4
RECHTSPRAAK
In dit hoofdstuk komen de rechtspraak en de daaruit voortvloeiende verschriftelijking aan de orde, waarbij een driedeling in straf-, vrijwillige en contentieuze rechtspraak aangehouden is. Hoewel zal blijken dat de praktijk zich niet steeds in dit keurslijf laat persen, levert het niettemin een bruikbaar analytisch handvat.
In de paragraaf over strafrechtspraak staan niet de rechtsregels in het middelpunt, maar de handhaving ervan en de ermee gepaard gaande optekeningen. Het eerste onderdeel betreft vetes en de regulering daarvan op basis van het zoenrecht, dat beoogde de vrede te handhaven. Elk delict dat tegen een wederpartij gericht was, kon gezoend worden. Aangezien de “stadsvrede” een onderwerp is waaraan de keurboeken diverse passages wijden, is het gerechtvaardigd het in de strafrechtelijke afdeling onder te brengen1. Dit te meer, daar oorveden ook toegepast werden in verband met inhechtenisneming en vrijlating uit de gevangenis. Na “vetes en oorvede” volgen de implicaties van overtreding van keuren in de vorm van boetes en verbanning. Als laatste wordt de gang van zaken rond vererving op onvolwassen kinderen (“kindergoed”) behandeld.
Wat betreft de vrijwillige rechtspraak is eerder verondersteld dat het stadsbestuur van Deventer reeds in de 12de eeuw jurisdictie op het stuk van onroerend goed-transacties had 2. In de laatste paar decennia van de 14de eeuw stuiten we op registratie van voluntaire zaken. Deze optekeningen zijn in het navolgende voorwerp van onderzoek. Daarbij is een uitsplitsing gemaakt naar achtereenvolgens erfenissen in den vreemde, onroerend goed-transacties (“renunciaties”), schuldbekentenissen, machtigingen en erfenissen in de stad. Deze volgorde weerspiegelt de chronologie van de registratie.
Als derde komt de rechtspraak in geschillen ofwel contentieuze rechtspraak aan bod. Dat gebeurt aan de hand van de optekening van eisen, verweren en vonnissen in de zogenoemde “clageboecke”. Daarnaast wordt aandacht besteed aan conservatoir beslag (panding en “besate”).
Alvorens de drie vormen van rechtspraak te behandelen, is het noodzakelijk de functie van de
burgemeesters scherp in het licht te stellen, omdat zij een sleutelrol vervulden in de schepenrechtspraak. Vooraf zij opgemerkt dat de tijdgenoten die in kringen van het stadsbestuur verkeerden de burgemeesters niet rekenden tot de in hoofdstuk 5 te behandelen raadsambten. Dit niettegenstaande het feit dat zij steevast uit de rangen van de schepenen afkomstig waren. Om die reden zal in het navolgende geen sprake zijn van het ambt, maar van de functie van burgemeester.
4.1. Inleiding: burgemeesters
In de cameraarsrekening van 1365 is voor het eerst de benaming “burgemeesters” gebezigd 3, maar de functie kende een langere geschiedenis. Deze bewering laat zich als volgt staven. Het bestuurlijke jaar was in Deventer verdeeld in dertien maanden van vier weken elk. Reeds de cameraarsrekening van 1337 heeft posten die betrekking hebben op uitgaven van steeds twee bestuurders “in hun maand”. Alleen van het schepenpaar Hendrik van Apeldoorn en Beernd (Bernard) ten Stocke is een gespecificeerd lijstje opgenomen van uitgaven in hun “startmaand”.
De eerste post betreft de kosten van de boetenincasso (“pro consecutione excessuum”). Nadien volgen nog twee maanden van dit koppel. Hun derde maand – de dertiende van het ambtelijke jaar – is aangeduid als “ultimus”. Van een ander schepenpaar is aangegeven dat het om zijn tweede maand gaat 4. De verwijzing naar de inningskosten van boetes is te betrekken op de kerntaak van de “schepenen in de maand”, namelijk de verantwoordelijkheid voor de berechting van overtredingen van de stadskeuren 5. In de jongere rekeningen ontbreken posten die gewag maken van schepenmaanden; 1337 vormt de uitzondering 6. Wel zien we in de rekeningen uit 1345 en 1350 onkostendeclaraties die één van de cameraars of beiden samen met stadsschrijver Gevehard van Hildesheim maakten “quum inmoniti fuerunt excessus” respectievelijk “in immonendo excessus”, dus bij het invorderen van de boetes 7. De aanwezigheid van de stadsschrijver wijst erop dat men de boetenincasso in enigerlei vorm op schrift stelde.
Dat er een verband is tussen “maandschepenen” en boetenincasso blijkt in 1355, wanneer in de cameraarsrekening in de rubriek “receptum (…) de excessibus” consequent aangegeven is welke schepenparen “de maand hadden”8. De feitelijke inning was een taak van de wachters 9, waarna de burgemeesters de inkomsten aan het eind van hun termijn overhandigden aan de dienstdoende cameraar. Dit is het in de rekening van 1361 voor het eerst vermelde zogeheten “overgeven van de maand”10. In het keurboek van 1448 is verordonneerd dat de boetenincasso binnen een jaar diende te geschieden 11. Vermeldenswaard is dat nog juist in het bestuurlijk-financiële jaar 1355, op 17 februari 1356, kort voor de politieke wisseling van de wacht, het schepencollege (met steun van raadsleden) tegen het verzet van de communitas in een als verbetering gepresenteerde vernieuwing doordrukte van het stedelijke boetewezen 12 – een zeldzaam en direct getuigenis van politieke spanningen in Deventer. Wat de verandering behelsde blijft helaas onduidelijk; het ligt echter voor de hand haar te verbinden met een reorganisatie van het instituut van de maandschepenen en de introductie van de functieaanduiding “burgemeester”, al is die pas een decennium later geattesteerd.
Nu duidelijk is dat maandschepenen en burgemeesters aan elkaar gelijk te stellen zijn, rijst de vraag wanneer deze functie ontstaan is. Om dit moment te bepalen moet een breder, Overstichts perspectief gehanteerd worden. In een door bisschop Jan van Diest op 27 maart 1336 te Arnhem uitgevaardigde oorkonde erkennen ridders, knapen en burgmannen van Goor en de burgemeesters, schepenen, raden en gemeenten van Deventer, Zwolle, Hasselt, Genemuiden, Ommen, Rijssen, Goor en Oldenzaal de graaf van Gelre als hun landsheer 13. De opsomming van bestuurlijke gremia in het Oversticht is ongetwijfeld met opzet zo ruim gesteld dat de specifieke
[afbeelding 4.1.]
Stadhuis, stadswapen in de achtergevel aan de binnenplaats, afkomstig van de voorganger van dit stadhuis en daterend van vóór 1458. De adelaar verwijst naar de idee van Deventer als Rijksstad (collectie SAB).
bestuurlijke constellatie van elk der genoemde steden erin vertegenwoordigd is 14. Het is op grond van deze vermelding niet aan te tonen, maar wel aannemelijk dat (ook) in Deventer in (het boekjaar) 1336 burgemeesters in functie waren. Aangezien een verbond tussen de drie grote steden van het Oversticht op de valreep van het jaar 1317 gesloten werd door schepenen, raad en meente der drie steden, zonder vermelding van burgemeesters 15, kan voorzichtig aangenomen worden dat burgemeesters op dat moment in het Oversticht nog geen deel uitmaakten van de stadsbesturen. Toegespitst op Deventer gold dit wellicht nog in 1328, toen schepenen, raad en “gemene stad” onder meer bisschop Jan van Diest en de stad Utrecht om arbitrage verzochten in hun conflict met de Gelderse graaf Reinald II16.
Hoewel niet vast te stellen is hoever vóór 1336/1337 de strafrechtelijke competentie van de Deventer magistraat in de tijd terugreikt 17, lijkt het plausibel dat voor een efficiënte uitoefening daarvan al spoedig – uiterlijk in de eerste helft van de jaren dertig van de 14de eeuw – het instituut van de maandschepenen gecreëerd is. Kort na het midden van de 14de eeuw gingen deze functionarissen “burgemeesters” heten. Een dergelijk tijdsverloop valt ook in Kampen te constateren. Bisschop Guy had daar in 1309 de hoge jurisdictie binnen de stadsvrijheid verleend, waarna burgemeesters in 1334 op het bestuurlijke toneel verschijnen 18.
Door elke maand twee hunner verantwoordelijk te stellen voor de rechtspraak, konden de overige schepenen in Deventer zich met andere zaken bezighouden. De dobbelsteen bepaalde wie een burgemeesterskoppel gingen vormen, zoals eerder ter sprake gebracht is 19. Het aantal ogen stemde overeen met het aantal koppels en vergemakkelijkte ook de toewijzing van de verschillende maanden. Alleen het eerste paar vervulde drie termijnen, omdat er immers dertien bestuurlijke maanden waren. De werkzaamheid van de burgemeesters als rechters komt fraai naar voren in de volgende passage uit het keurboek van 1448: “ende dat sal die burgermeister richten voir der banck ende die kuer inwynnen van denghenen die die verhalinge sijn (= van wie de invordering de hunne) is”20. De schepenrechtbank hield zitting in het stadhuis 21.
Een afzonderlijke kwestie is de vraag of de sinds 1346 door schepenparen uitgevaardigde oorkonden 22, juist vanwege het feit dat twee schepenen de oorkonders waren, specifiek burgemeestersoorkonden waren. Aan de hand van de sinds 1355 in cameraarsrekeningen opgenomen burgemeesters- ofwel schepenlijsten laat dit zich verifiëren. Een onderzoek naar de tweeschepenoorkonden uit de eeuwperiode 22 februari 1355-22 februari 1455 wijst uit dat van de circa 350 achterhaalde exemplaren er zo’n 40 ofwel ruim één op elf door burgemeesterskoppels uitgevaardigd zijn 23. In de andere gevallen gaat het om willekeurige combinaties van schepenen. De piek ligt in de jaren twintig en dertig van de 15de eeuw. Ongetwijfeld speelt de overlevering ons hier parten. Los van deze niet meetbare factor lijkt toch eerder sprake te zijn van toeval dan van veranderende administratieve praktijken. Met andere woorden: een afzonderlijke categorie burgemeestersoorkonden heeft nooit bestaan. Naast de groep tweeschepenoorkonden is er een categorie oorkonden die de stadsschout tezamen met twee schepenen uitvaardigde 24. Deze schepenparen waren geen van alle burgemeesterskoppels.
Burgemeesters oorkondden immer gezamenlijk met (hun mede-)schepenen en raad 25. De oudste mij bekende oorkonde op naam van deze bestuurlijke driehoek stamt van begin 1401 26.
[afbeelding 4.2.]
Een dobbelaar die een mantel heeft gewonnen, moet hem afstaan aan de eigenaar. Afbeelding in het Heidelbergse handschrift van de Saksenspiegel, 1300-1315 (Ruprecht-Karls-Universitats-bibliothek Heidelberg, Cod. Pal. Germ. 164, fo. 10r.
Over de gehele onderzoeksperiode zijn enkele tientallen exemplaren overgeleverd. Een groot deel daarvan is aan de vergetelheid ontrukt doordat zij afgeschreven zijn in het “oldecopienboick”. Het secreetzegel, waaraan deze oorkonden in de regel hun rechtsgeldigheid ontlenen, bewaarde men – tezamen met oorkonden – ter secretarie in een apart “spindeken”27. Dit secreetzegel sierde sinds 1347 ook uitvaardigingen van schepenen en raad 28, terwijl oorkonden van burgemeesters, schepenen en raad bij uitzondering ook wel met het “reguliere” stadszegel gezegeld werden, zoals de zojuist vermelde uit 1401. Een patroon valt hierin niet te ontwaren.
Tenslotte zijn er oorkonden die uitgevaardigd werden op verzoek van burgemeesters, schepenen, raad en meente tezamen. Als voorbeeld mogen twee beoorkondingen op naam van Roomskoningen dienen, respectievelijk uit 1386 en 1417. Zij bevestigen de privileges en rechten van de stad, met name het punt van de verplichting van de Utrechtse bisschop zijn “klaring” in Deventer te houden 29. In deze gevallen gaat het om het collectief optreden van alle bestuurlijke organen, dus inclusief de burgervertegenwoordiging.
Nog een tweede kwestie dient hier aan de orde te komen. Eerder is al gewezen op het in zwang zijn van keuren op het dobbelspel in 1339 30. Vanaf 1373 verschijnen in de rekeningen aparte rubrieken “van dobbelen” of “van dobbelien”31. Zeven jaar later is voor het eerst expliciet sprake van twee schepenen die als dobbelmeesters optreden. Dezen hielden blijkens een rekeningpost van een jaar later een eigen boekhouding bij 32. De boekhouding van de dobbelmeesters bevatte “onser stat ghelt dat die dobbelmeysters overleveren van den koeren die vervallen van der dobbelyen”, zoals het in het verpachtingsregister van 1392 verwoord is 33. Tussen 1418 en 1426 is de rubriek slechts driemaal op de gebruikelijke wijze in de rekeningen geboekt (bedrag plus schepenpaar in kwestie). Vanaf 1426 raakt het ambt van dobbelmeester naar het schijnt in het ongerede. Tot 1441 komt de rubriek slechts vier keer voor (twee rekeningen ontbreken), waarbij nu eens twee schepenen dobbelmeester zijn, dan weer één enkele schepen, dan weer – bij uitzondering – een schepen en een niet-bestuurder, dan weer een raadslid alleen. Niettemin maakt de cameraarsrekening van 1451 melding van twee schepenen die de cameraar “(hebben) in laten scriven van oere dobbelyen dat sij hem nyet gegeven en hebben”34. De dobbelmeesters waren louter verantwoordelijk voor de inning van boetes op één specifiek vergrijp. In die zin is het dobbelmeestersambt een verbijzondering van de burgemeestersfunctie.
4.2. Strafrechtspraak
4.2.1. Vete en oorvede
In 1366 gaf het stadsbestuur zijn schrijver Johan ter Hurnen ruim anderhalf pond om een boek te laten maken “daer men in scrijft die ghene die der stad ontsegghen ende andere zaken”35.
Afgaande op deze omschrijving was het register primair bedoeld om vast te leggen wie de stad door middel van een zogeheten “ontzegbrief” formeel een vete (diffidatio) aanzegden. Het register waarnaar de stadsrekening verwijst staat bekend als “oorvedenboek”, een vlag die de lading slechts ten dele dekt. Door toevoeging van categorieën uit de sfeer van zowel het strafrecht als de vrijwillige rechtspraak (zie hierna, § 4.3.1) kreeg het register een gemengd gerechtelijk karakter 36.
Waarom kwam het Deventer register – ongetwijfeld in post-middeleeuwse tijden – nu bekend te staan onder de benaming “oorvedenboek”? Voor een antwoord is het noodzakelijk het begrip “oorvede” aan de hand van de literatuur meer reliëf te geven. A. Boockmann stelt op basis van een rechtshistorische studie naar het oorvedewezen in het laatmiddeleeuwse Göttingen vast dat “oorvede” verschillende betekenissen kon hebben. Het sloeg enerzijds op de vredesbelofte van de verliezende vetepartij (“Fehde-Urfehde”), anderzijds op een gehoorzaamheidseed van een weerspannige burger en, in vervolg hierop, op een belofte van een gevangene te zullen afzien van wraak of gerechtelijke aanspraken (“Hafturfehde”). De “Hafturfehde” gaat terug op de Germaanse rechtsopvatting van de vrijheid van het individu, die door elke vorm van tijdelijke opsluiting geschonden werd en dientengevolge gezoend moest worden. Boockmann kan overigens gaande haar betoog het onderscheid tussen beide typen oorveden niet steeds waarmaken.
Terecht merkt zij op dat het de stedelijke rechtspraak niet te doen was om “die begriffliche Scheidung der einzelnen Urfehdeformen, sondern um die Sicherheit ihrer Bürger, der zur Stadt und von ihr fortführenden Wege und des städtischen Umlands”37.
Het Göttinger materiaal stamt uit de periode 1397-1550, met een piek in de tweede helft van de 15de eeuw. Aanvankelijk zwoer men louter mondeling, zonder dat uitvaardiging van een oorkonde of een registeroptekening volgde. Dit laatste was het geval vanaf circa 1385. Boockmann legt een verband tussen verschriftelijking (waaronder ook in Göttingen de registratie van ontzegbrieven viel) en de toenemende frequentie van vetes. Men kon het zich eenvoudig niet permitteren geen goed overzicht te hebben van – al dan niet voormalige – tegenstanders 38. Niet alle oorveden werden echter vastgelegd. Met ingang van het jaar 1430 noteerden scribenten in Göttingen de oorveden op afzonderlijke bladen en in afzonderlijke afdelingen. Voorheen geschiedde dat verspreid in de stadsboeken. Sinds 1475 hield men zelfs – deels alfabetisch geordende – toegangen op de oorveden bij.
Toen ook werden “Fehde-Urfehden” en “Hafturfehden”, zoenverdragen en “Quittungen” apart geregistreerd of als zodanig aangeduid. De laatste stap was de aanleg van specifieke “Hafturfehde” – boeken in het tweede kwart van de 16de eeuw, toen de “Fehde-Urfehde” geen rol meer speelde.
Boockmann acht het opmerkelijk dat het fenomeen van de oorvede in brede zin in geen enkele stad in het Duitse Rijk door middel van keuren in het stadsrecht opgenomen is; slechts formulieren zijn voorhanden. De oorvede behoorde tot de sfeer van het gewoonterecht en drong vanuit het veterecht in het stadsrecht door. Van belang is haar vaststelling dat de ontwikkeling van de oorvede in het Saksische rechtsgebied, waartoe Göttingen behoorde, afweek van die in de steden die het Lübeckse recht ontvingen. Nedersaksische bronnen maken het onderscheid naar twee soorten oorveden – oorvede na vete en oorvede na gevangenschap of hechtenis in de stad – al in de 14de eeuw 39. De opmerking van Boockmann dat stedelijke keurboeken in het Duitse Rijk
geen keuren over oorvede kennen, behoeft nuancering. Het Deventer keurboek van 1448 bevat een zeer uitgebreide passage over de te volgen procedure in het geval een vreemdeling een burger buiten de stad mishandelde en vervolgens de stad binnenging. Indien een burger twee schepenen of raden verzocht om rechtshulp, spanden dezen zich in medewerking van de vreemdeling te verkrijgen. Weigerde deze, dan moest hij op gezag van de burgemeesters de stad voor zonsondergang ruimen. Als hij ook dit bevel niet uitvoerde, lieten de burgemeesters hem op het raadhuis brengen en vasthouden totdat hij “gerne uytgaen wil ende sal dan oervede doen”40.
P. Neumeister, die de situatie in Berlijn en het aanpalende Cölln bespreekt, koppelt de oorvede-eed in de context van het stedelijke recht aan de vrijlating van gevangenen. Het belang dat men er in beide steden aan hechtte blijkt wel hieruit, dat de eed in het stadsboek vóór de eden op het stadsrecht en die van de stadsbestuurders geplaatst is (en overigens gevolgd wordt door een aparte oorvede-eed van gestraften, een “Hafturfehde” dus). Tussen 1380 en 1420 kwam de eerste, algemene eed in Berlijn in zwang. Het is echter onduidelijk wanneer het lokale oorvedenregister aangelegd werd. De oorvede vormde een effectief middel voor het bewaren van de vrede.
Intern diende het voor het verwijderen van lieden uit de gemeenschap, extern voorkwam het de inmenging van derden, die door een verwijderde ingeschakeld zouden kunnen worden.
Neumeister beschouwt politieke instabiliteit als de allesbepalende omstandigheid die steden dwong eigen juridische middelen tot vredeshandhaving te ontwikkelen 41.
De veronderstelde herkomst van de oorvede uit het gewoonte- en veterecht laat zich voor het Oversticht reeds aan het begin van de 14de eeuw aantonen. In 1313 namelijk vonniste bisschop Guy in een moordzaak te Kampen dat de aangeklaagde partij een zoenbedrag moest betalen en bovendien onder meer “oreviede nemen na den zede van den lande”, met de toevoeging “Ende dit sel wesen toit allen zoenen recht”42. Gelet op het gewoonterechtelijke karakter is de oudste geschiedenis van het veterecht en de oorvede niet te achterhalen. De schriftelijke kant van het vetewezen in ruimere zin kent eveneens een lange geschiedenis. In Overstichtse context is te noemen de vete die de heer van Voorst en een achttal helpers bisschop Jan van Diest bij aanvang van het jaar 1330 schriftelijk aanzegden 43. Een vroege vermelding van een specifieke gevangenisoorvede in het Oversticht stamt eveneens uit 1330 44.
Van wanneer dateren de oudste gegevens over vetes en oorveden in Deventer? In 1344 maken de cameraarsrekeningen melding van een “littera diffidationis” (“vetebrief” of beter: “ontzegbrief”), die door een stadsbode bezorgd werd bij Roelof (Rudolf) van Bevervoorde. Bovendien lieten de schepenen een en ander over deze vete op schrift stellen 45. Het gaat te ver hieruit af te leiden dat er reeds vóór 1366 een veteregister heeft bestaan. Eerder kan gedacht worden aan een
[afbeelding 4.3.]
Strafblok waarin gevangenen vastgezet konden worden. De voorstelling is te zien als een aansporing tot matig drankgebruik – zie de bierpul in de rechterhand. Misericorde van de koorbank van de Grote of OLV-kerk te Dordrecht (foto: H.A. van Duinen).
ad hoc-optekening. Uit de eerste helft van de jaren vijftig van de 14de eeuw stammen ook enkele vermeldingen in de stadsrekeningen van “socii” en “complices”, de Latijnse equivalenten van de medestanders (“helpers”) van de hoofdvetevoerder (“hoofdheer”)46). Ondubbelzinnige vermeldingen van oorveden dateren uit 1358 en 1360 47, maar het fenomeen zou besloten kunnen liggen in formuleringen die vanaf 1352 in de stadsrekeningen gebruikt worden in verband met vrijlating uit gevangenschap 48. Behalve de cameraarsrekeningen bevatten ook de hierna te behandelen membra disiecta uit de jaren 1344-circa 1360 tekstfragmenten die tezamen verwijzen naar een gevangenisoorvede 49. De lokale gevangenis verschijnt in 1345 in beeld 50. Als alle middel-
eeuwse wereldlijke gevangenissen dient deze beschouwd te worden als een plaats waar men de verdachte in verzekerde bewaring hield met het oog op verder onderzoek en niet als een plaats om een straf uit te zitten 51. Al met al is het niet te gewaagd het in zwang komen van de (gevangenis-)oorvede in Deventer rond het midden van de 14de eeuw te plaatsen.
Stadsschrijver Johan ter Hurnen deelde het oudste oorvedenregister in een viertal rubrieken in, te weten “Dit sint die ghene die der stad ontseghet hebben” en aansluitend “Dese zint onser stad vyande”, “Dit sint die ghene die ghesoent hebben teghens die stad” (met ertussenin oorveden uit 1412 en 1415 in jongere handen, onder wie zijn collega Johan van Ommen), “Dit sint die ghene die die stad verlovet hebben” en tenslotte “Dit sint die ghene die ghevreet sin [teghens de stad] toe uytghaenden tyden” (deels volgeschreven door de plaatsvervangende stadsschrijver Hendrik van Wijk)52. Het is niet exact aan te geven wanneer Ter Hurnen daadwerkelijk in het register begon te schrijven, omdat vele notities niet van een datum zijn voorzien. Er is een optekening uit omstreeks 1366, gelijktijdig met de vervaardiging van het register derhalve; twee inschrijvingen zijn voorzien van het jaartal 1372 53. Het merendeel van de notities stamt uit de jaren zeventig en tachtig. De ongedateerde inschrijvingen moeten met behulp van de cameraarsrekeningen en/of oorkonden in de tijd geplaatst worden. Dit is niet steeds even gemakkelijk, doordat vetes soms tijdelijk beëindigd, maar later weer hervat werden 54.
De notities vermelden doorgaans de “hoofdheer”, alsmede diens “helpers”. Aangezien ontzegbrieven op naam stonden van een “hoofdheer” en alle leden van de bent bij name noemden 55, kan aangenomen worden dat in het oorvedenregister de essentie van ingekomen ontzegbrieven
afgeschreven is. Eenmaal is expliciet vastgelegd dat een “ontzegging” in de vorm van een oorkonde moest geschieden 56. Het register bevat ook korte aantekeningen over de beëindiging van vetes door middel van zoenprocedures, waarover de cameraarsrekeningen trouwens niet steeds berichten. Niet alle “zoenen” zijn ondergebracht in de desbetreffende rubriek; met name aan het eind van de rubriek “verlovet” volgt een hele serie, die door de stadsschrijvers Johan ter Hurnen als Johan van Ommen ingeschreven zijn 57. Naast de “zoen” bestond de “vrede”58. Het verschil tussen beide is dat de eerste permanent, de tweede tijdelijk van aard was. De gangbare opzegtermijn van een “vrede” was veertien dagen; eenmaal komt een termijn van acht dagen voor. Apart vermeld is soms wie de “vrede” gaf en bij wie deze opgezegd moest worden 59. Het fenomeen van de “vrede” en de “zoen” zal bij de behandeling van doodslag de revue nog passeren 60. Wanneer een vete met het opstellen en uitwisselen van “brieven” officieel afgesloten was, cancelleerde men de betreffende veteoptekening in het register.
Juist in 1366, toen het stadsbestuur opdracht gaf tot het bij houden van een veteregister, maken de cameraarsrekeningen voor het eerst melding van de uitwisseling van “vredebrieven” tussen de stad en een tegenstander 61. Aangezien de rekeningen, zoals gezegd, sinds 1344 posten bevatten over vetes, is het onwaarschijnlijk dat het fenomeen “vredebrief” pas in 1366 zijn intrede deed en dat er een samenhang was met de aanleg van het veteregister. De ontzeg-, vrede- en zoenbrieven kregen een plaats in het stadsarchief 62. In de stadsrekening van 1405 is sprake van de vondst van een “ontzegbrief” in de “spinde” van de burgemeesters 63. Stukken met betrekking tot vetes die niet alleen de stad Deventer aangingen, maar het (Over-)Sticht als geheel, deponeerde men in de landskist 64.
De inventaris van de landskist telt diverse dergelijke met vetes in verband staande documenten 65.
In zijn oorspronkelijke, door Ter Hurnen geschreven opzet is de term “oorvede” in het oorvedenregister slechts een paar keer te vinden en wel uitsluitend in de eerder genoemde rubriek betreffende degenen die de stad “verlovet” hadden 66. Ondanks wisselende formuleringen is het aannemelijk dat alle notities in de “verlovet”-afdeling oorveden behelzen. In sommige gevallen is vermeld dat er een “open brief” van opgemaakt was 67. Men onderscheidde in de rubriek “verlovet” het doen van oorvede van het “verzweren van de stad”. Dit laatste hield in dat iemand bij eed beloofde de stad te zullen verlaten, hetgeen minder verstrekkend is dan een oorvede, die het element van wraak uitsluit. Eenmaal is sprake van een “oude oorvede”, waarmee wellicht een oude formule bedoeld is 68. Soms werd een voorbehoud in de eed opgenomen 69.
Diverse variaties op het thema komen voor: “[persoonsnaam] die is ghesoent mit onser stad ende heft gheloevet dat hi binnen enen iare daer na onser stad vyant niet weerden en sal, ende daer na, alse hi onser stad wal weerden, dat sal hi onser stad een half iaer te voren laten weten”, of zeer uitgebreid “[datum + persoonsnaam] heft verloevet ons heren van Utrecht ende sijn ghe-
[afbeelding 4.4.]
Schandstenen. Het “dragen van de stenen” was een aan vrouwen voorbehouden “schandestraf”. De door een ketting verbonden stenen werden als een juk over de schouders gehangen, waarna de vrouw in kwestie een bepaalde route door de stad moest afleggen. Soms ging een trompetter voorop om nog meer aandacht op de onfortuinlijke te vestigen (foto: Collectie Historisch Museum Deventer, inv. nr. 2731.8).
stichte, die stad van Deventer, hore burghere ende hore gude, daer nummer teghens te done mit rade noch mit daden, ende dat hi nummer comen en zal binnen dat ghestichte van Utrecht; voertmer dat hi nummer ryden noch werven en sal mit des ghestichts vyanden noch mit der stad vyanden van Deventer ende nummer doen en zal teghens die ghene die die stad van Deventer verdedinghen wil”. Dit is een zuiver voorbeeld van een oorvede-eed. Uitzonderlijk is het geval van een vrouw die “sente Martijns daghe in den winter naest comende rumen zal uyt der stad van Deventer (= Deventer verlaten moet) ende en zal daer na nummer daer weder in comen, ende oft (= indien) sie enighe tijt daer weder in quame, so zoelde men sie zetten in die dorenkyste (= ”gekkenkast”), daer soelde sie dan zitten ene maent ende dan so zoelde sie weder rumen up die zelve pene (= straf)”. Direct hierop volgend is nog een vrouw tot dezelfde straf veroordeeld, “ten were zake dat sie den scepenen een waerachtich betoent (= bewijsstuk) brachte dat hoer echte man doet were”70. Dit doet vermoeden dat men beide vrouwen van polyandrie betichtte.
Johan ter Hurnen maakte een interessante notitie die op het eerste gezicht niet thuishoort in het oorvedenregister: “Dat is te weten dat in den iaer ons heren dusent drie hondert drie ende neghentich up sente Iohans dach to middenzomer (24 juni, de datum van één van de Deventer jaarmarkten) is ghecomen Gheryt Zwaviken vor scepen ende raet ende ghif up sinen burgherschap”71. Ongeveer een maand later maakten Geert en een aantal kompanen een eigenman van de heer van Borculo een koe afhandig. In 1395 leverde Geert wijn voor een schepenvergadering op
het stadhuis 72. Hieruit volgt dat (in sommige gevallen of steeds?) stadsbewoners die een vete wilden aangaan hun burgerschap (al dan niet verplicht) opzegden om de stad problemen te besparen, zonder dat dit evenwel per se tot vertrek leidde. Tegen deze achtergrond wordt deze inschrijving in het oorvedenregister begrijpelijk. Het keurboek van 1448 verordonneert slechts in algemene zin dat een burger die op enigerlei wijze “der stad oerloch makede” dit de stad zou “beteren” indien er hinder of schade uit voortvloeide 73. Direct hierop volgt de bepaling dat, indien “vijanden” van de stad in hun oorlogsverklaring bepaalde burgers in de stad uitzonderden, dezen hun “status aparte” binnen acht dagen moesten opzeggen. Wie dit weigerde, zou een maand daarna zijn woning in de stad “ontberen” voor de duur van de vete 74. Feitelijk betekende dit ballingschap. Zoveel is duidelijk, dat het fenomeen vete in het midden van de 15de eeuw nog springlevend was.
De indeling van het oorvedenregister weerspiegelt heel fraai de twee typen oorveden die de literatuur onderscheidt: “Fehde-Urfehden” in de rubrieken “ontseghet/vyande”, “ghesoent” en “ghevreet”, “Hafturfehden” in de rubriek “verlovet”. Inmiddels is te beredeneren waarom overtredingen van de stadskeuren een plaats in het oorvedenregister kregen: de delinquenten in kwestie hadden in de stadsgevangenis gezeten en deden bij ontslag daaruit oorvede. Het verband laat zich in een enkel geval met behulp van de stadsrekeningen achterhalen. De als veertiende in de rubriek “verlovet” in het oorvedenregister ingeschreven Johan Heynikensz alias Spierbroet zat in 1384 in de stadsgevangenis 75. Een ander voorbeeld is de in het register genoteerde verbanning van een zekere “Gisele die mit Johan den clumper woent”. De stadsrekening van 1402 vermeldt kosten van de stadsboden voor consumpties in de wijntaveerne “doe sie Ghijselen die mit Iohan den clumper plach te woenen in dien kelre brachten”76.
Nog andere voorbeelden zijn te ontlenen aan de stadsrekeningen en het “olde copienboick”.
Instructief is de door stadsschrijver Johan van Ommen op de binnenzijde van het omslag van het “olde copienboick” afgeschreven oorvede van Gerloch de leidekker uit 1411 77. Het geval van de broers Hendrik en Herman van Grosen, die in 1389 gevangen zaten, is niet in het oudste oorve-
denregister terug te vinden. Opmerkelijk aan deze zaak is dat de schepen Lubbert Budel voor zeven schellingen twee zegels liet graveren, waarmee beiden de oorvedebrief van de stad medebezegelen moesten. Oorvedebrieven werden dus – net als ontzegbrieven – in de vorm van oorkonden uitgevaardigd; er was al eerder sprake van. Twee jaar later keerden de schepenen Hendrik 25 Gelderse gulden uit “vor sine smaheyt (= aantasting van zijn eer) dat hi in onser stad vangnisse gheseten hadde, vor oncost die hi ghedaen hadde die wyl tyts dat hi af ende to quam, eer hi ghesat waert”. In het register ontbreekt ook Beernd, die in 1391 in de stadskelder gevangen zat en die samen met zijn broer “onse stad verlovede”78. Eind 1394 voerden de stadsboden een zekere Herman over de IJssel “do hi onse stad verzworen hadde”79. Het schenden van een oorvede kon tot de doodstraf leiden, zoals Jacobje (nadere personalia ontbreken) in 1402 moest ervaren 80.
Wegens het verbranden van kazen op de Sint Maartensjaarmarkt zette men in 1404 Hendrik Tempelman, zijn zwager Albert en nog enkelen van hun kornuiten vast; Tempelmans oorvede is ook al integraal afgeschreven in het “olde copienboick”. Hij mocht twee jaar lang niet in de stad of binnen de palen van de stadsvrijheid komen 81. Een jaar later betaalde het stadsbestuur de stadsschout een bedrag ten behoeve van iemand die hij in zijn gevangenis bewaarde, “want men meynde dat hi des stichts viande wesen hadde, die oervede dede want hi gheen viant en was”82.
Zat de stadsgevangenis vol of ontfermde de stadsschout zich in de regel over vijanden van de bisschop? In dat geval is het vreemd dat de stad de onkosten betaalde.
Omdat er geen indicaties zijn dat vetes vóór circa 1366 min of meer consequent geregistreerd werden, ligt het in de rede na te gaan waarom het stadsbestuur medio jaren zestig van de 14de eeuw de vervaardiging van een oorvedenregister noodzakelijk achtte. In de literatuur over het fenomeen van de “roofridders” (een aanduiding die in de vroege 19de eeuw geïntroduceerd werd!) van de late Middeleeuwen heeft men geen modus kunnen vinden voor het onderscheid tussen de rechtmatige vete (iusta diffidatio) en de niet juridisch gefundeerde roof- of plundertocht. Veel onderzoek is er gedaan naar de economische en maatschappelijke achtergronden van het riddergeweld in de 14de en 15de eeuw, onder meer in een aantal regionale studies 83. Relatief weinig is er echter geschreven vanuit het perspectief van de steden. Recent bestudeerde U. Andermann de pogingen van Noord-Duitse Hanzesteden tot het indammen van iedere vorm van geweldgebruik door de adel 84.
Schneider schrijft de vele door adel gevoerde vetes die de oostelijke Nederlanden in de 14de eeuw teisterden toe aan het falen van de landsheer zijn gezag tot gelding te brengen. Een kenmerk
van de regering van bisschop Florens van Wevelinghoven was volgens Schneider de krachtdadige inperking van de macht van de adel. Bij conflicten met de hoge adel lag het initiatief tot optreden steeds bij de Utrechtse bisschop. Alleen wanneer de vrije vaart op de IJssel bedreigd werd traden de Overijsselse steden gezamenlijk op. Ruzies met potentaatjes in de directe omgeving of binnen de eigen invloedssfeer losten de steden zelf op. Schneider stelt dat er in de 14de eeuw echter nooit een doelbewuste stadspolitiek bestond die gericht was op het breken van de macht van de adel 85. Volgens Boockmann vochten steden in het algemeen alleen vetes uit indien belangen van burgers of bezitsaanspraken in het geding waren 86.
Schneider wijst herhaaldelijk op de uitstraling van de politieke strijd in Gelre in de jaren vijftig naar het Oversticht. Naar mijn mening ligt daar ook de verklaring voor de aanleg van een apart oorvedenregister. De frequentie van de conflicten nam zodanig toe dat het noodzakelijk werd daarvan systematisch boek te houden. Men bedenke hierbij echter wel dat er op het moment van vervaardiging van het oorvedenregister al een decennium van conflicten met hoofdzakelijk Gelderse adel achter de rug was, gemeten naar het aantal rekeningposten dat betrekking heeft op “vijanden” van de stad 87. Interessant in dit kader is de these van J.A. Kossmann-Putto, die schrijft dat bisschop Jan van Arkel omstreeks 1360 het instituut van de veemrechtspraak in stelling bracht om vetevoering in te dammen. Onder druk van de drie grote Overstichtse steden zou hij van het door keizer Karel IV verleende privilege echter geen gebruik gemaakt hebben 88. Het is geen toeval dat hiervoor juist in dit jaar keizerlijke toestemming verkregen werd. Chronologische bewerking van de door Schneider alfabetisch geordende “Fehdenkalender”89 brengt de toename van conflicten tussen de stad en adel en “vrijen” (door Schneider als groep onderscheiden maar niet nader omschreven) uit Salland, Gelre en van elders (Westfalen, Bentheim, Holland) helder aan het licht.
| Tabel 3. Vetes tussen Deventer en adel en “vrijen” uit verschillende regio’s | ||||
| SALLAND | GELRE | REST | TOTAAL | |
| 1340-1349 | 6 | 1 | 0 | 7 |
| 1350-1359 | 7 | 11 | 4 | 22 |
| 1360-1369 | 21 | 19 | 4 | 44 |
| 1370-1379 | 32 | 31 | 8 | 71 |
| TOTAAL | 66 | 62 | 16 | 144 |
| (N.B.: bij conflicten die over meerdere jaren lopen is het beginjaar aangehouden) | ||||
Wanneer de Sallandse, Gelderse en overige adel tezamen genomen wordt, tekenen zich pieken af in de jaren 1358 (10), 1366 (11), 1372-1374 (10-12), 1376 (11) en 1379 (9). Voor zijn vetekalender (hier te gebruiken in combinatie met de eraan voorafgaande “Prozeßkalender”) heeft Schneider jammer genoeg het oudste oorvedenregister niet benut, evenmin als voor zijn paragraaf 4.1 over vetes in de 14de eeuw. Vergelijking van het register met Schneiders op de cameraarsrekeningen steunende kalenders maakt duidelijk dat beide wederzijds exclusieve gegevens bevatten. Het register geeft enkele namen van “hoofdheren” die niet in de kalender voorkomen, terwijl de kalender in totaal meer namen van “hoofdheren” opsomt. Dit roept de niet te beantwoorden vraag op wie er in het oorvedenregister opgenomen zijn en op grond van welke criteria dat gebeurde. Het is denkbaar dat niet alle gearchiveerde vetedocumenten ingeschreven werden.
Het oorvedenregister zelf laat hierover niets los.
Van bijzonder belang is de rol van de meente in het vetewezen. Vanaf 1370 blijkt namelijk dat vetevoerende of bemiddelende partijen zich in geschrifte (mede) tot de meente richtten. Betrof het dat jaar twee bestellingen van brieven met onbekende inhoud, beide keren van zowel Kampen als Zwolle, zeven jaar later arriveerde een bode van Evert van der Ese uit Almelo met brieven voor het stadsbestuur en de meente over welomschreven zaken 90. Een bode van Johan van der Ese bracht in 1382 brieven naar de gemeente met de vraag of hij voor de stad op zijn hoede moest zijn91. Aangezien het stadsbestuur het (drink-)geld van de boden fourneerde, wijzen deze posten niet op politieke spanningen. In 1384 zond Bertold van Bakerweerd de meente brieven waarin hij zich beklaagde over de schepenen, waarop de meente op haar beurt reageerde door een bode naar Almelo te sturen met een brief voor Bertold. Weer enkele jaren later kwamen in Deventer brieven aan van respectievelijk de graaf van Mark en diens broer voor het stadsbestuur en de meente over Altzac en Bertold van Bakerweerd, en van de Gelderse hertog Willem I voor schepenen en raad en voor de gemeente “dat hi begheerde dat Bertolt van Bakerweerde binnen onse stad mochtecomen”92. De bode van een Gelderse functionaris bezorgde in 1393 bij het stadsbestuur en de meente brieven van de hertog 93. Een jaar later verzocht de heer van Bronkhorst de meente en de stad schriftelijk om vrijlating van een gevangene “dien onse here van Utrecht in sinen stocke (= gevangenis) binnen onser stad hadde ghesat”94. De oorkonde waarin Roomskoning Wenzel van Luxemburg de stad Deventer in 1397 “vor hem dede eyschen”, was bedoeld voor schepenen, raad en meente 95. Het Utrechtse stadsbestuur en bisschop Frederik van Blankenheim richtten in 1421 brieven aan stad en gemeente, met het verzoek de Gelderse hertog een vete aan te zeggen 96. Kortom: sinds circa 1370 consulteerden personen en stadsbesturen de Deventer meente inzake zowel relatief kleinschalige als meeromvattende vetes. Opmerkelijk
daarbij is dat de meente ook zelf correspondentie voerde. We kunnen constateren dat deze rol nieuw was, al is er ook wel iets voor te zeggen haar te beschouwen als een uitbreiding van de bemoeienis met politieke verdragen, die in een eerder hoofdstuk behandeld is 97.
Over de periode 1395-1476 zijn oorveden bijgehouden in een uit acht papieren katernen bestaand register, dat aansluit op het oudste oorvedenregister 98. Het laatste – verkeerd ingebonden – katern beslaat de periode 1395-1423, overigens zonder een lineaire chronologie. De erin vervatte “ontzeg”-registraties zijn soms gecancelleerd en soms in de marge voorzien van aantekeningen als “ghezoent”. Aan het eind van het katern zijn rubrieken “gezoend” en “oorvede” te vinden. Uniek zijn de twee afschriften van ontzegbrieven (met als aanhef: “Wetet”), waarin de reden voor de ontzegging en de namen van de ontzeggers vermeld zijn. Ontzegbrieven namen in het tweede kwart van de 15de eeuw ook wel het karakter van missiven aan: zegels werden niet aan- of uitgehangen, maar opgedrukt 99.
Het eerste katern, bestaande uit acht bladen, bestrijkt de periode 1421-1447. Gezien het beduimelde omslag was het oorspronkelijk los in gebruik. Daarop wijst al het feit dat het oudste exemplaar op de verkeerde plaats ingebonden is. Ook de chronologie van het eerste katern is verward 100. De optekeningen hierin vertonen een gemêleerd karakter; zowel ontzeggingen als (gevangenis-)oorveden komen voor. Op de achterzijde van het omslag is de standaardoorvedeeed in extenso uitgeschreven 101. Oorvede-eden werden afgelegd ten overstaan van de burgemeesters op het raadhuis 102. In de eed nam men soms persoons- of geval-gebonden toevoegingen op. Zij gebieden iemand bijvoorbeeld nooit meer in Deventer en/of Salland te komen of zich, na aankomst in de stad, bij vertrek af te melden bij het stadsbestuur. Hier gaat vrijlating gepaard met verbanning of andere restricties.
Het tweede katern dekt de jaren 1427-1466. Er zijn louter gevangenisoorveden in opgenomen.
Hechtenis en oorvede ontwikkelden zich net als in Göttingen in de tweede helft van de 15de eeuw vermoedelijk steeds meer tot een disciplineringsinstrument, terwijl zij aanvankelijk louter als middel tot het bewaren van de vrede dienden 103. De formuleringen zijn tamelijk gestandaardiseerd: datum – naam zoener – “gezwoent mit” – “onder sinen segel” of: naam “hoofdheer” (en eventueel van de helpers) – “hebben/siin gezwoent” – datum – “dair zwoenbrieve af siin” of: “desse sin gezwoent ende hebben oervede gedaen” – vermelding zoenbrief – namen zoeners. Ook hier gaven de scribenten zich moeite personen uitgebreid te identificeren, inclusief soms de geboorteplaats 104.
Dat Deventer binnen Salland en het Oversticht (ook) in vetezaken een centrale rol speelde, spreekt wel uit het feit dat in 1450 een bode zich naar de schout van Raalte begaf om een ontzegbrief die daar bezorgd was naar Deventer door te zenden 105. Evenzo verwittigde de stad in voorkomende gevallen bijvoorbeeld de drosten van Diepenheim en Twente. In 1421 bezorgde een stadsbode hun en de kastelein van Arkelstein afschriften van de ontzegbrief van de helpers van heer Dirk van Batenburg 106. Blijkens de stadsrekeningen verzochten andere stadsbesturen soms om raadpleging van het Deventer oorvedenregister. Zo arriveerde in 1438 een bode uit Kampen in Deventer met een brief met het verzoek een lijst met namen te verschaffen van degenen die tevoren in Deventer in de gevangenis gezeten hadden wegens het dobbelen met gemanipuleerde stenen 107. Twee jaar later stuurde Kampen opnieuw een bode met een brief “dat wij onse register oversen (= er op nazien) wolden, wanneer Johan van Raesvelde onse viant geworden weer”108.
Beide kwesties zijn in het register terug te vinden 109.
De informatie in het eerste katern toont aan dat oorvedebrieven in het tweede kwart van de 15de eeuw in de zegelkamer bewaard werden, terwijl ontzeg- en zoenbrieven een plaats vonden in de schrijfkamer. Deze kamers waren in het raadhuis ondergebracht 110. Daar ook bevond zich het onderhavige register, getuige deze passage in het eerste katern: “dair die zwoenbrieve in desser camer af siin”. Hier betrappen we de schrijver van het eerste katern tijdens zijn werkzaamheden. Naast zoenbrieven bestonden overigens ook aparte vredebrieven, die eveneens in de schrijfkamer bewaard werden 111. Vetezaken werden dus geregistreerd, terwijl ook (een deel van?) de originelen een plaats in het archief vonden. De toevoeging “etc.” bij diverse optekeningen in de oorvedenregisters geeft al aan dat het om afschriften gaat. De registratie vond vermoedelijk plaats om het opzoeken te vergemakkelijken. Veelzeggend is het zojuist aangehaalde verzoek van Kampen uit 1440. Lukraak zoeken in de verzameling ontzegbrieven had weinig zin. Een bericht uit 1444 gunt ons nog een blik op de gang van zaken ter secretarie met betrekking tot vetes. Het Deventer stadsbestuur ontving toen het schriftelijke bewijs dat twee burgers van Bocholt zich met de Utrechtse bisschop verzoend hadden, “dair die brief of henckt in der scrijfkaemer”, zo
noteerde de registerklerk. Deze omschrijving kan slaan op de manier van archiveren of misschien ook wel refereren aan een vorm van openbare publicatie, waarbij het stuk hetzij aan de wand van de secretarie, hetzij in een “ad valvas”-kast te lezen was 112.
Een particulier die een zoen- of oorvedebrief uitvaardigde, verkeerde in een lastig parket indien hij ingezetene was van een ander gewest dan wel gebonden was aan een andere (lands-) heer. Bij de bespreking van het oudste oorvedenregister kwam dit verschijnsel al ter sprake.
Ontstond er een conflict tussen dat gewest en/of die heer, dan prevaleerde deze band voor de duur van de strijd, waardoor de zoen of oorvede als het ware tijdelijk buiten werking gesteld werd. Als beding kon deze situatie in een oorvedebrief opgenomen zijn. Men sprak wel van “die vede uyt pienen” en van het vervolgens “weder staen op siin oervede”113. Ingewikkelder constructies waren denkbaar. In 1444 deed zich het geval voor van iemand die zowel aan de hertog van Gelre als aan de graaf van Bentheim gelieerd was 114. Indien een adellijke leenman zijn leenheer in de strijd moest volgen, werd ook in Göttingen de oorvede tijdelijk door hem “geamortiseerd”. De oorvede gold hier als geschonden, wanneer de oorveder als verspieder en niet louter als soldaat (“gemeyne meterythere”) optrad 115.
4.2.2. Overtredingen van keuren: boetes en verbanning
In de inleiding is al naar voren gekomen dat men de inkomsten uit boetes jaarlijks in de cameraarsrekeningen verantwoordde. Voorts is in de bespreking van de keurboeken de scala aan 14de-eeuwse stedelijke rechtsregels gereconstrueerd 116. In deze paragraaf staan niet die rechtsregels zelf centraal, maar de handhaving ervan en de daarmee gepaard gaande optekeningen. Op 24 januari 1351, een maand voor de wisseling van de bestuurlijke wacht, vorderde één van de cameraars in samenwerking met stadsschrijver Gevehard van Hildesheim de boetes in 117. Enigerlei vorm van optekening moet toen derhalve al bestaan hebben. Dat deze los van de cameraarsrekeningen functioneerde, toont de situatie in 1358 aan. Waar de kladrekening van dat jaar een totaalbedrag bevat, zijn in de netrekening de inkomsten uitgebreid gespecificeerd 118. In dit kader kan ook gewezen worden op een rekeningpost uit 1364, waaruit blijkt dat toen één van de cameraars van dat jaar samen met die van het voorafgaande jaar overtredingen uit de periode 1362-
1364 liet optekenen door stadsschrijver Johan ter Hurnen 119. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat men bij het opmaken van de klad- en netversies van de cameraarsrekeningen voor de boeterubrieken teruggreep op een aparte administratie. In 1381 vond een omkering plaats van de tot dan toe gevoerde werkwijze. Vanaf dat jaar noteren de schrijvers van de cameraarsrekeningen niet langer per burgemeesterskoppel namen en bedragen van personen die beboet waren, maar geven zij een totalisatie per koppel 120. De bewaard gebleven kladrekening van 1422 bevat daarentegen de uitgebreide registratievorm van namen en bedragen en soms de reden van de oplegging van de boete per burgemeestersmaand 121.
De oudste sporen van een afzonderlijke registratie van overtredingen van de stadskeuren zijn te vinden in membra disiecta, in dit geval tot bindstrookjes versneden perkamenten bladen 122.
Anders dan de aantekening op het omslag waarin zij tegenwoordig los bewaard worden vermeldt, zijn dit geen fragmenten van cameraarsrekeningen, maar naar jaar geordende lijsten van bannelingen. Het opschrift spreekt voor zich: “infra scripti positi extra civit[atem]” (= zij die hieronder genoteerd zijn, zijn uit de stad gezet). De afzonderlijke namen en soms bedragen, alsmede tweemaal een specificatie van de overtreding 123, komen op enkele uitzonderingen na in de overgeleverde netrekeningen niet voor. In sommige gevallen zijn de toevoegingen “de maiori” of “de minori” geplaatst, welke deels doorgehaald zijn. De betekenis hiervan is onduidelijk; wellicht gaat het om een onderscheid tussen first offenders en recidivisten 124. De naam Otto Ghenser, die op één van de strookjes geschreven is, is zonder twijfel te koppelen aan de in 1340, 1345 en 1357 voor tweemaal één respectievelijk vijf pond in de boeterubriek ondergebrachte Ghensere 125. De stroken zijn geschreven door stadsschrijver Gevehard van Hildesheim, zodat verondersteld kan worden dat hij – gelet op de door versnijding ontbrekende Romeinse cijfers na het “item, anno xl[.].” op één van de snippers – sinds zijn aantreden in 1344 een aparte administratie bijhield van personen die om wat voor reden dan ook uitgewezen werden. Gezien het feit dat hij ergens het jaartal 1359 noteerde, deed hij dit hoogstwaarschijnlijk totdat in 1361 zijn opvolger aantrad. De cameraarsrekening van 1353 kent aansluitend op de boeterubriek een aparte rubriek “receptum (…) de dudum positis extra civitatem” (= ontvangst (…) van onlangs/voorheen uit de stad verwijderde lieden). Hierin zijn 22 personen opgenomen die tezamen 45 pond moesten betalen.
De namen in beide rubrieken overlappen deels, maar gaan dan meestal vergezeld van bedragen die niet overeenstemmen 126. Helaas levert dit geen sleutel voor het probleem van de precieze relatie tussen beide administraties.
Opvallend is nu, dat de schepenen in 1356 verordonneerden dat uit de stad verbannen lieden opgepakt en naar het stadhuis gebracht moesten worden. Uit een rekeningpost van drie dagen later blijkt dat het ging om degenen die wegens het niet voldoen van boetes uit de stad gezet waren en dat hun verblijfplaats inmiddels de stadskelder was 127. De ratio van deze actie van het stadsbestuur blijft duister. Een jaar nadien zaten opnieuw vier met naam genoemde lieden in de stadskelder “pro suis excessibus”. Twee van deze personen figureren ook in de boeterubriek van dat jaar, een ander in die van 1359. Vier leden van het stadsbestuur waren aanwezig toen één van hen vrijgelaten werd 128. Weer twee jaar later maken de rekeningen melding van de onkosten van zes bestuurders bij de “examinatio” van wederom “de suis excessibus” gevangengenomen mannen 129. Omdat het onwaarschijnlijk is dat het hier om dezelfden gaat als in 1356 en 1357, hielden de schepenen kennelijk vaker dit soort klopjachten in de omgeving van de stad. De “examinatio” lijkt eerder te slaan op een ondervraging dan op een pijnlijk verhoor, dat – indien al toegepast 130 – vóór en niet na beboeting plaatsgevonden zal hebben. Het is weinig aannemelijk dat het stadsbestuur door middel van foltering alsnog betaling van achterstallige boetes wilde afdwingen. Eerder is al vermeld dat de membra disiecta oorveden bevatten. Vanwege het fragmentarische karakter van deze notities is helaas geen ondubbelzinnig verband te leggen met de acties die gericht waren op het opsluiten van bannelingen.
De stadsrekeningen bevatten meer informatie over verbanningen terzelfder tijd, alsmede over de beëindiging daarvan. In 1361 treffen we “ionghe Stijnen die tot uijtlaghen lach” aan in de boeterubriek 131. Begin 1366 kregen twee raadsleden een vergoeding “do sy omme gheghanghen hadden na den ghenen die tot uytlaghen leghen”. Na afloop voegden drie schepenen en stadsschrijver Johan ter Hurnen zich bij hen132. De term “ommegang” is doorgaans gereserveerd voor inspecties in de stad 133. Tezamen genomen laat het voorgaande de mogelijkheid open, dat de omschrijving “tot uytlage liggen” niet op verbanning slaat, maar op een voorstadium daarvan, tijdens hetwelk men letterlijk op de rol stond om verbannen te worden. Onduidelijk blijft echter welke omstandigheid bepaalde of men van die lijst geschrapt of alsnog verbannen werd.
De rekening van 1376 bevat een apart rubriekje “van jaergheelde”. Daarin staan vier mannen genoteerd voor bedragen tussen vijf en vijftig pond, van wie drie “van (vor) sinen kore dat hi sine stad ghewonnen (hadde)”. Eén van hen, Herman Platvoet, had een doodslag op zijn geweten 134.
Het jaar erop telt de rekening een rubriekje “van jaergheelde dat in den vorsz. maenden vervallen is van den ghenen die tot uytlaghen gheleghet weren”135. Een rubriek “van jaargeld” zonder nadere specificatie bestond incidenteel al sinds 1339; de rekeningschrijvers namen deze ook wel op in de reguliere boeterubriek 136. Achter de rubriek gaan vermoedelijk boetes schuil die overtreders in gedeelten voldeden, alsmede achterstallen 137. Het is onduidelijk of hieronder steeds (potentiële?) ballingen te vinden zijn. Het “winnen van de stad”, ofwel de heropneming in de stedelijke rechtsgemeenschap, is al in 1354 gedocumenteerd in de persoon van een Dirk met de bijnaam “zeepoghe”138. In 1364 consumeerden vijf bestuurders het een en ander toen een zekere Philips van Wesepe “sine stad ghewonnen hadde van den doetslaghe”139. Herman, Dirk en Philips treffen we in de voorafgaande cameraarsrekeningen niet aan 140. Ook dit wijst erop dat een afzonderlijke boete-/ballingenregistratie in zwang was. Voor “stadwinning” was toestemming nodig van het schepencollege 141. Soms kregen ballingen een geldbedragje van het stadsbestuur mee als “teerpenning”142. Wellicht hangen de toevoegingen “de maiori” en “de minori” in de membra disiecta eerder met modaliteiten van “stadwinning” samen dan met recidivisme.
Het delict “doodslag” passeerde in het voorgaande een aantal malen de revue. Vanzelfsprekend had het de bijzondere zorg en aandacht van het stadsbestuur. Een vijftal schepenen maakte op de valreep van het ambtelijke jaar 1361, namelijk op 20 februari 1362, onkosten “do die twe punten ghesat worden in eijnen cedel, als van den rechte van den ghenen die van doetslaghe uijter stad gheleghen weerden”143. Wat deze bepalingen behelsden, is niet meer te achterhalen. Naast het niet kunnen of willen betalen van opgelegde boetes was doodslag een delict waarop onherroepelijk verbanning volgde. Bepalingen in het keurboek van 1448 leggen hiervan getuigenis af. Zij volgen direct op verordeningen over het gebieden van “vrede” door de schepenen ingeval van twisten tussen burgers, hetgeen hun belang onderstreept. Indien “een ongelucke geschiet van doetslaghe tusschen onsen borgeren, inwoeners ende ondersaten”, stelden de schepenen een “stadsvrede” in voor de magen (verwanten) van beide partijen. Wie de vrede brak mocht de stad nooit meer betreden, tenzij hij bij de keizer een “vergiffenisbrief” wist te verwerven. De dader zelf ging in principe voor twintig jaar in verplichte ballingschap; de feitelijke duur werd bepaald door schepenen en raad. Wilde de dader na afloop van de termijn een verzoening bewerkstelligen, dan moest hij de stad om te beginnen veertig pond betalen. De hierboven besproken voorbeelden van “stadwinning” zullen hiermee doorgaans verband houden, net als de eerder vermelde gevallen uit de jaren vijftig en zestig van de 14de eeuw. Was eenmaal een “stadzoene of een maechzoene of een vrent-
like zoene” tussen de partijen overeengekomen, dan verviel de oorspronkelijke vrede. Elke burger en inwoner was gehouden een vreemdeling die een doodslag beging op burgers of vreemdelingen te “vervolgden myd wapengeruchte (= hulpgeroep) ende antasten”. Hij die de dader bij de burgemeesters op het raadhuis afleverde, ontving tien pond. Veertig pond boete echter wachtte degene die plegers van doodslag over de IJssel (naar Gelders grondgebied!) of anderszins hielp ontsnappen 144.
Afgezien van de bij toeval overgeleverde membra disiecta en de cameraarsrekeningen bevat ook het oudste oorvedenregister in zijn oorspronkelijke, dat wil zeggen oudste vorm optekeningen van strafbare feiten. Stadsschrijver Johan ter Hurnen maakte in 1372 en 1396 notities over een aantal delicten (doodslag en verwonding, respectievelijk spelen met gemanipuleerde dobbelstenen)145. Aangezien het bij deze paar jaren gebleven is, functioneerde het oorvedenregister ten tijde van Ter Hurnen niet als het strafrechtregister bij uitstek. Onder zijn opvolger Johan van Ommen veranderde dit. Van Ommen noteerde een serie verbanningen uit 1395 en 1398 (waaronder de verdrijving om onbekende redenen van zes vrouwen aan het begin van eerstgenoemd jaar voor termijnen die varieerden van vijf, acht en tien tot – een eerder symbolische – honderd jaar)146 en hield in de periode 1399-1420 aantekening van (hoofdzakelijk) scheld-, vecht- en steekpartijen, maar ook van bijvoorbeeld overtredingen van bierkeuren 147. De laatste optekeningen maken doorgaans melding van de verantwoordelijke schepenen of burgemeesters. Vele overtredingen zijn niet gespecificeerd; klaarblijkelijk volstond vermelding van de naam van de dader.
Dit type registraties, deels doodslag betreffend, is in het oudste oorvedenregister door verschillende stadsschrijvers voortgezet tot 1452 148.
Een reeks notities in het oudste oorvedenregister over verbanningen vangt aan in 1420 en loopt door tot 1441 149. In één op drie zaken lieten gedaagden verstek gaan. Eenmaal is vermeld dat iemand “voir gebodet was [door gerechtsboden] ende uyt bleeff, dat he nyet voir en quam ende voirvluchtich wairt, want he vruchte (= vreesde) betuget te werden dat he huysstotinge (= huisvredebreuk) gedaen hed an Neelkens voirs. doere (= deur) etc.”, eenmaal ook dat iemand “eenwerf, anderwerf voirgeboet was (…) ende nyet vuer en quam ende toech ewech uut der stad”150.
Dat verbanning meestal, maar niet exclusief een zaak van de burgemeesters was, blijkt uit het feit
dat bij drie verbanningen op dezelfde dag twee verschillende schepenkoppels optraden, waarvan één expliciet als burgemeesterspaar omschreven is 151. In een aantal gevallen uit 1440 is – al dan niet in tweede instantie – aan het eind van de notitie geschreven dat de banneling “die stad weder gewonnen (heeft)” of “sijnen koer besat (= zekerheid gesteld voor zijn boete) ende die stad gewonnen (heeft)”152. Een tweetal notities geeft meer grond aan de eerder geventileerde gedachte dat “tot uytlage liggen” de laatste fase was die aan daadwerkelijke verbanning voorafging. Een vrouw werd op 2 december 1420 na een aantijging aan het adres van een molenaar “tuytlagen geleget” en had vervolgens na op 8 januari 1421 “weder gegrepen” te zijn “up oer lijf verwilkort ende gezworen nummermer by iiii milen na Deventer te comen”153.
Het is niet te zeggen of de ballingenregistratie in het oudste oorvedenregister over de genoemde periode sluitend is; evenmin is het duidelijk of zij de opvolger was van de in snippers overgeleverde administratie uit de jaren veertig/vijftig. Het aantal notities per in het register vertegenwoordigde kalenderjaar (de eigentijds gehanteerde indeling) loopt op van één of twee in de jaren 1420-1434 (met als uitschieter 1421: vier) naar vier of vijf in de periode 1436-1441 (zes in laatstgenoemd jaar).
De teboekstelling van ballingen is aansluitend voortgezet in een afzonderlijke rubriek getiteld “uytlage” in een ander gerechtelijk register, waarin voor het overige geleides 154 en voluntaire zaken genoteerd zijn 155 (zie tabel 4). De inhoudelijke samenstelling van dit register, dat in zijn geheel de periode 1441-1475 omspant, onderstreept nog eens dat de tijdgenoten niet in strikt gescheiden categorieën recht dachten. Het zou daarom anachronistisch zijn om van een register “met gemengde inhoud” te spreken. De rubriek begint op de voorlaatste bladzijde van het tweede katern en is voortgezet in het derde. Verbanningen zijn geregistreerd over de jaren 1442-1459. Dat is exact dezelfde periode als bij de geleide-aantekeningen en bijna dezelfde als bij de machtigingen. De verbanningsnotities volgen direct op de machtigingen en zijn doorspekt met machtigingen en schuldbekentenissen 156. De formulering van de verbanningsoptekeningen is vergelijkbaar met die in het oudste oorvedenregister. Een paar keer is expliciet vermeld dat een dienstdoende burgemeester vervangen werd 157. Voor zover dit is aangegeven, duurde een verbanning een jaar; af en toe is aangetekend dat een balling in de stad terugkeerde (“weder ingecomen”)158. De desbetreffende passages zijn doorgestreept. Dit type registratie geeft niet de indruk systematisch bijgehouden te zijn.
Verbanningen hangen – ook al in het oudste oorvedenregister – frequent samen met steekpartijen, nauwkeuriger: met het niet voldoen van de daarop gestelde boetes. Twee jaar na aanvang van de rubriek met verbanningsoptekeningen schreef een stadsschrijver op de bladzijde die aan de rubriek vooraf gaat een drietal keuren in die een omschrijving geven van “litmate wonde” (= verwondingen aan ledematen)159. Voelde men in 1444 de noodzaak tot een scherpere definiëring van verwondingen en een nadere vaststelling van de daarmee verbonden strafmaat?
Chirurgijns onderzochten de snijwonden en hadden zodoende ook een gerechtelijke taak 160. Het corpus delicti in de verbanningenrubriek is meestal een mes; één keer hanteerde iemand een bijl.
Het bezit en/of gebruik van verboden wapens vormde een verzwarende omstandigheid. In het keurboek van 1448 zijn hieromtrent bepalingen opgenomen. De definitie van “litmate wonde” is in het keurboek een stuk beknopter dan in het register 161. Wie de stad betrad, kon onmiddellijk kennis nemen van de toegestane afmetingen van voorwerpen die onverhoopt als wapen benut konden worden. Deze lengten waren namelijk op de poorten (en op het stadhuis) aangegeven 162.
Ook in het keurboek van 1448 is vermeld dat vreemdelingen op straffe van tien pond boete en verlies van het wapen geen messen mochten dragen die langer waren dan die welke aan het stadhuis en de poorten bevestigd waren 163.
De keuren over “litmate wonde” laten zien hoe de registerschrijver te werk ging. Hij was zijn tweede katern in 1441 begonnen met het “liber recognicionum debiti” (zie verderop, “schuldbekentenissen”). Een jaar later zette hij – veilig aan het einde van dat katern – een rubriek “verban-
[Afbeelding 4.?]
Een ijzeren “voorbeeldmes” uit de 15de eeuw dat aan een stadspoort of aan het stadhuis bevestigd is geweest. Het maakte bezoekers en stadsbewoners duidelijk wat de toegestane maximale lengte van messen was (collectie Historisch Museum Deventer, inv. nr. 2732).
ningen” op. Weer een jaar later, in 1443, ging hij machtigingen inschrijven in datzelfde tweede katern. Toen hij in 1444 de keuren over vecht- en steekpartijen noteerde, vormden die een logisch geheel met de daaropvolgende optekening van verbanningen. Gelijktijdig aan de drie rubrieken doorschrijvend, stuitte hij met zijn machtigingen in 1457 op de keuren. Voor zijn rubriek schuldbekentenissen had hij echter voldoende ruimte begroot. Toen deze in 1475 beëindigd werd, resteerden nog dertien bladzijden. Zij bleven onbeschreven. De verbanningsregistratie kon hij in een nieuw katern probleemloos voortzetten.
| Tabel 4. Indeling van het gerechtelijke register SAB, RA, inv. nr. 19 | |||
| KATERN | FOLIO | PERIODE | RUBRIEK |
| I | 1 – 7R | 1441-1472 | “TOEVERSICHTE” |
| 10 | GETUIGENISSEN | ||
| 13 – 17V | 1442-1459 | VRIJGELEIDES | |
| II | 25 – 67R | 1441-1475 | SCHULDBEKENTENISSEN |
| 74 – 79V | 1443-1459 | MACHTIGINGEN | |
| 80 – 81V | 1442-1446 | VERBANNINGEN | |
| III | 82 – 86R | 1446-1459 | VERBANNINGEN |
Uit een bepaling in het keurboek van 1448 over vredeloosheid en voortvluchtigheid blijkt dat ballingen of voortvluchtigen, iedere keer dat zij in de stad of stadsvrijheid kwamen, een dubbele boete opgelegd kregen. Ietwat anders stond het met iemand “die op sinen lesten kuer genge”.
Vermoedelijk betekent dit dat de overtreder in kwestie zijn laatste deel van de boete moest betalen. Hij of zij mocht pas weer in de stadsvrijheid of binnen een mijl (de zogenaamde “banmijl”) van Deventer verschijnen als de boete voldaan was. Vertoonde zo iemand zich toch, dan was hij eveneens een dubbele boete verschuldigd indien men die ongeoorloofde aanwezigheid binnen de banmijl “overkonden mochte (= bewijzen met een in rechte afgelegde verklaring) myd twe goede knapen”164. Deze interpretatie van “op zijn laatste keur gaan” zou goed aansluiten bij het in het voorgaande behandelde verschijnsel van het “jaargeld”.
Het onderscheid tussen verbanning en voortvluchtigheid vindt zijn pendant in wat in de Duitstalige literatuur respectievelijk “Stadtverweisung” en “Verfestung” heet.
“Stadtverweisung” behoorde tot de sfeer van de wetshandhaving (“Polizeigerichtsbarkeit”), “Verfestung” tot de hoge jurisdictie. Een “Verfestung” (Latijn: proscriptio) werd uitgesproken wanneer iemand vluchtte wegens het begaan van een overtreding of voordat een straf opgelegd kon worden. De oorspronkelijke, procesrechtelijke “Verfestung” werd in gebieden met Saksisch recht opgelegd wanneer een aangeklaagde driemaal verstek liet gaan na voor een rechtbank gedaagd te zijn. De “Verfestung” volgde dus op een rechtsweigering en had, anders dan de “Stadtverweisung”, betrekking op een afwezige in plaats van een aanwezige. Beide vormen leidden tot uitsluiting uit de rechtsgemeenschap; zij gingen gepaard met het verbod voor de rechtsgenoten om met de gestraften om te gaan of ze te herbergen. In het Lübeckse (niet het Saksische) recht werd “Verfestung” feitelijk een straf op zich. Indien binnen stadsrechtfamilies of andere stedelijke netwerken een door een partnerstad uitgesproken “Verfestung” overal gehandhaafd bleef, kon een “Verfestete” nergens een bestaan opbouwen 165.
In Göttingen bestond voor voortvluchtigen de mogelijkheid opnieuw als burger toegelaten te worden, echter pas na het doen van een oorvede in de zin van een gehoorzaamheidseed. Vanaf circa 1420 ging het stadsbestuur van Göttingen over op strafmiddelen als steenleveranties of muurbouw, omdat verbanning tot overlast leidde op het omringende platteland en omdat de afwezigheid van grote groepen burgers nadelig was voor de stedelijke economie. In de 15de eeuw liet men in Göttingen soms bannelingen uit preventief oogpunt een oorvede zweren, zonder dat van gevangenschap sprake was geweest166.
4.2.3. Erfdeel van kinderen of “kindergoed”
Op 8 maart 1362, twee weken na de bestuurswisseling, betaalde stadsschrijver Johan ter Hurnen zestien schellingen en drie penningen “umme eyn boec dat ghemaket is, daer men in scriven sal die erfnisse van den onmundighen kinderen”167. Onbekend blijft waar dit register geprepareerd werd. Stadsschrijvers tekenden er het vermogen en de bezitsrechten van de “onmondige” kinderen van een hertrouwende weduwe of weduwnaar in op 168. In Deventer geschiedde de aangifte van “kindergoed” door de ouder in kwestie. Voor burgers was registratie verplicht, blijkens een rekeningpost van exact zes jaar later: “Heyliken, Dagghenvordes wijf, do sie betaelde der stad 25 punt (= pond) omme dat sie horen kinderen hoer guet niet bewyset en hadde”169. Deze post is opgenomen omdat er drinkgeld gemoeid was met de afdracht; de boete zelf is geboekt in de boeterubriek 170. Het tweede deel van het keurboek van 1448 opent met een aparte passage gewijd aan de aangifte van “kindergoed”, die ten overstaan van de magen en vrienden van de kinderen moest plaatsvinden en wel voordat de weduwe of weduwnaar hertrouwde. De boete is verdubbeld ten opzichte van 1368; bovendien moest men binnen een maand na beboeting alsnog opgave doen 171. En passant bewijst het voorgaande dat reeds het keurboek van 1343 – oorspronkelijk of als toevoeging – een vergelijkbare verordening heeft gekend (van een volgend keurboek is pas in 1381 sprake 172). Het verplichte karakter van de aangiftes van “kindergoed” is te verklaren vanuit de onmondigheid van de kinderen: zij waren geen rechtspersonen en in financiële en juridische kwesties afhankelijk van een voogd. Opgave van hun erfdeel was geen vrijwillige handeling, maar diende de rechtsbescherming van kinderen 173.
Het oudste bewaarde register, “bewysinge van der kynder guet” geheten, vangt aan in 1467 en beslaat de periode tot 1494 174. Op het perkamenten omslag staat geschreven: “Incipit anno 1447” (= begint in het jaar 1447). Onverwachte bevestiging van dit jaar verschaft de eerder genoemde rubriek “uytlage” in een ander gerechtelijk register. Daarin is in een notitie uit 1448 sprake van “dat kinderboeck”175. Een register (eventueel: registers) dat de jaren 1447-1466
bestreek zal dus de directe voorloper zijn geweest van het oudste bewaarde exemplaar.
Uit het voorgaande valt af te leiden dat in 1467 de delen die de periode 1362-1446 besloegen, verloren waren gegaan en dat alleen een deel over de jaren 1447-1466 nog voorhanden was. Dit kan ons iets leren over de gevolgde werkwijze. Bij de aanleg van een nieuw deel bewaarde men ter secretarie het voorafgaande, zowel als model alsook omdat de erin vervatte informatie deels nog actueel was. Na de vervaardiging van nummer drie kon nummer één vernietigd worden, omdat de informatie inmiddels redundant geworden was, zeker als we uitgaan van een gemiddelde tijdsspanne van 25 jaar per register (1447-1466 en 1467-1494). De vraag of men oudere delen bewaarde is van belang – hoe lang bleef deze informatie actueel, bijvoorbeeld als bewijsmiddel of omdat kwesties nog niet afgehandeld waren -, maar moeilijk te beantwoorden. De veronderstelling van Schneider, dat aan het begin van de 15de eeuw een bestuurshervorming plaatsvond die leidde tot vernietiging van oude registers, is niet alleen in het licht van het voorgaande een onbevredigende verklaring. Deze hypothese steunt op Schneiders aanname dat het oudste oorvedenregister als enige de vermeende opruimingsdans ontsprong. Dat dit niet het geval was, blijkt uit het overleven van een verpachtingsregister dat kort na het midden van de 14de eeuw aangelegd werd 176.
Hoewel het oudste bewaarde register van “kindergoed” het tijdskader van deze studie te buiten gaat, is er gezien de lange traditie op dit vlak alle reden het aan een nadere analyse te onderwerpen. Aangiftes van “kindergoed” geschiedden ten overstaan van steeds wisselende schepenparen. Incidenteel waren het burgemeesters, soms een schepen en een raadslid, zelden één schepen 177. Het “kinderboeck” was dus geen burgemeesters- of straatschepenregister 178. Mijns inziens diende het vermelden van de namen van de betrokken schepenen als een vorm van getuigenbewijs: het verschafte de mogelijkheid om hen, indien nodig, als getuige op te roepen. De bronnen maken geregeld gewag van het horen van bestuurders, doorgaans onder de aanduiding “gicht doen”. Juist aan dit element ontleenden registeroptekeningen hun bewijskracht. Uitvaardiging van een oorkonde kon zodoende achterwege blijven, hetgeen tot kostenbesparing voor burgers leidde. Dit geldt voor alle in het navolgende behandelde gerechtelijke registraties waarbij namen van bestuurders genoteerd zijn.
De optekeningen in het “kinderboeck” zijn in hoge mate gestandaardiseerd, als volgt: “[datum] [voor A en B] is gecomen [C] ende bewijsde […] oeren kinderen die sie hadde by [D] vorscr., voer oer vaderlike guet daer sij vermids doede oers vaders anvererft sint onder hem allen [bedrag] voer all guet commervry; hijr weren an ende aver als vrende ende maege […]” of “[datum, voor A en B] is gekamen [C] ende heeft bewijst [D], sijnen soen die hie hadde bij [E] (sijnen voirwive), voir sijns moderlike guet, dair he vermids doede [E] sijnre moeder an vererfft is, ende voir all guet ruerende off onruerende [bedrag]; hijr weren an ende aver alse vrende ende maegen […]”.
De “vrienden en magen” zijn soms twee, soms drie en ook wel vier man sterk, waarbij af en toe
is toegevoegd “ende meer gueder lude genoech”, een keer “want des kindes maege bij die hant niet en weren”179. Uitputtende boedelbeschrijvingen ontbreken; het gaat doorgaans om een waardebepaling met eventueel een korte opsomming van vermogen en inkomsten als huizen, tienden, en dergelijke.
4.2.3. 4.3. Vrijwillige rechtspraak
Optekening op het vlak van de vrijwillige rechtspraak kwam laat tot stand. Dat wekt bevreemding, daar juist deze jurisdictie tot de oudste van het stadsbestuur behoorde. Te gemakkelijk lijkt een verklaring die uit gaat van verlies van archivalia in deze sfeer. Kennelijk voldeed eeuwenlang de mondelinge traditie. Deze zal op onderdelen gepaard zijn gegaan met rituelen die rechtshandelingen in het geheugen van de aanwezigen deden beklijven.
4.3.1. Erfenissen in den vreemde: “toeversichte”
“Wanneer Deventersche burgers buiten de stad gestorven waren en goederen hadden achtergelaten, werden deze goederen aan de opgekomene erfgenamen door tusschenkomst der Regering bezorgd, onder verband van hunne bezittingen, indien nadere erfgenamen opkwamen”180. Het aldus door P.C. Molhuysen kernachtig omschreven fenomeen van de “buitenlandse erfenis” en haar afwikkeling is door stadsschrijver Johan ter Hurnen in de jaren tachtig van de 14de eeuw als nieuw registratietype geïntroduceerd in het oudste oorvedenregister. Ter Hurnen tekende ook andere kwesties op, welke voor een groot deel betrekking lijken te hebben op erfenissen in Deventer die door vreemdelingen opgeëist werden. Voorbeelden hiervan zijn het geschrift dat de Brabantse stad Diest in 1404 tot Deventer richtte ten behoeve van belanghebbenden en de erfenis die de Johannieters van Steinfurt in 1398 wensten in te vorderen 181. Soms gaat het om (handels-)schade, waarbij het Deventer stadsbestuur namens gedupeerden “brieven” stuurt 182. Bij uitzondering is aantekening gehouden van door mombers (voogden) beheerd bezit van onmondige kinderen 183. Dergelijke notities hangen ongetwijfeld samen met (in het geval van schade: niet naar tevredenheid afgehandelde) erfeniskwesties in verre streken.
De erfenisaantekeningen volgen – met openlating van drie bladen – op de tot de oudste opzet van het oorvedenregister behorende rubriek “verlovet”. Ter Hurnen schijnt er omstreeks 1388 mee te
zijn begonnen 184. Gelet op twee andere notities zoude start op z’n vroegst in 1382 of rond 1385 gelegen kunnen hebben 185. Stadsschrijver Johan van Ommen zette de reeks op verschillende plaatsen in het register voort. Gelet op de rommelige chronologie schreef hij vermoedelijk losse stukken af.
Wat behelzen de optekeningen over erfenissen buiten Deventer nu eigenlijk precies? Zij hebben betrekking op – of beter: zijn uittreksels van – “toeversichte” en de daarmee samenhangende schadeloos- of zekerheidsstellingen, welke laatste we al tegenkwamen in het aangehaalde citaat.
“Toeversichte” waren oorkonden die door het stadsbestuur opgesteld werden op verzoek van burgers die als erfgenaam (of crediteur) aanspraak maakten op de boedel van elders overleden verwanten (of debiteuren). In zo’n “toeversicht” vroegen de schepenen hun collega’s de roerende en onroerende goederen van de overledene in de gaten te houden (vandaar “toeversien”) tot de erfenis verdeeld of de schuld gedelgd was. In dit kader past ook de machtiging die de rechthebbenden (of executeurs-testamentair) anderen konden verschaffen om de nagelaten goederen van de overledene in kwestie op te eisen. Overigens verschijnen machtigingen pas in het register op het moment dat stadsschrijver Johan van Ommen daarin gaat schrijven; in de optekeningen van Johan ter Hurnen komen zij niet voor.
De stad intervenieerde derhalve ten behoeve van belanghebbenden. Doorgaans stelden dezen een onderpand voor het geval dat binnen een jaar-en-een-dag een “nagekomen klacht” volgde van naastere familie waaruit een voor de stad Deventer belastende “namaning” kon voortvloeien. Dergelijke zekerheidsstellingen zijn herkenbaar aan de aanvangsformule “Dat is te weten dat A ghelovet heft onse stad (of: die scepen ende raed) scadelos te hoelden …” of “Item, desse hebben ghelovetvor B alse vor dat guet dat hi buten landes boert (= invordert) van sijns wives soens weghen” of “C heft onser stad gheloevet vor D, oft sie tot Hamborch enich guet upboert alse van hoers soens dode ende onser stad hier namaels daer ansprake van queme, dat hi onse stad daer van ontheffen zal”, of “dat is te weten (…) dat hi dan daer (…) ten stad rechte staen sal” of ook “heft ghesat [volgt onderpand], ende daer en tendes, ofte daer wes aen ontbreke, so heft E voert ghelovet alse weert zake dat die stat daer enighen hinder ende schaden bij lede, dat sie dat verrichten solen”, en dergelijke 186. De stadsschrijvers maakten in het register dus een duidelijk onderscheid tussen het “verloven” bij oorvede en het “geloven” bij schadeloosbeloftes. Doorgaans stelde men (erf en) huis of huizen als onderpand, die veelal met behulp van belendingen gelokaliseerd zijn.
Voor zover vastgelegd is ten overstaan van welke bestuurders deze onderpandstellingen geschiedden, gaat het om wisselende combinaties van schepenen en/of raden 187.
De aantekeningen over erfenissen in den vreemde laten zich niet alle exact dateren. Niettemin lijkt het erop dat Johan van Ommen in 1396 voor het eerst een excerpt van een toeversichtsoorkonde inschreef 188. De formulering is steeds dezelfde: “[datum] unse stad screef toe [vorst, stad, instelling] van weghen/omme begheerten [naam belanghebbende en uiteenzetting van de kwestie]”. Turven we alle door Van Ommen gemaakte notities met betrekking tot erfeniskwesties (die, in tegenstelling tot die van Ter Hurnen, bijna allemaal van een datum voorzien zijn), dan resulteert dat in een aantal van 95 over de periode 1392-1419 ofwel een gemiddelde van 3.5 per jaar. Daaronder zijn 43 expliciete vermeldingen van de verzending van “toeversichte” naar (personen in) andere steden, instellingen als de Hanzekantoren in Bergen en Brugge of vorsten en prelaten. De “toeversichte” illustreren de handelscontacten van de burgers van Deventer 189. Gemiddeld zijn er 2.5 à drie per jaar geregistreerd. Na pieken in 1401, 1403 en 1404 (zes à zeven stuks per jaar) nam de frequentie af. Eenderde van alle toeversichtsoorkonden was bestemd voor Bergen en Lübeck (respectievelijk negen en zes keer)190.
| Tabel 5. Gemiddeld aantal geregistreerde “toeversichte” per vijf jaar, 1396-1419 | |
| 1396-1400* | 1.8 |
| 1401-1405 | 4.2 |
| 1406-1410 | 1.6 |
| 1411-1415 | 0.2 |
| 1416-1419** | 0.8 |
| * inclusief twee niet gejaartekende | |
| * periode van vier jaar | |
Een door Johan van Ommen geschreven “toeversicht” uit 1393 in het stadsarchief van Rostock maakt duidelijk dat de registratie niet sluitend was. Het document heeft de uiterlijke vorm van een oorkonde en is uitgevaardigd door schepenen en raad. Rechtsgeldigheid ontleent het aan het stadssecreetzegel 191. Nog tot in de tweede helft van de 15de eeuw behield dit type schriftgoed de vorm van op perkament geschreven oorkonden. Dit laat zich illustreren aan de hand van een exemplaar uit 1465, dat uitgevaardigd werd door burgemeesters, schepenen en raad en ook al voorzien is van het stadssecreetzegel 192.
Bij uitzondering werden toeversichtsoorkonden op andere manieren geauthenticeerd dan met het stadssecreetzegel 193.
Na 1419 is er een hiaat van 21 jaar in de registratie van erfenissen in den vreemde. Een verklaring daarvoor is moeilijk te geven. Het is onaannemelijk dat “toeversichte” niet langer de deur uitgingen. Evenmin ligt het voor de hand te concluderen dat de animo voor het laten uitvaardigen en inschrijven van toeversichtsoorkonden na verloop van tijd afnam. Al zijn er geen aanwijzingen voor een verplicht karakter van de “toeversichte”, zonder een officiële stadsoorkonde en de bijbehorende geregistreerde zekerheidsstelling zal men weinig kans gemaakt hebben een erfenis in een andere stad op te eisen. Bestond er geen behoefte meer aan een afzonderlijke registratie van dit type documenten, of is een tussentijdse registratie verloren gegaan?
Hoe dit zij, in een aparte sectie in een gerechtelijk register is de draad weer opgepakt. De sectie omvat de periode 1441 tot 1472 (zie tabel 4)194. De nieuwe registratie van de “toeversichte” was evenmin als de oude sluitend; de eerder vermelde oorkonde uit 1465 is in het register namelijk niet terug te vinden 195. Dit onderstreept dat het risico op “namaninge” voor de stad kennelijk niet groot genoeg was om een waterdichte registratie op te zetten en de opstelling van toeversichtsoorkonden dus verplicht te stellen. Vanuit de burger geredeneerd moesten de kosten van optekening opwegen tegen de te verwachten baten en/of de kans op een juridische nasleep.
Fluctuaties in de tijd zijn bij dergelijke afwegingen niet te verwachten. Dat blijkt ook wel hieruit, dat het gemiddelde net als in de periode 1396-1419 op 2.5 stuks per jaar lag. Naar vijfjaarlijkse perioden uitgesplitst springt in het oog dat de hoogste scores in de begin- en eindperiode vallen.
| Tabel 6. Gemiddeld aantal geregistreerde “toeversichte” per vijf jaar, 1441-1470 | |
| 1441-1445 | 3.0 |
| 1446-1450 | 1.2 |
| 1451-1455 | 1.4 |
| 1456-1460 | 1.2 |
| 1461-1465 | 1.6 |
| 1466-1470 | 2.8 |
Het geografische bereik van de “toeversichte” is nog wat ruimer dan in de jaren 1396-1419. De contacten liepen van Stade, Hamburg, Lübeck, Stralsund, Danzig en Koningsbergen tot Reval in het Baltische gebied, van Bergen in Noorwegen tot Ribe, Roskilde en Kopenhagen in Denemarken, tot Keulen, Herford, Remerschen (bij Trier) en Basel. Ook de “olderlude” van de Hanze in Brugge en, dichter bij huis, de steden Amsterdam, Asperden, Den Bosch, Doesburg, Leeuwarden en Zutphen figureren in de notities 196. Opvallend vaak verzond het stadsbestuur
“toeversichte” naar Bergen, Kopenhagen, Lübeck en Stralsund. Een inschrijving uit 1453, gericht aan de “olderlude en de gemene koopman” te Bergen met het verzoek de erfgenamen van respectievelijk Herman en Johan Bruyns behulpzaam te zijn, bevat een passage over het achterwege laten van “namaning” op “brieven”, boeken en rollen 197. Dit deel van de erfenis was namelijk al opgeëist. Even valt er licht op een koopliedennalatenschap, waarvan ook allerlei – helaas niet nader omschreven – schriftelijke bescheiden deel uitmaakten. De cameraarsrekeningen verantwoorden nergens expliciet de bezorging van “toeversichte” en dat is ook logisch: belanghebbenden gingen zelf met hun oorkonden op pad (of gaven ze aan anderen mee), niet de stadsboden 198.
In de Overstichtse context kan gewezen worden op een vroege toeversichtsoorkonde, omstreeks 1320 door de schout van Twente uitgevaardigd ten behoeve van een dienaar van hem en gericht aan raden en schepenen van Osnabrück 199. Voorts verdient hier vermelding de bijzonder interessante collectie Oldenzaalse “toeversichte” uit de jaren 1351-1368, die na allerlei omzwervingen recent in Lübeck opgedoken zijn 200. Zij staan op naam van schepenen en raden of van raden en schepenen en zijn gezegeld met het stedelijk (groot-)zegel. Deze oorkonden zijn in het Latijn gesteld en worden gekenmerkt door hun uitvoerigheid. Een Rijssense “toeversicht” uit 1355 is in het (Oost-)Middelnederlands geformuleerd 201. De “stadsbrief” die een zekere Menso Wiconis in 1340 “ad partes Dacie (= het koninkrijk Denemarken)” bracht, is wellicht de oudste Deventer toeversichtsoorkonde 202.
4.3.2. Renunciaties
Overdrachten en bezwaringen van onroerend goed tekende men in Deventer op in de zogeheten renunciatieregisters. Het oudste en tevens eerste register dat bewaard bleef beslaat de periode 3 september 1430-1437, de volgende drie de periode 1437-1458, waarna een gat valt tot 1470 203.
De kosten van de vervaardiging van het eerste register zijn in de cameraarsrekening van 1430 geboekt 204. Het aantal notities schommelde in de periode 1430-1458 globaal tussen 250 en 350 per jaar 205. Het zal op grond hiervan allicht duidelijk zijn dat er geen vaste data voor het doen of vastleggen van renunciaties waren. De inschrijvingen volgen het ambtelijke jaar; zij vangen aan
na Petrus ad Cathedram, zoals soms in de kantlijn is aangegeven 206. De renunciatieoptekeningen bevatten de namen van de betrokken (twee) schepenen, de aard van de rechtshandeling en de handelende personen. Wellicht representeren de in sommige gevallen in de marge genoteerde plusjes en minnetjes de uitvaardiging al dan niet van een oorkonde. Heel waarschijnlijk is dat echter niet; hiervóór is verondersteld dat de vermelding van de betrokken schepenen als bewijsmiddel fungeerde. Incidenteel is een oorkonde integraal afgeschreven 207. De schepenkoppels ten overstaan waarvan burgers renunciaties lieten vastleggen, waren niet per se ook burgemeesterskoppels 208.
Tot 1430 zijn transacties met onroerend goed en met renten beoorkond en niet geregistreerd.
Het vroegste mij bekende voorbeeld uit Deventer van de vestiging van een rente (overigens bij uiterste wil als “memorierente” en dus een bijzonder geval) op een particuliere woning dateert van 1309 209. Expansie van de stedelijke rentenmarkt zou wel eens de verklaring kunnen zijn voor de aanleg van registers op dit terrein. Het relatief grote aantal (twee-)schepenoorkonden aan het eind van de 14de eeuw (in het bijzonder in de jaren negentig daarvan) dat hierop betrekking heeft, geeft een indicatie wanneer deze groei inzette. Registratie in plaats van beoorkonding was een middel om die groei administratief te kunnen bijbenen. Juist in 1430 treffen we in de ene cameraarsrekening voor het eerst een omvangrijke rubriek aan over de betaling van renten aan burgers (op beperkte schaal ook aan burgers van andere steden). Nu heeft dit feit weliswaar niets uit te staan met de particuliere huizen- en rentenmarkt zoals die in de renunciatieregisters terug te vinden is, maar het is wel een opmerkelijk nieuw fenomeen in een stad waarvan het bestuur zich tot dan toe bij gelegenheid geld verschafte door middel van (al dan niet gedwongen) leningen 210. Volgde de overheid haar burgers?
Vanuit vergelijkend perspectief is het vermeldenswaard dat in Kampen in 1438 een reeks registers van “oplatinge” (het Middelnederlandse equivalent van “renunciaties”) aanvangt. Lijfrenten schijnen daar vanaf het laatste kwart van de 14de eeuw in zwang te zijn gekomen 211. Kossmann-Putto stelt vast dat rijke burgers in Kampen in de eerste helft van de 14de eeuw liever korte- dan lange- termijninvesteringen deden (i.c. het stadsbestuur leningen verschaften)212. Het is onduidelijk wat de achtergrond is van deze gelijktijdige omslag in het financieel-economische beleid.
4.3.3. Schuldbekentenissen
Schuldbekentenissen behoren eveneens tot de sfeer van de vrijwillige rechtspraak: zij betreffen private schuldverhoudingen. Registratie van schuldbekentenissen in stadsboeken en/of de uitvaardiging van schepenoorkonden bood betrokken partijen zekerheid 213. Naar de omschrijving die R. Sprandel hanteert, legde men in stedelijke schuldboeken “reine Geldgeschäfte” vast en geen rententransacties. Schuldboeken in de enge zin van registers van kredieten in het kader van de afwikkeling van handelszaken ontstonden alleen in steden waar het handelsvolume dit noodzakelijk maakte.
Vanaf de tweede helft van de 13de eeuw noteerde men overal in het Duitse Rijk private schuldkwesties in stadsboeken. In Lübeck bestond sinds 1305 een supplement op de schuldboeken, waarin men de verklaringen over door debiteuren verrichte betalingen (“recognitiones”) vastlegde 214.
Hoe was de situatie op dit punt in Deventer? In een gerechtelijk register zijn schuldbekentenissen in een aparte sectie ingeschreven onder het opschrift “liber recognicionum debiti” of in het Middelnederlands, “bekenninge” (zie tabel 4)215. Een onderscheid tussen beide termen is er niet. De optekening van schuldbekentenissen in het register begint – net als in het geval van de eerder besproken sectie “toeversichte” – in 1441 en wel op 8 december; zij loopt door tot 1475. Er zijn geen aanwijzingen voor een begin van de systematische registratie van schulden tussen burgers onderling vóór 1441 216. De formulering van schuldbekentenissen is tamelijk uniform. Genoteerd werden de datum, de naam van de debiteur, de fungerende schepen(en) of burgemeester(s)217, de naam van de crediteur, een omschrijving van de schuld, en eventueel betalingscondities en -termijnen 218. De volgorde van deze elementen wisselt soms. Alleen in het jaar 1448 noteerde de scribent de namen van degenen die voor de schepenbank verschenen vrij consequent in de marge 219.
Aangezien afbetalingen vaak plaatsvonden op de Deventer jaarmarkten (“bynnen den staenden cruce”, d.i. het marktkruis), lijkt Sprandels definitie van toepassing op het stedelijke schuldboek van Deventer. Net als bij “toeversichte” stelde men onderpanden, echter niet altijd 220. Sommige notities hebben het karakter van kwitanties; een crediteur verklaarde dan naar genoegen betaald te zijn 221. In het schuldregister komen ook voorbeelden voor van door partijen onderling opgeloste (betalings-)conflicten, waarvan men de uitkomst zekerheidshalve voor de schepenbank liet vastleggen 222
Omdat de registratie van schuldbekentenissen tot het domein van de vrijwillige rechtspraak behoorde, is zij ongetwijfeld niet sluitend. Een tabellarisch overzicht van de aantallen notities is illustratief voor de behoefte aan optekening die bij de burgers bestond. Het is de vraag of van schuldbekentenissen oorkonden opgemaakt werden; voorbeelden zijn dun gezaaid 223.
| Tabel 7. Gemiddeld aantal geregistreerde schuldbekentenissen per vijf jaar (afgerond), 1441-1475 (inclusief informatie op losse in het register liggende stroken) | |
| 1441-1445 | 9 * |
| 1446-1450 | 30 |
| 1451-1455 | 16 |
| 1456-1460 | 17 |
| 1461-1465 | 14 |
| 1466-1470 | 9 |
| 1471-1475 | 6 |
* het gemiddelde is berekend voor de periode 1442-1445, omdat de registratie pas in december 1441 aanvangt.
De opvallende stijging van het gemiddelde van de tweede ten opzichte van de eerste periode vond plaats van 1446 op 1447 (7:30 notities). Piekjaar was 1448, met veertig optekeningen. Van 1450 op 1451 halveerde het aantal registraties. Het jaar 1458 toont een opleving tot 29 stuks, maar na 1460 zette een gestage daling in. In 1465 werd slechts één schuldbekentenis ingeschreven. Een conclusie zou kunnen zijn dat de (hernieuwde?) registratie enige tijd nodig had om bekend en ingeburgerd te raken. Het enthousiasme duurde echter maar kort. Waarom? In het geval van het Hamburgse handelsschuldboek, een stadsboek waarin private schulden van Hamburgse burgers jegens elkaar en jegens vreemde kooplieden (handelskredieten dus) opgetekend werden gedurende de jaren 1288-1349, is verondersteld dat de terugloop in het aantal notities vanaf 1307/1308 samenhing met de opkomst van particuliere koopliedenboekhoudingen 224. Deze verklaring is evenwel als ontoereikend beoordeeld 225. Voor Deventer in de tweede helft van de 15de eeuw valt te wijzen op de mogelijkheid van concurrentie door schrijvers buiten de secretarie. Dit verschijnsel zal dadelijk ter sprake komen.
De functie van en samenhang tussen de verschillende stedelijke registers van vrijwillige juris-
dictie laat zich fraai illustreren aan de hand van het volgende voorbeeld. Het jaar 1442 opent met een schuldbekentenis van 10 januari (hetgeen er trouwens op zou kunnen wijzen dat men niet het ambtelijke maar het kalenderjaar volgde). Het betreft een boedelscheiding in twee gelijke parten tussen een broer en een zus, waarbij de zus de broer een zeker bedrag verschuldigd bleef en hij alle nog openstaande schulden van de ouders in Deventer zou aflossen. Zij mocht zonder zijn toestemming niets verkopen vooraleer het bedrag aan hem voldaan was. De broer vinden we in hetzelfde jaar in de renunciatieregisters terug, wanneer hij tussen 20 september en 12 december een kwart van een erf-en-huis verkoopt. De uit de boedelscheiding voortvloeiende schulden werden in het ene register genoteerd, de verkoop in het andere. Dit voorbeeld onderstreept dat het op elkaar betrekken van alle gelijktijdig gevoerde registers (met name renunciaties en erfenissen) noodzakelijk is voor een juist begrip van veel notities.
4.3.4. Machtigingen
Incidentele optekening van machtigingen vond vanaf circa 1390 plaats in het oudste oorvedenregister, zoals hierboven bleek, en vanaf circa 1430 in een memoriaal 226. In het meermalen genoemde gerechtelijke register waarin ook “toeversichte” en schuldbekentenissen zijn opgenomen, is een aparte afdeling ingeruimd voor machtigingen (“mechtichmakinge”) uit de periode 1443-1459 (zie tabel 4)227. Aansluitend op deze sectie volgt de eerder besproken rubriek met verbanningen (“uytlage”). Deze is doorspekt met machtigingen, zoals temidden van de machtigingen ook wel schuldbekentenissen opduiken. Feitelijk was een machtiging een overdracht van een vordering. Na ontvangst van het document waarin die vordering beschreven stond (de schuldbekentenis van een derde), kon de gemachtigde tot invordering overgaan. Deze samenhang verklaart de vele registraties van schuldbekentenissen temidden van de machtigingen 228. Het is wederom niet duidelijk of van machtigingen steeds een document opgemaakt werd of dat registratie volstond. Herhaaldelijk komt de term “machtbrief” voor. De machtbrief vergezelde de schuldbekentenis. Zo gaf Willem Jacobsz van Leiden in 1450 een volmacht af aan een vreemdeling (“gast”) om bij iemand een bedrag op te eisen “nae uytwysinge eenre cedulen”229. In 1451 machtigde de priorin van het Agathaklooster in Harderwijk een priester in een kwestie die hier verder niet van belang is. De “machtbrief” werd in tweevoud uitgevaardigd; aan het ene exemplaar hing het conventszegel, aan het andere het stadszegel van Harderwijk 230. Burgers die op reis gingen, machtigden soms anderen voor de duur van hun afwezigheid tot het verrichten van zakelijke handelingen 231. Het verband tussen machtigingen en “toeversichte” is eerder al ter sprake gekomen.
De formulering van de machtiging varieerde. Het gebruikelijkst is de volgende structuur: datum – naam – handelende persoon (A) – “makede mechtich” – naam gemachtigde (B) – bedrag,
etc. Een andere opbouw is deze: datum – naam – handelende persoon (A) – “makede mechtich”- naam gemachtigde (B) – “in te maenen, op te boeren ende ofs hem noet were mit rechte in te winnen” – bedrag, etc. – “quitancie etc. in forma meliore”. Een verdere mogelijkheid was: naam handelende persoon (A) – “makede mechtich” (B) – naam gemachtigde – “te vervolgen voir die scepenen ende rait alsulke ansprake” als (A) op (C) heeft. Soms komt een machtiging onder onderpandstelling voor.
| Tabel 7. Gemiddeld aantal geregistreerde schuldbekentenissen per vijf jaar (afgerond), 1441-1475 (inclusief informatie op losse in het register liggende stroken) | |
| 1443-1447 | 1 |
| 1448-1452 | 8 |
| 1455-1459 | 3 |
Tot 1450 bleven de aantallen per jaar laag (vier of minder); in 1445 en 1446 is zelfs niets geregistreerd. De piek lag in de eerste helft van de jaren vijftig. Afgezien van een tijdelijke opleving in 1457 (zes), trad vervolgens een daling op tot één in 1459. De neerwaartse lijn zette bij de machtigingen dus al eerder in dan bij de schuldbekentenissen.
4.3.5. Erfenissen in de stad: “inleiding” en “uitleiding”
Het keurboek van 1448 verordonneerde dat elke man aan wie binnen Deventer een erfenis toeviel en die zowel “mondig” als “binnenslands” was een jaar de tijd kreeg deze op te eisen; daarna vervielen zijn aanspraken. Schepenen moesten in hun rol als straatschepen erfgenamen in hun wijk desgewenst binnen jaar en dag “inleiden”, dat wil zeggen gerechtelijk in het bezit van een erfenis stellen, en bij conflicten over erfenissen de betrokken partijen voor het voltallige schepencollege dagvaarden. Voor elke “inleiding” en ook voor elke “uitleiding” ontvingen zij en de schrijver ieder een kwart wijn 232.
Het oudste bewaarde register van in- en uitleiding beslaat de periode 1453-1495 (de start kan een paar jaar eerder hebben gelegen; de eerste drie bladen zijn nagenoeg geheel verloren gegaan), het volgende de jaren 1568-1705 233. Het beginpunt van dit type registratie is niet goed te bepalen. Betrekken we de tot op zekere hoogte vergelijkbare notities over “kindergoed” erbij, alsook bemoeienis van de schepenbank met erfeniskwesties in algemene zin, dan komen de jaren zestig/zeventig/tachtig van de 14de eeuw in aanmerking. Bij gebrek aan concrete gegevens blijft dit met nadruk een veronderstelling 234.
De opgave van boedels geschiedde blijkens het oudste bewaarde register ten overstaan van hetzij twee schepenen (bij uitzondering één schepen), hetzij een schepen en een raadslid, inci-
denteel ook voor twee burgemeesters. Vanaf 1464 wordt herhaaldelijk melding gemaakt van de straatschepenen 235. Het is verleidelijk een verband te leggen met de bestuurshervorming en de toegenomen controle van de meente in en sedert dat jaar 236. Niettemin is het, gelet op de keur uit 1448, zeer waarschijnlijk dat ook de bestuurderskoppels van vóór 1464 straatschepenen (of combinaties van een straatschepen en een -raadslid) geweest zijn. De registernotities zijn in hoge mate gestandaardiseerd. Zij hebben doorgaans de vorm “[datum] [A en B] hebn hem als erfg. in laeten leyden nae den stadrechte van Deventer int erfhuys ende vort in all alsodane guet rurende ende onrurende als selige [C] achtergelaten heeft, vor [namen van schepenen etc.”, of “[datum] [A] liet hem inleyden int erfhuys wilneer (= van wijlen) [B] ende voirt in all siin nagelatene guet dat sij gedeilt hebn ende [C] lavede dair voir of yemans queme als een stadrecht is die soe nae of naerre weer dat guet dan weder to uten (= er afstand van doen), dair satte [C] siin huys voir to onderpande dair he inne woent… [namen van schepenen, etc.]”.
Het register is door diverse scribenten volgeschreven, stadsschrijvers zowel als anderen. Voor dit laatste is een fraai getuigenis te vinden in de beschrijving uit 1459 van de door een echtpaar achtergelaten gemeenschappelijke goederen. Onder de vele opgesomde items bevindt zich een schuld van drie stuiver aan “Geert scryver”, alsmede de posten “item, 12 kr. den scryver Gerardus die my dit gescreven hefft; item, 4 kr. den scryvers die dit int boeck gescreven hebn”237.
De desbetreffende hand in het register zou op grond hiervan de autograaf van Geert (Gerard) de schrijver kunnen zijn 238. Of het betalen van de registerschrijvers gebruikelijk of integendeel uitzonderlijk was valt niet te zeggen. Vermeldenswaard zijn de particuliere schuldboekhoudingen waaraan in het register gerefereerd wordt 239.
[Afbeelding 4.?]
De H. Rochus, beschermheilige van pestlijders, bij een door de pest getroffen familie. Op de achtergrond de H. Vincentius, bekend om zijn vele wonderwerken. Houtsnede als frontispice van een Rochus-vita, welke in 1482 te Wenen gedrukt werd bij Johannes Cassis. Uit: M. Baxandall, Die Kunst der Bildschnitzer. Tilman Riemenschneider, Veit StoS und ihre Zeitgenossen (2e herziene druk, München 1985) (Vertaling van idem, The limewood sculpture of Renaissance Germany (New Haven 1980).
Een telling van het jaarlijkse aantal optekeningen in het register van in- en uitleiding in de jaren vijftig wijst uit dat er zich na 1453-1454 een plotselinge en significante daling voordeed van circa dertien naar twee à vier.
Ook bij de machtigingen lag hier het omslagpunt, zoals hierboven bleek. Hoe moet deze tendens verklaard worden? Het aantal “erfenis-inschrijvingen” per jaar weerspiegelt – anders dan men geneigd zou kunnen zijn te denken – niet noodzakelijk de gevolgen van epidemieën.
In 1454 was er wellicht een verband met een epidemie, in de jaren 1458/1459 blijkt hiervan echter niets 240. Een andere oplossing dient zich aan. Het kapittel van Sint Lebuinus verwierf op 25 april 1455 van de hofpaltsgraaf van de keizer Johan Trogsesse (Trugsefé), “visitator, judex et corrector omnium et singulorum notariorum publicorum” (= inspecteur, rechter en verbeteraar van alle en de afzonderlijke openbare notarissen), het recht liefst twintig notarissen aan te stellen 241. Waarom dit privilege op dat moment verleend
werd aan het Deventer kapittel is een kwestie die hier blijft rusten. Het is overigens zeer de vraag of het aanstellingsrecht meteen en ten volle uitgeoefend is. Het openbare notariaat had zich begin 14de eeuw een plaatsje verworven in Deventer 242, maar heeft in anderhalve eeuw op geen enkel moment de omvang gehad waarvan in 1455 sprake is. Hoe dit zij, het lijdt geen twijfel dat de schrijvers op de secretarie in toenemende mate scribenten naast zich moesten dulden in de stad.
Deze groep is lastig in het vizier te krijgen, omdat zij slechts bij toeval sporen nagelaten heeft in de bestuursadministratie. Een voorbeeld is de herbergier Hendrik Crede, van wie we dankzij Dumbar, alsmede een concept van een document dat hij opstelde op de achterzijde van een oorkonde van een stadsschout, weten dat hij openbaar notaris was 243. Overigens was deze combinatie van beroepen niet ongewoon 244.
4.4. Contentieuze rechtspraak
Het eerste onderwerp dat hier ter tafel dient te komen, is de vraag hoever de contentieuze jurisdictie van de schepenen in de tijd teruggaat. In een oorkonde uit 1325 wordt gerefereerd aan de bevoegdheid van richter en schepenen tot het maken van sententies ingeval zich een conflict voordeed over het recht op een rente, die oorspronkelijk door een Deventer burger was geschonken aan het Cisterciënzerklooster Kamp bij Moers 245. Nadien heerst langdurig stilte in de bronnen. Met zekerheid vanaf 1363 was het stadsbestuur bevoegd in geschillenrechtspraak. Uit de
cameraarsrekeningen zijn verdwaalde posten te lichten die dit illustreren. In genoemd jaar “scheidden” schepenen en raad twee partijen in een erfeniskwestie. In daaropvolgende jaren zijn in de rekeningen meer van dergelijke voorbeelden te vinden 246, voordien echter niet. Een oorkonde van Nieuwjaarsdag 1368 op naam van twee niet als zodanig aangeduide Deventer schepenen behelst naar alle waarschijnlijkheid de beslechting van een conflict tussen de abdij Ter Hunnepe en een burger 247. Van belang is voorts de sententie van schepenen en raden van Deventer in een erfrechtelijk probleem, waar bestuurders van Hasselt – stadsrechtelijk een dochter van Deventer – in 1387 om vroegen 248.
Er is nog een ander spoor in de cameraarsrekeningen dan deze “verdwaalde” erfeniskwesties. Afgezien van een geïsoleerde vermelding uit 1345 249, bevatten zij vanaf 1356 250 in de uitgavenrubriek “hincinde” jaarlijks een wisselend aantal posten van het type “… per scabinos [datum], quum erant querimonie (of: tempore querimoniarum)…” of vanaf 1361 in het Middelnederlands “[datum] do (die) claghe hadde gheweest, bi den scepenen (ter maeltijt) verteerd …”. In de jaren zestig en de vroege jaren zeventig van de 14de eeuw vonden de “claghes” geregeld plaats in de stadswijnhuizen Vreden of Brunenberch of (achter) op het stadhuis 251. Het aantal “claghes” per jaar lag niet vast. Ter indicatie zij vermeld dat het er in de periode 1356-1375 gemiddeld negen à tien waren 252. Het aantal liep uiteen van vier tot zestien per jaar (alleen in 1357 waren er geen).
“Claghes” vielen nagenoeg zonder uitzondering op een dinsdag of een vrijdag. In 1463 of 1464 is door een toevoeging aan het oudste bewaarde keurboek expliciet vastgelegd dat schepenen en raden elke week bijeen moesten komen (“toe raede coemen”) op de dinsdag en de vrijdag. Alleen in de Vastentijd verschoof de tweede weekzitting van de vrijdag naar de donderdag. Indien één van deze dagen op een geboden feestdag viel, moest eveneens naar een alternatieve rechtsdag uit-
geweken worden, echter wel in dezelfde week 253. Men sprak reeds in de 14de eeuw over de laatste of eerste “claghe” vóór of na een bepaalde kerkelijke periode of feestdag. Naast de Vasten gaat het om de hoogtijdagen Kerstmis (Midwinter), Pasen en Pinksteren en stedelijke “ijkpunten” als de jaarmarkten rond Sint Jan, Sint Jacob, Sint Egidius en Sint Maarten 254.
In de cameraarsrekeningen is in verband met de “claghes” zelden of nooit expliciet sprake van de burgemeesters, maar van “de schepenen”, “de gemene schepenen”, “een deel van de schepenen” of “schepenen en raden”. In 1361 staan bij een “claghe” de namen vermeld van negen schepenen, onder wie Odo en Herbert, met de toelichting “in Oden maent, do Herbert richter was”255.
Beide heren waren dat jaar cameraar. Aangezien het fenomeen van de maandrekening pas in 1386 in zwang kwam 256, moeten we hier wel te maken hebben met de burgemeestersmaand. Een burgemeesterskoppel vormden beiden echter niet; kennelijk verving Herbert zijn collega Odo. Eerder bleek al dat vervanging van burgemeesters niet ongebruikelijk was. De conclusie kan luiden dat een in omvang variërende afvaardiging uit de colleges van schepenen en raden op “claghes” present was, maar dat de bevoegdheid tot afhandeling van de aangebrachte zaken bij de dienstdoende burgemeester of het dienstdoende burgemeesterspaar lag 257. Het is dan ook vast geen toeval dat de “claghes” gelijktijdig met de burgemeestersfunctie ten tonele verschijnen.
4.4.1. “Clageboeck”
Na deze inleiding nemen we nu het met de geschillenrechtspraak samenhangende schriftgoed in ogenschouw. Het “liber causarum inter actores et reos” ofwel het boek van geschilpunten tussen klagers en aangeklaagden, dat de periode 1423-1439 beslaat 258, opent met een programmatische keur van 3 maart 1423. Deze kwam in gezamenlijk overleg tussen schepenen, raad en meente tot stand. De keur verordonneert dat met onmiddellijke ingang schepenvonnissen opgeschreven moesten worden (“voirtan solen doen schriven so wes sie wijsen”). Kennelijk was registratie voordien geen usance. Dat deze veronderstelling niet impliceert dat de contentieuze rechtspraak
vóór 1423 uitsluitend mondeling geschiedde (met een sleutelrol voor getuigen), zal verderop blijken. De keurtekst geeft ook aan waarom men schriftelijke optekening noodzakelijk achtte, namelijk om rechtsgelijkheid te verzekeren (“ende solen wijsen gelijc in gelijcken saken”)259. De keur werd belangrijk genoeg geacht om op te nemen in het keurboek uit 1448 260. Dat de registratie ook daadwerkelijk direct ter hand genomen is, bewijst de aanvangsdatum van 10 maart. De burgemeesters traden in de geschillenrechtspraak op als “dagelijks rechter”, zoals een uitgebreide passage in het keurboek van 1448 duidelijk maakt. Twee andere bestuurders moesten hun terzijde staan om een eerlijke rechtsgang te garanderen 261. De optekeningen bevatten doorgaans de naam of namen van de betrokken bestuurder(s). In het volgende bewaarde vonnissenregister (periode 1453-1490, het tweede exemplaar ging verloren) is dit soms in het opschrift opgenomen 262. Zodoende was snel na te gaan wie verantwoordelijk was voor de sententie en de inning van de eventueel opgelegde boete.
De schriftelijke vastlegging van vonnissen van de schepenbank had ten doel controle op de rechtspleging mogelijk te maken. De vraag is natuurlijk wie die controle moest verrichten. De betrokkenheid van de meente bij de opstelling van de bepaling geeft de richting aan waarin gezocht moet worden. De niet tot de politieke elite behorende burgers stonden rond 1423 klaarblijkelijk zo sterk, dat zij de uitvaardiging van een dergelijke verordening konden afdwingen. Bij bestudering van de burgemeesters- ofwel schepenlijsten in de cameraarsrekeningen springt het jaar 1422 eruit, omdat dan vier nieuwe schepennamen verschijnen. Merkwaardig is ook dat er in totaal dertien schepenen fungeerden, in plaats van de gangbare twaalf. Erzijn wel jaren waarin de schepenen minder in getal waren, zelden of nooit echter komt het voor dat het er méér waren. Afwijkend is ook dat 1422 slechts twaalf in plaats van dertien rekeningmaanden telt. Het betreft hier evenwel een kladrekening; het origineel bleef voor dit jaar niet bewaard. Dat verklaart eventueel het tekort aan maanden, echter niet de relatief grote personele verandering. Alles tezamen genomen lijkt het erop dat in 1422 een machtswisseling plaatsvond. Volgens een 17de-eeuwse overlevering zou op 14 december 1422 een concordaat gesloten zijn tussen stadsbestuur en meenslieden over het aanvullen van het college van laatstgenoemden. Twijfel over de juistheid
van het jaartal is echter op zijn plaats; 1465 lijkt eerder in aanmerking te komen 263. Voor de ambachtsgilden in de stad lijkt geen politieke rol weggelegd te zijn geweest, niet in 1422 en niet in enig ander jaar 264.
Veelzeggend is een notitie over autonomie van de schepenbank inzake rechtspraak in erfeniskwesties, die direct na de hiervoor besproken keur over vonnissenregistratie ingeschreven is.
Tijdens de Sint Jansjaarmarkt van 1423 verschenen de schepenen van het Nederstichtse stadje Vreeland in Deventer om hun collega’s aldaar een brandende vraag voor te leggen. Zij wilden weten wie in Deventer intra muros over erfeniszaken (“erfnisse”) oordeelde: de bisschop of de schepenbank 265. Het antwoord luidde dat dit de schepenen waren en niemand anders 266. Dat de Vreelandse stadsbestuurders juridisch advies kwamen halen in Deventer (“ende segeden dat sie oer recht to Deventer plegen te halen”) is terug te voeren op het feit dat Vreeland in 1265 het Deventer stadsrecht ontving 267. Klaarblijkelijk was de komst van de Vreelanders ingegeven door een competentiegeschil met bisschop Frederik van Blankenheim. Het feit dat zij hun juridische moederstad consulteerden, zou kunnen betekenen dat ook daar de bisschop nog lang een vinger in de pap had waar het arbitrage in erfeniskwesties betrof. Dit aspect zal dadelijk nader uitge-
werkt worden. De optekening juist in dit register en pal na de keur die de aanleg van het vonnissenregister afdwong, geeft het belang aan dat de schepenen hechtten aan hun bevoegdheid op dit vlak. Zij maakt tevens duidelijk dat dit type rechtskwesties een substantieel deel uitmaakte van de bij de schepenbank aangebrachte zaken.
Keren we terug naar het oudste vonnissenregister. In het eerste katern zijn in de marge allerlei dienstaantekeningen te vinden: al dan niet verlengde plusjes, minnetjes, de afkorting “fc.” (facit, fecit, factum) en soms een datum, namen van eisers en de uitspraak. Slechts af en toe zijn de aantekeningen van een datum voorzien; niet steeds is de volgorde een strikt chronologische. In een aantal gevallen zijn eis en verweer (en incidenteel ook de sententie) door verschillende handen ingeschreven. De verklaring hiervoor is te vinden in een notitie in een memoriaal: aangeklaagden waren verplicht hun “antwoord” (verweer) binnen een bepaalde periode te laten inschrijven.
Hiervan werden zij schriftelijk verwittigd. Er verliep dus enige tijd tussen beide inschrijvingen.
Uit de notitie blijkt voorts dat het onderhavige register onder tijdgenoten bekend stond als “clageboeck”268.
Uit de optekeningen in het “clageboeck” – waaronder zich inderdaad veel zaken bevinden die voortvloeiden uit de tenuitvoerlegging van testamenten (boedelscheidingen, erfenissen, en dergelijke) – blijkt herhaaldelijk dat partijen in eerste instantie probeerden conflicten in eigen kring op te lossen door scheidslieden van beide kanten te benoemen. Pas als dat niets opleverde, schakelde men de schepenbank in 269. Soms ook kozen burgers ervoor de eigen arbitrage ten overstaan van de schepenbank te laten vastleggen. In het register is dan ook geregeld sprake van getuigen “die dit wel (in de zin van: goed) hoorden”. De formuleringen konden diverse vormen aannemen: [datum] A beschuldigt B dat hij, etc. – hierop antwoordt B, etc. – “Sentenciatum (voer die banc)” [volgt uitspraak] -[naam burgemeester], of: [datum] A spreekt B (en C, enz.) aan “ende gift hem scult” – [volgt beschrijving toedracht] – hierop antwoorden B (en C, enz.) etc., of: “A gift scholt B ende begeren dair aff utinge”, of: A spreekt B aan “ende begeert hier gerichts af”.
[Afbeelding 4.?]
Beletterde klavieren ontsluiten een deel van een vonnissenboek dat de tweede helft van de 15de eeuw omspant (SAB, RA, inv. nr. 5b; foto: SAB).
Het reeds genoemde volgende bewaard gebleven vonnissenregister over de jaren 1453 tot 1490 is te koppelen aan een post in de cameraarsrekening van 1451, waaruit blijkt dat de fraters van het Heer Florenshuis in de stad het papier leverden en het bindwerk verzorgden 270. Bij de behandeling van de keurboeken is al aandacht geschonken aan het opdrachtwerk dat de fraters verrichtten 271. In dit (derde) vonnissenboek zijn zestien katernen in een grof-perkamenten omslag gebonden. Het perkament was dusdanig ruim bemeten dat met het inbinden van ieder volgend katern de achterflap navenant ingekort kon worden. De vouwen in het omslag leggen getuigenis af van deze ontwikkeling. Een novum zijn de alfabetische klavieren, die het opzoeken moesten vergemakkelijken. Dit systeem is echter alleen in de eerste twee katernen toegepast. Te veronderstellen is dat dit gedeelte van het register door de fraters is verzorgd, maar dat zij het inbinden van de overige veertien katernen niet voor hun rekening namen. Hun systeem van het toegankelijk maken van de katernen met behulp van klavieren vond navolging in het “liber filiorum perdicionis” van omstreeks 1463, dat al ter sprake gekomen is 272.
De hamvraag is nu of er een samenhang is tussen de “claghes” en de optekeningen sedert 1423 in de “clageboecke”. Met andere woorden: waren de “claghes” contentieuze zittingen? In de lite-
ratuur bestaat geen consensus over de aard van de “claghes”. Van Doorninck houdt het op rechtsdagen waarop zowel civiel- als strafrechtelijke zaken dienden. Voor het laatste voert hij het ontbreken van een aparte instantie aan (met uitzondering van de halszaken). Volgens Van Doorninck legde men in de “claghes” ook boetes op. Wel signaleert hij dat geschillen (ook) buiten de “claghe” om afgehandeld werden. De Meyer en Van den Elzen houden het zonder nadere argumentatie op civiele rechtszittingen 273. Hier zij gewezen op een rekeningpost uit 1382, waaruit onomstotelijk blijkt dat een “claghe” een zitting was tijdens welke bestuurders klachten aanhoorden.
Hij luidt als volgt: “Ter maeltijt achter up der stad huys verteerd do sie [de schepenen] claghe ghehoert hadden”274. “Claghes” waren mijns inziens civiele zittingen, speciaal bedoeld voor geschillenrechtspraak. Van Doornincks opvatting lijkt minder juist.
Een probleem is dat de in het oudste “clageboeck” vermelde reeksen data waarop eisen ingediend en verweren uitgesproken werden niet sporen met het beperkte aantal data van de jaarlijkse “claghes”. Hoe dit te verklaren? Een rekeningpost uit 1381 verantwoordt de onkosten die drie schepenen en drie raadsleden maakten “do sie gheseten hadden over onser stad recht van der dachlix claghe te corrigiren ende daer na des daghes ter maeltijt bi den selven, do sie over den zelven zaken hadden ghezaten”275. Ongetwijfeld past deze rechtshervorming in het kader van de aanleg van een nieuw keurboek in dat jaar en de daarmee gepaard gaande herijking van het stedelijke recht 276. Hier is echter van belang dat er zoiets bestond als “dagelijkse claghes”. Dit wordt bevestigd door het derde deelboek van het keurboek van 1448. Op het opschrift “Dit is der stad recht op die clage tusschen onsen borgeren van schaden of van scholden” volgt een opgave van de dagen waarop aanklachten ingediend konden worden, te weten “tot allen tijden van den jaere”. Elke week zou een rechtszitting plaatsvinden, “uytgeseget in die Passiweke [de week aansluitend op Judica, d.i. de tweede zondag voor Pasen], in die weke van Passchen ende Pinxteren, ende twelff nachten van mydwynter [25 december tot 5 januari], ende van sente Peter ad Vincula thent Egidii [1 augustus tot 1 september]”277. Zou het nu niet zo geweest kunnen zijn dat het schepencollege de ingediende eisen bundelde om ze tijdens een beperkt aantal grote zittingen af te handelen 278? De benaming “claegedagsrolle” voor het laat- 16de-eeuwse register van bij schepenen en raden aanhangig gemaakte eisen schraagt deze veronderstelling: de op een zitting (“clagedach”) te behandelen zaken stonden “op de rol”279.
In de lijn van deze redenering zou de Deventer schepenbank op z’n vroegst rond 1325 en met zekerheid in 1356 (na een aanzet in 1345?) contentieuze competentie verworven hebben.
Hieraan heeft vermoedelijk een landsheerlijk privilege ten grondslag gelegen. Eventueel kan ook
gedacht worden aan usurpatie van een deel van de rechtsmacht van de schout als landsheerlijke vertegenwoordiger ter plaatse.
Ging de geschillenrechtspraak vanaf het begin gepaard met optekening? Voor het eerst in 1363 en vervolgens in 1365 en 1366 was stadsschrijver Johan ter Hurnen present bij “claghes”280. Deze vermeldingen doen vermoeden dat “claghes” leidden tot enigerlei vorm van schriftelijke vastlegging. Waarschijnlijk was dit reeds vanaf 1356 het geval. Concrete bewijzen zijn echter amper te vinden. Bij wijze van voorbeeld kan gewezen worden op een door Johan ter Hurnen geschreven oorkonde uit 1371, uitgevaardigd door het schepen- annex burgemeesters- paar Johan Pamont en Johan ter Poerten. Zij behelst een “dading” (minnelijke schikking of scheidsrechterlijke uitspraak) door schepenen en raden in een conflict over een waterafvoer tussen percelen van Johan van Leiden – zelf schepen in dat jaar – en Johan Vos Verremolen. Aan de sententie (“wijzing”) van schepenen en raden ging een getuigenverhoor vooraf 281. Voorts bevat het “olde copienboick” een afschrift van stadsschrijver Johan van Ommen uit 1403 van de eis van de priester Aernt Crane tegen zijn moeder Mille inzake “erfnisse ende huysinghe” in de stad.
De finesses van de zaak doen er hier minder toe dan de uitspraak van de schepenen, die op fraaie wijze de wisselwerking illustreert tussen geheugen en optekening 282. Tenslotte schreef Van Ommen in hetzelfde register nog een uitspraak in van twee burgemeesters in een conflict uit 1411 283.
Voor zover contentieuze rechtspraak tot schriftelijke vastlegging leidde, geschiedde dit aanvankelijk dus naar bevind van belang en zaken en in de vorm van oorkonden of cedelen. In het oog springend is de aanwezigheid van twee gerechtsboden in 1368 284. Sinds 1399 was het regel dat bij elke “claghe” alle schepenen, de schrijver en drie of meer boden aanwezig waren 285. Het in het keurboek van 1448 genoemde aantal van twee assisterende schepenen is vermoedelijk dan ook op te vatten als een vereist minimum. Zoals eerder opgemerkt is, speelden zij – ook al vóór de systematische registratie sinds 1423 286 – een rol in het op de hoogte stellen van partijen van
gerechtelijke termijnen, speciaal ten aanzien van het laten inschrijven van verweren. De tendens tot institutionalisering van de “claghe” is onmiskenbaar 287. Daarin past ook de bepaling in het keurboek van 1448 die voorschrijft dat burgers van Deventer die onenigheid hadden over een buiten de stad gelegen erfenis, hun eisen en verweren in geschrifte aan schepenen en raden ter hand moesten stellen 288.
4.4.2. Register van beslagleggingen
In de zoöven vermelde rubriek “claghes tussen burgers over schade of schuld” in het keurboek van 1448 is veel plaats ingeruimd voor procedures van “panding”, dat wil zeggen conservatoir beslag op roerende en onroerende goederen, die als onderpand dienden. Namens de eiser verwittigde de gerechtsbode de gedaagde van de klacht en de dag van de rechtszitting. Indien de laatste na twee aanzeggingen (à raison van boetes van respectievelijk twaalf en vijf kleine penningen) niet verscheen, moest een schepen hem mondeling aanzegging doen (tegen een boete van inmiddels honderd schellingen klein). Bovendien was hij bij driemaal verstek “verwonnen (= veroordeeld tot het verlies) van der clage ende soesal hi bynnenachte dagen daernae den cleeger genoech doen van den voirseiden clagelicken goede”. Gebeurde dit niet, dan stuurden de schepenen de gedaagde een pander. De aangeklaagde kreeg de mogelijkheid procedurele fouten bij het uitbrengen van de dagvaarding door de gerechtsbode aan te vechten. Verscheen iemand na de eerste of tweede oproep en bekende hij schuld, dan diende hij binnen veertien dagen te betalen. Zo niet, dan kwam de pander opnieuw in actie. De eiser moest de panden ten overstaan van de schepenen “opbieden” (= aangeven) op de naastvolgende maandag “alset werkedach is” en met twee medeburgers de gedaagde daarvan officieel op de hoogte stellen. Na veertien dagen stond het de eiser vrij de panden bij opbod te verkopen. In een apart gedeelte dat in het keurboek gewijd is aan panding wegens het niet betalen van borgsommen bij het tappen van wijn, wordt de maandag expliciet aangeduid als rechtsdag 289. Kennelijk was de maandag gereserveerd voor zaken van “schade en schuld”.
Een register waarin dergelijke beslagleggingen opgetekend werden (wel bij gelegenheid van het voornoemde “opbieden”), vangt in de hand van stadsschrijver Johan Pawe aan op 27 augustus 1432 en is voortgezet tot 3 april 1459 290. Het bestaat uit drie papieren katernen. Zij beslaan de jaren 1432-1447 (negentien bladen), 1447-1454 (dertien bladen) en 1454-1459 (veertien bladen) en waren – gezien hun beduimelde omslagen – oorspronkelijk los in gebruik.
Hoewel het register in de tijd vooraf gaat aan het keurboek, kan wel aangenomen worden dat het verschijnsel panding al eerder door middel van keuren gereguleerd was. Voor een oudere registratie zijn echter geen aanwijzingen te vinden. Het aantal ingeschreven beslagleggingen per jaar varieert (de onvolledige begin- en eindjaren niet meegerekend) van één in 1439 tot 46 een jaar later, met een gemiddelde van zeventien à achttien. Beslag werd gelegd op allerhande goederen, zoals “clennoede ende guet”, “gelt ende guet”, “reeschap ende guet”, “gelt ende
rente”, “gelt ende schuit”, “erfnisse ende huysinge”, “loen ende guet”, enzovoort. De notities volgen een tamelijk vast stramien, als volgt: datum – naam van de klager – omschrijving van de in beslag genomen goederen, met de naam van de eigenaar en de lokatie van de goederen – datum van de rechtsdag, doorgaans veertien dagen na de datum van de optekening: “een wete gedaen aver xiiii dage voir tgericht te komen” of “dach aver xiiii daghen”. De genoemde “wete” was een gezegelde dagvaarding, die vermoedelijk na drie “besates” (beslag, maning en dagvaarding) bezorgd werd bij degenen wier goederen in het geding waren, opdat zij “untsate” (= betwisten van de rechtmatigheid van de “besate”) konden doen 291. De eiser moest voor een beslag betalen 292.
De aan het register te ontlenen informatie is in lijn met de bepalingen in het keurboek van 1448, dat panding van erf en huis, levende have, geld en ander “reede guet” en – als er echt niets anders te panden viel – “harnas” onderscheidt 293. Een aparte paragraaf is in het keurboek gewijd aan de klacht van een vreemdeling tegen een burger. De termijnen zijn ingekort en een vreemdeling kon de panden laten verkopen op een veilige plaats 294. Niemand mocht panden aan goederen van kooplieden “of anders wie vremdes van buten ennich guet in onser stad gebrocht hadden of staen gelaeten hadden”, tenzij de eigenaar erin toestemde. Panding aan goederen van vreemdelingen was alleen toegestaan bij het innen van achterstallige huur (wel in verband met opslag te zien)295. Bepalingen over “besate” op goederen van vreemdelingen bestonden minstens sinds 1427; Zwolse stadsbestuurders verzochten hun Deventer collegae toen om rechtsadvies inzake het beslag op handelsgoederen van Elburgse kooplieden 296.
In de marge van het register van beslagleggingen is in sommige gevallen expliciet aangegeven dat de stadsschout bevoegd was. Ongetwijfeld gaat het dan om zaken die vreemdelingen betroffen en/of zich voordeden tijdens jaarmarkten 297. Hoewel gerechtelijk beslag in het register doorgaans aangeduid is als “besate” en niet als “panding”, is het de vraag of hieraan een juridisch onderscheid ten grondslag ligt. G.J. ter Kuile jr. komt tot de conclusie dat “besate” specifiek een panding gericht tegen vreemdelingen was. De auteur vermeldt echter ook dat “besate” toegepast
[afbeelding: 4.?]
Goederenopslag. Ter linkerzijde de koopman met zijn boeken en schrijfgerei, ter rechterzijde het verpakken van handelswaar. Houtsnede uit Trostspiegel, een druk (in vertaling) uit 1539 van Petrarca’s werk De remediis utriusque fortunae (Over remedies tegen voor- en tegenspoed). Uit: W. Jappe Alberts, De Nederlandse Hanzesteden. Fibulareeks 15 (Bussum 1969).
werd tegen vreemdelingen of tegen burgers, als er gevaar bestond voor verduistering of ontvluchting. Het verschil tussen “besate” en panding is in Ter Kuiles analyse gelegen in het feit dat beslag door panding niet generaal (de persoon of het vermogen van de schuldenaar betreffend), maar speciaal is; de procedures waren evenwel identiek 298. De inventaris van het Rechterlijk Archief van Deventer betrekt de inhoud van het register van beslagleggingen louter op vreemde-
lingen en rangschikt het dientengevolge onder het archief van de stadsschout 299. Mijns inziens is dit onjuist. Het was primair een register van het stadsbestuur; alleen in specifieke zaken was de schout (deels?) bevoegd. Het zal na het voorgaande eens te meer duidelijk zijn dat competentiestrijd tussen stadsbestuur en schout voortdurend op de loer lag, in het bijzonder waar het vreemdelingen betrof 300.
4.5. Conclusie
In dit hoofdstuk zijn de rechtspraak en de verschriftelijking daarvan behandeld.
Achtereenvolgens zijn de ontwikkelingen op het terrein van de straf-, vrijwillige en contentieuze rechtspraak beschreven en geanalyseerd. Daaraan vooraf ging een bespreking van de burgemeestersfunctie. Twee schepenen vervulden als “maandschepenen” (aantoonbaar sinds 1337) dan wel burgemeesters (sinds 1356) namens het schepencollege gedurende vier weken – zijnde een bestuurlijke maand – een sleutelrol in alle sectoren van de rechtspraak. Zij waren “richter in der tijt” en verantwoordelijk voor de inning van boetes die opgelegd werden wegens overtredingen van de keuren. Burgemeesterskoppels vaardigden geen oorkonden uit; wel traden burgemeesters als instituut samen met andere stedelijke bestuursorganen op als oorkonder, met name met schepenen en raad. Gebleken is dat de dinsdag en de vrijdag vanaf medio 14de eeuw de vaste wekelijkse zittingsdagen van het schepengerecht waren. Alleen wanneer de kerkelijke kalender daartoe aanleiding gaf, week men hiervan af.
In het gedeelte over strafrechtspraak is stilgestaan bij achtereenvolgens vete en oorvede, boetes en verbanning, en “kindergoed”. Vetes tussen de stad en particulieren moesten door middel van “ontzegbrieven” formeel aangezegd worden. De eerste vermelding van een dergelijke oorkonde die het stadsbestuur uitvaardigde is van 1344. Vanaf 1366 noteerden stadsschrijvers de
kerngegevens uit binnengekomen “ontzegbrieven”, te weten de namen van de aanvoerder (“hoofdheer”) van een vetevoerende groep en diens medestanders (“helpers”), in een apart register dat bekend staat als “oorvedenboek”. Een oorvede kon zowel een vredesbelofte van de verliezende vetevoerende partij zijn, als een plechtige eed van een vrijgelaten gevangene om af te zien van wraak of juridische acties (“Fehde-Urfehde” en “Haft-Urfehde”). In Deventer duiken rond 1350 vermeldingen van gevangenisoorveden op. Vetes konden tijdelijk opgeschort worden door middel van een “vrede”; beëindiging vond plaats via een zoenprocedure. De optekeningen die verband hielden met de vete werden dan gecancelleerd. De gevangenisoorveden die in het register aan te treffen zijn, werden afgelegd door personen die de stadskeuren overtreden hadden.
De noodzaak tot registratie van vetes deed zich voor toen de frequentie ervan toenam. Sinds 1370 speelde de meente als bemiddelaar een actieve rol in het vetewezen, die ook een eigen correspondentie met zich meebracht. Dit zelfstandig optreden van de meente is een opmerkelijk fenomeen. Vanaf 1395 kwamen aparte oorvedenregisters in zwang. De oorvede-eed werd op het raadhuis gezworen ten overstaan van de burgemeesters. Hechtenis en oorvede werden gaande de 15de eeuw van een middel om de vrede te bewaren hoe langer hoe meer tot een middel ter sociale disciplinering.
Wat betreft boetes en verbanning laat zich vaststellen dat sinds 1344 een separate strafrechtelijke administratie in gebruik was, die (aanvankelijk) bijgehouden werd door de stadsschrijver Gevehard van Hildesheim. Van deze oudste administratie zijn slechts perkamenten snippers over, die specifiek betrekking hebben op verbanning wegens het niet voldoen van boetes op begane overtredingen. Een min of meer systematische registratie van strafrechtelijke zaken bleef bewaard in de vorm van notities die stadsschrijver Johan van Ommen in de periode 1395-1420 maakte in het oudste oorvedenregister, dat zodoende mede als strafrechtregister en feitelijk als substraat van de boeterubrieken in de cameraarsrekeningen ging fungeren. Zijn opvolgers zetten dit type inschrijvingen in het oorvedenregister voort tot 1452. Daarnaast creëerden zij in hetzelfde register een aparte rubriek betreffende verbanningen in de periode 1420-1441. Deze rubriek is vervolgens in de jaren 1442-1459 in een ander gerechtelijk register gecontinueerd onder het kopje “uytlage”. Al met al zijn in Deventer dus ruim een eeuw lang “gerechtelijke” ballingen geregistreerd. De informatie die in de strafrechtadministratie als geheel opgeslagen lag, werd benut bij het opmaken van de klad- en netredacties van de cameraarsrekeningen, specifiek voor de boeterubrieken.
Voordat een weduwe of weduwnaar hertrouwde, moest zij of hij het erfdeel van de kinderen bij het stadsbestuur aangeven. Vanaf 1362 noteerden stadsschrijvers dergelijke aangiftes in registers. Bij in gebreke blijven werd aanvankelijk een boete van 25 pond opgelegd; sinds 1448 of al eerder verdubbelde het stadsbestuur dit bedrag. De hoogte geeft aan hoe zwaar er aan overtreding van de desbetreffende keur getild werd. Het oudste bewaard gebleven register van “kindergoed” bestrijkt de periode 1467-1494. Exemplaren werden vernietigd zodra de informatie die zij bevatten geen actuele waarde meer had.
Wat betreft de vrijwillige rechtspraak kwamen achtereenvolgens aan de orde erfenissen in den vreemde, onroerend goedtransacties (“renunciaties”), schuldbekentenissen, machtigingen en erfenissen in de stad. Deventer verwierf reeds in de vroege 12de eeuw competentie op het vlak
van de voluntaire jurisdictie. Verondersteld is, dat een krachtige mondelinge traditie registratie op dit terrein tot het eind van de 14de eeuw overbodig maakte. Pas in het midden van de jaren tachtig begon stadsschrijver Johan ter Hurnen in het oudste oorvedenregister aantekening te houden van de oorkonden die het stadsbestuur opstelde ten behoeve van burgers die aanspraak maakten op erfenissen in andere steden, de zogeheten “toeversichtsbrieven”. Registratie, met name ook van de gestelde onderpanden, was van belang in verband met eventuele claims die nadien door andere gerechtigden ingediend werden. De registratie van “toeversichte” was niet verplicht; burgers maakten een afweging van kosten en baten van schriftelijke vastlegging.
Overdrachten en bezwaringen van onroerend goed legde men ter secretarie vast sedert 1430. Honderden van dergelijke transacties vonden elk jaar een plaatsje in de zogeheten renunciatieregisters. Voorafgaand aan registratie op dit vlak waren voor deze transacties oorkonden gangbaar.
Een gestage groei van de stedelijke onroerend goed- en rentenmarkt vanaf de late 14de eeuw vormde naar alle waarschijnlijkheid de aanleiding tot registratie.
Schuldbekentenissen van particulieren tekende men in Deventer vanaf 1441 op in een aparte sectie in hetzelfde register waarin ook de verbanningen, “toeversichte” (gecontinueerd sinds 1441) en machtigingen (sinds 1443) ondergebracht waren. In de sectie machtigingen zijn vele schuldbekentenissen te vinden. Dit hangt samen met de aard van de machtiging, die in feite een overdracht van een vordering behelsde. Het verband tussen machtigingen en “toeversichte” laat zich langs dezelfde weg leggen.
Hekkensluiter in de vrijwillige rechtspraak zijn de erfenissen in de stad, die sinds 1453 ingeschreven werden. De straatschepenen speelden een sleutelrol bij het in bezit stellen (“inleiden”) van erfgenamen en bij eventuele conflicten rond erfenissen. Hier zien we een naar het niveau van de wijk gedelegeerde, trouwens beperkte, bevoegdheid. Het register van in- en uitleiding vertoont niet uitsluitend stadsschrijvershanden, maar ook het handschrift van door particulieren ingeschakelde scribenten van buiten de secretarie. Deze laatsten waren – getuige de daling van het aantal ingeschreven schuldbekentenissen, machtigingen en “binnenstedelijke” erfeniszaken – vanaf de tweede helft van de jaren vijftig van de 15de eeuw geduchte concurrenten voor de stadsschrijvers. De slotsom luidt dat zo niet het feitelijke monopolie, dan toch de overheersende rol van het stadsbestuur op het vlak van de vrijwillige rechtspraak kort na het midden van de 15de eeuw opengebroken is door professionele schrijvers die zelfstandig opereerden. In deze groep hadden openbare notarissen van oudsher een belangrijk aandeel. Toch is het maar de vraag wie zij primair bedienden: hun collega-geestelijken of de lekenmarkt 301. Te denken valt ook aan de zogenaamde schrijfmeesters, bij wie men niet alleen kon leren schrijven, maar die ook geschriften vervaardigden 302. Hiermee wil uiteraard niet gezegd zijn dat notarissen of schrijfmeesters gerechtelijke registers bijhielden, maar wel dat zij eigen niches op de schrijfmarkt vonden. Het is bijvoorbeeld goed voorstelbaar dat door partijen onderling beslechte geschillen ook
door andere scribenten dan de stadsschrijvers vastgelegd werden. Deze redenering heeft als implicatie dat er naast de op de secretarie gerealiseerde verschriftelijking van de rechtspraak, die in de 15de eeuw bepaald een imponerende omvang bereikte, ook documenten in deze sfeer geproduceerd werden door een voor de burgerij werkende groep van zelfstandig gevestigde schrijvers. De precieze omvang en output hiervan is echter met geen mogelijkheid vast te stellen.
In het derde gedeelte is de rechtspraak in geschillen ofwel de contentieuze rechtspraak onder de aandacht gebracht. Vermoedelijk al sinds omstreeks 1325 had de Deventer magistraat (gedeeltelijke?) competentie op dit vlak. Met zekerheid was dit het geval sinds 1356, zij het op grond van een landsheerlijk privilege, zij het door usurpatie. Optekening van aangebrachte zaken vond aanvankelijk niet systematisch plaats. Sedert 1423 waren de schepenen echter verplicht hun vonnissen in contentieuze zaken te laten opschrijven om rechtsgelijkheid te garanderen. Invloed van de meente is bij dit besluit hoogstwaarschijnlijk doorslaggevend geweest. De vonnissen werden ingeschreven in een register dat bij de tijdgenoten bekend stond als “clageboeck”. Daarin noteerden stadsschrijvers ook de eisen en verweren. Aangeklaagden moesten hun verweer binnen een vastgestelde termijn laten inschrijven. Vanwege het tijdsverloop zijn soms eis en verweer door verschillende scribenten vastgelegd. Bij dit alles moet wel bedacht worden dat partijen conflicten in principe onderling oplosten. Pas als dit niet lukte, wendde men zich tot de schepenbank.
Vermeldenswaard is het, dat het stadsbestuur in 1451 een nieuw “clageboeck” bij de broeders van het Gemene Leven bestelde.
Naast de “clageboecke” kunnen we ook het register van beslagleggingen (“panding” en “besate”) tot de contentieuze rechtspraak rekenen. Beslag kon volgen op klachten betreffende schade of schuld. Deze mochten dagelijks ingediend worden. De schepenbank vonniste elke maandag, behalve in de Passie-, Paas- en Pinksterweek, twaalf dagen vanaf Kerst en de maand augustus. De procedure die bij deze klachten gevolgd werd, is in het keurboek van 1448 zeer precies omschreven. Na driemaal verstek volgde panding. Het zijn deze panden die stadsschrijvers van 1432 tot 1459 in tot een register samengevoegde katernen noteerden. Afzonderlijke regels golden voor panding van goederen van vreemdelingen. Hier komt de stadsschout in beeld; in het register is in een aantal gevallen dan ook aangetekend dat hij bevoegd was.
Medio 14de eeuw was de stad Deventer in het bezit van volledige jurisdictie. De gelijktijdigheid van de ontwikkelingen met betrekking tot halszaken 303 en de contentieuze rechtspraak doet vermoeden dat de hervorming in 1356 beide jurisdicties betrof. Slechts kwesties over vreemdelingen (en in beperkte mate ook halszaken) behoorden nog tot de gerechtelijke competentie van de landsheer, ter plaatse vertegenwoordigd door de stadsschout. In algemene zin kan gesteld worden dat verschriftelijking van de strafrechtspraak voorop ging; de eerste sporen stammen uit de jaren veertig van de 14de eeuw en betreffen boetes en verbanning. Hoewel het niet mogelijk gebleken is het moment van het bemachtigen van strafrechtelijke bevoegdheid door het stadsbestuur precies vast te stellen, lag dit op z’n vroegst in de late 13de eeuw, maar eerder nog ergens in het eerste derde van de 14de eeuw. Verschriftelijking trad hier dus al snel op. Een verbreding van de registratie op dit vlak vond plaats vanaf het begin van de jaren zestig van die eeuw. Registratie
van vrijwillige zaken, ten aanzien waarvan het stadsbestuur vermoedelijk reeds in de vroege 12de eeuw competent was, geschiedde vanaf medio jaren tachtig van de 14de eeuw. Pas vanaf 1430 nam zij een hoge vlucht. Als laatste volgde in 1423 de geschillenrechtspraak, dat is krap driekwart tot een hele eeuw na de verwerving van deze jurisdictie.
Deze chronologie weerspiegelt ongetwijfeld een hiërarchie in de verschillende takken van rechtspraak: optekening van strafrechtelijke zaken genoot prioriteit, omdat zij aan de stadsvrede raakten. Conflicten konden burgers in principe onderling afhandelen en vrijwillige rechtspraak geschiedde naar de vrije wil van burgers. Factoren van zowel politieke als economische aard – de roep om rechtsgelijkheid vanuit de meente, respectievelijk de groei van de stadsbevolking en de hiermee en met de jaarmarktenhandel samenhangende massaliteit van het goederen- en kapitaalverkeer – leidden ertoe dat in de 15de eeuw ook dergelijke zaken vastgelegd gingen worden.
Benders, J.F. (2004). Bestuursstructuur en schriftcultuur. Een vergelijkende analyse van de bestuurlijke verschriftelijking in Deventer tot het eind van de 15de eeuw304 Kampen: Stichting IJsselacademie.
