighen onredeliken luyden vele verbystert ende vervremt wort” (naar Dumbar, Kerkelyk en wereltlyk Deventer II, 139).]. Aan te nemen valt dat de bisschopstol steeds een aan de poorten geheven markttol geweest is.

|pag. 279|

______ ↑ ______

5.7. Weidegraven

Het weidegraafambt heeft zich ontwikkeld uit het schutambt441 [441. Van Doorninck schrijft in zijn inleiding op de rekeningeneditie dat de bekleders van het schutambt “na de instelling der Weidegreven (…) niet meer voor (schijnen) te komen (CRD I, xxvii).]. Dit ambt duikt in de jaren 1344-1346 op in de raadsambtenlijstjes in de cameraarsrekeningen442 [442. Ib., 118, 145-146 en 249. Abusievelijk beweren De Meyer en Van den Elzen, “Oligarchie”, 13 dat het weidegraafschap door een schepen en een raadslid vervuld werd; het gaat steeds om schepenparen.]. Vermoedelijk kwam het al eerder voor443 [443. “Item, Johanni Vriherte et Herbordo de Rechem ad faciendum sepes et fossata supra pratum et insulam”; CRD I, 60, eerste rubriek “ad structuram” (1339).]. De schutmeesters waren verantwoordelijk voor de infrastructuur voor het schutten van vee (omheiningen, schuurtjes, e.d.). In 1352 telt de cameraarsrekening een rubriek “ad structuram pratarum et libertatum civitatis” (=aan opstallen van weiden en de stadsvrijheid), waarin een specificatie van de uitgaven van – hoogstwaarschijnlijk – de weidegraven aan te treffen is. Zes jaar later vergoedde de cameraar onkosten “factis in officio dicto scutambocht ex parte pecorum et bestiarum Theoderici ter Oij” (=gemaakt in de bediening van het ambt genaamd “scutambocht” vanwege kleinvee en koeien van Dirk ter Oij)444 [444. CRD II, 142-143 en 739.]. In de rekeningen van 1347 duikt het verschijnsel op van het brandmerken van koeien die in de stadsweiden ingeschaard werden. De wachters vader en zoon Hendrik droegen de opbrengst af aan de cameraars445 [445. CRD I, 278, 318.]. Tot 1352 was de inning een zaak van schepenen en raden die daartoe door hun collega’s aangewezen werden446 [446. CRD II, 52, 85, 97, 99.]; daarna zien we elk jaar twee schepenen die verantwoordelijkheid op zich nemen. Van Doorninck en in zijn voetspoor Acquoy zijn van mening dat tot 1362 de timmermeesters tevens weidegraven waren447 [447. Van Doorninck, CRD I, xix; Acquoy, Timmermeesters, 12-13.]. De raadsambtenlijstjes uit de jaren 1344-1346 wijzen uit dat deze visie onhoudbaar is448 [448. Cf. hierboven, n. 2. Bij uitzondering bekleedde één en dezelfde persoon wel eens het timmer- en schutambt, zoals in 1345 (zie ook CRD I, xv). Het heeft er de schijn van dat Van Doorninck geregeld schutmeesters als timmermeesters bestempelt. Zijn schepenlijsten zijn in veel gevallen incompleet, terwijl de koppeling van schepenen en raadsambten niet steeds verantwoord is. Een nauwkeuriger overzicht is een desideratum voor toekomstig onderzoek naar het Deventer stadsbestuur of breder: naar elites in Deventer.]. In de cameraarsrekening van 1362 lezen we in de rubriek “receptum de vaccis” dat de cameraar een bedrag ontving van de weidegraven “do sy die coe hadden ghebrant van den gheelde dat daer af quam …”449 [449. CRD III-l, 149.]. Tussen 1352 en 1362 werd voor de weidegraven dus een eigen inkomstenbron in de vorm van het brandmerkgeld gecreëerd.
     De rekening van 1362 heeft onder het kopje “expositum ad structuram” de boekingen “den weydengreven, tot der tijmmeringhen die hem over iaer bevolen is (…) an der stad weyden, daer sy in hoerre cedelen rekeninghe af zullen doen (…)” en “(…) weydegreven, van gheelde dat sy na hoerre rekeninghen den scepenen anbrochten van reysen die sy bi nachte mitter stad scepe uytghevaren waren ende wachten der vyande 4½ lb.”450 [450. Ib., 191-192.]. Hieruit blijkt dat de weidegraven opdracht kregen, denkelijk van het schepencollege als geheel, om bepaalde werkzaamheden uit te voeren.
De tweedeling in inkomsten uit het brandmerken en uitgaven aan “timmeringe” is in de meeste

|pag. 280|

______ ↑ ______

volgende cameraarsrekeningen te vinden, met dien verstande dat de inkomsten altijd in één van beide rekeningen staan en de uitgavenverantwoording zowel in de ene als de andere rekening kan voorkomen. De uitgaven van de weidegraven zijn – voor zover deze niet uit de inkomsten bekostigd konden worden451 [451. “Gheride Stureman ende Johanne Schelen, der stad weydegreven, die sie in tymmeringhen uytghegheven hadden boven alsolic gheelt alse sie ontfanghen hadden van den koen te teyken mit der stad braende ende van den stratengheelde daer men die grevers mede lonen soelde 43 lb. 15 s.”; CRD IV, 361 (1376).] – steevast terug te vinden in de “timmeringe”-rubriek.
     Het brandmerken met het stadsbrandijzer geschiedde elk jaar in de vroege lente, voordat men de koeien van burgers de stadsweiden opdreef452 [452. StRD I, 30 (1394).]. In 1363 bedroeg het brandmerktarief één (Vlaamse) groot per koe. Het brandmerken leverde in 1363 53 pond op, het tegen eenzelfde tarief geheven koewachtersgeld ruim 48 pond. Er werden dat jaar dus meer koeien gebrandmerkt dan er de stadsweide ingingen (848 tegen 770)453 [453. Het keurboek van 1448 vermeldt over het brandmerken het volgende: “Item, koen die op der stad weyde myd der stad brande geteikent sijn die mellick geven en sal men nijt schutten of ennigen kuer (=boete) daer af nemen” en aansluitend “Item, soe en sal men geen gust goet (=nog niet gedragen hebbend vee brandmerken) bernen of gaen laten op die weide, ten sy dattet kalve (=kalft) voer sente Johanne, ende satte dan wie wisheit (=borgtocht; hier lijkt sprake van tekstcorruptie) te kalven voer sente Jacob, die wisheit sullen die weidegreven nemen; kalvede dan dat guet nijt, soe sullen die borgere behacht wesen (=belast zijn) dat guet in dat hilige Geestes huys te brengen ter armen behoef ende die stad en sal daer geen gelt af nemen” (VL, 146). De precieze strekking van deze keuren is moeilijk te doorgronden.]. Beide inkomstenbronnen zijn dat jaar – bij uitzondering – ondergebracht in de rubriek “weidegraven”. Twee jaar later (over 1364 zijn geen gegevens beschikbaar) zijn zij echter gescheiden geboekt en dat zou voortaan zo blijven454 [454. Zie hiervóór § 5.2. Ook De Meyer, StRD I, xxv n. 2 is de mening toegedaan dat de wijkgelden voor de betaling van de koewachters niet opgenomen waren in de rekeningen van de weidegraven.]. Ook voor de koeien van niet-burgers was plaats. Zij betaalden een hoger bedrag en kregen – voor het eerst in 1352 en nadien geregeld maar niet jaarlijks – een aparte rubriek in de stadsrekeningen455 [455. CRD II, 141 (opschrift: “Item, receptum Henrici de vaccis hominum non existantium cives Daventrienses”), 266 (1354), 327 (opschrift: “Item, receptum (…) in pecunia de vaccis hominum qui non sunt cives”, 1355), 489 (niet uit het opschrift, maar wel uit de bedragen af te leiden, 1357); CRD III-l, 315 (opschrift: “Van den coen die ghenen burgheren tohoren”, 1364), 587 (opschrift: “Van der gheenre coen die ghene burghere en sin”, 1366), etc.]. In 1360 brandmerkte men op kosten van de stad de koeien van vrouwenconventen456 [456. CRD II, 725-726 (koeien van “de begijnen” ofwel het Oude Convent, “het andere huis” en het Stappenhuis).].
     Vanaf 1354 betaalde de stad aan Geert (Gerard) Spiet alias “de graver” loon in zijn functie als “pastor insule” (= weideopzichter) of ook wel “de custodia insule” (=voor het houden van toezicht op de weide). In de lijsten van stadsdienaren komt hij in 1375 voor als “Spiete den grever die onser stad weyde verwaert”; een jaar later heet hij “onser stad grevermeyster ende weydemeyster”457 [457. Ib., 282, 388; CRD IV, 238, 363.]. De weidemeester was verantwoordelijk voor het toezicht op de weiden. Spiet was al sinds 1344 werkzaam voor de stad als graver/dijkbouwer (“fossor”) op aannemingsbasis458 [458. CRD I, 139-140, 168, 297 (“dykus quos Spete locaverat ad reparandum”).]. Een gedetailleerd overzicht in de cameraarsrekening van 1347 van betalingen aan hem, zijn vrouw en een compaan gaat ongetwijfeld terug op een eigen (kerfstok-)administratie van gewerkte dagen. Aangezien hij soms ook per gegraven of gedijkte roede betaald werd, verbaast het niet dat hij bij dergelijke klussen zelf het resultaat van zijn graafwerk opmat459 [459. Ib., 284-295; CRD II, 767: “De qualibet virga xx d.” (1360); CRD III-l, 156: “Op den witten vrydach Spiete die ghegraven hadde van den hove to Colmescoten ant vene van lxi roden, van elker roden ii s. Vlems.” (1362) en 509: “Spiete ende sinen ghesellen die eyn deel doernes ghepotet hadde up den dijc omme den Toghe, dat an hem vordinghet was bi der roeden, van xciii roeden vor elke roede i½ Vlem. gr. ende van iic ende xxxv roeden vor elke roede v Bra.” (1365); CRD III-2, 230: “Spiete ende sinen ghezellen die die weteringhe versloeghen hoe lanc dat sy were” (1369). Cf. voor verrekeningen ook CRD II, 204: “Viro dicto Speet fossori de aqueductu novo apud Honepam [abdij of riviertje (Ter) Hunnepe] per scabinos v lb. ad bonam computationem” (1353) en 348: “Lapiscidis, latificis, fabris, Spete et aliis operariis civitatis, quum scabini computaverunt cum eis ad bibendum / item, eodem die pro expensis factis per scabinos, quum computaverunt cum eisdem operariis de suis laboribus” (1355).]. Voor het laatst komt hij voor in

|pag. 281|

______ ↑ ______

de loonrubriek van 1381460 [460. CRD V, 384.]. Vanaf 1396 omschrijven de rekeningen de weidemeester als degene die “onser stad wruchte (=omheining) omme onser stad weyden ghewaert heft”461 [461. StRD I, 194.].
     Van de weidegraven zijn rekeningen over uit de jaren 1414 en 1423. Daarna valt een stilte van negentig jaar462 [462. SAB, MA, inv. nr. 157. Gedrukt: StRD III, 268-269 en StRD IV, 540-541. De door Acquoy in zijn inventaris (p. 56) vermelde weidegraafrekening van 1413 stamt blijkens het handschrift en de namen van de weidegraven uit 1513.]. De rekening uit 1414 is een gebonden bifolium; die uit 1423 bestaat uit een dubbelgevouwen blad. Een onbekende scribent schreef de eerste rekening. Johan van Ommen noteerde daarin alleen het opschrift en de inkomsten op de rectozijde van het eerste blad, voorts op de rectozijde van het tweede blad het opschrift “hoer uytgheven”, en mogelijk de laatste summae. De rekening van 1423 is geheel door Van Ommen geschreven. Opmerkelijk zijn de letters in de linkermarge van de uitgavenrubriek: “g” voor Godschalk Johansz, “h” voor Werner (die) Hoyer, de beide weidegraven. Aldus was direct duidelijk welke weidegraaf welke betaling deed. Het maakt ook duidelijk dat de weidegraven maar één rekening per jaar voerden.
     De overgeleverde rekeningen maken het mogelijk de bevindingen voor de 14de eeuw, zoals die in het voorgaande op basis van de cameraarsrekeningen gedaan zijn, te toetsen. Het brandmerkgeld vormde de enige inkomstenbron van de weidegraven. In beide jaren bedroeg dit één plak per koe. Er werden respectievelijk 1117 en 838 koeien gemerkt. De brandmerkadministratie kwam in de vorm van een totaaltelling in de rekening van de weidegraven terecht. De weidegraven financierden er allerhande werkzaamheden mee, voornamelijk op de Marsch en de Teuge. Gelet op de specificaties van het aantal gewerkte dagen per arbeider zal de administratie op de kerfstok geschied zijn. Voor de betaling van de weidemeester/”wrucht”-opzichter waren zij niet verantwoordelijk. De vermelding in de cameraarsrekening van 1429: “Item, bij den weidegreven van onser stad koen te volliste die koehierden mede te lonen”463 [463. StRD V, 259.] lijkt op het eerste gezicht aan te tonen dat de weidegraven het toezicht behielden op de inning van de koewachtersgelden. Aangezien zij echter in 1414 slechts inkomsten ontleenden aan het brandmerken en geen koewachtersgeld incasseerden, slaat deze post hoogstwaarschijnlijk op een afdracht aan de cameraars van (een deel van) het brandmerkgeld, vermoedelijk als aanvulling op een tekortschietende opbrengst aan koewachtersgeld. Te controleren is dit evenwel niet, omdat één van beide rekeningen uit dit jaar ontbreekt.
     Bij de aanvang van het bestuurlijke jaar 1464 stelden magistraat en gezworen meente een reglement vast voor de weidegraven onder het opschrift: “Alse dat men die weyde verwaeren sall in manieren hyrnae bescreven”. Voortaan leverde de gezworen meente twee weidegraven ter aanvulling van de twee die uit het schepencollege afkomstig waren. Deze twee “gemeentelijke”

|pag. 282|

______ ↑ ______

weidegraven werden bij toerbeurt gekozen uit de acht wijken. De door hen af te leggen eed werd bijgeschreven in het eedboek en leert dat hun taak bestond uit het “opvangen” van vee van burgers en vreemdelingen dat niet op de stadsweiden thuishoorde (“ongewaertguet”)464 [464. VL, 169 en Acquoy, Oud-archief, 12-13. Een ongedateerd ontwerp (of ongedateerde minuut) van een keur in dezelfde hand is te vinden in SAB, MA, inv. nr. 156a, fo. 39v: “Ordinantie vander weyden”. Voor de ambtseed van de “meentelijke” weidegraven zij verwezen naar bijlage 2.].

5.8. Straatmeesters

De straatmeesters hadden als taak de zorg voor de aanleg en het onderhoud van de straten binnen de stadsmuren, alsook de schriftelijke verantwoording daarvan. Hoewel reeds in 1348 een tweetal bestuurders (van wie de een gruit- en de ander timmermeester was) voor werkzaamheden aan een straat geld ontving van de cameraar en in 1356 een aparte cedel de verantwoording bevat van de 46 pond die straataanleg op de “Nieuwe markt” kostte465 [465. CRD II, 44 (voor de functies: pp. 7 en 14 (Johan van Creijenscote en Werner Hademansz)), 394.], lijkt het straatmeesterschap als instituut aan het eind van de jaren zestig van de 14de eeuw geleidelijk ontstaan te zijn466 [466. “Herbette van Rectem, tot der tijmmeringhen an die strate te maken bi den vleyschhues 9 lb. 13 s.”; CRD III-2, 53 (1367). Tegen het bestaan van een apart straatmeestersambt in die jaren pleit echter het feit dat in 1368 “de gemene schepenen” als collectief meester Aernd de stratemaker instrueerden over hoe een straat bij de Minderbroederskerk te voltooien (ib., 83; bovendien ook 134). Een jaar later was Johan Pamont misschien straatmeester (ib., 178 en 182). De rekening van 1370 heeft een apart rubriekje “van der straten” (ib., 292).]. Een straatmeester verschijnt in 1374 op het toneel. Het was een raadslid dat een bedrag van krap 21 pond voorgeschoten had (inclusief het loon van de stratemaker en stadssubsidie op onderhoud van openbare straten) en dit bij de cameraar declareerde467 [467. CRD IV, 128.]. In 1383 fungeerden twee straatmeesters; het bedrag was toen vertienvoudigd468 [468. CRD VI, 88.]. De jaren direct na 1383 geven een wisselend beeld te zien wat betreft de bemanning van het ambt. In 1384 vervulde één schepen het ambt, in 1385 een schepen “ende sinen ghesellen, dien bevolen was over jaer die tymmeringhe an den straten te maken”. In 1386 is de aanduiding “stratenmeysters” gebruikt en is voor het eerst ook expliciet sprake van hun rekening469 [469. Ib., 193, 221 en 335.]. Vanaf dit jaar bestond het koppel straatmeesters elk jaar uit een schepen en een raadslid470 [470. Zie ook Acquoy, Timmermeesters, 22.]. De vermelding van hun boekhouding vinden we jaarlijks terug in de rubriek “timmeringe”, doorgaans in de rekening van de “tweede” cameraar471 [471. In bijvoorbeeld de boekjaren 1383, 1385 en 1391 zijn de gegevens over de straatmeesters in de “eerste” cameraarsrekening te vinden (CRD VI, 88 en 221; CRD VII, 214-215).], in bijvoorbeeld 1391 als “tot alsulken stratenwercke alse sie van onser stad weghen hebben doen tymmeren, daer sie die partikelen den scepen af bewyset ende gherekent hebben 260 lb.”472 [472. Ib., 214-215. In 1397 traden naast de reguliere straatmeesters nog een schepen en een raad op als alternatief straatmeestersduo. Zij moesten welomschreven weggedeelten, naar het schijnt buiten de stad, doen verbeteren en legden daarover al evenzeer verantwoording af in een aparte cedel (StRD I, 308). Dit lijkt een uitzondering geweest te zijn; er zijn geen aanwijzingen dat systematisch onderscheid gemaakt werd tussen binnen- en buitenstedelijke wegen.]. De uitvoering van het werk

|pag. 283|

______ ↑ ______

berustte bij een door de magistraat aangestelde stratemaker473 [473. Acquoy, Timmermeesters, 22 en 24.]. Een anonieme stratemaker (“factor platearum”) verschijnt al in de rekening van 1339. Misschien was hij dezelfde als Geert (Gerard) stratemaker uit 1347, die het jaar daarop als “meester” aangeduid wordt474 [474. CRD I, 56, 314, 328; CRD II, 59.]. Vermoedelijk viel de stratemaker in deze vroege periode onder de verantwoordelijkheid van de cameraars.
     De eerste straatmeestersrekening die nog voorhanden is stamt uit 1414475 [475. SAB, MA, inv. nr. 160a. Gedrukt: StRD III, 261-267.]. Het is een gebonden katern, bestaande uit vier bladen. Op de rectozijde van het eerste blad is de hand van Johan van Ommen te zien; een mij onbekende scribent (dezelfde die dat jaar de rekening van de weidegraven schreef) noteerde de overige posten. We mogen aannemen dat stadsschrijvers op basis van door de straatmeesters op wastafeltjes of anderszins aangeleverde informatie de rekeningen schreven. Na 1414 is er een lacune van 66 jaar. De rekening uit 1414 toont dat de straatmeesters geen eigen inkomsten hadden. Deze werden gefourneerd door een cameraar476 [476. Zie bijvoorbeeld StRD I, 187 (1396) en StRD III, 27 (1411). Acquoy, Timmermeesters, 23 vermeldt nog dat soms de verkoop van restantpartijen stenen en ook wel het opleggen van boetes (maar waarvoor?) inkomsten genereerden.]. In de bewaard gebleven kladrekening van één van de cameraars van dat jaar (de netversies ontbreken) is onder het kopje “den stratemeisters” een specificatie te vinden van de data en de bedragen die de cameraars de straatmeesters ter beschikking stelden477 [477. StRD III, 167 en 261.]. Een dergelijke rubriek komt in de netrekeningen niet voor.

5.9. Conclusie

In dit hoofdstuk is de ontwikkeling van de verschillende raadsambten, dat wil zeggen: ambten binnen het schepencollege, uiteengezet. Daarbij is in het kader van het thema van primair belang welke taken de onderscheiden raadsbeambten vervulden en welke schriftgoedproductie dit met zich bracht. Het belangrijkste ambt was dat van cameraar ofwel de schepen die de stedelijke financiën in portefeuille had. Een stedelijke kas fungeerde al in de jaren veertig van de 13de eeuw.
Het ontstaansmoment van het cameraarsambt is echter niet te traceren. Dit is bij benadering wel mogelijk gebleken voor wat betreft hun boekhouding, die te beschouwen is als de centrale stadsrekening. In dit hoofdstuk is een hypothese gepresenteerd als alternatief voor tot nu toe opgestelde theorieën over de vroegste fase van de Deventer cameraarsrekeningen. In deze hypothese gaat een voorstadium van separate boekhoudingen vooraf aan een eigenlijke stadsrekening.
Verondersteld is dat de laatste omstreeks 1330 ontstond door een “bundeling” van de informatie uit deze boekhoudingen. De toenemende boekhoudkundige complexiteit is in eerste instantie toe te schrijven aan demografische en economische groei tussen de rampjaren 1315-1317 en 1349/1350. Tot 1344 voerden beide cameraars een gezamenlijke rekening, daarna splitste men deze en ontstonden twee “kamers”. De verdeling van de diverse rubrieken over de twee cameraarsrekeningen kwam geleidelijk vast te liggen. Rond 1360 was dit proces om en nabij voltooid.

|pag. 284|

______ ↑ ______

     Lopende het boekjaar legden de cameraars tweemaal verantwoording af jegens hun collegaschepenen, in de zomer en in de winter. Een derde “grote rekening” sloot het boekjaar af. In de periode 1386-1394 kwam de gewoonte in zwang dat elke cameraar zes tussentijdse maandrekeningen opstelde. Binnen het bestek van een ruime halve eeuw was de stedelijke boekhouding dermate ingewikkeld geworden dat deze stap noodzakelijk werd. Omstreeks dezelfde tijd gingen de cameraars ook aan de nieuwe schepenen verantwoording afleggen. Tenslotte kreeg de meente rond het midden van de 15de eeuw steeds meer greep op de rekeningcontrole, hetgeen zich vertaalde in een speciaal register van saldi dat in 1455 in gebruik genomen werd.
     Vele administraties lagen ten grondslag aan de cameraarsrekeningen. Naast de bescheiden van de andere raadsbeambten zijn dat verpachtingsregisters, pandboeken, burgerregistraties en belastingkohieren. Verpachtingsregisters waren minstens sinds 1336 in gebruik. De gegevens hieruit kwamen in gecomprimeerde vorm in de cameraarsrekeningen terecht. De verpachtingsregisters kenden – althans vanaf circa 1400 – nog een substraat van registertjes die geschreven werden tijdens de verpachtingssessies in herbergen of openbare gebouwen.
     De cameraars hielden sinds omstreeks 1366 elk een eigen pandboek bij, waarin genoteerd stond wie welke voorwerpen in onderpand gaf als garantie voor betaling van schulden, boetes, pachtsommen en dergelijke. Als basis dienden de gegevens uit de boeken van het voorafgaande jaar. De registers werden, tezamen met de panden, bij de bestuurswisseling overgedragen aan de nieuwe cameraars. De nog voorhanden exemplaren van pandboeken (zes stuks, inclusief twee duplikaten) zijn door toeval bewaard gebleven.
     De registratie van nieuwe burgers geschiedde sinds omstreeks 1353 in een apart katern. Daar waar separate burgerschapsoptekeningen zich laten vergelijken met de gelijktijdige burgerschapsrubrieken in de stadsrekeningen, blijkt dat zij niet samenvallen. De administratieve logica hiervan blijft helaas verborgen.
     Aan belastingen zijn lokale nutsbelastingen en gedwongen leningen behandeld. Heffingen ten behoeve van de betaling van koe- en poortwachters behoren tot de eerste categorie. Koegeld werd al in de jaren veertig van de 14de eeuw geïnd met behulp van een schriftelijk overzicht van de burgers die hun koeien op de stadsweiden lieten grazen. De inning geschiedde door de wachters, die doorgaans een scribent bij zich hadden, maar die in sommige gevallen ook zelf schreven en dit al medio 14de eeuw. Een belasting per huis voor de poortwachters, immers een functie waarbij iedere stadsbewoner baat had, werd in 1361 ingevoerd. Eenieder die daartoe in staat was, droeg zijn steentje in de vorm van één groot bij. Voor de inning waren tot 1444 de wijkbewoners zelf verantwoordelijk; om die reden worden we niets gewaar van schriftelijke bescheiden, als die er al aan te pas kwamen.
     Lijsten van burgers die leningen verstrekten zijn zowel in de stadsrekeningen als – voor wat betreft de tweede helft van de 14de eeuw – in het oudste bewaarde verpachtingsregister te vinden. De bijbehorende registers gingen op één exemplaar uit 1380 na verloren. De in de loop van de 15de eeuw in aantal toenemende landsheerlijke heffingen leidden tot een intensievere benutting van het instrument van de (gedwongen) lening door het stadsbestuur. Vanaf de jaren dertig van de 15de eeuw zien we de meente invloed op dit terrein krijgen. Verondersteld is dat het raadsambt van zegelaar in de jaren dertig herleefde wegens de honderden stedelijke schuldbekentenissen die gezegeld moesten worden.

|pag. 285|

______ ↑ ______

     Na de cameraars zijn de raadsambten van wijnheer, gruit-, hop-, timmer- en tolmeester, weidegraaf en straatmeester aan een nader onderzoek onderworpen. Gemeenschappelijk aan deze ambten was de productie van rekeningen en daartoe behorende bijlagen (doorgaans in de vorm van cedelen). De genoemde raadsbeambten legden in navolging van de cameraars sedert 1396 tweemaal per jaar financieel verantwoording af jegens hun medeschepenen. Het moment, de vorm en aard van verschriftelijking op de verschillende bestuurlijke deelterreinen hing samen met externe politieke en economische factoren: de verwerving van landsheerlijke privileges (gruit), de ontwikkeling van het handelsverkeer (tollen), voedseltechnische innovaties (introductie van hopbier). Daarnaast zijn interne factoren te onderscheiden: toenemende professionalisering van de ambtelijke organisatie, waarbij het “ambtenarenapparaat” niet alleen een formelere opzet kreeg maar ook getalsmatig groeide. Uiteraard was ook de modus van uitbating (in eigen beheer of verpachting) van belang.
     Te veronderstellen is dat het tolwezen als eerste verschriftelijkte. Binnen deze sector kende men niet alleen rekeningen, maar ook tarieflijsten. Daarmee wil niet gezegd zijn dat het raadsambt van tolmeester het oudste was. Het beheer kan aanvankelijk bij het schepencollege als geheel of bij de cameraars gelegen hebben. Het ontstaan van de ambten van wijnheer, timmermeester en weidegraaf is niet exact te bepalen; zij komen in beeld met de eerste bewaarde stadsrekening van 1337. Wat de wijnheren betreft is het aannemelijk dat zij niet lang vóór 1337 met hun werkzaamheden begonnen zijn. De inning van de wijnaccijns bleef tot 1412 een taak van het stadsbestuur. Voor de registratie van vaten wijn was de kerfstok in zwang. Na 1412 gaf de stad de wijnaccijns in pacht uit en verdween het ambt van wijnheer. Wel bleef de stad verantwoordelijk voor het onderhoud van de infrastructuur: het stadswijnhuis en de kraan op de handelskade.
Onder de goederen die met deze kraan gelost werden nam wijn een voorname plaats in. Vanaf kort na het midden van de 15de eeuw reguleerde men de overslag op de kade: elk vat wijn diende ter registratie aangegeven te worden bij een stadsschrijver of diens secondant.
     Het ambt van gruitmeester was een bestaan van nog geen eeuw beschoren. In 1339 pachtte de stad van de landsheer het recht op de verkoop van gruitstoffen. De verlenging van dit privilege had op gezette tijden nogal wat voeten in aarde. Voerden aanvankelijk de cameraars het beheer en de boekhouding, in 1344 verschenen de gruitmeesters ten tonele. In of een paar jaar vóór 1433 hield het ambt op te bestaan; het nieuwe hopbier had de concurrentieslag definitief gewonnen.
     Het ambt van hopmeester ontstond in 1369. Er ging een “aanloopfase” van een jaar of acht aan vooraf. Hopbier als zodanig was mogelijk al eind 13de eeuw en uiterlijk sinds 1347 in Deventer voorhanden. Het duurde dus enige tijd alvorens de hopbierbrouwerij als inkomstenbron interessant werd voor het stadsbestuur. Een nieuwe brouwaccijns werd in 1389 ingevoerd. Juist in de jaren tachtig/negentig duikt in de bronnen ook het Hamburger- of “vreemd” dan wel “buiten gebrouwen” bier op. Hierover werd een tapaccijns geheven. Sinds 1412 verpachtte het stadsbestuur de hopaccijns. Net als bij de wijnaccijns leidde dit onmiddellijk tot hogere inkomsten.
Vanaf 1433 splitste men de accijnsrubriek in die van “binnen” en “buiten” gebrouwen bier, ofwel in een brouw- en een tapaccijnsrubriek. Geïmporteerd bier werd alleen op vaste lokaties en voorts tijdens jaarmarkten getapt.
     Hoewel de timmermeesters pas in 1344 expliciet genoemd worden, zijn er al sinds 1337 refe-

|pag. 286|

______ ↑ ______

renties aan hun boekhouding. In 1359 stelden zij zelf steenhouwers aan ten behoeve van het stadswerk. Voormannen uit het bouwvak rekenden met de timmermeesters af op basis van kerfstokken, waarop het aantal gewerkte dagen en/of de hoeveelheden gebruikte bouwmaterialen bijgehouden werden. In de timmermeestersrubriek zijn jaar na jaar verwijzingen naar “project-boekhoudingen” aan te treffen. De timmermeesters hadden hierover de supervisie.
     Ten aanzien van het tolwezen is het volgende gebleken. Sinds 1241 pachtte de stad de overoude Katentol van het klooster Elten. De met een toeneming van het rivierverkeer samenhangende wassende inkomsten hieruit gaven vermoedelijk al in de eerste paar decennia van de 14de eeuw aanleiding tot verschriftelijking in de vorm van tarieflijsten en tolrekeningen. Twee schepenen traden op als tolmeester, terwijl een tollenaar de incasso van het tolgeld verzorgde. De tollenaar zelf of aparte tolschrijvers namen de tolboekhouding voor hun rekening. Naast de Katentol verwierf de stad halverwege 1354 ook de bisschopstol, aanvankelijk in pand en in 1401 in erfpacht. Afgezien van de periode 1365-1371 verpachtte de stad deze tol. De bisschopstol was een markttol op over land aangevoerde handelsgoederen, die waarschijnlijk steeds aan de poorten voldaan moest worden. Optekening geschiedde door stadsschrijvers of hun helpers.
     Het ambt van weidegraaf heette aanvankelijk schutambt, naar de kerntaak: het beheer van de voor het schutten van vee benodigde infrastructuur op de stadsweiden. Vanaf 1352/1362 ontleenden de weidegraven hun inkomsten in principe aan het geld dat betaald werd voor het brandmerken van vee dat in de stadsweiden ingeschaard werd. Deze inkomsten zijn steeds in de ene cameraarsrekening geboekt, terwijl de uitgaven – voorzover zij de inkomsten te boven gingen – terugkeren in de “timmeringe”-rubriek. In 1464 kwam een nieuw reglement op het ambt tot stand, waarin onder meer vastgelegd werd dat voortaan de meente twee weidegraven aanleverde naast die uit het schepencollege.
     Het straatmeesterambt tenslotte kreeg in de periode tussen het eind van de jaren zestig en het begin van de jaren tachtig van de 14de eeuw geleidelijk vorm. Vanaf 1386 werd het steeds vervuld door een schepen en een raadslid tezamen. De late ontwikkeling van dit ambt is te verklaren uit het gegeven dat de eraan verbonden taken aanvankelijk tot het pakket van de timmermeesters behoorden. Het was ook het schepencollege als geheel, en niet het straatmeesterskoppel, dat de uitvoerder van de werkzaamheden, de stadsstratemaker, aanstelde.

|pag. 287|

______ ↑ ______

Aan de binnenkant van het perkamenten omslag van het zogeheten “Ewoldsboek” (een register van de Deventer Sint Ewoldsbroederschap) tekende een onbekende – misschien een lid van de broederschap – vermoedelijk omstreeks 1500 dit portret (SAB, BA, inv. nr. 55; foto: SAB).

|pag. 288|

______ ↑ ______

 
Benders, J.F. (2004). Bestuursstructuur en schriftcultuur. Een vergelijkende analyse van de bestuurlijke verschriftelijking in Deventer tot het eind van de 15de eeuw478 [478. handelsed. diss.]. Uitgaven IJsselacademi, 173] Kampen: Stichting IJsselacademie.

Category(s): Niet gecategoriseerd

Comments are closed.